Read the book: «Voordat hij doodt»
VOORDAT HIJ DOODT
(EEN MACKENZIE WHITE MYSTERIE—BOEK 1)
B L A K E P I E R C E
Blake Pierce
Blake Pierce is de auteur van de bestselling mystery-serie met Riley Paige. Er zijn al zo’n zeven spannende Riley Page-thrillers verschenen (en daarmee is de serie nog lang niet ten einde). Blake Pierce is ook de auteur van de mystery-serie met Mackenzie White, die nu al vier boeken telt (en waarvan fans van Blake Pierce er nog meer mogen verwachten) en van de allernieuwste mystery-serie met Keri Locke.
Eens weg (een Riley Paige-mystery, boek 1), Before he kills (een Mackenzie White-mystery, boek 1), Moord met een hoger doel (een Avery Black-mystery, boek 1) en A trace of death (een Keri Locke-mystery, boek 1) kunnen gratis gedownload worden op Google Play!
Blake is zelf al zijn hele leven lang een grote fan van mystery-boeken en thrillers. Hij hoort graag wat je van zijn boeken vindt. Neem gerust eens een kijkje op www.blakepierceauthor.com om meer over hem te weten te komen en op de hoogte te blijven van zijn boeken.
Copyright © 2016 door Blake Pierce. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de Amerikaanse Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of verzonden worden in welke vorm of op welke manier dan ook, of opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Dit e-boek is alleen gelicentieerd voor persoonlijke doeleinden. Dit e-boek mag niet worden doorverkocht of weggegeven aan andere mensen. Als u dit boek met een andere persoon wilt delen, koop dan een extra exemplaar voor elke ontvanger. Als u dit boek leest en het niet hebt gekocht, of het niet alleen voor uw eigen gebruik is gekocht, stuur het dan terug en koop uw eigen exemplaar. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een fictief werk. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn ofwel het product van de verbeelding van de auteur of worden fictief gebruikt. Elke gelijkenis met werkelijke personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagbeeld copyright lassedesignen, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com.
BOEKEN VAN BLAKE PIERCE
SPANNENDE, PSYCHOLOGISCHE THRILLERS MET JESSIE HUNT
DE PERFECTE ECHTGENOTE (boek #1)
DE PERFECTE WIJK (boek #2)
RILEY PAIGE MYSTERY-SERIE
EENS WEG (boek 1)
EENS GEPAKT (boek 2)
EENS BEGEERD (boek 3)
EENS GELOKT (boek 4)
AVERY BLACK MYSTERY-SERIE
MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1)
OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2)
SCHUILEN VOOR HOGE VLAMMEN (boek 3)
REDEN OM BANG TE ZIJN (boek 4)
REDEN TOT BEWAREN (boek 5)
MACKENZIE WITTE MYSTERIE-SERIE
VOORDAT HIJ DOODT (boek #1)
VOORDAT ZE ZIET (boek #2)
INHOUDSOPGAVE
PROLOOG
HOOFDSTUK EEN
HOOFDSTUK TWEE
HOOFDSTUK DRIE
HOOFDSTUK VIER
HOOFDSTUK VIJF
HOOFDSTUK ZES
HOOFDSTUK ZEVEN
HOOFDSTUK ACHT
HOOFDSTUK NEGEN
HOOFDSTUK TIEN
HOOFDSTUK ELF
HOOFDSTUK TWAALF
HOOFDSTUK DERTIEN
HOOFDSTUK VEERTIEN
HOOFDSTUK VIJFTIEN
HOOFDSTUK ZESTIEN
HOOFDSTUK ZEVENTIEN
HOOFDSTUK ACHTTIEN
HOOFDSTUK NEGENTIEN
HOOFDSTUK TWINTIG
HOOFDSTUK EEN EN TWINTIG
HOOFDSTUK TWEE EN TWINTIG
HOOFDSTUK DRIE EN TWINTIG
HOOFDSTUK VIER EN TWINTIG
HOOFDSTUK VIJF EN TWINTIG
HOOFDSTUK ZES EN TWINTIG
HOOFDSTUK ZEVEN EN TWINTIG
HOOFDSTUK ACHT EN TWINTIG
HOOFDSTUK NEGEN EN TWINTIG
HOOFDSTUK DERTIG
HOOFDSTUK EEN EN DERTIG
HOOFDSTUK TWEE EN DERTIG
HOOFDSTUK DRIE EN DERTIG
HOOFDSTUK VIERENDERTIG
HOOFDSTUK VIJFENDERTIG
HOOFDSTUK ZES EN DERTIG
PROLOOG
Iedere andere dag zou het eerste licht van de dageraad op de toppen van de maishalmen er prachtig uit hebben gezien. Ze zag hoe het eerste daglicht langs de stengels danste en een gedempte gouden kleur creëerde, en ze probeerde met alle macht de schoonheid ervan in te zien.
Ze moest zichzelf afleiden, anders zou de pijn ondraaglijk zijn.
Ze was vastgebonden met haar rug tegen een grote houten paal die ongeveer een halve meter boven haar hoofd uitstak. Haar handen waren samengebonden achter de paal. Ze droeg enkel een zwart kanten onderbroekje en een beha die haar toch al gulle borsten dichter bij elkaar en omhoog duwde. Het was de beha die haar de meeste fooien opleverde bij de stripclub, de beha waardoor haar borsten eruit zagen alsof ze van een eenentwintigjarige waren, in plaats van een vierendertig jaar oude moeder van twee kinderen.
De paal schuurde tegen haar blote rug en maakte de huid op haar rug rauw. Maar dit was minder erg dan de pijn die de man met de donkere, griezelige stem haar had aangedaan.
Ze verstrakte toen ze hem achter haar hoorde lopen, zijn voetstappen daalden zachtjes neer in de open plek van het maisveld. Er was ook een ander geluid, zwakker. Hij sleepte iets voort. De zweep, besefte ze, die hij had gebruikt om haar te slaan. Deze moest van weerhaken zijn voorzien en een soort van kwastachtig uiteinde hebben. Ze had het maar één keer gezien, en dat was meer dan genoeg geweest.
Haar rug prikte door de tientallen zweepslagen, en bij het horen van het ding dat over de grond werd getrokken, raakte ze in paniek. Ze slaakte een kreet, wat goed de honderdste van die nacht kon zijn, die dof en geluidloos in het maisveld leek te verdwijnen. In het begin was haar geschreeuw om hulp geweest, in de hoop dat iemand haar zou horen. Maar na verloop van tijd waren deze steeds meer veranderd in wanhopige kreten van angst en pijn. Geschreeuw van iemand die wist dat er niemand was die haar zou komen helpen.
“Ik zal overwegen je te laten gaan,” zei de man.
Hij had de stem van iemand die veel rookte of veel schreeuwde. Er zat ook een soortvreemd gelispel in zijn spraak.
“Maar eerst moet je je misdaden bekennen.”
Hij had dit al vier keer gezegd. Ze pijnigde haar hersens opnieuw. Ze had geen misdaden om te bekennen. Ze was een goed persoon geweest voor iedereen die ze kende, een goede moeder; niet zo goed als ze had gewild, maar ze had het geprobeerd.
Wat wilde hij van haar?
Ze gilde weer en probeerde haar rug tegen de paal te buigen. Terwijl ze dat deed, voelde ze dat de touwen rond haar polsen een klein beetje losser kwamen te zitten. Ze voelde ook hoe haar kleverige bloed zich rond het touw verzamelde.
“Beken je misdaden,” herhaalde hij.
“Ik weet niet waar je het over hebt!” kreunde ze.
“Je zult het je herinneren,” zei hij.
Dat had hij ook al eerder gezegd. En hij zei het net voor elke ...
Er was een zacht fluisterend geluid toen de zweep door de lucht bewoog.
Ze schreeuwde en kronkelde tegen de paal toen het ding haar trof.
Vers bloed stroomde uit haar nieuwe wond, maar ze voelde het nauwelijks. In plaats daarvan concentreerde ze zich op haar polsen. Het bloed dat zich daar het afgelopen uur had verzameld, vermengde zich met haar zweet. Ze voelde een klein beetje tussen het touw en haar polsen en dacht dat ze misschien wel zou kunnen ontsnappen. Ze probeerde geestelijk weg te drijven, zichzelf los te koppelen van de situatie.
Zwiep!
Deze raakte haar rechtstreeks op de schouder en ze brulde.
“Alsjeblieft,” zei ze. “Ik zal alles doen wat je wilt! Laat me gewoon gaan!”
“Beken je …”
Ze rukte zo hard ze kon en bracht haar armen naar voren. Haar schouders gilden van de pijn, maar ze was meteen vrij. Er was even een brandend gevoel toen het touw over de bovenkant van haar hand schuurde, maar dat was niets vergeleken met de pijn die over haar rug gleed.
Ze stootte zo hard naar voren dat ze zowat op haar knieën viel en haar ontsnapping bijna verpestte. Maar de primitieve behoefte om te overleven nam de controle over haar spieren over, en voordat ze zich bewust werd van wat ze aan het doen was, begon ze te rennen.
Ze sprintte, verbaasd dat ze echt vrij was, verbaasd dat haar benen werkten nadat ze zo lang vastgebonden was geweest. Ze zou niet stoppen om het in twijfel te trekken.
Ze rende door het mais en de stengels sloegen tegen haar aan. De bladeren en takken leken naar haar uit te reiken en schuurden langs haar rauwe rug als oude verdorde vingers. Ze snakte naar adem en concentreerde zich om steeds weer de ene voet voor de andere te blijven zetten. Ze wist dat de snelweg ergens in de buurt zou moeten zijn. Ze hoefde alleen maar te blijven rennen en de pijn te negeren.
Achter haar begon de man te lachen. Zijn lach klonk als die van een monster dat zich al eeuwen in het maisveld had verstopt.
Ze slaakte een zacht jammerkreetje en rende verder, haar blote voeten zonken in de modderige grond en haar bijna naakte lichaam duwde de maisstengels opzij, Haar borsten deinden zo hard op en neer dat haar linkerborst uit haar beha ontsnapte. Op dat moment beloofde ze zichzelf dat, wanneer ze hier ooit levend uit zou komen, ze nooit meer zou strippen. Ze zou een betere baan vinden, een betere manier om voor haar kinderen te zorgen.
Deze gedachte gaf haar nieuwe energie. Ze versnelde en stortte zich door het maisveld. Ze rende zo hard als ze kon. Als ze maar bleef rennen zou ze vrij zijn. De snelweg moest vlakbij zijn.
Toch?
Misschien. Maar dat was nog geen garantie dat ze daar ook daadwerkelijk iemand zou aantreffen om haar te helpen. Het was nog geen zes uur 's ochtends en de snelwegen van Nebraska waren meestal nog verlaten op dit tijdstip.
Ze zag dat er voor haar een open plek in het maisveld moest zijn. Het zwakke licht van de ochtendzon brak door en haar hart maakte een sprongetje toen ze de snelweg zag.
Ze baande zich een weg door de laatste halmen en terwijl ze dat deed hoorde ze het geluid van een naderende auto. Een golf van hoop vloog door haar lichaam.
Ze zag de gloed van de naderende koplampen en rende nog sneller, ze was nu zo dichtbij dat ze de geur van het warme asfalt kon ruiken.
Ze bereikte net de rand van het maïsveld toen er een rode pick-up voorbij reed. Ze schreeuwde en zwaaide verwoed met haar armen.
“Alsjeblieft!” riep ze.
Maar tot haar afgrijzen reed de rode pick-up zonder snelheid te verminderen voorbij.
Ze zwaaide met haar armen en huilde. Misschien dat de bestuurder toevallig in zijn achteruitkijkspiegel keek.
Zwiep!
Een scherpe en bijtende pijn explodeerde in de holte van haar linkerknie en ze viel op de grond.
Ze schreeuwde en probeerde overeind te komen, maar ze voelde dat een sterke hand haar stevig bij haar haren greep en al snel sleepte hij haar terug het maisveld in.
Ze probeerde te bewegen, los te breken, maar deze keer tevergeefs.
Er kwam nog een laatste klap van de zweep en daarna verloor ze eindelijk, dankbaar, het bewustzijn.
Ze wist dat het nu snel over zou zijn: het lawaai, de zweep, de pijn...en haar korte, met pijn gevulde leven.
HOOFDSTUK EEN
Rechercheur Mackenzie White zette zich schrap en verwachtte het ergste toen ze die middag door het maisveld liep. Het geluid dat de stengels maakten toen ze erdoorheen liep maakte haar nerveus. Het was een dof, krassend geluid over haar jack terwijl ze rij na rij passeerde. De open plek die ze zocht leek mijlenver weg.
Toen ze daar eindelijk aankwam, bleef ze abrupt staan en wenste in gedachten dat ze ergens anders was dan hier. Voor haar zag ze het dode, grotendeels naakte lichaam van een ongeveer dertigjarige vrouw. Ze was vastgebonden aan een paal, haar gezicht bevroren in een uitdrukking van angst. Het was een gezichtsuitdrukking die Mackenzie liever niet had gezien, en ze wist meteen dat ze deze nooit meer zou vergeten.
Vijf politieagenten liepen rond de open plek en deden niets in het bijzonder. Ze probeerden er druk uit te zien, maar Mackenzie wist dat ze slechts een poging deden om te begrijpen wat er was gebeurd. Ze was ervan overtuigd dat geen van hen zoiets ooit eerder had gezien. Nog geen vijf seconden nadat ze de blonde vrouw vastgebonden aan de houten paal had waargenomen, was het voor Mackenzie al duidelijk dat hier iets veel diepers aan de hand was. Iets anders dan alles wat ze ooit was tegengekomen. Dit was niet iets wat gebeurde in de maisvelden van Nebraska.
Mackenzie naderde het lichaam en liep er langzaam omheen. Terwijl ze dat deed, voelde ze dat de andere agenten naar haar keken. Ze wist dat sommigen van hen vonden dat ze haar werk veel te serieus nam. Ze dook altijd volledig in een zaak, zocht naar aanknopingspunten en verbanden die bijna abstract van aard waren. Ze was een jonge vrouw die, in de ogen van de meeste mannen in het politiekorps, veel te snel de positie van rechercheur had bereikt. Ze was het ambitieuze meisje waarvan iedereen aannam dat ze haar zinnen had gezet op een betere en meer belangrijke functie dan rechercheur bij de politie in Nebraska.
Mackenzie negeerde de mannen. Ze concentreerde zich alleen op het stoffelijk overschot en wuifde de vliegen weg die overal heen schoten. Ze zweefden spastisch rond het lichaam van de dode vrouw en creëerden een kleine zwarte wolk, en de hitte had het lichaam ook niet veel goeds gedaan. Het was een hele warme zomer geweest en het voelde alsof al die zomerse hitte zich in dit maisveld had verzameld en hier op deze plek was.
Mackenzie kwam dichterbij, bestudeerde het lichaam en probeerde een gevoel van misselijkheid en een golf van verdriet te onderdrukken. De rug van de vrouw was bedekt met wonden. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit, waarschijnlijk veroorzaakt door hetzelfde voorwerp. Haar rug was besmeurd met bloed, het meeste droog en plakkerig. De achterkant van haar zwarte kanten stringetje was ook doordrenkt met bloed.
Terwijl Mackenzie haar rondje om het lichaam voltooide kwam een kleine, maar stevig gebouwde politieagent haar tegemoet. Ze kende hem goed, maar had niets met hem op.
“Hallo, rechercheur White,” zei Chief Nelson.
“Chief,” antwoordde ze.
“Waar is Porter?”
Er was niets neerbuigends in zijn stem, maar ze voelde het toch. Deze geharde lokale politiechef van in de vijftig wilde niet dat een vrouw van vijfentwintig jaar meehielp om deze zaak op te lossen. Walter Porter, haar vijfenvijftig jarige directe collega, zou volgens hem veel beter geschikt zijn voor deze taak.
“Op de snelweg,” zei Mackenzie. “Hij praat met de boer die het lichaam heeft ontdekt. Hij komt zo.”
“Oké,” zei Nelson, duidelijk een beetje meer op zijn gemak gesteld. “Wat vind je hiervan?”
Mackenzie wist niet precies hoe ze deze vraag moest beantwoorden. Ze wist dat hij haar aan het testen was. Dat deed hij van tijd tot tijd, zelfs over vrij onbenullige zaken. Hij deed dat nooit bij de andere agenten of rechercheurs, en ze was er vrijwel zeker van dat hij het alleen bij haar deed omdat ze jong en een vrouw was.
Haar gevoel vertelde haar dat dit meer was dan een theatrale moord. Waren het de ontelbare striemen op haar rug? Was het het feit dat de vrouw een lichaam had dat zo op een pin-up poster kon? Haar borsten waren duidelijk nep en Mackenzie vermoedde dat haar achterwerk ook enkele chirurgische ingrepen had ondergaan. Ze had veel make-up gedragen, die door de vele tranen over haar hele gezicht was uitgelopen.
“Ik denk,” zei Mackenzie, die eindelijk antwoord gaf op de vraag van Nelson, “dat dit een puur gewelddadige misdaad was. Ik denk dat forensisch onderzoek geen seksueel misbruik zal aantonen. De meeste mannen die een vrouw voor seks ontvoeren, mishandelen hun slachtoffer zelden zo ernstig, zelfs als ze van plan zijn ze later te vermoorden. Ik denk ook dat de stijl van het ondergoed dat ze draagt suggereert dat ze een provocerende vrouw was. Eerlijk gezegd, afgaand op de stijl van haar make-up en de omvang van haar borsten, zou ik beginnen met de stripclubs in Omaha op te bellen om te vragen of er misschien sinds gisteravond een danseres vermist wordt.”
“Dat is allemaal al gedaan,” antwoordde Nelson zelfvoldaan. “De overledene is Hailey Lizbrook, vierendertig jaar oud, moeder van twee jongens en een striptease danseres in The Runway in Omaha.”
Hij somde deze feiten op alsof hij een handleiding las. Mackenzie nam aan dat hij, omdat hij al zo lang in dienst bij de politie was, de slachtoffers van een moordpartij niet langer als mensen zag, maar meer als een puzzel die moest worden opgelost.
Maar Mackenzie, die pas een paar jaar in dienst was, was niet zo hard en gevoelloos. Ze bestudeerde de vrouw met als doel te achterhalen wat er was gebeurd, maar zag haar ook als een vrouw die twee kinderen had achtergelaten, jongens die de rest van hun leven zonder moeder zouden moeten opgroeien. Omdat de moeder van de twee kinderen als stripper aan het werk leek te zijn, ging Mackenzie ervan uit dat er geldproblemen waren en dat ze bereid was bijna alles te doen om voor haar kinderen te zorgen. Maar nu was ze hier, vastgebonden aan een paal en gedeeltelijk verminkt door een anonieme man die...
Het geritsel van de maisstengels achter haar onderbrak haar gedachten. Ze draaide zich om en zag Walter Porter door het mais naderen. Hij keek geërgerd toen hij de open plek betrad, en veegde stof en maisvezels van zijn jas.
Hij keek even rond voordat zijn blik zich op het lichaam van Hailey Lizbrook aan de paal vestigde. Een verbaasde grijns kwam over zijn gezicht, zijn grijze snor kantelde in een ruwe hoek naar rechts. Daarna keek hij naar Mackenzie en Nelson. Hij verspilde geen tijd en kwam meteen naar hen toe.
“Porter,” zei Chief Nelson. “White is zo te zien al druk bezig met het oplossen van deze zaak. Ze is behoorlijk scherp.”
“Ja, zo kan ze zijn,” zei Porter afwijzend.
Zo was het altijd. Nelson gaf haar niet echt een compliment. In feite was hij meer Porter aan het plagen omdat die opgescheept zat met het mooie jonge meisje dat uit het niets was gekomen en de positie van rechercheur had veroverd; het mooie jonge meisje dat door weinig mannen boven de dertig serieus genomen werd in het district. En God, wat haatte Porter dit.
Hoewel ze genoot van de plagerijen jegens Porter en zijn geërgerde reactie hierop, was dit geen aanleiding voor haar om zich onvoldoende en ondergewaardeerd te voelen.
Keer op keer had ze zaken opgelost die haar mannelijke collega’s niet hadden kunnen oplossen en dit, wist ze, bedreigde hen. Ze was pas vijfentwintig, veel te jong om een burn-out te krijgen in een carrière waar ze ooit zoveel van hield. Maar nu, gekoppeld aan Porter als collega en in dit politiekorps, begon ze haar beroep te haten.
Porter deed een poging om tussen Nelson en Mackenzie in te stappen en liet haar zo weten dat het vanaf nu zijn show was. Mackenzie voelde het stoom uit haar oren komen maar hield haar mond. Ze had de afgelopen drie maanden, sinds ze verplicht was met hem samen te werken, al vaak op haar tong gebeten. Vanaf de eerste dag had Porter geen geheim gemaakt van zijn afkeer voor haar. Ze had tenslotte de partner van Porter na achtentwintig jaar vervangen. Wat Porter betrof was zijn partner ontslagen om plaats te maken voor deze jonge vrouw.
Mackenzie negeerde zijn flagrante gebrek aan respect; ze weigerde om haar werkethiek hierdoor te laten beïnvloeden. Zonder een woord te zeggen ging ze terug naar het lichaam. Ze bestudeerde het aandachtig. Het deed pijn om het te bestuderen, maar niet zoveel als het eerste lijk wat ze ooit had gezien. Ze was bijna zover dat ze het dode lichaam van haar vader niet meer zag wanneer ze zich op een plaats delict bevond. Maar nog niet helemaal. Ze was zeven jaar oud geweest toen ze de slaapkamer binnenliep en hem languit in een plas bloed op het bed had zien liggen. En dat beeld was ze nooit meer kwijtgeraakt.
Mackenzie zocht naar aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat deze moord geen sexueel motief had. Ze zag geen tekenen van blauwe plekken of krassen op de borsten en billen van het slachtoffer, geen externe bloedingen rond de vagina. Ze keek vervolgens naar de handen en voeten van de vrouw en vroeg zich af of er misschien een religieus motief was; tekenen van punctie langs de handpalmen, enkels en voeten zouden kunnen wijzen op een kruisiging. Maar ook daar was geen sprake van.
Uit het korte politierapport dat zij en Porter hadden gekregen bleek dat de kleding van het slachtoffer niet was gelokaliseerd. Mackenzie dacht dat dit waarschijnlijk betekende dat de moordenaar deze nog had, of had verwijderd. Dit gaf aan dat hij voorzichtig was, of borderline obsessief. Dit en het feit dat zijn motivatie gisterenavond vrijwel zeker niet van seksuele aard waren geweest, droeg bij aan het beeld van een potentieel ongrijpbare en berekende moordenaar.
Mackenzie liep achteruit naar de rand van de open plek en nam de hele scène in haar op. Porter bleef met Nelson praten en wierp haar een zijwaartse blik toe. Daarna negeerde hij haar volledig. Ze bemerkte dat de andere politiemannen haar wel in de gaten hielden. Sommigen hielden haar werkwijze in de gaten. Ze was rechercheur geworden met de reputatie uitzonderlijk slim te zijn en was hoog aangeschreven door de meerderheid van de instructeurs op de politieacademie. Zo nu en dan kwamen de jongere agenten - zowel mannen als vrouwen - haar om advies vragen.
Ze wist ook dat een paar van de mannen die op open plek aanwezig waren misschien ook om andere redenen naar haar keken. Ze wist niet zeker wat erger was; de mannen die haar kont controleerden wanneer ze langs liep, of degenen die achter haar rug om lachten om het kleine meisje dat de rol van rechercheur probeerde te spelen.
Terwijl ze de scène bestudeerde, werd ze opnieuw overvallen door een knagend vermoeden dat hier iets vreselijk mis was. Ze had het gevoel dat ze een boek had opengeslagen waarbij na het lezen van de eerste pagina direct duidelijk werd dat dit een heel ingewikkeld verhaal zou gaan worden.
Dit is nog maar het begin, dacht ze.
Ze keek naar de modderige grond rond de paal en zag een paar vage schoen afdrukken, maar niet iets dat bruikbare informatie zou opleveren. Er zaten ook een reeks andere afdrukken in de grond die er bijna slangachtig uitzagen. Ze hurkte neer om ze van dichtbij te bekijken en zag dat verschillende van deze afdrukken naast elkaar lagen en rond de houten paal kronkelden, alsof de paal meerdere keren door een slangachtig voorwerp omcirkeld was geweest. Daarna keek ze naar de rug van de vrouw en zag dat de wonden in haar vlees ongeveer dezelfde vorm hadden als de markeringen op de grond.
“Porter,” zei ze.
“Wat is er?” Vroeg hij, duidelijk geïrriteerd dat hij werd gestoord.
“Ik denk dat ik hier wapen afdrukken heb.”
Porter aarzelde een seconde maar liep toen naar Mackenzie die op haar knieen zat. Toen hij naast haar hurkte, kreunde hij een beetje en ze kon zijn riem horen kraken. Hij was ongeveer 25 kilo te zwaar en dit werd meer zichtbaar naarmate hij dichterbij de vijfenvijftig jaar kwam.
“Een soort van zweep?” Vroeg hij.
“Ziet ernaar uit.”
Ze onderzocht de grond en volgde de sporen in de aarde tot aan de paal, en daarbij merkte ze nog iets anders op. Het was iets minuscules, zo klein dat ze het bijna niet zag.
Ze liep naar de paal, voorzichtig om het lichaam niet aan te raken voordat forensisch onderzoek had plaatsgevonden. Ze zakte weer door haar knieën en terwijl ze dit deed voelde ze het volle gewicht van de hitte van die middag op haar drukken. Onverschrokken boog ze haar hoofd dichter bij de paal, zo dichtbij dat ze het bijna met haar voorhoofd aanraakte.
“Wat ben je in godsnaam aan het doen?” vroeg Nelson.
“Er is hier iets uitgehouwen,” zei ze. “Ziet eruit als getallen.”
Porter kwam dichterbij om het te onderzoeken maar deed er alles aan om niet voorover te buigen. “White, dat stuk hout is gemakkelijk twintig jaar oud," zei hij. “En dat snijwerk ziet er net zo oud uit.”
“Misschien,”zei Mackenzie. Maar ze betwijfelde het.
Porter was niet geïnteresseerd in de ontdekking en ging terug naar het gesprek met Nelson, en vergeleek de aantekeningen die hij had gekregen met de informatie van de boer die het lichaam had ontdekt.
Mackenzie pakte haar telefoon en maakte een foto van de nummers. Ze vergrootte het beeld en de cijfers werden een beetje duidelijker. Nu ze deze zo gedetailleerd zag, bekroop haar het gevoel dat dit allemaal het begin was van iets veel groters.
N511 / J202
De cijfers betekende niets voor haar. Misschien had Porter gelijk; misschien betekende ze absoluut niets. Misschien waren ze door een houthakker uitgehouwen toen de paal was gemaakt. Misschien had een verveeld kind ze ergens in de loop van de jaren erin gekrast.
Maar het voelde niet goed.
Niets aan deze zaak voelde goed.
En ze wist in haar hart dat dit slechts het begin was.
HOOFDSTUK TWEE
Mackenzie voelde een knoop in haar maag toen ze uit het raam van de auto keek en de busjes van de verschillende nieuwszenders geparkeerd zag staan.Terwijl ze het terrein op reden renden de verslaggevers alvast naar de beste plaatsen om haar en Porter aan te vallen. Terwijl Porter de auto parkeerde, zag ze verschillende journalisten dichterbij komen. Ze renden over het terrein met de zwaar belaste cameramannen in hun kielzog.
Mackenzie zag dat Nelson al bij de voordeur van het pand stond en deed wat hij kon om de journalisten tevreden te stellen. Hij zag er ongemakkelijk en opgewonden uit. Zelfs vanaf hier kon ze het zweet op zijn voorhoofd zien glinsteren.
Zodra ze de auto uitstapten ging Porter naast haar lopen, ervoor zorgend dat ze niet zichtbaar was voor de wachtende journalisten. Toen hij haar passeerde, zei hij: “Vertel deze vampieren niets.”
Ze voelde een golf van verontwaardiging over zijn neerbuigende opmerking.
“Ik weet het, Porter.”
De menigte verslaggevers en camera's bereikte hen. Er waren minstens een dozijn microfoons die uit de menigte voor hun gezicht werden gehouden terwijl ze zich een weg naar het bureau probeerden te banen. De vragen regenden over hen heen.
“Zijn de kinderen van het slachtoffer al op de hoogte gebracht?”
“Wat was de reactie van de boer toen hij het lichaam vond?”
“Is dit een geval van seksueel misbruik?”
“Is het verstandig om een dergelijke zaak aan een vrouwelijke detective toe te wijzen?”
Die laatste stoorde Mackenzie een beetje. Natuurlijk wist ze dat de verslaggevers gewoon een reactie probeerden uit te lokken, in de hoop op een sappig verhaal voor de nieuwsuitzending van die middag. Het was pas vier uur en als ze snel waren, hadden ze misschien een goudklompje voor het nieuws van zes uur.
Terwijl ze door de voordeur naar binnen liep, echode die laatste vraag als een donderslag in haar hoofd.
Is het verstandig om een dergelijke zaak aan een vrouwelijke detective toe te wijzen?
Ze herinnerde zich hoe emotieloos Nelson de informatie van Hailey Lizbrook had gelezen.
Natuurlijk wel, dacht Mackenzie. Het is zelfs cruciaal.
Ze traden het pand binnen en de deuren sloegen achter hen dicht. Mackenzie haalde opgelucht adem in de stilte.
“Fucking bloedzuigers,” zei Porter.
Nu de camera’s niet meer op hem gericht waren liet hij zijn masker vallen. Hij liep langzaam langs het bureau van de receptioniste en in de richting van de gang die leidde naar de vergaderzalen en afdelingen die hun bureau vormden. Hij zag er moe uit, klaar om naar huis te gaan, klaar om al klaar te zijn met deze zaak.
Mackenzie ging als eerste de vergaderruimte binnen. Er zaten verschillende officieren aan een grote tafel, sommige in uniform en sommige in burgerkleding. Gezien hun aanwezigheid en de plotselinge verschijning van de nieuwsbusjes, vermoedde Mackenzie dat in de twee en een half uur gelegen tussen het verlaten van haar kantoor om naar het maisveld te gaan en hun terugkomst, het verhaal al lang en breed was uitgelekt. Het was meer dan een willekeurige griezelige moord; het was nu een spektakel geworden.
Mackenzie pakte een kopje koffie en ging aan tafel zitten. Iemand had al dossiers met het kleine beetje informatie dat over de zaak was verzameld, op de tafel gelegd. Terwijl ze door de informatie keek, kwamen er meer mensen de kamer binnen. Porter kwam uiteindelijk binnen en ging aan de andere kant zitten.
Mackenzie nam even de tijd om haar telefoon te controleren en ontdekte dat ze acht gemiste oproepen, vijf voicemails en een dozijn e-mails had. Het was een grimmige herinnering aan het feit dat ze al bezig was met een zaak voordat ze vanmorgen naar het maïsveld was gestuurd. De trieste ironie was dat, hoewel haar oudere collega's veel tijd besteedden aan het vernederen en subtiele beledigen van haar persoon, ze ook haar talenten realiseerden. Als gevolg hiervan had ze een van de grootste caseloads van het korps. Tot op heden was ze echter nooit achterop geraakt en had ze een groot aantal zaken weten af te sluiten.
Ze dacht erover om enkele e-mails te beantwoorden terwijl ze wachtte, maar Chief Nelson kwam binnen voordat ze hier de kans toe kreeg. Hij deed snel de deur van de vergaderruimte achter zich dicht.
“Ik weet niet hoe de media hier zo snel achter is gekomen,” gromde hij, “maar als ik erachter kom dat iemand in deze kamer hiervoor verantwoordelijk is, breekt de hel los.”
De kamer viel stil. Een paar officieren en aanverwante medewerkers begonnen nerveus naar de inhoud van de mappen voor hen te kijken. Hoewel Mackenzie niet veel om Nelson gaf, viel het niet te ontkennen dat de aanwezigheid en de stem van deze man een natuurlijk overwicht af dwongen.
“De zaak is als volgt,” zei Nelson. “Het slachtoffer heet Hailey Lizbrook, een stripper uit Omaha. Vierendertig jaar oud, twee zonen in de leeftijd van negen en vijftien. Van wat we hebben kunnen vaststellen werd ze ontvoerd voordat ze naar werk ging. Haar werkgever zegt dat ze die avond niet is komen opdagen. Beveiligingsbeelden van The Runway, haar werkplek, laten niets zien. Dus we gaan ervan uit dat ze ergens tussen haar appartement en The Runway is meegenomen. Dat is een gebied van ongeveer 10 kilometer, een gebied dat momenteel door een paar instanties die onderzoek doen voor het politiekorps van Omaha onderzocht wordt.”
Hij keek naar Porter alsof deze een gewaardeerde leerling was en zei:
“Porter, waarom beschrijf jij de scène niet?”
Natuurlijk zou hij voor Porter kiezen.
Porter stond op en keek de kamer rond alsof hij wilde zorgen dat iedereen goed oplette.
“Het slachtoffer was met haar handen op haar rug aan een houten paal vastgebonden. De plaats van delict is een open plek in een maïsveld, iets minder dan een kilometer de snelweg verwijderd. Haar rug was bedekt met wat leek op lange striemen, afkomstig van waarschijnlijk een soort zweep. We zagen afdrukken in de modderige grond die dezelfde vorm en grootte hadden als van de striemen. Hoewel het slachtoffer alleen haar ondergoed nog droeg en haar kleren nergens te vinden waren, zijn we er vrij zeker van dat dit geen sexueel getinte aanval was. Dit zullen we echter pas helemaal zeker weten na het rapport van de lijkschouwer. “
“Bedankt, Porter,” zei Nelson. “Over de lijkschouwer gesproken, ik sprak hem zo'n twintig minuten geleden aan de telefoon. Hij zegt dat de oorzaak van de dood waarschijnlijk bloedverlies of een soort trauma zal zijn. Waarschijnlijk aan het hoofd of het hart maar helemaal zeker zullen we pas zijn nadat het rapport van de autopsie is voltooid.”
Zijn ogen gingen naar Mackenzie en zonder veel interesse te tonen vroeg hij: “Iets toe te voegen, White?”
“De cijfers,” zei ze.
Nelson rolde met zijn ogen voor de hele kamer. Het was een duidelijk teken van gebrek aan respect, maar ze negeerde het, vastbesloten om het aan alle aanwezigen te vertellen voordat ze de mond gesnoerd kon worden.
“Ik ontdekte wat leek op twee nummers, gescheiden door een schuine streep, uitgehouwen in de onderkant van de paal.”
“Wat waren de cijfers?” Vroeg een van de jongere officieren aan de tafel.
“Eigenlijk meer een combinatie van cijfers en letters,” zei Mackenzie. “N 511 en J 202. Ik heb er een foto van gemaakt met mijn telefoon.”
“Andere foto's zullen binnenkort aangeleverd worden, zodra Nancy ze uitgeprint krijgt,” zei Nelson. Hij sprak snel en krachtig en liet de aanwezigen zo weten dat de discussie over de belangrijkheid van deze nummers nu was afgesloten.
Mackenzie luisterde naar Nelson terwijl hij verder praatte over de taken die moesten worden uitgevoerd om het gebied van tien kilometer tussen het huis van Hailey Lizbrook en The Runway te bestrijken. Maar ze luisterde maar half. Haar geest bleef teruggaan naar de manier waarop het lichaam van de vrouw was vastgebonden. Iets aan de hele tentoonstelling van het stoffelijk overschot was haar bekend voorgekomen, en het bleef haar bezighouden toen ze in de vergaderzaal zat.
Ze nam de korte aantekeningen in de map door, in de hoop dat een klein detail iets in haar geheugen zou kunnen triggeren. Ze bladerde door de vier pagina's met informatie in de hoop iets te ontdekken. Ze wist alles wat in de map zat, maar ze bekeek de details aandachtig.
Vrouw van 34 jaar oud, vermoedelijk de vorige nacht vermoord. Striemen, snijwonden, verschillende schaafwonden op haar rug, vastgebonden aan een oude houten paal. Doodsoorzaak wordt verondersteld bloedverlies of mogelijk trauma aan het hart te zijn. De bindmethode suggereert mogelijke religieuze boventonen, terwijl het lichaamstype van de vrouw verwijst naar een seksuele motivatie.
Terwijl ze dit las, klikte er iets. Ze zonderde zich af in haar gedachten, waardoor haar geest kon gaan waar het nodig was zonder tussenkomst van haar omgeving.
Terwijl ze de onderlinge verbanden begon in te zien en een verklaring bedacht waarvan ze hoopte dat ze het mis had, begon Nelson het gesprek af te ronden..
“... en omdat het te laat is om nog wegversperringen in te zetten, zullen we vooral moeten vertrouwen op de getuigenverklaringen, zelfs tot in de kleinste en schijnbaar nutteloze details. Heeft iemand nog iets toe te voegen?”
“Eén ding, mijnheer,” zei Mackenzie.
Ze zag dat Nelson zuchtte. Aan de andere kant van de tafel hoorde ze Porter zacht grinniken. Ze negeerde het en wachtte af om te zien hoe Nelson haar zou aanspreken.
“Ja, White?” vroeg hij.
“Ik herinner me een zaak in 1987 die vergelijkingen toont met deze zaak. Ik ben er vrij zeker van dat het net buiten Roseland was. De knopen gebruikt om het slachtoffer vast te binden waren hetzelfde, en het type vrouw was hetzelfde. Ik ben er vrij zeker van.”
“1987?” vroeg Nelson. “White, was je toen al geboren?”
Door meer dan de helft van aanwezigen in de vergaderzaal werd zacht gelachen. Mackenzie liet het van haar af glijden. Ze zou later de tijd vinden om zich te schamen.
“Dat was ik niet,” zei ze, niet bang om met hem in discussie te gaan. “Maar ik heb het rapport wel gelezen.”
“U vergeet, mijnheer,” zei Porter. “dat Mackenzie al haar vrije tijd besteedt aan het lezen van onopgeloste zaken. Het meisje is als een wandelende encyclopedie voor dit spul.”
Mackenzie merkte meteen op dat Porter haar bij haar voornaam had genoemd en haar een meisje in plaats van een vrouw had genoemd. Het trieste was dat hij zich waarschijnlijk niet eens bewust was van het gebrek aan respect, dacht ze.
Nelson wreef over zijn hoofd en slaakte eindelijk een diepe zucht. “1987? Je weet het zeker?”
“Bijna positief.”
“Roseland?”
“Of in de directe omgeving,” zei ze.
“Oké,” zei Nelson, kijkend naar het einde van de tafel waar een vrouw van middelbare leeftijd zat, ijverig luisterend. Er stond een laptop voor haar, waarop ze de hele tijd rustig had getypt. “Nancy, kun je dit nakijken in de database?”
“Ja meneer,” zei ze. Ze begon meteen iets in de interne server van het district te typen.
Nelson wierp Mackenzie een afkeurende blik toe die zoveel betekende als: Je kunt maar beter gelijk hebben. Zo niet, dan heb je twintig seconden van mijn kostbare tijd verspild.
“Oké, dames en heren, “zei Nelson. “Hier is hoe we het gaan aanpakken: Op het moment dat deze bijeenkomst eindigt, wil ik dat Smith en Berryhill naar Omaha gaan om het lokale politiekorps daar te helpen. Vanaf daar roteren we indien nodig in paren. Porter en White, jullie twee gaan praten met de kinderen van de overledene en haar werkgever. We werken ook aan het adres van haar zus.”
“Neem me niet kwalijk, mijnheer,” zei Nancy en keek op van haar computer.
“Ja, Nancy?”
“Het lijkt erop dat rechercheur White gelijk heeft. In oktober 1987 werd een prostituee dood aangetroffen, vastgebonden aan een houten paal net buiten de stadsgrenzen van Roseland. Het rapport wat ik kan zien, meldt dat ze enkel haar ondergoed nog aan had en ernstig was gegeseld. Geen tekenen van seksueel misbruik en geen duidelijk motief.”
Het werd weer stil in de kamer. Veel vragen bleven onuitgesproken. Uiteindelijk verbrak Porter de stilte, en alhoewel Mackenzie duidelijk opmerkte dat hij het verband tussen deze twee zaken niet wilde erkennen, hoorde ze de zorgen in zijn stem.
“Dat is bijna dertig jaar geleden,” zei hij. “Niet echt een duidelijk direct verband met onze zaak.”
“Maar het is toch een overeenkomst,” zei Mackenzie.
Nelson sloeg met zijn vlakke hand op tafel, zijn ogen brandden in die van Mackenzie.
“Als er hier inderdaad sprake van een verband is, dan weet je wat dat betekent, toch?”
“Het betekent dat we misschien te maken hebben met een seriemoordenaar,” zei ze. “En zelfs alleen het vermoeden dat we te maken hebben met een seriemoordenaar betekent dat we moeten overwegen om de FBI in te schakelen.”
“Nou,nou,” zei Nelson. “Je trekt wel heel snel conclusies. Er zijn nog heel veel andere aspecten te overwegen.”
“Met alle respect,” zei Mackenzie, “het is de moeite van het bekijken waard.”
“En nu dat je dat onder onze aandacht hebt gebracht, zullen we wel moeten.” zei Nelson. “Ik zal wat telefoontjes plegen en je hiervan de uitslag laten weten. Laten we voorlopig maar aan de slag gaan met dingen die relevant en actueel zijn. Dat is het voor nu, iedereen. Ga nu aan het werk.”
De kleine groep aan de vergadertafel begon uiteen te vallen en namen hun mappen mee. Toen Mackenzie de kamer uitkwam, gaf Nancy haar een kleine glimlach van erkenning. Het was de meeste aanmoediging die Mackenzie in meer dan twee weken op het werk had gekregen. Nancy was de receptioniste en soms feiten controleur van het korps. Voor zover Mackenzie wist was ze een van de weinige oudgedienden van het politiekorps die met niemand echt een probleem had.
“Porter en White, wacht even,” zei Nelson.
Ze zag dat Nelson nu dezelfde bezorgde blik op zijn gezicht had die ze bij Porter had gezien en gehoord toen hij zojuist sprak. Hij zag er bijna ziek uit.
“Knap herinnert, die zaak uit 1987,” zei Nelson tegen Mackenzie. Het leek er op dat het hem fysiek pijn deed om haar een compliment te geven. “Het is een schot in het donker. Maar je vraagt je wel af… “
“Vraag je af wat?”Vroeg Porter.
Mackenzie, nooit iemand geweest die op haar mondje was gevallen, antwoordde voor Nelson.
“Waarom hij besloten heeft om nu actief te worden”, zei ze.
Daarna voegde ze eraan toe:
“En wanneer hij weer zal doden."
HOOFDSTUK DRIE
Hij zat in zijn auto en genoot van de stilte. Straatlantaarns wierpen een spookachtige gloed op de straat. Er was op dit late uur weinig verkeer, waardoor het griezelig rustig was. Hij wist dat iedereen die op dit moment in dit deel van de stad was, waarschijnlijk druk met hun eigen zaken waren en niet gezien wilde worden. Het maakte het gemakkelijker voor hem om zich te concentreren op het werk waar hij mee bezig was: - het Goede Werk.
De straten waren donker, de enige uitzondering hierop was de neon gloed afkomstig van de paar louche etablissementen. In het raam van het gebouw dat hij bestudeerde zag hij het in het tl-licht afgetekende silhouet van een welgevormde vrouw. Het flikkerde als een baken op een stormachtige zee. Maar het was geen plaats om te schuilen, in het ieder geval zeker geen respectabele plaats.
Terwijl hij in zijn auto zat, zo ver mogelijk weg van de straatlantaarns, dacht hij aan de verzameling die hij thuis bewaarde. Hij had deze aandachtig bestudeerd voordat hij vanavond was vertrokken. De souvenirs van zijn werk lagen uitgespreid op zijn kleine bureau: een tas, een oorbel, een gouden ketting, een stuk blond haar in een klein Tupperware doosje. Het waren herinneringen, herinneringen aan het feit dat hij uitverkoren was voor dit werk. En dat hij nog meer werk te doen had.
Een man kwam uit het gebouw aan de overkant van de straat en onderbrak zijn gedachten. Hij keek en wachtte geduldig. Hij had in de loop der jaren veel geleerd over geduld. Hij wist dat hij nu snel te werk moest gaan en werd nerveus. Stel dat hij niet nauwkeurig genoeg zou zijn?
Hij had weinig keus. De moord op Hailey Lizbrook was al in het nieuws. Mensen zochten hem, alsof hij degene was die iets slechts had gedaan. Ze begrepen het gewoon niet. Wat hij die vrouw had gegeven, was een geschenk geweest.
Een daad van gratie.
In het verleden had hij veel tijd laten verstrijken tussen zijn heilige daden. Maar nu was er een urgentie. Er was zoveel te doen. Er waren altijd overal vrouwen; op straathoeken, in persoonlijke advertenties, op televisie.
Uiteindelijk zouden ze het wel gaan begrijpen. Ze zouden het begrijpen en ze zouden hem bedanken. Ze zouden hem vragen hoe ze weer puur en zuiver zouden kunnen worden en hij zou hun ogen openen.
Even later werd het neon beeld van de vrouw in het raam zwart. De gloed achter de ramen doofde uit. De lichten gingen uit en in het gebouw werd alles donker, de zaak was gesloten voor de rest van de nacht.
Hij wist dat dit betekende dat de vrouwen elk moment uit de deur zouden komen, naar hun auto’s zouden lopen en vervolgens naar huis zouden gaan.
Hij schakelde naar de eerste versnelling en reed langzaam rond het blok. De straatlantaarns leken hem te achtervolgen, maar hij wist dat er geen nieuwsgierige ogen waren om hem te zien. In dit gedeelte van de stad kon het niemand wat schelen.
De meeste auto’s die aan de achterkant van het gebouw geparkeerd stonden waren dure, luxe wagens. Er was goed geld te verdienen met het verkopen van je lichaam. Hij parkeerde aan de uiterste rand van het terrein en wachtte nog wat.
Na een lange tijd ging de deur van het etablissement eindelijk open. Twee vrouwen kwamen naar buiten, vergezeld door een man die eruit zag alsof hij een beveiligingsmedewerker was. Hij keek naar de man en vroeg zich af of deze een probleem zou kunnen zijn. Hij had een pistool onder zijn stoel dat hij zou gebruiken als dat absoluut noodzakelijk was, maar dat deed hij liever niet. Hij had het tot nu toe nog nooit hoeven te gebruiken. Eigenlijk verafschuwde hij wapens. Het had iets viezigs, de luiheid die ermee gepaard ging.
Uiteindelijk gingen ze allemaal hun eigen weg, stapten in hun auto en reden weg.
Hij zag de auto’s naderen en ging rechtop zitten. Hij voelde zijn hart bonzen. Daar was ze.
Dat was de juiste.
Ze was klein van stuk, met nep blond haar dat net over haar schouders viel. Hij keek toe hoe ze in haar auto stapte maar gaf geen gas totdat haar achterlichten om de hoek verdwenen waren.
Hij reed in tegengestelde richting om het gebouw heen om geen aandacht op zichzelf te vestigen. Hij reed achter haar aan, zijn hart begon te racen. Automatisch reikte hij onder zijn stoel en voelde het touw. Het kalmeerde zijn zenuwen.
Het kalmeerde hem te weten dat na de achtervolging, het offer zou plaatsvinden.
En dat het zou plaatsvinden, was zeker.
HOOFDSTUK VIER
Mackenzie zat op de passagiersstoel met verschillende dossiers opengevouwen op haar schoot. Porter zat achter het stuur en tikte met zijn vingers mee op het ritme van een Rolling Stones-nummer. Hij had de autoradio afgestemd op hetzelfde klassieke rock station waar hij altijd tijdens het rijden naar luisterde. Mackenzie keek geërgerd op, uit haar concentratie gebracht. Ze zag het licht van de koplampen met honderd kilometer per uur over de snelweg voor haar schijnen en draaide zich naar hem toe.
“Kun je die muziek alsjeblieft wat zachter zetten?” snauwde ze.
Meestal vond ze het niet erg, maar ze probeerde in de juiste gemoedstoestand te geraken om de werkwijze van de moordenaar te begrijpen.
Met een diepe zucht draaide Porter al hoofdschuddend de radio uit. Hij wierp haar een afwijzende blik toe.
“Wat hoop je eigenlijk te vinden?” vroeg hij.
“Ik probeer niets te vinden,” zei Mackenzie. “Ik probeer de puzzelstukjes in elkaar te zetten om het persoonlijkheidstype van de moordenaar beter te begrijpen. Als we kunnen denken zoals hij, hebben we een veel betere kans om hem te vinden.”
“Of,” zei Porter, “je kunt gewoon wachten tot we bij Omaha zijn geweest en met de kinderen en de zus van het slachtoffer hebben gepraat, zoals Nelson ons heeft opgedragen.”
Zonder zelfs naar hem te kijken kon Mackenzie zien dat hij moeite moest doen om geen wijsneuzerige opmerking te maken. Ze moest hem een beetje credit geven, veronderstelde ze. Altijd wanneer ze met z'n tweeën onderweg of op een plaats delict waren, beperkte Porter de snijdende en vernederende opmerkingen tot het minimum.
Ze negeerde Porter even en keek naar de aantekeningen op haar schoot. Ze vergeleek de notities van de zaak uit 1987 met die van de moord op Hailey Lizbrook. Hoe meer ze over hen las, des te meer meer ze ervan overtuigd raakte dat ze door dezelfde man waren vermoord. Maar wat haar bleef frustreren was dat er geen duidelijk motief was.
Ze bekeek de documenten van voor naar achteren, bladerde door de pagina's en nam alle informatie in zich op. Ze begon in zichzelf te mompelen, vragen te stellen en feiten hardop uit te spreken. Het was iets wat ze sinds de middelbare school had gedaan, een tic waar ze nooit helemaal vanaf was gekomen..
“In beide gevallen geen bewijs van seksueel misbruik”, zei ze zacht. “Geen duidelijke verbanden tussen de slachtoffers, behalve hun beroep. Geen echte aanwijzingen voor een religieus motief. Waarom niet kiezen voor het volledige kruisbeeld in plaats van een enkele paal als je een religieus thema kiest? De cijfers waren in beide gevallen aanwezig, maar deze geven geen duidelijke verklaring voor de moorden. “
“Begrijp me niet verkeerd”, zei Porter, “maar ik luister liever naar de Stones.”
Mackenzie stopte met tegen zichzelf praten en merkte op dat het meldingslampje van haar telefoon knipperde. Nadat zij en Porter waren vertrokken had ze Nancy een e-mail gestuurd en haar gevraagd een paar zoekopdrachten in de database in te voeren met de sleutelwoorden paal, stripper, prostituee, serveerster, mais, striemen en de reeks nummers N511 / J202, in combinatie met alle moordzaken van de laatste dertig jaar. Toen Mackenzie haar telefoon controleerde zag ze dat Nancy, zoals gewoonlijk, snel had gehandeld.
De mail die Nancy had teruggestuurd luidde: Niet veel, ben ik bang.Van de paar zaken die ik wel heb gevonden heb ik de uittreksels bijgevoegd. Succes!
Er waren slechts vijf bijlagen en Mackenzie las er vrij snel doorheen. Drie ervan hadden duidelijk niets te maken met de moord op Lizbrook of de zaak uit ’87. Maar de andere twee waren interessant genoeg om op zijn minst in overweging te nemen.
Eén daarvan was een geval uit 1994 waarbij een vrouw dood achter een verlaten schuur in een landelijk gebied ongeveer honderd kilometer buiten Omaha was gevonden. Ze was vastgebonden aan een houten paal en men geloofde dat haar lichaam daar minstens zes dagen had gehangen voordat ze werd ontdekt. Haar lichaam was stijf geworden en een paar bosdieren - vermoedelijk vossen - waren aan haar benen gaan eten. De vrouw had een lang strafblad, waaronder twee arrestaties wegens seks. Ook hier waren er geen duidelijke tekenen van seksueel misbruik en hoewel er striemen op haar rug waren aangetroffen, waren deze niet te vergelijken met het aantal striemen die op Hailey Lizbrook waren aangetroffen. In het rapport over de moord werd echter niets vermeld over cijfers op de paal waaraan de vrouw was vastgebonden.
