Read the book: «Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps»
Jean-Baptiste-Barthélemy baron de Lesseps
Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401276
Inhoudsopgave
EERSTE DEEL.
VOORBERICHT.
INLEIDING.
1787. September Te St. Pieter & Paulus.
den 29.
den 30.
1787. October Te St. Pieter & Paulus.
1787. October
1787. October Te Paratounka.
Den 8.
Den 9.
1787. October
Den 10.
1787. October De baden en heete bronnen van Natchikin.
Den 11.
Den 14.
Den 16.
1787. October.
Den 17.
1787. October Te Apatchin.
Den 18.
1787. October Te Bolcheretsk.
Den 20.
1787. October.
Den 21.
Den 22.
1787. October Te Bolcheretsk.
1787. November & December Te Bolcheretsk.
1787. December Te Bolcheretsk.
1788. Januarij Te Bolcheretsk.
Den 27.
1788. Januarij Den 27.
1788. Januarij Den 27. Te Apatchin.
1788. Januarij Den 28. Te Apatchin.
1788. Januarij Den 29. Te Apatchin.
1788. Januarij Den 29.
1788. Januarij Den 30.
1788. Januarij Den 31.
Februarij. Den 1.
1788. Februarij. Den 2.
1788. Februarij. Den 3.
1788. Februarij Den 4. Te Machoure.
Den 5.
1788. Februarij Den 6.
1788. Februarij Den 7.
1788. Februarij Den 8.
1788. Februarij Den 9. Te Nijenei Kamschatka
1788. Februarij Den 10. Te Nijenei Kamschatka.
1788. Februarij Den 11. Te Nijenei Kamschatka.
1888. Februarij Den 11.
Den 12.
1788. Februarij Den 13.
1788. Februarij Den 14.
1788. Februarij Den 19.
1788. Februarij Den 20.
Den 21.
Den 22.
1788. Februarij Den 23.
1788. Februarij Den 24.
1788. Februarij Den 25.
Den 26.
1788. Februarij Den 27.
1788. Februarij Den 28.
1788. Februarij Den 28. Te Karagui.
1788. Februarij Den 29. Te Karagui.
1788. Maart Den 1. Te Karagui.
1788. Maart Den 2.
1788. Maart Den 3.
1788. Maart Den 4. Te Gavenki.
1788. Maart van den 5. tot den 9.
1788. Maart Den 9. Te Poustaretsk.
1788. Maart Den 10. Te Poustaretsk.
1788. Maart van den 10. tot den 12. Te Poustaretsk.
Den 12.
1788. Maart van den 12. tot den 17. Te Poustaretsk.
NABERICHT VAN DEN NEDERDUITSCHEN VERTAALER.
TWEEDE DEEL.
1788. Maart Den 18.
1788. Maart Den 19.
van den 20. tot den 24.
1788. Maart . Den 24. Te Kaminoi.
1788. Maart Den 25. Te Kaminoi.
1788. Maart Den 26. Vertrek van Kaminoi.
1788. Maart Den 27.
1788. Maart Den 28.
1788. Maart Den 29.
1788. Maart Den 29. Te Pareiné.
1788. Maart Den 29.
1788. Maart Den 30.
1788. Maart Den 31.
1788. April Den 1. Te Ingiga.
1788. April van den 1. tot den 6. Te Ingiga.
Den 5.
1788. April Den 6.
1788. April Den 7.
1788. April Den 8.
1788. April Den 9.
1788. April Den 10.
1788. April Den 11.
1788. April Den 12.
1788. April Den 13.
Den 14.
1788. April Den 14. en 16.
1788. April Den 15. en 16.
1788. April Den 17.
1788. April Den 18.
Den 19.
1788. April Den 20.
1788. April Den 21.
Den 22.
1788. April Den 23.
1788. April Den 24.
1788. April Den 25.
1788. April Den 26.
1788. April Den 27.
1788. April Den 28.
1788. April. Den 29.
1788. Maij Den 3.
1788. Maij Den 4.
1788. Maij Den 5.
1788. Maij Den 6. Te Okotsk.
Den 7.
1788. Maij Den 8. Te Okotsk.
1788. Maij Den 9. Te Okotsk.
1788. Maij Den 10. Te Okotsk.
1788. Maij Den 11.
1788. Maij Den 12.
1788. Maij Den 13.
1788. Maij Den 14. Te Okotsk.
1788. Maij Te Okotsk.
1788. Junij Den 6.
1788. Junij Den 7.
Den 8.
