Read the book: «Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen»

Font::

J. van Lennep

Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066339944

Inhoudsopgave

Omslag

Titelblad

Tekst

EEN NALATENSCHAP

VAN

Mr. J. VAN LENNEP.


AMSTERDAM,

GEBROEDERS KRAAY.

1870.


Deze Anekdoten waren bestemd voor eene uitgebreide verzameling, welke Mr. J. van Lennep wilde bijeenbrengen en in het licht zenden. De gevierde schrijver heeft dien arbeid niet mogen voltooien, maar toch had hij bij zijn betreurd afsterven reeds een aantal wetenswaardige en vermakelijke bijzonderheden verzameld[1] en bewerkt, die een vrij goed afgerond geheel vormden en bij gedeelten in een maandschrift werden opgenomen. De uitgevers meenen velen een genoegen te doen met deze nalatenschap van onzen begaafden landgenoot thans in haar geheel in ruimer kring verkrijgbaar te stellen.

[1] Vooral uit den Dictionnaire d’Anecdotes, waarmede van lennep zeer ingenomen was.

Afgezanten.—Er zijn, of er waren vroeger althans, Soevereinen, die gaarne zagen, dat een Gezant zich in hun tegenwoordigheid niet op zijn gemak bevond. Zoo verhaalt de Baron van Bielfeld in een zijner werken, dat Lodewijk XIV, gehoor verleenende aan den Baron van Pentenrieder, die den naam had dat hij nooit van zijn stuk geraakte, wrevelig werd toen hij bespeurde, hoe weinig indruk zijne tegenwoordigheid maakte op dien Gezant. Hem in verlegenheid willende brengen, viel hij hem in de rede bij de eerste woorden van zijn aanspraak, die aldus begon: „Sire, de Keizer, mijn meester, zendt mij tot Uwe Majesteit, om....” „Wat luider, mijn Heer de Gezant,” zei de Koning op hoogen toon. „Wat hooger?” herhaalde de andere, zonder zich verlegen te toonen en hervatte: „De Keizer, mijn meester, Sire, zendt mij,” enz., nu den Keizer ’t eerst noemende en zijn aanspraak met vrijmoedigheid voortzettende.—Die wijze van zich tegenover den Koning te gedragen, voegt de Schrijver er bij, deed eer aan het kloek vernuft van den Heer van Pentenrieder; maar of hij er de belangen van zijn meester door bevorderde, is een andere vraag.

Toch betaamt het een Gezant steeds de waardigheid op te houden van den Vorst of den Staat, die hem gezonden heeft. Dit deed o. a. een Spaansche Gezant tegenover Hendrik IV van Frankrijk, bij gelegenheid dat deze, na een vrij hevige woordenwisseling, had uitgeroepen: „Als ’t mij invalt, dan stijg ik te paard, ga te Milaan ontbijten, te Rome de Mis hooren en te Napels middagmalen.”—„Sire,” zei hierop de Gezant, „als Uwe Majesteit zoo vlug de reis doet, dan kan zij nog, op denzelfden dag, op Siciliën den Vesper hooren;” zinspelende op het gebeurde in 1282, toen al de Franschen op Siciliën werden omgebracht en welke moord in de geschiedenis onder den naam van „de Siciliaansche Vesper” bekend is.

Bij een andere gelegenheid zei dezelfde Koning tegen dezen of een anderen Spaanschen Gezant, na een redetwist: „Als de Koning, uw meester, voortgaat met mij op die wijze te tergen, zal ik de wapenen opvatten en men zal mij weldra te Madrid zien.”—„Waarom niet?” antwoordde de Gezant op koelen toon: „Frans I is er wel geweest.”—„Daarom juist wil ik er heengaan,” hernam de Koning, „om wraak te nemen over de beleedigingen, die hem, die Frankrijk, die mij zijn aangedaan.”