Het tweede misschien gerelateerde dossier betrof dat van een negentienjarig meisje. Er stond vermeld dat ze wellicht ontvoerd zou zijn en er was alarm geslagen toen ze niet thuis kwam voor de kerstvakantie van haar eerste studiejaar aan de Universiteit van Nebraska in 2009. Haar lichaam werd drie maanden later ontdekt in een leeg veld, gedeeltelijk begraven.
Ze had striemen op haar rug gehad. Later werden er beelden naar de pers gelekt waarin het jonge meisje naakt was en deelnam aan een soort luguber seksfeest in het gebouw van een studentenvereniging. De foto's waren een week voordat ze als vermist was opgegeven gemaakt.
De laatste zaak was misschien een beetje vergezocht, maar Mackenzie dacht dat deze ook mogelijk in verband kon worden gebracht met de moord in 1987 en met Hailey Lizbrook.
“Wat heb je daar?” vroeg Porter.
“Nancy stuurde me de politierapporten van enkele andere gevallen die misschien iets te maken kunnen hebben met onze zaak.”
“Iets bruikbaars?”
Ze aarzelde maar vertelde hem over de twee potentiële links. Toen ze klaar was, knikte Porter en staarde in de duistere nacht. Ze passeerden een verkeersbord dat hen vertelde dat Omaha nog 35 kilometer rijden was.
“Ik denk dat je soms te hard probeert,” zei Porter. “Je werkt je verrot en dat is door veel mensen opgemerkt. Maar laten we eerlijk wezen: hoe hard je het ook probeert, niet iedere zaak houdt verband met een grootschalige misdaad complot.
“Vertel jij dan eens,” zei Mackenzie. “Wat zegt jouw gevoel op dit moment over deze zaak? Waar hebben we mee te maken?”
“Het is gewoon iemand met een simpel moedercomplex.” zei Porter afwijzend. “Als we maar met voldoende mensen gaan praten vinden we hem vast. Al dat geanalyseer is tijdverspilling. Je vindt mensen niet door in hun hoofd te gaan zitten. Je vindt ze door vragen te stellen. Straatwerk. Deur tot deur. Getuigen verhoren.”
Terwijl ze in stilzwijgen vervielen begon Mackenzie zich zorgen te maken over hoe simplistisch zijn kijk op de wereld was, hoe zwart - wit. Het liet geen ruimte voor nuance, voor iets buiten zijn vooraf bepaalde overtuigingen. Ze vond dat de gestoorde geest waar ze hier mee te maken hadden daarvoor veel te geavanceerd was.
“Wat vind jíj van onze moordenaar?” vroeg hij uiteindelijk.
Ze kon de wrok in zijn stem horen, alsof hij het haar niet echt had willen vragen, maar de stilte hem er bijna toe had gedwongen.
“Ik denk dat hij vrouwen haat om wat ze vertegenwoordigen,”zei ze zachtjes, terwijl ze het in gedachten verder uit puzzelde. “Misschien is hij een vijftigjarige maagd die denkt dat seks een zonde is - en die toch ook behoefte heeft aan seks. Het vermoorden van vrouwen geeft hem het gevoel dat hij zijn eigen verlangens in bedwang houdt, gevoelens die hij als zondig en onmenselijk beschouwt. Als hij de bron kan elimineren van waar die seksuele driften vandaan komen, voelt hij de controle. De striemen op de rug geven aan dat hij ze bijna straft, waarschijnlijk vanwege hun provocerende karakter. Dan is er het feit dat er geen tekenen zijn van seksueel misbruik. Ik vraag me af of dit een soort poging tot zuivering is in de ogen van de moordenaar.”
Porter schudde zijn hoofd, bijna als een teleurgestelde ouder.
“Dit is wat ik bedoel.” zei hij. “Tijdverspilling. Je hebt nu al zoveel aannames en veronderstellingen gemaakt, dat je je theorietje al helemaal klaar hebt - maar niets daarvan zal ons helpen. Jij ziet gewoon door de bomen het bos niet meer.”
En weer was er een ongemakkelijke stilte. Blijkbaar uitgesproken, zette Porter de radio harder.
Het duurde echter slechts enkele minuten. Toen ze Omaha naderden zette Porter de radio weer uit, dit keer zonder dat ze hierom had hoeven vragen. Porter sprak en toen hij dat deed klonk hij nerveus, maar Mackenzie hoorde ook de moeite die hij deed om doen alsof hij de situatie de baas was.
“Heb je ooit kinderen geïnterviewd nadat ze een ouder hadden verloren?” Vroeg Porter.
“Eén keer,” zei ze. “Na een drive-by. Een elfjarige jongen.”
“Ik heb er ook een paar gehad. Het is niet leuk.”
“Nee, dat is het zeker niet,” stemde Mackenzie in.
“Nou luister, we gaan die twee jongens vragen stellen over hun overleden moeder. Het onderwerp waar ze werkt, zal ongetwijfeld aan de orde komen. We zullen het met fluwelen handschoenen aan moeten pakken.”
Ze kookte van binnen. Hij sprak weer tegen haar alsof ze een klein kind was.
“Laat mij maar het woord doen. Jij kunt de troostende schouder aanbieden als ze beginnen te huilen. Nelson zegt dat de zus van het slachtoffer er ook zal zijn, maar ik kan me niet voorstellen dat ze een grote bron van troost zal zijn voor de kinderen. Ze is waarschijnlijk net zo kapot als hun.”
Mackenzie vond het eigenlijk niet zo een goed idee. Maar ze wist ook dat wanneer ze in het gezelschap van Porter en Nelson was, haar gevechten verstandig moest kiezen. Dus als Porter de twee rouwende kinderen over hun dode moeder wilde ondervragen, zou ze hem die rare egotrip laten maken.
“Zoals je wilt,”' zei ze met de kaken op elkaar.
Het gesprek in de auto viel weer stil. Deze keer liet Porter de radio uit. Het enige geluid kwam van het verschuiven van de dossiers op de schoot van Mackenzie. Het verhaal was ingewikkelder dan bleek uit de korte verslagen die Nancy haar had gestuurd; Mackenzie was er zeker van.
Om dat verhaal te kunnen vertellen, moesten natuurlijk alle personages worden onthuld. En tot nu toe verborg de hoofdpersoon zich nog steeds in de schaduw.
De auto vertraagde en Mackenzie hief haar hoofd op toen ze een stille wijk in draaiden. Ze voelde de vertrouwde knoop in haar maag en wenste dat ze ergens anders was dan hier.
Ze stonden op het punt om met de kinderen van een vermoorde vrouw te praten.
HOOFDSTUK VIJF
Mackenzie was verrast toen ze het appartement van Hailey Lizbrook binnenstapte. Het zag er heel anders uit dan dat ze zich had voorgesteld. Het was netjes en opgeruimd, het meubilair esthetisch geplaatst en nergens lag stof. Het decor was heel erg dat van een echte huisvrouw, van de koffiemokken met schattige spreuken tot aan de pannenlappen die aan sierlijke haakjes bij het fornuis hingen. Het was duidelijk dat ze volledig toegewijd was geweest aan haar taak als huisvrouw en moeder. Dit bleek zelfs uit de kapsels en pyjama's van haar zoontjes.
Het leek verdacht veel op het ideale plaatje van huisje-boompje-beestje waarvan ze droomde ooit voor haarzelf te hebben.
Mackenzie herinnerde zich uit de dossiers dat de jongens negen en vijftien jaar oud waren; de oudste heette Kevin en de jongste Dalton. Toen ze Dalton zag, merkte ze direct op dat hij veel had gehuild. Zijn blauwe ogen waren rood en gezwollen.
Kevin daarentegen keek meer boos dan iets anders. Ze namen plaats en Porter nam de leiding. Porter probeerde met de kinderen te praten, maar zijn stem klonk neerbuigend en hij had nog het meest weg van een inval leerkracht die veel te hard trachtte om de orde te houden. Mackenzie kromp ineen terwijl Porter sprak.
“Ik moet weten of jullie moeder mannelijke vrienden had,” zei Porter.
Hij stond in het midden van de kamer terwijl de jongens op de bank in de woonkamer zaten. De zus van Hailey, Jennifer, stond in de aangrenzende keuken en rookte een sigaretje bij het fornuis terwijl de ventilator aan het draaien was.
“Je bedoelt als een vriendje?” Vroeg Dalton.
“Natuurlijk, dat zou een mannelijke vriend kunnen zijn,” zei Porter. “Maar zo bedoel ik niet eens. Elke man met wie ze meer dan eens heeft gesproken. Zelfs iemand zoals de postbode of iemand in de supermarkt.”
Beide jongens keken naar Porter alsof ze verwachtten dat hij een goocheltruc zou uitvoeren of misschien zelfs spontaan zou ontbranden. Mackenzie deed hetzelfde. Ze had hem nog nooit op zo'n zachte toon horen praten. Het was bijna grappig om zulke kalmerende woorden uit zijn mond te horen komen.
“Nee, ik denk het niet,” zei Dalton.
“Nee,” stemde Kevin in. “En ze had ook geen vriendje. Niet dat ik weet.”
Mackenzie en Porter keken naar Jennifer voor antwoord, die nog steeds bij het fornuis stond. Het enige antwoord dat ze kregen was een schouderophalen. Mackenzie was er vrij zeker van dat Jennifer in een soort shocktoestand verkeerde. Ze vroeg zich af of er misschien nog een ander familielid was dat een tijdje voor deze jongens kon zorgen, omdat Jennifer op dit moment zeker geen geschikte voogd leek.
“Nou, en hoe zit het met mensen waar jij en je moeder niet mee konden opschieten?” vroeg Porter. “Heb je haar ooit ruzie met iemand horen maken?”
Dalton schudde alleen zijn hoofd. Mackenzie was er vrij zeker van dat het kind weer op het punt stond om in huilen uit te breken. Kevin rolde met zijn ogen terwijl hij Porter strak aankeek.
“Nee,” zei hij. “We zijn niet dom. We weten wat u ons probeert te vragen. U wilt weten of we iemand kunnen bedenken die onze moeder heeft vermoord. Toch?”
Porter zag eruit alsof hij in zijn gezicht was geslagen. Hij keek zenuwachtig naar Mackenzie, maar slaagde erin zijn kalmte vrij snel terug te vinden.
“Nou ja,” zei hij. “Dat is waar ik mee bezig ben. Maar het lijkt me duidelijk dat jullie geen nuttige informatie hebben. “
“Denk je?” zei Kevin.
Er hing een gespannen sfeer. Een moment lang was Mackenzie er zeker van dat Porter een hardere houding aan zou gaan nemen tegen het kind. Kevin keek naar Porter met een pijnlijke uitdrukking in zijn ogen en daagde Porter bijna uit om hem aan te houden.
“Wel,” zei Porter, “ik denk dat ik jullie genoeg heb lastig gevallen. Bedankt voor jullie tijd.”
“Wacht even,” zei Mackenzie, het was haar mond uit voordat ze er erg in had.
Porter wierp haar een dodelijke blik toe. Het was duidelijk dat hij het gevoel had dat ze hun tijd verspilden met het verhoren van de twee verdrietige kinderen - vooral aangezien de vijftienjarige duidelijk een probleem had met autoriteit. Mackenzie negeerde zijn blik, knielde neer en kwam op ooghoogte van Dalton.
“Luister, denk je dat je even met je tante in de keuken zou kunnen rondhangen?”
“Ja,” zei Dalton, zijn stem klonk gebroken en zacht.
“Detective Porter, waarom ga je niet met hem mee?”
De blik die Porter haar gaf was nogmaals vervuld van haat. Mackenzie staarde onverschrokken terug. Haar gezicht verstrakte en ze was vastbesloten om zich staande te houden. Als hij ruzie wilde maken, dan kon hij het krijgen. Maar in het gezelschap van de twee kinderen en een bijna catatonische vrouw kon hij niets anders doen dan zich gewonnen geven.
“Natuurlijk,” zei hij uiteindelijk, knarsetandend.
Mackenzie wachtte even tot Porter en Dalton de keuken binnen liepen.
Mackenzie stond op. Ze wist dat de tactiek om op ooghoogte met kinderen te praten niet meer werkte bij kinderen van rond de twaalf jaar en ouder..
Ze keek naar Kevin en zag dat de uitdagende houding die hij Porter had getoond er nog steeds was. Mackenzie had niets tegen tieners, maar ze wist wel dat ze vaak moeilijk waren om mee te werken - vooral in tragische omstandigheden. Maar ze had gezien hoe Kevin op Porter had gereageerd en dacht dat ze misschien wist hoe ze hem kon bereiken.
“Kevin, ik wil even met je praten” zei ze. “Heb je misschien het gevoel dat we te snel hier zijn? Vind je het naar dat wij hier zijn om vragen te stellen zo snel nadat je het nieuws over je moeder hebt ontvangen?”
“Soort van,” zei hij.
“Heb je gewoon geen zin om te praten nu?”
“Nee, ik vind het prima om te praten,” zei Kevin. “Maar die vent is een lul.”
Mackenzie wist dat dit haar kans was. Ze zou een professionele, formele aanpak kunnen volgen zoals ze normaal zou doen, of ze zou van deze gelegenheid gebruik kunnen maken om een band met de boze tiener op te bouwen. Tieners waarderen eerlijkheid, wist ze. Ze doorzagen alles wanneer ze door emotie werden aangedreven.
“Je hebt gelijk,” zei ze. “Hij is een lul.”
Kevin staarde haar met grote ogen aan. Een dergelijk antwoord had hij duidelijk niet verwacht.
“Maar ja, ik moet toch met hem samenwerken,” voegde ze eraan toe, haar stem vol sympathie en begrip. “Het verandert ook niets aan het feit dat we hier zijn om je te helpen. We willen degene die je moeder dit heeft aangedaan graag vinden. Jij niet?”
Het was een lange tijd stil. Toen knikte hij eindelijk terug.
“Denk je dat je nu even met me kunt praten?” vroeg Mackenzie. “Alleen een paar snelle vragen en dan gaan we weer weg.”
“En wat gebeurd daarna?” Vroeg Kevin waakzaam.
“Eerlijk antwoord?”
Kevin knikte en ze zag dat hij bijna in huilen uitbarstte. Ze vroeg zich af of hij ze al die tijd had tegengehouden in een poging sterk te zijn voor zijn broer en zijn tante.
“Nou, nadat we zijn vertrokken bellen we alle informatie die we hebben door naar het bureau en daarna zal de Sociale Dienst komen om kijken of jullie tante Jennifer voor jullie kan zorgen totdat alles voor je moeder geregeld is en er een definitieve regeling komt.”
“Meestal is ze wel cool,” zei Kevin, kijkend naar Jennifer. “Mama en haar waren heel close. Zoals beste vrienden.”
“Zo zijn zussen,” zei Mackenzie, zonder te weten of het waar was of niet. “Maar voor nu wil ik je vragen of je je op mijn vragen kunt concentreren. Kan je dat doen?”
“Ja.”
“Goed. Nu, ik haat het om je dit te vragen maar het is soort van noodzakelijk. Weet jij wat je moeder voor haar werk heeft gedaan?”
Kevin knikte terwijl hij zijn blik op de vloer richtte.
“Ja,” zei hij. “En ik weet niet hoe, maar de kinderen op school weten het ook. Iemand's geile vader ging waarschijnlijk naar de club en zag haar en herkende haar van een ouderavond of zoiets. Het is klote. Ik wordt er de hele tijd mee gepest.”
Mackenzie kon zich dat soort kwelling niet voorstellen, maar het maakte haar respect voor Hailey Lizbrook nog veel groter. Ze mocht zich dan wel 's nachts voor geld uitkleden, maar overdag was ze blijkbaar een moeder die erg bij haar kinderen betrokken was.
“Oké,” zei Mackenzie. “Dus je wist wat voor werk ze deed. Dan kun je je ook voorstellen wat voor soort mannen naar die plaatsen gaan, toch?”
Kevin knikte en Mackenzie zag de eerste traan over zijn linker wang glijden. Ze wilde haar hand uitsteken en de zijne pakken als een teken van troost, maar ze wilde hem niet afleiden.
“Ik wil dat je erover nadenkt of je moeder misschien ooit van streek of boos was over iets dat op haar werk gebeurd was. Ik wil dat je ook nadenkt over mannen die misschien ... nou ja, mannen die met haar mee naar huis zijn gegaan.”
“Ze bracht nooit iemand mee naar huis.” zei hij. “En ik zag mama bijna nooit boos of verdrietig. De enige keer dat ik haar boos zag worden, was toen ze vorig jaar met die advocaten te maken had.”
“Advocaten?” vroeg Mackenzie. “Weet je waarom ze met advocaten sprak?”
“Soort van. Ik weet dat er op een avond iets gebeurde op het werk en daarom moest ze met een paar advocaten praten. Ik hoorde stukjes en beetjes van het gesprek toen ze aan de telefoon was. Ik ben er vrij zeker van dat ze over een straatverbod sprak.”
“En jij denkt dat dit te maken had met waar ze werkte?”
“Ik weet het niet zeker,” zei Kevin. Hij leek een beetje op te knappen toen hij het gevoel kreeg dat hij iets had gezegd dat zou kunnen helpen. “Maar dat denk ik.”
“Dat zal ons zeker verder helpen, Kevin,” zei Mackenzie. “Is er nog iets anders dat je kunt bedenken?”
Hij schudde langzaam zijn hoofd en keek daarna Mackenzie recht in haar ogen. Hij probeerde sterk te blijven maar er was zoveel verdriet in de ogen van de jongen dat Mackenzie geen idee had waarom hij nog niet was ingestort.
“Mama schaamde zich ervoor, weet je?” zei Kevin. “Ze werkte overdag wat thuis. Ze was een soort van technische schrijfster, die websites maakte en zo. Maar ik denk niet dat ze er veel geld mee verdiende. Ze deed het andere om meer geld te verdienen, omdat onze vader ... nou, ze zijn lang geleden uit elkaar gegaan. Hij stuurt nooit meer geld. Dus mam ... ze moest deze andere baan wel nemen. Ze deed het voor mij en Dalton en ... “
“Ik weet het,” zei Mackenzie, en deze keer reikte ze naar hem uit. Ze legde haar hand op zijn schouder en hij leek dit te waarderen. Ze zag ook dat hij heel graag wilde huilen, maar dat hij dat waarschijnlijk niet zou toelaten omdat er vreemden bij waren.
“Rechercheur Porter,” zei Mackenzie, Hij verscheen in de deuropening van de keuken en staarde haar aan. “Heb jij nog vragen?” Terwijl ze dit vroeg schudde ze subtiel haar hoofd, in de hoop dat hij de hint zou begrijpen.
“Nee, ik denk dat we hier wel klaar zijn,” zei Porter.
“Oké,”zei Mackenzie. “Nogmaals jongens, heel erg bedankt voor jullie tijd.”
“Ja, bedankt,” zei Porter en liep naar Mackenzie in de woonkamer. “Jennifer, je hebt de mijn nummer dus als je iets kunt bedenken dat ons kan helpen, aarzel dan niet om te bellen. Zelfs het kleinste detail kan nuttig zijn.”
Jennifer knikte en antwoordde schor: “Bedankt.”
Mackenzie en Porter verlieten het pand en liepen de houten trap af die naar de parkeerplaats van het appartementencomplex leidde. Toen ze zich op een veilige afstand van het appartement bevonden, ging Mackenzie dichter bij Porter lopen. Ze voelde de immense woede als hitte van hem afkomen, maar negeerde het.
“Ik heb iets ontdekt wat ons kan helpen,” zei ze. “Kevin zegt dat zijn moeder vorig jaar bezig was een straatverbod aan te vragen tegen iemand van haar werk. Hij zei dat het de enige keer was dat hij haar ooit zichtbaar boos of overstuur had gezien over iets.”
“Goed,” zei Porter. “Dat betekent dat er iets goeds kwam nadat mij ondermijnde.”
“Ik heb je niet ondermijnd,” zei Mackenzie. “Ik zag de situatie tussen jou en de oudste zoon verslechteren, dus ik stapte gewoon in om het op te lossen.”
“Onzin,” zei Porter. “Je maakte me belachelijk voor die kinderen en hun tante.”
“Dat is niet waar,” zei Mackenzie. “En zelfs al was dat zo, wat maakt het uit? Je sprak met die kinderen alsof het idioten waren die de Engelse taal nauwelijks konden verstaan.”
“Je acties waren een duidelijk teken van respectloosheid,” zei Porter. “Laat me je eraan herinneren dat ik dit werk al langer doe dan dat jij op deze aarde rondloopt. Als ik je hulp nodig heb zal ik het je verdomme wel vragen.”
“Je had het gesprek al beëindigd, Porter,” antwoordde ze. “Het was al afgelopen, weet je nog? Er viel niets meer te ondermijnen. Je was al bijna de deur uit. Dat waren jouw woorden. En het was een verkeerde beslissing.”
Ze hadden de auto bereikt en toen Porter hem ontgrendelde, keek hij over het dak, zijn ogen brandend in die van Mackenzie.
“Als we terugkomen op het bureau ga ik naar Nelson en dien ik een verzoek in tot overplaatsing. Ik ben helemaal klaar met dit gebrek aan respect.
“Disrespect,” zei Mackenzie, haar hoofd schuddend. “Je weet niet eens wat dat woord betekent. Waarom begin je niet eens met je af te vragen waarom je me zo behandelt.”
Porter slaakte een vermoeide zucht en stapte in de auto, zonder nog iets te zeggen.
Mackenzie besloot om de gespannen stemming van Porter te negeren en stapte ook in.
Ze keek achterom naar het appartement en vroeg zich af of Kevin zichzelf had toegestaan te huilen. Gelet op de omstandigheden leek de gespannen situatie tussen haar en Porter ineens niet meer zo belangrijk.
“Wil jij het melden?” vroeg Porter pissig omdat hij op zijn nummer was gezet.
“Ja,” zei ze, en pakte haar telefoon. Terwijl ze het nummer van Nelson zocht, kon ze niet ontkennen dat een gevoel van tevredenheid in haar omhoog kwam. Een jaar geleden was er een straatverbod aangevraagd en nu was Hailey Lizbrook dood.
We hebben de klootzak, dacht ze.
Maar tegelijkertijd vroeg ze zich ook af of de oplossing van deze zaak echt zo simpel en gemakkelijk zou zijn.
HOOFDSTUK ZES
Mackenzie kwam uiteindelijk om 10:45 uur uitgeput thuis. De dag was lang en vermoeiend geweest, maar ze wist dat ze een nog hele tijd niet zou kunnen slapen. Haar geest was te gefocust op het nieuwe aanknopingspunt dat Kevin Lizbrook had gegegeven.
Ze had de informatie aan Nelson doorgegeven en hij had haar verzekerd dat hij iemand opdracht zou geven om de stripclub te bellen en zou laten uitzoeken met welk advocatenkantoor Hailey Lizbrook had samengewerkt om een straatverbod aan te vragen.
Haar gedachten schoten koortsachtig alle kanten op. Mackenzie zette wat muziek op, pakte een biertje uit de koelkast en liet het bad vollopen. Ze was meestal niet dol op baden, maar vanavond voelde elke spier in haar lichaam verkrampt. Terwijl het bad vol water liep, liep ze door het huis en ruimde de rotzooi op die Zack had achtergelaten, omdat hij waarschijnlijk weer geen tijd had gehad om het op te ruimen voordat hij naar zijn werk was gegaan.
Zij en Zack waren iets meer dan een jaar geleden samen gaan wonen en probeerden alle mogelijke stappen in hun relatie te zetten om een huwelijk zo lang mogelijk uit te stellen. Mackenzie voelde dat ze klaar was om te trouwen, maar Zack leek er doodsbang voor te zijn. Ze waren nu drie jaar samen en hoewel de eerste twee jaar geweldig waren geweest, was het laatste deel van hun relatie gebaseerd op monotonie en Zack's angst om alleen te zijn en om te trouwen. Als hij tussen deze twee uitersten zou kunnen blijven, met Mackenzie als maatje, zou hij dik tevreden zijn.
Maar toen ze twee vuile borden van de salontafel pakte en over een Xbox-schijf op de vloer stapte, vroeg Mackenzie zich af of ze misschien klaar was met het fungeren als maatje tussen huwelijk en eenzaamheid. Sterker nog, als hij haar morgen ten huwelijk zou vragen, wist ze niet eens zeker of ze wel “ja” zou zeggen. Ze kende hem te goed; ze kon zich een goede voorstelling maken van hoe het zou zijn om met hem getrouwd te zijn en, eerlijk gezegd, het was niet veelbelovend.
Ze zat vast in een doodlopende relatie, met een partner die haar niet op prijs stelde. Op dezelfde manier, besefte ze, zat ze vast in een baan met collega's die haar niet op prijs stelden. Haar hele leven zat vast. Ze wist dat er iets moest veranderen, maar ze zag er als een berg tegenop. En gezien haar niveau van uitputting, had ze er gewoon de kracht niet voor.
Mackenzie trok zich terug in de badkamer en draaide de kraan dicht. De stoom van het hete water steeg uitnodigend omhoog. Ze kleedde zich uit en keek naar zichzelf in de spiegel. Ze werd zich nog meer bewust van het feit dat ze acht jaar van haar leven had verspild met een man die niet echt van plan was om de rest van zijn leven met haar te delen. Ze voelde dat ze op een simpele manier aantrekkelijk was. Haar gezicht was mooi (misschien iets mooier wanneer ze haar haar in een paardenstaart droeg) en ze had een goed figuur, alhoewel ze een beetje dun was en erg gespierd. Haar buik was plat en hard; zo strak dat Zack soms grapjes maakte dat haar buikspieren redelijk intimiderend waren.
Ze gleed in het bad, het bier stond op de kleine handdoek tafel naast haar. Ze ademde diep uit en liet het hete water zijn werk doen. Ze sloot haar ogen en ontspande zich zo goed als ze kon, maar het beeld van de ogen van Kevin Lizbrook kon ze niet van zich afschudden. De hoeveelheid verdriet die hierin zichtbaar was geweest, was bijna ondraaglijk en sprak over een pijn die Mackenzie ooit zelf had gekend, maar welke ze ver weg had weten te stoppen. Ze hield haar ogen gesloten en dommelde wat, maar het beeld bleef maar door haar hoofd spoken.
Ze voelde een haast tastbare aanwezigheid, alsof Hailey Lizbrook bij haar in de badkamer was en haar aanspoorde om haar moord op te lossen.
*
Zack kwam een uur later thuis, net klaar met een twaalf uurs dienst bij de plaatselijke textielfabriek. Elke keer dat Mackenzie de geuren van vuil, zweet en vet aan hem rook, herinnerde het haar aan hoe weinig ambitie Zack had. Mackenzie had geen probleem met het werk op zich; het was een respectabele taak voor mannen die waren gebouwd voor lichamelijk en redelijk eentonig werk. Maar Zack had een goed diploma op zak en was van plan geweest om zich te laten in te schrijven bij een Universiteit om leraar te worden. Dat plan was vijf jaar geleden gemaakt maar ondertussen werkte hij nog steeds als ploegmanager bij de textielfabriek.
Tegen de tijd dat Zack thuis arriveerde, lag Mackenzie al op bed. Ze zat een boek te lezen en dronk haar tweede biertje. Ze was van plan om rond een uur of drie in slaap te vallen, vijf uur lang stevig te slapen, en dan de volgende ochtend om negen uur weer aan het werk te gaan. Ze had nooit veel belang gehecht aan slapen en had ontdekt dat ze als ze 's nachts meer dan zes uur sliep, de volgende dag moe en uit haar ritme was.
Zack kwam in zijn groezelige werkkleding de slaapkamer binnen. Aan de rand van het bed schopte hij zijn schoenen uit en keek naar haar. Ze droeg een tanktop en een strakke dames short.
“Hé schatje,” zei hij, zijn ogen gleden hongerig over haar lichaam. “Dit is nog eens leuk thuiskomen!”
“Hoe was je dag?” vroeg ze zonder op te kijken uit haar boek.
“Het was wel oké,” zei hij. “Maar nu ik thuis ben en jou zo zie is het ineens een stuk beter!” Hij liet zich op bed vallen en kroop naar haar toe. Zijn hand ging naar de zijkant van haar gezicht terwijl hij zich voorover boog om haar te kussen.
Ze liet haar boek vallen en draaide zich abrupt weg. “Zack, ben je gek geworden?” vroeg ze.
“Hoezo?” zei hij verstrooid.
“Je bent vies. En behalve dat ik zojuist een bad heb genomen, maak je ook nog eens de lakens vuil en vet en God alleen weet wat er nog meer op de lakens zal afgeven.”
“Jezus!” zei Zack geërgerd. Hij rolde van het bed en raakte doelbewust zoveel mogelijk van de lakens aan. “Waarom ben je toch zo een stijve trut?”
“Ik ben geen stijve trut,” zei ze. “Maar ik leef liever niet in een varkensstal. Trouwens, bedankt nog dat je je eigen rommel hebt opgeruimd voordat je naar je werk ging.”
“Oh, het is zo fijn om thuis te zijn,” sneerde Zack. Grijnzend ging hij de badkamer in en trok de deur achter zich dicht.
Mackenzie zuchtte en dronk de rest van haar biertje op. Daarna keek ze de kamer rond en zag de vuile werklaarzen van Zack op de grond liggen, en daar zouden ze blijven liggen tot hij ze morgen weer aantrok. Ze wist ook dat als ze 's ochtends opstond en naar de badkamer ging om zich klaar te maken voor het werk, zijn vuile kleren op een hoopje op de vloer zouden liggen.
Helemaal klaar mee, dacht ze, terugkerend naar haar boek. Ze las nog enkele pagina's terwijl ze naar het gekletter van Zack's douche in de badkamer luisterde. Ze legde het boek opzij en liep naar de woonkamer. Ze pakte haar koffer, droeg die naar de slaapkamer en pakte het meest recente dossier inzake de moord op Lizbrook eruit, wat ze van het bureau had meegenomen voordat ze naar huis ging. Ze wilde uitrusten, zelfs al was het maar voor een paar uur, maar ze wist dat het haar toch niet zou lukken om de zaak los te laten.
Ze keek de notities door en zocht naar details die ze misschien eerder over het hoofd hadden gezien. Toen ze er zeker van was dat alles goed onderzocht was, zag ze opnieuw de met tranen gevulde ogen van Kevin, en voelde zich gedwongen om het nogmaals opnieuw te bekijken.
Mackenzie was zo geconcentreerd bezig dat ze Zack niet zag binnenkomen. Hij rook nu veel beter en zag er, met alleen een handdoek om zijn middel, ook veel beter uit.
“Sorry voor de lakens,” zei Zack bijna afwezig terwijl hij de handdoek liet vallen en een boxershort aantrok. “Ik ben ... Ik weet het niet ... Ik kan me niet herinneren wanneer je voor het laatst echt aandacht aan me hebt besteed.”
“Je bedoelt seks?” vroeg ze. Ze stelde verrast vast dat ze eigenlijk best zin had in seks. Het was misschien precies wat ze nodig had om eindelijk te ontspannen en te kunnen gaan slapen.
“Niet alleen seks,” zei Zack. “Ik bedoel elke vorm van aandacht. Ik kom thuis en je slaapt al of je bent dossiers aan het doorlezen.”
“Je bedoeld nadat ik jouw dagelijkse rommel heb opgeruimd,” zei ze. “Je doet net alsof je nog bij je moeder woont die de rotzooi achter je kont opruimt. Dus ja, soms ga ik weer aan het werk om te vergeten hoe irritant jij kunt zijn.”
“Oh, is het weer zo ver?” vroeg hij.
“Wat bedoel je?”
“Je gebruikt je werk weer als een excuus om mij te negeren.”
“Ik gebruik het niet als een excuus om jou te negeren, Zack. Maar op dit moment maak ik me meer druk over de brute moordpartij op een moeder van twee jongens, dan dat ik me druk maak of jij wel genoeg aandacht krijgt.”
“En dat is de reden,” zei Zack, “ waarom ik geen haast heb om te trouwen. Je bent al getrouwd met je werk.”
Er waren ongeveer duizend opmerkingen die ze naar hem had kunnen terug slingeren maar Mackenzie wist dat het geen zin had. Ze wist dat hij in zekere zin gelijk had. Bijna elke nacht vond ze de dossiers die ze naar huis bracht interessanter dan Zack. Ze hield ongetwijfeld nog steeds van hem, maar er was niets nieuws aan hem - niets uitdagends.
“Welterusten,” zei hij bitter terwijl hij in bed kroop.
Ze keek naar zijn blote rug en vroeg zich af of het op een bepaalde manier haar verantwoordelijkheid was om hem aandacht te geven. Zou dat haar een goede vriendin maken? Zou dat haar een betere investering maken voor een man die doodsbang was voor het huwelijk?
De impuls om seks te hebben was weer verdwenen. Mackenzie haalde haar schouders op en keek weer naar de dossiers.
Als haar persoonlijke leven op de achtergrond zou moeten verdwijnen, dan was dat zo. Dit leven, volledig gewijd aan het zoeken naar de oplossing van een moordzaak, voelde voor haar hoe dan ook veel echter.
*
Mackenzie liep de slaapkamer van haar ouders binnen maar nog voordat ze door de deuropening stapte, rook ze iets waardoor haar zeven jaar oude maag begon te protesteren. Het was een pittige geur, die haar deed denken aan de binnenkant van haar spaarvarken, een geur vergelijkbaar met die van koperen centen.
Ze stapte de kamer binnen en zag het voeteneind van het bed, het bed waar haar moeder al een jaar of zo niet in had geslapen, een bed dat veel te groot leek voor alleen haar vader.Toen zag ze hem, zijn benen bungelend over de zijkant van het bed en met uitgestrekte armen alsof hij probeerde te vliegen. Overal was bloed: op het bed, aan de muur, zelfs op het plafond. Zijn hoofd was naar rechts gedraaid, alsof hij haar niet aan wilde kijken.
Ze wist meteen dat hij dood was.
Ze liep zijn richting op, haar blote voeten stapten in de spetters bloed op de grond. Ze wilde niet dichterbij komen, maar moest wel.
“Papa,”fluisterde ze al huilend.
Ze strekte haar hand uit, doodsbang, maar aangetrokken als een magneet.
Plotseling draaide hij zich om en staarde haar aan, nog steeds dood.
Mackenzie schreeuwde.
Mackenzie opende haar ogen en keek verward de kamer rond. De dossiers lagen op haar schoot verspreid. Zack sliep naast haar met zijn rug naar haar toe gedraaid. Ze haalde diep adem en veegde het zweet van haar voorhoofd. Het was maar een droom.
Toen hoorde ze het gekraak.
Mackenzie bevroor. Ze keek naar de slaapkamerdeur en stapte langzaam uit bed. Ze had de oude vloer in de woonkamer horen kraken, een geluid dat veroorzaakt werd als iemand door de woonkamer liep. Natuurlijk had ze geslapen en was ze net wakker geworden uit een nachtmerrie, maar ze had het echt gehoord.
Of toch niet?
Ze stapte uit bed en pakte haar dienstpistool dat op het dressoir lag, naast haar insigne en haar handtasje. Ze schoof zachtjes door de deuropening en liep de gang in. De gloed van de straatlantaarns die door de jaloezieën gefilterd de woonkamer flauwtjes verlichtten, onthulde een lege ruimte.
Ze stapte de kamer binnen, het pistool in haar hand, klaar om te schieten. Haar instinct vertelde haar dat er niemand was, maar ze voelde haar hart nog steeds in haar keel kloppen. Ze wist zeker dat ze de vloerplanken had horen kraken. Ze liep naar het bewuste gedeelte van de woonkamer, vlak voor de salontafel, en hoorde hoe het onder haar voeten kraakte.
Uit het niets kwam het beeld van Hailey Lizbrook bij haar op. Ze zag de lange striemen op de rug van de vrouw en de afdrukken in de modderige grond. Ze huiverde. Ze keek vol ongeloof naar het pistool in haar handen en probeerde zich de laatste keer te herinneren dat een zaak haar zo van slag had gebracht. Waar was ze in vredesnaam mee bezig? Had ze nou echt verwacht dat de moordenaar hier in haar woonkamer was geweest en haar had willen besluipen?
Geïrriteerd liep Mackenzie terug naar de slaapkamer. Ze plaatste het pistool stilletjes terug op het dressoir en ging naar haar kant van het bed.
Nog steeds een beetje bang en met de overblijfselen van haar droom nog steeds ronddolend in haar hoofd ging Mackenzie op bed liggen. Ze sloot haar ogen en probeerde weer te slapen.
Maar ze wist dat het moeilijk zou worden. Ze werd geplaagd, wist ze, door de levenden en de doden.
HOOFDSTUK ZEVEN
Mackenzie kon zich niet herinneren dat het ooit zo chaotisch was geweest op het bureau. Het eerste wat ze zag toen ze het gebouw binnentrad, was Nancy die door de gang naar iemands kantoor snelde. Ze had Nancy nog nooit zo snel zien bewegen. Ze zag de bezorgde blikken op de gezichten van de officieren die ze op weg naar de vergaderruimte passeerde.
Het leek erop dat het een bewogen ochtend zou worden. Er hing een voelbare spanning in de lucht die haar deed denken aan de zware, beklemmende atmosfeer vlak voor een zware zomerstorm.
Ze had zelf die spanning ook al gevoeld, nog voordat ze haar huis had verlaten. Om 7.30 uur had ze het eerste telefoontje ontvangen waarin haar was medegedeeld dat ze binnen enkele uren met de nieuwe informatie aan de slag zouden gaan. Terwijl ze had liggen slapen was gebleken dat de informatie die ze uit Kevin had kunnen lospeuteren veelbelovend was. Er was een arrestatiebevel uitgegeven en er werd een plan opgesteld.
Eén ding was echter al vastgesteld: Nelson wilde dat zij en Porter de verdachte binnen zouden brengen.
De tien minuten die ze op het bureau doorbracht waren hectisch. Terwijl ze een kopje koffie inschonk, blafte Nelson bevelen naar iedereen. Porter zat plechtig op een stoel aan de vergadertafel. Porter zag eruit als een pruilend kind dat alles deed om de aandacht te krijgen. Ze wist dat het feit dat dit nieuwe aanknopingspunt afkomstig was van een getuigenverhoor dat Mackenzie had afgenomen bij een jongen voor wie hij weinig tijd had gehad, aan hem moest vreten.
Mackenzie en Porter kregen de leiding en twee andere auto's zouden achter hen aan rijden om assistentie te verlenen indien dat nodig zou zijn. Het was de vierde keer in haar carrière dat ze de opdracht had gekregen om iemand op te pikken met een arrestatiebevel. De adrenalinestoot werd er niet minder om. Ondanks dat er een golf van energie door haar lichaam stroomde, bleef Mackenzie kalm en bedaard. Ze liep in alle rust en vol vertrouwen de vergaderzaal uit en begon het gevoel te krijgen dat dit nu haar zaak was, hoe graag Porter ook wilde dat het zijn zaak was.
Op weg naar buiten liep Nelson haar richting uit en nam haar zachtjes bij de arm.
“White, ik wil even met je praten, oké?”
Hij nam haar apart en nog voordat ze had kunnen antwoorden leidde hij haar naar de kopieerkamer. Hij keek samenzweerderig om zich heen om er zeker van te zijn dat niemand binnen gehoorafstand was. Toen hij zeker wist dat ze alleen waren, keek hij haar aan op een manier waardoor ze zich afvroeg of ze iets verkeerd had gedaan.
“Luister,” zei Nelson, “Porter kwam gisteravond naar me toe en vroeg of hij op een andere zaak kon worden gezet. Ik heb dat direct geweigerd. Ik heb hem ook gezegd dat het stom zou zijn om nu uit deze zaak te stappen. Weet jij waarom hij van deze zaak af wil?”
“Hij denkt dat ik gisteravond zijn gezag heb ondermijnt ,” zei Mackenzie. “Maar het was duidelijk dat de kinderen niet goed op hem reageerden en hij probeerde niet voldoende om ze te bereiken.”
"Oh, je hoeft het me niet uit te leggen,” zei Nelson. “Ik denk dat je het verdomd goed hebt gedaan met dat oudste kind. De jongen vertelde zelfs enkele van de andere jongens die kwamen opdagen - inclusief de jongens van de Sociale Dienst - dat hij je echt aardig vond. Ik wilde je alleen laten weten dat Porter vandaag in een rothumeur is. Laat me weten als hij je shit geeft. Maar ik denk niet dat hij dat zal doen. Hoewel hij geen grote fan van je is, heeft hij me wel verteld dat hij je ontzettend respecteert. Maar dat blijft tussen jou en mij. Begrepen?”
“Ja, mijnheer,” zei Mackenzie, verrast door de plotselinge steun en aanmoediging.
“Goed dan,” zei Nelson en gaf haar een zacht schouderklopje. “Ga nu onze verdachte halen.”
Met die informatie begaf Mackenzie zich naar de parkeerplaats. Porter zat al achter het stuur van hun auto. Terwijl ze zich naar de auto haastte, keek hij haar aan met een blik in zijn ogen waarin duidelijk Waarom duurde dat verdomme zo lang? kon worden gelezen. Op het moment dat ze de auto instapte, startte Porter de auto en nog voordat Mackenzie de kans kreeg het portier te sluiten, reden ze al de parkeerplaats af.
“Ik neem aan dat je vanmorgen het volledige rapport over onze verdachte hebt gelezen?” vroeg Porter terwijl hij de snelweg opdraaide. De twee andere auto's volgden, met daarin Nelson en vier andere officieren, om back-up te verlenen indien dat nodig zou zijn.
“Dat heb ik,” zei Mackenzie. “Clive Traylor, een eenenveertigjarige geregistreerde zedendelinquent. In 2006 zes maanden in de gevangenis doorgebracht wegens mishandeling van een vrouw. Hij werkt momenteel bij een plaatselijke apotheek, maar hij doet ook timmerwerkzaamheden in een kleine schuur naast zijn huis.”
“Ah, je hebt vast de laatste memo gemist die Nancy heeft gestuurd,” zei Porter.
“Echt?” Vroeg ze. “Wat heb ik gemist?”
“De klootzak heeft verschillende houten palen achter zijn schuur liggen. Intel zegt dat ze ongeveer even groot zijn als die we in dat maïsveld hebben aangetroffen.”
Mackenzie scrolde door haar e-mails op haar telefoon en zag dat Nancy de memo minder dan tien minuten geleden had verstuurd.
“Klinkt als onze man,” zei ze.
“Absoluut zeker ja,” zei Porter. Hij sprak als een robot, alsof hij geprogrammeerd was om bepaalde dingen te zeggen. Hij keek haar geen enkele keer aan. Het was duidelijk dat hij boos was, maar dat kon Mackenzie maar weinig schelen. Zolang hij die boosheid en koppigheid zou inzetten om de verdachte in hechtenis te nemen, kon het haar niets schelen.
“Ik wil het even over die spreekwoordelijke olifant in de auto hebben.” zei Porter. “Ik was behoorlijk pissig toen je me zo te kak had gezet gisteravond. Maar ik kan niet ontkennen dat je een wonder hebt verricht met je gesprek met dat kind. Je bent scherper dan ik had gedacht. Dat geef ik toe. Maar het gebrek aan respect ... “
Hij maakte zijn zin niet af, alsof hij niet zeker wist hoe hij deze zin moest afmaken. Mackenzie antwoordde niet. Ze keek gewoon vooruit en probeerde het feit te verteren dat ze in de afgelopen vijftien minuten zowaar twee bijna-complimentjes had ontvangen uit twee zeer onwaarschijnlijke hoeken.
Ze voelde plotseling dat dit wel eens een hele goede dag kon worden. Hopelijk zouden ze tegen het einde van de dag de man in arrest hebben die verantwoordelijk was voor de dood van Hailey Lizbrook en verschillende andere onopgeloste moorden in de afgelopen twintig jaar. Als dat de beloning was, zou ze de boze bui van Porter absoluut voor lief nemen.
*
Terwijl Porter de afgelegen buitenwijken van Omaha binnenreed, keek Mackenzie door het raam naar buiten. Ze voelde zich depressief worden toen ze de buurten voor haar ogen zag veranderen. Welvarende middenstandswoningen maakten plaats voor goedkope huurcomplexen die daarna langzaam maar zeker veranderden in hopeloze achterstandswijken.
Al snel bereikten ze de buurt waar Clive Traylor woonde. De tuinen van de sociale woningen bestemd voor de lagere inkomens, bestonden voornamelijk uit dood gras en aan het begin van de tuinpaadjes stonden scheve, gammele brievenbussen. De rijen huizen leken eindeloos, het ene huis zag er nog minder verzorgd uit dan de andere. Ze wist niet wat het meest deprimerend was; de verwaarloosde staat van deze buurt of de oorverdovende eentonigheid.
Het blok van Clive zag er verlaten uit en toen ze de weg ernaartoe opdraaide, voelde Mackenzie de vertrouwde adrenaline door haar lichaam stromen. Ze ging onwillekeurig rechtop zitten en maakte zich klaar om een moordenaar te confronteren en te arresteren.
Volgens het surveillance team dat sinds 3 uur ‘s ochtends het pand in de gaten had gehouden was Traylor nog steeds thuis. Hij zou pas om één uur op zijn werk hoeven te zijn.
Porter reed langzaam verder de straat in en parkeerde recht voor het huis van Traylor. Toen keek hij voor de eerste keer die ochtend op naar Mackenzie. Hij zag er een beetje gespannen uit. Ze realiseerde zich dat zij er hoogstwaarschijnlijk hetzelfde uitzag. Ondanks hun verschillende karakters en botsingen, voelde Mackenzie zich nog steeds veilig bij hem en vertrouwde op hem bij potentieel gevaar. Seksist of niet, de man had een doorgewinterde staat van dienst en wist meestal precies waarmee hij bezit was.
“Ben je klaar?” vroeg Porter haar.
Ze knikte en greep de microfoon van de dashboard radio.
“Dit is White,” zei ze in de microfoon. “We zijn klaar en wachten op uw teken om naar binnen te gaan.”
“Go”, kwam het eenvoudige antwoord van Nelson.
Mackenzie en Porter stapten langzaam uit de auto om Traylor geen reden tot alarm te geven als hij toevallig uit het raam zou kijken en de twee vreemden zijn gazon op zag lopen. Porter nam de leiding terwijl ze de gammele trap op liepen. De veranda was bedekt met afgebladderde witte verf en lijken van talloze dode insecten. Mackenzie voelde de spanning in haar lichaam groeien. Wat zou ze doen als ze het gezicht van de man zag die die vrouwen had vermoord?
Porter trok de smalle hordeur open en klopte op de voordeur.
Mackenzie stond met een bonzend hart naast hem te wachten. Ze voelde dat haar handpalmen langzaam nat werden van het zweet.
Na een paar seconden hoorde ze voetstappen naderen. Er klonk een klik van het opendraaien van het slot en de deur opende op een kier. Clive Traylor keek hun aan. Hij zag er verward uit - en daarna erg gealarmeerd.
“Kan ik u helpen?” vroeg Traylor.
“Mijnheer Traylor,” zei Porter, “ik ben detective Porter en dit is detective White. Als u een momentje hebt, willen we graag met u praten.”
“Met betrekking tot wat?” vroeg Traylor direct op zijn hoede.
“Over een misdaad die twee nachten geleden werd gepleegd”, zei Porter. “We hebben slechts een paar vragen en zolang u eerlijk antwoordt, bent u binnen vijf tot tien minuten weer van ons af.”
Traylor leek dit even te overwegen. Mackenzie was er vrij zeker van dat ze de gedachtegang die door zijn hoofd schoot kon volgen. Hij was een geregistreerd zedendelinquent en elk verzet om de politie te helpen wanneer ze daarom vroegen zou verdacht zijn, en misschien zelfs leiden tot verder onderzoek naar de huidige activiteiten van Traylor.
En dat was het laatste wat een man als Clive Traylor wilde.
“Ja, kom binnen,” zei Traylor tenslotte, duidelijk niet blij met de situatie. Toch deed hij de deur open en leidde hen een huis binnen dat eruitzag als een slaapzaal voor studenten. De vloer was bezaaid met boeken, lege bierblikjes en stukken kleding. Het rook alsof Traylor nog niet zo lang geleden iets op het fornuis had laten aanbranden.
Hij ging hen voor naar de kleine woonkamer. Mackenzie nam alles goed in zich op en analyseerde alles met hoge snelheid om vast te stellen of dit het huis van een moordenaar was. Er lagen nog meer kleren op de bank, en de salontafel was bezaaid met vuile vaat en een laptop. Toen Mackenzie deze wanorde zag, realiseerde ze zich dat de leefgewoonten van Zack misschien toch niet zo slecht waren als ze had gedacht. Traylor vroeg hen niet om plaats te nemen - Dat was prima, want Mackenzie wilde in dit huis absoluut nergens op zitten.
“Bedankt voor je tijd,” zei Porter. “Zoals ik al zei, er is twee dagen geleden een misdrijf gepleegd, een moord. We zijn hier omdat je een nogal bewogen verleden hebt met het slachtoffer.”
“Wie was het dan?” vroeg Traylor.
Mackenzie hield hem nauwlettend in de gaten, bestudeerde zijn gezichtsuitdrukkingen en houding, in de hoop dat ze daar enkele aanwijzingen in zou vinden. Tot dusverre kon ze alleen maar zeggen dat hij zeker niet op zijn gemak was met de aanwezigheid van politie in zijn huis.
“Een vrouw genaamd Hailey Lizbrook.”
Traylor leek hier even over na te denken en schudde toen zijn hoofd.
“Ik ken niemand met die naam.”
“Weet je het zeker?” vroeg Porter. “We hebben bewijs dat ze vorig jaar een straatverbod tegen je heeft aangevraagd.”
Hij begon te beseffen wie het was en rolde met zijn ogen.
“Oh, die. Ik heb haar naam nooit geweten.”
“Maar je wist wel waar ze woonde?” vroeg Mackenzie.
“Ja, dat wist ik,” zei Traylor. “Ik ben haar een paar keer naar huis gevolgd vanaf The Runway. Daarna kwamen er een paar politieagenten naar mijn huis om daarover met mij praten. Maar ik heb me aan dat straatverbod gehouden. Ik zweer het.”
“Dus je ontkent niet dat je haar ooit hebt gestalkt?” vroeg Porter.
Mackenzie zag de schaamte over Traylors gezicht kruipen en haar hart zonk in haar schoenen. Ze was er bijna zeker van dat dit niet hun man was.
“Nee. Dat geef ik toe. Maar na dat straatverbod ben ik daar weggebleven. Ik ben zelfs niet meer naar die stripclub gegaan.”
“Oké,” zei Porter. “Kun je me vertellen waar je twee nachten geleden was?”
“Nou, ik heb tot negen uur gewerkt en daarna ben ik naar huis gegaan. Ik heb wat tv gekeken en ben rond middernacht naar bed gegaan.”
“Heb je daar een bewijs van?” vroeg Porter.
Traylor keek verbaasd en probeerde een passend antwoord te bedenken. “Verdorie, ik weet het niet. Ik heb online ingelogd op mijn bankrekening. Kun je dat gebruiken?”
“Dat is mogelijk,” zei Porter, wijzend naar de laptop op de salontafel. “Laat maar zien.”
Traylor begon ongerust te raken. Hij liep langzaam naar de computer, maar aarzelde toen. “Dat is,uhh, dat is een inbreuk op mijn Privacy. Kom maar terug met een bevelschrift en ik zal ... “
“Dit is niet mijn eerste rodeo,” zei Porter. “We hebben meer officieren buiten paraat staan en die kunnen hier binnen dertig seconden zijn. We hebben al een bevelschrift. Dus maak dit zo eenvoudig mogelijk en laat me je browsegeschiedenis zien.”
Traylor begon zichtbaar te zweten. Mackenzie was er vrij zeker van dat hij niet de moordenaar was, maar hij verborg absoluut iets.
“Wat is het probleem?” vroeg Mackenzie.
“Je moet die informatie maar rechtstreeks bij mijn bank opvragen. “zei hij.