1788. Junij Den 9.
Den 10.
1788. Junij Den 11.
1788. Junij Den 12.
Den 13.
1788 Junij Den 14.
1788. Junij Den 16.
1788. Junij Den 18.
1788. Junij Den 19.
Den 20.
1788. Junij Den 21.
1788. Junij Den 22.
1788. Junij Den 23.
1788. Junij Den 24.
Den 25.
1788. Junij. Den 26.
1788. Junij Den 27.
Den 28.
1788. Junij Den 29.
1788. Junij Te Yakoutsk.
1788. Julij. Te Yakoutsk.
Den 5. tot den 9.
1788. Julij van den 5. tot den 14. Vaart op de Lena.
van den 14. tot den 29. Vaart op de Lena.
1788. Julij Den 29.
Augustus Den 1.
1788. Augustus Den 4.
Den 5.
1788. Augustus Den 6. Te Irkoutsk.
1788. Augustus Den 7.
1788. Augustus Te Irkoutsk.
1788. Augustus Den 10.
1788. Augustus
1788.
1788. September.
1788. September Den 23.
1788. September.
October. Den 17.
AFSCHRIFT
Verklaaring van den Commandant van Okotsk.
WOORDENBOEK DER KAMSCHATSCHE, KORIAKSCHE, TCHOUKTCHISCHE en LAMOUTSCHE TAALEN .
WOORDENBOEK DER KAMSCHATSCHE TAAL Zo als dezelve te St. Pieter & Paulus en te Paratounka gesprooken wordt .
EERSTE DEEL.
Inhoudsopgave

Te UTRECHT, By B. WILD en J. ALTHEER, 1791.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
De tijtel van dit werk kondigt reeds aan, wat het behelst; waarom zou ik mij bevlijtigen om het oordeel van den leezer voorinteneemen? zou ik meer recht op zijne toegeevenheid verkrijgen, wanneer ik hem zou gezegd hebben, dat ik in den grond geen verwaandheid genoeg bezat om een boek te willen schrijven? zal mijn verhaal gewichtiger worden, wanneer men weeten zal, dat ik ’er alleen aan arbeidde uit nood om mijnen leedigen tijd op eene nuttige en vermaaklijke wijze doortebrengen, en met de eenigste bedoeling, om aan mijne naastbestaanden het getrouw verslag van mijnen arbeid en van mijne waarneemingen, geduurende den loop van mijne reis, overtebrengen? het is gemaklijk te zien, dat ik bij tusschenpoozen geschreeven heb, en wel met meerdere of mindere zorgvuldigheid, naar maate het de omstandigheden mij toelieten, of de voorwerpen mij meerder of minder troffen.
Door het gevoel mijner onervarenheid opgewekt, heb ik gemeent aan mij zelfs verschuldigt te zijn, van mij geene gelegenheid, die ter mijner onderrechting kon dienen, te laaten ontglippen, even als of ik voorzien had, dat men mij verantwoording zou vergen van mijnen tijd, en van de kundigheden, die ik in de gelegenheid was van te kunnen verkrijgen; maar zal uit deeze zorgvuldige naauwkeurigheid, waar aan ik mij gebonden heb, niet een gebrek van bevalligheid en van verscheidenheid in mijn verhaal ontstaan?
Daarenboven, de gebeurtenissen, die mij zelfs betreffen, waren zodanig verbonden aan de voorwerpen mijner aanmerkingen, dat mijne eigenliefde niet bedacht was om deeze bijzonderheden agterwege te laaten: ik heb dus het verwijt van te veel van mij zelfs gesproken te hebben verdiend; een gewoonlijke misslag in reizigers van mijne jaaren.
Behalven deeze verveelende ongeschiktheid, moet ik mij nog beschuldigen van in veelvuldige herhaalingen vervallen te zijn, die eene meer geoeffende pen zou vermijd hebben. Vormt men zich niet altoos omtrent zeekere onderwerpen, en bijzonder in Reisbeschrijvingen, een zekeren gewoonen stijl? van daar, spreekwijzen en uitdrukkingen, die telkens wederkomen: om dezelfde voorwerpen te schilderen kan men zich ook alleen van dezelfde kleuren bedienen.