Ivan Bazilides, Tsaar van Moskoviën, die als een ruwe en wreede Vorst wordt voorgesteld, had eens, verhalen sommige schrijvers, den Gezant van een Italiaansch Vorst, die met gedekten hoofde voor hem verschenen was, den hoed op den kop doen spijkeren. Dit belette Bose, den Gezant van Elizabeth van Engeland, niet, toen hij bij dien Monarch ten gehoore werd toegelaten, zijn hoed op te zetten en hem zoo toe te spreken. „Weet gij niet,” vroeg hem de Tsaar, „hoe ik gehandeld heb met een anderen Gezant, die zich even vermetel toonde als gij heden doet?”—„Ik weet het,” antwoordde de Engelschman: „maar ik vertegenwoordig een Koningin, die altijd het hoofd gedekt houdt, en die niet gedoogt, dat iemand straffeloos een harer dienaren beleedigt.”—Ivan had nog genoeg grootmoedigheid om een dergelijke kloekheid van ziel te bewonderen, en zich tot zijn hovelingen keerende, zeide hij: „Ziet daar een wakkeren kerel, die zoo durft spreken en handelen voor de eer van zijn Vorstin? Wie onder u zou ’t zelfde voor mij doen?”

De Republiek Polen had aan den Roomsch-Keizer Hendrik IV den Graaf van Scarbiecki gezonden, om een vredesonderhandeling te beginnen. De Keizer, wenschende hem een denkbeeld van zijn macht te geven, schepte er behagen in, hem de groote rijkdommen van het keizerrijk te toonen, in zijn schatkamer verzameld. „Zie daar,” zeide hij eens tegen hem, „genoeg schats bijeen om de Polen te doen bukken.”—De Gezant, weinig onthutst over deze bedreiging, nam een kostbaren ring van zijn vinger en smeet dien op den schat, zeggende: „Adjiciamus aurum auro, (voegen wij goud bij goud);” door welke daad hij toonde, de uitdaging aan te nemen en zoo weinig vrees te hebben voor ’s Keizers rijkdom, dat hij niet schroomde, dien te vermeerderen. Men verhaalt dat deze daad, verre van een breuk te veroorzaken, het sluiten van den vrede tusschen den Keizer en de Polen nog verhaastte.

Een Gezant van Karel V, ten gehoore geroepen bij den Turkschen Keizer Soliman, zag bij ’t binnenkomen dat er geen stoel voor hem was gereed gezet. Terstond begrijpende, dat hier aan geen verzuim, maar aan opzet te denken viel, en dat men hem wilde laten staan, wierp hij zijn mantel op den vloer, ging erop zitten, met even veel onverschilligheid als of het zoo de gewoonte was, en ontvouwde toen zijn last met een gemak en vrijmoedigheid, die Soliman zelf niet kon nalaten te bewonderen. Toen het gehoor was afgeloopen, begaf zich de Gezant uit de zaal en liet zijn mantel liggen. Men dacht, dat hij dien vergeten had en waarschuwde hem, doch hij antwoordde op even beleefden als waardigen toon: „De Gezanten van den Koning, mijn meester, zijn niet gewoon, hun zetels met zich te nemen.”

Kort nadat Victor Amedéus, Hertog van Savooien, in den oorlog met Frankrijk, de vesting Montmelian had verloren, maakte hij zich in een gesprek met den Franschen Gezant zoo driftig tegen dezen, dat hij naar een venster liep, het opensloeg en toen zeide: „Ziet gij dat raam?”—„Ja wel,” antwoordde de ander, terwijl hij nader trad en naar buiten keek: „men kan er Montmelian uit zien.”

Coenraad van Beuningen, Gezant van Hun Hoog Mogenden te Parijs, werd met eenige andere Hollandsche staatsdienaren bij den Minister van Financiën te gast genoodigd. Op het nagerecht werd Hollandsche kaas gediend, en spottende zeide de Minister tegen Van Beuningen: „Dat is de voornaamste vrucht van uw land.”—„En deze zijn ook niet te versmaden,” antwoordde Van Beuningen, terwijl hij een hand vol dukaten uit zijn zak haalde en door de kamer smeet.

Intusschen moet men onderscheid maken tusschen de kwetsende woorden, die aan een Vorst in een bijzonder gesprek zijn ontvallen, en die, welke in ’t openbaar of althans in tegenwoordigheid van getuigen zijn gezegd. Toen Keizer Karel V in ’t konsistorie te Rome in tegenwoordigheid van den Bisschop van Macon en den Heer van Velly, Gezanten van Frans I, een toespraak hield, waarin hij niet weinig tegen de Franschen uitvoer, zeggende onder meer, dat zoo hij geen getrouwer oversten, soldaten en onderdanen had dan de Koning van Frankrijk, hij met een strop om den hals diens genade zou komen inroepen, en in diezelfde toespraak den Koning uitdaagde tot een tweegevecht met dolk en zwaard, in ’t hemd en in een schuit,—toen gaven de Gezanten wel verslag van het gebeurde aan den Koning, doch verzwegen al wat dezen had kunnen kwetsen of ergeren. En hierin waren zij, naar mijn oordeel, te berispen, dewijl de honende woorden in ’t openbaar gesproken waren en het te verwachten was, dat de Koning er toch vroeg of laat kennis van bekomen zou.

