Read the book: «Het Geldersch Byenboek of pratyk der byen, langs den kant der Maes, Peel en Niers»

Font::

Petrus Hendrix

Het Geldersch Byenboek of pratyk der byen, langs den kant der Maes, Peel en Niers

In het overkwartier van Gelderland


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066312190

Inhoudsopgave

INLEIDING.

Register van de principaelste Saeken.

Het Geldersch Byenboek.

VOORREEDEN TOT DEN LEESER.

Eerste deel.

Capittel I.

Van de natuer der byen.

Capittel II.

Van den arbeyt der byen.

Capittel III.

Van den aert der byen.

Capittel IV.

Eenige observatie om de jaeren te kennen of sy vette ofte maeger syn.

Het tweede deel.

Capittel I.

Van de vyanden der byen.

Capittel II.

Van den wolf der byen.

Capittel III.

Van den inwendigen vyand.

Het derde deel.

Capittel I.

Van het huys der byen.

Capittel II.

Van de byen-hut ofte schop in den winter.

Capittel III.

Van die hut in den somer .

Het vyerde deel.

Capittel I.

Van de vaeselbyen ofte opsetters.

Het vyefde deel.

Capittel I.

Van de ponden der vaeselbyen.

Capittel II.

Wat nog moet geobserveert worden.

Het vyfde deel.

Capittel I.

Van het vuylmaeken der byen.

Het sesde deel.

Capittel I.

Van het reynigen der byen en visitieren der selven naer den wynter.

Het sevende deel.

Capittel I.

Hoe men eene moerloose bye in den lenten helpen kan.

Het aegste deel.

Capittel I.

Van de roovers en vyanden der byen.

Capittel II.

Van de middelen tegen de roovers.

Het negende deel.

Capittel I.

Van het voeren en laeven der byen.

Het tiende deel.

Van het korten in den lenten.

Het elfste deel.

Capittel I.

Van het eerste swaermen en jaegen.

Capittel II.

Van het jaegen der byen.

Capittel III.

Van de swacken byen die op haeren tydt niet konnen gejaegt worden.

Het twaelfde deel.

Capittel I.

Van het swaermen der byen.

Capittel II.

Van de swaermen der gejaegden byen.

Capittel III.

Hoe de naerswaermen moeten staen.

Capittel IV.

Eenige bemerkingen voor de liefhebbers der byen.

Het dertiende deel.

Van het bewaeren der moeren.

Het vyertiende deel.

Van de laemen dolle en onvrugtbaere moeren.

Het vyftynde deel.

Van het korten der byen naer het swaermen.

Het sestynde deel.

Van het verspelen der moeren.

Het seventynde deel.

Van het helpen der moerloosen.

Het achtynde deel.

Van het lappen der byen.

Het negentiende deel.

Van het hanteeren der jaegers.

Het twyntigste deel.

Van het omsetten der byen.

Het een en twyntigste deel.

Van de ongesontheydt en vuyligheydt der byen.

Het twee en twintigste deel.

Hoe een ongesonde bye moet gesondt gemaekt worden.

Het dry en twintigste deel.

Capittel I.

Hoe men voorders de byen moet hantieren.

Het vyer en twintigste deel.

Van het vervoeren der byen naer de Peel enz.

Capittel II.

Van de beste byen om naer den Peel te vaeren.

Capittel III.

Wat men moet doen naer het vervaeren der byen.

Het vyf en twyntigste deel.

Van het terughaelen der byen uit de Peel.

Het zes en twintigste deel.

Van het dooden der byen.

Het seven en twintigste deel.

Van het maeken van den honingh.

Het agt en twintygste deel.

Hoe men den byen uytsteekt en den honingh in de ton doet.

Het negen en twintygste deel.

Hoe men den honingh separeert van het was.

Het dartigste deel.

Van het mey maeken.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

De bijenteelt was oudtijds meer dan thans, ook in sommige gewesten van ons Vaderland, een niet onbeduidende tak van nijverheid. In de heidestreken van het tegenwoordige Limburg en Noord-Brabant trof men vele bijenhouders aan, die zich eene noemenswaardige opbrengst wisten te verschaffen uit de vlijt der kleine diertjes, door het verkoopen van honig, het bezorgen en persen van was ter vervaardiging van kaarsen en het distilleeren van een drank genaamd “meede”. Insgelijks werden geneesmiddelen, pleisters, confituren uit honig en was bereid; en wie kent niet de beroemde wassen beelden, groot en klein?

Het beloofde land der Joden, na de slavernij in Egypte, was een gewest overvloeijende van melk en honig en de zoetigheid des honigs wordt door de gansche oudheid geroemd.

Geen wonder dat behalve de Grieken ook reeds de oude Romeinen het bijengewin belangrijk genoeg vonden om hetzelve in prosa en dicht te beschrijven. Virgilius in zijne Georgica, Plinius en Columella verklaren ons op hunne manier den oorsprong en ontsluieren vele geheimen van het naarstig bijenvolkje.

De volgende eeuwen leverden meerdere overzetters dezer Latijnsche schrijvers van het akkerwezen “Rei rusticae scriptores” in verschillende taal en stijl; allen echter bleven min of meer slaafsche navolgers hunner meesters. Zelfs vader Vondel zond eene Nederduitsche vertaling van Virgilius’ Georgica de wereld in.

Meer vakkennis, grondiger onderzoek, dieper doordringen in de natuurkundige wetenschappen, zelfbekwaming door praktijk, een meer stelselmatige indeeling der insektensoorten kenschetsen de latere schrijvers over de Bijen, hare natuur, werkzaamheden, en behandeling in betrekking tot landbouw en koopwaarde.