“Waarom?”
“Omdat er niets van mijn browsegeschiedenis op deze computer staat.”
Porter deed een stap naar voren en herhaalde zijn eerdere commando. “Laat maar eens kijken dan.”
Mackenzie en Porter stonden naast Traylor, ieder aan een kant. Mackenzie keek nauwlettend toe en zag dat Traylor vliegensvlug zijn browser wegklikte. Toch had Mackenzie zijn startscherm gezien en ze was er vrij zeker van dat ze genoeg gezien had.
Toen hij Porter liet zien dat zijn zoekgeschiedenis verwijderd was liep ze weg van Traylor. Ze luisterde hoe hij Porter uitlegde dat hij altijd zijn browsegeschiedenis weggooide om zich te ontdoen van cookies en andere rommel in zijn cache. Ze liet Porter dit eeuwenoude excuus met hem bespreken terwijl ze een blik in de gang wierp. Er hingen geen foto's aan de muren en er lag rommel op de vloer. Tussen de rommel zag ze een lege doos staan die bij haar argwaan opwekte en een alarmbel deed afgaan.
Mackenzie liep terug naar de woonkamer waar het gesprek tussen Porter en Traylor steeds meer verhit werd.
“Neem me niet kwalijk,” zei ze terwijl ze het gesprek onderbrak. “Mijnheer Traylor, ik geloof u wel. Ik ben er vrij zeker van dat u niets met de moord op Hailey Lizbrook te maken heeft. Maar u moet weten dat er verschillende factoren zijn die niet in uw voordeel spreken, zoals bijvoorbeeld de palen achter de schuur. Maar ik denk niet dat u iemand heeft vermoord.”
“Bedankt,” spuugde hij sarcastisch.
“White,” zei Porter, “wat ben je …”
“Maar ik heb uw medewerking nodig. U moet ons vertellen in welke andere ongepaste dingen u betrokken bent geweest.”
Traylor keek verrast, bijna beledigd. “Niets,” zei hij. “Ik weet dat mijn strafblad niet fantastisch is. Zodra je als zedendelinquent bent geregistreerd wordt je leven nooit meer zoals het was. Mensen kijken anders naar je en ... “
“Spaar ons, alsjeblieft,” zei Mackenzie. “Weet je zeker dat je nergens bij betrokken bent geweest?”
“Ik zweer het.”
Mackenzie knikte en keek toen met een dunne glimlach op haar mond naar Porter.
“Detective Porter, wilt u hem boeien of zal ik het doen?”
Voordat hij kon antwoorden zette Traylor zich in beweging. Hij botste tegen Mackenzie, in een poging haar omver te lopen en zich een weg te banen naar de hal. Hij had echter duidelijk niet verwacht dat ze zo sterk zou zijn. Ze zette zich schrap en bleef staan terwijl Traylor met kracht tegen haar aan botste. Hij leek hierdoor danig in de war gebracht.
“Shit,” mompelde Porter, zoekend naar zijn dienstpistool.
Terwijl hij naar zijn pistool zocht probeerde Traylor Mackenzie te passeren. Ze plantte haar elleboog hard in Traylors borst. Hij kreunde en wierp haar een verbaasde blik toe. Hij begon te wankelen maar nog voordat hij door zijn knieën ging, greep Mackenzie hem bij de achterkant van zijn nek en smeet hem tegen de vloer.
Traylor schreeuwde het uit toen Mackenzie een knie in zijn rug plantte en haar handboeien tevoorschijn haalde alsof het een goocheltruc was.
“Laat maar” zei Mackenzie al kijkend naar Porter. “Ik doe het wel.”
Met deze woorden sloeg ze de boeien om Traylors polsen dicht. Porter stond als aan de grond genageld, zijn hand nog steeds bevroren op zijn heup waar zijn pistool nog steeds in het holster zat.
*
Mackenzie keek naar de plastic zak en voelde zich ziek worden bij de gedachte van wat er hoogstwaarschijnlijk op de USB-drives stond. Er waren er in totaal elf. Uit het verhoor bleek dat Traylor met alle geweld deze USB's had willen bemachtigen toen hij de fout had gemaakt om te proberen Mackenzie te passeren.
“Godallemachtig,” zei Nelson, een beetje te blij toen Clive Traylor achter in het arrestatiebusje werd geplaatst. “Het is niet de arrestatie die ik voor ogen had, maar ik zal er zeker niet om treuren.”
Iets minder dan een uur was verstreken sinds Traylor had ontkend betrokken te zijn bij iets illegaals. In dat uur was zijn laptop in beslag genomen en zijn browsegeschiedenis teruggevonden. Er waren ook verschillende USB-drives in het huis gevonden, vol met foto's en video's. Met wat er op zijn computer werd gevonden, inclusief de websites die de afgelopen twee dagen door hem werden bezocht, plus de USB-drives, bleek dat Clive Traylor in het bezit was van meer dan vijfhonderd afbeeldingen en vijfentwintig video's van kinderpornografie. Plus, hij verkocht de bestanden online. De meest recente transactie was voor een bedrag van tweehonderd dollar naar een IP-adres in Frankrijk, een transactie die door de bank van Traylor was bevestigd.
Clive Traylor was niet in de buurt van het maisveld geweest waar Hailey Lizbrook twee nachten geleden was vermoord. Op dat tijdstip was hij bezig geweest om online kinderporno te verkopen.
Toen Mackenzie het pictogram voor incognito browser software op het startscherm van Traylors computer had gezien, en in de gang de verpakking voor IP-blokkerende hardware had ontdekt had ze één en één bij elkaar op weten te tellen. Het feit dat Traylor een bekende zedendelinquent was, maakte de vergelijking des te gemakkelijker op te lossen.
Nelson stond bij Mackenzie en Porter terwijl Traylor werd afgevoerd.
“En wat we hier hebben aangetroffen is waarschijnlijk pas het topje van de ijsberg.” zei hij. “Zodra we voorbij die software kunnen komen die hij had geïnstalleerd, zullen we vermoedelijk nog veel meer vinden. Verdomd goed werk, jullie twee.”
“Bedankt, mijnheer,” zei Porter, duidelijk voor zijn beurt, aangezien de lof eigenlijk Mackenzie toekwam.
“Trouwens,” zei Nelson, nu direct naar Mackenzie kijkend, “ik heb een paar jongens de schuur laten uitchecken. Er is niks gevonden, alleen wat onafgemaakte, zelfgemaakte dingen - een boekenplank, een paar tafels, dat soort dingen. Ik heb ze ook de palen achter de schuur laten controleren en het blijkt dat ze van grenenhout zijn, hetzelfde hout als dat hij gebruikt bij de bouw van zijn projectjes. Het was dus gewoon een enorm toeval.”
“Ik wist zeker dat dit onze man was,” zei Porter.
“Nou, laat dit je niet ontmoedigen,” zei Nelson. “De dag is nog jong.”
Nelson verliet hen en ging op pad om te praten met de technische bemanning die bezig was dieper in Traylors laptop te duiken.
“Dat was scherp denken daarbinnen,” zei Porter. “Ik zou beide dingen gemist hebben; de software op zijn computer en de hardware box.”
Hij klonk depressief, bijna verdrietig.
“Bedankt,” zei Mackenzie, een beetje ongemakkelijk. Ze wilde hem vertellen hoe ze tot haar conclusies was gekomen, maar dacht dat dat hem alleen maar zou irriteren. Dus hield ze haar mond dicht, zoals altijd.
“Nou,”zei Porter, en klapte in zijn handen alsof de zaak nu volledig was opgelost. “Laten we teruggaan naar het bureau en kijken wat we nog meer te weten kunnen komen over onze moordenaar.”
Mackenzie knikte en stapte langzaam in de auto. Ze keek achterom naar het huis van Clive Traylor en de schuur in de achtertuin. Van waar ze stond kon ze de uiteinden van de palen zien. Op het eerste gezicht had dit bijgedragen aan de verdachtmaking, maar nu het iets heel anders bleek te zijn, werd ze zich bewust van het feit dat ze terug bij af waren.
Er was nog steeds een moordenaar op vrije voeten en met iedere minuut die voorbijging, gaven ze hem de kans om opnieuw toe te slaan.
HOOFDSTUK ACHT
Als kleine jongen was een van zijn favoriete bezigheden geweest om buiten op de veranda te zitten en te kijken hoe hun kat door de tuin rondsloop. Het was vooral interessant wanneer de kat op een vogel of, zoals hij ook een keer had gezien, op een eekhoorn aan het jagen was. Hij had toegekeken hoe de kat bijna een kwartier lang een vogeltje achtervolgde en ermee speelde totdat hij het eindelijk te pakken nam, de kop eraf trok en de kleine veertjes de lucht in liet dwarrelen.
Terwijl hij gadesloeg hoe de vrouw na een nacht werken thuis kwam - weer een nacht waarbij ze op een podium had gestaan om haar lichaam te verkopen - dacht hij aan de kat.
Net als de kat uit zijn jeugd, was hij aan het rondsluipen. Hij had gespeeld met het idee om haar vanaf haar werkplek mee te nemen. Maar er was een goede beveiliging en zelfs tijdens de vroege ochtend onder het vage schijnsel van de straatlantaarns was de kans om gepakt te worden te groot. In plaats daarvan had hij ervoor gekozen om op de parkeerplaats van haar appartementencomplex op haar te wachten.
Hij parkeerde direct voor de trap aan de rechterkant van het complex, want dat was de trap die ze gebruikte om naar haar appartement op de tweede verdieping te gaan. Toen de klok drie uur ‘s nachts had aangegeven was hij de trap opgelopen en had hij op de overloop tussen de eerste en tweede trap gewacht. Het was er slecht verlicht en doodstil op dit uur in de nacht. Toch had hij als dekmantel een oude mobiele telefoon meegenomen, die hij snel bij zijn oor zou houden en zou doen alsof hij met iemand een gesprek aan het voeren was wanneer iemand hem toevallig zou passeren.
Hij was haar nu twee nachten gevolgd en wist dat ze ergens tussen drie en vier uur 's nachts thuis zou komen. Bij beide gelegenheden had hij zijn auto aan de overkant van de straat geparkeerd, en had hij tussen drie en vier uur 's nachts slechts één ander persoon die trap zien gebruiken, en die was duidelijk dronken geweest.
Terwijl hij op de overloop stond zag hij haar auto stoppen. Hij keek toe terwijl ze uitstapte. Zelfs met haar normale kleding aan leek ze met haar benen te pronken. En wat had ze de hele nacht gedaan? Die benen laten zien, mannen gek gemaakt van verlangen.
Ze liep naar het trappenhuis en hij bracht de telefoon naar zijn oor. Nog een paar stappen en ze zou recht voor hem staan. Hij voelde zijn kuitspieren aanspannen, klaar om haar te bespringen, en hij dacht opnieuw aan de kat uit zijn jeugd.
Terwijl hij de zachte geluiden van haar voetstappen beneden hoorde, begon hij te doen alsof hij praatte. Hij sprak zacht maar niet op een samenzweerderige manier. Hij bedacht dat hij misschien zelfs naar haar zou glimlachen als ze voor hem stond.
En daar was ze dan. Ze kwam de hoek om en liep naar de tweede trap. Ze wierp hem een snelle blik toe, zag dat hij bezig was en er onschadelijk uitzag, en gaf hem een knikje. Hij knikte glimlachend terug.
Toen ze met de rug naar hem toe stond sloeg hij toe.
Zijn rechterhand ging in zijn jaszak en hij haalde er een doek uit die hij een paar tellen voordat hij de auto uit was gestapt in chloroform had gedrenkt. Hij sloeg zijn andere arm om haar nek en trok haar naar achteren zodat ze haar evenwicht verloor. Ze kon alleen nog een zachte kreet van verrassing uitbrengen voordat de doek tegen haar mond werd gedrukt.
Ze stribbelde tegen en probeerde te bijten en kreeg zijn pink te pakken. Ze beet zo hard dat hij ervan overtuigd was dat ze zijn vinger er volledig had afgebeten. Hij liet zijn grip maar heel even verslappen, maar dat was voor haar voldoende om zich los te worstelen en zichzelf te bevrijden uit de greep die hij met zijn linkerarm om haar nek had aangebracht.
Ze rende de trap op en jammerde. Hij wist dat dit gejammer binnen de kortste keren zou uitgroeien tot een schreeuw. Hij dook naar voren, stak zijn hand uit en greep haar bij haar zijdezachte blote been. De klap van de traptreden tegen zijn ribben benam hem alle adem, maar hij liet haar niet los en begon harder aan haar been te trekken. Met een kleine, wanhopige kreet viel ze op de grond. Er klonk een huiverende krak toen haar gezicht de trap raakte.
Ze werd slap en hij kroop meteen de trap op om het van dichtbij te kunnen zien. Ze was met de zijkant van haar hoofd tegen de trap geslagen. Verrassend genoeg was er geen bloed, maar zelfs in het zwakke licht kon hij zien dat er zich al dikke bult begon te vormen.
Met een snelle beweging stopte hij de doek in zijn zak. Hij zag dat ze hem goed in zijn pink had gebeten. Hij pakte haar vervolgens op en ontdekte dat ze zo slap als een vaatdoek was. Ze was buiten bewustzijn.
Maar hij had eerder met dit bijltje gehakt. Hij pakte haar aan dezelfde kant op waar ze met haar hoofd met de trap in aanraking was gekomen. Daarna sleepte hij haar de trap af met één arm om haar middel. Haar voeten sleurden nutteloos achter haar aan. Met zijn andere hand bracht hij de telefoon naar zijn oor, voor het geval dat ze iemand tegenkwamen terwijl hij haar naar de auto sleepte die ongeveer vijftien meter van hen was verwijderd.
Indien dat zou gebeuren, had hij zijn verhaaltje al klaar: ik weet niet wat ik je moet vertellen, man. Ze is straalbezopen en out gegaan. Dus ik dacht dat ik haar maar beter naar huis kon brengen.
Maar op dit late uur was dat beetje acteren niet nodig geweest. De trappen en de parkeerplaats waren totaal verlaten. Zonder toestanden bracht hij haar naar de auto. Hij zag niemand.
Hij startte zijn auto en reed de parkeerplaats af in oostelijke richting.
Tien minuten later, terwijl haar hoofd zachtjes tegen het passagiersraam sloeg, mompelde ze iets wat hij niet kon verstaan.
Hij stak zijn arm uit en klopte haar zachtjes op haar hand.
“Het is goed,” zei hij. “Het komt allemaal wel goed.”
HOOFDSTUK NEGEN
Mackenzie las het eindrapport over Clive Traylor door en vroeg zich af waar ze het mis had gehad toen Porter haar kantoor binnenstapte. Hij zag er sinds die ochtend nog steeds een beetje ontevreden uit. Mackenzie wist dat hij er heel zeker van was geweest dat Traylor hun man was, en hij haatte het ongelijk te hebben. Maar zijn constant prikkelbare humeur was iets waar Mackenzie al lang aan gewend was geraakt.
“Nancy zei dat je me zocht,” zei Porter.
“Ja,” zei ze. “Ik denk dat we een bezoek moeten brengen aan die stripclub waar Hailey Lizbrook werkte.”
“Waarom?”
“Om met haar baas te praten.”
“We hebben hem al aan de telefoon gesproken,” zei Porter.
“Nee, jij sprak met hem aan de telefoon,” wees Mackenzie hem terecht. “Voor wel drie hele minuten, zou ik hierbij op willen merken.”
Porter knikte langzaam. Hij liep verder het kantoor binnen en sloot de deur achter zich.
“Luister”, zei hij, “ik had het vanmorgen mis over Traylor. En je maakte indruk op me met die arrestatie. Het is duidelijk dat ik je niet genoeg respect heb getoond. Maar dat geeft je nog steeds niet het recht om zo denigrerend tegen me te praten.”
“Ik praat niet denigrerend tegen je,” zei Mackenzie. “Ik wijs er alleen maar op dat in het geval waarin onze aanknopingspunten bijna nul zijn, we alle mogelijke tips moeten nagaan.”
“En jij denkt dat deze stripclub-eigenaar misschien de moordenaar is?”
“Waarschijnlijk niet,” zei Mackenzie. “Maar ik denk dat het de moeite waard is om met hem te praten en te kijken of hij ons misschien verder kan helpen. Heb je trouwens het strafblad van die man gecontroleerd?”
”Nee,” zei Porter. De grimas op zijn gezicht maakte duidelijk dat hij het haatte dit toe te geven.
“Hij staat bekend vanwege het plegen van huiselijk geweld. Zes jaar geleden was hij ook betrokken geweest bij een zaak waarin hij vermoedelijk een zeventienjarige voor hem had werken. Ze vertelde later dat ze die baan alleen had kunnen krijgen door seksuele gunsten voor hem te verrichten. De zaak werd echter geseponeerd omdat het meisje van huis was weggelopen en niemand haar leeftijd kon bewijzen.”
Porter zuchtte. “White, weet je wanneer de laatste keer was dat ik in een stripclub binnen stapte?”
“Ik zou het liever niet weten,” zei Mackenzie. En zowaar, kreeg ze nou een echte glimlach van hem?
“ Het is lang geleden,” zei hij al rollend met zijn ogen.
“Ja maar dit is zakelijk, niet voor het plezier.”
Porter grinnikte. “Wanneer je zo oud bent als ik, vervaagt de grens tussen die twee soms. Maar kom, laten we gaan. Ik denk dat de stripclubs de afgelopen dertig jaar niet zoveel veranderd zijn.”
*
Mackenzie had stripclubs enkel in films gezien en hoewel ze dit niet aan Porter had durven vertellen, wist ze niet zeker wat ze kon verwachten. Toen ze naar binnen liepen, was het net na zes uur 's avonds. De parkeerplaats begon zich te vullen met gestresste mannen die van hun ploegendiensten kwamen. Een paar van deze mannen gaven Mackenzie een beetje te veel aandacht terwijl zij en Porter door de lobby naar de bar liepen.
Mackenzie probeerde een zelfverzekerde houding aan te nemen. De verlichting was zwak, als een permanente schemering, en de muziek was luid. Twee vrouwen bevonden zich op een catwalk-achtig podium en dansten om een paal. Ze droegen beiden slechts een dun slipje en probeerden verleidelijk op een Rob Zombie-nummer te dansen.
“En,” vroeg Mackenzie terwijl ze wachtten op de barman, “is het veranderd?”
“Niets, behalve de muziek,” zei Porter. “Deze muziek is verschrikkelijk.”
Ze moest het hem nageven; hij keek niet naar het podium. Porter was voor al bijna vijf en twintig jaar getrouwd. Toen ze zag hoe hij zich concentreerde op de rijen drankflessen achter de bar in plaats van op de topless vrouwen op het podium, steeg haar respect voor hem een beetje. Ze had nooit gedacht dat Porter het soort man was die zijn vrouw respecteerde, maar ze was blij dat ze hem hierin verkeerd had ingeschat.
De barman kwam eindelijk naar hen toe en zijn gezicht kreeg meteen een starre uitdrukking. Hoewel noch Porter noch Mackenzie een politie-uniform droegen, zag ze er door hun kleding nog steeds uit als mensen die er waren voor zaken, en waarschijnlijk geen zaken van de positieve soort.
“Kan ik u helpen?” vroeg de barman.
Kan ik u helpen? dacht Mackenzie. Hij vroeg ons niet wat hij ons te drinken kon inschenken. Hij vroeg of hij ons kon helpen. Hij heeft ons soort hier eerder gezien. Eén- nul voor de eigenaar.
“We willen graag met mijnheer Avery spreken,” zei Porter. “En ik wil graag een rum-cola.”
“Hij is momenteel druk,” zei de barman.
”Daar twijfel ik niet aan,” zei Porter. “Maar we moeten met hem praten.” Hij haalde zijn insigne uit zijn binnenzak en liet deze snel zien en stak hem terug in zijn zak alsof hij zojuist een goocheltruc had laten zien. “Maar hij moet met ons praten. Ik kan ook een paar telefoontjes plegen en het echt officieel maken. Aan hem de keuze.”
“Eén seconde,” zei de barman zonder nog een minuut te verspillen. Hij liep naar de andere kant van de bar en verdween door dubbele klapdeuren die Mackenzie deden denken aan het soort dat ze in saloons had gezien in die goedkope cowboy films.
Ze keek opnieuw naar het podium waar nu nog maar één vrouw was die danste op Van Halen's “Running with the Devil”. Er was iets aan de manier waarop de vrouw bewoog waardoor Mackenzie zich afvroeg of strippers geen eigenwaarde hadden, en daarom geen moeite hadden met het tonen van hun naakte lichaam, of dat ze echt zo zelfverzekerd waren. Ze wist dat zij dit zelf nooit zou durven. Hoewel ze in veel dingen zelfverzekerd was, was ze onzeker over haar lichaam, ondanks de vele geile blikken die ze van tijd tot tijd van willekeurige mannen ontving.
“Je ziet er een beetje misplaatst uit,” zei iemand naast haar.
Ze keek naar rechts en zag een man op haar af lopen. Ze schatte hem ongeveer dertig jaar oud, en het leek erop alsof hij al een tijdje aan de bar had gezeten. Hij had een soort glans in zijn ogen die ze herkende van de vele dronken woordenwisselingen die ze had gezien.
“Daar is een reden voor,” zei Mackenzie.
“Ik zeg het alleen maar,” zei de man. “Je ziet niet veel vrouwen op plaatsen zoals deze. En wanneer ze hier zijn, zijn ze meestal met hun echtgenoot of vriendje. En eerlijk gezegd zie ik jullie twee niet,“ zei hij al wijzend naar Porter, ”als een item.”
Mackenzie hoorde Porter grinniken om deze opmerking. Ze wist niet zeker wat haar meer irriteerde: het feit dat deze man dapper genoeg was om naast haar te komen zitten, of het genot dat Porter leek te hebben over deze situatie.
“We zijn geen item,” zei Mackenzie. “We werken samen.”
“Alleen hier voor de drankjes na het werk, hè?” vroeg hij. Hij leunde dichter bij, zo dichtbij dat Mackenzie de tequila in zijn adem kon ruiken.
“Waarom laat je me niet één drankje voor je kopen?”
“Luister,” zei Mackenzie, nog steeds zonder direct oogcontact te maken. “Ik ben niet geïnteresseerd. Dus loop gewoon door en probeer het bij iemand anders.”
De man boog zich naar voren en staarde haar even aan. “Je hoeft niet meteen zo bitcherig te doen.”
Mackenzie draaide zich uiteindelijk naar hem toe en toen ze hem recht in de ogen keek, zag ze dat dat hem verwarde. Hij kon merken dat ze serieus was, maar hij had een paar drankjes te veel gedronken en kon zichzelf blijkbaar gewoon niet helpen. Hij legde een hand op haar schouder en glimlachte naar haar.
“Het spijt me,” zei hij. “Maar wat ik eigenlijk bedoelde te zeggen, nou nee, ik meende wat ik zei. Je hoeft niet direct zo bitcherig te doen wanneer... “
“Blijf van me af,” zei Mackenzie zacht. “Laatste waarschuwing.”
“Je houdt niet van de aanraking van een mannenhand?” vroeg hij lachend. Zijn hand gleed langs haar arm, haar betastend in plaats van haar gewoon aan te raken.
“Ik denk dat je daarom hier bent, om naar naakte vrouwen te kijken, hè?”
Mackenzie's arm kwam razendsnel omhoog. De arme dronken man realiseerde zich niet wat er was gebeurd toen ze ineens haar onderarm in zijn nek duwde en hij kokhalzend van zijn barkruk viel. Toen hij op de grond viel maakte dat genoeg lawaai om een van de bewakers te alarmeren die aan de rand van de lounge hadden gestaan.
Porter stond op en stapte tussen de bewaker en Mackenzie in. Hij pakte zijn insigne en stond tot verbazing van Mackenzie bijna neus aan neus met de veel grotere bewaker. “Rustig aan, ouwe jongen,” zei Porter, zijn insigne in het gezicht van de man duwend. ”Wanneer je een spektakel wilt vermijden waarbij iemand in dit louche etablissement wordt gearresteerd, stel ik voor dat je deze zak hier eruit zet.”
De bewaker keek van Porter naar de dronken man op de vloer, nog steeds hoestend en hijgend naar lucht. De bewaker begreep de keuze die hem geboden werd en knikte.
“Natuurlijk,” zei hij, terwijl hij de dronken man overeind trok.
Mackenzie en Porter keken toe terwijl de bewaker de dronken man naar de deur begeleidde. Porter stootte Mackenzie aan en grinnikte. “Je zit echt vol verrassingen, hè?”
Mackenzie haalde alleen haar schouders op. Toen ze zich omdraaiden naar de bar, was de barman teruggekeerd. Naast hem stond een onbekende man die staarde naar Mackenzie en Porter alsof het zwerfhonden waren die hij niet vertrouwde.
“Wil je me vertellen waar dat allemaal over ging?” vroeg de man.
“Bent u meneer William Avery?” vroeg Porter.
“Ja dat ben ik.”
“Nou, meneer Avery,” zei Mackenzie, ”uw klanten moeten beter hun mond houden en
hun handjes thuis houden.”
“Waar gaat dit over?” vroeg Avery.
“Is er ergens meer privacy zodat we kunnen praten?” vroeg Porter.
“Nee. Hier is prima. Dit is de drukste tijd van de dag voor ons. Ik moet hier zijn om achter de bar te helpen.”
“Dat is waar,” zei Porter. “Ik heb vijf minuten geleden een rum-cola besteld en die heb ik nog steeds niet gekregen.”
De barman keek boos en draaide zich toen om naar de flessen achter hem. Tijdens zijn afwezigheid boog Avery zich naar voren en zei: “Als dit over Hailey Lizbrook gaat, ik heb jullie collega’s al alles verteld wat ik van haar weet.”
“Maar u heeft niet met mij gepraat,” zei Mackenzie.
“En wat zou dat?”
“Ik heb een andere benaderingstechniek dan onze collega’s, en dit is onze zaak,” zei ze, terwijl ze naar Porter knikte. “Dus ik wil dat u meer vragen beantwoordt.”
“En als ik dat niet doe?”
“Nou, als je dat niet doet,” zei Mackenzie, “ dan kan ik een vrouw interviewen met de naam Colby Barrow. Die naam klinkt bekend? Ik geloof dat ze zeventien was toen ze hier begon te werken, toch? Ze heeft de baan gekregen door orale seks met je te hebben, geloof ik. De zaak is gesloten, ik weet het. Maar ik vraag me af of ze me alsnog iets te vertellen heeft over uw zakelijke praktijken die zes jaar geleden onder het tapijt zijn geveegd. Ik vraag me af of ze me misschien kan vertellen waarom het je niet lijkt te interesseren dat een van uw dansers drie nachten geleden is vermoord.”
Avery keek haar aan met een blik alsof hij haar in het gezicht wilde slaan. Ze wenste bijna dat hij het zou proberen. Ze had de afgelopen jaren veel te veel mannen zoals hij ontmoet, mannen die niets om vrouwen gaven, totdat de gordijnen dicht gingen en ze seks nodig hadden of iets om op te slaan. Ze hield zijn blik vast en liet hem weten dat ze veel meer was dan een boksbal.
“Wat wil je weten?” vroeg hij.
Voordat ze antwoord kon geven gaf de barman Porter eindelijk zijn drankje. Porter nam er een slokje van en glimlachte bewust naar Avery en de barman.
“Waren er bezoekers die specifiek tot Hailey aangetrokken waren?” vroeg Mackenzie. “Had ze vaste bewonderaars?”
“Ze had er een of twee,” zei Avery.
“Ken je hun namen?” vroeg Porter.
“Nee. Ik let niet op de mannen die hier binnenkomen. Ze zijn net als andere mannen, weet je?”
“Maar als het erop aankwam,” zei Mackenzie, “denk je dat sommige van je andere dansers misschien weten hoe ze heetten?”
“Ik betwijfel het,” zei Avery. “En laten we eerlijk zijn: de meeste dansers vragen de naam van een man gewoon om aardig te zijn. Het maakt ze niet uit hoe ze heten. Ze proberen alleen maar betaald te krijgen.”
“Was Hailey een goede werknemer?” vroeg Mackenzie.
“Ja, dat was ze zeker. Ze was altijd bereid om extra diensten te werken. Ze hield van haar twee jongens, weet je?“
“Ja, die hebben we ontmoet,” zei Mackenzie.
Avery zuchtte en keek naar het podium. “Luister, je bent van harte welkom om met de meisjes te praten als je denkt dat het zal helpen om erachter te komen wie Hailey heeft vermoord. Maar ik kan het je niet hier laten doen, niet nu. Het zou hen van streek maken en mijn business verpesten. Maar ik kan je een lijst met hun namen en telefoonnummers geven als je dat echt nodig hebt.”
Mackenzie dacht hier even over na en schudde toen haar hoofd. “Nee, ik denk niet dat dat nodig zal zijn. Maar bedankt voor je tijd.”
Ze stond op en tikte Porter op de schouder. “We zijn klaar hier.”
“Ik nog niet,” zei hij. "Ik moet nog steeds mijn drankje opdrinken.”
Mackenzie stond om een discussie aan te gaan toen Porters telefoon ging. Hij nam op en drukte zijn vrije hand tegen zijn andere oor om het verdomde geluid van het huidige Skrillex-lied uit de speakers te blokkeren. Hij sprak kort, knikte een paar keer en hing daarna op. Hij dronk de rest van zijn drankje op en overhandigde de autosleutels aan Mackenzie.
“Wat is er?” vroeg ze.
“Het lijkt erop dat ik hier inderdaad toch klaar ben,” zei hij. Toen werd zijn gezicht ernstig. “Er is weer een moord gepleegd.”
HOOFDSTUK TIEN
Ze reden nu al iets meer dan twee en een half uur nadat ze het telefoontje in de stripclub hadden ontvangen. De schemering maakte langzaam plaats voor de nachtelijke donkerte, waardoor de depressieve stemming van Mackenzie toenam. Toen ze uiteindelijk bij de plaats delict aankwamen was de nacht al gevallen. Ze verlieten de hoofdweg en kwamen op een onverharde weg en vervolgens op een zandpad wat leidde naar een groot, open veld. Toen ze hun bestemming naderden, bekroop haar het voorgevoel dat hen iets slechts te wachten stond.
De koplampen van hun auto schenen vlak voor hun uit terwijl ze voorzichtig over het hobbelige zandpad reden. Langzaam doemden de vele politieauto's op, die al ter plaatse waren. Een paar van hen stonden met hun voorkant naar het midden van het veld gericht, en het licht van de koplampen onthulde een griezelig, maar toch vertrouwd tafereel.
Ze probeerde zich te vermannen maar toch kromp ze ineen toen ze het zag.
“Mijn God,” zei Porter.
Mackenzie parkeerde zonder haar ogen van het toneel af te wenden. Ze stapte uit de auto en liep langzaam naar voren. Het gras in het veld was hoog, op sommige plaatsen reikte het tot haar knieën, en ze kon het spoor zien dat de officieren hadden gemaakt. Er waren hier te veel officieren, ze maakte zich zorgen dat de plaats delict al besmet was.
Ze keek op en haalde diep adem. Het was een vrouw, ontdaan van haar ondergoed, vastgebonden aan een paal van ongeveer 2 meter lengte. Toen ze de vrouw zo zag hangen, moest ze ineens aan haar zus denken. Steph was ook stripper geweest. Mackenzie wist niet precies wat Steph tegenwoordig deed, maar het was heel gemakkelijk om voor te stellen dat zij ook zo zou eindigen.
Terwijl Mackenzie het slachtoffer naderde, wierp ze een blik om zich heen en telde in totaal zeven officieren. Twee officieren stonden aan de zijkant en spraken met twee tieners. Vooraan, op een paar meter afstand van de paal en het slachtoffer, sprak Nelson met iemand aan zijn telefoon. Toen hij haar zag, zwaaide hij en beëindigde snel het telefoongesprek.
“Iets nuttigs van de stripclub?” vroeg Nelson.
“Nee mijnheer,” zei Mackenzie. “Ik ben ervan overtuigd dat Avery clean is. Hij heeft de namen en nummers van al zijn werknemers aangeboden als we dat willen, maar ik denk niet dat we zijn hulp nodig hebben.”
“We hebben de hulp van iemand nodig,” zei Nelson, kijkend naar de paal met een blik alsof hij ziek zou worden.
Mackenzie naderde het dode lichaam en zag meteen dat ze er slechter aan toe was dan het lichaam van Hailey Lizbrook. Om te beginnen had de vrouw een grote bult en een blauwe plek aan de linkerkant van haar gezicht. Er zat ook gedroogd bloed in en rond haar oor. De striemen op haar rug leken met hetzelfde wapen te zijn gemaakt, alleen waren ze deze keer met meer kracht en in grotere getalen aangebracht.
“Wie heeft het lichaam ontdekt?” vroeg Porter.
“Die twee kinderen daar,” zei Nelson, wijzend naar waar één van de officieren nog steeds tegen de twee tieners sprak. “Ze gaven toe dat ze hierheen kwamen om wat wiet te roken. Ze zeggen dat ze dat sinds een maand of wat doen. Maar vanavond hebben ze dit aangetroffen.”
“Hetzelfde lichaamstype als Hailey Lizbrook,” zei Mackenzie, hardop denkend. “Ik denk dat we ervan uit kunnen gaan dat ze waarschijnlijk hetzelfde beroep had, of ongeveer hetzelfde.”
“Ik heb echt antwoorden van jullie nodig” zei Nelson. “En ik heb ze nu nodig.”
“We zijn er mee bezig,” zei Porter. “White gaat als een speer in deze zaak en …”
“Ik heb resultaten nodig,” zei Nelson, bijna woedend. “White, ik sta nu zelfs open voor wat van jou out-of-the-box denken.”
“Mag ik een zaklamp lenen?” vroeg ze.
Nelson stak zijn hand in zijn jaszak en haalde er een kleine Maglite uit die hij naar haar toe gooide. Ze ving hem op, zette hem aan en begon rond te kijken. Ze sloot zich af voor Nelson's nerveuze geklets en liet hem stoom afblazen bij Porter.
Met een dodelijke precisie die op dit soort momenten bezit van haar nam, verdween de wereld naar de achtergrond terwijl ze de locatie nauwkeurig begon te doorzoeken op aanwijzingen. Er waren meerdere sporen die er meteen uitsprongen. Ze wist bijvoorbeeld dat Nelson en de andere officieren hetzelfde gebaande pad hadden gebruikt om bij het lichaam te komen om besmetting van de plaats delict te voorkomen; buiten het verse spoor van hun auto's naar het lichaam, waren er nog verschillende andere afdrukken in het hoge gras, waarschijnlijk gemaakt door de moordenaar.
Ze liep een beetje van het pad af en bewoog de lichtstraal van haar zaklamp langzaam in het rond. Ze maakte een paar mentale aantekeningen, keek opnieuw naar de twee tieners en liep toen terug naar de paal. Ze keek naar het lichaam voor verdere aanwijzingen en overtuigde zich ervan dat dit lijk, net zoals dat van Hailey Lizbrook, geen tekenen van seksueel misbruik zou vertonen.
Ze vroeg zich af of het opzetten van de paal misschien meer was dan alleen een theatraal hulpstuk. Iets aan het geheel leek vooropgezet, bijna als een noodzakelijke voorwaarde voor de moordenaar. Even kon ze hem zien, zijn handen om de paal geklemd terwijl hij ermee aan het werk was.
Hij sleurt de paal vol trots met zich mee, misschien hijst hij hem zelfs op zijn rug. Er zit werk aan deze taak, een voorwaarde voor de moorden. Worstelen met de paal, deze naar de bewuste plek brengen, het gat graven en de paal installeren - er zit bloed, zweet en tranen in. Hij maakt de plaats gereed voor de moord. Hij schept net zoveel voldoening uit dit werk als dat van de moord doet.
“Wat zijn je gedachten, White?” vroeg Nelson terwijl hij haar om het dode lichaam zag cirkelen.
Mackenzie knipperde met haar ogen, verscheurd door het beeld van de moordenaar in haar hoofd. Ze realiseerde zich hoe diep in gedachten ze verzonken was geweest en voelde een koude rilling door haar heen gaan.
“Een paar makkelijke, direct zichtbare sporen zijn dat je het pad kunt zien waar hij de paal van de onverharde weg naar hier heeft gesleept,” zei ze.”Dat betekend dat de paal er oorspronkelijk niet was. Hij bracht deze met zich mee. En dat betekent dat hij een pick-up of een busje bestuurt.”
“Dat is wat ik ook al dacht,” zei Nelson. “Nog iets anders?”
“Nou, het is moeilijk om 's nachts zeker te zijn,” zei ze, “maar ik ben er vrij zeker van dat de moordenaar het slachtoffer in iets had gewikkeld toen hij haar hierheen bracht.”
“Waarom denk je dat?”
“Ik zie helemaal geen bloed op het gras, maar sommige wonden op haar rug - vooral die rond haar billen - zijn nog steeds behoorlijk nat.”
Terwijl Nelson dit verwerkte, ging Mackenzie op haar hurken aan de achterkant van de paal zitten en drukte met één hand het gras naar beneden. Met haar andere hand scheen ze het licht van de zaklamp op de onderkant van de paal.
Haar hart bonsde toen ze de cijfers zag: N511 / J202.
Hij gebruikt een mes of een beitel en het kost veel tijd en moeite om ervoor te zorgen dat de gravures leesbaar zijn. Deze gravures zijn belangrijk voor hem en bovendien wil hij dat ze worden gezien. Of het nu bewust of onbewust is, hij wil dat iemand erachter komt waarom hij dit doet. Hij heeft iemand nodig om zijn motieven te begrijpen.
“Chief?” zei ze.
“Ja, White?”
“Ik heb die nummers weer gevonden.”
“Shit,” zei Nelson, en liep naar haar toe. Hij keek naar beneden en slaakte een diepe zucht. “Enig idee wat ze betekenen?”
“Helemaal geen, mijnheer.”
“Oké,” zei Nelson. Hij zette zijn handen op zijn heupen en keek naar de donkere hemel als een verslagen man. "Dus we hebben hier weer een paar aanknopingspunten, maar niets dat op korte termijn in ons voordeel kan werken. Een man die een vrachtwagen of bestelwagen bestuurt en die toegang heeft tot houten palen en ... “
“Wacht,” zei Mackenzie. “even nog iets nakijken.”
Ze ging terug naar de achterkant van de paal. Ze boog zich voorover om te kijken naar de plaats waar de polsen van de vrouw met touw waren vastgebonden.
“Wat is er?” vroeg Porter, die kwam kijken.
“Heb jij verstand van knopen?” vroeg ze.
“Niet echt.”
“Ik wel,” zei Nelson, die ook kwam kijken. “Wat heb je daar?”
“Ik ben er vrij zeker van dat dit dezelfde knoop is die is gebruikt bij Hailey Lizbrook.”
“En wat als dat zo is?” zei Porter.
“Het is een beetje een ongewone knoop,” antwoordde Mackenzie. “Kan jij zo'n knoop maken? Ik niet.”
Met een doffe blik keek Porter opnieuw.
“Ik ben er vrij zeker van dat dit een zeemansknoop is”, zei Nelson.
“Dat dacht ik ook,” zei Mackenzie. “En hoewel het misschien vergezocht is zou ik overwegen dat onze moordenaar waarschijnlijk bekend is met boten. Misschien woont hij in de buurt van het water, of heeft hij ooit in de buurt van het water gewoond.”
“Rijdt een vrachtwagen of een busje, woont misschien in de buurt van water en heeft een soort van moeder complex,” zei Nelson. “Het is niet veel, maar meer dan dat we gisteren wisten.”
“En gezien de rituele aard van deze moorden,” zei Mackenzie, “en het korte tijdsbestek tussen de twee, kunnen we alleen maar aannemen dat hij het opnieuw gaat doen.”
Ze draaide zich om en keek hem zo doordringend mogelijk aan.
“Met alle respect, mijnheer, ik denk dat het tijd is dat we de FBI inschakelen.”
Hij fronste.
“White, alleen hun procedures zouden al voor vertraging zorgen. We hebben waarschijnlijk al twee nieuwe lichamen gevonden voordat ze iemand hierheen sturen.”
”Ik denk dat het het proberen waard is,” zei ze. “De zaak groeit ons boven het hoofd.”
Ze haatte dit toe te geven, maar de blik op Nelson's gezicht verried dat hij het hier mee eens was. Hij knikte plechtig en keek weer naar het lijk aan de paal. “Ik zal ze bellen,” zei hij uiteindelijk.
Achter hen hoorden ze een luide vloek van een van de andere officieren. Ze draaiden zich allemaal om om te zien wat er aan de hand was, en zagen de stuiterende gloed van koplampen over de onverharde weg naderen.
“Wie is dat in godsnaam?” vroeg Nelson. “Niemand anders zou dit moeten weten en …”
“Een nieuwsbusje,”zei de officier die de vloek had uitgesproken.
“Hoe kan dat?” zei Nelson. “Verdomme, wie verstrekt er in godsnaam informatie aan deze klootzakken?”
De lokatie zoemde plotseling van de activiteit en Nelson deed zijn uiterste best om zich voor te bereiden op de komst van een verslaggever. Hij was laaiend en zag eruit alsof zijn hoofd elk moment kon ontploffen. Mackenzie maakte van de gelegenheid gebruik om zoveel mogelijk foto's te maken: de ingedrukte sporen in het grasveld, de knoop bij de polsen van het slachtoffer, de nummers onderaan de paal.
“White, Porter, ga weg van hier en ga terug naar het bureau,” zei Nelson.
“Maar mijnheer,” zei Mackenzie, “we moeten nog steeds …”
“Doe gewoon wat ik zeg,” zei hij. “Jullie twee zijn de hoofdrolspelers in deze zaak en als de media daar lucht van krijgt, zal je ze constant achter je aan hebben en zullen ze de zaak vertragen. Ga nu hier weg.“
Het was een verstandige gedachtegang en Mackenzie deed wat haar werd gevraagd. Maar toen ze met Porter terug liep naar de auto, kwam er nog een gedachte bij haar op. Ze keerde terug naar Nelson en zei: “Mijnheer, ik denk dat we het hout moeten laten testen, op deze paal en de vorige. Neem een monster en laat het analyseren. Misschien kan het soort hout dat voor deze palen wordt gebruikt, ons ergens naartoe leiden.”
“Verdomd goed denkwerk, White,” zei hij “Nu ingerukt.”
Ze liep terug naar de auto en zag nog twee paar koplampen achter de eerste set aankomen. De eerste set koplampen behoorden toe aan een nieuwsbusje met WSQT erop geschreven. Het had zojuist geparkeerd aan de andere kant van de politieauto's. Een verslaggever en een cameraman kwamen naar buiten en Mackenzie beschouwde hen onmiddellijk als gieren die rond een nieuwe moord cirkelden.
Terwijl ze in de auto stapte en weer in de bestuurdersstoel plaats nam, stapte er nog een persoon uit het busje en deze begon onmiddellijk foto's te maken. Mackenzie zag met grote schrik dat de camera in haar richting was gericht. Ze liet haar hoofd zakken en startte de motor. Terwijl ze dat deed, zag ze dat drie officieren al in de richting van het nieuws busje stormden, Nelson in het midden. De verslaggever deed haar uiterste best om toch dichterbij te komen.
Ze vertrokken, maar Mackenzie wist dat het al te laat was.
Morgen zou haar foto op de voorpagina van alle kranten staan.
HOOFDSTUK ELF
Het leek erop dat Nelson zich had vergist in de FBI. Mackenzie kreeg om 06:35 s ochtends een telefoontje met het verzoek of ze naar het vliegveld kon rijden om een ingevlogen agent op te halen. Ze had zich moeten haasten, want de vlucht arriveerde om 8:05 am. en ze dacht beschaamd dat ze nu een eerste indruk op iemand zou maken zonder dat ze de tijd had gehad om haar haren te fatsoeneren.
Haar haren waren echter haar minste zorg, toen ze in de ongemakkelijke luchthaven stoel zat te wachten aan de gate. Gulzig dronk ze aan de kop koffie, in de hoop dat haar hoofd zou vergeten dat haar lichaam de nacht ervoor slechts vijf uur slaap had gehad. Het was haar derde kop koffie van deze ochtend, en ze wist dat ze de kriebels zou krijgen als ze niet langzamer zou drinken. Maar ze kon het zich niet veroorloven om moe en slordig over te komen.
In gedachten ging ze nog eens over alles heen, terwijl ze wachtte tot de agent uit het vliegtuig stapte en het gruwelijke tafereel van de vorige nacht weer opgerakeld zou worden. Ze kon het niet helpen, maar ze had het gevoel dat ze iets had gemist. Hopelijk kon de FBI-agent hen helpen een duidelijker beeld van de zaak te krijgen.
Nelson had haar het dossier van de agent gemaild, dat ze snel had doorgelezen terwijl ze haar ontbijt bestaande uit een banaan en een kom havermout at. Hierdoor herkende Mackenzie de agent direct toen hij vanuit de gate de aankomsthal binnen liep. Jared Ellington, eenendertig jaar oud, afgestudeerd in Georgetown met een achtergrond die een ervaring in profilering in zaken met terrorismebestrijding omvatte. Zijn zwarte haar was achterover gekamt zoals op de foto, en het kostuum dat hij droeg gaf hem het uiterlijk van iemand met een officiële taak.
Mackenzie liep naar de andere kant van de aankomsthal om hem te ontmoeten. Ze haatte het feit dat haar onverzorgde haren haar nog dwars zaten. Ze voelde zich moe en een beetje uit haar doen omdat ze zich zo had moeten haasten die ochtend. Ze had nooit echt veel waarde gehecht aan de eerste indruk en was nooit iemand geweest die zich al te veel zorgen maakte over haar uiterlijk. Dus waarom nu wel? Misschien was het omdat hij van de FBI was, het Bureau dat ze vereerde. Of misschien was het omdat ze, geheel tegen haar gewoonten in, onder de indruk was van zijn uiterlijk. Ze haatte zichzelf hiervoor, niet alleen vanwege Zack, maar vanwege de dringende en gruwelijke aard van hun werk.
“Agent Ellington,” zei ze, terwijl ze haar hand uitstak en haar stem dwong om zo professioneel mogelijk te klinken. “Ik ben Mackenzie White, een van de rechercheurs in deze zaak.”
“Fijn je te ontmoeten,” zei Ellington. “ Je chef heeft me verteld dat jij de hoofd detective in deze zaak bent. Is dat juist?”
Ze deed haar best om de schok te verbergen, maar knikte.
“Dat klopt,” zei ze. “Ik weet dat je net uit het vliegtuig bent gestapt, maar we moeten ons haasten en naar het bureau gaan.”
“Natuurlijk,” zei hij. “Ga maar voor.”
Ze leidde hem door het vliegveld naar buiten en naar de parkeerplaats. Ze waren stil tijdens de wandeling en Mackenzie nam de tijd om hem eens goed op te nemen. Hij leek een beetje ontspannen, niet stijf en star zoals de andere jongens van het Bureau die ze had ontmoet. Hij leek ook erg serieus en intens. Hij had een veel professionelere uitstraling dan de mannen met wie ze samenwerkte.
Terwijl ze de snelweg opreden, vechtend door het drukke verkeer richting de luchthaven die ochtend, begon Ellington door een reeks e-mails en documenten op zijn telefoon te bladeren.
“Vertel me, rechercheur White,” zei hij, “ naar wat voor soort persoon denk je dat we zoeken? Ik heb de aantekeningen doorgenomen die hoofdcommissaris Nelson me heeft gestuurd en ik moet zeggen dat je vrij scherp van geest lijkt.”
“Bedankt,” zei ze. Om gelijk over het compliment heen te stappen voegde ze er snel aan toe: “Wat het daderprofiel betreft, ik denk dat het voortkomt uit misbruik. Gelet op het feit dat de slachtoffers niet seksueel zijn misbruikt maar wel tot op hun ondergoed zijn uitgekleed, lijkt het erop dat deze moorden zijn gepleegd uit de behoefte om wraak te nemen op een vrouw die hem eerder in zijn leven onrecht heeft aangedaan. Dus ik denk dat het een man is die zich schaamt voor seks, of dit op zijn minst ordinair vindt.”
“Ik zie dat je religieuze contexten niet hebt uitgesloten,” zei Ellington.
“Nee nog niet. De aard van hoe hij ze ten toon stelt, toont overduidelijk gelijkenis met het kruisbeeld. Bovendien maakt het feit dat de vrouwen die hij vermoord allemaal het symbool zijn van mannelijke lust, het moeilijk om uit te sluiten.”
Hij knikte en scrolde nog steeds door zijn telefoon. Terwijl ze zich een weg baande door het verkeer wierp ze een blik in zijn richting en werd getroffen door zijn knappe uiterlijk. In het begin was het niet duidelijk, maar er was iets heel dagelijks en toch ruigs aan Ellington.
Hij zou nooit een leidende man zijn, maar zou zeker een aantrekkelijke toevoeging aan het team van de held zijn.
“Ik weet dat dit onbeleefd is,” zei hij, “maar ik probeer ervoor te zorgen dat ik goed op de hoogte ben. Zoals je waarschijnlijk weet, werd ik minder dan zes uur geleden bij deze zaak ingeschakeld. Het was vrij hectisch.”
“Nee, helemaal niet onbeleefd,” zei Mackenzie. Ze vond het verfrissend om met een man in de auto te zitten waarbij het gesprek niet bestond uit verbloemde beledigingen en seksisme.
“Vind je het erg als ik vraag wat je eerste gedachten over de moordenaar zijn?”
“Mijn grote vraag is waarom hij de lichamen überhaupt ten toon stelt," zei Ellington. “ik heb de indruk dat deze moorden niet zomaar vanwege een persoonlijke vendetta zijn gepleegd. Hij wil dat mensen zien wat hij heeft gedaan. Hij wil er een spektakel maken van deze vrouwen, wat aangeeft dat hij trots is op wat hij doet. Ik zou voorzichtig willen opperen dat hij waarschijnlijk het gevoel heeft dat hij de wereld een plezier doet.”
Mackenzie voelde een golf van opwinding toen ze het politieterrein naderden. Ellington was het tegenovergestelde van Porter en leek dezelfde benadering van profilering te hebben als zijzelf. Ze kon zich de laatste keer dat ze haar gedachten vrijelijk met een collega had kunnen delen zonder bang te zijn belachelijk te worden gemaakt of gekleineerd te worden niet herinneren
Ze kon nu al merken dat Ellington gemakkelijk was om tegen te praten, en dat hij de mening van anderen wist te waarderen. En eerlijk gezegd schaadde het ook niet dat hij leuk was om naar te kijken.
“Ik heb het gevoel dat je op de goede weg bent,” zei Ellington. “Ik denk dat we met z'n tweetjes deze kerel kunnen pakken. Kijkend naar de informatie over de knopen, het feit dat hij een busje of vrachtwagen bestuurt en blijkbaar elke keer hetzelfde wapen gebruikt, is genoeg om mee aan de slag te gaan. Ik kijk ernaar uit om met u aan deze zaak te werken, detective White.”
“Van hetzelfde” ' zei ze, terwijl ze vanuit haar ooghoek naar hem gluurde terwijl hij plichtsgetrouw e-mails op zijn telefoon bleef lezen.
Haar opwinding bleef bloeien; ze voelde een gevoel van motivatie dat ze al heel lang niet gevoeld had voor haar werk. Ze voelde zich geïnspireerd, nieuw leven ingeblazen, en dat haar leven zouden veranderen.
*
Iets meer dan een uur later keerde Mackenzie weer snel terug in de realiteit terwijl ze toekeek hoe FBI-agent Jared Ellington in de vergaderruimte voor lokale politie stond, die duidelijk van mening waren dat ze zijn hulp niet nodig hadden. Een paar die aan tafel zaten maakten aantekeningen, maar er hing een spanning in de lucht die op een ieders gezicht af te lezen was. Ze merkte, dat Nelson die aan het hoofd van de vergadertafel zat, nerveus was en niet op zijn gemak zat. Het was uiteindelijk zijn beslissing geweest om contact op te nemen met de FBI, en het was duidelijk dat hij niet zeker wist of dit de juiste keuze was geweest.