Een Italiaansch Vorst, die nooit veel geluk had op zijn aardigheden, omdat ze doorgaans meer scherp dan geestig waren, eens op een balkon staande met den Gezant eener vreemde Mogendheid, dien hij wenschte te vernederen, zei tot hem: „’t Is van dit balkon, dat een mijner Voorvaderen eens een Ambassadeur naar beneden deed gooien.”—„Vermoedelijk,” antwoordde de ander, droogjes weg, „droegen de Ambassadeurs in die dagen geen degen op zijde.”

Bij een andere gelegenheid vroeg dezelfde Vorst, die zich den titel aanmatigde van Koning over twee Rijken, waar hij geen duim gronds bezat, aan denzelfden Staatsdienaar, waar het Markiezaat gelegen was, waar hij den titel van droeg: „Tusschen uw beide koninkrijken, Uwe Hoogheid,” was het antwoord.

De groote Mogol Shah-Jeham hield veel van spotten. Eens vroeg hij aan den Persischen Gezant of diens Koning grooter was dan een leelijke, kleine slaaf, die tot post had, de vliegen van rondom zijns meesters zetel te verdrijven. „Wel neen,” antwoordde de Gezant: „daar scheelt nog heel wat aan. Mijn Koning is alleen een kop grooter dan Uwe Hoogheid.”

In 1586 zond Filips II den Konstabel van Kastiliën naar Rome om Paus Sixtus V geluk te wenschen met diens verheffing. De Paus, ontevreden dat men een nog zoo jeugdigen Gezant naar hem had afgevaardigd, kon niet nalaten tot dezen te zeggen: „Heeft uw meester gebrek aan mannen, dat hij mij een baardeloozen Gezant stuurt?”—„Indien mijn Vorst gemeend had,” antwoordde de fiere Spanjaard, „dat de verdienste in den baard gelegen was, had hij u een bok gezonden, geen Edelman, als ik ben.”

Een Groot-Hertog van Toskanen beklaagde zich bij den Venetiaanschen Gezant, dat de Republiek hem een Venetiaan gezonden had, die zich zeer onbetamelijk in zijn betrekking gedragen had. „Laat dit Uwe Hoogheid niet verwonderen,” zei de Gezant, „wij hebben te Venetiën heel wat gekken.”—„Die ontbreken ook niet te Florence,” merkte de Vorst aan, „maar wij zenden ze niet als onderhandelaars uit.”

Een Turksche Gezant vroeg aan Laurens van Medicis, waarom men in Florence minder gekken zag dan te Konstantinopel. „’t Is omdat wij ze dáár opsluiten,” antwoordde de Groot-Hertog, en wees hem een klooster.

Een Gezant van Spanje gaf aan Jakobus van Engeland den raad, zich niet zoo ver te laten leiden door priesters, wier onvoorzichtige raad hem nog zijn kroon zou kunnen doen verliezen. „Hoe moet ik dat opvatten?” vroeg Jakobus, „raadpleegt uw Koning dan zijn biechtvader niet?”—„Wel zeker,” antwoordde de Gezant, „en daarom juist gaan onze zaken zoo ellendig.”

Ten tijde dat men in Frankrijk de Protestanten vervolgde, verzocht een Gezant van Willem III aan Lodewijk XIV, dat hij de vrijheid zou schenken aan hen, die ter oorzake van hun godsdienst op de galeien zaten. „Maar,” vroeg Lodewijk, „wat zou de Koning van Groot-Brittanje zeggen, indien ik hem verzocht, de boeven, die in Newgate zitten, in vrijheid te stellen?”—„Sire,” antwoordde de Gezant, „mijn Koning zou hen onmiddellijk ter beschikking van Uwe Majesteit stellen, indien deze hen opvorderde als broeders.”

Een Edelman van ’t Fransche hof nam afscheid van Lodewijk XIV, die hem als Gezant naar een andere Mogendheid zond. „De voornaamste last, dien ik u te geven heb,” zei de Koning, „is dat gij een geheel tegenovergestelde gedragslijn volgt als uw voorganger.”—„Ik hoop,” antwoordde de Edelman, „mijn post zoo waar te nemen, dat mijn opvolger geen dergelijken last van Uwe Majesteit ontvangt.”