Wanneer ik den tweeden dag na mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter en Paulus dit dagverhaal begon, vond ik mij al aanstonds door de dagtekening belemmerd. Ik bezat geen Franschen Almanak, en ik ging over om den ouden stijl volgens Russisch gebruik aanteneemen; deeze benam mij de moeite om geduurig aan het verschil van elf dagen, welke de nieuwe stijl meerder telt, te denken; maar zedert het, tegens mijne verwachting, uitgemaakt is, dat dit werk door den druk het licht zoude zien, heb ik mij beijverd om in de dagtekeningen het gebruik bij ons aangenomen te herstellen, den nieuwen stijl namelijk, en tot gemak van den leezer heb ik denzelven op den kant geplaatst. Wat de uitspraak der Russische, Kamschatsche en andere woorden betreft, moet ik aanmerken, dat alle de letters duidelijk moeten uitgesprooken worden. Ik heb getragt, zelfs in het Woordenboek, om de medeklinkers te besnoeijen, waar van de verwarde zamenloop afschrik verwekt en ook niet altoos noodzaaklijk is. Deezen algemeenen Regel kan men volgen, de kh moet op dezelfde wijze uitgesproken worden als de ch der Duitschers, of de J der Spanjaarden; en de ch als in het Fransch. De laatste lettergreepen oi en in, moeten uitgesproken worden, als of ze geschreeven waaren oi en ine.
De bekwaame aardrijkskundige, die alle mogelijke zorg aan mijne kaarten heeft besteed, heeft ’er mijnen afgelegden weg met eene zo groote naauwkeurigheid op aangetekend, dat de leezer mij van flap tot flap volgen kan. Dit heeft mij doen besluiten om in mijn verhaal alle aantekeningen aftesnijden over de graaden van breedte en lengte.
Een Kamschatter Caravane in een dorp aankomende, is het onderwerp, dat ik voor een plaat uitgekoozen heb, om dat die na ’t mij toeschijnt tergelijker tijd een denkbeeld kan geeven van de yssleeden, van de verschillende plaatzing der Reizigers in dezelve, en van al het geen verder ten deezen opzigte merkwaardig is. Aan de zuiverheid der tekening en aan de juistheid van het graveerstift zal men de bekwaamheid herkennen van twee te recht vermaarde konstenaars.
Er blijft mij nog overig om het uitstel, het welk het drukken van dit dagverhaal heeft ondergaan, te rechtvaardigen. Zonder tegenspraak had ik het eerder kunnen uitgeeven; mijn pligt zelfs vorderde zulks, maar mijne erkentenis gebood mij ter zelver tijd, om de terugkomst van den Heer Graaf de la Perouse aftewachten. Wat betekent mijn reis, zeide ik tot mij zelfs? Voor het algemeen, is ze niets anders dan een gevolg des gewichtigen togts van dien Bevelhebber; voor mij, is ze het eerbewijs van zijn vertrouwen: dubbelde beweegreden bij gevolg om te verlangen, van aan zijn oordeel de bijzonderheden van mijn verhaal te kunnen onderwerpen. Mijn eigebelang maakte mij daar van ook eene wet: hoe zeer zoude ik mij gelukkig geacht hebben, indien hij mij veroorloft had om mijne reis als een gevolg van de zijne in het licht te geeven, indien hij mij daar door verwaardigt had om in zijn roem te deelen! dit was, ik moet het bekennen, het eenig oogmerk van mijn eerzucht en van mijn uitstel.
Wat is het treurig voor mij, na een jaar wachtens en ongedulds, nog het einde mijner hoop te zien verschuiven! Zedert mijn aankomst is ’er geen dag verlopen, waar in mijne wenschen onze onversaagde Zeelieden van de Zeekompas, (la Boussole) en de Starremeeter, (l’Astrolabe) niet te rug geroepen hebben. Wanneer ik mij verbeeldde de zee-en te bewandelen, die hun nog overbleeven om te doorkruissen, hoe dikwijls heb ik dan niet gezogt hunne spooren te herkennen, hen van rêe tot rêe te volgen, te veronderstellen, dat ze hier of daar verversching genooten, en alle de bogten van hunnen weg aftemeeten.
Helaas! wanneer, op het oogenblik van ons scheiden op Kamschatka, de Bevelhebbers onzer Fregatten mij als een verlooren kind droevig in de armen drukten, wie zou mij toen gezegt hebben, dat ik het eerste mijn Vaderland moest wederzien? Wie zou mij gezegt hebben, dat verscheiden van hun ’er nimmer zouden wederkomen, en dat ik binnen weinig tijds traanen over hun lot zou storten!
