Read the book: «Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie»
Sophocles
Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401641
Inhoudsopgave
PERSONEN.
VOORWOORD.
OEDIPUS.
PERSONEN.
Inhoudsopgave
| Oedipus, de koning | Willem Royaards. |
| Iokaste, de koningin | Sofie de Vries. |
| Kreon, haar broeder | Co Balfoort. |
| Teiresias | Jan Musch. |
| De Priester | Herman Schwab. |
| De bode uit Korinthe | Daan van Ollefen. |
| De Herder | Elias van Praag. |
| De Maagden | Jacqueline Royaards-Sandberg e. a. |
| De Grijsaards. | |
| Het volk. | |
VOORWOORD.
Inhoudsopgave
Ik vrees, dat deze naar het duitsch van Hugo von Hofmannsthal door mij in het nederlandsch overgebrachte bewerking van de tragedie van Sophocles „Koning Oedipus”, aan de meesten mijner klassiek-onderlegde landgenooten maar matig zal voldoen.
Vorm noch inhoud er van zullen genade vinden in de oogen van hen, die het geluk hebben, den griekschen treurspeldichter in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Ik, die dat geluk niet heb, kende tot op vóór enkele weken, deze tragedie van Sophocles slechts uit de beide hollandsche vertalingen, die daarvan door Prof. Van Herwerden en door Prof. Burgersdijk zijn gemaakt en in den handel gebracht.
In hoeverre in deze beide vertalingen zuiverder dan in de bewerking van den duitschen dichter Von Hofmannsthal, vorm en inhoud van het grieksch van Sophocles zijn bewaard gebleven, waag ik niet te beoordeelen, maar aangezocht door het Arnhemsch Comité voor Plan 1913: „De Onafhankelijkheidsfeesten”, om in dezen zomer met de artisten der N. V. „Het Tooneel” eenige openluchtvoorstellingen te komen geven van deze tragedie van Sophocles in het park Sonsbeek te Arnhem,—gaf een hernieuwde lezing van die beide vertalingen mij de overtuiging, dat het hollandsch van deze beide Professoren, in de dramatische gedeelten der tragedie, de bewogenheid miste, die naar mijn meening als spelleider,—voor het welslagen eener vertooning in de openlucht, als een allereerste vereischte moet worden beschouwd, terwijl het mij verder voorkwam, dat noch Prof. Van Herwerden, noch ook Prof. Burgersdijk, hoe getrouw zij zich dan ook aan het grieksch mochten gehouden hebben, erin geslaagd waren, om in de zuiver lyrische gedeelten, die in de tragedie telkens weer den dramatischen dialoog komen onderbreken, die grootheid van visie vast te houden, en die klaarheid van expressie te bewaren, welke ongetwijfeld het grieksch van Sophocles eigen zullen zijn.
Op grond hiervan leken mij geen van beide vertalingen geschikt, om door mij bij de openluchtvoorstellingen in gebruik te worden genomen. Immers veel meer dan in de besloten ruimte van een Schouwburgzaal, dient bij eene vertooning in de openlucht de dramatische spanning van het begin tot het einde te worden vastgehouden; en dit niet alleen door middel van het gesproken woord, maar ook door middel van het breedere gebarenspel, daar toch de aandacht van de aldaar op zooveel grooteren afstand van de spelers geplaatste toehoorders, zooveel eerder dreigt te verslappen door het in het spel der onbetrouwbare elementen allicht teloor gaan van enkele der gesproken woorden. De bewerking nu van den duitschen dichter Von Hofmannsthal leek mij én door de bewogenheid van den dialoog in de ook bij Sophocles zuiver dramatisch gehouden gedeelten, én door het dramatiseeren van de bij Sophocles meer als lyrische ontboezemingen van het koor, tusschen den dramatischen dialoog ingevlochten gedeelten, bij uitstek geschikt, om dienst te doen bij de door mij te geven openluchtvoorstellingen.