In de 16de eeuw leefde in de Academiestad Leiden Dirk Outgers Cluijt welke veel bijdroeg tot de bevordering der kruidkunde in Nederland. Ten jare 1598 verscheen van hem een werkje “Van de Biën haeren wonderlycken oorspronck enz.” dat meerdere uitgaven beleefde. Theodorus Clutius, zoo hij zich op zijn Latijnsch betitelde, verdeelde zijn geschrift in 3 boeken: “I van de Biën inhoudende, van de nature, eygentschap ende hare ordentlycke regeringe, die sy met haren coninck onder malkanderen onderhouden; II van de regeeringhe der Biën, leerende hoe men die op ’t profytelyckste voeden ende regeren sal; III van den Honich, tracterende wat nuttigheydt ende profyten dat men daer uyt can cryghen, ende wat men daer van can maken”. Deze boeken zijn wederom in kapittels onderverdeeld en het geheele werk is gesteld in den vorm van samenspraken, die besloten worden met de volgende ontboezeming van zijn ondervrager: “Het is my gewest een genuchte om te hooren, verstaen hebbende al, dese wonderlyke werken die God hier boven in dese cleyne creaturkens geschapen heeft: En wel te recht mach David in syn Psalmen seggen dat Godt wonderlyc is in Syn doen en werken, en dat se ooc onbegrypelyc syn want men vint in dese creaturkens veel ongelooflyck en ongehoorde dingen, noch langs so meerder, dan men oyt te voren geweten heeft: wille daerom deur dese cleyn dierkens bemerken Godts wonderwerken! Hem lovende en danckende dat hy ons so veel na gelaten heeft, dat wy (alwaert dat wy willens blint wilde syn) moeten bekennen dat hy al regeert en bewaert tot ons besten, welcken sy gelooft, gepresen inder eeuwicheijt. Amen”.

Het werkje van Cluijt is op een wetenschappelijken voet geschreven, nogthans met bijbehoud der oude schrijvers.

In volgende tijden verschenen meerdere Hollandsche, Vlaamsche, Fransche en Duitsche verhandelingen over de bijenteelt, waarvan men eene beknopte opgave vindt in: Heckmeijer’s Handboek over de Bijen, Zwolle 1866 pag. IV.

Het voormalige land van Kessel onder het Geldersch Overkwartier behoorende, bezat onmeetbare heidevelden zeer geëigend voor de bijencultuur, die dan ook van oudsher een voorname tak van winst vooral voor de Peellanders was. In de oude Gerichtsprotocollen en andere stukken komen herhaalde gevallen voor, betrekking hebbende op het standgeld der bijenkorven, opvangen van zwermen, verpachting van den bijenstand, belasting op de “opsetters” enz. dat alles de groote honig- en wasproductie aanduidt. Van de Maasstreken bragt men in bepaalde jaargetijden de bijen naar de ruimere Peelheiden en zoo behoorde in de vorige eeuw in de heerlijkheid ter Horst, de helft dezer opbrengst tot de inkomsten der kerk. (Steffens, Geschied. der aloude heerl. Horst, pag. 165 seq.). Te Venraij had de vicarie van Sint Theunisaltaar een derde gedeelte van den bijenstand en het Schepenzegel van dit dorp had, behalven de sleutels van Sint Pieter, een bijenkorf in zijn wapenschild. (Zie Maasgouw 3de jaargang 1881 pag. 422 seq.).

De Eerwaarde heer Petrus Hendrix, kapelaan te Lottum, die gelijk meerdere zijner Kessellandsche ambtsvoorgangers een nijvere bijenhouder was, en jarenlang liefhebber en beoefenaar dier teelt is geweest, heeft tot gemak van eigen bewerking en tot gerief van anderen, die zich op deze kennis toeleggen, de vruchten zijner “ondervinding en pratijk” zooals hij zegt, in schrift gebracht en te boek gesteld, waaraan hij den 11 December 1786 de laatste hand legde en zoo dien geestesarbeid voltooide.

De schrijver die eene groote opmerkingsgave bezat, heeft hoofdzakelijk de bewoners van den Peel, Maas, Niers en hunne omstreken op het oog, waarom hij dan ook vooral met plaatselijke omstandigheden, grond, weersgesteldheid en gebruiken rekening houdt. In groote wetenschappelijke natuuronderzoekingen verdiept de schrijver zich geenszins, trekt de gevolgtrekking welke de ouderen uit den stand der planeten op vruchtbare of onvruchtbare bijenjaren maakten in twijfel en zet slechts nauwkeurig te boek wat hij zelf van de bijen gezien, van hare vijanden weet, en van de behandeling, gereedschappen en hutten des bijenmans kent en ondervonden heeft. De taal waarin de schrijver zijn werk opstelde is de Nederlandsche, zooals ze in boeken op het laatst der vorige eeuw in het Roermondsch Kwartier gedrukt, voorkomt. Het geheel is doormengd met plaatselijke of platte uitdrukkingen en woorden die ontegenzeggelijk den Maaslandsch-Kleefschen tongval verraden1.

Ongetwijfeld heeft de Kapelaan-bijenman, behalve anderen ook, het boek van den Leijdschen botanicus Cluijt voor oogen gehad, daar hij gelijksoortige zegswijzen bezigt en ook de catechetische vorm in vragen en antwoorden gebruikt, doch veel wijdloopiger en meer geregeld dan deze de verrichtingen en werkzaamheden aangeeft.