Ondertussen deed Ellington zijn best om de controle over de vergaderzaal te houden terwijl hij een kort praatje hield waarin hij hetzelfde besprak wat hij en Mackenzie hadden besproken onderweg van het vliegveld - dat ze op zoek waren naar een moordenaar die waarschijnlijk een afkeer had van seks en trots was op de moorden. Hij gaf ook een overzicht van alle aanwijzingen die ze moesten doorlopen en wat ze zouden kunnen betekenen. Pas toen hij het onderwerp van het analyseren van het hout van de palen ter sprake bracht, kreeg hij enige vorm van reactie van de agenten die verspreid aan de tafel zaten.
"Met betrekking tot de houtmonsters," zei Nelson, "daar moeten we binnen enkele uren het resultaat van binnen hebben."
“Wat heb je daar eigenlijk aan?” vroeg Porter.
Nelson keek naar Mackenzie en knikte en gaf haar toestemming om die vraag te beantwoorden. "Welnu, op basis van de resultaten kunnen we een onderzoek doen bij lokale houtkapbedrijven of fabrieken en nagaan of iemand onlangs dat bepaalde type paal heeft gekocht."
“Dat lijkt me een schot in het donker” zei een oudere agent achter in de kamer.
"Dat is het ook," zei Ellington, die snel de controle over de vergaderzaal terug nam.
“Maar een schot in het donker is beter dan helemaal geen schot. En vergis u alstublieft niet; Ik ben hier niet om volledige controle over deze zaak te nemen. Ik ben hier alleen maar als een versterking van het team, een point-man om ervoor te zorgen dat jullie volledige toegang hebben tot alle bronnen die het Bureau kan bieden. Dat omvat onderzoek, mankracht en al het andere wat nodig is om deze moordenaar op te pakken. Ik ben hier slechts tijdelijk, waarschijnlijk niet meer dan zesendertig of achtenveertig uur, en dan ben ik weer weg. Dit is jullie show, jongens. Ik ben gewoon de ingehuurde hulp.”
“Dus waar beginnen we?” vroeg een andere agent.
“Ik zal samen met hoofdcommissaris Nelson na deze briefing beslissen hoe we jullie op de beste manier gaan inzetten,” zei Ellington. “We zullen een paar van jullie op pad sturen om met de collega's van Hailey Lizbrook te praten. En als ik het goed begrijp hebben we volledige autopsie resultaten en informatie over de overledene die gisteravond is ontdekt binnen. Zodra we een positieve identificatie hebben, zullen sommigen van jullie haar familie en vrienden moeten bezoeken om informatie te verzamelen. We hebben ook iemand nodig om contact op te nemen met de plaatselijke fabrieken wanneer we de resultaten van de houtmonsters terugkrijgen.”
Wederom viel het Mackenzie op dat het grootste deel van de politie rond de tafel een stijve houding aannam. Ze vond het moeilijk om te geloven dat ze te trots waren (of misschien, dacht ze, te lui) om directe orders aan te nemen van iemand die ze niet goed kenden, ongeacht zijn plaats in de voedselketen. Was de mentaliteit van de kleine stad moeilijk te doorbreken? Ze had zich dit vaak afgevraagd op de momenten dat ze door de meeste mannen in deze kamer respectloos werd behandelt sinds ze hier begonnen was met werken.
“Dat is alles wat ik heb voor nu.” zei Ellington. “Nog vragen?”
Natuurlijk waren er geen vragen. Nelson kwam overeind en voegde zich bij Ellington aan de voorkant van de kamer.
“Agent Ellington werkt samen met rechercheur White, dus als u hem nodig hebt, kunt u hem vinden in haar kantoor. Ik weet dat dit een beetje onorthodox is, maar laten we het nemen voor wat het is en ten volle profiteren van de vrijgevigheid van het Bureau.”
Er klonk gemompel en gemompel van erkenning toen de officieren van tafel opstonden en op weg gingen. Terwijl ze uit elkaar gingen zag Mackenzie dat een paar van hen haar met nog meer verwijt en kritiek aankeken dan normaal. Ze ontweek hun blikken en stond op om zich bij Nelson en Ellington aan de voorkant van de vergaderzaal te voegen.
“Is er iets dat ik moet weten?” vroeg Mackenzie aan Nelson.
“Wat bedoelt u?"
“Ik krijg vuilere blikken dan normaal,” zei ze.
“Vuile blikken?” vroeg Ellington. “Waarom kijken ze je meestal smerig aan?”
“Omdat ik een vastberaden, jonge vrouw ben die haar mening geeft,” zei Mackenzie. “Mannen hier zijn daar niet van gediend. Er zijn er een paar die vinden dat ik thuis moet blijven, in de keuken staan.”
Nelson zag er beschaamd uit en ook een beetje boos. Ze dacht dat hij misschien iets zou zeggen om zichzelf en zijn officieren te verdedigen, maar hij kreeg geen kans daartoe. Porter voegde zich bij hen en sloeg met het lokale dagelijkse nieuwsblad op tafel.
“Ik denk dat dit de reden is voor de vuile blikken” zei hij.
Ze keken allemaal naar de krant. Het hart van Mackenzie werd koud toen Nelson achter haar vloekte.
De kop van de voorpagina luidde: "VOGELVERSCHRIKKER MOORDENAAR NOG STEEDS OP VRIJE VOETEN." Daaronder luidde de ondertitel: "Belaagde politie lijkt geen antwoorden te hebben terwijl weer een nieuw slachtoffer is ontdekt.” De foto eronder toonde Mackenzie die net in de auto stapte waarin zij en Porter gisteren naar het veld waren gereden. De fotograaf had de hele linkerkant van haar gezicht vastgelegd. Het ergste was nog dat ze er best knap uitzag. Of ze het nu wilde toegeven of niet, deze foto die direct onder de krantenkop was geplaatst, schilderde haar in wezen af als het gezicht van het onderzoek.
“Dat is niet eerlijk,” zei ze, en haatte de manier waarop het uit haar mond klonk.
“De jongens denken dat je het erom doet,” zei Porter. “Ze denken dat je deze zaak alleen wilt oplossen voor de publiciteit.”
“Is dat ook jouw mening?” vroeg Nelson hem.
Porter deed een stap achteruit en zuchtte. “Persoonlijk niet. White heeft zich de afgelopen dagen bij mij bewezen. Ze wil deze man oppakken, wat er ook gebeurt.”
“Waarom kom je dan niet voor haar op?” zei Nelson. “Voer wat interferentie uit terwijl we wachten tot het laatste slachtoffer is geïdentificeerd en op de resultaten van dat houtmonster wachten.”
Porter zag eruit als een kind dat net was berispt omdat hij loog. Hij boog zijn hoofd en zei: “Ja mijnheer.” Hij liep weg zonder nog eens om te kijken.
Nelson keek opnieuw naar de krant en vervolgens naar Mackenzie. “Ik hoop dat je er het beste van maakt. Als de media dit onderzoek een knap gezicht wilt geven, laat ze dan maar hun ding doen. Je ziet er nog veel beter uit als je deze klootzak oppakt."
“Ja mijnheer.”
“Agent Ellington, wat heeft u van mij nodig?” vroeg Nelson.
“Alleen je beste detective.”
Nelson grijnsde en hief een duim op naar Mackenzie. “Daar kijk je naar.”
“Dan denk ik dat het goed komt.”
Nelson liep de vergaderruimte uit en liet Ellington en Mackenzie alleen. Mackenzie begon haar laptop en aantekeningen te verzamelen terwijl Ellington de kamer rondkeek. Het was duidelijk dat hij zich niet op zijn gemak voelde en niet zeker wist hoe hij met de situatie om moest gaan. Ze voelde zichzelf ook een beetje ongemakkelijk. Ze was blij dat iedereen weg was. Ze vond het leuk om alleen met hem te zijn; het gaf haar het gevoel dat ze een vertrouweling had, iemand die haar als een gelijke behandelde.
“Dus,” zei hij, “ze kijken echt op je neer omdat je jong bent en een vrouw?”
Ze haalde haar schouders op.
“Het lijkt er wel op. Ik heb rookies binnen zien komen, mannen, die ook best wat voor hun kiezen krijgen, maar ze worden nooit zo behandelt zoals ze tegen mij doen. Ik ben jong, gemotiveerd en volgens sommigen niet al te slecht om naar te kijken. Iets aan die combinatie schijnt ze enorm te storen. Het is gemakkelijker voor hen om me af te schrijven als de overambitieuze trut dan een vrouw van onder de dertig die een betere werkethiek heeft dan zij.”
“Dat is jammer,” zei hij.
“Ik heb de afgelopen dagen een kleine verandering gevoeld,” zei ze. “Vooral Porter lijkt bij te draaien."
“Nou, laten we deze zaak oplossen en ervoor zorgen dat iedereen bij draait,” zei Ellington. "Kun je ervoor zorgen dat alle foto’s van beide plaatsen delict naar jouw kantoor worden gebracht?”
“Ja,” zei ze. “Kom over ongeveer tien minuten maar naar me toe.”
“Prima.”
Mackenzie besloot daar en toen dat ze Jared Ellington iets te leuk vond voor haar eigen bestwil. De komende dagen met hem samenwerken zou uitdagend en interessant zijn, maar vanwege een hele andere reden dan de moordzaak.
HOOFDSTUK TWAALF
Mackenzie kwam net na zeven uur die avond thuis en besefte dat ze ieder moment weer opgeroepen kon worden. Er waren nu zoveel dingen aan de hand, zoveel verschillende sporen die mogelijk haar aandacht nodig hadden. Ze voelde haar lichaam moe worden. Ze had niet goed geslapen sinds ze het eerste plaats delict had bezocht en ze wist dat als ze zichzelf geen tijd gaf om te rusten, ze onhandige fouten zou maken tijdens het werk.
Toen ze door de deur liep, zag ze Zack op de bank zitten met de Xbox-controller in zijn hand. Een fles bier stond voor hem op de salontafel, en twee lege flesjes naast elkaar op de vloer. Ze wist dat hij een vrije dag had gehad en nam aan dat hij niets anders dan dit had gedaan. Ze bedacht dat hij zich als een onverantwoordelijk kind gedroeg en dit was absoluut niet waar ze op zat te wachten bij binnenkomst na een dag als vandaag.
“Hé schat,” zei Zack, nauwelijks opkijkend van de televisie.
“Hé,” zei ze droog, op weg naar de keuken. Toen ze het bier op de koffietafel had zien staan, had ze ook zin in een biertje gekregen. Maar ze voelde zich te uitgeput en gespannen, en besloot in plaats daarvan een kopje pepermuntthee te nemen.
Terwijl ze wachtte tot het water in de ketel kookte, liep Mackenzie de slaapkamer in en kleedde zich om. Ze had het avondeten volledig vergeten en werd plotseling geconfronteerd met het feit dat er heel weinig in huis was om te eten. Ze had al een tijdje geen boodschappen gedaan en ze wist zeker dat Zack er ook niet aan had gedacht om het te doen.
Nadat ze een sportbroek en T-shirt had aangetrokken liep ze terug naar het verleidelijke gefluit van de waterkoker. Terwijl ze het water over het theezakje goot, hoorde ze het gedempte geweervuur van het spelletje van Zack. Ze was nieuwsgierig en wilde het onderwerp aansnijden om te zien hoe hij zou reageren, maar ze was niet in staat haar frustratie voor zichzelf te houden.
“Wat heb je voor het avondeten gedaan?” vroeg ze.
“Ik heb nog niet gegeten,” zei hij, zonder de moeite te nemen om weg te kijken van de televisie. “Ga je iets maken?”
Ze staarde naar zijn achterhoofd en vroeg zich even af wat Ellington aan het doen was. Ze betwijfelde of hij videogames speelde, als een loser die nooit volwassen was geworden. Ze wachtte even, liet haar woede bekoelen en nam toen een stap de woonkamer in.
“Nee, ik maak niets. Wat heb je de hele middag gedaan?”
Ze kon zijn zucht zelfs horen door de explosies van het spel. Zack pauzeerde het spel en draaide zich eindelijk om en keek haar aan. “En wat moet dat in hemelsnaam precies betekenen?”
“Het was maar een vraag,” zei ze. “Ik vroeg wat je vanmiddag had gedaan. Als je niet dat stomme spelletje had gespeeld, had je misschien avondeten kunnen maken. Of op zijn minst een pizza kunnen halen of zo.”
“Het spijt me,” zei hij sarcastisch en met volume. “Hoe moet ik weten hoe laat je naar huis komt? Dat soort dingen communiceer je nooit met mij.”
“Wel, bel en vraag,” snauwde ze.
“Waarom in godsnaam?” vroeg Zack, terwijl hij de controller liet vallen en overeind kwam. “Die paar keer dat ik de moeite neem om je op je werk te bellen, gaat het telefoontje rechtstreeks naar je voicemail en je belt me nooit terug.”
“Dat komt omdat ik werk, Zack,” zei ze.
“Ik werk ook,” zei hij. “Ik sloof wat af in die verdomde fabriek. Je hebt geen idee hoe hard ik werk.”
“Ja, dat doe ik wel,” zei ze. “Maar vertel me dit: wanneer zag je me voor het laatst gewoon op mijn kont zitten? Ik kom thuis en sta meestal meteen je vuile kleren van de vloer op te rapen of de vuile vaat in de gootsteen af te wassen. En weet je wat, Zack? Ik werk ook hard. Ik werk verdomd hard en ik word elke dag geconfronteerd met shit waar een normaal mens aan onderdoor zou gaan. Ik hoef niet thuis te komen om een klein kind aan te treffen dat videogames speelt en vraagt wat we eten.”
“Klein kind?” vroeg hij, nu bijna schreeuwend.
Mackenzie was niet van plan geweest om zo ver te gaan, maar ze kon zich niet meer inhouden. Dit was de keiharde en naakte waarheid die ze nu al maanden had opgekropt en nu het eruit was, voelde ze zich opgelucht.
“Zo lijkt het soms,” zei ze.
“Jij.. kutwijf!”
Mackenzie schudde haar hoofd en deed een stap achteruit. “Je hebt drie seconden om dat terug te nemen,” zei ze.
“Och, loop naar de hel,” zei Zack, die om de bank heen liep en naar haar toekwam. Ze zag dat hij ruzie met haar wilde maken, maar hij wist beter dan dat. Hij wist dat ze van hem kon winnen; het was iets dat hij haar altijd verweet wanneer hij aan het klagen was over dingen die hem ongelukkig maakten in hun relatie.
“Pardon?” vroeg Mackenzie, bijna in de hoop dat hij agressief zou worden en haar zou slaan. En terwijl ze dat voelde, voelde ze ook heel duidelijk iets anders: hun relatie was voorbij.
“Je hebt me wel gehoord,” zei hij. “Jij bent niet gelukkig, en ik ook niet. Dat is al een tijdje zo, Mackenzie. En eerlijk gezegd ben ik het zat om het te verdragen. Ik ben het zat om op de tweede plaats te komen en ik weet dat ik niet kan concurreren met je werk.”
Ze zei niets, ze wilde niets zeggen om hem nog meer te provoceren. Misschien zou ze geluk hebben en zou dit argument snel voorbij zijn, waardoor ze het einde zouden bereiken dat ze allebei wilden, zonder een uitgebreid knock-down-drag-out gevecht.
Uiteindelijk zei ze alleen maar: “Je hebt gelijk. Ik ben niet gelukkig. Op dit moment heb ik geen tijd voor een inwonend vriendje. En ik heb zeker geen tijd voor argumenten zoals deze.”
“Oh nou, sorry dat ik je tijd heb verspild,” zei Zack zacht. Hij pakte zijn bierfles, dronk deze in een teug leeg en zette het hard op tafel, zo hard dat Mackenzie dacht dat het glas zou breken.
“Ik denk dat je nu maar moet vertrekken,” zei Mackenzie. Ze hield oogcontact met hem en hield zijn blik vast, zodat hij zou weten dat dit niet onderhandelbaar was. In het verleden hadden ze ook ruzie gehad waarna hij bijna zijn spullen had ingepakt en was vertrokken. Maar deze keer moest het echt gebeuren. Deze keer zou ze ervoor zorgen dat er geen excuses waren, geen ‘zullen-we-het-goedmaken’ seks, geen manipulatieve gesprekken over hoe ze elkaar nodig hadden.
Zack keek uiteindelijk van haar weg met een woedende blik op zich gezicht. Hij zorgde er overdreven voor om een paar centimeter ruimte tussen hen te laten toen hij langs haar heen naar de slaapkamer stampte. Mackenzie stond in de keuken en roerde driftig in haar thee.
Dus dit is wat ik ben geworden, dacht ze. Alleen, koud en emotieloos.
Ze fronste en haatte de onvermijdelijkheid van dit alles. Ze had ooit een mentor gehad die haar hiervoor had gewaarschuwd, hoe haar leven te druk en hectisch zou worden voor iets dat op een gezonde relatie leek als ze een ambitieuze carrière in de wetshandhaving zou nastreven.
Na een paar minuten hoorde Mackenzie dat Zack tegen zichzelf begon te mompelen. Terwijl de kastladen in de slaapkamer open en dicht gilngen, hoorde ze de termen verdomde teef, werk geobsedeerd en harteloze verdomde robot.
De woorden deden pijn (ze probeerde niet te doen alsof ze zo afgestompt was dat ze dat niet deden), maar ze schudde het van zich af. In plaats van zich daarop te concentreren, begon ze de rommel op te ruimen die Zack gedurende de dag had gemaakt. Ze ruimde de lege bierflessen op, waste af, en raapte een paar vuile sokken op terwijl de man die de puinhoop had gecreëerd, de man waar ze ooit verliefd op was geweest, vanuit de slaapkamer bleef vloeken en tieren.
*
Zack was om 8:30 uur vertrokken en een uur later lag Mackenzie in bed. Ze controleerde haar e-mails en zag dat er een paar rapporten heen en weer waren gezonden tussen Nelson en andere officieren, maar er was niets dat haar onmiddellijke aandacht behoefde. Tevreden met dat ze misschien een paar uren onafgebroken zou kunnen slapen, deed Mackenzie haar nachtlamp uit en sloot haar ogen.
Experimenteel stak ze haar hand uit en voelde de lege kant van het bed. Dat Zack's kant van het bed leeg was, was niet al te schokkend omdat hij er wel vaker niet was wanneer ze ging slapen, vanwege zijn wisseldiensten. Maar nu, wetende dat hij voorgoed weg was, leek het bed veel groter. Terwijl ze zich uitstrekte en de lege kant van het bed voelde, vroeg ze zich af wanneer ze gestopt was met van hem te houden. Het was minimaal een maand geleden, dat wist ze zeker. Maar ze had niets gezegd, in de hoop dat alles wat tussen hen had bestaan weer zou opduiken.
In plaats daarvan waren de dingen erger geworden. Ze had vaak gedacht dat Zack had gevoeld dat ze steeds afstandelijker werd, naarmate haar gevoelens voor hem verdwenen. Maar Zack was niet het type om zoiets te erkennen. Hij vermeed conflicten ten koste van alles en, hoewel ze het niet graag toe gaf, ze was er vrij zeker van dat hij zo lang mogelijk zou zijn gebleven, alleen omdat hij bang was voor verandering en te lui was om te vertrekken.
Terwijl ze al deze dingen overdacht, ging haar mobiele telefoon. Geweldig, dacht ze. Tot zover de slaap.
Ze knipte het licht weer aan, in de verwachting het nummer van Nelson of Porter op haar display te zien. Of misschien Zack, die haar zou vragen of hij alsjeblieft terug kon komen. In plaats daarvan zag ze een nummer dat ze niet herkende.
“Hallo?” zei ze en deed haar best om niet moe te klinken.
“Hallo, detective White,” zei een mannenstem. “Dit is Jared Ellington.”
“Oh, hallo.”
“Heb ik te laat gebeld?”
“Nee,” zei ze. “Hoe gaat het? Heb je nieuws?”
“Nee, ik ben bang van niet. Ik heb vanavond bericht gekregen dat we pas morgenochtend de resultaten van dat hout hebben.”
“Nou, dan weten we tenminste hoe de dag zal beginnen,” zei ze.
“Precies. Maar luister, ik vroeg me af of je met me zou willen ontbijten,” zei hij. “Ik wil graag de casus details met je doornemen. Ik wil ervoor zorgen dat we op dezelfde pagina zijn en zelfs het kleinste detail niet missen.”
“Natuurlijk,” zei ze. “Hoe laat ga je-”
Ze stopte en keek naar haar slaapkamerdeur.
Heel even had ze iets horen bewegen. Ze had die verdomde vloerplaat weer horen kraken. Sterker nog, ze had ook een schuifelend geluid gehoord. Langzaam kwam ze uit bed, ze hield de telefoon nog steeds tegen haar oor.
“White, ben je er nog?” vroeg Ellington.
“Ja, ik ben er nog,” zei ze. “Sorry. Ik vroeg hoe laat je me zou willen ontmoeten.”
“Wat dacht je van zeven uur bij Carol’s Hoekje? Ken je dat?”
“Ja dat weet ik te vinden” zei ze, terwijl ze naar de deuropening liep. Ze keek naar buiten en zag alleen schaduwen en donkere, gedempte contouren. “En zeven uur klinkt goed.”
“Geweldig,” zei hij. “Ik zie je dan.”
Ze hoorde hem nauwelijks nog terwijl ze vanuit de slaapkamer de kleine gang in liep die naar de keuken leidde. Toch slaagde ze erin om nog een ”Klinkt goed” te mompelen voordat ze ophing.
Ze klikte het ganglicht aan waardoor de keuken zichtbaar werd en de woonkamer zwak verlicht. Net als enkele nachten geleden was er niemand. Maar voor de zekerheid liep ze de woonkamer in en deed het licht aan.
Natuurlijk was er niemand. De kamer bood geen plaats om zich te verstoppen en het enige dat was veranderd, was de ontbrekende Xbox die Zack had meegenomen. Mackenzie keek nog een keer de kamer rond en was niet blij met het feit dat ze zich zo nerveus had gedragen. Ze liep over de krakende plank, testte het geluid en vergeleek het met wat ze had gehoord.
Ze controleerde het slot op de voordeur en liep terug naar haar slaapkamer. Ze keek nog een keer achterom voordat ze het licht uitdeed en weer in bed ging liggen. Voordat ze haar lamp uitdeed, haalde ze haar dienstpistool uit het nachtkastje en legde het er bovenop, binnen handbereik.
Ze keek ernaar in de duisternis van de slaapkamer, wetende dat ze het niet nodig had, maar ze voelde zich veiliger nu het daar was, in het volle zicht.
Wat gebeurde er met haar?
HOOFDSTUK DERTIEN
“Papa? Papa, ik ben het. Wakker worden.”
Mackenzie stapte de slaapkamer in en zette zich schrap en draaide zich om zodat ze het gezicht van haar dode vader niet kon zien.
“Wat is er gebeurd, papa?”
Haar zus was ook in de kamer. Ze stond aan de andere kant van het bed en keek naar hun vader met een teleurgestelde blik op haar gezicht.
“Steph, wat is er gebeurd?” vroeg Mackenzie.
“Hij riep om jou en je kwam niet. Dit is jouw schuld.”
“Nee!”
Mackenzie stapte naar voren en toen, wetende dat het waanzin was, kroop ze op het bed en nestelde zich naast haar vader. Ze wist dat zijn vlees snel koud en bleek zou worden.
Mackenzie werd badend in het zweet en met een schok wakker uit deze nachtmerrie. Het was 03:12 uur. Ze ging rechtop zitten, haalde zwaar adem en begon te huilen.
Ze miste haar vader zo erg dat het pijn deed.
Daar zat ze dan, alleen, en ze huilde zichzelf in slaap.
Ze wist dat het uren zou duren voordat ze weer in slaap zou kunnen vallen. Of misschien wel helemaal niet meer.
Op een vreemde manier verlangde ze ernaar weer helemaal in beslag genomen te worden door het werk. Op de een of andere manier was dat minder pijnlijk.
*
Toen Mackenzie een paar uur later bij Carol’s Hoekje aankwam was ze wakker en alert. Ze keek over.de kleine eettafel naar agent Ellington, en bedacht beschaamd hoe erg de nachtmerrie haar had beïnvloed, en hoe gemakkelijk ze gisteravond was geschrokken. Wat was er in hemelsnaam mis met haar?
Ze wist wat het was. De zaak kreeg haar te pakken en bracht oude herinneringen terug die ze dacht verwerkt te hebben. Het had een negatieve invloed op haar dagelijkse leven. Ze had gehoord dat dit anderen overkwam, maar tot nu toe had ze dit zelf nog nooit meegemaakt.
Ze vroeg zich af of Ellington het ooit had meegemaakt. Vanaf haar kant van de tafel zag hij er verzorgd en professioneel uit, het evenbeeld van wat Mackenzie van een FBI-agent verwachtte. Hij was goed gebouwd maar niet massief, zelfverzekerd maar niet eigenwijs. Het was moeilijk voor te stellen dat hij door iets van slag zou kunnen raken.
Hij zag haar staren en in plaats van beschaamd weg te kijken, hield ze zijn blik vast.
“Is er iets?” vroeg hij.
“Niets,” zei ze. “Ik vraag me alleen af hoe het is, om te weten dat je met een enkel telefoontje iets bij het Bureau kunt laten onderzoeken, terwijl ik er enkele uren over doe om het lokale politiekorps te overtuigen om naar iets te kijken.”
“Het gaat niet altijd zo gemakkelijk,” zei Ellington.
“Nou, met deze zaak lijkt het Bureau gemotiveerd,” wees Mackenzie.
‘De ritualistische opzet van de moordscènes schreeuwt praktisch seriemoordenaar,” zei hij. “En nu er nog een lijk is gevonden, lijkt het dat dat hier inderdaad het geval is."
"En, werkt Nelson mee?" vroeg ze.
Ellington glimlachte en het vertoonde de tekenen van een subtiele charme die op de loer lag onder zijn fijn samengestelde buitenkant. “Hij probeert meegaand te zijn. Soms is de mentaliteit van een kleine stad moeilijk te doorbreken.”
“Vertel mij wat,” zei Mackenzie.
De serveerster kwam langs om hun bestellingen op te nemen. Mackenzie koos voor een vegetarische omelet terwijl Ellington een enorm ontbijt bestelde. Nadat de serveerster weer wegliep, sloeg Ellington zijn handen samen en boog naar voren.
“Dus,” zei hij. “Hoe staan we ervoor?”
Mackenzie wist dat hij haar de kans gaf om hem te laten zien hoe ze te werk ging. Het was in zijn toon en de lichte glimlach die nauwelijks de randen van zijn mond raakte. Hij zag er gezond en aantrekkelijk uit en Mackenzie voelde zich enigszins ongemakkelijk met hoe vaak haar ogen naar zijn mond werden getrokken.
“Voor nu moeten we afwachten op de resultaten van het sporenonderzoek en daarna moeten we ze echt bestuderen”, zei ze. “De laatste keer dat we dachten dat we een veelbelovende tip hadden, hadden we het helemaal mis.”
“Maar je hebt een man betrapt die kinderporno verkocht," merkte Ellington op. “Dus het was geen totale tijdverspilling."
“Dat is waar. Maar ik ga ervan uit dat je de hiërarchie binnen ons lokale politiekorps hebt opgemerkt. Als ik deze zaak niet snel oplos, zit ik nog heel lang vast in mijn positie.”
“Daar ben ik niet zo zeker van. Nelson heeft je hoog zitten. Of hij dat tegenover de andere jongens zou toegeven, nou, dat is een ander verhaal. Daarom laat hij me je helpen. Hij weet dat je dit voor elkaar kunt krijgen.”
Ze keek voor het eerst van hem weg. Ze was er niet zeker van hoe ze deze zaak moest oplossen, terwijl ze zich continue dood schrok van elk geluidje in haar huis en met haar pistool op haar nachtkastje sliep.
“Ik denk dat we moeten beginnen met het houtmonster,” zei ze. “We bezoeken alle lokale leveranciers van dat soort hout, en de plaatsen waar het wordt gezaagd. Als dat niets oplevert, moeten we echt beginnen met het verhoren van de vrouwen waarmee Hailey Lizbrook werkte. En als dat niks wordt kunnen we altijd nog de beveiligingscamera's van de club waar ze werkte bekijken.”
“Allemaal goede ideeën,” zei hij. “Een ander idee dat ik bij Nelson op ga gooien is, om undercover officieren op locatie in te zetten bij sommige stripclubs, binnen een straal van honderd kilometer. We kunnen enkele agenten uit het Omaha-kantoor krijgen als dat nodig is. We moeten oude zaken nogmaals bekijken, iets wat jij volgens mij op een eerder moment al bij Nelson hebt aangekaart. Misschien zijn we op zoek naar een man die ook prostituees achtervolgt. We kunnen niet zomaar aannemen dat het alleen strippers zijn.”
Mackenzie knikte even hoewel ze begon te twijfelen of de zaak die ze zich had herinnerd uit de jaren '80, waarbij een prostituee aan een paal was opgehangen, verband hield met deze zaak. Toch was het fijn om erkenning voor haar inspanningen te krijgen van iemand met ervaring.
“Oké,” zei Ellington. “Ik wil je wat vragen.”
“Vraag wat?”
“Het is duidelijk dat je op lokaal niveau wordt ondermijnd. Maar het is ook duidelijk dat je je kapot werkt en verstand van zaken hebt. Nelson heeft me zelfs verteld dat je een van zijn meest veelbelovende detectives bent. Ik heb je dossier bekeken, weet je. En ik ben zeer onder de indruk. Dus waarom zou je hier blijven, waar je wordt bespot en geen eerlijke kans krijgt, als je gemakkelijk ergens anders als detective kunt werken?”
Mackenzie haalde haar schouders op. Het was iets dat ze zichzelf meerdere keren had afgevraagd en het antwoord, hoewel morbide, was eenvoudig. Ze zuchtte, wilde er niet op ingaan, maar wilde tegelijkertijd de gelegenheid niet voorbij laten gaan. Ze had een paar keer over haar redenen om hier te blijven met Zack gesproken, toen ze nog met elkaar praatten. En Nelson kende ook een deel van haar persoonlijke geschiedenis. Maar ze kon zich de laatste keer niet herinneren dat iemand haar vrijwillig had uitgenodigd om erover te praten.
“Ik ben opgegroeid net buiten Omaha,” zei ze. “Mijn jeugd was… niet de beste. Toen ik zeven jaar oud was, is mijn vader vermoord. Ik was degene die het lichaam ontdekte, in zijn slaapkamer om precies te zijn.”
Ellington fronste zijn wenkbrauwen.
“Het spijt me,” zei hij zachtjes.
Ze zuchtte.
“Hij was privé-detective,” voegde ze eraan toe. “Maar ongeveer vijf jaar daarvoor was hij politie agent."
Hij zuchtte ook.
“Het is mijn theorie dat ten minste één op de vijf agenten een soort onopgelost trauma uit het verleden heeft dat verband houdt met een misdrijf,” zei hij. “Het is dat trauma waardoor ze wilden beschermen en dienen.”
“Ja,” zei Mackenzie, niet zeker hoe te reageren op het feit dat Ellington haar zojuist had doorgrond in minder dan twintig seconden. “Dat klopt denk ik wel.”
“Is de moordenaar van je vader ooit gevonden?” vroeg Ellington.
“Nee. Op basis van de dossiers die ik heb gelezen en het stukje dat mijn moeder me heeft verteld over wat er is gebeurd, weet ik dat hij toen hij werd vermoord bezig was met een kleine groep te onderzoeken die drugs smokkelden vanuit Mexico. De zaak werd nog een tijdje voortgezet, maar werd binnen drie maanden ingetrokken. En dat was dat.”
“Het spijt me dit te horen,” zei Ellington.
“Daarna, toen ik me realiseerde dat veel slordig gewerkt werd in het rechtssysteem, wilde ik iets doen bij de politie, detective worden, om precies te zijn.”
“Dus je hebt je droom bereikt op de leeftijd van vijfentwintig jaar,” zei Ellington. “Dat is indrukwekkend.”
Voordat ze nog iets kon zeggen, kwam de serveerster langs met hun eten. Ze zette de borden neer en terwijl Mackenzie in haar omelet begon te graven, zag ze verrast dat Ellington zijn ogen sloot en een stil gebed zei voordat hij begon te eten.
Ze kon het niet helpen, maar staarde even naar hem terwijl zijn ogen dicht waren. Ze had niet aan hem gedacht als een religieuze man, en iets aan hem, terwijl hij zo zat te bidden, raakte haar. Ze wierp een blik op zijn linkerhand en zag geen trouwring. Ze vroeg zich af hoe zijn leven eruit zag. Had hij een vrijgezellenwoning met bier in de koelkast, of was hij meer van het type wijnrek en IKEA boekenplanken, gevuld met klassieke en moderne literatuur?
Interessanter was nog hoe hij FBI-agent was geworden. Ze vroeg zich af hoe hij zou zijn in een verhoorkamer, of in de hitte van de strijd wanneer wapens werden getrokken en een verdachte de keuze had zich over te geven of het vuur te openen. Ze wist niets over Ellington - en dat was opwindend.
Toen hij zijn ogen opende en begon te eten, keek Mackenzie weg, terug naar haar eten. Een kort ogenblik later kon ze zichzelf niet meer bedwingen.
"Oké, en jij dan?” vroeg ze. “Wat heeft jou ertoe geleid een carrière bij de FBI te willen?”
“Ik was een kind van de jaren tachtig," zei Ellington. “Ik wilde John McClane en Dirty Harry zijn, alleen met meer resultaat.”
Mackenzie glimlachte. “Dat zijn behoorlijk goede rolmodellen. Gevaarlijk, maar riskant.”
Hij wilde net weer iets zeggen toen zijn mobiele telefoon over ging.
“Neem me niet kwalijk,” zei hij, terwijl hij in zijn jaszak reikte en de telefoon eruit trok.
Mackenzie luisterde naar zijn kant van het gesprek, dat kort maar krachtig was. Na een paar bevestigende reacties en een snelle dank, zette hij de telefoon uit en keek somber naar zijn eten.
“Alles goed?” vroeg ze.
“Ja,” zei hij. “We moeten dit echter laten inpakken. De resultaten van het houtmonster zijn binnengekomen.”
Hij keek haar recht aan.
“De houtwerf waar het vandaan komt, ligt op minder dan een half uur rijden.”
HOOFDSTUK VEERTIEN
Mackenzie was altijd dol geweest op de geur van vers gekapt hout. Dit was al zo sinds de de kerstvakantie die ze had doorgebracht bij haar grootouders, nadat haar vader was overleden. Haar grootvader had zijn huis verwarmd met een oude houtkachel en de achterkant van het huis had altijd naar cederhout en de niet geheel onaangename geur van verse as geroken.
Ze herinnerde zich die oude houtkachel terwijl ze uit de auto stapte en het grindpad van Palmer's Houtzagerij betrad. Links van haar stond een zaagmolen waarop een enorme boom via een lopende band naar een zaag gleed die ongeveer net zo groot was als auto waar ze net uit was gestapt. Verderop wachtten verschillende stapels vers gezaagd hout op hun beurt bij de zaag.
Ze nam even de tijd om het proces te bekijken. Een oplader die een mix van een kleine kraan en een speelgoed grijpmachine leek te zijn, tilde de stammen op en legde ze op een archaïsch ogende machine die ze op een lopende band duwde. Van daaruit werden de stammen direct naar een zaag geleid waarvan ze aannam dat deze voor elke stam apart kon worden aangepast met een mechanisme of bedieningspaneel dat ze niet kon zien vanaf haar positie. Toen ze zich hiervan afwendde, zag ze een vrachtwagen de uitgang van de houtwerf verlaten, met een aanhangwagen vol grof gekapt hout dat ongeveer drie meter hoog was opgestapeld.
Vreemd genoeg dacht ze aan Zack terwijl ze dit allemaal zag. Hij had gesolliciteerd bij een bedrijf als dit aan de andere kant van de stad, zo rond de tijd dat hij de baan bij de textielfabriek aangeboden had gekregen. Toen hij hoorde van de wisseldiensten die bij de fabriek gedraaid werden had hij die baan genomen, in de hoop op meer vrije tijd. Ze dacht dat hij misschien goed met hout had kunnen werken; hij had altijd al aanleg gehad om dingen te bouwen.
“Ziet eruit als zwaar werk,” zei Ellington.
“Dat is dat van ons ook,” zei ze, blij dat ze de gedachten van Zack uit haar hoofd kon zetten.
“Dat is ook waar.” ging Ellington akkoord.
Voor hen stond een eenvoudig betonnen gebouw, alleen geïdentificeerd door het in zwarte blokletters geschreven woord OFFICE boven de voordeur. Ze liep naast Ellington naar de voordeur en werd weer verrast toen Ellington de deur voor haar open hield. Ze bedacht dat haar nooit meer zoveel blijk van ridderlijkheid of respect was getoond sinds de eerste dag dat ze een insigne had gedragen.
Binnen werd het geluid van buiten gedempt tot een dof gebrul. Het kantoor bestond uit een grote balie en erachter stonden rijen met archiefkasten. De geur van gekapt hout was in het hele gebouw doorgedrongen en overal leek stof te liggen. Een man stond achter de toonbank en schreef iets op in een grootboek terwijl ze binnenkwamen. Toen hij hen aankeek raakte hij duidelijk een beetje in de war, waarschijnlijk door het pak van Ellington en de zakelijke casual kleding van Mackenzie.
“Hé daar,” zei de man achter de balie. “Kan ik u helpen?”
Ellington nam de leiding, waar Mackenzie het prima mee eens was. Hij had haar het grootste respect getoond en had meer ervaring dan zij. Ze vroeg zich af waar Porter was. Had Nelson hem op kantoor gehouden om de foto's te bekijken? Of was hij bezig met het afnemen van een interview, misschien met de collega's van Hailey Lizbrook?
“Ik ben agent Ellington, en dit is detective White,” zei Ellington. “We willen graag even met u praten over een zaak die we proberen af te ronden.”
“Eh, zeker,” zei de man, duidelijk nog steeds in de war. “Weet je zeker dat je aan het goede adres bent?”
“Ja, mijnheer,” zei Ellington. “Hoewel we de volledige details van de zaak niet kunnen onthullen, kan ik u wel vertellen dat er op elk plaats delict een paal is gevonden. We namen een monster van het hout en ons forensisch team leidde ons hierheen.”
“Palen?” vroeg de man verbaasd. “Heb je het over de Vogelverschrikker Moorden?”
Mackenzie fronste en vond het niet leuk dat deze zaak al het onderwerp van publiek gesprek was geworden. Als een eenzame man in het kantoor van een houtzagerij erover had gehoord, was de kans groot dat het nieuws van de zaak zich als een lopend vuurtje verspreidde. En bovendien was haar gezicht in de kranten in verband gebracht met het verhaal.
Hij keek haar aan en ze dacht dat ze inderdaad iets van herkenning in zijn gezicht kon zien.
“Ja,” zei Ellington. “Is er nog iemand langs geweest om palen te kopen die hier normaal niet komt?"
“Ik wil graag helpen,” zei de man achter de balie. “Maar ik ben bang dat het niet zo eenvoudig is. Zie, ik ontvang en verkoop alleen hout van bedrijven of kleinere werven. Alles wat hier vertrekt, gaat meestal naar een andere houtwerf of naar een ander soort bedrijf.”
“Wat voor soort bedrijven?” vroeg Mackenzie.
“Dat hangt af van over wat voor soort hout we het hebben,” zei hij. “Het grootste deel van mijn hout gaat naar bouwbedrijven. Maar ik heb ook een paar klanten die zich bezighouden met houtbewerking zoals voor meubels.”
“Hoeveel klanten komen hier per maand langs?” vroeg Ellington.
“Zeventig of zo in een goede maand,” zei hij. “Maar de afgelopen maanden zijn behoorlijk rustig geweest. Dus het is misschien gemakkelijker om te vinden wat u zoekt.”
“Nog een ding,” zei Mackenzie. “Plaats je een soort markeringen op hout dat hier weggaat?”
“Voor grotere bestellingen plaats ik soms een stempel op één stuk per lading.”
“Een stempel?”
“Ja.Het wordt gedaan door een kleine pers die ik buiten heb. Het vermeldt de datum en de naam van mijn houthandel op het stuk.”
“Maar niets gegraveerd of gesneden?”
“Nee, zoiets niet,” zei de man.
“Zou het mogelijk zijn om in de facturen na te kijken welke klanten voorgezaagde palen van cederhout hebben meegenomen?" vroeg Ellington.
“Ja dat kan. Weet je welke maat?”
“Een momentje,” zei Ellington, terwijl hij naar zijn telefoon greep, vermoedelijk om de informatie na te kijken..
“ Twee en een halve meter,”' zei Mackenzie, terwijl ze in haar geheugen groef.
Ellington keek haar aan en glimlachte.
“Een halve meter onder de grond,” zei Mackenzie, “en twee meter boven het oppervlak.”
“De palen waren ook vrij oud,” zei Ellington. “Het hout was niet vers. Onze tests geven aan dat het ook nog nooit een behandeling heeft gehad.”
“Dat maakt het een beetje makkelijker,” zei de man. “Als het hier vandaan kwam, zou het oudere hout van mijn schroothoop komen. Geef me een paar minuten en dan kan ik je die informatie geven. Hoe ver terug moet ik gaan?”
“Laten we drie maanden teruggaan, gewoon voor de zekerheid,” zei Ellington.
De man knikte en ging naar een van de antieke archiefkasten die achter hem stonden.. Terwijl ze wachtten, begon de mobiele telefoon van Mackenzie te rinkelen. Terwijl ze opnam dacht ze verschrikt dat het misschien Zack zou zijn die om een soort verzoening vroeg. Ze was opgelucht dat het Porter was.
“Hallo?” zei ze en beantwoordde de oproep.
“Mackenzie, waar ben je nu?” vroeg Porter.
“Ik ben met Ellington op Palmer's Houtzagerij om de testresultaten te controleren van de chip die we van de paal hebben genomen.”
“Eventuele resultaten?”
“Het lijkt op een aanwijzing die tot verschillende andere aanwijzingen kan leiden."
“ Tja, shit,” zei Porter. “Ik vind het vervelend om je dit te moeten vertellen, maar het wordt er niet beter op.” Hij aarzelde een minuut en ze hoorde een bevende zucht aan de andere kant voordat hij eraan toevoegde:
“We hebben weer een lijk gevonden."
HOOFDSTUK VIJFTIEN
Toen ze veertig minuten later op de plaats van nieuwe moord arriveerden, was Mackenzie meer dan een beetje ongerust omdat deze dichter bij haar huis was. Het tafereel was precies vijfendertig minuten verwijderd van haar huis, in de achtertuin van een vervallen huis dat lang geleden was verlaten. Ze kon praktisch voelen hoe de schaduw van deze pas vermoorde vrouw zich uitstrekte over het vlakke land, over de straten van de stad, en bij haar voordeur viel.
Ze deed haar best om haar vermoeide zenuwen te verbergen terwijl zij en Ellington naar de paal liepen. Ze keek naar het oude huis, vooral naar de lege kozijnen. Voor haar zagen deze eruit als grote, dreigende ogen, die naar buiten tuurden en haar bespotten.
Er stond een klein groepje officieren rond de paal, Porter stond in het midden van hen. Hij wenkte naar Mackenzie en Ellington toen ze de paal naderden, maar Mackenzie merkte het nauwelijks op. Ze had het te druk met het bestuderen van het lijk, en zag meteen twee duidelijke verschillen bij dit slachtoffer.
Ten eerste had deze vrouw kleine borsten terwijl de vorige twee slachtoffers goed bedeeld waren. Ten tweede waren de striemen die bij de andere slachtoffers enkel op de rug waren aangetroffen, waren hier ook te zien op de buik en borst van deze vrouw.
“Dit loopt uit de hand,” zei Porter met een zachte, vermoeide stem.
“Wie heeft het lichaam ontdekt?” vroeg Mackenzie.
“De landeigenaar. Hij woont twee kilometer ten oosten van hier. Er hing een ketting voor deze privé-onverharde weg en hij zag toevallig dat deze was verwijderd. Hij zegt dat hier niemand komt, behalve af en toe een jager tijdens het herten seizoen, maar zoals u weet, is het herten seizoen enkele maanden geleden afgelopen. En bovendien zegt hij dat hij alle mannen kent die hier jagen.”
“'Is het privé terrein?” vroeg Mackenzie, terugkijkend op de onverharde weg die ze net hadden genomen om hier te komen.
“Ja. Dus wie dit gedaan heeft,“ zei hij, knikkend naar het opgehangen lijk, “heeft ook die ketting verwijderd. Hij wist waar hij naartoe zou gaan om te pronken met zijn volgende trofee. Hij heeft dit vooraf gepland.”
Mackenzie knikte. “Dat toont opzettelijke intentie en doel, in plaats van alleen maar een ongebonden psychologische behoefte.”
“Is er een kans dat de landeigenaar erbij betrokken is?” vroeg Ellington.
“Op dit moment wordt hij thuis ondervraagd door 2 van mijn mannen,” zei Nelson. “Maar ik betwijfel het. Hij is achtenzeventig jaar oud en loopt mank. Ik zie hem niet sjouwen met een paal of met succes strippers in zijn vrachtwagen lokken.”
Mackenzie liep dichter naar het lichaam toe, Ellington volgde. Deze vrouw zag er aanzienlijk jonger uit dan de anderen, misschien begin twintig. Haar hoofd hing naar beneden en keek naar de grond, maar Mackenzie zag de donkerrode lippenstift die over haar wang en kin was gesmeerd. Haar donkere mascara was ook uitgelopen en had donkere strepen op haar gezicht achtergelaten.
Mackenzie liep naar de achterkant van de paal. De striemen waren hetzelfde als bij de andere twee. Sommigen waren nog vers genoeg om vochtigheid af te scheiden, het bloed was nog niet helemaal droog. Ze knielde neer naar de bodem van de paal maar werd onderbroken door Nelson.
“Ik heb het al gecontroleerd,” zei hij. “Je nummers zijn er.”
Ellington ging bij haar op zijn hurken zitten om ze ook te bekijken. Hij keek op naar Mackenzie. “Geen idee waar deze cijfers voor staan?”
“Geen enkel,” zei ze.
“Ik denk dat het vanzelfsprekend is,” zei Nelson, “maar vanaf nu heeft deze zaak de hoogste prioriteit, boven alles. Agent Ellington, hoe snel kunnen we hier meer mankracht voor krijgen?”
“Ik kan bellen en waarschijnlijk hebben we vanmiddag al een paar man meer hier.”
“Doe dat alsjeblieft. Zijn er resultaten van de houtwerf?”
“We hebben zestien namen,” zei Mackenzie. “De meeste zijn bouwbedrijven. We moeten ze allemaal controleren en kijken of ze nuttige informatie opbrengen.”
“Ik zet er wat mensen op”, zei hij. “Voor nu heb ik jou en Ellington nodig om de meest veelbelovende tips na te lopen. Jullie zijn de hoofd onderzoekers op deze zaak, dus doe in godsnaam wat je moet doen om hem op te pakken. Ik wil dat deze zieke klootzak tegen het einde van de dag in een verhoorkamer zit. Ondertussen laat ik mijn mensen de landkaarten van de omliggende honderd kilometer of zo doorspitten. We splitsen het gebied op en beginnen met geïsoleerde gebieden zoals deze, het veld van de laatste moord, en korenvelden die gemakkelijk toegankelijk zijn in kaart te brengen.”
“Anders nog iets?” vroeg Ellington.
“Niets dat ik kan bedenken. Hou me op de hoogte over zelfs het kleinste detail dat je tegenkomt. Ik kom daar zo dadelijk nog op terug,” zei Nelson. Daarna keek hij naar Mackenzie en gaf haar een knikje. “White, kan ik je even spreken?”
Mackenzie liep van de paal weg en volgde Nelson naar de kant van het vervallen huis, terwijl ze zich afvroeg waar dit over zou gaan.
“Vind je het prettig om met Ellington te werken?” vroeg hij.
“Ja mijnheer. Hij is zeer accuraat en ongelooflijk behulpzaam in het brainstormen.”
“Goed. Kijk, ik ben niet gek. Ik ken je potentieel en ik weet dat, als er een iemand in mijn korps is die deze klootzak kan binnenhalen, jij het bent. Maar ik ben niet van plan om de FBI gewoon binnen laten en de zaak aan hun over te dragen. Dus ik wil dat je met hem samenwerkt. Ik heb al met Porter gesproken en hem een andere taak toegewezen. Hij is nog steeds bezig met de zaak, maar ik laat hem helpen met de huis-aan-huis bezoeken."
“En dat vond hij goed?”
“Daar hoef jij je geen zorgen over te maken. Voorlopig blijf jij gewoon bij deze zaak en ga op je gevoel af. Ik vertrouw erop dat je de juiste beslissingen neemt; je hoeft niet voor ieder kleinigheidje bij me in te checken. Doe gewoon wat je moet doen om dit op te lossen. Kan je dat voor me doen?”
“Ja mijnheer.”
“Dat dacht ik al,” zei Nelson met een kleine glimlach. “Nu gaan jij en Ellington hier weg en brengen ons wat resultaten.”
Hij gaf haar een zachte klap op de rug, die, alles bij elkaar genomen, bijna het equivalent was van Ellington die de deur voor haar op de houtwerf open hield. Het was een enorm gebaar van Nelson en ze waardeerde het. Ze liepen samen terug naar het stoffelijke overschot en Mackenzie keek opnieuw naar de cijfers. Ze voelde dat er iets mee was, dat de oplossing tot het kraken van deze hele zaak afhing van die verdomde getallen.
Een deel van hem, voelde ze, wilde gepakt worden. Hij was hen aan het lokken.
“Gaat het?” vroeg Ellington, die aan de andere kant van de paal stond.
Ze knikte en kwam overeind.
“Ben je ooit eerder in een zaak als deze betrokken geweest?”
“Slechts twee,” zei hij. “Een van hen resulteerde in acht moorden voordat we hem konden oppakken.”
“Denk je dat dat hier ook zal gebeuren?” vroeg ze.
Ze haatte het dat haar vragen haar onzeker en misschien zelfs onervaren lieten overkomen, maar ze moest het weten. Het enige wat ze moest doen was zich herinneren hoe bang ze voor een paar minuten in haar eigen huis was geweest, bang van wat waarschijnlijk een ingebeeld geluid van een krakende vloer was geweest, om te begrijpen hoeveel deze zaak haar begon te beïnvloeden. Ze had een vriend verloren, ze verloor langzaam haar kalmte en ze zou het niet trekken als ze hierdoor nog iets anders zou verliezen.
“Niet als we het kunnen helpen,” antwoordde Ellington. Hij zuchtte. “vertel eens, wat zie je hier dat nieuw is?”
“Nou, het feit dat de moordenaar een weg koos die nergens toe leidt lijkt vreemd. De ketting aan het begin van het pad hield hem niet tegen. Niet alleen dat, maar hij wist dat deze er zou zijn. Hij was bereid deze te verwijderen.”
“Betekent wat?”
Ze wist dat hij haar aan het testen was, maar hij deed het op een manier die haar intelligentie niet beledigde. Hij daagde haar uit en ze genoot er enorm van.
“Dit betekent dat de gebieden die hij kiest niet willekeurig zijn. Hij heeft ze om een reden gekozen.”
“Dus niet alleen de moorden zijn vooraf bepaald, maar ook de locaties.”
“Het lijkt erop. Ik denk dat ik .. “ zei ze, maar maakte haar zin niet af.
Rechts aan de rand van het dunne bos zag ze beweging.
Even dacht ze dat ze het zich had verbeeld.
Maar toen zag ze het weer.
Er bewoog iets, dieper het bos in. Ze kon net genoeg van de vorm onderscheiden om te zien dat het een menselijke figuur was.
“Hallo!”
Het was alles wat ze kon bedenken om te zeggen en het kwam er een beetje opgewonden uit. Bij het geluid van haar stem nam de vorm nog sneller af, elke poging tot sluipen was nu verdwenen terwijl de takken braken en het gebladerte ritselden terwijl de persoon ontsnapte.