Het is vooral de pligt van een Gezant, te zorgen, de goede verstandhouding te bewaren tusschen de beide Hoven, waarmede hij te doen heeft, en niet alles aan zijn Soeverein over te brengen wat hem in een oogenblik van drift wordt gezegd. Dit herinnerde zich in 1687 de Gezant der Staten bij ’t Hof van Denemarken. Eens dat hij met Kristiaan V, die vrij driftig van aard was, een gesprek had, waarin hij eenige handelingen der Staten-Generaal te verdedigen had, over welke zich de Koning beklaagde, en herhaaldelijk over „Zijn Meesters” sprak, zeide de Koning, die warm geworden was: „Och wat! Uw Meesters zijn schobbejakken.”—„Verlangt Uwe Majesteit,” vroeg de onderhandelaar zeer bedaard, „dat ik deze hare verklaring opneme in mijn verslag aan Hun Hoog Mogenden?”—„Ja wel,” antwoordde Kristiaan, „gij kunt het hun uit mijn naam vertellen.” De Gevolmachtigde wachtte zich wel aan dien last te voldoen, en, weinige dagen later, den Vorst in een kalmer gemoedsstemming aantreffende, deed hij hem zijn bescheidenheid waardeeren, en verkreeg van hem wat hij verlangde.

Allegorie.—Door allegorie verstaat men zoodanige voorstelling, waarbij datgene, ’t welk men den lezer of toeschouwer wil doen kennen, ’t zij gebeurtenissen, ’t zij de daden of hoedanigheden van personen, door zinnebeelden wordt uitgedrukt. Een vereischte bij de allegorie is, dat zij eenvoudig en voor ieder begrijpelijk zij; anders wordt zij een raadsel, waarvan ’t niemand lust de oplossing te zoeken. Stel dat een ontwerper van een penning daarop moet uitdrukken, hoe de veldheer, ter wiens eere die geslagen zal worden, tal van steden heeft ingenomen. Hij vertoont het beeld der overwinning, die op een schild de namen van die steden neder schrijft.

Van een dergelijke even vernuftige als duidelijke allegorie bediende zich de Prins Julius van Condé, toen hij, in de galerij van Chantilly, de geschiedenis van zijn vader, den grooten Condé, liet malen. Er deed zich daarbij een zwarigheid voor. De beroemde held had, in zijn jeugd, een tal van schitterende wapenfeiten volbracht, zooals, het ontzet van Kamerijk, dat van Valencijn, den terugtocht van voor Atrecht—allen, toen hij de wapenen voerde tegen zijn Koning en zijn Vaderland. Er niet van te spreken ging niet: en ze voor te stellen was hatelijk. Wat bedacht de Prins? Hij liet de Muze der Geschiedenis schilderen, die een boek in de hand hield, op den rug waarvan geschreven stond: „Leven van den Prins van Condé;” uit dat boek scheurde zij bladen, die zij wegwierp en waarop men las: „Ontzet van Kamerijk; Ontzet van Valencijn,” enz., in een woord, al de groote daden, door Condé verricht gedurende zijn verblijf in de Vlaamsche Gewesten: daden, waarbij alles hem tot eer had gestrekt, behalve de sjerp die hij toen droeg.