En deze overwegingen hebben mij er toe geleid, om deze duitsche Oedipus-bewerking in het hollandsch te vertalen, allerminst dus met de bedoeling, deze als proeve eener litteraire vertaling van een grieksch treurspel dienst te laten doen—moge een onzer groote dichters, b.v. Boutens, zich nogeens opgewekt gevoelen, om nevens zijn vertaling van den „Agamemnon” van Aeschylus, ook eene zich zuiver aan het grieksch houdende vertaling van „Koning Oedipus” van Sophocles, aan de hollandsche litteratuur te schenken; maar eenvoudig door mij bedoeld als de door de met mij samenwerkende artisten der N. V. „Het Tooneel” te-spreken-tekst bij „onze” Oedipus-vertooningen in het park Sonsbeek te Arnhem. Voor den vorm, waarin deze vertaling is vervat, blijf ik alleen verantwoordelijk. De verzen van den dichter Von Hofmannsthal zijn—dit spreekt wel van zelf voor wie dezen dichter uit anderen arbeid kennen—veel regelmatiger en veel mooier. Ik heb evenwel voortdurend in het oog gehouden, dat deze verzen door de met mij samenwerkende artisten moesten worden gezegd, en met de bedoeling, om hen het natuurlijk zeggen dezer verzen zoo gemakkelijk mogelijk te maken, heb ik op willekeurige wijze de versregels afgekort en verlengd, zonder toch,—naar ik vertrouw—de metriek uit het gehoor te hebben verloren.
In hoeverre ik nu in mijn bedoeling met deze vertaling ben geslaagd, zullen de a.s. openluchtvoorstellingen van „Oedipus” aan mijne luisterende landgenooten hebben te bewijzen.
En zoo sluit ik dan dit Voorwoord met een welgemeend: peccavi! aan mijne klassiek-onderlegde vrienden, en aan de dichters van Nederland.
Amsterdam, 15 Juli 1913.
WILLEM ROYAARDS.
OEDIPUS.
Inhoudsopgave
Vóór het paleis van Koning Oedipus.
Het is vroege ochtend. Gegrom van stemmen, luider en luider wordend. Mannen, jonge en oude, schuiven nader; van beide zijden schuiven zij aan, naderend door de orchestra de terrassen, die naar de trappen voeren van het paleis. Regelmatig als in litanei prevelen de lippen:
Oedipus—Oedipus—help ons—Oedipus!Een enkele stem (daarboven uit):Help ons—Oedipus. Koning—help ons!
(Plotseling gaan de bronzen deuren van het paleis wijd open en Oedipus treedt de trappen af—haastig, alleen.
Aller oogen richten zich op Oedipus: aller armen strekken zich naar hem uit).
Oedipus:Mijn kind'ren, nieuw gesproot'nen aan d'oudenKadmosstam, wat wil dat knielen hiervóór mijn paleis? Waarom strekt gij uw armennaar uw koning uit, om hulpe smeekend,terwijl de stad vol wierookgeuren is en steunt,en klaagt? Niet uit vreemden mond wild' ik dathooren. Daarom kwam 'k zelf—ik—Oedipus.—Spreekt dus!—wat voert u hier?Een stem:De pest, o Koning!Een andere stem:De pest is over ons! De pest! van huis tot huisschuift hij zich voort; van lijf op lijf plant hij zich over;de zwarte gruw'bre dood! Wij sterven allen.Stemmen:Sterven!—Allen!—Sterven!