Mackenzie reageerde instinctief en sprintte naar de rand van het bos. Tegen de tijd dat Ellington dit had opgemerkt en achter haar aan was gegaan, was Mackenzie al het veld over gestoken en in het bos. De bomen om haar heen leken net zo vergeten en kleurloos als het huis dat achter haar stond, de zwarte ramen staarden haar nog steeds aan.
Ze sloeg de takken weg terwijl ze door het bos rende. Ze kon net het geluid van Ellington horen die achter haar volgde, maar ze verspilde geen tijd of moeite met achterom kijken.
“Stop!” schreeuwde ze.
Ze was niet verrast dat de persoon bleef rennen. Mackenzie had binnen enkele seconden de inschatting gemaakt dat ze sneller was dan haar doel, en kwam dichterbij met een snelheid waar ze altijd trots op was geweest. Ze kreeg een paar takken in haar gezicht en voelde spinnenwebben die aan haar huid vast bleven plakken, maar ze stormde onverschrokken verder het bos in.
Toen ze dichterbij kwam, zag ze dat het een man was in een zwart sweatshirt met capuchon en donkere jeans. Omdat hij niet één keer volledig achterom keek, kon Mackenzie niet zeggen hoe oud hij was, maar ze kon wel zien dat hij iets te zwaar was en blijkbaar een beetje uit vorm. Ze hoorde zijn moeilijke ademhaling terwijl ze steeds dichter bij kwam..
“Verdomme,” zei ze toen ze vlakbij hem was, haar arm uitstak en hem bij de schouder greep. “Ik zei stop!”
Tegelijkertijd gaf ze hem een harde duw, die hem op de grond deed belanden. Hij rolde een keer voordat hij stopte.
Ik heb hem, dacht Mackenzie.
De man probeerde overeind te komen, maar Mackenzie gaf hem een snelle trap tegen zijn knie die hem weer naar beneden stuurde. Terwijl hij viel sloeg hij met zijn gezicht op een boomwortel..
Mackenzie plantte hardhandig een knie in de rug van de man en greep naar haar wapen. Ellington kwam eindelijk aan en hij duwde de man ook op de grond. Nu het volle gewicht van Ellington op hem rustte, stopte hij met kronkelen. Mackenzie reikte naar haar riem en trok haar handboeien eruit, terwijl Ellington de armen van de man achter zijn rug trok, wat weer een kreet van pijn teweeg bracht. Mackenzie sloeg de handboeien om en trok de man vervolgens ruw overeind.
“Hoe heet je?” vroeg Mackenzie.
Ze draaide hem naar zich toe en zag voor het eerst zijn gezicht. De man zag er onschadelijk uit, was te dik en waarschijnlijk eind dertig.
“Moet je me dat soort dingen niet vragen voordat je me aanvalt?”
Ellington schudde hem een beetje heen en weer en oefende wat druk uit op zijn schouder. “Ze heeft je een vraag gesteld.”
“Ellis Pope,” zei de man zichtbaar geschokt.
“En waarom ben je hier?”
Hij zei eerst niets en in de stilte hoorde Mackenzie meer commotie in het bos. Dit geluid kwam van rechts en toen ze zich in die richting draaide, zag ze Nelson en drie andere officieren door de dunne bomen en bladeren klauteren.
“Wat is er aan de hand?” schreeuwde Nelson. “Ik zag jullie twee wegrennen in mijn achteruitkijkspiegel en …”
Hij stopte toen hij de derde persoon bij hen zag staan, zijn handen geboeid achter zijn rug.
“Hij zegt dat hij Ellis Pope heet,” zei Mackenzie. “Hij stond aan de rand van het bos naar ons te kijken. Toen ik hem riep, begon hij te rennen.”
Nelson keek recht in het gezicht van Pope en het was duidelijk dat Nelson moeite had om hem niet fysiek aan te vallen. “Wat doet u hier, mijnheer Pope?” vroeg Nelson. “Ben je dichtbij gebleven om je eigen werk te bewonderen?”
“Nee,” zei Pope, nu banger dan ooit.
“Waarom ben je dan hier?” vroeg Nelson. “Het is de enige keer dat ik het je vraag voordat ik mijn kalmte begin te verliezen.”
“Ik ben verslaggever,” zei hij.
“Voor welke krant?” vroeg Mackenzie.
“Geen papier. Een website. Het Oblong Journaal.”
Mackenzie, Nelson en Ellington keken elkaar ongemakkelijk aan voordat Mackenzie langzaam haar telefoon uit haar zak pakte. Ze opende , zocht naar haar internet browser, zocht Het Oblong Journaal op en opende de pagina. Ze navigeerde snel naar de Staff-pagina en niet alleen vond ze de naam Ellis Pope, maar de foto in de bio was duidelijk van dezelfde man die voor hen stond.
Het was zeldzaam dat Mackenzie vloekte, maar toen ze haar telefoon aan Nelson liet zien liet ze een gespannen “Fuck” horen.
“Nu,” zei Ellis Pope, zich realiserend dat hij langzaam de controle over de situatie kreeg. “Met wie van jullie varkens moet ik praten over het indienen van een aanklacht?”
HOOFDSTUK ZESTIEN
Mackenzie voelde zich een beetje ongemakkelijk in het gezelschap van Ellington en vreemd genoeg werd dat gevoel alleen maar erger toen ze twee uur later naast elkaar in een bar zaten. Ze wist dat ze beiden moe en een beetje verlopen eruit zagen, waardoor ze niet opvielen tussen de rest van de klanten. Zij waren niet de enigen die redelijk netjes gekleed waren, de mensen die direct van hun werk hierheen waren gekomen waren ook netjes gekleed in shirts en stropdassen en pakken die ze die dag ook naar hun werk hadden gedragen. Via de twee ramen aan de andere kant van de bar viel het schemerige middaglicht naar binnen, maar het was het neonlicht achter de bar en de ingebouwde verlichting die de flessen met sterke drank op de planken achter de bar verlichtte, die de sfeer bepaalden.
“Enig idee hoe Pope zo snel de plaats delict te weten is gekomen?” vroeg Ellington.
“Nee. Er moet een lek zijn binnen het korps.”
“Dat vermoed ik ook,” zei Ellington. “En daarom denk ik dat Nelson het je niet al te zwaar zal aanrekenen. Je had nooit kunnen vermoeden dat de figuur in het bos een journalist was. Vooral niet toen Pope zo begon te rennen.”
“Laten we het hopen,”zei ze.
Mackenzie wist dat ze er gemakkelijk vanaf was gekomen. Haar leidinggevende had gezien hoe zij een mollige en weerloze online journalist met een behoorlijk harde tackle ter aarde had gebracht. En hoewel Pope enkel een lichte snee aan de zijkant van zijn hoofd had opgelopen toen hij tegen die boomwortel viel en hij binnengedrongen was op privé-terrein, het was het nog steeds reden voor een straf. Toch had ze niet meer dan een tik op haar vingers gekregen. Ze had Nelson veel erger voor minder zien uitdelen. Ze vroeg zich echter af hoeveel vertrouwen hij eigenlijk in haar had. Om haar vrolijk verder te laten gaan terwijl Ellis Pope waarschijnlijk druk aan het bellen was, sprak boekdelen over zijn vertrouwen in haar.
Uiteraard had hij ook geroepen dat hij haar niet meer wilde zien, en dat ze goed bij zichzelf ten rade moest gaan alvorens ze de volgende arme klootzak zou aanvallen die toevallig op haar pad kwam en in de weg stond. Toen zag ze een een kleine kans om te ontsnappen en voordat hij de kans kreeg om verder na te denken over zijn beslissing om haar actief op de zaak te houden, was ze er tussenuit geknepen.
Terwijl ze zo verantwoordelijk mogelijk aan een lokaal gebrouwen biertje van de tap nipte, probeerde ze zich de laatste keer te herinneren dat ze naar een bar was gekomen om de wereld te ontvluchten. Ze had daar meestal het werk voor gebruikt, iets dat veel gemakkelijker was om aan zichzelf toe te geven nu Zack uit beeld was verdwenen. Maar nu het werk haar zo’n beetje had weggestuurd, voelde het surrealistisch om in een bar te zitten.
Het was nog vreemder om naast een FBI-agent te zitten die ze gisteren pas had ontmoet.
In de korte tijd die ze met agent Ellington had doorgebracht, had ze een paar dingen over hem ontdekt. Ten eerste was hij een ouderwetse heer: hij hield de deur voor haar open, vroeg altijd naar haar mening voordat hij een beslissing nam, verwees naar degenen die ouder waren met mevrouw en mijnheer, en hij leek haar ook te beschermen. Toen ze de bar binnenkwamen hadden twee mannen heel weinig moeite gedaan om te verbergen dat ze haar aan het uitchecken waren. Ellington had dit opgemerkt en was zodanig naast haar gaan staan, dat hij hun het zicht ontnam.
“Je weet waarom de mannen op je werk zo hatelijk tegen je zijn, toch?” zei Ellington.
“Ik neem aan dat dat zo is omdat ze zo zijn opgevoed,” zei Mackenzie. “Als ik geen schort om heb om ze een broodje of bier te brengen, wat ben ik dan?”
Hij haalde zijn schouders op. “Dat kan misschien een beetje zo zijn, maar nee, ik denk dat het iets anders is. Ik denk dat het komt omdat je ze intimideert. Sterker nog, ik denk dat ze een beetje bang van je zijn. Ze zijn bang dat zij misschien dom en onbekwaam overkomen."
“Hoe weet je dat?”
Hij glimlachte slechts een ogenblik naar haar. En hoewel er niets overdreven romantisch aan die glimlach was, was het leuk om op zo'n manier bekeken te worden. Ze kon zich de laatste keer dat Zack haar zo had aangekeken niet meer herinneren; iemand om te waarderen, in plaats van om te gebruiken of te verdragen.
“Nou, dat ligt voor de hand: je bent jong en je bent een vrouw. Je bent in wezen de gloednieuwe computer die op kantoor komt en alle taken overneemt. Naar wat ik hoor ben je ook een wandelende encyclopedie betreffende forensisch onderzoek. Tel daarbij op de manier waarop je die arme journalist vandaag hebt achtervolgd en het plaatje is compleet: Jij bent de nieuwe generatie en zij zijn de oude lullen. Zo is het ongeveer.”
“Dus het is een angst voor vooruitgang?”
“Zeker. Ik betwijfel of ze het ooit zelf zo zouden zien, maar daar komt het wel op neer.”
“Ik neem aan dat dit als compliment is bedoeld?” vroeg ze.
“Natuurlijk is het dat. Dit is de derde keer dat ik moet samenwerken met een zeer gemotiveerde detective, en jij bent veruit de meest volleerd en gedreven detective die ik ken. Ik ben blij dat wij moeten samenwerken.”
Ze knikte alleen omdat ze nog niet zeker was hoe ze met zijn complimenten en evaluaties om moest gaan. Tijdens het werk was hij zeer professioneel en volgens het boekje, niet alleen in zijn benadering van het werk, maar ook in de manier waarop hij haar had benaderd. Maar nu hij wat minder gereserveerd was had Mackenzie moeite om de grens te trekken tussen waar de werk-Ellington stopte en waar de vrije tijds-Ellington begon.
“Heb je er ooit over nagedacht om bij het Bureau te komen werken?” vroeg Ellington.
De vraag verbaasde haar zo erg dat niet wist hoe ze deze moest beantwoorden. Natuurlijk had ze hierover nagedacht. Ze had er ooit als kind over gedroomd. Maar zelfs voor een vastberaden tweeëntwintigjarige die haar zinnen had gezet op een carrière in de rechtshandhaving, leek de FBI een onbereikbare droom.
“Dat heb je wel, hè?” vroeg hij
“Is dat zo duidelijk?”
“Een beetje. Je zag er zo beschaamd uit. ik denk dat je er wel over hebt nagedacht, maar het nooit hebt geprobeerd.”
“Het was een soort droom die ik een tijdje heb gehad”, zei ze.
Het was beschamend om het toe te geven, maar er was iets aan de manier waarop hij haar aan het ondervragen was waardoor ze het niet zo erg vond.
“Je hebt de vaardigheden,” zei Ellington.
“Bedankt,” zei ze. “Maar ik denk dat mijn wortels hier liggen. Ik heb het gevoel dat het te laat is.”
“Het is nooit te laat, weet je.”
Hij keek haar aan, professioneel en intens.
“Wil je dat ik een goed woordje voor je doe en kijk of er iemand geïnteresseerd is?”
Ze stond versteld van zijn aanbod. Aan de ene kant wilde ze dit meer dan wat dan ook, anderzijds bracht het al haar oude onzekerheden weer naar de oppervlakte. Wie was zij om in aanmerking te komen voor een baan bij de FBI?
Langzaam schudde ze haar hoofd.
“Bedankt,” antwoordde ze. “Maar nee.”
“Waarom niet?” vroeg hij. “Niet om slecht te praten over de mannen met wie je werkt, maar je wordt misbruikt.”
“Wat zou ik moeten doen bij de FBI?” vroeg ze.
“Je zou een geweldige veldagent maken,” zei hij. “Hell, misschien ook profiler.”
Mackenzie keek peinzend in haar bier, een beetje verbluft. Ze was te verbijsterd om te praten en voelde nu dat ze veel om over na te denken had. Wat als ze het zou kunnen maken als agent? Hoe drastisch zou haar leven veranderen? Hoe lonend zou het zijn om een baan te hebben waar ze van hield, zonder de hinder van mannen zoals Nelson en Porter om haar tegen te werken?
“Gaat het?” vroeg Ellington.
Ze tuurde nog steeds in het donkere bier wat voor haar stond, en zuchtte. Ze dacht even aan Zack en kon zich het laatste zinvolle gesprek dat ze samen hadden gehad niet meer herinneren.
Wanneer had hij haar voor het laatst zo geprezen zoals Ellington nu deed? Trouwens, wanneer was de laatste keer geweest dat iemand zo hoog over haar opgaf, in haar gezicht?
“Het gaat goed,” zei ze. “Ik waardeer alles wat je zegt. Je hebt me veel gegeven om over na te denken.”
“Goed,” zei Ellington zachtjes, zonder een beat te missen. “Maar mag ik je nog iets vragen? Heb je dat altijd al gedaan, jezelf tekort doen?”
“Ik denk niet dat ik dat bewust doe”, zei ze. "Ik denk dat het gewoon ... Ik weet het niet. Mijn verleden misschien?”
“De dood van je vader?”
Ze knikte.
“Dat is zeker een van de oorzaken”, zei ze.
En dan zijn daar zijn ook nog mijn reeks mislukte relaties, dacht ze, maar ze vond het niet gepast om dat te zeggen. En terwijl ze daarover nadacht vroeg ze zich plotseling af of de twee iets met elkaar te maken hadden, de dood van haar vader en haar relaties. Misschien was de oorzaak van beiden hetzelfde, de dood.
Zou ze er ooit van herstellen? Ze zag niet hoe dat kon. Hoeveel slechteriken ze ook achter de tralies zou zetten, niets leek ooit te helpen.
Hij knikte alsof hij het volkomen begreep.
“Ik begrijp het,” zei hij.
Ze keek hem met een licht spottende glimlach aan zodat hij zou begrijpen dat ze een grapje maakte en vroeg: “Ben je me aan het onderwerpen aan een psychologisch onderzoek, agent Ellington?”
“Nee hoor, ik ben met je aan het praten. Ik luister. Niets meer.”
Mackenzie dronk haar bier op en schoof het glas naar de rand van de bar. De barman pakte het meteen, vulde het opnieuw, en zette het weer voor haar neer.
“Ik weet dat ik me om die reden deze zaak erg aantrek”, voegde ze eraan toe. “Een man gebruikt vrouwen. Misschien is het niet voor seks, maar hij brengt hen pijn en schaamte toe om op die manier een gestoorde mening uit te dragen en een punt te maken."
“En dit is het eerste keer dat je zoiets overkomt?”
“Ja. Ik bedoel, ik ben naar een huiselijke ruzies geweest waarbij een man zijn vrouw hardhandig behandelde, en ik heb twee vrouwen ondervraagd nadat ze waren verkracht. Maar niets vergelijkbaar met dit.”
Ze dronk van haar bier en realiseerde zich dat het veel te lekker smaakte. Ze was nooit een grote drinker geweest maar dit bier, haar derde van die avond, bracht haar naar een denkbeeldige grens die ze na haar studententijd had geprobeerd te vermijden.
“Ik weet niet of mijn voorgevoel iets is waar je waarde aan hecht,” zei Ellington, “maar onze man wordt binnen een paar dagen betrapt. Ik ben er vrij zeker van. Hij wordt te zelfverzekerd en een van die aanknopingspunten die we blijven vinden zal uiteindelijk iets opleveren. En het feit dat jij je echt voor honderd procent inzet is ook een groot pluspunt.”
“Hoe weet je dat zo zeker?” vroeg ze. “Over mijn prestaties, bedoel ik? En waarom ben je zo aardig?”
Hij vervulde haar met vertrouwen en versterkte tegelijkertijd een eigenschap in haar waarvan ze wist dat dit een van de ergste in haar persoonlijkheid was. Ze wist dat ze de neiging had om zich te verdedigen tegen mannen die haar complimenteerden, vooral omdat het altijd betekende dat ze één ding wilden. Kijkend naar Ellington terwijl hij naar haar glimlachte, bedacht ze dat het misschien helemaal niet zo erg zou zijn als hij op zoek was naar dat ene specifieke ding. Sterker nog, ze begon te bedenken of ze niet gewoon ervoor zou gaan en er maar beter van kon genieten. Hij zou morgen weer weggaan dus de kans was heel groot dat ze hem nooit meer zou zien.
Misschien is dat precies wat ik nodig heb, dacht ze. Eén nacht. Geen emotie, geen verwachtingen, alleen het donker en deze FBI-agent die te goed is om waar te zijn en die alle juiste dingen lijkt te zeggen en..
Ze verdrong de gedachte, eerlijk gezegd, het was veel te verleidelijk. Toen besefte ze dat Ellington haar vraag nog steeds niet had beantwoord: Waarom ben je zo aardig?
Hij probeerde niet te lachen en antwoordde uiteindelijk.
“Omdat,” antwoordde hij, ”je verdient een break. Ik heb mijn positie gekregen omdat een vriend van een vriend de plaatsvervangende chef kende. En ik kan je garanderen dat de helft van die holbewoners van je korps hetzelfde of iets dergelijks kunnen zeggen.”
Ze lachte en het geluid ervan deed haar beseffen dat ze op het punt stond om die denkbeeldige grens te overschrijden. Terwijl ze zich probeerde te herinneren wanneer ze voor het laatst dronken was geworden, gooide ze de rest van haar bier achterover en schoof het glas weer naar de rand van de bar. Toen de barman kwam, schudde ze haar hoofd.
“Wil jij rijden?” vroeg ze. “Ik ben een beetje een lichtgewicht. Sorry.”
“Ja dat is prima.”
Toen de barman kwam met hun rekening, pakte Ellington snel de hare voordat ze die had kunnen pakken. Toen ze hem dat zag doen, besloot ze dat ze erachter zou komen hoe een emotieloze nacht met de man van haar dromen eruit zou zien. Tenslotte had ze nu het huis en haar bed helemaal voor zichzelf. Dus waarom niet?
Ze liepen naar buiten naar de auto en ze merkte dat hij extreem dicht bij haar liep. Hij opende de deur van de auto voor haar, waardoor hij nog charmanter leek. Terwijl hij de deur sloot en naar de bestuurderskant liep, liet Mackenzie haar hoofd tegen de hoofdsteun rusten en haalde diep adem. Van een verlaten huis met een dode vrouw vastgebonden aan een paal naar hier, op het punt om een man te verleiden die ze gisteren pas had ontmoet, was dit echt allemaal in minder dan twaalf uur gebeurd?
“Je auto staat op het bureau, toch?” vroeg Ellington.
“Dat klopt,” zei ze. En toen, met kloppend hart, voegde ze er aarzelend toe: “Maar we komen langs mijn huis, we kunnen daar gewoon stoppen als je wilt.”
Hij wierp haar een verwarde blik toe en zijn mondhoeken leken te vechten tussen een glimlach en een frons. Het was duidelijk dat hij begreep wat zij suggereerde en ze twijfelde er niet aan dat hij soortgelijke aanbiedingen eerder had gehad.
“Ah, Jezus,” zei hij en wreef over zijn hoofd. “Dan is dit het moment waarop ik mijn sterke wil en karakter toon en ik je vertel dat ik getrouwd ben.”
Mackenzie keek naar zijn linkerhand, dezelfde hand die ze verschillende keren in de bar had bekeken om er zeker van te zijn. Er was geen ring..
“Ik weet het,” zei hij. “Ik draag hem nooit wanneer ik werk. Ik haat hoe het voelt als ik voor mijn pistool moet gaan.”
“Oh mijn God,” zei Mackenzie. “Ik..”
“Nee, het is goed," zei hij. “En geloof me, ik ben meer dan gevleid. Ik meende alles wat ik daar zei. En hoewel ik er zeker van ben dat de oerman in mij hier de rest van mijn leven mentaal voor zal schoppen, ik hou heel veel van mijn vrouw en mijn dochter. Ik denk dat ik..”
“Kun je me gewoon naar mijn auto brengen?” vroeg Mackenzie beschaamd. Ze keek uit het raam en had zin om te schreeuwen.
“Het spijt me,” zei Ellington.
“Niet doen. Het is mijn fout. Ik had beter moeten weten.”
Hij startte de auto en reed de parkeerplaats af. “Beter dan wat?” vroeg hij terwijl ze terug reden naar het bureau.
“Niets,” zei ze, nog steeds weigerend naar hem te kijken.
Maar in de zware stilte op weg naar het bureau, dacht ze: ik had beter moeten weten dan te geloven in iets wat te mooi is om waar te zijn.
Terwijl ze zwijgend naar huis reden, wilde ze het liefste helemaal in elkaar kruipen en verdwijnen. Ze haatte zichzelf en vroeg zich af of ze zojuist de kans van haar leven om een stap vooruit te komen grondig had verpest.
HOOFDSTUK ZEVENTIEN
Mackenzie werd de volgende ochtend om 06.45 uur wakker door het geluid van een binnenkomende tekst. Ze was klaarwakker, gekleed in haar ondergoed. Ze controleerde het bericht en de moed zakte in haar schoenen toen ze zag dat het van Ellington kwam.
Op weg naar huis. Ik bel je later vandaag om in te checken.
Ze dacht erover hem meteen te bellen. Ze was zich er terdege van bewust dat ze zich gisteren als een onvolwassen tiener had gedragen. Ze was zelfs niet eens afgewezen. Ellington was eenvoudigweg trouw gebleven aan zijn karakter, en ze voegde ‘trouwe echtgenoot’ toe aan de lange lijst van bewonderenswaardige karaktereigenschappen.
Uiteindelijk liet ze het gaan. Ze voelde zich nog steeds beschaamd maar meer dan dat, ze voelde zich verslagen. En dat voelde ze zich niet vaak. De moordenaar liep nog steeds los rond en ze waren geen stap verder gekomen om hem te vangen dan drie dagen geleden. Ze had haar drie jaar lang inwonende vriend verloren en was minder dan vierentwintig uur later verliefd geworden op een FBI-agent. Tot overmaat van ramp had ze een glimp gezien van wat haar toekomst had kunnen zijn wanneer ze bij Ellington zou zijn geweest; ze had gezien hoe haar baan had kunnen zijn met iemand die haar met respect behandelde en in zekere zin ontzag voor haar had. En nu was dat weg.
Ze had alleen Porter en Nelson nog om naar uit te kijken, die omringden haar met twijfel juist nu ze volledig in beslag genomen werd door een zaak die ze zich persoonlijk erg aantrok.
Terwijl ze een shirt aantrok, ging ze op de hoek van haar bed zitten en keek naar haar mobiele telefoon. Plotseling was het niet Ellington die ze wilde spreken. Ze dacht aan iemand anders, iemand die dezelfde trauma's en hetzelfde gevoel van falen deelde dat ze zelf zo goed kende.
Met een plotselinge kriebel in haar maag pakte Mackenzie haar mobiele telefoon van het dressoir en scrolde door haar contacten. Toen ze de naam Steph zag verschijnen, drukte ze op CALL, maar bijna bedacht ze zich.
Tegen de tijd dat de telefoon aan de andere kant begon te rinkelen, had ze er al weer spijt van dat ze had gebeld. De telefoon ging twee keer over voordat ze werd opgenomen. De stem van haar zus aan de andere kant was bekend, maar een die ze bijna nooit hoorde.
“Mackenzie,” zei Stephanie. “Het is nog heel vroeg.”
“Je bent altijd al om vijf uur wakker,” merkte Mackenzie op.
“Dat is waar. Maar het gaat om het principe. Het is heel vroeg.”
“Sorry,” zei ze. Het was een woord dat ze veel gebruikte als ze met Steph sprak. Niet omdat ze het echt meende, maar omdat Steph haar altijd een schuldgevoel gaf over de kleinste dingen.
“Wat heeft Zack deze keer gedaan?” vroeg Steph.
“Het is niet Zack,” zei Mackenzie. “Zack is weg.”
“Goed,” zei Steph zakelijk. “Hij was een verspilling van ruimte.”
Het was even stil op de lijn. Het was duidelijk dat Steph gemakkelijk de rest van haar leven had kunnen leiden zonder ooit nog met haar zus te praten. Het was een feit dat ze meerdere keren duidelijk had gemaakt. Ze haatten elkaar niet, dat zeker niet, maar interactie met elkaar bracht het verleden naar voren. En het verleden was iets waar Steph het grootste deel van de drieëndertig jarige leven haar best had gedaan om het te proberen te vergeten. Zoals altijd klonk Steph half in slaap toen ze door de telefoon sprak.
“Het heeft geen zin om in details te treden. Rekeningen met moeite betaald. Alcoholisch vriendje met een reputatie voor het uitdelen van rechtse hoeken richting mij. Constante migraine. Wat zou je graag willen horen?”
Mackenzie haalde diep adem.
“Nou, waarom beginnen we niet met die vriend die je slaat?” zei Mackenzie. "Waarom geef je hem niet aan wegens geweld?”
Steph lachte alleen maar en antwoordde. “Teveel gedoe. Nee bedankt.”
Mackenzie beet op haar tong om niet op de andere onderwerpen terug te komen. Onder hen waren: Hoe zit het met het weer oppakken van je studie, te werken in de richting van je diploma en dan die baan zonder toekomst op te zeggen? Maar dit was niet het moment voor een dergelijk advies. Het telefoongesprek zou oppervlakkig blijven. Ze hadden allebei lang geleden geleerd dat het op die manier beter was.
"Dus vertel op," zei Steph. “Je belt alleen maar als het slecht met je gaat. Is het alleen omdat Zack is weggegaan? Want als dat zo is, laat me je dit vertellen, dat is het beste wat je ooit had kunnen overkomen.”
“Dat ook,” zei Mackenzie. “Maar er is ook een moordzaak die me zo erg raakt, zoals dat ik nog nooit heb meegemaakt. Het geeft me het gevoel, ik weet het niet, onvoldoende. Tel daar nog bij op dat ik gisteren een getrouwde man in bed heb uitgenodigd en …”
“En, was het leuk?” onderbrak Steph.
“God, Steph. Is dat alles wat je van het hele gesprek hebt opgevangen?”
“Het was het enige interessante wat ik hoorde. Wie was het?”
“Een FBI-agent die uitgezonden is om te helpen met de zaak.”
“Oh,”zei Steph, kennelijk klaar met het gesprek. Er viel ongeveer vijf seconden stilte voordat ze de vraag herhaalde: “En?"
“Nee.”
“Auw,” zei Steph.
“Heb je geen zin om te praten?” vroeg Mackenzie.
“Zelden. Ik bedoel, we zijn vreemden voor elkaar, Mackenzie. Wat wil je van me?”
Mackenzie zuchtte, overweldigd door verdriet.
“Ik wil mijn zus,” zei Mackenzie en verbaasde zichzelf. “Ik wil een zuster die ik kan bellen en die me van tijd tot tijd zelf belt om me te vertellen over de engerd op het werk die handtastelijk is.”
Steph zuchtte. Het geluid van de zucht leek de achthonderd kilometer te reizen die hen scheidde, en kwam via de telefoon als een klap in haar gezicht aan.
“Dat ben ik niet,” zei Steph. “Je weet dat altijd wanneer wij praten, papa naar boven komt. En vanaf dat moment gaat alles bergafwaarts. Erger nog, we beginnen over mama te praten.”
Het woord moeder stuurde nog een klap door de telefoonlijn. “Hoe is het met haar?” vroeg Mackenzie.
“Hetzelfde als altijd. Ik heb haar vorige maand nog gesproken. Ze vroeg om geld.”
“Heb je het haar geleend?”
“Mackenzie, ik heb geen geld om haar te lenen.”
Nog een stilte vulde de telefoon. Mackenzie had bij verschillende gelegenheden aangeboden Steph geld te lenen, maar elke poging had minachting, woede en wrok opgeroepen. Dus na een tijdje was Mackenzie gewoon gestopt met proberen.
“Verder nog iets?” vroeg Steph.
“Nog één vraag, als je het niet erg vindt,” zei Mackenzie.
“Wat is het?”
“Toen je met mam sprak, heeft ze het over mij gehad?”'
Steph was een tijdje stil en antwoordde toen eindelijk. Toen ze dat deed, was haar slaperige stem terug. “Wil je dit echt jezelf aandoen?”
“Heeft ze naar mij gevraagd?” vroeg Mackenzie, haar stem nu luider en veeleisender.
“Ja dat heeft ze. Ze vroeg of ik dacht of jij haar geld zou lenen. Ik zei dat ze het je zelf moest vragen. Dat was het.”
Mackenzie voelde zich overweldigd door verdriet. Dat was alles wat haar moeder van haar had gewild. Ze hield de telefoon tegen haar oor en voelde een traan, niet zeker van wat ze nu moest zeggen.
“Luister,” zei Steph. “Ik moet nu echt gaan.”
De verbinding werd verbroken.
Mackenzie smeet de telefoon op het bed en staarde er even naar. Het gesprek had niet meer dan vijf minuten geduurd, maar het voelde als een heel leven. Toch was het vreemd genoeg veel beter gegaan dan hun laatste paar telefoontjes, die waren geëindigd met ruzies over de familiedynamiek met betrekking tot wie de schuld had van de ondergang van hun moeder na de dood van hun vader. Maar op een bepaalde manier was dit gesprek pijnlijker geweest.
Ze dacht aan de jaren die als een zwarte sluier lagen tussen de nacht dat ze haar vader dood had aangetroffen en de nacht dat haar moeder voor het eerst naar de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis was gebracht. Mackenzie was zeventien toen dat gebeurde; Steph was op de universiteit geweest en studeerde voor een diploma in de journalistiek. Daarna was alles bergafwaarts gegaan voor hen drieën, Mackenzie was de enige die het allemaal had kunnen verwerken en er naar omstandigheden nog redelijk uit was gekomen.
Terwijl ze zich aankleedde dacht ze aan haar moeder en vroeg ze zich af waarom de arme vrouw ervoor had gekozen haar overal de schuld van te geven en haar te haten. Het was een vraag die ze diep had weggestopt, en alleen naar voren kwam wanneer ze erg depressief was.
Ze deed haar uiterste best om te voorkomen dat ze die kant op ging en pakte haar telefoon, insigne en pistool. Daarna ging ze vastberaden naar haar werk. Maar waar zou ze naartoe gaan? Wat was haar volgende stap? Voor het eerst sinds ze gepromoveerd was tot rechercheur, had ze het gevoel dat ze vastliep.
Doodlopende weg, dacht ze, de woorden begonnen in haar hoofd vorm te krijgen.
Ze dacht aan de onverharde weg waarlangs het tweede lijk was gevonden. Was het niet daar waar het pad dood liep?
En hoe zit het met het verlaten huis? Het grindpad dat naar het huis liep en het pad waar het derde slachtoffer was gevonden, waren doodgelopen in een klein lapje grond voor het huis.
“Doodlopend,” zei ze hardop toen ze haar huis verliet.
En plotseling wist ze waar ze heen moest.
HOOFDSTUK ACHTTIEN
Zijn woonkamer was voor het grootste gedeelte donker, enkel verlicht door de dunne stralen van de ochtendzon die erin slaagden om door de luiken heen te kruipen. Hij zat in een oude haveloze fauteuil en keek naar het oude rolbureau in de hoek van de kamer. Het rolluik ervan was open en onthulde de voorwerpen die hij van elk offer had bewaard.
Er lag een tasje met een portemonnee erin. In de portemonnee zat het rijbewijs van Hailey Lizbrook. Er lag ook een rok, die van de vrouw was geweest die hij in het veld had opgehangen, en een plukje licht rossig haar met zwarte haarverf aan de uiteinden, van de vrouw die hij achter het verlaten huis had geplaatst.
Er was nog ruimte voor souvenirs die hij terug zou brengen van de rest van zijn offers; herinneringen aan elke vrouw die hij nam ter wille van het werk dat de Heer aan hem had opgedragen. Hoewel hij blij was met hoe het tot nu toe was gegaan, wist hij dat er nog meer werk aan de winkel was.
Hij zat in de leunstoel te staren naar zijn souvenirs – zijn trofeeën – en wachtte tot de zon opkwam. Pas wanneer de ochtend volledig aangebroken was moest hij weer aan het werk.
Toen hij naar de voorwerpen in het rolbureau keek, vroeg hij zich (niet voor het eerst) af of hij een slecht mens was. Hij dacht van niet. Iemand moest dit werk doen. De moeilijkste taken werden altijd overgelaten aan degenen die niet bang waren om ze te doen.
Maar soms, wanneer hij de vrouwen hoorde schreeuwen en smeken voor hun leven, vroeg hij zich af of er iets mis was met hem.
Toen de lichtstralen op de vloer van doorzichtig geel naar een bijna te fel wit kleurden, wist hij dat het moment was aangebroken.
Hij stond op van zijn stoel en liep de keuken in. Vanuit de keuken via een hordeur die naar zijn achtertuin leidde verliet hij het huis.
De tuin was klein en afgesloten door middel van een oud gevlochten hekwerk wat totaal niet op zijn plaats leek, maar op een of andere manier werd gecamoufleerd door de verwaarlozing van de buurt. Het hoge gras was overwoekerd met onkruid. Bijen zoemden en andere naamloze insecten renden weg toen hij naderde en zijn weg door het hoge gras baande.
Achter in de tuin stond een oude schuur die de hele linker hoek vulde. Die deed nog meer afbreuk aan de toch al lelijke bouwval. Hij liep ernaartoe en trok de deur open, die aan oude roestige scharnieren hing. De deur ging krakend open en onthulde de vochtige duisternis binnen.
Voordat hij binnentrad keek hij rond naar de aangrenzende huizen. Niemand was thuis. Hij kende hun schema’s goed.
Nu, in het veilige licht van negen uur ’s ochtends, stapte hij zijn schuur in en trok de deur achter zich dicht. De schuur was gevuld met de geur van hout en stof. Toen hij binnenkwam, rende er een grote rat langs de achterwand en ontsnapte door een spleet in de planken. Hij besteedde geen aandacht aan het knaagdier en ging meteen naar de drie lange houten palen die aan de rechterkant van de schuur lagen. Ze waren in een miniatuur piramidevorm gestapeld, de ene boven op de andere twee. Tien dagen geleden waren er nog drie andere palen geweest. Maar die waren voor een goed doel gebruikt en hadden hem geholpen bij zijn werk.
En nu moest er nog een worden voorbereid.
Hij liep naar de palen en streek liefdevol met zijn hand over het versleten cederhout van de bovenste. Vervolgens ging hij naar de achterkant van de schuur, waar een kleine werktafel stond. Er lag een oude handzaag, de tanden scherp en roestig, een hamer en een beitel. Hij pakte de hamer en de beitel op en keerde terug naar de palen.
Terwijl hij de hamer ophief dacht hij aan zijn vader. Zijn vader was timmerman geweest. Bij vele gelegenheden had zijn vader hem verteld dat de Goede Heer Jezus ook timmerman was geweest. De gedachten aan zijn vader deden hem aan zijn moeder denken. Het herinnerde hem eraan waarom ze hen had verlaten toen hij pas zeven jaar oud was geweest.
Hij dacht aan de man die in hun straat had gewoond en hoe deze altijd op bezoek kwam als zijn vader niet thuis was geweest. Hij herinnerde zich de piepende bedspiralen en de vuile taal die uit de slaapkamer kwamen, afgewisseld met kreten van zijn moeder, kreten die tegelijkertijd gelukkig en gekwetst hadden geklonken.
“Ons geheim,” had zijn moeder gezegd. “Hij is gewoon een vriend en je vader hoeft er niets van te weten, toch?”
Hij had ingestemd. Trouwens, zijn moeder had gelukkig geleken. Daarom was hij zo in de war geweest toen ze hen verliet.
Hij legde zijn handen op de bovenste paal en sloot zijn ogen. Wanneer je hem zo had zien staan, had je misschien gedacht dat hij aan het bidden was voor de paal, of er op de een of andere manier mee communiceerde.
Toen hij klaar was, opende hij zijn ogen en zette de hamer en beitel in beweging.
In het schaarse licht dat door de kieren in de planken naar binnen scheen, begon hij te beitelen.
Eerst kwam N511, daarna J202.
Daarna zou er een offer komen.
En dat zou hij vanavond opeisen.
HOOFDSTUK NEGENTIEN
Licht hoopvol stapte Mackenzie het kleine koffietentje binnen. Nadat ze het ongemakkelijke telefoongesprek met haar zus had beëindigd, had ze nog een telefoontje gepleegd, naar iemand met wie ze al een hele tijd niet had gesproken. Het gesprek was kort en bondig geweest, en was afgesloten met een afspraak om koffie te drinken.
Ze keek op en herkende de man die ze gebeld had meteen. Hij was moeilijk te missen; in een menigte van gehaaste mensen op weg naar hun werk, de meesten jong en goed gekleed, viel zijn witte haar en flanellen shirt gigantisch op.
Hij zat met de rug naar haar toe. Ze benaderde hem en legde zachtjes haar hand op zijn schouder.
“James,” zei ze. “Hoe gaat het met je?”
Hij draaide zich om en glimlachte breed naar haar, terwijl ze voor hem ging zitten.
“Mackenzie, ik zweer dat je alleen maar mooier en mooier wordt,” zei hij.
“En jij wordt steeds meer charmant,” zei ze. “Het is goed je te zien, James.”
“Insgelijks,” zei hij.
James Werner liep tegen de zeventig, maar zag er eerder uit als tachtig. Hij was lang en mager, iets waardoor de agenten met wie hij ooit samen had gewerkt hem de bijnaam Crane hadden gegeven, naar het Disney-personage Ichabod Crane. Hij had die bijnaam behouden nadat hij zich had teruggetrokken uit de strijdmacht, en acht jaar had gewerkt als consultant voor het lokale politiekorps en twee keer voor de staatspolitie.
“Wat kan er aan de hand zijn dat zo erg is dat je een oude lul zoals ik benadert?” vroeg hij.
Er zat humor in de vraag, maar Mackenzie voelde zich een beetje beschaamd toen ze zich realiseerde dat James de tweede persoon was in minder dan twee uur die ze had gebeld omdat ze in de problemen zat.
“Ik vroeg me af of je ooit een zaak hebt gehad die je persoonlijk heel erg heeft geraakt,” zei ze. “En ik bedoel niet iets wat je alleen maar dwarszat. Ik heb het over een zaak die je zo erg treft dat je paranoïde wordt als je thuis bent en het voelt alsof elke mislukte actie jouw schuld is.”
“Ik neem aan dat je het hebt over de zaak met de slecht gekozen bijnaam, de Vogelverschrikker Moordenaar?” vroeg James.
“Hoe…” vroeg ze bijna, maar toen besefte ze dat ze het antwoord al wist, hoewel James de onafgemaakte vraag beantwoordde.
“Ik zag je foto in de krant,” zei hij voordat hij een klein slokje van zijn koffie nam. “Ik was blij voor je. Je hebt een zaak als deze nodig voor je werkervaring. Ik meen me te herinneren dat ik enkele jaren geleden al tegen je heb gezegd dat je voorbestemd was om dit soort zaken te kraken.”
“Dat klopt,” zei ze.
“Toch zit je nog steeds in de loopgraven met het lokale politiekorps?”
“Ja, inderdaad.”
“Behandelt Nelson je goed?”
“Zo goed als hij kan, gezien het team dat voor hem werkt. Hij heeft mij immers op deze zaak gezet. Ik hoop dat het een manier van hem is om mij een kans te geven mezelf te bewijzen, zodat al die macho-onzin van de anderen stopt."
“Werk je nog steeds met Porter?”
“Ja normaal wel, maar hij is ergens anders op gezet toen er een FBI-agent opdook.”
“Werken met de FBI,” zei James met een glimlach. “Ik geloof dat dat een andere voorspelling was die ik over jou heb gedaan. Maar laten we ter zake komen.”
Hij glimlachte en boog zich naar voren.
“Vertel me eens waarom deze zaak jou zo persoonlijk raakt. En als je het op een oppervlakkig geklets houdt, pak ik mijn koffie op en vertrek. Ik heb het veel te druk en wel wat beters te doen.”
Ze lachte.
“De glamour van het gepensioneerde leven,” zei ze.
“Je hebt helemaal gelijk,” zei James. “Maar probeer niet van onderwerp te veranderen.”
Ze wist beter dan te dralen en te treuzelen. Dat had ze vijf jaar geleden geleerd toen hij haar onder zijn hoede had genomen, haar de beginselen van het profileren had geleerd en hoe ze in de geest van een crimineel kon kruipen. De man was zo koppig als een ezel en had altijd gelijk, en dit was volgens Mackenzie altijd de reden geweest waarom ze zo goed met elkaar konden opschieten.
“Ik denk dat het komt doordat het een man is die alleen vrouwen lijkt te vermoorden. Sterker nog, hij vermoordt vrouwen die hun lichaam gebruiken om de kost te verdienen.”
“En waarom stoort je dat?”
Het deed pijn in haar hart om het te zeggen, maar het kwam er toch uit.
“Het doet me aan mijn zus denken. En als ik aan mijn zus denk, denk ik aan mijn vader. En als ik me zo voel, voel ik me een mislukking omdat ik deze man nog niet heb kunnen oppakken.”
“Je zus was stripper?” vroeg James.
Ze knikte.
“Voor ongeveer zes maanden. Ze haatte het. Maar het geld was goed genoeg om haar te helpen overeind te komen na een moeilijke periode. Het maakte me altijd verdrietig wanneer ik dacht aan wat ze voor de kost deed. En hoewel ik mijn zus niet aan die houten palen zie wanneer ik de plaatsen delict bezoek, weet ik dat de kans groot is dat de vrouwen die deze kerel vermoordt waarschijnlijk een leven hadden dat erg op dat van Steph leek.”
“Tja, Mackenzie, je beseft wel dat het altijd alles terugkoppelen naar je vader wanneer dingen niet zo lopen als je wilt een vorm van zelfbeschadiging is, toch? Je moet jezelf daarover niet kwellen.”
“Ik weet het. Maar ik kan er niets aan doen.”
“Nou, dan laten we dat onderwerp maar even rusten. Ik neem aan dat je me voor een soort advies hebt gebeld, toch?”
“Ja.”
“Nou, het slechte nieuws is dat alles wat ik in het nieuws heb gelezen exact is wat ik ook zou zeggen en doen. Jullie zijn op zoek naar een man met een afkeer van seks die waarschijnlijk problemen heeft gehad met een vrouw, zus of moeder in zijn leven. Ik zou er echter ook aan willen toevoegen dat deze kerel waarschijnlijk niet veel buiten komt. Zijn voorliefde om zijn slachtoffers in zulke landelijke gebieden tentoon te stellen, doet me vermoeden dat hij uit een klein dorp komt. Hij woont waarschijnlijk in een achterstandswijk van de stad. En als het niet déze stad is, dan toch zeker ergens binnen een straal van ongeveer honderd kilometer. Maar dat laatste is een gok.”
“Dus we zouden onze zoekgebied kunnen verkleinen naar iemand die cederhouten palen gereed heeft liggen in de armere wijken van de stad?”
“Het is een begin. Vertel eens, zijn er details die je hebt opgemerkt op de plaatsen delict die misschien op de achtergrond zijn verdwenen als gevolg van de allesomvattende gruwelijkheid van het misdrijf?”
“Alleen die cijfers,” zei ze.
“Ja, ik heb erover gelezen, maar slechts twee keer. De media is te geobsedeerd door het beroep van de vrouwen om stil te staan bij iets wat ze niet meteen begrijpen. Zoals die cijfers. Maar onthoud: neem nooit een plaats delict als vanzelfsprekend aan. Elke locatie heeft een verhaal te vertellen. Zelfs wanneer dat verhaal is verborgen in iets dat in het begin onbeduidend lijkt, er is altijd een verhaal. En het is jouw taak om het te vinden, te lezen en erachter te komen wat het betekent.”
Ze dacht daarover na. Wat, vroeg ze zich af, had ze over het hoofd gezien?
“Er is nog iets dat ik je wil vragen,” zei ze. “Ik sta op het punt om iets te doen dat ik nog nooit eerder heb gedaan, en ik wil niet dat het mijn persoonlijke situatie verslechterd. Het kan mogelijk nog diepere mentale schade veroorzaken.”
James keek haar even aan en gaf haar dezelfde sluwe glimlach die hij soms aan haar gegeven had toen hij nog haar mentor was geweest. Het betekende dat hij iets had bedacht zonder dat het hem was verteld.
"Je gaat terug naar de plaatsen van het misdrijf,” zei hij.
“Ja.”
“Je gaat proberen in de psyche van de moordenaar binnen te dringen,” zei hij. "Je gaat proberen de scènes te zien door de ogen van een beschadigde man, met een haat voor vrouwen en een gestoord soort angst voor seks.”
“Dat is het plan,” zei ze.
“En wanneer ga je dit doen?"
“Zodra ik hier wegga.”
James leek hier even over na te denken. Hij nam nog een slokje van zijn koffie en knikte goedkeurend.
“Ik weet dat je hier absoluut toe in staat bent,” zei hij. “Maar ben je er mentaal klaar voor?”
Mackenzie haalde haar schouders op en zei: “Ik moet wel.”
“Het kan gevaarlijk zijn,” waarschuwde hij. “Als je de locaties door de ogen van de moordenaar begint te zien, kan het de manier vervormen waarop je getraind bent om dat soort taferelen te zien. Daar moet je klaar voor zijn, om de grens te trekken tussen dat soort duistere inspiratie en je ultieme behoefte om deze man te vinden en hem op te pakken.”
“ Dat weet ik," zei Mackenzie zachtjes.
James trommelde met zijn vingers langs de zijkant van zijn kop koffie. “Zou je willen dat ik met je meega?”
“Ik heb erover gedacht je te vragen,” zei ze. “Maar ik denk dat dit iets is dat ik alleen moet doen.”
“Dat is waarschijnlijk de juiste beslissing,” zei James. “Ik moet je echter waarschuwen: als je dingen vanuit het perspectief van een moordenaar probeert te bekijken, sta jezelf dan nooit toe conclusies te trekken. Probeer opnieuw te beginnen. Sluit je geest niet af met veronderstellingen, zoals deze man heeft gewoon een hekel aan vrouwen. Laat de locatie tegen je praten voordat je jezelf op de locatie projecteert.”
Mackenzie grijnsde schaapachtig. “Dat klinkt behoorlijk New Age,” zei ze. “Heb je een nieuwe roeping gevonden?"
“Nee. De roepingen stoppen na de pensionering. Hoe lang heb je nog voordat je aan deze kleine zoektocht begint?”
“ Nog wel even”, zei ze. “Ik wil de eerste locatie tegen de middag bezoeken.”
“Goed,” zei hij. “Dat betekent dat je nog wat tijd hebt. Dus zet deze Vogelverschrikker Moordenaar onzin even uit je hoofd. Bestel een kop koffie en hou deze oude man even gezelschap. Wat vind je daarvan?”
Ze gaf hem een blik die ze hem een jaar lang, toen hij haar begeleid had, met moeite had weten te onthouden. Ze zag eruit als een jong meisje dat naar haar vader keek met de behoefte hem te plezieren en gelukkig te maken. Hoewel ze nooit een psychoanalyse had ondergaan om deze waarheid te ontrafelen, had ze het meteen geweten, vanaf de eerste week toen ze twee uur verspreid over twee dagen met hem doorgebracht. James Werner was in die tijd in haar leven een vaderfiguur voor haar geweest, en het was iets waarvoor ze hem altijd dankbaar zou zijn.
Dus toen hij haar vroeg om een kopje koffie te bestellen en hem gezelschap te houden, was ze blij met de verplichting. Het maisveld, de grindweg en dat oude verlaten huis lagen al eeuwen onbeweeglijk. Ze konden best nog een uur wachten.
HOOFDSTUK TWINTIG
Tijdens de korte opleidingsperiode bij James Werner was één van de dingen waarvoor hij haar steeds weer voor geprezen had, haar instinct geweest. Hij had gezegd dat haar voorgevoel beter was dan het lezen van handpalmen of theeblaadjes voor een indicatie van wat ze daarna zou moeten doen.
Daarom verspilde ze geen tijd met het maisveld waar het lichaam van Hailey Lizbrook was ontdekt en het open veld waar het tweede lichaam was gevonden.
Ze ging direct terug naar het verlaten huis waar het laatste slachtoffer was aangetroffen. Tijdens haar eerste bezoek had ze het gevoel gehad dat de donkere ramen een stel ogen waren geweest die elke beweging van haar hadden gadegeslagen. Ze had toen diep in haar hart geweten dat deze plaats meer te vertellen had. Maar na het hele gedoe Ellis Pope was het een gevoel geweest wat ze niet verder had kunnen onderzoeken.
Ze parkeerde haar auto voor de deur en staarde voordat ze uitstapte, even door de voorruit naar het huis. De voorkant van het huis zag er onheilspellend uit, alsof het model had gestaan voor elk spookhuis dat ooit in een blad of film een rol had gespeeld. Ze keek naar het huis en probeerde het op dezelfde manier te zien als een moordenaar het gezien zou kunnen hebben. Waarom voor deze locatie kiezen? Was het het huis zelf, of het overweldigende gevoel van isolatie dat hem aansprak?
Dit deed haar op haar beurt weer nadenken over hoe lang de moordenaar de locaties waar hij zijn slachtoffers zou gaan tonen had doorzocht. De rapporten van de lijkschouwer leken erop te wijzen dat de vrouwen eerst naar deze locaties waren gebracht en pas daarna gedood, en niet van tevoren waren gedood en geprepareerd om te worden bekeken op de display-sites. Waarom? Wat was hier het doel van?
Uiteindelijk stapte Mackenzie uit de auto. Voordat ze naar de vervallen veranda liep, liep ze langs de zijkant van het huis naar de plek waar het derde slachtoffer was vastgebonden. Het lichaam en de paal waren verwijderd; het gebied was zichtbaar verstoord, vertrapt door het voetverkeer van het handjevol autoriteiten dat de locatie had bezocht. Mackenzie stond waar de paal was geweest, het gat was nog steeds zichtbaar en de losse grond lag er keurig omheen.
Ze zakte naar beneden en legde haar hand op het gat. Ze keek naar het omliggende bos en de achterkant van het huis, en probeerde te zien wat de moordenaar had gezien op het moment dat hij de vrouw begon aan te vallen. Een rilling liep over haar rug terwijl ze haar ogen sloot en zich probeerde in te leven.
Gelet op het patroon van de verwondingen kon gesteld worden dat de zweep die hij gebruikte aan het uiteinde meerdere kwasten had, mogelijk voorzien van haken. Het moest met grote kracht gebruikt zijn om het vlees zo open te rijten zoals bij de slachtoffers het geval was geweest. Hij zou waarschijnlijk de slachtoffers eerst stalken, rondjes rond de paal lopen, genietend van hun geschreeuw en hun smeekbeden. Dan gebeurde er iets. Er knapte iets in zijn hoofd of misschien zei het slachtoffer iets dat hem triggerde. Dat is wanneer hij ze begon te slaan.