De titel van het werk luidt:

“Byen boeck ofte Pratyk der byen dat is, hoe de byen langhs den kandt van de Maes, Peel, Niers en naebuerige Platsen moeten gehantert en bearbeydt woorden, opgestelt by maniere van saemenspraeck door Peeter Hendrix à Meerloo”.

En het slot:

“Finis ofte eynde van dit byenboeck gemaeckt door het pratyk en ondervinding van den eerwaarden Peter Hendrix, Capelaen tot Lottum, hac die 11ma Decembris anno 1786”.

Een register of bladwijzer bij het werk gevoegd geeft ons de indeeling des boeks, in 30 deelen, waarvan de meeste in verschillende hoofdstukken of kapittels gesplitst zijn, te kennen.

Register van de principaelste Saeken.

Inhoudsopgave

1 Bladzijde

2 Het eerste Deel.Cap. 1, van de natuer der byen 1Cap. 2, van den aerbeydt der byen 8Cap. 3, van den aerdt der byen 11Cap. 4, eenighe observatie om de jaeren te kennen of sy vet ofte maeger syn 14

3 Het tweede Deel.Cap. 1, van de vyanden der byen, van uytwendighe vyanden 20Cap. 2, van den wolf der byen 23Cap. 3, van den inwendighen vyant 26

4 Het derde Deel.Cap. 1, van het huys der byen 28Cap. 2, van de byenhut of schop in den Wyenter 31Cap. 3, van de hut in den Somer 33

5 Het vierde Deel.Cap. 1, van de vaeselbyen ofte opsetters 34Cap. 2, van de ponden der vaeselbyen 36Cap. 3, wat nogh in het opsetten meer moet observiert worden 38

6 Het viefde Deel.Cap. 1, van het vuel maken der byen 39

7 Het zesde Deel.Cap. 1, van het reynigen der byen en visitieren derselven naer den wyenter 41

8 Het zievende Deel.Hoe men eenen moerloosen bie in den Lente helpen sal 43

9 Het aghste Deel.Cap. 1, van de Roovers en vremde byen; wat Roovers syn 45Cap. 2, van de middelen tegen de Roovers 46

10 Niegenste Deel.Van het voeren en laeven der byen 49

11 Het tiende Deel.Van het korten in den Lenten 53

12 Het elfde Deel.Cap. 1, van het eerste swaermen ende jaegen 55Cap. 2, van het jaegen der byen 59Cap. 3, van de swaekke byen die op haeren tydt niet konnen gejaeght worden 63

13 Het twaalfde Deel.Cap. 1, van het swaermen der byen 66Cap. 2, van het swaermen der gejaeghde byen 68Cap. 3, hoe de naerswaermen moeten staen 70Cap. 4, eenige bemerkingen voor de lyefhebbers der byen 72

14 Het dartiende Deel.Over het bewaeren der moeren 74

15 Het veertiende Deel.Van de dolle, laeme en onvrugtbaere moeren 77

16 Het vyeftiende Deel.Van het korten der byen naer het swaermen 79

17 Zestiende Deel.Van het verspeelen der moeren 82

18 Het seventhiende Deel.Van het helpen der moerloosen 83

19 Het aghtiende Deel.Van het laeppen der byen 86

20 Het niegentiende Deel.Van het hantieren der jaegers 88

21 Het twintigste Deel.Van het omsetten der byen 92

22 Het een en twintigste Deel.Van ongesondtheyt en vueligheyt der byen 94

23 Het twee en twintigste Deel.Hoe eenen ongesonden bie gesondt gemaeckt moet worden 101

24 Het dry en twintigste Deel.Hoe men voorders de byen moet hanteren 103

25 Het vier en twintigste Deel.Van het vervoeren der byen 104

26 Het vyef en twintigste Deel.Van het haelen der byen 109

27 Het ses en twintigste Deel.Van het dooden der byen 111

28 Het seven en twintigste Deel.Van het maecken der koningen 113

29 Het acht en twintigste Deel.Hoe men de byen uytstekt en den honing in de ton doet 114

30 Het negen en twintigste Deel.Hoe men den honig separeert van het wasch 118

31 Het dartichste Deel.Van het mey maecken 119

Wat nu den schrijver aanspoorde zijne ervaringen te boek te zetten verklaart hij ons in de voorrede tot den leezer.

Als een verder staaltje van ’smans wijze van opvatting, taal en stijl geven we hier ietwat uit het 2de Capittel van het tweede Deel waarbij de schrijver verklaart hoe dat in de jaren 1782 en 1783 zich hier te land een vijand van de bijen vertoonde, tevoren onbekend en genoemd Bijenwolf.

“Disciepel vraeght: Hebben de byen eenen wolf?

“Meester antwoordt: Anno 1782 en 1783 heeft sych vertoondt een gedirte hetwelck geene mensch gedenckt van ooyt gesien te hebben, maer uyt Duytslandt en Vranckryck hebben nieuwspapieren gemeldt dat aldaer in de annales ofte jaerlyxe aentekeninghen gevonden wierdt, dat omtrent voor hondert jaeren dit gedirt ook geregeerdt heeft en veel schaede aen de byen veroorsaeckt hadde en het volgende jaer de pest onder menschen gevolght was, voor welk quaet den goeden Godt ons genaediglyk bewaert heeft.

“D. Vr. Waerom noemt gy dit gedirte eenen wolf?