Babbelen en Zwijgen.—Dr. D. V. had een dienstbode, die niet kon nalaten al wat in huis voorviel, tot de onbeduidendste zaken toe, terstond bij de buren te gaan vertellen. Onze goede Dokter kon geen kippetje eten of geen glaasje bitter drinken, of de bakker op den hoek was er van onderricht. Reeds had hij zijn dienstmaagd over haar babbelzucht onderhouden, doch deze ontkende steeds de zegsvrouw te zijn, die de geruchten verspreidde. Hij besloot, haar door een overtuigend bewijs te beschamen en nam daarvoor het navolgende middel te baat. „Mietje,” zeide hij eens, dat zij hem zijn eten bracht, „indien je niet zoo’n babbelaarster waart, zou ik je wat vertellen.”—„Ik een babbelaarster, Meneer!” riep de meid: „ik vertel nooit iets.”—„Ja, dat doe je anders wel.”—„Neen, zoo zondig niet, Meneer!”—„Nu! hoor dan. Er is mij voor vast gezeid, dat de vrouw van den bakker op den hoek van haar man afgaat.”—„Heere, Meneer! is ’t mogelijk!... En waar zou dat bij te pas komen?”—„Ja, dat weet ik niet, maar de zaak moet waar zijn, maar vertel het niet verder, hoor.”—„Wel neen, Meneer!” zei Mie; maar pas was zij beneden of zij kon niet nalaten, het groote nieuws aan haar kameraad mede te deelen, en toen: „daar mot ik het mijne van hebben,”—en zoo naar de vrouw van den bakker toe. „Wel, vrouw! wat hoor ik? Is het waar, dat je van je man afgaat?”—„Ik?” roept de verontwaardigde bakkerin: „wie durft zoo iets van mij vertellen!”—„Wel, ik heb het van onzen Meneer voor waar gehoord.”—„Onmogelijk—„Neen, waarempeltjes heit onze Meneer het mij gezeid.”—„Wel! dat had ik nooit van Meneer gedacht, dat die iemand zoo zou blameeren; maar dan zal ie m’n ook zeggen, wie z’n zegsman is.”—En de bakkerin loopt naar Dr. D. V. „Wat is dat, Dokter, dat je van me vertelt,” zegt zij, zoodra zij bij hem is toegelaten: „dat ik van m’n man zou afgaan?”—„Wel, is het dan niet waar?” vraagt de Arts, met een lachend gezicht.”—„Wel waaratjes niet,” antwoordt de vrouw: „en ik begrijp niet, hoe uwees zoo iets van me durft zeggen.”—„Ik heb het toch niet mis,” zegt de Dokter, „en je zult het mij zelve toestemmen. Ben je dan nu niet van je man afgeloopen om bij mij te komen?”—De bakkerin bleef met open mond staan; doch toen Dr. D. V. haar verteld had, hoe de heele zaak maar een grap was, door hem uitgedacht om de meid op de proef te stellen, had zij er zelve schik in en ging lachende heen.—Maar hoe Mie op haar neus keek, toen zij hoorde hoe zij beet was genomen, kan ieder begrijpen. Dat zij daarom in ’t vervolg het babbelen naliet, zal ik niet beweeren.

Er was, verhaalt men, oudtijds te Ispahan een Akademie van geleerden, die zulk een afkeer hadden van onnutte woordverspilling, dat zij zich bijna nimmer dan door teekens en zinnebeelden uitdrukten. De leden dier instelling, wier getal uit honderd bestond, hadden daarom den naam van „Zwijgers” bekomen. Nu gebeurde het, dat er, in plaats van een afgestorven lid, een nieuwe keuze gedaan moest worden, en dit had juist plaats gehad, toen er een briefje in de vergadering werd binnengebracht met deze woorden: „Doctor Zeb van Teflis beveelt zich beleefdelijk aan voor de opengevallen plaats.”—Groote neêrslachtigheid bij de leden. Dr. Zeb stond bekend als een hoogst verdienstelijk man, en bovendien als een zwijger bij uitnemendheid. Dat men ook niet aan hem gedacht had! Aan hem, die meer dan iemand een zetel in hun midden waardig is! Maar men was nu voltallig, en het reglement verbood het getal te overschrijden. Intusschen, men moest dit aan Dr. Zeb, die in ’t voorportaal op antwoord wachtte, te kennen geven, en de Voorzitter belastte zich hiermede. Hij liet den Sollicitant binnenkomen, en hield hem een beker voor, die boordevol geschonken was; wat zooveel beteekenen moest als: „er kan niets meer bij.” Dr. Zeb begreep het symbool; doch van een bloemkrans, die daar hing, een rozeblaadje plukkende, lei hij dat voorzichtig op het vocht, dat in den beker vervat was—daarmede te kennen gevende, dat de vergadering, schoon voltallig, nog zonder hinder een buitengewoon lid kon opnemen. De aanwezigen konden zich niet weêrhouden met luid handgeklap den wenk toe te juichen, die hun op zoo vernuftige wijze gegeven werd: men stapte voor deze reis over ’t reglement heen en nam Zeb tot lid aan. Toen men hem het boek voorlei, waarin hij zijn gehoorzaamheid aan de bepalingen door zijn handteekening moest bevestigen, schreef hij achter zijn naam het cijfer 100—het getal zijner kollegaas—en plaatste er een nul voor, wat te kennen wilde geven: „de toevoeging van mijn persoon zal het cijfer laten zoo als ’t is;” doch de Voorzitter haastte zich die nul weg te schrappen en achter het cijfer 100 te zetten, daarmede aanduidende, dat de Akademie, door de toevoeging van Zeb, tienvoudig in waarde gewonnen had.