Hier, op deze locatie, was hij kwader geworden dan voorheen; de striemen bevonden zich niet alleen aan de achterkant zoals bij de anderen, maar reikten tot de borst en buik, een paar sneden zelfs in haar billen. Op een gegeven moment denkt de moordenaar dat zijn werk klaar is en stopt. En dan wat? Zorgt hij ervoor dat ze dood zijn voordat hij het terrein in een vrachtwagen of een busje verlaat? Hoe lang blijft hij hier bij hen?
Als hij moord voor meer dan alleen plezier, bijvoorbeeld uit afkeer van vrouwen en/of seks, dan hangt hij waarschijnlijk een tijdje rond, kijkend hoe ze bloeden, kijkend naar hoe het leven uit hun ogen wegsijpelt. Terwijl ze sterven, is hij misschien moedig genoeg om naar hun lichaam te kijken, om met een trillende hand experimenteel een borst aan te raken. Voelt hij zich veilig of sterk, vol walging of opgetogen om hen te zien bloeden, om te zien hoe de mantel van de dood over hen valt en hun blote lichamen tentoongesteld achterlaat?
Mackenzie opende haar ogen en keek weer naar het gat waar haar hand nog steeds op rustte. Uit de rapporten bleek dat alle drie de gaten grof en in snel tempo met een schep waren gegraven, in plaats van met veel schonere en nauwkeurigere graafmachines. Hij had haast gehad om de zaak op gang te brengen, en vervolgens had hij de palen in de gaten geplaatst en met de losse grond weer opgevuld. Waar waren de vrouwen toen geweest? Gedrogeerd? Bewusteloos?
Mackenzie stond op en liep terug naar de voorkant van het huis. Ze had geen echte reden om aan te nemen dat de moordenaar binnen was geweest, maar het feit dat hij de tuin had gekozen als één van zijn trofee-tribunes, maakte het huis schuldig door associatie.
Ze stapte de veranda op en deze kraakte meteen onder haar gewicht. In feite leek de hele veranda zich om haar gewicht te bekommeren. Ergens in het bos riep een vogel als antwoord.
Ze liep het huis binnen en duwde tegen een grotendeels versleten houten deur die over de vloer schuurde. Ze werd meteen aangevallen door de geur van stof en meeldauw, de algehele geur van verwaarlozing.
Het huis binnenstappen was alsof je een zwart-witfilm binnenstapte. Eenmaal binnen vertelde het instinct dat James ooit zo hoog geprezen had haar, dat er hier niets abnormaals was, geen enorme ‘aha’ achtige aanwijzingen die deze zaak zou kunnen oplossen.
Toch kon ze het niet laten. Ze onderzocht de lege kamers en gangen. Ze bekeek de gebarsten muren en het afbladderende gips en probeerde zich een gezin voor te stellen dat ooit in deze verwaarloosde ruimte woonde. Uiteindelijk ging ze naar de achterkant van het huis, waar ze de indruk kreeg dat de keuken betere tijden had gekend. Het.oude gebarsten linoleum klampte zich in krullen aan de vloer vast, en onthulde de rotte vloerdelen eronder. Ze keek de keuken in en zag de twee ramen die naar de achtertuin keken, dezelfde twee ramen waarvan ze het gevoel had gehad dat deze haar aan hadden gestaard tijdens haar eerste bezoek hier.
Ze liep door de keuken en bleef dicht tegen het verwaarloosde aanrecht lopen wat tegen de de buitenmuur geplaatst om de twijfelachtige vloer te vermijden. Terwijl ze zich voortbewoog, besefte ze hoe volkomen stil het in huis was. Dit was een plek voor spoken en herinneringen, en niet voor een wanhopige detective die blindelings zocht naar een inzicht van wat een moordenaar had doorgemaakt. Hoe dan ook, ze liep naar de achterwand en keek uit het eerste raam, links van de oude gehavende gootsteen.
De locatie waar de paal en het derde slachtoffer waren geweest, waren zonder hinder zichtbaar vanuit het raam. Vanuit het huis leek het lang niet zo intimiderend. Mackenzie probeerde zich de volgorde van de dingen voor te stellen vanuit deze positie bij het raam, alsof ze via een tv naar de verbeelde scène keek. Ze zag de moordenaar de vrouw naar de paal brengen die hij daar al had geplaatst. Ze vroeg zich af of ze bewusteloos of misschien dronken was, wiebelend op haar voeten met zijn arm onder de hare en haar vasthoudend in haar zij..
Ze kwam op een idee waarvan nog niemand de moeite had genomen om het te onderzoeken. Hoe krijgt hij ze naar de paal? Zijn ze uitgeschakeld? Gedrogeerd? Gewoon brute kracht? Misschien moeten we de lijkschouwer laten controleren op iedere substantie die lusteloos gedrag veroorzaakt ...
Ze staarde nog wat langer naar het tafereel en begon de afzondering van het bos langs de achtertuin te voelen die zwaar op haar gemoedstoestand drukte. Er was niets daarbuiten, alleen bomen, verborgen dieren en kleine beroeringen van de wind.
Ze verliet de keuken en liep terug naar wat ooit de woonkamer was geweest. Een oud versleten bureau stond tegen de muur. Het was zichtbaar kromgetrokken aan de bovenkant en veel van de daarop uitgezaaide papieren zagen eruit als bladeren die op de grond waren gevallen en jarenlang hadden geleden onder de regen. Mackenzie liep naar het bureau en snuffelde het stapeltje papieren door.
Ze zag facturen voor varkensvoer en graan. De oudste was van juni 1977 en kwam van een veevoeder bedrijf in Chinook, Nebraska. Schrijfblok papier dat zo erg verouderd was dat de blauwe lijnen ontbraken, hield iemands vervaagde handschrift vast. Mackenzie wierp een blik op de tekst en zag wat notities leken te zijn voor een zondagsschoolles. Ze zag verwijzingen naar Noach en de vloed, David en Goliath en Samson. Onder de puinhoop van papier lagen twee boeken: een devotionele genaamd Gods Helende Woord en een Bijbel die er zo oud uitzag dat ze vreesde dat deze bij haar aanraking tot stof zou verkruimelen.
Ze ontdekte ze dat ze niet weg kon kijken van de Bijbel. Terwijl ze ernaar keek, kwamen visioenen bij haar op van de kruisiging, waarover ze had geleerd tijdens het handjevol bezoeken dat ze op jonge leeftijd met haar moeder aan een kerk had gewaagd. Ze dacht aan Christus aan het kruis en wat de betekenis ervan was geweest, en merkte dat het boek een zekere aantrekkingskracht op haar had.
Ze dacht aan het kruis waaraan Christus was gestorven en vergeleek dat beeld met het beeld van die drie vrouwen aan hun palen. Ze hadden religieuze motieven uitgesloten, maar ze kon het niet uit haar gedachten zetten.
Ze opende de Bijbel en bladerde door de eerste pagina’s, op zoek naar de inhoudsopgave. Ze wist heel weinig van de Bijbel, dus de helft van de namen van de boeken was haar niet bekend.
Ze scande afwezig de inhoudsopgave door en stond op het punt om hem neer te leggen, toen ze plotseling iets zag waardoor haar hart sneller begon te kloppen. De namen van de boeken. De cijfers naast hen.
Toen ze de afkortingen zag, herinnerde het haar aan iets anders.
De paal.
De nummers.
N511
J202
Met trillende handen begon ze bovenaan de inhoudspagina en legde ze haar vinger op Genesis. Ze scrolde vervolgens met haar vinger naar beneden, op zoek naar het boek dat begon met 'N.'
Binnen enkele seconden stopte ze bij de lijst voor het boek Numeri.
Ze bladerde door de stoffige pagina's, de geur van rot drong in haar neus. Ze vond het boek Numeri en zocht vervolgens naar hoofdstuk 5. Daarna liet ze haar vinger over de pagina glijden totdat ze bij vers 11 kwam.
N511. Numeri, hoofdstuk 5, vers 11.
Ze las het, en bij elk woord ging haar hart sneller kloppen. Het voelde alsof de temperatuur van het huis met ongeveer twintig graden was gedaald:
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;
Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is; En de jaloezie over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de jaloezie gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is; Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen,
Ze las het verschillende keren door, haar handen trilden. Ze voelde zich tegelijkertijd opgewonden en ziek. De passage vulde haar met een voorgevoel dat haar misselijk maakte.
Ze keerde terug naar de inhoudsopgave. Ze zag dat er verschillende boeken waren die met de letter ’J’ begonnen, maar dat raadseltje oplossen was niet haar specialiteit.
Bovendien was ze er vrij zeker van dat ze genoeg had om verder te gaan met de passage uit Numeri.
Mackenzie klapte de Bijbel dicht en legde hem terug naast de vergeten papieren. Ze rende het huis uit en liep naar haar auto, plotseling gehaast.
Ze moest terug naar het bureau.
Sterker nog, ze moest met een pastoor praten.
Deze moordenaar was niet zo willekeurig als iedereen dacht.
Hij had een ‘Modus Operandi,’ een bepaalde manier van werken.
En ze stond op het punt om deze te kraken.
HOOFDSTUK EEN EN TWINTIG
Mackenzie was sinds de bruiloft van haar kamergenoot niet meer in een kerk geweest. Nadat haar vader gestorven was, had haar moeder verschillende keren geprobeerd haar en haar zus mee te slepen naar de kerk en het was om die reden dat Mackenzie er alles aan deed om dat te voorkomen.
Maar toen ze het heiligdom van de New Life Methodistische Kerk binnen stapte, moest toegeven dat het een bepaalde schoonheid bezat. Het was meer dan de gebrandschilderde ramen en het sierlijke altaar. Er was iets heel..., eerlijk gezegd, ze kon er niet de vinger op leggen.
Terwijl ze naar de voorkant van het heiligdom liep, zag ze een oudere man in een van de kerkbanken zitten. Hij had zijn hoofd gebogen en las in een boek.
“Pastoor Simons?” vroeg ze. Haar stem dreunde als die van de Almachtige zelf in het grotachtige heiligdom.
De man keek op uit zijn boek en draaide zich naar haar toe. Hij was in de vijftig, gekleed in een overhemd en een nette broek. Hij droeg een bril die hem direct oneindig sympathiek maakte.
"Rechercheur White, neem ik aan?", vroeg hij, terwijl hij opstond.
“Dat heeft u correct aangenomen,” zei ze.
Hij keek een beetje geschrokken maar liep toch naar de voorkant van het heiligdom om haar te ontmoeten.
“Vergeef me,” zei hij. "Maar toen uw chef Nelson om wat van mijn tijd voor uw onderzoek vroeg, verwachtte ik geen vrouw. Gezien de aard van het misdrijf vind ik het nogal vreemd dat een vrouw de leiding over dit onderzoek heeft. Natuurlijk niet beledigend bedoeld ten opzichte van u.”
“Geen probleem."
"Weet u, Clark spreekt erg positief over u."
De naam Clark bracht haar in verwarring en het duurde even voordat ze besefte dat hiermee Nelson werd bedoeld, Politiechef Clark Nelson.
“Dat heb ik de laatste tijd wel vaker gehoord,” zei ze.
“Welnu, dat moet leuk zijn.”
“En onverwacht,” zei ze.
Simons knikte, alsof hij het perfect begreep. “Nelson is soms een beetje een rauwdouwer. Maar hij is ook buitengewoon vriendelijk wanneer hij dat moet zijn. Ik denk dat hij deze gevoelige kant van hemzelf niet zo makkelijk kan laten zien op zijn werk.”
“Dus hij bezoekt deze kerk?” vroeg Mackenzie.
“Oh ja,” zei Simons. “Elke zondag. Maar ik dwaal af. Alstublieft,” voegde hij eraan toe, gebarend naar de bank waarop hij had gezeten. “Gaat u zitten.”
Mackenzie deed dit en keek naar het boek dat Pastoor Simons zojuist had gelezen.
“Chef Nelson heeft me verteld dat u vragen heeft over Het Geschrift die wellicht kunnen leiden tot de arrestatie van degene die deze arme vrouwen heeft vermoord.”
Ze haalde haar mobiele telefoon tevoorschijn en zocht de foto op die ze van de oude Bijbel in het verlaten huis had gemaakt. Daarna gaf ze de telefoon aan hem..
"Numeri, Hoofdstuk vijf, Vers elf tot twintig of zo. Denkt u dat u me zou kunnen vertellen hoe het vers geïnterpreteerd dient te worden?
Hij wierp een korte blik op de foto en overhandigde haar toen de telefoon terug.
“Nou, deze is vrij duidelijk. Niet alle Bijbelse passages hoeven te worden gedecodeerd. Deze spreekt eenvoudig over overspelige vrouwen die gedwongen worden bitter water te drinken. Als ze puur waren, zou het ze geen kwaad doen. Maar als ze een seksuele relatie hadden gehad met iemand anders dan hun echtgenoot, zou het bittere water een vloek over hen brengen.
Ze dacht hierover na.
“De moordenaar heeft N511 gekerfd in elke paal waaraan hij een slachtoffer heeft vastgebonden," zei ze. “En gebaseerd op de kenmerken van deze vrouwen, lijkt de allegorie behoorlijk passend.”
“Ja, daar ben ik het mee eens,” zei Simons.
“Hij kerft ook J202 in de palen. Er zijn voor mij te veel bijbelboeken die beginnen met een ‘J’ om een weloverwogen gok te doen. Ik hoop dat u enig inzicht heeft?”
“Nou, Numeri is een boek van het Oude Testament en als deze moordenaar moord op basis van wat hij denkt dat het Oude Testament voorschrijft, ondanks dat zijn interpretaties en acties misschien verkeerd zijn, dan vermoed ik dat deze referentie ook naar het Oude Testament verwijst. Als dat het geval is, dan weet ik zeker dat het verwijst naar het boek van Jozua. In hoofdstuk Twintig van Jozua spreekt God over toevluchtsoorden. Dit waren steden voor mensen die per ongeluk anderen hadden gedood en waar ze niet vervolgt werden.”
Mackenzie liet dit even bezinken, haar hart begon sneller te kloppen en er begon iets te dagen. Ze pakte de Bijbel, vond Jozua en zocht de passage op. Toen ze het had gevonden, las ze het hardop voor, een beetje onder de indruk van het geluid van haar eigen stem dat Het Geschrift aan het voorlezen was in deze lege kerk.
Toen zei de Heer tegen Jozua: "Vertel de Israëlieten om de toevluchtsoorden aan te wijzen", "Ik heb je door Mozes geïnstrueerd, zodat iedereen die per ongeluk en onbedoeld het bloed kan redden. Wanneer ze naar deze steden komen, staan ze voor de oudsten van die stad voor de deur van de stad en de markt. Dan zullen de oudsten de voortvluchtigen tot hun plaats toelaten. Als de wreker van het bloed achtervolgt ...
Ze dwaalde af, wetende dat ze eindelijk de betekenis van de cijfers had ontdekt. Het was zowel opwindend als een domper. Ze had nu een kijkje in de werkwijze van de moordenaar gevonden maar alles was nog steeds vaag. Niets hiervan kon haar dichterbij hem brengen.
“Er is nog meer, weet u,“ zei Simons.
“Ja, dat zie ik”, zei ze. “Maar ik denk dat dit wel voldoende is. Pastoor, weet u hoeveel van deze toevluchtsoorden er waren?”
“Zes in totaal,” zei Simons.
“Weet u waar deze zich bevonden?”
“Ongeveer”, antwoordde hij.
Hij pakte de Bijbel, bladerde naar de achterste pagina’s en liet haar een reeks woordenlijsten en kaarten zien. Hij pakte een map die het land Israël voorstelde in de Bijbelse tijd en terwijl hij zijn brilletje recht zette wees hij zes verschillende locaties aan.
“Natuurlijk,” zei hij, “zijn deze locaties misschien niet helemaal exact, maar …”
Haar hart begon te bonzen terwijl ze een verband legde dat bijna te mooi leek om waar te zijn. Ze greep het boek stevig vast.
“Mag ik een foto maken?” vroeg ze.
“Natuurlijk,” antwoordde hij.
Met trillende handen maakte ze een foto.
“Rechercheur, wat is er?” vroeg hij, haar bestuderend. “Heb ik op een manier geholpen die ik niet begrijp?”
“Veel meer dan dat u beseft,” zei ze.
HOOFDSTUK TWEE EN TWINTIG
Toen Mackenzie de vergaderruimte binnenkwam was het een drukte van jewelste. Nancy zat op haar gebruikelijke plek aan het einde van de tafel en verspreidde de meest recente rapporten over de Vogelverschrikker Moordenaar zaak. Politieagenten namen plaats aan de tafel en mompelden plechtig alsof ze een begrafenis bijwoonden. Terwijl Mackenzie zich een weg baande naar de voorkant van de kamer waar ze Nelson met een andere officier zag praten, merkte ze dat ze nog steeds bekeken werd door sommigen van haar collega’s. Sommigen gaven haar nog steeds dezelfde minachtende blik als drie dagen geleden. Maar het leek erop (misschien was dit haar verbeelding), dat sommigen naar haar keken met oprechte interesse en, ze durfde het haast niet te zeggen, met respect.
Nelson zag haar naderen en beëindigde direct het gesprek met de andere officier. Hij sloeg een arm om haar heen en draaide haar weg van de menigte die zich nog steeds in de kamer aan het verzamelen was.
“Dit nieuws,” zei hij. “Gaat het ons in staat stellen hem binnen enkele uren te arresteren?”
“Ik weet het niet,” zei Mackenzie. “Maar het kan onze zoektocht zeker beperken. Het zal ons heel dichtbij brengen.”
“Dan run jij deze show,” zei hij. “Durf je dat aan?”
“Ja,” zei ze en negeerde het rommelende gevoel van haar zenuwen die in haar maag opborrelde.
“Oké, laten we beginnen,” zei hij. Hij draaide hij zich om naar de kamer en sloeg met zijn vlezige handen meerdere keren op de tafel. “Oké, allemaal, “schreeuwde hij. “Ga zitten en hou je mond dicht,” zei hij. “Mackenzie heeft een belangrijke ontdekking gedaan dus geef haar jullie volledige aandacht. Bewaar alle vragen totdat ze klaar is.”
Tot verrassing van Mackenzie nam Nelson een van de overgebleven stoelen tegen de muur, en nam geen plaats aan de vergadertafel. Hij keek haar aan en toen besefte ze dat het balletje volledig bij haar lag. Misschien was het een test, of misschien was Nelson volledig opgebrand. Hoe dan ook, dit was haar kans om dit bureau bij de ballen te grijpen en te laten zien wat ze waard was.
Ze keek de vergaderzaal door en zag het gezicht van Porter. Hij gaf haar een snelle glimlach, het leek erop dat hij hoopte dat niemand het zou zien. Het was waarschijnlijk het liefste wat hij ooit voor haar had gedaan en ze begon hem meer en meer te waarderen.
“Ik heb vanmorgen nogmaals een van de moord locaties bezocht,” begon Mackenzie. “Hoewel het bezoek zelf geen aanwijzingen opleverde, leidde het me er wel naartoe. Zoals velen van jullie weten heeft elke paal waar de moordenaar de vrouwen aan had vastgebonden de twee code-achtige groepen letters en cijfers: N511 en J202. Ik heb eerder vandaag met een pastoor gesproken, en ontdekte dat dit verwijzingen zijn naar Numeri 5:11 en Jozua 20: 2.
De Numeri-passage spreekt over overspel in het Oude Testament. Elke overspelige vrouw werd naar de priesters gebracht en kreeg wat bitter water werd genoemd te drinken. De gedachte was dat een vloek de overspelige vrouwen zou treffen en de eerlijke vrouwen niet zou aantasten. In wezen was het de manier van de kerk om vrouwen te veroordelen of te beschuldigen die onrein waren.
Wat betreft de verwijzing naar Jozua, die passage verwijst naar toevluchtsoorden voor zondaars die hun zonden per geluk hadden gepleegd, of iemand hadden vermoord uit zelfbescherming of bescherming van hun families of hun volk. In deze toevluchtsoorden konden de moordenaars niet worden vervolgd. In de passage wordt zelfs gezegd dat alle mannen die in een toevluchtsoord wonen, gespaard zouden blijven van bloedwraak.
Volgens de pastoor waarmee ik sprak waren er zes van deze steden. En dat brengt mij tot de overtuiging dat er nog minstens drie moorden zullen plaatsvinden.”
“Waarom is dat?” vroeg Nelson, en negeerde zijn eerder zelf ingestelde regel om alle vragen voor het einde te houden.
“Ik geloof dat de moordenaar deze vrouwen vermoordt om te gebruiken als een vertegenwoordiging van elk toevluchtsoord. En terwijl hij hen doodt, gelooft hij dat hij de rol van bloedwraak op zich neemt. Hij is in zekere zin een toevluchtsoord aan het bouwen.”
De vergaderzaal viel even stil terwijl ze wachtten tot ze het zou uitleggen. Ze draaide zich om naar de muur waar een goed gebruikt whiteboard stond dat onlangs was schoongemaakt. Ze pakte een marker en vanuit haar geheugen schetste ze ruwweg de kaart die Pastoor Simons haar in de kerk had laten zien. Daana plaatste ze 6 verschillende punten op de plattegrond.
“Dit zijn de geschatte locaties van de zes steden,” zei ze. De steden vormden samen een grove ovale vorm, iedere stad bijna op gelijke afstand van de andere stad.
"Als we dit zouden toepassen op een kaart waarin de plaatsen delict zouden worden getoond, dan zou deze bijna geheel overeenkomen met wat we hier zien,”
Achter haar tafel gezeten begon Nancy meteen iets in haar computer te typen. Zonder van haar scherm op te kijken zei ze: “Ik zal een kaart laten zien,” zei ze. “Lichten alstublieft.’
De officier die het dichtst bij de lichtschakelaar stond, knipte het licht uit terwijl een andere collega snel de tafel met de projector omdraaide. Mackenzie deed een stap opzij en het licht van de projector scheen direct op het whiteboard.
Nancy had dezelfde kaart opgeroepen die in alle rapporten aanwezig was welke ze eerder had uitgedeeld. Het toonde elke snelweg, secundaire weg en stad binnen een straal van honderdvijftig kilometer. Op de kaart was drie keer een X te zien, op de locaties waar de slachtoffers waren gevonden.
“Hoewel de locaties niet perfect op één lijn liggen,” zei Mackenzie, “zijn ze wel extreem dichtbij. Dit betekent dat tenzij dit gewoon toeval is, en ik denk dat we nu wel kunnen concluderen dat dit niet zo is, we bij benadering kunnen voorspellen waar de volgende plaats delict zou kunnen zijn.”
“Hoe weten we in welke volgorde hij zal werken?” vroeg een van de officieren aan de tafel. "Als er nog drie locaties over zijn, is er dan enige garantie dat hij deze kloksgewijs zal afwerken?”
“Nee, er is geen garantie,” gaf Mackenzie toe. “Maar tot nu toe is dat wel het geval geweest.”
“En we weten nog steeds niet zeker hoe hij de slachtoffers selecteert?” vroeg Porter.
"Dat wordt op dit moment gecontroleerd," zei Mackenzie. “We hebben mensen die alle drie de stripclubs afgaan die zich in een straal van 100 kilometer bevinden. Maar ik denk dat we ervan uit moeten gaan dat hij het ook op prostituees gemunt zou kunnen hebben.
“Hoe zit het met dat bittere water?” vroeg iemand anders. “Wat voor water is dat?”
“Ik weet het niet zeker,” zei Mackenzie. “Maar we hebben de lijkschouwer al opdracht gegeven om de maaginhoud van de slachtoffers te controleren op afwijkende dingen, vergiftiging, chemicaliën, iets van dien aard. Ik geloof persoonlijk dat het gewoon heilig water kan zijn en als dat het geval is, zal het onmogelijk zijn om dat te bewijzen.”
“Je bedoelt omdat gezegend water niet magisch opgloeit?”, vroeg een andere officier. Er klonk wat gelach rond de tafel.
“Hé,” zei Nelson, terwijl hij weer voor in de vergaderzaal plaats nam. Hij ging voor het bord staan en pakte een rode marker. Hij omcirkelde de locatie van waar ongeveer de vierde stad moest liggen op de geprojecteerde map en welke zo goed mogelijk overeen kwam met de map die Mackenzie had getekend.
“Ik geef White de leiding om dit gebied hier totaal af te sluiten,” zei hij. “Ik wil dat minstens acht man daar binnen het uur heen gaan om de locatie te bekijken. Krijg een idee van het landschap, weet waar de wegen zijn en blijf op patrouille in het gebied totdat je iets anders van mij hoort. Nancy, ik moet telefoneren met de Rijkspolitie om het gebruik van een helikopter aan te vragen om het gebied te doorzoeken.
“Ja, mijnheer,” zei Nancy.
“Nog één ding,” zei Mackenzie. “Alleen met ongemarkeerde auto's. Het laatste wat we willen is dat hij ons doorkrijgt.”
Nelson dacht hierover na en Mackenzie kon zien dat iets aan deze opmerking hem irriteerde. "Nou, met slechts vier ongemarkeerde auto's die we tot onze beschikking hebben gaat het niet lukken. Dus ik sta ook patrouillewagens toe, maar deze mogen niet stilstaan of even parkeren. Nu, met alles wat we nu weten, is er geen enkele reden waarom we deze man niet kunnen oppakken, voordat een vierde vrouw moet sterven. Nog vragen?”
Terwijl iedereen opstond werd er door niemand wat gezegd. Er hing een gevoel van opwinding in de lucht, welke Mackenzie bijna als een fysieke aanwezigheid kon voelen. Officieren gingen haastig uiteen, erin gelovend dat het einde van deze zaak eindelijk in zicht was. Ze kende de mentaliteit; Vanaf nu had elk van hen de kans om de verdachte te arresteren. Hoewel iemand anders (in dit geval zijzelf) de verbanden had gezien en hen de oplossing van het raadsel had gegeven, was het nu ieder voor zich.
Toen Mackenzie naar de deur liep, hield Nelson haar tegen. “Dat is verdomd goed werk, Mackenzie. En ik zal je nog iets vertellen: Ellington heeft je de hemel in geprezen toen hij terug was bij Quantico. Ik kreeg een telefoontje van zijn directeur en ze waren vol lof over jou.”
‘Dank je.’
“Als ik je nu nog zou kunnen weerhouden van het vervolgen van dikke online journalisten en ze daarna een doodsangst bezorgd, denk ik dat je een veelbelovende carrière voor de boeg hebt. Die engerd van een Pope heeft twee verschillende advocaten achter je aan gestuurd. Ik denk niet dat hij dit met rust zal laten.”
“Sorry, commissaris,” zei ze en ze meende het.
“Wel, laat dat maar even zachtjes sudderen,” zei Nelson. “Laten we ons nu concentreren op het vangen van deze moordenaar. Journalisten zijn bijna net zo erg, maar Pope heeft in het ieder geval nog steeds geen mensen aan palen opgeknoopt en dood- geslagen.”
Ze krimpte even ineen toen ze hoorde hoe luchthartig Nelson verwees naar de slachtoffers. Het herinnerde haar eraan dat, zelfs nu hij eindelijk blijk gaf van een plotselinge en onverwachte stroom van vertrouwen in haar en hij lovend over haar sprak, hij nog steeds dezelfde onbehouwen persoon was als toen ze begon met haar baan.
“En als je het goed vindt,” zei hij, “rijd ik met je mee. Nu ik jou de leiding heb gegeven over dit onderzoek, wil ik graag je partner zijn. "
“Natuurlijk,” zei ze, en ze haatte het idee meteen.
Toen ze de vergaderruimte uitliepen, keek ze rond fo ze Porter zag. Het was op een ironische manier grappig dat ze eigenlijk veel liever met Porter een auto had gedeeld nu het einde van het onderzoek in zicht was. Misschien was het omdat ze hieraan gewend was geraakt, of misschien was het dat ze nog steeds het gevoel had dat de chauvinistische Nelson haar nog steeds niet serieus nam, ondanks de lof van de FBI.
Maar Porter was verdwenen in het geduw en de opwinding toen iedereen de vergaderruimte had verlaten. Ze zag hem niet in de gang toen ze langs haar kantoor kwam om haar insigne en pistool op te halen, en ze zag hem ook niet op de parkeerplaats.
Nelson liep met haar naar de auto en de vraag wie er zou gaan rijden kwam niet eens aan bod. Hij ging direct achter het stuur zitten en leek ongeduldig te wachten totdat zij uiteindelijk in de passagiersstoel plaats had genomen en haar veiligheidsgordel vast deed. Ze deed haar best om haar irritatie te verbergen, maar dacht dat het eigenlijk niets uitmaakte. Nelson was zo in beslag genomen door het vooruitzicht om de Vogelverschrikker Moordenaar op te pakken dat haar aanwezigheid er in feite niet meer toe deed. Ze was slechts een tandwiel in de voornamelijk door mannen aangedreven machine die hen zo ver had gebracht.
Plotseling leek Ellington's suggestie om bij FBI te komen werken aantrekkelijker dan ooit.
“Klaar om deze klootzak op te pakken?’ vroeg Nelson toen ze achter twee patrouillewagens aan de parkeerplaats af reden.
Mackenzie beet op haar onderlip om de sarcastische glimlach te verbergen.
“Meer dan je denkt te weten.”
HOOFDSTUK DRIE EN TWINTIG
Ze zat nog geen tien minuten met Nelson in de auto, toen Mackenzies telefoon begon te rinkelen. Ze keek naar het nummer en alhoewel ze het niet had opgeslagen, kwam het haar zeer bekend voor. Ze was bijna vergeten dat Ellington haar een tekstje had gestuurd met dat hij haar later zou bellen. Ze wist dat ze deze tekst pas vanochtend had ontvangen, maar het leek al heel lang geleden. Ze keek op het klokje in de menubalk van haar telefoon hoe laat het was, en zag dat het pas kwart over drie was. Deze dag duurde ongelooflijk lang.
Ze negeerde de oproep omdat ze niet niet nog een niveau van complexiteit aan de chaotische middag wilde toevoegen. Terwijl zij Ellington's telefoontje negeerde, zat Nelson aan de telefoon met Nancy te praten. Hij sprak kortaf, en kwam direct ter zake. Het was duidelijk dat hij op was van de zenuwen en meer dan gestresst, en Mackenzie begon het zelf ook te voelen. Paar seconden later beëindigde hij het gesprek en begon met zijn duimen zenuwachtig op het stuur te tikken.
“Nancy heeft zojuist met de jongens van de Rijkspolitie gesproken,” zei hij. “Binnen anderhalf uur hebben ze een helikopter over het gebied vliegen.”
“Dat is goed nieuws,” zei Mackenzie.
“Zeg eens,” zei Nelson. “Denk je dat hij de vrouwen vermoordt voordat hij ze aan de palen vastbind of vermoordt hij ze daar?”
“Er is geen solide bewijs voor het een of het ander," zei Mackenzie. “Maar gelet op de eerste plaats delict in het maisveld denk ik dat de vrouwen nog in leven zijn wanneer hij ze aan de palen vastbind. Er waren afdrukken op de grond waar de zweep of wat hij ook gebruikte had gesleept. “
“Dus?”
“Dus, hij was aan het ijsberen. Hij was angstig en wachtte zijn tijd af. Als de vrouw al dood was, waarom zou je dan wachten met de zweep?”
Nelson knikte en glimlachte dankbaar. “We gaan deze klootzak vastnagelen,” zei hij, nog steeds trommelend op het stuur.
Mackenzie wilde graag meedelen in zijn enthousiasme, maar iets voelde niet goed. Het voelde alsof ze iets over het hoofd had gezien, maar ze kon bij god niet bedenken wat dit dan wel was. Ze bleef zwijgen en dacht diep na terwijl Nelson verder reed.
Twintig minuten later reden ze het gebied binnen waar Nelson naar refereerde als het interessegebied. Ze luisterde mee hoe Nelson gedurende de rit bezig was geweest met de afzetting van een gebied van ongeveer dertig vierkante kilometer. Het gebied bestond voornamelijk uit struikgewas en secundaire wegen. Een paar van deze secundaire wegen waren omgeven door korenvelden, net als de locatie van de allereerste moord, waarmee al deze waanzin was begonnen.
Terwijl Nelson de auto over een soortgelijke weg stuurde, krijste de politie-radio hen toe.
“Detective White, ben je daar?” vroeg een mannenstem.
Mackenzie keek naar Nelson alsof ze om goedkeuring vroeg. Hij gebaarde naar de radio microfoon die onder het dashboard was geklemd en zei met een glimlach. “Ga je gang, Het is jouw show.”
Mackenzie pakte de microfoon en klikte op de verzendknop. “Dit is White, wat is er?”
“Ik reed de Rijksweg 411 af en kwam een zijweg tegen, eigenlijk is niet meer dan een oude grindweg. De weg loopt rechtdoor een maisveld in, en staat niet op de landkaart. Het is ongeveer een halve kilometer lang en loopt dood in een kleine open plek in het maisveld.”
“Oké,” zei ze. “Heb je iets gevonden?”
“Dat is nogal zacht uitgedrukt, rechercheur,” zei de officier aan de andere kant. “Ik denk dat je zo snel mogelijk deze kant op moet komen.”
*
Het was meer dan spookachtig om weer in een maisveld te staan. Het was net alsof de cirkel nu rond was, alleen voelde het niet alsof ze het einde van iets had gevonden. Integendeel, het voelde alsof ze helemaal opnieuw moest beginnen.
Ze stond met Nelson en officier Lent, de man die via de radio contact met haar had opgenomen, aan de rand van de open plek. Met zijn drieën stonden ze tussen de uitgedunde maisstengels en keken naar de kleine open plek.
In het midden van de open plek was een houten paal neergezet. In tegenstelling tot de andere palen die ze de laatste tijd hadden gezien, was hier geen lichaam aan vastgeknoopt. De kale paal op de lege open plek leek nog het meest weg te hebben van een oude monoliet
Langzaam liep Mackenzie ernaartoe. Het was cederhout, hetzelfde als de andere drie palen. Ze ging op haar knieën zitten en voelde aan de aarde rond de onderkant van de paal. Het was zacht en duidelijk nog niet zo heel lang geleden omgeschept en daarna weer terug- gestampt .
“Deze paal staat hier nog niet zo lang”, zei Mackenzie. “De losse grond is vers. Ik denk dat het eerder vandaag moet zijn gebeurd.”
“Dus hij bereid de locaties voor voordat hij zijn slachtoffers brengt,” speculeerde Nelson. “Ik weet niet of dat geniaal of eigenwijs is.”
Mackenzie voelde een afkeer toen het woord geniaal in één ademteug werd genoemd met de moordenaar en negeerde hem. Ze ging naar de achterkant van de paal en zag onmiddellijk de inkerving aan de onderkant van de paal, een paar centimeter boven de verse vastgestampte grond, N511 / J202.
"Ik zou geen van beiden zeggen,” zei Mackenzie. “Wat ik wel weet is dat hij ons zo goed als zijn visitekaartje heeft gegeven. We weten dat hij terugkomt, en hij zal dan waarschijnlijk zijn nieuwste slachtoffer bij zich hebben.”
Toen ze weer overeind kwam, werd ze getroffen door een gevoel van wraak dat ze nog nooit eerder had gevoeld. De man achter deze misdaden had haar op één of andere manier persoonlijk geraakt. Hij was de bron geworden van een hoop narigheid, een boze geest met het vermogen om haar huis, haar geest en haar zelfvertrouwen aan te vallen. Hij liet haar opspringen bij het geluid van krakende vloerplanken, en haar zo laag zinken dat ze met een bijna heilig verklaarde FBI-agent had lopen flirten. Hij had haar zodanig geraakt dat ze geen energie meer had gehad om iets te voelen toen Zack uiteindelijk was vertrokken.
En alsof dat nog niet genoeg was, vermoordde hij vrouwen om de simpele reden dat ze hun lichamen gebruikten om geld te verdienen. Wie dacht hij wel niet dat hij was om hen daarvoor te veroordelen?
“Ik wil hier blijven ,” zei Mackenzie. “Ik wil op patrouille of op een uitkijkpost of wat we ook doen om ervoor te zorgen dat we hem te pakken krijgen. Ik wil die klootzak in de handboeien slaan.”
Ze wist dat ze egoïstisch klonk, maar het kon haar niet schelen. Op dat moment kon het haar niets schelen wat Nelson van haar dacht. Het kon haar niet schelen wanneer hij nu terug zou gaan de jongens op het bureau en zou lachen om hoe het schattige kleine meisje allerlei dingen van hem had geëist. Plotseling was het oppakken van de man achter deze moorden belangrijker dan al het andere, inclusief haar baan en haar reputatie.
“Daar kan ik voor zorgen”, zei Nelson met een glimlach. “Goed om te zien dat je zo’n enorme boze blik in je ogen hebt, White. Ik wist niet dat je het in je had.”
Ze slikte het antwoord in dat op het puntje van haar tong lag, en dacht een ogenblik na.
Ik wist het ook niet.
HOOFDSTUK VIER EN TWINTIG
Mackenzie was ervan overtuigd dat de moordenaar pas 's nachts zou toeslaan, en de anderen waren het met haar eens. Dat betekende dat ze nog vier uur van het daglicht zouden kunnen profiteren om zich voor te bereiden op wat ze hoopten een succesvolle aanhouding zou zijn. En voor het geval dat er iets voor het vallen van de avond zou gebeuren, waren er drie patrouillewagens gestationeerd langs de Rijksweg 411, die uitkeken naar een voertuig dat de onverharde weg wilde oprijden welke leidde naar de plek die de moordenaar had voorbereid. Met de toevoeging van een politiehelikopter op weg om te helpen, voelde het als een overwinning, zelfs voordat de zon onder was.
Mackenzie zat in een van de ongemarkeerde auto's langs de Rijksweg 411, opgelucht dat ze alleen was. Nelson was teruggegaan naar het bureau om een adviseur van de Rijkspolitie te ontmoeten, en had haar toestemming gegeven om te blijven zodat ze de plek met de paal in de gaten kon houden en de controle over de zaak kon houden. Haar auto stond anderhalve kilometer van de onverharde weg geparkeerd, uit het zicht voor het verkeer op de 411, doordat ze achteruit geparkeerd stond op een heel klein paadje wat vroeger dienst deed als sluiproute voor de boeren om snel van het ene maisveld naar het andere te rijden.
Ze zat daar al een kwartier en de enige auto die ze voorbij had zien komen was een politieauto geweest, die de locatie had verlaten en terugging naar het bureau. Ze was er nog steeds zeker van dat er tot diep in de nacht geen activiteit zou komen, en wist dat ze nog lang zou moeten wachten. Ze vroeg zich af of Nelson haar deze job had gegeven om haar uit zijn buurt te houden, of omdat hij haar op deze manier een centrale positie gaf voor de gebeurtenissen wanneer deze zich zouden ontvouwen.
Met een zucht en een blik op het rustige gedeelte van de Rijksweg 411 pakte Mackenzie haar telefoon en staarde naar de melding in de gemiste oproepen van Ellington, die haar anderhalf uur geleden had geprobeerd te bellen. Ze deed haar best om de gebeurtenissen van gisteravond te vergeten, toen ze zich in zijn aanwezigheid als een ezel had gedragen, en drukte op de notificatiebalk. Toen zijn nummer verscheen drukte ze er meteen op, voordat ze tijd had om van gedachten te veranderen.
Hij antwoordde bij de derde beltoon en toen hij dat deed, haatte ze dat het zo goed voelde om zijn stem te horen. “Ellington hier,” zei hij.
“Met Mackenzie White,” zei ze. “Ik bel je bij deze terug.”
“Oh hoi! Ik hoor dat jullie een veelbelovende tip hebben.”
“Daar lijkt het op, maar de tijd zal het leren. We hebben de volgende paal gevonden, klaar voor gebruik.”
"Dat heb ik gehoord! En hoe voelt dat?"
“Goed,” zei ze.
“Je klinkt twijfelachtig.”
“Het lijkt gewoon te mooi om waar te zijn. Ik heb het gevoel dat er iets ontbreekt.”
“Misschien is dat zo,” zei Ellington. “Je instincten zijn behoorlijk scherp. Ik zou ze niet in twijfel trekken.”
“Dat doe ik meestal ook niet.”
Er viel een ongemakkelijke stilte en Mackenzie merkte dat ze op zoek was naar iets nieuws om over te praten. Hij had al gehoord over de nieuwe aanwijzing in de zaak, dus het was zinloos om dit opnieuw te vertellen. Dit is echt sneu Mackenzie, dacht ze.
“Dus,” zei Ellington en verbrak de stilte. “Ik heb mezelf de vrijheid gegeven om een daderprofiel op te stellen nadat ik het bericht ontving over die religieuze verwijzingen. De kans is zeer groot dat we op zoek zijn naar iemand met een religieuze achtergrond. Misschien zelfs een priester of pastoor, hoewel het verleden aantoont dat het meestal gaat om iemand die is opgevoed in een streng religieus gezin. Misschien ging hij naar een particuliere religieuze school. Ik denk ook dat hij thuis geen moeder had of een moeder die haar eigen ding deed. Hij gedroeg zich waarschijnlijk niet zo braaf als kind, niet op de extreme manier die we nu zien, maar meer met basale kinderproblemen.”
“Waar is dit allemaal op gebaseerd?” vroeg ze. "Enkel op zaken in het verleden?"
“Ja, voor het grootste gedeelte,” zei hij. “Ik kan absoluut niet de eer opeisen voor deze inzichten. Maar eerlijk gezegd, het is een formule die ongeveer zeventig procent van de tijd werkt.”
“Oké, dus als dit hier niet succesvol is, gaan we op zoek naar een iemand van de ongeveer duizend andere mogelijke verdachten.”
“Misschien niet zo veel. Op basis van het daderprofiel vermoed ik ook dat deze kerel in de buurt woont. Als hij, zoals jij hebt aangegeven, zijn eigen stad in kaart brengt, dan neem ik aan dat hij h is opgegroeid. En daarom heb ik een paar telefoontjes gepleegd. Er is een katholieke lagere school gelegen binnen zestig kilometer van Omaha. Er is er nog een in de provincie, maar ik wed dat degene die het dichtst bij Omaha ligt je de meeste kans op resultaat zal bieden."
“Dat is geweldig,” zei Mackenzie.
“Wat is?”
“Je hebt zojuist de zoekopdracht beperkt en je hebt zelfs een potentiële bron van achtergrondinformatie genoemd.”
“Nou, de I in FBI staat niet voor niets voor Intelligentie." Hij lachte een beetje om zijn eigen grapje, maar toen Mackenzie dat niet deed, stopte hij.
“Bedankt, Ellington.”
“Geen enkel probleem. Maar nog één ding voordat je gaat.”
“En dat is?” vroeg ze nerveus, in de hoop dat hij haar gênante avances van de avond ervoor niet zou naar voren brengen.
“Toen ik mijn verslag aan mijn baas deed, vertelde ik hem hoe geweldig je bent en dat ik heb geprobeerd je over te halen om naar de Dark Side te komen."
Ze voelde zich gevleid.
“De donkere kant is de FBI?”
"Juist. Maar hoe dan ook, hij leek geïnteresseerd. Dus als je ooit de kriebels krijgt en onze kant op wilt komen, kan ik je zijn contactgegevens geven. Het is misschien een gesprekje waard.”
Ze dacht erover na en hoewel ze meer wilde zeggen, hem wilde vertellen hoeveel ze hem waardeerde, kon ze alleen een mager “Bedankt” als antwoord geven. Het idee leek te mooi om waar te zijn. Dat soort geweldige dingen gebeurde haar meestal niet.
“Gaat het daar?” vroeg Ellington.
“Ja, het gaat goed. Ik moet gaan. Dit zaak gaat hier tot een einde komen en ik moet gefocust blijven.”
“Begrijp ik helemaal. Doe je best.”
Ze grijnsde. Hoewel hij misschien een goddelijk figuur voor haar was, bewees Ellington nu dat hij net zo cheesy en fout kon zijn als alle anderen.
Ze verbrak de verbinding en keek weer uit over de Rijksweg 411. Ze begon zich onrustig te voelen, alsof ze haar tijd verspilde door gewoon daar te zitten. Ze klikte op de internetverbinding op haar telefoon en typte als zoekwoord ‘lokale katholieke middelbare scholen’ in, en ontdekte dat alles wat Ellington had gezegd klopte als een bus.
Ze bewaarde het adres in haar telefoon en zocht vervolgens het nummer van Nelsons telefoon. Hij antwoordde na vier keer overgaan en klonk pissig omdat hij gestoord werd bij zijn poging zich bij de jongens van de Rijkspolitie geliefd te maken.
“Wat is er aan de hand, White?”
“Ik wil een aanwijzing controleren, mijnheer,” zei ze. "”Het vereist echter dat ik de 411 voor een uur of twee, drie uur verlaat.”
“Geen sprake van,” zei Nelson. “Je leidt dit onderzoek, dus je moet in de buurt blijven. Dit is jouw show, White.Waag het niet deze zaak te verlaten. Als we hem morgen nog niet hebben, praten we weer verder. Als het een veelbelovende aanwijzing is, kan ik iemand anders sturen om het te bekijken.”
“Nee,” zei Mackenzie. ‘Het is maar een gok.”
“Oké," zei hij. "Blijf zitten totdat ik anders zeg.”
Ze kon niet eens meer antwoorden voordat hij ophing.
Ze zocht het adres van de katholieke school op en bewaarde het op haar telefoon. Toen keek ze naar rechts, waar een beetje verder op 411 een eenzame paal leeg bleef in een maisveld, in afwachting van een offer.
Ze wist dat ze moest blijven, bevelen moest opvolgen en hier vier uur lang gewoon moest vullen met niets-doen. Maar terwijl ze daar zat, knaagde er iets aan haar. Wat als hij de slachtoffers heeft vermoord voordat hij ze naar buiten bracht?
Als dat zo was, zou dat betekenen dat er op dit moment ergens een meisje opgesloten was en werd gemarteld. Een meisje zou sterven terwijl Mackenzie alleen maar daar zat en wachtte tot haar dode lichaam zou verschijnen.
Ze kon er niet tegen.
En wat als die katholieke school, de enige in het gebied die perfect bij het daderprofiel van de FBI paste, haar een naam zou kunnen geven? Een identificatie?
Dat zou hen naar de moordenaar kunnen leiden voordat hij daar arriveerde. Het kon misschien het volgende slachtoffer redden voordat het te laat was.
Mackenzie zat te wachten, en voelde zich van binnen steeds ongeruster worden terwijl ze het geschreeuw van het volgende slachtoffer in haar hoofd kon horen. Elke minuut die voorbij ging betekende doodsangst voor haar.
Uiteindelijk duwde ze het gaspedaal naar beneden en spoot vooruit.
Ze toetste het adres van de katholieke basisschool Het Heilige Kruis in haar GPS.
Het negeren van een direct bevel als deze kon verlies van haar baan betekenen, haar hele toekomst.
Maar ze had geen andere keus.
Ze hoopte alleen maar dat ze nog voldoende tijd had om heen en weer te rijden voordat het te laat was.
HOOFDSTUK VIJF EN TWINTIG
Dom.
Het woord schoot door zijn hoofd toen hij de kruising van de snelweg 32 met de Rijksweg 411 passeerde.
Dom.
Als hij enig bewijs nodig had gehad dat God aan zijn zijde stond, dan was het wel in de timing van dit alles. Hij was op weg geweest naar de plaats van de vierde moord, wat zijn vierde stad zou worden, toen hij een politieauto de Rijksweg 411 zag afrijden. Toen hij het zag, bleef hij rechtdoor de snelweg 32 volgen, zijn hart bonsde in zijn keel.
Misschien was het gewoon toeval. Misschien was de agent op routine patrouille, op zoek naar snelheidsovertreders.
Of misschien hadden ze de paal gevonden. Hij wist dat er een onderzoek naar hem gestart was. Hij had de Vogelverschrikker Moordenaar-verhalen in de kranten gezien, maar had niet de moeite genomen om ze te lezen of om de korte reportages over zijn werk op televisie te bekijken. Hij deed dit niet voor de aandacht of de publiciteit. Hij deed dit om Gods toorn te verspreiden en de wereld te onderwijzen over liefde, genade en zuiverheid.
Natuurlijk zou de politie dit niet begrijpen. En als ze de locatie hadden gevonden die bestemd was om zijn vierde stad op te richten, zou het voor hem voorbij kunnen zijn. Hij zou zijn werk niet kunnen afmaken en dat zou God niet behagen.
De vierde locatie zou moeten veranderen. Misschien zou het hem op de lange termijn zelfs helpen. Misschien zou de politie zo druk zijn om hem op deze vierde plaats op te pakken dat hij zijn werk elders zonder het risico te lopen om gepakt te worden af zou kunnen maken.
Hij kwam bij een supermarkt langs snelweg 32 en draaide zijn auto de parkeerplaats op. Hij liep terug naar de kruising en stak over zonder ook maar een blik op de Rijksweg 411 te werpen.
Met zijn offer al gekozen en gereed gemaakt, kon hij vanavond nog steeds zijn vierde stad bouwen, zoals hij had gepland.
Hij zou zijn werk elders voortzetten.
*
Ze opende haar ogen en een bliksemschicht van pijn explodeerde in haar hoofd. Ze schreeuwde het uit en merkte dat haar stem vreemd klonk, bijna gedempt. Ze probeerde haar hand naar haar mond te brengen, maar realiseerde zich dat dit onmogelijk was. Ze besefte dat er een knevel over haar mond zat, stevig vastgebonden en in haar mondhoeken snijdend.
Ze knipperde snel met haar ogen en probeerde de pijn in haar hoofd te laten verdwijnen. Toen haar ogen zich begonnen te focussen en de waas van duizeligheid vertrok, begon ze een idee te krijgen van waar ze was. Ze lag op een hardhouten vloer die was bedekt met stof. Haar armen waren achter haar rug vastgebonden en haar enkels waren ook samengebonden. Ze was tot op haar ondergoed uitgekleed.
Het was dit laatste feit dat alles in haar geheugen terugbracht. Toen ze gisteravond thuis gekomen was, was er als vanuit het niets een man verschenen. Het was vier uur geweest en ze had ... God, wat had ze gedaan?
Maar de fel roze beha die ze droeg maakte het onmogelijk te vergeten wat ze gisteravond had gedaan. Ze had haar best gedaan om zichzelf ervan te overtuigen dat een escort iets anders was dan wat die andere vrouwen deden. Ze was classier, meer in controle.
Maar aan het einde van de dag had ze hetzelfde gedaan als die andere vrouwen. Ze was goed betaald (tja, vijftienhonderd dollar voor anderhalf uur 'werk' was zeker niet slecht) en had zich daarna niet eens zo slecht gevoeld als ze had verwacht.
Maar toen was er ineens een man uit de schaduw gekomen. Hij had alleen maar hallo gezegd en daarna had hij zijn arm om haar nek geslagen. Ze had even iets geroken en toen ze in het zwarte niets gleed, hoorde ze hem iets in haar oor fluisteren over offers en bitter water.
En nu lag ze hier. Ze had haar slipje nog steeds aan en ze voelde geen pijn, dus ze was er vrij zeker van dat ze niet was verkracht. Maar toch zat ze in de problemen.
Ze probeerde op haar knieën te draaien, maar telkens lieten haar gebonden enkels haar op het laatste moment kantelen en sloeg ze met haar schouder tegen de vloer. Ze huilde en probeerde zich het laatste te herinneren dat de man tegen haar gezegd had voordat alles zwart was geworden door wat hij over haar neus en mond had geplaatst en waardoor ze bezweek.
Langzaam herinnerde ze zich het. En verrassend genoeg maakte de waanzin ervan dat ze wilde neervallen en opgeven in plaats van een uitweg te vinden.
Maak je geen zorgen, had hij gezegd. Ik zal een stad voor je bouwen.