“M. A. Dit gedirt wordt genoemd den wolf, omdat het mit geenen anderen naem bekent is. Eventwel magh het mit recht den wolf der byen genoemdt worden, want den natuerlijcke wolf en kan onder de schaepen zoo grooten schaei niet verorsaecken als dit gedirt onder de byen”.

Voor zoover bekend, is het “Bijenboeck” van den Kessellandschen schrijver nooit ter perse gelegd of in druk verscheenen, doch of zulks ter wille van geldelijke onkosten, of uit bescheidenheid of bedeesdheid gebeurt is, blijft ook na lezing des boeks een raadsel. Een groote verspreiding mogt evenwel dit werk onder de vakmannen genieten en op vele dorpen zoo als Lottum, Horst, Venraij, Well, en zelfs in het land van Kuijk worden nog verschillende exemplaren in copie aangetroffen. De eene bijenman schreef het van den anderen af, waardoor het werk van Hendrix niet verbeterde. Er verschenen exemplaren, die van elkander zeer veel in spelling verschilden. Een der minst verbroddelde afschriften en denkelijk met het oorspronkelijke het meest overeenkomende hebben we hierbij benuttigd; het is Anno 1809 vervaardigd door “Gerardus Vaeghs woonaegtig op Stalberger Hoof2 in de Welder Loy”. Het geeft ons des schrijvers geduld te kennen dat hij wellicht gedurende vele winteravonden beoefend heeft.—Een ander afschrift in meer moderne spelling loopt tot en met het 23ste deel en werd voor de kleinste helft afgewerkt den 12 November 1812 door Abraham Janssen uit Over-Loon.

Het afschrift van Vaeghs, hetwelk hier het licht ziet is een in folio, op zwaar papier met duidelijke hand geschreven. Het exemplaar telt negen en zestig bladzijden en heeft een grijs papier tot omslag; de bladen hebben, door het veel gebruik dat daarvan gemaakt werd, veel geleden; zij hebben wat de schooljongens noemen “ooren” aan de punten en zijn vol vlekken.

Het oorspronkelijk handschrift van Petrus Hendrix hebben wij niet kunnen ontdekken, zoo dat wij niet weten welke spelling hij gebruikt heeft en volgens welke grammatica hij zijn boek heeft opgesteld. Wij zijn dus genoodzaakt de schrijfwijs van Peter Vaeghs te volgen, die zoo als wij zoo even zeiden, ons dunkt het meest met de schrijfwijs van den auteur overeentestemmen.

Wat den titel aangaat van het boek hebben wij ons eenige vrijheid veroorloofd die ons de lezer, naar wij hoopen, niet euvel zal duiden. De titel door Hendrix gekozen en door ons hierboven vermeld, scheen ons te lang en te omslachtig; de nieuwe titel “Geldersch Bijenboek” drukt duidelijk uit wat de schrijver voor had, namelijk het schrijven van een boek over de bijen voor de landlieden van den kant der Maas-, Peel- en Niersstreek, en voor de naburige plaatsen van het Overkwartier.

En nu een kort woordje over den schrijver zelven.

De eerwaarde heer Petrus Hendrix was geboren te Meerloo uit het huwelijk van Michiel en Allegonda Wismans, en werd aldaar gedoopt den 13 Augustus 1723. Bij den afloop zijner theologische studiën was hij van 1747–1751 kapelaan te Blitterswijck en in die jaren eenigen tijd deservitor der vacante pastorie aldaar. Ten jare 1751 werd hij bevorderd tot de meer beduidende kapellanie van Lottum, waar hij in het 47ste jaar zijner Priesterwijding en het 72ste zijns levens overleed. Het sterfregister meldt het volgende:

In het jaar 1795 den 5 Maart stierf de eerwaarde heer Petrus Hendrix, gedurende 44 jaren kapelaan en zielzorger dezer parochie, en werd in de kerk begraven.

Eene bizonderheid van ’s mans uiteinde is bekend gebleven. Als zijn lijk op het praalbed volgens gewoonte met brandende waskaarsen omringd was, viel door eenig toeval een der waslichten om, en hadden reeds de ornamenten en lijkgewaden vuur gevat toen juist op tijd komende bidders blussching aanbrachten.

Zoo hadde dus het product van ’s meesters geliefde bijen, namelijk de was, eene voorzeker niet gewenschte lijkverbranding kunnen doen ontstaan!

Moge deze kleine bijdrage strekken tot nadere kennis van den Limburgschen schrijver en tot verder naricht over het eertijds zoo bloeiend bijengewin in ons Geldersch Overkwartier.

Well, den 4 April 1890.

M. J. Janssen.

1 Men weet dat het land van Kessel waar onze bijenman woonde en geboren werd, sedert 1713 onder Pruisisch gebied stond en de Nederlandsche taal aldaar maar weinig beoefend werd.

2 Nu veelal genaamd Sander hof.

Het Geldersch Byenboek.
VOORREEDEN TOT DEN LEESER.

Inhoudsopgave

“Aengesien dat men vele boecken vindt die van de byen schrieven, de meeste schrieven alleen uit speculatie en raecken het pratyk weynig ofte niet. Daerom heb ick geen speculatie maer alleen het pratyk wyllen voorstellen, maer overmits het pratyk in allen Landen niet het zelve en kan syn, daerom heb ick in den tytel van dit boeck gestelt dat de byen langhs de Maes, Peel, Niers en andere naeburighe landen met profyt steeds konnen gehantért ende bearbeydt worden; want langhs deese kanten bearbeydt men de byen om honigh te haelen op den boekweydt, heyden ofte Peel en daerom moeten sy in het vroeghjaer sterck gedreeven worden opdat men in den Somer veel volck ofte byen heeft. Maer in andere Landen waer de byen int voorjaer principael den honigh haelen, moeten sy soo niet gehantiert, en uyt malkander gedreeven worden, omdat sy in het naerjaer weynigh honigh haelen en soo soude den byenman veel volckx of byen hebben maer weynigh ofte geen honigh; daerom moet een voorsychtigh byeman bemercken de plaets en Land waer hy de byen hantiert en bearbeydt. Maer ist saecken dat de byen alleen in den Lenten op deze plaets staen en in den Somer naer den boekweydt, heyde ofte Peel gevaeren worden, dan kan men in desen Lande sterck uyt malkander dryeven met weyniger honigh als in dit Land, omdat sy aldaer honigh haelen en hier seer selden. Daer en booven ist saeken dat in desen Lande het jaegen niet goet soude syn, soo syn edogh veel delen in dat pratyk, die in alle landen moeten geobserviert worden. P. E. van de vyanden der byen, van de faselbyen, van de gesonde ende ongesonde byen en soo verders, daerom Leeser gebruykt dit pratyk, want ick volgens dit pratyk veele jaeren de byen, hebbe gehantert ende bearbeydt, maer eevenwel moet den byenman alle daegen nogh leeren of hy syne byen volgens het pratyk wil bearbeyden.—Vaertwel”.

Eerste deel.

Inhoudsopgave

Capittel I.
Van de natuer der byen.

Inhoudsopgave

Disciepel vraegt: Wat is een bye?

Meester antwoort: De bye is een kleen vliegerken ofte vliegend insecte hebbende vier vluegels, ses beenen en twee hoerens op het hooft en is rouw over het lygchaem. De bye heeft eenen fynen rueck, want door den rueck onderscheyden sy de blommen, om haere kost te haelen; daer en boeven leert ons de ondervinding, dat de byen moeten hebben eenen fynen rueck, wandt komt daer honigh ontrendt de byen, terstont ruecken sy hem en koemen daer soo menigvueldigh, dat men haer niet kan aefweeren, tensy door de vluegt. De bye heeft ock een scherp gesieght, want door het gesieght viendt se haeren korf. En de ondervinding leerdt ons wyeders als eenen bye op een aender plaets gesaet woert en alsdan de byen beginnen te vlyegen, siet men dat sy eenen cirkel maeken om de plaets te besien; dit geschiet synde vlyegen sy terstont om haeren kost te haelen, en in korten tydt koemen sy weeder en door haer scherp gesieght vlyegen sy in den selven korf. De bye heft ook een scherp gehoer want in den korf is altydt eenen aengenaemen saenck of muesyk ter eeren van haeren koningh, en datter eene goede harmonie en regyeringe by haer is. Maer verliesen sy haeren koningh dan is alles ongerust, sy loepen bynnen en buytten den korf, om den koningh te soeken; vinden sy hem niet, soo verandert haeren saenck in een droevigh geween en gehuel, soodat een ervaeren byenman uyten saenck erkennen kan of de bye syenen koningh verloeren heft. Dat de bye een goed gehoer heft kan klaer geapprobert worden. Onderstelt dat twee huetten met byen niet ver van malkanderen staen; de een groet ende de ander kleyn; de groete huet sal wynnen en de kleyn huet sal verspelen; de reden is omdat die der groete huet een groeteren saenck maecken en vervolgens de jonge byen nogh geene vaeste vluegt hebbende, volgen altost desen groeten saenck en worden so van haer eygen huet verleidt. Dit moet aen het gehoer der byen toegeschrieven worden. Daerenboven als eene bye sal swaermen met jonge moeders, dese jonge moeders een oft twee daegen voor het swaermen syengen en flueten om de byen tot haer lyefde te kriegen en te trecken; dit was te vergefs, waere het saeke dat de byen geen gehoer en hadden. Daerenboven als de bye swaermt volgen alle byen den saenck van de moeder en daer de moeder aenflyeght versaemelen alle de byen.

D. Vr. Heeft Godt aen de byen ock gegeven een geweer en waepen gelyek aen de andere onredelycke gedierten?

M. A. Gelyek den voersygtigen Godt alle onredelycke gedierten een geweer en waepenen gegeven heft, gelyek den poëet synght:

Door den tant, men voor het beerken vreest,

De hoerens beschermen den os het meest;

also heft den voersygtigen Godt, aen de byen ock een geweer en waepen gegeven om haer tegen den vyand te beschermen, te weten een angel, dewelcke seer gyftigh is tegen den mensch en andere gedierten, die warm bloet hebben. Want men seydt dat desen angel door het vel in het vleesch penetreert, soodat het seer pynlick is en dickwyls door het gyft, het gestoken lid doet opswellen. Maer de gedierten die koudt bloet hebben, als voerssen, padden en vysch, doet dyesen angel geen schaeden.

D. Vr. Is diesen angel voor de byen noetsaekelyk?

M. A. Dyesen angel is voor de byen so noetsaekelyk dat sy sonder dyesen niet konnen leeven; daerom, stekt een bye en verliest den angel, so moet sij sterven.