In der daad, naauwlijks genoot ik de vrugt mijner zending en de omhelzingen mijner aanverwanten, of het gerugt van de tegenspoeden, onzen Zeelieden onder weg overkomen, vervulde mijn ziel met bitterheid en droeffenis. Hij is niet meer, die braave en deugdzaame zeeman[1], de vriend, de medgezel van onzen Bevelhebber, die man, welken ik beminde en eerbiedigde, als mijn vader; hij is niet meer, en mijn pen weigert zijn treurig einde te beschrijven! dog mijne dankbaarheid schept er genoegen in, om telkens te herhaalen, dat de nagedagtenis zijner deugden en weldaaden eeuwig in mij leeven zal.
[1] De Heer Burggraaf de Langle.
O leezer, wie gij zijt, vergeef mijner droefheid deeze afgeperste uitstorting van het hart! Indien gij hem, dien ik beween, hebt gekent, zult gij uwe weeklagten met de mijne vermengen; zult gij met mij den Hemel smeeken, dat Hij welhaast ter onzer vertroosting, en tot roem van Frankrijk, en den Bevelhebber van deezen togt, en die onzer moedige Argonauten, welke Hij ons nog gespaard heeft, tot ons wederbrenge. In het oogenblik, waar in ik schrijf, ach! zo eene gunstige wind hunne scheepen naar onze kusten voortstuuwde...! mogt die wensch mijnes harten verhoord werden! mogt de dag van de uitgaaf deezes werks ook de dag van hunne aankomst zijn! als dan zal ik, in de uitbundigheid mijner vreugde, al het genot der eigeliefde ontwaar worden.

Grote versie van de kaart, 583 kB.

REIZE
VAN DEN HEER
DE LESSEPS.
UIT
KAMSCHATKA naar FRANKRYK.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
Naauwlyks bereik ik den ouderdom van vijfentwintig jaaren, en ik ben reeds aan het gedenkwaardigste tijdstip van mijn leven gekomen. Hoe lang, hoe gelukkig ook de loopbaan mooge wezen, die ik nog te vervullen heb, zo twijffel ik echter, of het mijn bestemming wel zal zijn, om immer in eenen zo roemrijken togt gebruikt te worden als deeze, welke in dit tijdstip geëindigt word door de twee Fransche Fregatten, het Zeecompas (la Boussole) en de Sterre-meeter (l’Astrolabe) het eerste onder bevel van den Heer Graaf de la Perouse, Opperhoofd van den togt, en het tweede onder bevel van den Heer Burggraaf de Langle.[2]
[2] Indien mijne pen deeze twee vermaerde mannen waerdig was, geschikt om te samen eene groote onderneeming met de volmaaktste eensgezindheid te volbrengen, hoe veel goeds zou ik dan van ieder hunner niet te zeggen hebben? dog zedert lang hebben derzelver verrichtingen en de algemeene achting hen boven alle lofspraak verheven.
Het belang, ’t welk het gerugt van deeze reis rondom de waereld verwekt heeft, was veel te openbaar en te algemeen, dan dat men tegenwoordig niet met zo veel ongeduld als nieuwsgierigheid regtstreeksche nieuwstijdingen verwachten zoude van die doorluchtige Zee-lieden, welke door hun Vaderland en door geheel Europa van de Zeën wedergeëischt worden, die ze doorkruissen.
Wat is het vleijende voor mij, na van den Heer Graaf de la Perouse het geluk verkreegen te hebben om hem geduurende meer dan twee jaaren te volgen, nu wederom aan zijne keus de eer verschuldigd te zijn, van te land zijne brieven in Frankryk overtebrengen! hoe meer ik mijn geluk in het ontfangen deezer nieuwe proeve van zijn vertrouwen overweeg, hoe meer ik ook gewaar worde, wat eene diergelijke zending zou vereischen, en wat mij ontbreekt om die behoorlijk te vervullen: Dog ik moet zonder twijffel de voorkeur, op mij gevallen, alleen toeschrijven aan de noodzaaklijkheid om tot die reis iemand te kiezen, die de Russische taal kon spreeken, en die reeds zijn verblijf in dat Rijk gehouden had.
1787. September Te St. Pieter & Paulus.
den 29.
Inhoudsopgave
Ik verlaat de Fregatten en ontfang mijne brieven.