HOOFDSTUK ZES EN TWINTIG
Het kostte Mackenzie iets meer dan een uur om de katholieke school Het Heilige Kruis te bereiken, de hele weg had ze rond de 120 km per uur gereden. Tegen de tijd dat ze aan was gekomen was de school net dicht gegaan en toen ze zich de trap op haastte en door de receptioniste verder werd geholpen, merkte ze dat ze de directeur op het juiste moment van de dag te pakken had gekregen.
De directeur was een indrukwekkende vrouw die zowat elk stereotype dat Mackenzie ooit over nonnen had gehad bevestigde. Aanvankelijk warm en uitnodigend, maar toen Mackenzie in het kantoor van de vrouw was en aan de voorkant van haar bureau ging zitten, was ze ineens een en al zakelijkheid and bleek ze behoorlijk kortaf te zijn.
“We hebben de geruchten gehoord over deze zogenaamde Vogelverschrikker Moordenaar” zei directeur Costello. “Is dat waarom u naar hier bent gekomen?”
“Dat klopt,” zei Mackenzie. “Hoe raadt u dat zo?”
Het hoofd van Costello fronste, maar het was het soort frons dat meer boosheid dan teleurstelling inhield. Mackenzie dacht dat het een frons was die in een school als deze op de meeste personeelsleden en op ieder moment van de dag terug te vinden was.
“Nou, die arme vrouwen zijn vastgebonden op houten palen en gegeseld, correct? De religieuze symboliek is onmiskenbaar. En wanneer een moordenaar zijn werk doet in naam van vreselijk misleide religieuze principes, of een verwrongen en misleide interpretatie van religie, zijn het altijd de particuliere religieuze scholen die onder een microscoop worden gehouden.”
Mackenzie kon alleen maar knikken. Ze wist dat dit waar was; ze had het verschillende keren gezien sinds ze was begonnen te werken aan haar carrière als eerstejaarsstudent. Maar haar zwijgen kwam ook voort uit het feit dat directeur Costello gelijk had: de religieuze ondertoon van de acties van de Vogelverschrikker Moordenaar waren overduidelijk. Mackenzie had diezelfde indruk gekregen toen ze het eerste lichaam hadden gevonden. Dus waarom had ze dit in vredesnaam genegeerd?
Omdat ik bang was om het tegen Nelson en Porter te zeggen uit angst dat ik het fout zou hebben en meteen belachelijk zou worden gemaakt, dacht ze.
Maar nu had ze de kans om die onwetendheid te corrigeren en ze zou het zichzelf niet vergeven wanneer ze deze kans onbenut zou laten.
“Nou,” zei Mackenzie, “we hebben een heel specifiek profiel. Ik hoopte dat ik met u of misschien met iemand die hier al heel lang werkt over zou kunnen praten, zodat ik misschien een potentiële verdachte zou kunnen vinden. En zelfs als het geen verdachte is, misschien iemand die iets zou kunnen weten over de moorden.”
“Welnu,” zei Costello, “ik ben hier al vijfendertig jaar in dienst. Ik was eerst begeleidingsadviseur en daarna directeur, een functie die ik nu bijna twintig jaar heb.”
Ze stond op en liep naar de linkerkant van haar kantoor, waar een rij oud ogende archiefkasten langs de muur stonden. “Weet u,” zei Costello, “u bent niet de eerste rechercheur die komt rondsnuffelen wanneer een misdrijf wordt gepleegd dat religieuze invloed lijkt te hebben. Helemaal niet zelfs.”
Costello haalde vier mappen uit de kast en bracht ze naar het bureau. Ze liet ze met zoveel kracht op het bureau vallen dat hieruit duidelijk op te merken viel dat ze geïrriteerd was. Mackenzie reikte om ze op te pakken, maar Costello's hand wees al naar hen. Zonder naar Mackenzie te kijken begon Costello weer te praten, en tikte met haar dikke wijsvinger op elke map.
“Dit,” zei ze, wijzend op de eerste map, “is Michael Abner. Toen hij hier begin jaren zeventig op school zat, viel hij een meisje op de speelplaats aan en hij werd in de vijfde klas betrapt op masturberen in het toilet van het meisjes. Hij stierf echter in 1984. Een verschrikkelijk auto-ongeluk geloof ik. Dus hij is duidelijk geen verdachte.”
Daarmee verwijderde Costello de map van Michael Abner van het bureau. Vervolgens verwijderde ze onmiddellijk twee andere mappen, omdat één van hen vijf jaar geleden aan longkanker was gestorven en de andere zijn leven in een rolstoel doorbracht, uiteraard niet het soort persoon dat ronde houten palen kon verslepen om moord-scènes op te zetten.
“Deze laatste,” zei Costello, “is van Barry Henderson.Tijdens zijn verblijf op het Heilige Kruis was hij betrokken bij verschillende vechtpartijen, waarvan bij één twee jongens op de eerste hulp belanden. Toen hij terugkwam van zijn schorsing, begon hij de leraren vieze brieven te sturen, een activiteit die uiteindelijk leidde tot een poging van verkrachting van de lerares Kunst terwijl hij zijn moeders favoriete liedje zong. Dit gebeurde in 1990. Ik moet u helaas mededelen dat ook hij uw verdachte niet kan zijn. Hij is gedurende de afgelopen twaalf jaar opgenomen in een tehuis voor levensgevaarlijke geesteszieke personen.”
Mackenzie maakte een mentale aantekening om dat later te verifiëren en keek hoe Costello de mappen terug in haar kast legde. Toen ze de kast dicht deed, gaf dat een klap alsof er een kleine bom in het kantoor afging.
“En dat zijn de enige studenten die u de afgelopen vijfendertig jaar hebt gehad die in staat zouden zijn tot misdaden zoals de Vogelverschrikker Moordenaar begaat?”
“Dat kunnen we natuurlijk nooit zeker weten,” zei Costello. “Met alle respect, we houden niet alle studenten in de gaten die aanleg hebben voor een leven in de criminaliteit. Dat zou inhouden dat wij gedetailleerde rapporten zouden moeten bijhouden over elk kind dat zelfs de kleinste overtreding begaat. De vier die ik u net heb laten zien waren de meest extreme gevallen, en die heb ik de afgelopen jaren bij de hand gehouden omdat het veel tijd bespaart wanneer we door de politie worden benaderd, vooral wanneer ze met zogenaamde kant en klare daderprofielen aankomen. Ze willen religie altijd de schuld geven van misdaden die ze zelf niet kunnen oplossen.”
“De schuld wordt niet hier gelegd,” zei Mackenzie.
“Natuurlijk wel," zei Costello. “Vertel me, rechercheur. Bent u hier niet gekomen om de naam van een verdachte te vinden die vanwege de religieuze doctrine zo erg is vervormd dat hij nu deze vreselijke daden begaat?”
“Het kan me niet schelen hoe en waar de informatie vandaan komt,” snauwde Mackenzie. “Ik moet alleen te weten komen wie deze vrouwen vermoordt. Het waarom is op dit punt secundair.”
Mackenzie bedacht dat ze wel gek had geleken om naar het Heilige Kruis te gaan. Wat had ze eigenlijk verwacht? Een mooie en nette oplossing? Een oude student die Ellington's daderprofiel tot op de details paste?
“Bedankt voor uw tijd, mevrouw Costello,” zei ze zacht. Ze stond op en liep naar de deur. Toen haar hand op de deurknop ruste, werd ze tegengehouden door directeur Costello.
“Waarom denkt u dat het is, detective White?”
“Wat?”
“Waarom komt wetshandhaving op zoek naar antwoorden in de religie wanneer ze niet in staat zijn een misdaad op te lossen waarvan ze denken dat deze op het geloof gebaseerd zijn?”
“In de meeste gevallen komt het gewoon overeen met de daderprofielen,” zei Mackenzie.
“Is dat zo?" vroeg Costello. “Of is het omdat mensen het kwaad niet kunnen accepteren voor wat het werkelijk is? En omdat we het niet kunnen accepteren, moeten we iets vinden dat net zo ongrijpbaar is om het de schuld te geven?”
Een vraag rees op naar haar lippen, een vraag die ze niet terug kon slikken voordat deze uitkwam.
“Wat is kwaad, mevrouw Costello? Hoe ziet het kwaad eruit?”
Directeur Costello grijnsde dunnetjes. Het was een griezelige grijns, een uitdrukking die duidde op een soort donker begrip.
“Het kwaad lijkt op jou. Het lijkt op mij. We leven in een gevallen wereld, rechercheur. Het kwaad is overal.”
De deurknop onder de hand van Mackenzie voelde plotseling ijskoud aan. Ze knikte en nam afscheid, zonder de moeite te nemen om nog ter afscheid om te kijken naar directeur Costello.
Terwijl ze door het doolhof van gangen van het Heilige Kruis liep, zoemde haar mobiele telefoon in haar zak. Ze pakte de telefoon en zag de naam en het nummer van Nelson op de display. Haar hart zonk.
De moordenaar, dacht ze. Hij is komen opdagen terwijl ik weg was en Nelson gaat me ervoor laten boeten.
Ze beantwoordde de oproep met een knoop van angst in haar buik. “Hé, Chef.”
“White,” zei hij. “Waar ben jij?”
"Katholieke School Het Heilige Kruis," zei ze. "Ik was het daderprofiel van Ellington aan het natrekken.”
Nelson was even stil toen hij dit overdacht. "We zullen later bespreken waarom je in godsnaam mijn orders niet hebt opgevolgd en toch daarheen bent gegaan," zei hij. "Maar voor nu wil ik dat je langs het bureau komt op je weg terug.”
“Maar hoe zit het met de Rijksweg 411?” vroeg ze. “Ik zou daar graag terug zijn voor het spitsuur.”
“ Nog een reden waarom je geen tijd had mogen verspillen met het opvolgen van Ellington's aanknopingspunt. Kom nu gewoon hierheen.”
“Is alles in orde?” vroeg ze.
Maar Nelson had het gesprek al beëindigd en Mackenzie hoorde enkel de dode telefoonlijn.
HOOFDSTUK ZEVEN EN TWINTIG
Haar gevoel van onbehagen werd nog groter toen Mackenzie het bureau binnenliep en Nancy aan de receptie zag zitten. Toen Mackenzie binnenkwam, glimlachte Nancy haar slechts kort toe en keek direct terug naar haar bureau. Dit was buitengewoon ongewoon voor Nancy, een vrouw die meestal haar gezicht leek te strekken om een glimlach te geven aan iedereen die de voordeur van het bureau binnenkwam.
Bijna vroeg Mackenzie aan Nancy of ze wist wat er aan de hand was, maar ze besloot het niet te doen. Het laatste wat ze wilde, was zwak en ongeïnformeerd lijken terwijl ze op de oplossing van deze zaak afstevende. Dus ze omzeilde de receptie en liep verder, plichtsgetrouw marcherend naar het kantoor van Nelson.
Ze opende de deur en stapte naar binnen, in een poging zelfverzekerd te lijken en te doen alsof ze alles onder controle had. Maar terwijl ze de deur achter zich dichttrok, wist ze dat het een vergissing was geweest om twee en een half uur van haar middag op te offeren om het Heilige Kruis te bezoeken. Ze was tegen schaduwen aan het vechten in een poging zo perfect mogelijk te zijn en ervoor te zorgen dat ze alle kansen, vooral die van indrukwekkende FBI-agenten, had benut om deze zaak te doorgronden.
Nelson keek naar haar op, en heel even zag ze een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht.
“Ga zitten, White,” zei Nelson en knikte in de richting van de stoelen aan de andere kant van zijn rommelige bureau.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ze. De zenuwen klonken duidelijk door in haar stem, maar dat was het laatste waar ze aan dacht toen Nelson haar van top tot teen opnam.
“We hebben een probleem,” zei hij. “En je gaat de oplossing niet leuk vinden. Onze eikelvriend Ellis Pope heeft een formele klacht tegen je ingediend. Voor nu houdt hij het stil, alleen tussen ons en zijn advocaat. Maar hij zegt dat als er geen onmiddellijke actie wordt ondernomen, hij het naar de krant zal brengen. Meestal zou ik me niet eens druk maken om een dergelijke dreigement, maar de kranten en zelfs sommige televisie media hebben jou als hoofd van dit onderzoek afgeschilderd. Als Pope met zijn klacht naar de media gaat, kunnen de dingen wel eens heel erg verkeerd aflopen."
“Mijnheer, ik handelde impulsief,” smeekte Mackenzie. “Een mysterieus figuur lag op de loer aan de rand van een moordscène. Het was privébezit. Hij was op verboden terrein. Hij vertrok heel verdacht. Moest ik hem gewoon laten vluchten? Het enige wat ik deed was hem stoppen. Ik heb hem niet aangevallen.”
Hij fronste.
“White, ik sta aan jouw kant in deeze. Honderd procent. Maar er is nog een factor waar ik niet onderuit kan. De Rijkspolitie is er nu bij betrokken. Zij vingen ook het gerucht op van de confrontatie met Pope. En dan ook nog het feit dat je Missing In Action was toen ze vanmiddag op de plaats delict op de Rijksweg 411 verschenen. Ik ben daar zelf ook pissig over. Maar ze zagen het als slordig werk van jouw kant. Geen goede indruk.”
Voordat ze wat kon zeggen stak hij zijn hand op.
“Alsof dat niet genoeg is, kreeg ik ongeveer een half uur geleden een telefoontje van Ruth-Anne Costello. Ze klaagde dat je onbeleefd en agressief was. Ook zij diende een klacht in.”
“Dat meen je niet?"
Nelson keek depressief terwijl hij zijn hoofd knikte.
“Ja, helaas wel. Tel dat allemaal bij elkaar op en we hebben een shitstorm.”
“Dus wat gaan we doen om dit op te lossen?” vroeg ze. “Wat vraagt Pope om stil te blijven? Hoe kunnen we de Rijkspolitie sussen en de non gelukkig maken?”
Nelson zuchtte en keek toen naar het plafond, waaruit bleek dat hij niet blij was met wat hij ging zeggen.
“Het betekent dat ik je met onmiddellijke ingang van de Vogelverschrikker Moordzaak moet afhalen."
Mackenzie voelde haar huid koud worden. De gedachte aan de losplopende moordenaar die door zou gaan met het vermoorden van vrouwen, en dat zij niet meer mocht proberen om hem te stoppen werd haar teveel.
Ze wist niet wat ze moest zeggen.
Nelson fronste dieper.
“Ik ben voor je door het vuur gegaan en heb geprobeerd om ze wat milder te stemmen,” zei hij. “Ik heb zelfs geprobeerd om ze zover te krijgen dat ze toe zouden staan dat je deze zaak afrond en dan daarna voor een week of zo op non-actief zou worden gezet. Maar Pope en de Rijkspolitie wilden het niet. Mijn handen zijn gebonden. Mijn excuses.”
Mackenzie voelde hoe de angst die in haar maag zat werd vervangen door woede. Haar eerste instinct was om Nelson aan te vallen, maar ze zag dat hij ook behoorlijk boos was over deze gang van zaken. Plus, gezien de manier waarop hij haar de laatste paar dagen meer respect had getoond, twijfelde ze niet aan hem toen hij zei dat hij alles had geprobeerd wat hij kon.
Dit was niet zijn fout. Als iemand hier schuldig aan was, dan was het Ellis Pope. En misschien ook zijzelf. Sinds ze die krakende vloer drie nachten geleden had gehoord, was ze niet zichzelf geweest. En de ongemakkelijke verhouding met Ellington had ook niet geholpen.
Ja, het was allemaal haar eigen schuld. En dat was misschien nog wel het ergste van alles.
“Dus wie behandelt de zaak nu?” vroeg Mackenzie.
“De Rijkspolitie. En ze hebben de FBI stand-by voor wanneer dat nodig blijkt te zijn. Maar omdat we denken dat we de exacte locatie hebben van waar de moordenaar de volgende keer zal verschijnen, hopen we dat het een vrij eenvoudige zaak wordt.”
“Mijnheer, ik weet niet eens …”
Ze stopte, niet wetend wat ze verder moest zeggen. Ze was nimmer een huilebalk geweest, maar, terwijl ze zo in het kantoor van Nelson zat was ze zo boos dat het huilen haar nader stond dan het lachen en de tranen in haar ogen prikten.
“Ik weet het,” zei hij. “Dit is klote. Maar als het allemaal gezegd en gedaan is en zodra deze klootzak achter de tralies zit en het papierwerk wordt afgehandeld, zal ik ervoor zorgen dat jouw naam nergens ontbreekt. Dat beloof ik je, White.”
In een shock stond ze op en keek naar de deur alsof die haar zou kunnen wegvoeren naar een magische wereld waar dit gesprek nooit had plaatsgevonden.
“En wat moet ik nu doen?” vroeg ze.
“Ga naar huis. Wordt dronken. Doe wat je moet doen om dit van je af te schudden. En zodra de zaak is afgesloten, bel ik je op en laat het je weten. De Rijkspolitie zal zich niet meer om deze kwestie bekommeren zodra de moordenaar is gearresteerd. Ellis Pope is het enige waar we ons zorgen over moeten maken en dat is stukken gemakkelijker op te lossen wanneer je niet meer in de schijnwerpers staat.”
Ze opende de deur en liep naar buiten.
“Het spijt me echt heel erg, White,” zei hij terwijl ze naar de deur liep. "Ik meen het.”
Ze kon alleen maar knikken terwijl ze de deur achter zich dichttrok.
Ze baande zich een weg door de gang en hield haar ogen op de vloer gericht, zodat ze niemand in de ogen hoefde te kijken. Terwijl ze zich naar de voorkant van het bureau begaf, keek ze op naar Nancy. Nancy, blijkbaar ervan uitgaande dat Mackenzie nu op de hoogte was gebracht, keek haar bezorgd aan.
“Gaat het?” vroeg Nancy.
“Het komt wel goed,” zei Mackenzie, niet wetende of dat waar was of niet.
HOOFDSTUK ACHT EN TWINTIG
Hoewel het idee om dronken te worden heel verleidelijk was, deed het haar ook denken aan wat er de laatste keer was gebeurd toen ze alcohol had gedronken. Ja, het was pas gisteren geweest, maar door alles wat er er was gebeurd, leek het alsof het jaren geleden was gebeurd en het haar de hele tijd had achtervolgd. Dus in plaats van haar woede weg te drinken, deed Mackenzie het enige andere dat ze wist te doen.
Ze ging naar huis en legde alle dossiers over de Vogelverschrikker Moordenaar op haar salontafel. Ze brouwde een pot koffie en nam ieder stukje bewijs dat ze over de zaak had verzameld nog eens aandachtig door. Hoewel ze gedeeltelijk van mening was dat het weten van de vierde moord locatie bijna een garantie voor een arrestatie was, vertelde haar instinct haar dat de moordenaar slim zou zijn. Zodra hij de aanwezigheid van de politie zou opmerken zou hij zijn plannen veranderen. Nelson en de Rijkspolitie realiseerden zich dit waarschijnlijk ook, maar het feit dat ze nu zo dichtbij waren, zou hen misschien een beetje te onvoorzichtig in hun aanpak maken.
Buiten was de nacht gevallen. Ze staarde even uit raam en vroeg zich af hoe de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, de loop van haar leven zouden kunnen beïnvloeden. Ze dacht aan Zack en realiseerde zich, misschien voor het eerst, dat ze blij was dat hij weg was. Als ze eerlijk tegen zichzelf was geweest, had ze de relatie alleen getolereerd zodat ze niet alleen zou zijn, iets waar ze al bang voor was geweest sinds ze de slaapkamer van haar ouders was binnengelopen en het lijk van haar overleden vader had gevonden.
Ze vroeg zich ook af wat Ellington aan het doen was. Het eerdere telefoontje met het daderprofiel was het bewijs dat hij nog steeds betrokken was bij de Vogelverschrikker Moorden, zelfs al was het alleen op de achtergrond. Toen ze aan hem dacht, vroeg ze zich ook af of ze het daderprofiel en het bezoek aan het Heilige Kruis zo serieus zou hebben genomen als het van iemand anders afkomstig was geweest. Had ze geprobeerd indruk op hem te maken, of had ze geprobeerd indruk op Nelson te maken?
Toen ze terugkeerde naar de dossiers voor haar, vulde een heel eenvoudige maar uitdagende gedachte haar hoofd: Waarom indruk maken op iemand? Waarom niet gewoon goed werk doen en naar mijn beste vermogen werken? Waarom kan het iemand schelen wat iemand anders van me denkt, laat staan een nutteloze ex-vriend, chauvinistische supervisors of een getrouwde FBI-agent?
Alsof ze erom had gevraagd, ging op dat moment haar mobiele telefoon. Ze viste het tussen de stapels van dossiers en mappen op haar salontafel, en zag dat het Ellington was. Ze grijnsde naar de telefoon en twijfelde. Hij belde waarschijnlijk om een bedankje in ontvangst te nemen voor die aanwijzing naar het Heilige Kruis, of misschien had hij een ander inzichtelijk idee dat haar op een dwaalspoor zou brengen en haar een berisping zou opleveren. Als ze op dat moment meer helder had kunnen denken, zou ze de oproep hebben genegeerd. Maar zoals de zaken er nu voorstonden, lag een deel van de woede die ze had voelen opkomen in het kantoor van Nelson nog steeds in haar hart, en deze eiste dat ze die zou beantwoorden.
“Hallo agent Ellington,” zei ze.
“Hé daar, White. Ik weet dat ik je blijf lastigvallen, maar ik ben aan het afronden voor de dag en wilde weten of je aan de hand van dat daderprofiel nog iets bent opgeschoten.”
“Nee, helaas niet," zei Mackenzie, zonder moeite te doen aardig te blijven. “Het lijkt erop dat het enige wat mijn bezoek aan de katholieke school heeft opgeleverd, een pissige hoofd non is."
Ellington had een dergelijke reactie duidelijk niet verwacht; aan de andere einde van de lijn was het voor vijf volle seconden stil voordat hij reageerde.
“Wat is er gebeurd?” vroeg hij.
“Het was een doodlopend spoor. En terwijl ik daar door de directeur over de aard van het kwaad werd voorgelezen, verscheen de Rijkspolitie op de locatie van wat naar onze mening de plaats van de vierde moord zal zijn. Omdat ik er niet was, hebben ze hun macht doen gelden.”
“Ah, shit.”
“Oh, en het wordt nog beter,” snauwde Mackenzie. “Herinner je je Ellis Pope?”
“Ja, de verslaggever.”
“Ja, hij. Welnu, hij besloot vandaag een aanklacht tegen mij in te dienen en dreigt om naar de media te gaan over ons kleine handgemeen. De jongens van de Rijkspolitie hoorden dat ook. Dus gingen ze achter Nelson aan en vanaf ongeveer een uur geleden ben ik officieel van de zaak afgehaald.”
“Hou je me voor de gek?” vroeg hij.
Zijn ongeloof veroorzaakte nog meer woede in haar, maar gelukkig hielp het haar ook om te beseffen dat ze zonder reden onbeleefd was. De situatie waar ze zich in bevond was niet zijn fout. Het enige wat hij deed was inchecken en een luisterend oor bieden.
“Nee, ik maak geen grapje,” zei ze en probeerde zichzelf in toom te houden. “Ik ben gevraagd om stil te zitten, terwijl de goede oude jongens deze zaak afronden.”
“Dat is niet eerlijk.”
“Dat ben Ik met je eens," zei ze. “Maar ik weet dat Nelson geen keus had.”
"Kan ik wat doen?” vroeg Ellington.
“Niet echt, ben ik bang. Als je nog steeds wilt helpen met het oplossen van deze zaak, kun je het beste Nelson bellen. Je kunt zelfs in de problemen komen wanneer je er met mij erover praat.”
“White, het spijt me echt.”
“Het is wat het is,” zei ze.
Stilte vulde opnieuw de lijn en deze keer gaf ze Ellington geen kans meer om het gesprek weer op te pakken. Als hij dat zou doen, zou haar misplaatste woede misschien opnieuw opduiken en dat verdiende hij zeker niet.
“Ik moet gaan,’ zei ze. “Wees voorzichtig.”
“Gaat het wel goed met je?” vroeg hij haar.
“Ja,” zei ze. “Het was gewoon eventjes een schok.”
“Nou, pas goed op jezelf.”
“Bedankt.”
Ze beëindigde het gesprek zonder op antwoord te wachten. Ze liet de telefoon terug op de tafel vallen, naast de kopietjes van de Bijbelse passages die ze van de palen hadden ontcijferd. Ze las ze steeds opnieuw, maar vond niets nieuws. Ze keek toen naar de landkaart die op de achterste bladzijden van de Bijbel had gezeten en de ruwe kaart die Nancy had gemaakt, met een lijst van alle mogelijke moord locaties. Het leek zo eenvoudig en goed in elkaar gezet.
En dat maakte Mackenzie ongemakkelijk. Daarom voelde ze de behoefte om te blijven graven, om de waarheid te ontdekken die ze nog niet hadden gevonden. Ze dronk haar koffie en bestudeerde de dossiers alsof het een normale dag op kantoor was, terwijl ze zichzelf verloor in haar werk ondanks dat ze niet meer bij de zaak betrokken was.
*
Toen haar mobiele telefoon opnieuw afging, gaf het klokje op haar display 7:44 aan. Ze knipperde met haar ogen en wreef lichtelijk in shock over haar hoofd. Er waren bijna twee uur verstreken tussen het telefoontje van Ellington en deze oproep, maar het voelde nog lang niet zo lang.
Ze was in de war toen ze de naam van Nelson op de display zag. Ze lachte cynisch en terwijl ze de telefoon opnam vroeg ze zich af wat ze nu weer had gedaan dat verdere straf zou rechtvaardigen.
Ze antwoordde, haar ogen dwaalden af naar het raam en de nacht buiten. Was de moordenaar gereed om zijn volgende slachtoffer aan te vallen? Of was hij al bezig?
“Je bent de laatste persoon van wie ik had verwacht nog te horen,” zei Mackenzie
“White, hou je mond en luister heel goed naar me," zei Nelson. Zijn stem was zacht en bijna vriendelijk, iets wat ze nog nooit eerder bij hem had gehoord.
“Oké,” zei ze, onzeker over ze zijn toon en deze instructie moest interpreteren.
“Twintig minuten geleden heeft officier Patrick een man op de Rijksweg 411 aangehouden. Hij reed in een oude, rode Toyota pick-up. Er lag een Bijbel op de passagiersstoel, en strengen touw op de grond. Deze man, Glenn Hooks, is een pastoor in een kleine baptistenkerk in Bentley. Hier is de kicker: er waren acht passages gemarkeerd in zijn Bijbel. Een van hen had te maken met de Zes Steden van Toevlucht. “
“Mijn God,” ademde Mackenzie.
“Patrick heeft de man nog niet gearresteerd, maar stond erop dat de man naar het bureau kwam. Hij stribbelde behoorlijk tegen maar Patrick heeft hem. Ze zijn nu onderweg. Ondertussen heb ik al een andere eenheid naar zijn huis gestuurd om te kijken of ze iets verdachts kunnen vinden.”
“Oké,” was alles wat Mackenzie weer kon zeggen.
“De Rijkspolitie weet hier niets van,” ging Nelson verder. “Tussen ons gezegd en gezwegen, dat is op mijn verzoek. Ik wilde deze man eerst zelf verhoren, voordat de Rijkspolitie erbij betrokken wordt. Ik heb zojuist met Patrick gesproken. Ze zijn over ongeveer tien minuten op het Bureau. Ik wil dat jij de man hier ondervraagt. En je moet het snel doen, omdat ik niet weet hoe lang we de jongens van de Rijkspolitie aan het lijntje kunnen houden. Misschien heb je maar twintig of dertig minuten, voordat ik je weer hieruit moet halen.”
“Denk je echt dat dit een goed idee is, na alles wat je me op kantoor hebt verteld?”
“Nee, het is geen goed idee,” zei Nelson. “Maar het is het enige wat ik nu heb. Ik weet dat ik je minder dan vijf uur geleden naar huis heb gestuurd, maar dit is geen verzoek, dit is een opdracht. Je bent nog steeds officieel van de zaak af. Dat verandert niet. Dit gebeurt onder de tafel. Ik heb je nodig, White. Hoor je me?"
Ze had zich nog nooit zo respectloos en toch gewaardeerd gevoeld. Haar hart begon van opwinding sneller te kloppen, maar het werd ondersteund door de woede die het grootste deel van de middag bezit van haar had genomen.
Denk eraan, dacht ze. Het gaat er niet om, om indruk te maken op iemand. Dit gaat niet over goed of fout zijn, of er goed uitzien. Dit gaat over je werk doen en een man die vrouwen martelt en vermoordt achter de tralies te zetten.
“White?!” snauwde Nelson.
Ze keek naar de koffietafel en zag de foto's. De vrouwen die van hun waardigheid waren beroofd, geterroriseerd, geslagen en gedood. Ze was hun gerechtigheid verschuldigd. Ze was hun families een soort rust verschuldigd.
Mackenzie greep de telefoon stevig vast, en zei met de stalen blik van vastberadenheid op haar gezicht:
“Ik ben er over een kwartier.”
HOOFDSTUK NEGEN EN TWINTIG
Toen Mackenzie op het Bureau aankwam, stonden er twee officieren bij de voordeur op haar te wachten. Ze was blij verrast te zien dat Porter één van hen was. Hij gaf haar een veelzeggende glimlach toen ze aan kwam lopen, en zonder een woord te zeggen openden de mannen de deuren voor haar en leidde haar naar binnen. Ze hadden nog geen drie stappen in het Bureau gezet toen Mackenzie besefte dat Porter en de andere officier als een schild fungeerden. Ze liepen aan weerszijden van haar en in een hoog tempo, haar afschermend voor het geval iemand op het Bureau haar zou zien en misschien problemen wilde veroorzaken.
Snel bereikten ze de grote hal waar ze Nelson buiten de verhoorkamer zag staan. Hij ging rechtop staan toen hij hen zag aankomen en Mackenzie zag dat hij er vreselijk gestresst uitzag, alsof hij elk moment als een raket zou kunnen wegschieten.
“Bedankt,” zei hij toen ze hem bereikten.
“Geen probleem,” zei Mackenzie.
Nelson gaf Porter en de andere officier een kort knikje en deze vertrokken direct. Na een stap te hebben gezet, draaide Porter zich echter om en fluisterde. “Verdomd goed werk,” zei hij met dezelfde glimlach die hij haar ook bij de voordeur had laten zien.
Als antwoord knikte ze, en glimlachte terug. Daarna liepen de officieren verder de gang door, terug naar de voorkant van het gebouw.
“Oké,” zei Nelson. “Die Hooks-kerel, hij is vooral coöperatief. Hij is bang en nerveus. Hij praat veel en heeft nog niet om een advocaat gevraagd. Dus push hem niet te hard en misschien komen we er uit zonder dat er een advocaat opdraaft die alles tegenhoudt.”
“Oké.”
“Wij kijken toe in de beoordelingskamer, dus als er iets misgaat, kan iemand daar in minder dan tien seconden zijn. Alles in orde?”
“Ja, prima.”
Nelson gaf haar een geruststellend schouderklopje en opende daarna de deur voor haar. Tot haar verbazing liep Nelson weg van de verhoorkamer en de gang door richting de beoordelingskamer. Mackenzie keek even naar de open deur voordat ze binnen stapte.
Hij is daarbinnen, dacht ze. De Vogelverschrikker Moordenaar zit daar.
Toen ze de verhoorkamer binnenliep, maakte de man aan de kleine tafel in het midden van de kamer een vreemde reeks emoties door; eerst ging hij als een stijve plank rechtop zitten, daarna verscheen een frons op zijn gezicht, gevolgd door verwarring en uiteindelijk een vaag soort opluchting.
Mackenzie maakte een soortgelijke reeks emoties door toen ze de moordenaar voor het eerst zag. Hij leek begin vijftig jaar, zijn haar was grijs rond de slapen, en de lijnen van leeftijd begonnen zich in zijn gezicht te vertonen. Hij was mager en tamelijk lang. Hij keek haar aan met diepbruine ogen die gemakkelijk te lezen waren: hij was bang en diep in de war.
“Hallo, mijnheer Hooks,” zei ze. “Mijn naam is rechercheur White. Ik denk dat wanneer u voor mij een paar vragen zo eerlijk mogelijk beantwoordt, u hier vrij snel mag vertrekken. Er is mij verteld dat u tot nu toe goed hebt meegewerkt, dus laten we dit voortzetten, oké?”
Hij knikte. “Dit is allemaal een enorm misverstand,” zei Hooks. “Ze denken dat ik die drie vrouwen heb vermoord. Ze denken dat ik die Vogelverschrikker Moordenaar ben.”
“ En dat bent u niet?” vroeg Mackenzie.
“Natuurlijk ben ik dat niet! Ik ben predikant in de Baptistische Kerk van de Heilige Genade.
"Dat is mij is verteld," zei Mackenzie. “De Bijbel in uw pick-up was gemarkeerd op verschillende passages. Eén daarvan is nauw verbonden met de zaak van de Vogelverschrikker Moorden.”'
“Ja, dat is wat de andere officieren ook zeiden. De Steden van Toevlucht, klopt dat?”
Mackenzie nam even de tijd om zich opnieuw een houding te geven. Ze was pissig dat iemand hun troef al had uitgespeeld en Hooks had verteld over het verband met de Steden van Toevlucht. Ze zou een andere invalshoek moeten proberen. Het enige dat ze zeker wist, was dat haar gevoel haar impliciet vertelde dat Hooks zeker niet de Vogelverschrikker Moordenaar was. De angst in zijn ogen was oprecht en vertelden, wat haar betrof, alles wat ze moesten weten.
“Hoe zit het met de stukken touw die we op de vloer van uw auto hebben gevonden?”
"De vakantie van onze Bijbelschool is over twee weken,” zei Hooks. “De stukken touw zijn overgebleven na het maken van de toneel decoraties. We hebben dit jaar een jungle-thema en we hebben het touw gebruikt voor wijnstokken en een kleine nep-hangbrug.”
“En waar is uw kerk gevestigd?”
“Op snelweg 33.”
“En die loopt parallel aan de Rijksweg 411, correct?”
Ja, dat klopt.”
Mackenzie moest zich even van Hooks wegdraaien om de uitdrukking op haar gezicht te verbergen. Hoe hadden Nelson en zijn huichelachtige officieren zo blind en stom kunnen zijn? Hadden ze dan niks onderzocht voordat ze deze arme man binnen hadden gebracht?
Toen ze zichzelf weer onder controle had, keerde ze zich weer naar hem toe en deed haar best om hem niet te laten merken dat ze er al van overtuigd was dat hij niet de moordenaar was.
“Waarom had u de passage over de vrijsteden gemarkeerd?”
“Ik ben van plan er over drie of vier weken over te prediken.”
“Mag ik vragen waarom?” vroeg Mackenzie.
“Het gaat om het bespreekbaar maken van het begaan van zonde, maar op zo een manier dat het de gemeenschap niet voor het hoofd stoot. We zondigen allemaal, weet u. Zelfs ik. Zelfs de meest vrome mens. Maar veel mensen worden opgevoed met het geloof dat zonde eeuwige verdoemenis betekent, en de zes vrijsteden zijn een geweldige illustratie van Gods vergiffenis van zonde. Ze gaan allemaal over de mate van zonde. Ze waren vooral bedoeld voor degenen die onbedoelde moord hadden gepleegd. Niet alle zonden zijn hetzelfde. En zelfs degenen die iemand vermoord hebben, wanneer dat onbedoeld is gebeurd, kunnen worden vergeven.”
Mackenzie dacht hier even over na en voelde dat haar hersenen overuren maakten terwijl ze naar verbanden zocht. Er was iets, maar het was nog niet duidelijk wat.
“Nog een laatste vraag, meneer Hooks,” zei ze. “Uw Toyota is vrij oud. Hoe lang heeft u deze al?”
Hooks dacht even na en haalde zijn schouders op. “Een jaar of acht. Ik heb hem tweedehands overgenomen van een lid van onze kerkelijke gemeenschap.”
“ Heeft u er ooit hout in vervoerd?"
“Ja. Vorige week had ik meerdere platen multiplex in de auto gehad voor de decoraties. En van tijd tot tijd help ik mensen in de winter brandhout te verzamelen en bij hun thuis af te leveren.”
“Nooit iets anders?”
“Nee. Niet dat ik me kan herinneren.”
“Hartelijk dank, mijnheer Hooks. U bent erg behulpzaam geweest. Ik heb er alle vertrouwen in dat u hier zo weg bent.”
Hij knikte, nog steeds verward. Mackenzie wierp hem een laatste blik toe terwijl ze de kamer verliet en de deur achter zich dichttrok. Op het moment dat ze buiten de verhoorkamer was, kwam Nelson een paar deuren verderop de beoordelingskamer uit. Hij zag er zenuwachtig uit toen hij haar naderde, en ze voelde de spanning in golven van hem afkomen.
“Nou, dat was snel,” zei hij.
“Hij is niet de moordenaar,” zei Mackenzie.
“En hoe weet je dat in godsnaam zo zeker?” vroeg hij.
“Met alle respect, mijnheer, hebben jullie hem überhaupt naar het touw gevraagd?”
Ja, dat hebben we gedaan,” snauwde Nelson. “Hij kwam met een verhaal op de proppen over dat hij die nodig had gehad voor de vakantie van de Bijbelschool in zijn kerk.”
“Heeft iemand de moeite genomen om dat te controleren?”
“Ik verwacht elk moment een telefoontje,” zei hij. “Ik heb ongeveer een half uur geleden een auto erop af gestuurd.”
“Mijnheer, zijn kerk ligt op ongeveer een kwartier rijden van de locatie in kwestie. Hij zei dat hij plannen had om binnenkort over de Steden van Toevlucht te prediken.”
“Lijkt handig, nietwaar?”
“Dat is zo,” zei ze. “Maar sinds wanneer is een dergelijke zwakke aanwijzing genoeg grond voor een arrestatie?”
Nelson keek haar boos aan en legde zijn handen op zijn heupen. “Ik wist dat het een vergissing was om je binnen te brengen. Ben je vastbesloten dit zo lang mogelijk te doen? Wil je de aandacht, zodat je in de krantenkoppen kunt blijven?“
Mackenzie kon er niets aan doen. Haar woede groeide en ze deed een stap naar voren. “Vertel me alsjeblieft dat je dit slechts uit frustratie zegt,” zei ze. “Ik zou graag willen geloven dat je slimmer bent dan zoiets te denken.”
“Let op je woorden, Mackenzie,” zei hij. “Op dit moment ben je net van deze zaak af gezet. Nog één keer en ik zal je voor onbepaalde tijd schorsen.”
Er viel een gespannen stilte tussen hen die slechts drie seconden duurde, onderbroken door het rinkelen van Nelson's mobiele telefoon. Hij verbrak zijn blik met Mackenzie, keerde haar de rug toe en beantwoordde zijn telefoon.
Mackenzie bleef staan en luisterde naar zijn einde van het gesprek, in de hoop dat waar het telefoontje ook over ging, het zou kunnen helpen de zaak op te lossen en Pastoor Hooks vrijuit zou gaan..
“Wat is er?” vroeg Nelson, nog steeds met zijn rug naar Mackenzie. “Ja? Oké ... weet je het zeker? Nou shit. Ja ... ik snap het.”
Toen Nelson zich omdraaide leek het of hij zijn mobiele telefoon door de gang wilde gooien. Zijn wangen hadden een felrode kleur en hij zag er volledig verslagen uit.
“Wat is er?” vroeg Mackenzie.
Nelson aarzelde, keek naar het plafond en slaakte een zucht. Het was de houding van iemand die op het punt stond een flinke portie trots in te slikken.
“Het touw in zijn pick-up komt exact overeen met het touw dat werd gebruikt om die toneeldecors te maken voor de Bijbelschool van de Baptisten Kerk. Sterker nog, er zijn papieren en handgeschreven notities aangetroffen in een klein kantoortje achterin de kerk die aantonen dat Hooks inderdaad een preek over de Steden van Toevlucht aan het voorbereiden is.
Ze had moeite om geen commentaar te geven over hoe hij en zijn officieren het mis hadden gehad, hoe ze zo graag deze zaak hadden willen afronden zonder de hulp van de Rijkspolitie of de FBI, dat ze een man hadden gearresteerd die het zeker niet had verdiend om in de boeien geslagen te worden.
“Dus hij is goed om te gaan?” zei Mackenzie.
“Ja. Hij mag weer vertrekken.”
Ze glimlachte minzaam. “Ga jij het hem vertellen, of moet ik dat doen?”
Nelson zag eruit alsof zijn hoofd elk moment zou kunnen ontploffen. “Doe jij het,” zei hij. “En wanneer je dat gedaan hebt, vertrek dan alsjeblieft zo snel mogelijk. Het is misschien het beste dat jij en ik elkaar een dag of wat niet spreken.”
Graag dacht ze.
Ze keerde terug naar de verhoorkamer, blij dat ze uit het zicht van Nelson was. Toen ze de deur achter zich dichttrok, keek Hooks hoopvol naar haar op met die donkerbruine ogen.
“U bent vrij om te gaan.”
Hij knikte dankbaar, haalde diep adem en zei: “Bedankt.”
“Zou u het heel erg vinden om toch nog een vraag voor mij te beantwoorden?” vroeg ze.
“Geen enkel probleem."
“Waarom zou God steden aanwijzen waar zondaars naartoe kunnen ontsnappen? Is het niet Gods taak om zondaars te straffen?”
"Dat staat ter discussie. Mijn eigen overtuiging is dat God zijn kinderen wilde zien slagen. Hij wilde hen de kans geven om bij Hem te komen.”
“En deze zondaars geloofden dat ze God in deze steden zouden kunnen vinden? Ze dachten dat ze daar vergiffenis van Hem konden krijgen?”
“In zekere zin wel. Maar ze wisten ook dat God in het centrum van alle dingen staat. Het was gewoon aan hen om Hem te zoeken. En deze steden waren de aangewezen plaatsen om dat te doen.”
Mackenzie dacht hierover na terwijl ze naar de deur liep. Ze hielp Hooks door de procedures van het uitchecken, maar haar geest was ergens anders mee bezig. Ze dacht aan de zes steden in een cirkel en hoe een soms strenge maar uiteindelijk vergevende God het allemaal overzag.
Hoe had Hooks het ook alweer gezegd?
Maar ze wisten ook dat God in het centrum van alle dingen staat.
Opeens had Mackenzie het gevoel dat er een sluier over haar gezicht was verwijderd. Die ene opmerking die in haar hoofd bleef hangen, maakte de verbinding die ze in de verhoorkamer bijna had gemaakt.
Vijf minuten later spoedde ze zich terug naar huis, en liet die ene gedachte over alle uithoeken van haar geest spoelen.
God staat centraal in alle dingen.
De klok op haar dashboard stond om 8:46, maar Mackenzie wist dat haar nacht net was begonnen.
Omdat, als ze gelijk had, ze wist hoe ze kon uitvinden waar de moordenaar woonde.
HOOFDSTUK DERTIG
Toen ze thuis kwam liep Mackenzie onmiddellijk naar de bank en haastte zich naar de stapels papierwerk die ze op de salontafel had achtergelaten. Het was op een bepaalde manier ironisch; ze had verwacht dat haar huis netter zou zijn nadat Zack was vertrokken, maar in plaats daarvan had haar rommel zijn puinhoop vervangen. Even vroeg ze zich af waar hij was en wat hij deed. Maar die gedachte duurde slechts enkele seconden. Het werd vervangen door de gedachte die haar naar huis had begeleid, nog steeds door haar hoofd wervelend als een verdwaalde bries over een woestijnbodem.
God staat centraal in alle dingen.
Ze bladerde door de papieren op tafel en kwam bij de twee kaarten - de kaarten van het Oude Testament of Refuge en de lokale landkaart die het gebied binnen een straal van honderd kilometer weergeeft. Ze legde ze tegen elkaar aan en keer ernaar met een blik van grote tevredenheid. Ze concentreerde zich vervolgens op de lokale kaart en staarde naar de X's die ze daar had geplaatst met zwarte stift. Met haar vinger bewoog ze over de kaart van X naar X. Ze verbond ze onderling met een lijn en zo ontstond de verwachte cirkel die de locaties maakten. Vervolgens, richtte ze haar aandacht op de binnenkant van de cirkel. Ze pakte de dichtstbijzijnde pen en trok een vage lijn uit elk van de zes "steden" zoals spaken op een wiel vanaf de randen van de cirkel.
God staat centraal in alle dingen.
De lijnen kwamen allemaal samen in het midden van de cirkel. Ze tekende een andere, veel kleinere cirkel op de plaats waar alle lijnen bij elkaar kwamen. Het omvatte een deel van de binnenstad, niet ver van waar ze Clive Traylor een paar dagen geleden hadden aangehouden. Langs de rand van deze nieuwe kleinere cirkel zag ze een kronkelige lijn die een rivier aangaf, in dit geval de Danvers Rivier, de kleine waterweg die zich een weg door een park in het centrum etste, langs de achterkant van een aantal vervallen stads- eigendommen van de binnenstad kronkelde en vervolgens uitmondde in het Saffier Meer.
Het was moeilijk te zien op de kaart, maar ze was er vrij zeker van dat haar nieuwe cirkel twee of drie verschillende straten en een klein bosje omvatte dat de westelijke binnenstad scheidde van de rand van het Saffier Meer.
Dit was het centrum van de moorden, het centrale punt dat bestond tussen de locaties van de moordenaar, de zogenaamde steden. Als deze man voelde dat hij op een bepaalde manier God was, of onder leiding van God werkte, dan dacht hij waarschijnlijk ook dat hij zich in het midden van dit alles bevond. En als God in het centrum van alle dingen was, was dit centrale punt zeer waarschijnlijk zijn huis.
Ze bleef voor een moment zitten, een vertrouwde opwinding begon in haar hart te bloeien. Ze wist dat ze een beslissing moest nemen en dat dit heel goed de afloop van haar carrière zou kunnen bepalen. Ze kon Nelson bellen en hem dit beetje informatie geven, maar ze was er vrij zeker van dat hij haar telefoontje niet zou aannemen. En zelfs als hij haar serieus nam, vreesde ze nog dat het idee op een laag pitje zou worden geplaatst.
De locatie die ze hadden ontdekt met de paal al op zijn plaats, betekende dat de moordenaar op het punt stond opnieuw te slaan. Wat als hij al een vrouw klaar had staan voor zijn volgende offer? En wat als hij creatief moest denken omdat zijn andere drie moord locaties in de gaten gehouden werden?
Helemaal klaar mee, dacht ze.
Mackenzie sprong overeind en in haar haast en opwinding viel veel van het papierwerk van de tafel. Ze liep naar de slaapkamer om haar dienstpistool te pakken en terwijl ze het holster aan haar riem vastkoppelde, ging haar mobiele telefoon. Ze schrok van het plotselinge en onverwachte geluid en moest even de tijd nemen om haar zenuwen te kalmeren alvorens te antwoorden. Toen ze naar het scherm keek, zag ze dat het Ellington weer was.
“Hallo?” vroeg ze.
“ Oh wow,” zei Ellington. “Ik verwachtte niet dat je zou antwoorden. Ik wilde net een bericht achterlaten om je te laten weten dat ik het voor gezien houdt voor vandaag en de vraag of je me morgen zou kunnen bellen met nieuws over de arrestatie. Ben je er nog niet?”
“ Oh, ik ben alweer terug! Het was de moordenaar niet.”
Hij pauzeerde.
“En dat ontdekte je in minder dan een half uur?”
“Ja. Het was duidelijk. Nelson en zijn mannen, zijn, nou ja, ze zijn niet helemaal nauwkeurig te werk gegaan.”
“Te gretig om iemand te arresteren?”
“Zoiets,” zei ze terwijl ze het pistool in het holster stak.
“Gaat het?” vroeg Ellington. “Je klinkt gehaast.”
Ze wilde het hem eerst niet vertellen, ze wilde haar nieuwe theorie stilhouden. Als ze ongelijk zou blijken te hebben kon dat hele vervelende gevolgen hebben, vooral als iemand van tevoren wist wat ze van plan was. Maar aan de andere kant voelde ze dat ze zich niet vergiste; ze voelde het in haar hart, haar buik, haar botten. Maar mocht ze iets gemist hebben of tot een verkeerde conclusie was gekomen, Ellington was de meest logische persoon die ze kende om haar theorie te testen.
“White?”
“Ik heb denk ik iets gevonden," zei Mackenzie. “Over de moordenaar. Over waar hij woont.”
“Wat?” Hij klonk geschokt. “Hoe bedoel je?”
Ze vertelde hem snel over haar gesprek met Pastoor Hooks en hoe ze het middelpunt van de dingen op de landkaart had gevonden. Terwijl ze het hardop uitsprak, raakte ze er steeds meer van overtuigd dat dit het was. Dit was eindelijk de juiste weg die hen naar de moordenaar zou leiden.
Toen ze klaar was, was het even stil aan de lijn. Ze zette zich schrap en verwachtte de gebruikelijke kritiek die ze altijd ontving.
“Denk je dat ik het mis heb?” vroeg ze.
“Nee. Helemaal niet. Ik vind het geniaal.”
Ze was zelf ook verrast en voelde zich gemotiveerd.
“Wat zei Nelson?” vroeg hij.
“Ik heb het hem nog niet verteld. En dat ga ik ook niet doen.”
“Je moet,” drong hij aan.
“Nee dat doe ik niet. Hij wil me niet op de zaak. En na het gesprek van zojuist op het Bureau, betwijfel ik of hij zelfs mijn telefoontje zou beantwoorden.
“Welnu, laat me dit aan de jongens van de Rijkspolitie voorleggen."
“Te riskant”, zei ze. “Als het een doodlopend spoor blijkt te zijn, op wie komt dan de schuld? Jou? Mij? Beide scenario's zijn niet goed.”
“Dat is waar,” zei Ellington. “Maar wat als het geen doodlopend spoor is? Wat als je de moordenaar aanhoudt? Dan moet je alsnog Nelson bellen.”
“Maar dan heb ik tenminste een positief resultaat. En zolang ik die klootzak maar kan oppakken, maakt het me niet uit wat de gevolgen voor mijzelf zijn.”
“Luister,” zei hij en hij klonk gefrustreerd, "Je kunt dit niet doen. Niet alleen.”
“Ik zal wel moeten,” zei ze. “We hebben geen idee wanneer hij weer gaat moorden. Ik kan dit niet voor me houden en afwachten totdat Nelson klaar is om weer met me te praten of totdat jouw jongens besluiten dat het de moeite waard is om hierheen te komen.”
“Ik zou het idee als het mijne kunnen presenteren,” zei Ellington. “Misschien zou dat het proces aan de kant van het Bureau versnellen.”
“Daar heb ik aan gedacht,” zei Mackenzie. "Maar hoelang zou het minimaal duren voordat ze hier zijn?”
De zucht aan de andere kant van de lijn vertelde haar dat hij wist dat ze gelijk had.
“Waarschijnlijk ongeveer vijf tot zes uur,” antwoordde hij. “En dat is optimistisch.’
“Dus je begrijpt wat ik bedoel.”
“En jij ziet hoe je me in een ongemakkelijke positie brengt,” wierp hij tegen. “Zodra je naar buiten gaat en er iets met je gebeurt, dan moet ik echt iets tegen mijn supervisor zeggen. Als je gewond raakt of gedood wordt en er wordt ontdekt dat ik van je plan op de hoogte was, is dat mijn probleem.”
“Dan denk ik dat ik gewoon moet zorgen dat ik niet gewond raak of gedood wordt.”
“Verdomme, White …”
“Bedankt voor de bezorgdheid, Ellington. Maar dit moet nu worden gedaan.”
Ze beëindigde het telefoongesprek voordat hij iets anders had kunnen zeggen wat haar van mening had kunnen doen laten veranderen. Maar nu het telefoongesprek was beëindigd, vroeg ze zich af of ze misschien te roekeloos was. Ze zou alleen zijn en het was pikdonker buiten. En ze had de specifieke orders gekregen om zich niet meer met deze zaak te bemoeien. Sterker nog, ze zou zich waarschijnlijk op het terrein van een moordenaar begeven van wie ze nog maar heel weinig wisten.
Voordat ze van gedachten kon veranderen liep ze door de woonkamer en ging de voordeur uit. Het inademen van de frisse nachtlucht leek alle twijfel weg te nemen. Ze streek met haar hand langs de vorm van het pistool in haar riem,en het kalmeerde haar een beetje.