—Een stem:Als uitgemoorde holen zijn de huizen;Een andere stem:De markten en de straten zijn vol dooden;Wéér een andere stem:Met lijken volgestopt zijn de rivieren,De eerste stem:Het vuur verbrandt ze niet meer.Stemmen:Wij sterven!De tweede stem:Wagg'lend schrijden wij van doode tot doode;De derde stem:En waar wij langs gaan, hoopen zich de lijken;Eenige stemmen:En wij zijn jong nóg.—Koning, help ons!Andere stemmen:Help ons, Oedipus! O, koning, help ons!Oedipus:Laat hèm, dien oude spreken. Hèm komt 't toe,te zeggen, wat gij hoopt, verlangt, en wachtvan uwen koning. Ik wil u helpen, 'k wil;hartloos waar 'k, zoo 'k ongeroerd kon blijvenbij uw smeeken.De priester:Hoor dan, groote koning,die éénmaal reeds deez' stad van Kadmos redde,O, Oedipus, die hoog zich boven allenverheft, geweldig hoofd van kennis,—help ons!Vind iets tot redding,—dring gij met uw denkende nacht door van ons leed en vind 'n uitkomst, vorst!Zeg ons, wij moeten hier of ginder heen,en ga, gij, die van ons de grootste zijt, ga gij,als 'n huisvader gaat en richt de stad,die in de knie gebroken, zwaar van adem,met verstijfde leden, stervend terneerligt,weer op!—O richt haar op! 't Is úw stad, koning!Een goed gesternt' schonk eenmaal ons 't gelukvan uwe komst, nu—toon haar redder u tentweedemaal!Oedipus:Mijn arme, árme kind'ren! wèlweet 'k de reden van uw komst, en welbekendis mij uw leed. O, wèlbekend!—ja, met uw leedleg ik mij neer, en met uw leed sta 'k op;'k draag 't in mijn hart en hoofd en beî mijn oorenzijn vol van zijnen adem, en mijn tongsmaakt slechts uw leed. Daarom hebt ge me⁀ook nietuit sluimerrust gewekt. Ik waakte, en zat,en weende,—weende⁀om de stad, om u—om mij.En dit is niet d' eerste dag, die zóó mij groet.Maar niet als vrouwen weenen, ween 'k. Ik ween,en weer mij krachtig tegen dat, wat is;bepeins en vraag en overleg en zin,en stuur mijn denken hier en ginder heen,en werkend vond mijn geest dit middel, en nietheden wend ik 't aan, maar 'k deed 't reeds vóór lang.Naar 't Pythisch huis, tot den van wond'ren zwang'ren,goudenen troon van Phoibos, zond ik Kreon,den broeder mijner vrouw, om uit te vorschen,hoè ik de stad bevrijd. Te lang toeft Kreon,veel langer dan de weg vraagt, dien hij ging;En langer ook dan d' opdracht eischt, die 'k hem gaf.Zoo voedt mijn ziel bij 't oud leed nog dit nieuw,dat haar geboren werd uit Kreons toeven.Doch keert hij, slechter nog dan slecht zou 'k zijn,deed ik niet alles wat de God beveelt.Stemmen:Kreon! Kreon! Kreon! Kreon! Kreon komt!Oedipus:Wat wil dat roepen?De priester:Zij roepen: Kreon komt;Zij zien hem komen.Stemmen:Kreon! Kreon! Kreon!Oedipus:O, god Apollo! Moge, wat hij brengt,zoo vreugdig zijn, als 't fonk'lend oog voorspelt!De priester:Gezegend is hij.—Om 't voorhoofd speelt een glans,en door zijn haren streng'len zich laurieren.
(Kreon komt met gevolg in de orchestra. Het volk scheidt zich bij zijn komst in tweeën).