Zedert den 6 September 1787 bevonden zich de Fregatten des Konings in de haven van Avatscha, of van St. Pieter & Paulus[3] gelegen aan het zuidelijk uiterste van het schier-eiland Kamschatka. Den 29 kreeg ik bevel om de Astrolabe te verlaaten; den zelfden dag stelde de Heer Graaf de la Perouse mij zijne brieven en bevelen ter hand. Zijne vriendschap voor mij vergenoegde zich niet om bij voorraad de geruststellendste schikkingen te maaken, ten einde mij met zekerheid en spaarzaamheid te doen reizen, maar dezelve ging zo verre, dat hij bij mijn vertrek mij zijne waarlijk vaderlijke raadgevingen medegaf, welke eeuwig in mijn hart zullen gegriffelt blijven. De Heer Burg-graaf de Langle had ook de goedheid de zijne daar bijtevoegen, die mij niet minder van nut geweest zijn.
[3] Deeze Haven word door de Russen genoemt Petropavlosskaia-haven.
Hier zij het mij geoorlooft de waare schatting mijner erkentenis te voldoen aan dien getrouwen deelgenoot der gevaaren en des roems van den Heer Graaf de la Perouse, die als zijn mededinger in alle de harten en ook in het mijne aangemerkt word, daar voor dat hij mij onophoudelijk tot een Vader, Raadgever en Vriend verstrekt heeft.
Des avonds moest ik van onzen Bevelhebber en deszelfs waardigen medegezel afscheid neemen. Men oordeele, wat ik uitstond, toen ik hen naar de booten, die op hen wachtten, te rug bragt; ik kon nog spreeken, nog hen verlaaten; zij omhelsden mij beurtelings, en mijne traanen leverden hun maar al te zeer bewijzen op van ’t geen ’er in mijn ziel omging. De Officieren, allen mijne vrienden, die zich aan land bevonden, ontfingen ook mijn afscheidskus, allen bedroefden zij zich over mij, allen slaakten zij zuchten voor mijne behoudenis, en verschaften mij die vertroostingen en hulp, welke de vriendschap hun kon inboezemen. Mijn smert, wanneer ik van hun scheidde, laat zich niet beschrijven: Men rukte mij uit hunne armen, en ik vond mij zelven weder in die van den Heer Colonel Kasloff-Ougremin, Bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, aan wien de Heer Graaf de la Perouse mij meerder als zijn Zoon, dan wel als den Officier, die met zijne brieven belast was, had aanbevolen.
Ik blyf onder het toeverzigt van den Heer Kasloff, Russisch Bevelhebber.
Hier beginnen mijne verplichtingen omtrent deezen Russischen Bevelhebber. Toen kende ik reeds al het beminlijke van deszelfs inborst, altoos bereidvaardig om dienst te doen, waar over ik zedert zoo veel reden gehad heb om voldaan te weezen[4], hij spaarde mij alle aandoeningen met alle mogelijke zorgvuldigheid: ik zag hem met mij treuren over de verwijdering der booten, die wij nog lang na-öogden; en wanneer hij mij weder ten zijnent bragt, wendde hij alle moeiten aan om mij van mijne droevige overdenkingen aftetrekken. Wie zich een denkbeeld zou willen vormen van de schrikverwekkende gewaarwordingen, die ik in dit oogenblik ondervond, moet zich tragten in mijne plaats te stellen, alleen agtergelaaten op deeze bijna onbekende oevers, en vierduizend mijlen van mijn Vaderland verwijderd: wanneer ik zelfs deezen verbaazenden afstand niet in aanschouw genomen had, kon nogtans het bar gezicht deezer kusten mij genoeg aanduiden al het geen ik op mijnen langen en gevaarlijken togt zou te lijden hebben; eindelijk evenwel bragt het goed onthaal, ’t geen mij de Inwoonders beweezen, en de onnoemelijke beleeftheden van den Heer Kasloff en de andere Russische Officieren te weege, dat ik langzaamerhand minder gevoelig wierd over het vertrek van mijne landgenooten.
[4] Na dat hij alle de Persoonen tot deezen togt behoorende met beleeftheden overlaaden had, tragtte hij nog daar en boven om onze Fregatten van levensmiddelen te voorzien. Niettegenstaande de moeijelijkheid om ossen in dit land te bekoomen, bezorgde hij er zeven op zijne eigen kosten, en altoos weigerde hij daar voor betaaling te ontfangen: het jammerde hem zelfs, dat hij ’er geen meer had kunnen geeven.