Ze verspilde geen tijd meer, stormde naar haar auto en startte de motor. Ze schoot uit haar oprit en reed naar het westen, de nacht rolde zich voor haar uit als een donker gordijn van een podium dat eindelijk zou openen.
HOOFDSTUK EEN EN DERTIG
Ze had naar hem geluisterd hoe hij de hele dag door in het huis had gerommeld. Af en toe zong hij hymnes, waarvan ze er één herkende van toen ze bij haar oma op schoot had gezeten in de kleine bank van een landelijke baptistenkerk. Ze was er vrij zeker van dat het "Hoe groot zijt gij" werd genoemd. Telkens wanneer hij het neuriede, voelde ze een nieuwe golf van misselijkheid en angst, zich beseffende wat hij haar had aangedaan, en wat hij van plan was.
Terwijl ze naar zijn zang en bewegingen had geluisterd, probeerde ze weer overeind te komen. Als ze kleding aan had gehad, was het eenvoudiger geweest. Ze was erin geslaagd om naar de verste muur te rollen, haar rug ertegen te plaatsen en zichzelf langzaam op te richten. Maar haar kuiten begonnen te verkrampen en te branden omdat haar enkels zo strak tegen elkaar vastgebonden waren. Omdat ze zoveel had gezweet, zou haar rug tegen de muur glijden en zou ze weer op haar rug op de grond terecht komen.
Met bebloede polsen als gevolg van de schaafwonden die de touwen in haar huid hadden geëtst, kroop ze nogmaals achteruit tegen de muur aan. Haar benen voelden aan als rubber en de krassen die ze op haar rug had opgelopen prikten als bijensteken. Zachtjes huilend probeerde ze het opnieuw, ze duwde zichzelf tegen de muur terwijl ze probeerde op te staan. Toen ze het punt bereikte waar haar enkels en kuiten begonnen te branden, dwong ze zichzelf de pijn te negeren en strekte haar benen..
Nu ze rechtop stond begonnen haar benen te wiebelen en viel ze bijna meteen weer om. Maar ze drukte zichzelf tegen de muur en wist haar evenwicht te bewaren.
Oké, wat nu?
Ze wist het niet. Ze was opgelucht omdat ze eindelijk weer rechtop stond. Ze bedacht dat wanneer ze de deuropening die een paar meter naar rechts was, zou kunnen bereiken, ze misschien een telefoon zou kunnen vinden en de politie zou kunnen bellen. Ze had hem de hele dag door de deur horen openen en sluiten. Ze veronderstelde dat hi steeds even naar buiten ging en terugkwam. Als ze maar een glimp kon opvangen van wat er elders in het huis aan de hand was, zou ze hier misschien levend uit kunnen komen.
Ze bewoog zich langzaam langs de muur en kwam tot vlakbij de deuropening. Ondanks het zweet op haar lichaam kreeg ze kippenvel. Ze voelde haar lichaam trillen en ze wilde huilen, terugzakken naar de vloer. Ze keek de kamer door, op zoek naar iets scherps waarmee ze de touwen om haar pols kon doorsnijden.
Maar er was niks.
Ze had zin om op te geven. Dit is teveel, dacht ze, te zwaar
Met haar rug naar de deur zocht ze naar de deurknop. Toen ze deze in haar handen had, draaide ze hem langzaam om. Met een lichte klik viel de tuimelaar van het slot terug in de deur.
Ze stapte een stukje naar achteren en liet hem langzaam openzwaaien. Ze voelde de frisse lucht naar binnen stromen en vroeg zich af of er ooit iets in haar leven zo goed had gevoeld.
Ze draaide zich langzaam om en probeerde zo stil mogelijk te bewegen. Ze zou proberen om een telefoon vinden om iemand te bellen, of een open raam. Natuurlijk, haar handen en benen waren vastgebonden, maar ze zou een val riskeren om hier weg te komen.
Maar toen ze zich volledig had omgedraaid en met haar gezicht richting de deuropening stond, zag ze hem staan.
Haar schreeuw werd afgebroken door een stoffen prop over haar mond. Hij glimlachte naar haar en stapte de kamer binnen. Hij legde een hand op haar blote schouder en streelde haar. Toen, terwijl zijn glimlach groter werd, gaf hij haar een duw. Ze viel op de vloer en kwam onhandig op haar schouder terecht. Ze schreeuwde weer maar het geluid was niets meer dan een diepe snik.
“Je zult snel genoeg vrij zijn,” vertelde hij haar.
Hij ging op zijn knieën zitten en legde opnieuw een hand op haar schouder, alsof hij haar wilde geruststellen.
“We zullen allebei vrij zijn en het zal glorieus zijn.”
Hij verliet de kamer en toen hij de deur sloot, hoorde ze een extra klik terwijl hij de deur op slot draaide. Ze huilde en had het gevoel dat ze zou stikken vanwege de prop in haar mond. En terwijl hij zich naar beneden begaf en hymnes zong, bad zij, liggend op zijn stoffige vloer, wanhopig tot dezelfde God.
*
Hij hield niet van werken onder druk. Hij hield ook niet van verandering, vooral niet wanneer de dingen zo zorgvuldig en doordacht gepland waren. Toch was hij hier, halverwege zijn werk zijn plannen aan het veranderen. Er waren nog drie steden om op te richten, nog drie offers. De ene was gestut en klaar voor de uitvoering, maar hij had nog steeds geen idee hoe hij de andere twee zou uitvoeren.
Voor nu moest hij het stap voor stap doen. Voor nu was de vierde stad het enige waar hij zich zorgen over maakte.
Hij dacht dat hij zich goed had aangepast in het licht van recente gebeurtenissen. Het was het werk van God geweest dat juist toen hij op geplande locatie van de vierde stad had gereden, hij de aanwezigheid van de politie had gezien. De mannen van de wereld hadden hem door en zouden alles doen wat ze konden om zijn werk te stoppen. Maar God, soeverein en alwetend, beschermde hem. Hij had daarna gebeden en God had hem verteld dat het het werk was dat ertoe deed, niet de locatie van het offer.
Hij had zich dienovereenkomstig aangepast. En wat hem betreft, had hij het goed gedaan.
De vrouw was bijvoorbeeld niet langer in de kamer op de bovenverdieping, de plaats waar hij haar een uur eerder had verlaten. Nu was ze in de schuur. Ze was in de foetushouding, haar armen achter haar getrokken en haar knieën opgetrokken. Haar enkels en polsen waren samengebonden, en het touw had een klein beetje speling zodat ze niet per ongeluk haar schouder uit de kom zou trekken. Ze moest ongeschonden zijn wanneer hij haar aan de paal plaatste. God zou geen offers met gebreken accepteren.
Hij bestudeerde haar even terwijl hij tegen de paal stond die hij net in de schuur had opgericht. Deze vrouw was mooi, mooier dan de anderen. Haar rijbewijs wees uit dat ze negentien jaar was en hij las dat ze oorspronkelijk uit Los Angeles kwam. Hij wist niet waarom de vrouw hierheen was gekomen, maar hij wist dat God haar op zijn pad had geplaatst. Het meisje wist het niet, maar ze moest zich vereerd voelen. Ze besefte niet dat ze al was geselecteerd nog voordat ze was geboren, om te worden geofferd voor de glorie van God.
Hij had nooit de moeite genomen om dit aan de vrouwen uit te leggen. Ze wilden toch niet luisteren.
Hij had deze volledig naakt uitgekleed. Hij had de bh en het ondergoed bij de anderen aan gelaten omdat hij geen verleiding wilde riskeren. Maar dit was zo'n perfect offer dat hij zichzelf niet kon helpen. Hij had nog nooit zulke perfecte borsten gezien, zelfs niet in films of tijdschriften.
Hij wist dat hij gestraft zou moeten worden omdat hij zo naar haar vlees keek. Hij zou zich zeker boeten voor deze zonde, waaraan hij zich vanavond vele keren schuldig aan had gemaakt.
Nadat hij de paal had opgezet, was hij naar de ijzerhandel gegaan en had hij een rol plastic gekocht. Hij had er een half uur over gedaan om de vloer van de schuur ermee te bedekken, met nietjes in plaats van spijkers, omdat deze later gemakkelijker te verwijderen waren. Het opzetten van de paal in de schuur en vervolgens het bedekken van de vloer met de vellen plastic was intensief werk, maar het was goed voor hem geweest. In zekere zin had hij nu nog dankbaarder voor het komende offer. Door hard te werken om de plaats van het offer voor te bereiden voelde hij zich waardiger.
Hij stopte en haalde diep adem en bewonderde zijn handwerk.
Het was nu bijna tijd.
Hij moest eerst bidden en dan zou hij de vrouw vastbinden. Hij zou de prop in haar mond beter moeten aanbrengen want hij had nog nooit een offer in zo'n dichtbevolkt gebied gebracht. Eén klein foutje en een buurvrouw zou haar kunnen horen schreeuwen terwijl hij de zweep naar beneden liet komen. Maar hij zou zich daar pas zorgen over gaan maken nadat ze aan de paal was vastgebonden.
Ten eerste, gebed en berouw. Hij moest bidden dat zijn steden - zijn offers - God zouden behagen en dat zijn werk een toonbeeld zou zijn van zijn glorie en liefde voor de mens.
Hij ging op zijn knieën voor de paal zitten. Voordat hij zijn ogen sloot om te bidden, keek hij weer naar de vrouw. Een gevoel van berusting leek zich over haar gezicht te verspreiden en toen hij dit zag, ging hij met een groot gevoel van vrede in gebed.
Het was bijna alsof ze wist dat er daarna een grote beloning op haar wachtte, alsof ze wist dat ze die beloning zou ontvangen en dat ze binnen het uur uit deze wereld van vuil zou worden vrijgelaten.
HOOFDSTUK TWEE EN DERTIG
Mackenzie parkeerde haar auto in de vervallen buurt aan het einde van het blok, en zoemde in op de kaart van het gebied op haar mobiele telefoon voordat ze uit haar auto stapte. Ze wist dat haar zoektocht zou bestaan uit één blok huizen, met drie verschillende straten: Harrison, Colegrove en Inge.
Ze wist dat de Inge straat van haar lijstje kon worden geschrapt omdat de huizen aan deze kant van de straat leeg stonden, omdat ze enkele jaren geleden onbewoonbaar waren verklaard. Ze wist dit omdat het een populaire locatie was voor drugshandel en bende activiteiten. Ze had haar allereerste arrestatie in een drugszaak hier gemaakt en slechts een paar straten verder had ze ook voor het eerst in haar carrière haar pistool moeten trekken.
De straten van Colegrove en Harrison waren echter volledig bewoond en slaagden erin om vol te houden in dit verder zwaar verpauperde deel van de stad. Dit waren mensen met een baantje die meestal hun loon uitgaven aan drank, gokken en, als ze nog geld over hadden, de meeste avonden van de week fastfood aten.
Voordat ze uitstapte, zocht ze het nummer van Ellington op. Ze sms'te hem de straatnamen en sloot vervolgens af met: als je binnen een paar uur niets van me gehoord hebt, bel dan iemand en stuur ze hierheen.
Ze zette daarna haar telefoon op trillen en stapte de nacht in.
Mackenzie liep in een gestaag tempo door Harrison Street,en wilde op dit late uur niet al te achterdochtig lijken, hoewel een eenzame vrouw die in het donker door deze straten loopt voor gek wordt verklaart. Ze ging op zoek naar huizen met vrachtwagens of bestelwagens op het terrein en zag twee woningen die aan de beschrijving voldeden.
Bij het eerste huis stond een busje geparkeerd op de kleine oprit. Op de zijkant van het busje stond met versleten vinyl letters Loodgieterij Gebroeders Smit geschreven.
Mackenzie sloop zo snel als ze kon door de schaduwen, ging naar de zijkant van het busje en tuurde door het zijraam aan de passagierskant naar binnen. Ze kon nauwelijks achterin kijken, maar ze zag wel een hoek van een gereedschapskist. Voorin, verscholen tussen de stoelen en in het middenconsole en tussen het dashboard en de voorruit, zag ze verschillende facturen. Aan het hoofd van de facturen zag ze hetzelfde embleem dat aan de zijkant van het busje te zien was, en dit bevestigde dat de facturen van de Loodgieterij van de Gebroeders Smit toe behoorden.
Nadat ze dat huis uit haar zoektocht had geëlimineerd, begaf ze zich naar het volgende huis. Een zwarte vrachtwagen stond buiten langs de stoeprand. Het was een nieuwer model, versierd met een ‘BewaarAfstand’-bumpersticker en een sticker op het achterraam waaruit bleek dat de eigenaar een oorlogsveteraan was. Ze keek in de achterkant van de vrachtwagen naar sporen waaruit zou blijken dat deze auto onlangs een grote cederhouten paal had vervoerd, maar zag niets. Hoewel ze een oorlogsveteraan niet wilde uitsluiten enkel op grond van hun bewezen diensten aan het vaderland, vond Mackenzie de gedachte dat een man die in de zeventig zou moeten zijn en die zonder hulp palen zou opzetten moeilijk voor te stellen.
Ze bereikte het einde van het blok en sloeg toen rechtsaf richting de Colegrove straat. Ze kon het dreunende bas geluid uit een nabijgelegen huis waar ze rapmuziek aan het luisteren waren horen. Terwijl ze elk huis passeerde op zoek naar vrachtwagens of bestelwagens, ving ze een glimp op van de duistere Danvers-rivier die ver achter de huizen het licht van de maan reflecteerde.
Er stond een vrachtwagen geparkeerd langs de straat recht voor haar. Zelfs voordat ze deze naderde, zag ze dat het niet de truck was waar ze naar op zoek was. De achterbanden waren lek en het vertoonde tekenen van verwaarlozing dat ze het vermoeden had dat het voertuig jaren geleden was afgeschreven.
Ze was nu halverwege de straat en tuurde vooruit, maar zag alleen maar auto's staan, sommigen op een kleine oprit maar de meeste langs de stoep. Er waren er in het totaal zes, waarvan een nieuw model en vijf roestbakken.
Ze begon net het gevoel te krijgen dat ze nog een mislukte theorie had ontrafeld, toen ze het huis aan haar linkerkant zag. Een ouder model Honda Accord stond langs de stoeprand. Een kleine begroeide voortuin leidde tot een slecht onderhouden rasterhekwerk dat overliep in een even slecht onderhouden houten hekwerk dat het erf scheidde van het aangrenzende terrein. Ze liep verder langs het terrein en bevroor toen ze aan de andere kant van het huis kwam.
Het hek met rasterpatroon was nergens meer te zien en kwam blijkbaar tot een abrupt einde in de achtertuin. Wat ze wel zag, was een geïmproviseerde oprit die niets meer was dan afgeplat gras en dunne moddersporen. Ze volgde de sporen met haar ogen en zag dat deze eindigden bij een oude groene Ford-pickup die geparkeerd stond. Het stond met de neus naar voren geparkeerd, waardoor de grille en dode koplampen haar recht in het gezicht aanstaarden.
Mackenzie wierp een blik op het huis en zag dat er licht brandde. Het wierp heel weinig licht, waardoor ze vermoedde dat het een lamp of een ganglicht was van dieper in het huis.
Ze liep snel de tuin in en volgde het spoor van het afgeplatte gras naar de auto. Ze keek door het zijraam van de bestuurder en zag wat oude fastfood verpakkingen en ander afval.
Bovendien zag ze in het midden van de bank-achtige stoel een Bijbel liggen.
De adrenaline gierde door haar lichaam terwijl ze de achterdeur aan de bestuurderskant probeerde open te maken, Ze was niet helemaal verbaasd dat deze op slot zat..
Ze ging naar de achterkant van de auto en zag dat de achterbank omlaag was. Ze tuurde erin en zag geen duidelijke indicatie van wat er onlangs in was meegenomen, maar het was moeilijk om iets te zien in het donker.
Ze keek naar de achtertuin en zag dat haar veronderstelling juist was geweest; het rasterhekwerk liep over de hele lengte van de tuin en stopte pas daar waar een schuur begon. Ze zag geen ramen, maar ze zag een spoor van licht uit een kier van de schuurdeur komen.
Ze stapte de achtertuin in, en sloop dichter naar het hekwerk. Terwijl ze de schuur naderde, bedacht ze dat het licht vrij klein moest zijn, een kaars misschien. Haar nieuwsgierigheid veranderde in bedachtzaamheid en ze liep naar de rand van het hek. Toen ze de zwakke gloed die tussen een kleine kier tussen de deur en het kozijn kwam naderde, hurkte ze laag op de grond.
Ze zocht naar een opening in het hek, bang dat eroverheen klimmen teveel lawaai zou maken. Terwijl ze dit deed, vielen haar ogen op een andere vorm naast de schuur. Ze had het eerder gemist, omdat het laag bij de grond was en gehuld in schaduwen. Maar nu ze niet meer dan 5 meter van de schuur verwijderd was, was de vorm duidelijk en gedefinieerd.
Het waren eigenlijk twee vormen.
Twee cederpalen, afgezaagd op ongeveer twee en een halve meter.
Ze wist dat ze op back-up moest wachten.
Maar ze voelde in alle cellen van haar lichaam dat er geen tijd was.
Dus, met haar spieren en al haar zintuigen op scherp gezet pakte ze het rasterhekwerk vast.
En toen begon ze te klimmen.
HOOFDSTUK DRIE EN DERTIG
Het hek was oud en verroest, net als al het andere in deze godvergeten straat. Ze voelde de roest in de vouwen van haar vingers snijden, maar dankzij de roest maakte het hekwerk bijna geen geluid toen ze het bewoog. Het hek was ongeveer 2 meter hoog en al snel bereikte ze de top.
Ze gooide een been erover, maakte zichzelf stabiel en bracht toen het andere over.
Met een enkele duw sprong ze van de top van het hek en landde met een zachte plof in de tuin
Ze trok meteen haar Glock uit zijn holster en kroop in een gehurkte houding naar de schuur. Ze liep naar de deur en ging een beetje rechtop staan, in een poging om de plaats in het deurkozijn te vinden waar het slot zich bevond. Ze vond het op driekwart hoogte van de deur en tuurde naar binnen.
Meteen zag ze de cederhouten paal in het midden van de schuur staan. Een gehaaste schaduw viel op de paal, gevolgd door een object dat het had geworpen. Ze zag eerst de vrouw, haar benen tegen de lucht schoppend, en vervolgens de man die haar van achteren vasthield. De vrouw was naakt en had een prop in haar mond. Een reeks gedempte kreten kwamen van achter de prop vandaan terwijl ze vocht om weg te komen.
De man sleepte haar hardhandig mee naar de paal. Een stuk touw lag als een lasso over zijn schouder.
Mackenzie, wiens hart zo hard bonsde dat ze nauwelijks nog kon horen, had genoeg gezien. Ze wist dat ze snel moest handelen; ze moest de deur opentrekken en naar binnen gaan met getrokken pistool voordat de engerd doorkreeg wat er aan de hand was.
Dit is waar het gemakkelijker zou zijn geweest met hulp, dacht ze bij zichzelf, en had plotseling spijt dat ze zich hier alleen had gewaagd.
Ze stak haar hand uit naar het roestige handvat van de deur. Toen ze het greep, vulde een ziekmakende gedachte haar hoofd. Wat als het op de een of andere manier van binnenuit afgesloten was?
Dat antwoord was eenvoudig genoeg. Nu ze een paar centimeter van de moordenaar verwijderd was, was ze bereid meer risico's te nemen. Als dat het geval is, dacht ze, schiet ik dwars door de verdomde deur.
Ze greep het handvat vast en haalde diep adem. Ze ademde niet uit totdat ze de deur had opengetrokken.
Ze sprong naar voren en bracht de Glock omhoog.
“Politie! Leg het wapen neer en je handen ... “
Op het moment dat ze binnenstapte besefte ze dat ze een fout had gemaakt. Iets onder haar voeten voelde vreemd. En er was een geluid, iets dat nergens op sloeg.
Mackenzie keek voor een fractie van een seconde naar beneden, haar ogen verlieten de vorm van de man voor haar en zagen het plastic zeil dat de vloer bedekte. Ze stond erop. En hoewel het minder dan een seconde kostte om te verwerken wat ze zag, was het een seconde te veel.
De troebele gestalte voor haar viel onmiddellijk op zijn hurken, greep de plastic folie in zijn handen en rukte met alle kracht die hij had.
Mackenzie voelde de grond bewegen. Het plastic waarop ze stond werd naar hem toe getrokken en ze verloor haar evenwicht en viel.
De man duwde daarna de naakte vrouw in haar richting en ze landde bovenop haar.
Mackenzie, versuft, stak haar hand uit en duwde de hysterische vrouw van haar af, maar tegen de tijd dat ze dat voor elkaar had, was de man al dichterbij gekomen en bracht zijn vuist naar beneden. Ze was half overeind toen de vuist haar precies tussen haar ogen trof en haar terug naar de grond stuurde.
Terwijl ze op de grond viel, kreeg Mackenzie haar eerste glimp van de moordenaar. Hij was veertig en gedeeltelijk kaal. Zijn ogen waren elektrisch blauw en zagen eruit als een dolgedraaid dier dat veel te lang opgesloten was geweest en een vrij goed idee heeft van hoe vrijheid zou moeten zijn. Hij was kort en had een gedrongen uiterlijk. Mackenzie schatte in dat er meer spiermassa onder zijn shirt zat dan zijn uiterlijk deed vermoeden. De klap die hij haar had gegeven was een indicatie hiervan.
Hij kwam haar richting weer op en bewoog met een snelheid die de kleine ruimte van de schuur niet in staat leek te bevatten. Hij had iets in zijn hand dat door de duisternis leek te glijden. Tegen de tijd dat hij zijn arm had opgeheven, besefte Mackenzie wat het was. Ze zag het versplinterde uiteinde naar haar toe komen.
Mackenzie rolde net op tijd uit de weg.
De zweep klapte op minder dan twee centimeter van het rechteroor van Mackenzie. Het geluid was oorverdovend.
De moordenaar bracht de zweep nogmaals omhoog, en richtte het deze keer recht op Mackenzie.
Deze keer reikte ze naar achteren, greep haar pistool, pakte het met beide handen vast en vuurde.
Door de beweging die hij maakte terwijl hij de zweep naar beneden bracht, miste de kogel bijna haar doel en raakte hem hoog in zijn linkerschouder in plaats van in zijn hart.
Hij liet de zweep vallen en strompelde naar voren, en keek naar Mackenzie alsof hij het idee dat er een pistool was niet kon bevatten.
Maar hij was onverschrokken. Hij dook en greep naar haar pistool. Mackenzie vuurde opnieuw, deze keer schampte het zijn rechterarm terwijl hij naar beneden kwam.
Hij viel met zijn volle gewicht bovenop haar en de schok ervan zond een explosie van pijn door haar lichaam. Haar handen gingen in een reflex open en de Glock viel op de vloer.
Op het moment dat ze het pistool op de grond hoorde vallen, stond de moordenaar op en hief zijn vuist op. Voordat hij deze weer naar beneden had kunnen brengen stompte Mackenzie hem recht in zijn darmen. Maar al liggende op haar rug op de vloer had ze niet zoveel kracht maar het resulteerde erin dat hij zijn slag ook mistte. Toen hij zijn vuist naar beneden bracht en haar slechts op haar schouder schampte, draaide Mackenzie zich razendsnel om en sloeg hem hard het haar elleboog tegen de zijkant van zijn kaak.
Hij gleed van haar af en ze ging meteen op zoek naar de Glock.
De moordenaar vluchtte terwijl Mackenzie's hand het pistool vond. Ze bracht het omhoog en richtte op de deur, net toen hij maakte dat hij wegkwam. Ze schoot bijna, maar de naakte vrouw stond in de weg.
Mackenzie sprong op en keek naar de trillende naakte vrouw die nog steeds vastgebonden was.
“Blijf hier,”zei Mackenzie. “Ik kom terug voor je.”
De vrouw knikte en Mackenzie zag iets breken in haar ogen. De gebeurtenissen van deze nacht, wat er ook was gebeurd, zouden deze arme jonge vrouw voor de rest van haar leven tekenen.
Met die vreselijke gedachte stootte Mackenzie de schuur uit, net op tijd om de achterdeur van het huis te zien sluiten. Mackenzie zette onmiddellijk de achtervolging in en verwachtte dat de achterdeur op slot zou zijn.
Toen ze aan de knop draaide, bleek dat niet het geval. De achterdeur ging open en onthulde een kleine ingang en een donkere keuken daarachter.
Hij had dat met opzet gedaan, dacht ze. Hij wil dat ik hem naar binnen volg.
Ze dacht even na voordat ze naar binnen stapte en haar pistool optilde en in de duisternis tegemoet liep.
HOOFDSTUK VIERENDERTIG
Mackenzie stapte de keuken in en zag meteen dat deze man niet veel gaf om de manier waarop hij leefde. Ze rook de stank van bedorven voedsel die ergens vandaan kwam, vermengd met de geuren van stof en oud zweet. Ze voelde haar handpalmen zweten om haar pistool terwijl haar hart als een wilde tekeerging, wetende dat ze heel goed kon sterven in dit huis, en ze probeerde kalm te blijven.
Mackenzie sloop over de keukenvloer en luisterde naar beweging elders in het huis. Nu ze binnen waren, besefte ze dat ze geen idee had waarover de moordenaar de beschikking zou kunnen hebben. Op dit moment had hij zijn eigen pistool kunnen pakken.
Mackenzie bereikte de rand van de keuken, waar een donkere gang wachtte. Halverwege de kleine gang leidde een trap met houten treden naar de tweede verdieping. De moordenaar was hier in het voordeel en dat wist ze. Het zou dwaas zijn om door die hal te lopen. Ze keek naar rechts en zag de woonkamer, verlicht door een klein lampje op een bijzettafeltje. Een andere bijbel lag op het bijzettafeltje. Er stak een bladwijzer uit en ernaast lagen een pen en een blocnote.
Van boven klonk het zachte gekraak van een vloerplaat, waardoor de positie van de moordenaar werd weggegeven. Mackenzie handelde snel en wilde hem verrassen.
Nu of nooit, dacht ze.
Ze rende de gang door en halverwege de trap op in minder dan drie seconden. Ze bleef staan en staarde naar de duisternis boven haar. Haar ogen begonnen zich aan te passen en toen ze dacht dat het veilig was om dat te doen, liep ze verder de trap op.
Ze was halverwege toen ze voetstappen in de keuken hoorde. Verward keek Mackenzie naar beneden en ze zag het potentiële slachtoffer in de richting van de trap komen. Haar ogen leken half doortrokken van waanzin en iets van die aanblik van zo’n aantrekkelijke vrouw in haar ondergoed te midden van zo’n gespannen scène was zo abstract dat het Mackenzie even van haar stuk bracht.
“Alsjeblieft,” zei de vrouw. “Je moet de politie bellen. Ik kan niet...”
Maar ze kreeg geen kans om haar zin af te maken. Ze schreeuwde, haar ogen net boven Mackenzie. Mackenzie draaide zich net op tijd om en zag de gedaante van de moordenaar zo snel de trap af rennen en naar haar toe komen dat Mackenzie nauwelijks tijd had om haar pistool op te heffen.
Pats!
Hij gaf haar een zweepslag en een woest, stekend gevoel brak uit aan haar rechterhand dwars over de knokkels, gevolgd door een verblindende pijn die over haar linkerwang gleed terwijl hij de zweep weer naar beneden bracht.
Ze voelde het bloed onmiddellijk stromen, het gutste langs haar vingers en haar gezicht. Ze zag hem op haar afkomen en hij dook vanaf de bovenste trede omlaag.
Ze vuurde blindelings, wetende dat de pijn in haar hand haar schot beïnvloedde.
Toch hoorde ze hem het uitschreeuwen van de pijn, terwijl het schot hem laag in de buik raakte
Verbazingwekkend genoeg vertraagde het schot alleen zijn vooruitgang. Wederom viel hij met zijn volle gewicht tegen haar aan en ze viel achterover de trap af.
Ze greep naar de muur, liet opnieuw haar pistool vallen, maar het hielp niets. Ze vielen allebei van de trap en toen Mackenzie op haar rug terechtkwam, explodeerde de pijn en werd haar de adem ontnomen.
In een kluwen van armen en benen vielen ze verder naar beneden. Toen ze eindelijk de grond raakten, was Mackenzie verkrampt van de pijn in haar rug en het bloed van haar gezicht bedekte haar nek en trok in haar shirt.
De moordenaar stond op en kwam dezelfde zweep terug waarmee hij haar op de trap had aangevallen. Hij draaide zich om en sloeg het oorspronkelijke onderwerp van zijn waanzin: de vrouw in de roze beha, die bevroren van angst en met open mond aan de vloer genageld stond. De zweep raakte haar op haar schouder en had meteen een rode fontein tot gevolg toen haar bloed tegen de muur van de gang spatte.
Terwijl de vrouw jammerend op de grond viel, probeerde Mackenzie haar eigen aanval in te zetten, maar haar rug leek geen moment mee te willen werken. Ze voelde zich verlamd en vroeg zich af of ze tijdens haar val haar ruggengraat had gebroken.
De moordenaar richtte zijn aandacht weer op haar en hief de zweep op. De glimlach op zijn gezicht toonde absolute waanzin, een glimlach die thuishoorde in een gesticht en in nachtmerries.
“Ik zal een stad in jouw naam oprichten,” zei hij, terwijl hij zich klaarmaakte om de zweep op haar neer te laten dalen.
Mackenzie kon alleen maar terugdeinzen, wachtend tot de zweep op haar vlees zou neerkomen met dat zieke kraakgeluid, terwijl het uiteinde met de weerhaakjes haar vel zou doorboren en haar voorgoed zou misvormen. Ze vroeg zich af hoe ze eruit zou zien als hij klaar was, mocht ze dit overleven.
Plotseling klonk er een dreunend geluid in de keuken. Mackenzie begreep niet wat het was totdat ze een figuur in de gang zag verschijnen. Hij kwam door de gang rennen en sprong op de moordenaar af.
De moordenaar, die zojuist op het punt stond om zich om te draaien, werd hardhandig op de grond gegooid. Pas toen de twee lichamen op de grond begonnen te vechten, zag Mackenzie tot haar ontzetting wie de andere persoon was.
Porter.
Het sloeg nergens op. Een deel van Mackenzie vroeg zich af of ze haar hoofd op de weg naar beneden had geraakt en dingen zag.
Maar toen haar rug eindelijk losser begon te worden, ging ze suf op haar knieën zitten en zag wat er voor haar gebeurde. Porter had haar gered. Hij vocht nu met de moordenaar, hij zat boven op hem en sloeg hem met een behendige rechtervuist hard in het gezicht.
Met zwarte stippen voor haar ogen zocht Mackenzie haar pistool. De vloer voelde alsof hij onder haar heen en weer golfde en ze kon haar eigen bloed ruiken. Het kwam in een grote stroom uit haar wang en...
Plotseling zag ze haar pistool. Het lag op een paar centimeter afstand van de hand van de moordenaar en hij probeerde het duidelijk te pakken.
“Porter,” kraste ze, terwijl ze haar rug nog steeds niet vertrouwde en haar benen wiebelig vond aanvoelen.
Ze probeerde naar voren te rennen, maar haar rug zat op slot en ze ging met een grimas van pijn door haar knieën. Ze keek hulpeloos toe terwijl de moordenaar haar Glock vastpakte.
Porter zag het net op tijd en stak zijn hand uit om te voorkomen dat de moordenaar het pistool in positie bracht om te schieten.
Maar terwijl hij dit deed verloor Porter zijn evenwicht. De moordenaar profiteerde hiervan en rolde weg, waardoor Porter op de vloer viel, en hij pakte het pistool.
De moordenaar stond op en vuurde.
Het schot was oorverdovend en het gebrul van pijn van Porter duurde maar heel kort. Mackenzie’s hart zonk, in de hoop dat het niet betekende wat ze dacht dat het deed.
Mackenzie vocht tegen de vlammende pijn in haar rug en strompelde naar voren. De moordenaar stond daar, zijn gezicht was nu ook bebloed door de aanval van Porter. Mackenzie viel hem van achteren aan en duwde hard haar elleboog in de ruimte tussen zijn schouderbladen.
Hij viel op de grond en het pistool vloog uit zijn hand.
Mackenzie schreeuwde het uit van de pijn in haar rug, terwijl ze haar knie in het midden van de rug van de man duwde. Ze voelde de lucht uit hem wegstromen en daar profiteerde ze meteen van.
Ze greep hem aan beide kanten van zijn hoofd, haar rechterhand niets meer dan een handschoen van bloed als gevolg van de zweepslag, en hief het enkele centimeters van de grond. Daarna, met een schreeuw die een sublieme mengeling was van pijn, frustratie en overwinning, sloeg ze zijn hoofd tegen de houten vloer.
Hij kreunde en hijgde.
Ze deed het opnieuw, in een snelle machine-achtige beweging. Omhoog, dan omlaag.
Deze keer maakte hij geen lawaai.
Ze rolde van zijn rug af en leunde tegen de muur. Ze gleed naar Porter en haar hart maakte een sprongetje toen ze zag dat hij bewoog. Er zat bloed op de linkerkant van zijn hoofd en hij hield zijn oor vast als een bang kind.
“Porter?”
Hij reageerde niet. Hij rolde echter om en keek haar aan.
“White?”
Hij keek bezorgd en veegde bloed van zijn gezicht.
“Het verdomde pistool ging vlak langs mijn oor af,” zei hij met luide stem. “Ik hoor niets meer."
Ze knikte, boog haar rug en probeerde de pijn te verzachten. Maar de pijn was van plan om te blijven, zo leek het. Ze reikte naar de moordenaar en legde haar hand in zijn nek. Het was moeilijk te zeggen door haar eigen stijgende adrenaline en hartslag, maar ze was er vrij zeker van dat er een polsslag was.
Mackenzie lag op de grond naast Porter en haalde langzaam haar mobiele telefoon uit haar achterzak. Toen ze naar het nummer van Nelson scrolde, liet ze overal bloedige strepen achter.
Terwijl de telefoon overging stak ze haar vrije hand uit en vond die van Porter. Ze kneep erin en ondanks het kleverige bloed dat haar vingers bedekte kneep Porter terug.
HOOFDSTUK VIJFENDERTIG
Drie dagen nadat de Vogelverschrikker Moordenaar in hechtenis was genomen, keerde Mackenzie terug naar hetzelfde ziekenhuis dat ze slechts twee dagen daarvoor had verlaten. Ze had veertien hechtingen in haar wang gekregen en vijf langs de bovenkant van haar rechterhand. Ze ging naar de derde verdieping en liep naar de kamer die werd bezet door Porter. Toen ze hem in het ziekenhuisbed zag liggen, brak haar hart, vooral vanwege het feit hoe hij daar was beland.
Toen ze binnenkwam glimlachte hij naar haar. Aan de linkerkant van zijn hoofd zat een grote bult bedekt met verband, maar ze was opgelucht dat alle infusen waren verwijderd sinds de laatste keer dat ze hem had gezien.
“Daar is ze dan,” zei Porter.
Ze glimlachte en verwonderde zich over hoeveel hun relatie was veranderd de laatste paar dagen.
“Hoe gaat het met je, Porter?”
“Nou, het goede nieuws is dat ik je kan horen, iets waar de artsen twee dagen geleden nog niet zo zeker van waren. Het slechte nieuws is dat ik je niet zo goed kan horen. Het meest slechte nieuws is dat mijn rechteroor er nooit meer hetzelfde uit zal zien. Het lijkt erop dat de kogel een stukje van de bovenkant heeft afgescheurd.”
“Dat spijt me echt voor je.”
“Tja, wat had ik dan moeten doen?” vroeg Porter een beetje slecht gehumeurd. “Je FBI-vriendje belde me en vertelde dat je van plan was om het krot van deze man helemaal alleen te vinden. Ik moest wel in actie komen.”
Ze schudde haar hoofd en kneep zachtjes in zijn hand.
“Hoe heb je me trouwens gevonden?”
“Ik heb misschien een beetje ingebroken in je huis,” zei Porter met een sluwe glimlach. “Ik zag de plattegrond die je had gemaakt, waarbij je een locatie in het midden van de steden had omcirkeld. Toen ik het gebied bereikte, hoorde ik pistoolschoten. Ik denk dat dit het moment was waarop je hem in de schuur bejegende. Dus ik volgde gewoon de commotie.”
“Porter, heel erg bedankt. Ik zou gestorven zijn...”
Hij schudde zijn hoofd, zijn kaken opeengeklemd.
“Welnee,” zei hij. “Je zou hem op de een of andere manier te pakken hebben gekregen.”
Mackenzie knikte, geraakt door het compliment, maar ze was er niet zo zeker van. Wanneer ze haar ogen sloot zag ze nog steeds het gezicht van de moordenaar voor zich, terwijl hij die zweep ophief met de intentie om haar te doden. Ze was de laatste twee nachten in paniek wakker geworden, zwetend, alleen in bed, en vroeg zich af of ze het ooit zou kunnen vergeten.
Ze merkte dat ze in haar eigen wereldje verzonken raakte en wist niet zeker hoeveel tijd er was verstreken voordat Porter weer sprak.
“Hoe gaat het met je rug?” vroeg hij snel om van onderwerp te veranderen omdat hij waarschijnlijk aanvoelde wat er met haar gebeurde.
Ze glimlachte, dwong zichzelf om het los te laten en opgewekt te blijven. Ze was tenslotte hier gekomen om haar medeleven aan Porter te tonen en dat was ze hem op zijn minst verschuldigd.
“Ik heb vanochtend mijn laatste röntgenfoto gehad,” zei ze. “Alles komt goed. Geen wervelkolomletsel, alleen zwaar gekneusd. Ik heb geluk gehad.”
“Gelet op de hechtingen in jouw gezicht en mijn verminkte oor, ben ik er niet zo zeker van dat het woord geluk hier de beste omschrijving is.”
Mackenzie ging naar de bezoekersstoel bij het hoofdeinde van het bed en keek hem met zoveel oprechtheid aan als ze in zich had.
“Ik ben langsgekomen om je te bedanken,” zei ze. “En om afscheid te nemen.”
Hij keek gealarmeerd.
“Vaarwel?”
Ze zette zich schrap.
“Ja. Nelson moest een moeilijke beslissing nemen. Toen uitkwam dat ik de moordenaar betrapte nadat hij me van de zaak had gehaald, werd het een puinhoop.”
“Heeft hij je echt ontslagen?”
“Nee. Hij heeft me voor zes maanden geschorst. En nadat hij dat deed, heb ik ontslag genomen.”
Porter ging grijnzend rechtop in bed zitten, maar slaagde er toch in Mackenzie nog een sneer te geven.
“Waarom heb je dat in godsnaam gedaan?”
Ze keek naar de vloer, niet zeker hoe ze het moest uitleggen.
“Omdat,” zei ze, “ik veel te veel tijd heb besteed aan het proberen te bewijzen dat ik niet alleen maar een jong, naïef meisje ben dat aan het proberen was om de voornamelijk oudere mannelijke politiemacht voorbij te streven. Bovendien heb ik de fout gemaakt om de directe orders van de hoofdcommissaris te negeren, en dat is al helemaal niet goed te spreken.”
Hij fronste en zweeg lange tijd.
“Wat ben je van plan om nu te gaan doen?” vroeg hij. “Je bent een te goede rechercheur om iets anders te zijn.”
Ze glimlachte en zei: “Ik overweeg andere opties.”
Hij grijnsde even naar haar en grinnikte toen.
“Je gaat naar de FBI?”
Ze was er zeker van dat ze de schok slecht had verborgen. Ze beantwoordde zijn glimlach terwijl hij zijn hand uitstak en de hare pakte. Het deed haar denken aan hun laatste coherente momenten in het huis van de moordenaar, en ze merkte dat ze hem wilde vertellen wat voor toekomstplannen ze had. Ze hield het echter stil. Dit was niet het moment.
Hij had de spijker op de kop geslagen en het had haar verrast. Was hij altijd zo opmerkzaam geweest? Had hij al die tijd onder de snerende opmerkingen en irritatie een soort oprechte zorg voor haar verstopt?
“Ja dus,” zei hij. “En goed van je! Want laten we eerlijk zijn, dat is waar je thuishoort. Je was altijd al te goed voor deze plek. Ik weet dat en jij weet dat ook heel goed. Ik heb je altijd zo hard behandeld omdat ik wilde dat je nog beter zou worden. Ik wilde dat je verder kwam. En het lijkt erop dat ik het goed heb gedaan.”
Ze had een berisping verwacht en ze was zo ontroerd en opgelucht door zijn warmte en zijn oprechte geluk voor haar.
Voor het eerst sinds lange tijd voelde ze tranen van dankbaarheid. Ze
slaagde er echter in ze binnen te houden en de stilte voor hen te laten spreken, terwijl hun handen ineengeklemd bleven in een plechtig gebaar van vriendschap dat zich veel te laat had ontwikkeld.
HOOFDSTUK ZES EN DERTIG
Ze had er niet lang over gedaan om in te pakken. Ze was erin geslaagd om ongeveer de helft van haar kleding in twee koffers te proppen en de andere helft in een kartonnen doos waar ze met een stift TER DONATIE had opgeschreven. Een andere doos bevatte diverse items zoals verschillende leesboeken, een oude iPad en een platenspeler die ze ooit had willen repareren maar waar ze nooit aan toe was gekomen. Het was op dezelfde manier geëtiketteerd.
Ze had Zack gebeld, zich er volledig van bewust dat hij aan het werk zou zijn en haar telefoontje niet zou kunnen aannemen. Ze had een berichtje achtergelaten waarvan ze nu alweer spijt had, terwijl ze haar koffers naar de voordeur sleepte. Het was een heel kort berichtje geweest en nu, terwijl ze rondkeek in het huis, onnatuurlijk leeg en schoongemaakt, vroeg ze zich af of ze hem meer uitleg verschuldigd was.
Maar dat was belachelijk. Als ze iemand een verklaring schuldig was, was het aan haarzelf, omdat ze zich nog zo lang in de relatie had vastgeklampt.
“Ik ga voorgoed de stad uit”, had ze gezegd. “Het huis wordt betaald tot het einde van volgende maand. Het is van jou als je het wilt. Zo niet, dan vervalt de huurovereenkomst en wordt het huis weer beschikbaar. Al je spullen zijn er nog, dus je kunt ze ophalen wanneer je maar wilt. Je mag het meubilair, de tv en al het andere hebben. Ik hoef niks. Ik begin een nieuw hoofdstuk in mijn leven en het is duidelijk dat jij er niet in zit. Respecteer mijn wens en doe geen moeite om te bellen. Het ga je goed, Zack.”
Het stukje over een nieuw hoofdstuk was clichématig, maar waar. Daarom kon ze zo gemakkelijk duizenden dollars aan meubels en apparaten achterlaten. Het was gewoon de ruzie niet waard die ze er met Zack over zou krijgen. Ze liet ook de helft van haar kleding achter. Ze kon nieuwe kleding kopen, kleding die ze altijd al had willen dragen maar waarover ze had geaarzeld omdat ze bezorgd was geweest wat Zack ervan zou denken of hoe Porter of Nelson zouden reageren.
Dit nieuwe leven waar ze naartoe wandelde, bood een nieuwe visie op zichzelf waar ze voorheen alleen maar van had durven dromen. Maar wat was het alternatief? Moest ze hier blijven en langzaam maar zeker wegkwijnen en met tegenzin naar haar werk gaan met bejaarde collega’s die haar als een bedreiging zagen?
Nee bedankt.
Het huis was nog nooit zo stil geweest. Het was bijna net zo sereen en stil als op de moord scènes die ze had gezien, bijna net zo stoïcijns als dat eerste maisveld waar ze het eerste slachtoffer hadden ontdekt. Alles van haar dat in dit huis zou achterblijven, was dood. Daar voelde ze zich heel stellig over, toen ze naar de deurknop reikte.
Terwijl Mackenzie de deur opendeed en naar buiten stapte, voelde ze een ongezien gewicht van haar schouders vallen. Dat gevoel nam alleen maar toe toen ze haar koffers door de kleine tuin en naar haar auto rolde. Ze legde de koffers in de kofferbak, sloeg hem dicht en ging achter het stuur zitten.
Toen ze achteruit de straat in reed, keek ze niet meer om naar het huis. Haar toekomst was in de andere richting. Het hele huis behoorde tot een verleden dat ze van haar schouders af voelde glijden, een last die ze veel langer had gedragen dan ze had moeten doen.
*
De kranten waren het verhaal eindelijk beu geworden. Mackenzie had het op vijf verschillende manieren gelezen en hoe het ook werd verteld, ze had nog steeds het gevoel dat ze over iemand anders aan het lezen was. Ze had geen interviews gegeven, waardoor luie verslaggevers dingen hadden verzonnen. Ze was ook online gegaan, naar het Oblong Journaal, om te kijken of Ellis Pope er iets over had geschreven.
Hij stelde haar niet teleur. Hij vertelde het verhaal van een gewelddadige, jonge vrouw die dacht dat zij de Gerechtigheid zelve was, tegen de wensen van haar baas inging, maar wel de slechterik op had gepakt. Het artikel was vernietigend en hatelijk geweest, maar in de commentaren sectie werd Pope neergesabeld, en Mackenzie geprezen als een bad-ass copper en, volgens een paar posts, een hottie.
Ze las dat specifieke verhaal op haar iPad op het vliegveld, toen haar vlucht werd aangekondigd. Ze pakte haar tassen en dacht aan het telefoontje dat ze eerder die ochtend met Ellington had gepleegd. Het voelde nog steeds alsof ze het allemaal droomde, zelfs toen ze naar de gate liep.
“Ik wilde bellen om je te laten weten dat ze me hebben gevraagd om deel te nemen aan je eerste ontmoeting,” had hij gezegd. “Vind je dat goed?”
“Ja, dat is goed.”
“Kijk je ernaar uit?”
“Jazeker. Maar ik ben meer zenuwachtig dan iets anders.”
“Dat hoeft niet. Iedereen hier kijkt uit naar je komst. En het is nu op meer gebaseerd dan alleen mijn lof. Het nieuws is de laatste tijd uitzonderlijk aardig voor je geweest. En het feit dat je je nederig hebt opgesteld spreekt boekdelen.”
“Nogmaals bedankt trouwens,” zei Mackenzie.
Hij grinnikte en zei: “Special Agent White. Hoe vind je dat klinken?”
Ze begon haar vlucht te boarden en stopte nog een laatste keer om naar het vliegveld te kijken. Ze had verwacht dat alles nog een keer de revue zou passeren, nog een laatste keer denken aan haar haar huis, maar tot haar afgrijzen zag ze in plaats daarvan het moment dat ze het hoofd van de moordenaar keer op keer tegen de vloer had geslagen.
Ze herinnerde zich hoe woest ze was geweest, hoe absoluut ongetemd en onvoorspelbaar. Het had haar in de dagen die volgden bang gemaakt, maar ze wist ook dat het nu een deel van haar was - een deel waarvan ze wist dat het bestond sinds ze het lichaam van haar vader had gevonden.
Nu ze die emotie eruit had gegooid en had geaccepteerd als deel van haarzelf vroeg ze zich af hoe dit in de toekomst haar werk zou beïnvloeden.
Ze veronderstelde dat er geen betere manier was om dit te weten te komen dan in een nieuwe baan, op een plaats waar niemand haar kende. Hoewel ze niet naïef genoeg was om te denken dat het een echt nieuwe start zou zijn, geloofde ze voor het eerst dat ze dit zou kunnen..
Ze schudde het beeld weg en liep de gang door. Het vliegtuig wachtte op haar.
En zo ook een nieuwe toekomst.
NU VERKRIJGBAAR!

VOORDAT HIJ ZIET
(A Mackenzie White Mystery — Boek 2)
Van Blake Pierce, bestsellerauteur van ONCE GONE (een #1 bestseller met meer dan 600 vijfsterren recensies), is een volgend boek verschenen in de ademloze nieuwe mysterie serie!
In VOORDAT HIJ ZIET (A Mackenzie White Mystery - Boek 2), worstelt de FBI-agente in opleiding, Mackenzie White, om een goede indruk te maken op de FBI Academy in Quantico, in een poging zichzelf te bewijzen als vrouw en als nieuwkomer uit Nebraska. In de hoop dat ze alles in zich heeft wat nodig is om FBI-agente te worden en haar leven in de Midwest voorgoed achter zich te laten, wil Mackenzie gewoon onopvallend blijven en indruk maken op haar superieuren.
Maar dat verandert allemaal wanneer het lichaam van een vrouw op een vuilnisbelt wordt gevonden. De moord vertoont schokkende overeenkomsten met de Vogelverschrikker Moordenaar, de zaak die Mackenzie beroemd maakte in Nebraska, en in een hectische race tegen de klok om deze nieuwe seriemoordenaar te stoppen, besluit de FBI het protocol te breken en Mackenzie een kans te geven en haar op deze zaak in te zetten.
Het is een grote doorbraak voor Mackenzie, haar kans om indruk te maken op de FBI, maar de inzet is hoger dan ooit. Niet iedereen wil haar op de zaak hebben, en alles wat ze doet lijkt fout te gaan. Terwijl de druk toenneemt en de moordenaar weer toeslaat, bevindt Mackenzie zich als een eenzame drenkeling in een zee vol met ervaren agenten, en ze realiseert zich al snel dat het water haar boven het hoofd stijgt. Haar hele toekomst bij de FBI is in gevaar.
Hoe stoer en vastberaden Mackenzie ook is, en hoe briljant ze ook is in het opsporen van moordenaars, deze nieuwe zaak lijkt een onmogelijke raadsel, iets wat zelfs voor haar teveel is. Ze heeft misschien niet eens tijd om de zaak op te lossen, terwijl haar eigen leven uit elkaar valt.
Een donkere psychologische thriller met een adembenemende spanning, VOORDAT HIJ ZIET is het tweede boek in een meeslepende nieuwe serie met een geliefd nieuw personage wat moeilijk zal zijn om neer te leggen..
Boek # 3 in de Mackenzie White Mystery-serie is binnenkort beschikbaar.

VOORDAT HIJ ZIET
(A Mackenzie White Mystery — Boek 2)
Blake Pierce
Blake Pierce is de auteur van de bestselling mystery-serie met Riley Paige. Er zijn al zo’n zeven spannende Riley Page-thrillers verschenen (en daarmee is de serie nog lang niet ten einde). Blake Pierce is ook de auteur van de mystery-serie met Mackenzie White, die nu al vier boeken telt (en waarvan fans van Blake Pierce er nog meer mogen verwachten) en van de allernieuwste mystery-serie met Keri Locke.
Eens weg (een Riley Paige-mystery, boek 1), Before he kills (een Mackenzie White-mystery, boek 1), Moord met een hoger doel (een Avery Black-mystery, boek 1) en A trace of death (een Keri Locke-mystery, boek 1) kunnen gratis gedownload worden op Google Play!
Blake is zelf al zijn hele leven lang een grote fan van mystery-boeken en thrillers. Hij hoort graag wat je van zijn boeken vindt. Neem gerust eens een kijkje op www.blakepierceauthor.com om meer over hem te weten te komen en op de hoogte te blijven van zijn boeken.
BOEKEN VAN BLAKE PIERCE
SPANNENDE, PSYCHOLOGISCHE THRILLERS MET JESSIE HUNT
DE PERFECTE ECHTGENOTE (boek #1)
DE PERFECTE WIJK (boek #2)
RILEY PAIGE MYSTERY-SERIE
EENS WEG (boek 1)
EENS GEPAKT (boek 2)
EENS BEGEERD (boek 3)
EENS GELOKT (boek 4)
AVERY BLACK MYSTERY-SERIE
MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1)
OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2)
SCHUILEN VOOR HOGE VLAMMEN (boek 3)
REDEN OM BANG TE ZIJN (boek 4)
REDEN TOT BEWAREN (boek 5)
MACKENZIE WITTE MYSTERIE-SERIE
VOORDAT HIJ DOODT (boek #1)
VOORDAT ZE ZIET (boek #2)