Bijzaken.—Wat voor den een, en soms te recht, een gewichtige zaak is, is voor den ander een beuzeling, of dient als zoodanig te worden aangemerkt. Zoo b. v. is het duidelijk, dat hoe meer een zanger in zijn kunst uitmunt, hoe meer lof hij verdient; doch een staatsdienaar of een veldheer zou bespot en misprezen worden, indien hij er zijn eer in stelde, een volkomen zanger te zijn. Voor hem mag de zangkunst, zoo hij er in bedreven is, niet anders dan een tijdverdrijf zijn, en hij moet als een bijzaak of beuzeling achten wat de zanger van beroep als een hoofdzaak beschouwt.

„Schaamt gij u niet,” vroeg Filippus van Macedoniën aan zijn zoon Alexander, nadat hij dezen op een gastmaal met de beste zangers had hooren wedijveren, „schaamt gij u niet, zoo fraai te zingen?”—Maar ’t was aan dienzelfden Filippus, dat een muzikant, met wien hij twistte over de toonkunst, had toegevoegd: „Mogen de Goden het verhoeden, o Koning! dat gij ooit ongelukkig genoeg waart om u op die zaken beter te verstaan dan ik.”—Een koning moet kunnen antwoorden als Ifikrates het deed aan den redenaar, die hem met smaadredenen overladen had als de volgende: „Wie zijt gij om u dus te verheffen? zijt gij een behendig boogschutter? een bekwaam strijder met zwaard of speer? een verdienstelijk ruiter?”—„Niets van dat alles,” zeide Ifikrates, „maar de man, die in staat is aan die allen te bevelen.”

Diepte van gevoel.—Psammetichus, Koning van Egypten, was door Kambyzes, Koning van Persiën, overwonnen en gevangen genomen met al de zijnen. Nu gebeurde het, dat hij zijn dochter zag, als slavin gekleed, die uitgezonden werd om water te putten; en terwijl zijn medegevangenen om hem heen bij zulk een schouwspel treurden en weeklaagden, bleef hij zwijgend vóór zich zien. Hetzelfde deed hij, toen kort daarna zijn zoon werd ter dood gebracht; eerst toen hij een zijner dienaars onder de tot slavernij gedoemden zag wegbrengen, begon hij het hoofd te schudden en rouw te bedrijven. En toen Kambyzes hem vroeg, hoe hij, bij ’t aanzien van het lot zijner kinderen onbewogen gebleven, dus schreide om dat eens dienaars, antwoordde hij: „Alleen deze laatste smart kan door tranen worden uitgedrukt; wat ik onder de beide vorige gevoel, kan door geen uiterlijk betoon worden te kennen gegeven.”

Van datzelfde gevoelen was ook de kunstenaar der Oudheid, die, toen hij het offer van Ifigenia moest voorstellen en de droefheid der omstanders af zou beelden naarmate van het grooter of minder belang, dat elk hunner stelde in het lot dier onschuldige Prinses, niet beter wist te doen dan een sluier te werpen over Agamemnons gelaat, als begreep hij, dat niets in staat zou zijn, de gemoedsstemming eens vaders op zulk een oogenblik naar eisch op ’t wezen te vertoonen.

In den oorlog, die in de 16de eeuw tusschen Keizer Ferdinand en de weduwe van Johannes, Koning van Hongarije gevoerd werd, was een Duitsch krijgsknecht bij de bestorming van Bude gesneuveld, na de meest treffende wapenfeiten te hebben verricht. De Heer van Reisach, een van ’s Keizers bevelhebbers, was inzonderheid getroffen geworden over ’s mans kloeke daden en haastte zich, toen ’t lijk teruggevoerd werd, er op af te gaan om te zien, wie die dappere wezen mocht. Toen de helm was afgenomen, herkende hij zijn zoon. Al de omstanders gevoelden zich bij deze ontmoeting tot tranen toe bewogen; hij alleen bleef stokstijf, en zonder dat een trek op zijn gelaat zich verroerde, op het lijk zijns lievelings staren, totdat de smart zijn levensgeest verwonnen had en hij hartsteek dood nederviel.