D. Vr. Hebben de byen ock een hooft onder hetwelke sy staen?

M. A. Sonder twyffel ja en dit hooft is haeren koningh of moeder.

D. Vr. Waerom noemt gy het hooft der bye koningh?

M. A. Omdat hy, gelyck eenen koningh, der byen bestyrder is. En gelyck in een koningryck de welvaerdt is van de onderdaenen, dat sy hebben eenen goeden en vorsiegtigen koningh, also is het ock de welvaert van een bye, is het dat hy eenen goeden koningh heeft, en, gelyck in een koninghryck alle ondersaeten onder een hooft staen hetwelck sy moeten eeren en dienen.

D. Vr. Waerom wordt desen koningh ock moer of moeder genoemt?

M. A. Omdat alle byen van haer voortkoemen. Dit is sonder twyffel, want heft de bye geene moeder, so maekt sy ock geene jonge byen gelyck de ondervindingh leerdt. Oppent de moeder, men vindt in haeren buyck schraet, gelyck in vyschen; die noemt men schraet of saet of neeten; dit werpt de moeder in de doppen der raeten; dit wordt door de warmte der byen bebroeyt en in korte dagen verandert de neete in eenen worm, lyeggende in wytte materry, gelyck melck. Ontrent aght daegen sluyt sy den dop en naer drie weecken is het een volkoemen bye. Dit leert ons de ondervyndinge, want verliest of ontneemt een bye sien moeder, naer dry weeken vyndt men geene ofte luyttel broet.

D. Vr. Is de moeder kenbaer?

M. A. O ja! Sy is kenbaer, want sy is groeter als een bye, het aegterlyghaem is groeter of laenger. Sy is geelachtigh van kleur en heeft geen angel om te steecken, soodat sy seer kenbaer is aen den geenen die de konst van de byen verstaen hebben.

D. Vr. Wie de moeders maekt?

M. A. De byen konnen geene byen maecken, tensy sy van het saet der moeders hebben. Dit leerdt ons wieder de ondervindingh, wandt verliest oft ontnimt eene bye syn moeder, is het dat de raeten met broet ofte jonge byen besedt syn, so maecken de byen een ander soort van doppe als daer de byen in groeyen. Sy draegen het saet van de moeder in die doppen en uyt haer natuer brengen sy in 14 daegen volkomen moeders voorts, soodat de moeders aght daegen eerder volkoemen syn als de byen.

D. Vr. Zyn er ock nogh ander sort van byen als de moeders ende byen?

M. A. Ja, daer is nogh een ander soort, die dreenen genoemt worden; sy syn groeter als een bye, sy draegen geenen honigh en hebben geenen angel om te steecken. Men vindt se by de byen in het laetste van Mayus en verblieven ontrent den heelen Somer; de byen dooden haer duycwils doer den Somer en in den Herfst geheel.

D. Vr. Wye maekt de dreenen?

M. A. Of de moeders of de byen de dreenen maecken, dit is onsieker, want een bye die van syn moeder berooft is maekt dreenen. Maer vermits desen kleender syn als ordineere dreenen, soo is waerschynlyk, dat de volmaekste dreenen van de moeder voorts komen.

D. Vr. Tot wat einde dienen diesen dreenen?

M. A. Dit hebbe ik tot nogh toe niet konnen ondervinden. Eenighe vermeinen dat de dreenen den man van de moeder syn en dat sy de moeder vergeselschappen als sy haer saet uytdeelt ofte de neste in de raeten leydt; maer dat is waerschynelyk, aengesien dat de moer in het begin des lentens haer saet uytdeelt als geene dreenen by de byen gevonden worden; andere vermeenen dat sy de jonge moeren vruegtbaer maeken. Eventwel weet ik door de ondervynding, dat de jonge moeren sonder dreenen goet en vruegtbaer syn.

Andere vermeynen dat het waerschynlyk is dat sy het huys en den broet bewaeren terwyl de byen uytvliegen en honigh haelen, want de byen niet in den wynter maer in den somer honigh haelen en dan haer houden; want haelen de byen genen honigh meer, soo dooden sij haer. Eventwel is het syeker dat sy eenigsins nootsaekelyk syn, want:

Deus et natura non frustra operantur,

Godt en de natuer stellen niemant teluer.

Capittel II.
Van den arbeyt der byen.

Inhoudsopgave

D. Vr. Welk is den arbeyt der byen?

M. A. Den eersten arbeyt der byen is raeten maeken, in dewelke sy jonge byen maeken en den honigh inspyen en het blomsel afleggen. De jonge byen beginnen broet te maeken in het begin van Februarius, als het weer het toelaet, en duert door den lenten en somer tot het laetste van Augustus, omdat het honigh haelen dan gedaen is; daerom houden sy ock op met broet maeken. Den honigh suegen de byen uyt welriekende blommen, en soo balt sy thuys koemen spyen sy hem in de raeten, en als sy veel haelen, soo syegelen sy de tuytjens en de raeten toe; het blomsel haelen sy ock op de blommen, en draegen hetselve aen haer aghterste beenen, en in den korf koemende leggen sy het af in de raeten.

D. Vr. Wat is het blomsel?

M. A. Het is het brood voor de byen. Sy eeten het blomsel met honigh, gelyk den mensen het brood eet tot andere spysen.

D. Vr. Kan den bye alleen van ’t blomsel leeven?

M. A. Niet het brood alleen houdt den mensch op de been, maer mit het brood eet den mensch andere spysen, krueden en vleesch. Alsoo den bye leeft niet alleen van het brood maer ock van den honigh. Gelyck den mensch niet sterft van honger soo langh hy brood heeft, soo langh sal ock geene bye sterven, soo langh sy blomsel heeft.

D. Vr. Heb ik wel hooren seggen dat blomsel was is?

M. A. Dit is ongefondert, want de byen eeten het was niet, maer het blomsel eeten sy met den honigh. Dit leert de ondervinding, want is het saeken dat eenen uyt gegeten is, soo vyndt men even min blomsel als honigh. Daerenboven, als de byen weynig honigh haelen soo draegen sy het meeste blomsel en wercken weinigh in de raeten, maer haelen sy veel honigh soo draegen sy niet veel blomsel en sy wercken sterk in de raeten. Vervolgens moet het blomsel geen was syn maer brood. Dit kan seker door de ondervinding geapprobeert worden, want sluyt eenen swaerm plotseling in een liedigen korf soodat hy niet in kan vliegen of blomsel haelen, eventwel sal hy raeten maeken.

D. Vr. Waervan maeken de byen het was ofte de raeten?

M. A. Dit antwoort en dese vraeg kan mit seekerheydt niet beantwoordt worden, omdat alle gemeine saeken der byen, door de ondervindingh niet ontdekt syn. Maer soo veel als myn verstandt ofte gevoellen aengaet, soo suponeer ick vastelyck, dat de byen het was ofte de raeten uyt de natuer, gelyck een spin het wefsel maekt; en gelyck de ondervindingh leert dat de spin het aldermeest werckt als haer neering groet is, alsoo seydt men ock dat de byen den besten vortgang hebben als sy wel worden onderhouden ofte van bueten veel honigh haelen.

Capittel III.
Van den aert der byen.

Inhoudsopgave

D. Vr. Syn alle byen van een aert?

M. A. Alhoewel alle menschen en ock de onredelycke gedyrten ofte creatueren wel van een natuer syn, soo verschyllen sy dogh groetelyks in den aert der qualieteyten, want den eene mensch is veel neersamer, sterker, spaersamer als den anderen, alsoo is het ock met de byen; want de eene bye is neerstiger en spaersamer als de andere, de eene groeyt ock beter als de andere.

D. Vr. Geeft my eenige bemerkingen, aen denwelcke ick den aerdt der byen kennen kan.

1mo. Bemerckt dat de byen syn van verscheyden qualyteyten; men heft boosaerdige byen, dewelcken men nauwelyks kan naederen om te voeren ofte besien sonder sy steken. Dese syn gewoenlyck nerstygh en groeyen wel. Om diese boosaerdigheydt te ontleeren, moet men dese byen dickwyls visiteeren en besien. Met rook van toebak ofte een ander londt tempteeren en bedwingen, en soo sullen sy al anders goedt worden.

2do. Bemerckt dat men roofagtige byen heeft, dewelcke altydt op den roof gaen vlyegen ofte onder huetten of wel onder haer eygen hut. Desen moeten sooveel het moegelyk is ontleerd woorden gelyck wy hier ofte daer naer zullen leeren. En soo men haer niet ontleeren en kan, moet men van dien aerdt niet behouden maer in den herfst dooden, omdat sy seer schadelyk syn voor den eygenaer en voor den eevenmensch.

3tio. Bemerckt dat men vyndt kleinen byen en grooten byen. Welke van desen syn de beste? Dat heb ick tot nu toe niet ondervonden. Is het saeken dat eenen bye korten tydt honigh geeft, dat de grooten dan den meesten honigh dragen is seker, maer geeftet langen tyt honigh, soo wynnen de kleinen, omdat sy ordeneer neerstiger en meer aenhoudende syn.

4to. Bemerckt dat eenige byen wercken in het volck en vervoolgens ock in de raeten. Soo sy sterk in het volck wercken syn het vette jaeren, soo winnen sy merckelyk, maer syn het maeger jaeren soo wynnen het desen die in den honigh wercken en syn doorgaens beter gesloten. Welke ick van desen het meeste sal priesen en weete ick niet, maer het geraetsamste is van disen beyden soortten te behouden, opdat men soo in vetten als in maegeren jaeren honigh bekoomt.

5to. Bemerckt dat de byen van een boosaerdigen naetuer syn en daerom seer saegtsynnigh moeten behandelt worden, andersins steken sy seer ligtelyk, daerom moet een byenman als hy syn byen besiet niet aen stoeten met den korf, want sy worden ontroert en koemen terstont uyt den korf om sich te verweeren. Den byenman als hy syn byen besiet moet synen aessem ophouden, want omdat eene bye eenen fienen rueck heeft, isser niet arger om de byen te stueren als den aessem, besonderlyk als de byenman sterke dranken, als wyn, audt byer, brandewyn of jenever ofte eenige gebrande waeters gedronken heeft.

6to. Bemerckt dat den eenen bye van aert beter is als den andere, daerom moeght men wel letten op den besten aert, om by voorkeur diesen op te stellen die van goeden aert syn.

Syn sy ock eeninge ponden lyegter ofte swaerder als die van soo goeden aert niet syn, soo moeten desen van goeden aert tot vaeselbyen gebruekt woorden.

Capittel IV.
Eenige observatie om de jaeren te kennen of sy vette ofte maeger syn.

Inhoudsopgave

D. Vr. J. S. bemerckt eenige teekenen aen dewelcken men kennen kan de goede ofte sleghte jaeren.

M. A. Het is zyeker dat niemant voorseggen kan ofte het een goet jaer sal syn of quaet jaer sal syn voor de byen, waent soo iemant soude onder het getal der valsen profeeten konnen gestelt woorden. Eventwel soo heeft men eenige observatie en ondervindynge, door dewelcken eenigen wyllen gissen of het een goet jaer of een quaet sal syn, maer dese gissingen syn ook niet onfeilbaer.

D. Vr. Leeren my dese observatie niet de planeten die dat jaer regeeren; aengesien dat desen, sommige kout, andere waerm, andere maer myddelmaetig syn, soo willen sy dat de jaeren ook aldus invallen?

M. A. Ick heb sulks geobserveert, maer ben groetelyks bedrogen gewoorden, want ick heb ondervonden dat de planeten bedriegen. Veronderstelt dat Luna regeerde, en een seer goet jaer was; seeven jaeren naer dit, als Luna weder regeerde een seer slegt jaer was en heel maeger, soodat dit wikwyls myslukt. Eventwel soo moet ick bekennen dat de waerme en aengename planeten veel beter voor de byen syn als de koude en onaengename planeeten; want gelyck de astrologen schrieven van de eerste planeeten, als daer Saturnus, omdat het is eene koude en onaengenaeme planeet, regeerde, ordeneer seer slegte byen syn geweest; maer in het jaer 1783 regeerde Saturnus ock, en de byen waeren seer goet en vet, soodat dit geensins voor eenen regel kan gehouden worden, want ick onder alle seven planeeten, goede en slegte byen gehadt hebbe. Anderen observieren de byen in den lenten en seggen, als de byen den honigh behouden en weynig verteeren, dat dit een teeken van een sleght jaer is, omdat de byen uyt de natuer beter weten als den mensch ofte in den somer sal honigh vallen; maer vertert de bye in den lenten den honigh geheel, soo verwaegt hy in den somer nieuwen honigh; de ondervinding leert, dese observatie eenigsins gefondert te syn. Anderen observeeren de byen in den lenten of sy veel avanceeren, of sy veel raeten en volck maeken. Dit is een teeken dat sy in den somer ook veel honingh soecken te haelen, maer bederven sy den broet en werpen sy hem uyt en motten sy veel, het is een teeken dat er in den somer niet veel honingh vallen en sal, dese observatie is de waerschyenlykste. Andere en oude byenmans seggen, dat sy geobserveert hebben en ock ondervonden, is het saeken dat de byen dikken en stompe raeten maeken of gemaekt hebben in het vorigh jaer, dat het volgende jaer sal slegt syn, maer hebben sy teere gemaekt soo sal het naervolgende jaer heel goet syn. Jae veele observeeren op welcke plaets de byen de eerste raeten gemaekt hebben. Sy seggen dat men de byen dit volgende jaer naer die plaets moet vaeren, want sy daer den meesten honigh sullen haelen. Van dese saek weete ick geene andere reeden te geven als de ondervinding. Anderen seggen wanter veel eclypsen syn aen son en maen, soo valt in dat jaer veel honingh, van desen saek weet ik geene reede te geven. Maer nu een jaer dat my gedenkt, te weeten het jaer 1772 warender seer veel eclypsen, soo aen de son als aen de maen, en ik en heb geen beter jaer beleeft. Ook als dat aenderen willen seggen als er veel hop wast, dat het dan ook een goet jaer is, en ter contrarie wast geen hop zoo valdt ook niet veel honigh. Van desen saek souden eenigsiens reeden konnen gegeven woorden, want als geene hop waest soo vallen in het laesten van den lenten en in het begin van den somer swaer regen, waerna de bladeren blinkende eerst en daernaer swart woorden en vervalschen de hop soo datter weynigh stroy en hop waest. Desen regen syet men ook blyncken op de blaederen der boomen en bisonderlyk op de eykeboomen, en dan siedt men dat de byen op desen blaederen vliegen en aerbeyden, en niet goet bekoomen; het schyndt dat als deese vallen, datter dan geenen honigh op de boomen valt; men siedt ook dat de blaederen door den stormreegen worden afgewaessen, en dat daer de byen dan somtidts nogh wel honigh op haelen en de hop ock eene nyen waes bekoomt en wel hop waest; ik hebbe sulks door de ondervinding geleerdt. Anderen observeeren in den Lenten ofte de naetuer veel douw geeft en de daegen of de lougt mals en waerm is, soet en aengenaem is, ondervinden sy sulks, soo sluyten sy, dat het een goet en vet jaer sal syn, dit is onder alle observatiën de waerschinlykste. De reeden is omdat den douw, die snaghts op de blommen valtt, in den dagh door die son en waermte tot honigh gedisteleert woordt. Is de loght soet en aengenaem soo konnen de byen den honigh met kleynen aerbeydt en moyeten versaemelen.

D. Vr. Desen observatiën souden die ook wel ydel konnen genomt woorden?

M. A. Neen sy kommen voorts uyt de natuer der byen die beeter als den mensch voorsien, of goede of slegte jaeren sullen voolgen; ook moeten geen “vanæ observasiones” genoemt worden, die op reeden en ondervinding gefondeert syn. Bemerkt dat de byen in veelen jaeren ook veel honigh souden haelen, maer sy woorden verhindert, dat sy den honigh niet versamelen, want sy woorden dicwyls belet, door den sterken wyndt ofte veel reegen of door de hitte. Den windt verdroogt, en verdoeft de bloem, de hitte maekt de bloem te droog, den regen maekt de bloem te waeteragtigh en verhindert de byen dat sy niet konnen vliegen, daerenbooven kan blexem en donder de bloem soo vervaelschen dat de byen geenen honigh meer en haelen.

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
90 p. 1 illustration
ISBN:
4064066312190
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books