Oedipus:Mijn broeder, zwager Kreon, laat ons hooren,met wélke uitspraak keert gij van den god?Kreon:Met eene goede, dunkt mij, want als 't slechtezich ook ten goede keert, wordt álles goed.Oedipus:Het woord! Het woord des gods! Geef mij 't woord des gods!Uw eigen taal laat hopen toe en vreezen.Kreon:Zal ik der godheid woorden laten hoorenin uw paleis? of hier, waar 't volk getuige is?Oedipus:Hier, in hun áller bijzijn, want om dezeis 't, dat mijn hart den zwaarsten kommer draagt.Kreon:Zoo mogen dan de woorden van den godhier mijnen mond verlaten. Phoibos' klaar bevelluidt; dat wij uit dit land verdrijven moeteneen man, hier wonend, vloekbeladen, dragendpestbuilen op 't gezonde vleesch, verdoem'niszaaiend op dezen grond, en om zich strooienddood en verschrikking.Oedipus:En wèlke zuiveringSchrijft Phoibos voor? Wàt heet hij ons te doen?Kreon:Dien man te bannen, maar op zulk een wijze,dat bloed voor bloed komt vloeien, want 't is bloedschuld,die aan dit land deez' nacht vol gruw'len bracht.Oedipus:Noem ons den man, wiens dood de god verlangt!Kreon:Laïos, mijn vorst, was koning van dit land,éér gij de teugels van 't bewind aanvaardet.Oedipus:Dit weet ik, daar ik 't hoorde. Maar gezienheb ik hem nooit.Kreon:'t Is om den wil van dezendoode, dat de god beveelt, de hand te waap'nen,en 't zwaard te heffen naar zijn moordenaars.Oedipus:Maar wáár zijn zij te vinden, die hem doodden?Wáár wijst het spoor dier oude bloedschuld heen?Kreon:'t Wijst in dit land, zóo spreekt de god. Hij zegt:wie 't zoekt, zal 't vinden. Maar als geen sterf'ling 't acht,verloopt 't in 't zand.Oedipus:Wáár was 't dat Laïos viel?was 't in den vreemde? in 't veld? of in zijn huis?Kreon:Hij trok als pelgrim uit; dat was 't zeggen;hij wilde reizen, vreemde landen zien, maarkeeren deed hij niet.Oedipus:En ging geen mensch mèt hem?geen tochtgenoot? geen dienaar?—Is er niemand,die in dit donker ons een straal van licht—Kreon:Allenzijn daár gebleven, waar vorst Laïos viel,behalve één. Die nam uit angst de vluchten wist ons niets te zeggen dan dit eene:Oedipus:Ha! Iets dus! Wàt? Ook 't kleinste spoor is welkom;ja, zelfs de schaduw van een lichtstreep ga ik na.Kreon:Hij zei: Op roovers stiet des konings wagen,en Laïos viel, door d' overmacht geveld.Oedipus:Dàt waagden roovers, zonder dat zij warengedongenen tot die daad, van hier gekocht?Kreon:Wèl heeft men dit vermoed, doch in den nood der stad,trad niemand op als wreker van den doode.Oedipus:Wat voor 'n stadsnood was 't, die kon verhinderen,dat 't volk om zoen vroeg voor eens konings dood?Kreon:De Sfinx, mijn vorst, de Sfinx, die met verschrikkingde stad geslagen hield, en 't volk verplichtte,naar 't eigen leed te zien, niet achtend op dat duist're.Oedipus:Zoo breng ik dan dat duist're weer aan 't licht,want Phoibos heeft 'n recht daarop en ook mijn volk,dat om den wil van dien vergeten doode,mijn mond zich oop'ne en mijn hand zich waap'ne.Daarom verbind ik mij hier met dit land,met u en met den god. En niet om 't heilvan verre vrienden gaat 't, maar van mijn eigen hoofdwend ik 't onheil af, dat mij bedreigt.Want wie 't ook weze, die eens Laïos doodde,wàt waarborgt mij, dat niet dezelfde handzich morgen heft naar mij! Dus dien 'k mijzelven,waar ik Laïos dien. Gaat, kind'ren, gaat,en zendt uw oudsten tot mij, dat 'k mij met henberaden moge. Wijs wil 'k zijn, en sterk,om dezer dingen donk'ren grond te peilen;dan zal god Phoibos met geluk ons zeeg'nen, òfwij zullen ondergaan.Stemmen:—Oedipus! koning! Oedipus!—
The free sample has ended.