Over ’t algemeen is niet alleen de diepe droefheid, maar ieder gevoel, dat ons geheel vermeestert, buiten staat om zich met woorden of uiterlijke teekenen lucht te geven. Maar daarom dan ook is die toestand hoogst gevaarlijk en kan bij hem, die een groote vreugde smaakt, of bij hem, wien een bittere ramp treft, plotselinge onmacht, ja den dood veroorzaken. Een Romeinsche moeder stierf van blijdschap toen zij, na den slag bij Cannae, haar zoon, dien zij gesneuveld waande, levend terug zag: Sofokles en Dionysius de Oude stierven insgelijks van vreugd: en zoo ook de Romeinsche Pretor Talva, toen hij in Korsika vernam welke eer de Senaat besloten had hem te bewijzen. Paus Leo X was zoo in zijn schik toen hij de inneming van Milaan vernam, waar hij zeer naar verlangd had, dat hij er de koorts van kreeg, die hem ten grave sleepte.

En hoe zelfs verregaande spijt iemand kan doen sterven, wordt ons bewezen door het voorbeeld van den redekunstenaar Diodorus, die zoo overweldigd werd door een gevoel van schaamte, omdat hij bij een openbare les niet in staat was geweest een bewijsgrond, dien men tegen hem had aangevoerd, naar eisch te wederleggen, dat hij er een beroerte van kreeg, aan welke hij overleed.

Dieren.—Is men den menschen rechtvaardigheid schuldig, men is goedwilligheid schuldig aan de dieren, inzonderheid denzulken, aan wie ons een band van wederkeerige verplichting hecht, en velen, die zich Kristenen noemen, mogen zich schamen voor de Turken, die aalmoezen en gasthuizen voor dieren over hebben.

De Romeinen hadden een bijzondere zorg voor de ganzen, door wie, volgens de overlevering, het Kapitool behouden was gebleven.

De Atheners gelastten, dat de muilezels, die gediend hadden bij den arbeid aan den tempel, Hecatompedom genaamd, voortaan vrij zouden wezen en overal ongestoord mochten grazen.

Bij de Agrigentijners was het de gewoonte, de dieren, die hun lief geweest waren, als, bij uitstek fraaie paarden, honden, vogels of andere dieren, die zich door waakzaamheid, nut of trouw hadden onderscheiden, ja zelfs, die alleen den huisgenooten tot een genoeglijk tijdverdrijf hadden gestrekt, na hun dood op plechtige wijze te begraven, en de weelderige pracht, die zij in alle dingen ten toon spreidden, blonk evenzeer aan de gedenksteenen, die zij bij zulke gelegenheden oprichtten en die nog eeuwen lang der stad tot cieraad geweest zijn.

Plutarchus maakte er een gewetensbezwaar van, een trek-os, die hem jaren lang had dienst gedaan, om een klein voordeel aan den slachter te verkoopen.

Een Syriër bezat een olifant, wiens oppasser aan ’t arme dier dagelijks de helft onthield van de gerst, die er voor bestemd werd. Eens gebeurde ’t, dat de meester zelf aan den olifant zijn rantsoen kwam geven en dan ook de volle maat gerst in de etenstrog uitstortte; waarop de olifant, na zijn oppasser schuins te hebben aangezien, met zijn snuit de helft van het hem toebedeelde afscheidde en ter zijde stelde, daarmede het onrecht aan den dag brengende, dat hem gedaan werd.

Een ander olifant had een oppasser, die insgelijks zich te zijnen koste verrijken wilde en een gedeelte van zijn rantsoen terughield, het ontbrekende met steenen aanvullende. De olifant echter betaalde hem met gelijke munt, want op een dag naderde hij het vuur, waar het middagmaal bij gekookt werd, lichtte het deksel van den pot en vulde dezen met asch.

Hyrkaw, de hond van Koning Lysimachus, wilde na diens dood het bed zijns meesters niet verlaten en weigerde alle spijs en drank; toen het lijk plechtig verbrand werd, liep hij het na, en wierp zich in de vlammen.

Een gelijke trouw bewezen de windhonden van Graaf Floris V van Holland, die na dat hun meester door Velzen en zijn eedgenooten was omgebracht, bij het lijk bleven, het verzelden naar Alkmaar, waar het begraven werd, zich op de grafzerk nedervlijden en er den hongerdood stierven.

De geschiedenis levert meer dan één voorbeeld van honden, die den moordenaar van hun meester aan den dag brachten. Koning Pyrrhus, een hond ontmoetende, die bij het lijk van een verslagene de wacht hield, en vernemende dat hij zulks reeds drie dagen gedaan had, gelastte dat men het lichaam begraven zou en nam den hond met zich mede. Eenige dagen later hield hij een groote wapenschouw, bij welke gelegenheid de hond, zijns meesters moordenaars ontdekkende, plotseling op hen aanviel, met hevig geblaf en groot betoon van woede, hierdoor het eerst leidende tot een vermoeden, dat, door een nader onderzoek bevestigd, de straf der schuldigen ten gevolge had.

Een hond, die de wacht had bij een tempel te Athene, een dief bemerkende, die bij nacht de schatten daaruit roofde, blafte hem wel aan, doch zonder dat de kerkbewaarder ontwaakte; waarom het dier besloot den dief te volgen, ’t geen hij echter niet dan op een afstand deed. Zoo bleef hij hem bij tot aan de stad Kromyon, waar de kerkbewaarders, die, én den schat én den hond missende, en vernomen hebbende dat men dezen laatste onder weg gezien had, ook eerlang aankwamen, en nu den dief, hun door het schrandere dier aangewezen, deden vatten en medevoerden. De rechters, dezen dienst van den hond willende erkennen, gelastten dat hem uit de openbare kassen jaarlijks een zekere hoeveelheid koren zou worden verstrekt, en bevolen den priesters aan, zorg voor hem te dragen.

Drift.—Montaigne vertelt, hoe een zijner kennissen, die een martelaar was van de jicht, en wien het gebruik van gerookt en gezouten vleesch verboden was, weigerde dit na te laten en voor die weigering de navolgende kluchtige reden gaf, namelijk, dat als hij hevige pijnen leed, hij er iemand over moest kunnen doorhalen, en dat het hem verlichting schonk, wanneer hij nu eens op den ham, dan op de worst, dan weder op ’t rookvleesch kon vloeken.

En inderdaad, even als wanneer onze arm is opgeheven om te treffen, het ons een hinderlijk gevoel geeft als die niets dan ijdele lucht ontmoet, even zoo heeft de ziel behoefte om, als deze of gene drift haar beroert, een voorwerp te vinden, waaraan zij die kan koelen. Hieraan schrijft dan ook Plutarchus het zwak toe, dat sommigen hebben voor schoothondjes, apen of papegaaien: „Het beminnend beginsel,” zegt hij, „dat in ons leeft, geen wettig voorwerp vindende, waar ’t zich aan hechten kan, hecht zich aan dwaze en ijdele voorwerpen.” En liever fopt de ziel, als zij door drift geslingerd wordt, zich zelve door zich een versierd en fantastisch beeld te scheppen, waar ’t die drift op bot viert, dan dat zij die op niets zou verspillen. Op gelijke wijze bijten de dieren in den steen of in het ijzer, dat hen gekwetst heeft, of wreken zich op zichzelven over de smart, die zij gevoelen.

Xerxes liet, toen hij een zeeslag verloren had, den Hellespont met geesels slaan en zond een uitdaging aan den berg Athos. Cyrus hield zijn leger verscheidene dagen op om zich op de rivier van Gyndus te wreken over de vrees, die hem de overtocht daarvan veroorzaakt had. Keizer Augustus, door een storm op zee overvallen, liet uit wraak het beeld van den zeegod Neptunus van zijn plaats nemen. De Thraciërs plachten als ’t onweêrde, de wolken met pijlen te beschieten. Bij de Joden, en ook bij andere oudere en nieuwere volkeren, trokken zij, die een verlies geleden hadden, zich de haren uit het hoofd of krabden zich de borst open, alsof hun dit het verlorene terug zou bezorgen.—Maar nog ziet men er genoeg, die, als zij bij ’t spel verloren hebben, of op anderen grond verstoord zijn, zich de vuisten op de tafel aan bloed slaan, of zich de nagels afbijten, of zich wreken op de kaarten of dobbelsteenen: en helpt het middel niet om het geledene te herstellen, het heeft toch doorgaans ten gevolge, dat zij er weder tot kalmte en bezinning door geraken.

The free sample has ended.

Genres and tags

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
121 p. 3 illustrations
ISBN:
4064066339944
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format: