Read the book: «Verloving en Huwelijk in vroeger dagen»
Laurentius Knappert
Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066314422
Inhoudsopgave
VOORREDE.
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
VOORREDE.
Inhoudsopgave
In de volgende bladzijden hebben wij gepoogd eene korte geschiedenis te schrijven van de verloving en het huwelijk in vroeger dagen. Wij wenschen den groei, de wijzigingen, wil men, de ontwikkeling te doen zien zoowel in de denkbeelden en voorstellingen als in de handelingen en gebruiken, die met verloving en huwelijk samenhangen, in welke vormen zij voorkomen, wat staat en kerk voor de wettelijke regeling ervan hebben gedaan, hoe een huwelijk tot stand kwam en werd ontbonden, hoe de vaderen bruiloft vierden, welke idealen zij van het huwelijk koesterden en wat daarvan in de practijk verwezenlijkt werd. „De vaderen”, zeggen wij, want om de uitgebreidheid der stof hebben wij ons eene dubbele begrenzing, eene van plaats en eene van tijd, moeten opleggen. Maar dat wij binnen ons land blijven, beteekent niet, dat wij, ter verduidelijking, niet telkens ook op den toestand in andere landen zouden acht slaan. En dat wij bij den nieuweren tijd beginnen, toen Karel V over ons regeerde en de Hervorming doorbrak, zal ons niet beletten, zou dat niet mogen doen, de getuigenis van vroeger eeuwen in te roepen, waar dit noodig is ter toelichting van den samenhang der dingen. De schrijver zou dit boekje gaarne beschouwd willen zien als de samenvatting van zijne vroegere studiën over dit onderwerp of gedeelten ervan, waarvan de uitkomsten thans nog eens worden aangevuld, vereenigd en voor een ontwikkeld publiek beschreven.
Deze laatste woorden bieden ons de gaarne gebruikte gelegenheid iets te zeggen over dusgenoemde populair-wetenschappelijke literatuur in het algemeen. Wij weten al te wel, hoe vele en hoe gewichtige bezwaren er tegen worden ingebracht, hoe er zijn, die deze soort van arbeid als minwaardig afkeuren en veroordeelen. Zeker dreigen hier gevaren, vooral deze twee, dat om der wille der bevattelijkheid met het wetenschappelijke de hand wordt gelicht, zoodat b.v. als zeker wordt genoemd, wat nog allerminst vast staat, en reeds samenhang wordt aangenomen, waar het onderzoek van deskundigen nog maar aarzelend overgangen vermoedt en uiterst flauw de verbindingslijnen ziet. En vervolgens, dat het populaire werk, waarvoor een zeker aantal lezers wordt verwacht, het wetenschappelijk boek tegenhoudt, dat geen uitgever vinden kon. Dit laatste valt gewis te betreuren, maar wie onze vaderlandsche boekenmarkt overziet, bespeurt tot zijne vreugde, dat zuiver wetenschappelijke arbeid daar nog in overvloed voorkomt en koopers vindt. En wat het eerstgenoemde betreft, er zijn populaire schrijvers, op wie te dezen zeker geen lichte schuld drukt. Doch dit is een oordeel over hen, niet over deze soort van werk. Het is geen onvermijdelijk kwaad. Wij voor ons durven de verzekering geven, dat wij nimmer, om het populaire, hebben verteld wat niet voor ons beste weten vast stond. Bij geschiedkundigen arbeid—als waartoe ook dit boekje behoort—laat des schrijvers persoonlijkheid zich nooit geheel ter zijde dringen, zijne beoordeeling van menschen en dingen, al wordt zij zelfs niet uitgesproken, kan worden vermoed en dan ligt het verwijt van partijdigheid voor de hand, maar dit kan ook bij zuivere historische wetenschap het geval zijn. Studies over de inquisitie, de jezuïeten, den dertigjarigen oorlog, de politiek van Johan de Witt, Voltaire, de groote revolutie wekken lichter gevoeligheid dan onderzoekingen over den luchtdruk, den ring van Saturnus, de vierde afmeting, praefixen, buigingsuitgangen en dergelijke. Wij zouden voor populair-geschiedkundigen arbeid de volgende eischen willen vaststellen: de stof moet uit de bronnen geput zijn—onderzocht, geschift, bewerkt naar de methode der zuivere, historische critiek—het resultaat beschreven, eerlijk, zonder bijbedoeling of strekking. Slechts dient de schrijver zich toe te leggen op begrijpelijkheid voor niet-vakgenooten, op het vermijden van kunsttermen en van, zoo niet alle, dan toch van zulke vreemde talen als boven het bereik van algemeen ontwikkelden geacht worden te liggen. Het geleerde noten-apparaat late hij geheel of nagenoeg ter zijde, maar hij moet in staat en bereid zijn bronnen en gronden desgevraagd te noemen. Levendigheid, aangenaamheid van stijl mogen bij dit soort literatuur worden geëischt, maar de vorm mag niet worden verlaagd tot een bedeksel van pooveren inhoud. De uitgever, van zijn kant, geve aan het boek een uiterlijk, dat door goeden smaak en sierlijkheid de oogen trekt en tot lezen noodigt.
Aldus opgevat, heeft populaire arbeid beteekenis. Reeds omdat hij samenvattend is, omdat hij de vruchten biedt van het onderzoek der bijzonderheden, omdat hij de uit bronnen geputte kennis tot velen brengt. Achter zijn met lof bekroond proefschrift over Christofforo Suriano, 1913, plaatste dr. P. C. A. Geyl ook deze stelling, de XIIde: „onze geschiedenis heeft dringender behoefte aan synthetische werken—zelfs popularisatie-literatuur—dan aan bronuitgaven”. Dit schijnt mij onwedersprekelijk. Met ontzaglijke vlijt en geleerdheid hebben velen in de laatste jaren bronnen uitgegeven. De bewerking van dat materiaal is nu dringend noodig, gelijk de duizenden van spijkerschrift-tabletten in onze musea wachten op ontcijfering, gelijk de appels in het sprookje roepen: „pluk ons, pluk ons!” Dit kan geschieden voor vakgenooten of voor een grooter publiek. Het verschil ligt wezenlijk in den vorm, waarin het nagevorschte wordt beschreven. Maar op deze wijze kennis van het verledene bevorderen, komt dat niet hun ten goede, die oprecht kennis begeeren, maar zich haar niet zelven verwerven kunnen? Het is hetzelfde beginsel als dat van hooger onderwijs buiten de universiteiten. Ook daarbij dreigen de gevaren van te gemakkelijk verworven en daardoor gering geschatte kennis, van halve kennis, van verwarring van begrip en voorstelling, omdat de hoorders het gehoorde niet in het groote verband zien, er geen aanknoopingspunten voor hebben. Maar—al onthouden daarom velen zich van dezen, arbeid—het beginsel vindt toch ook bij anderen warme instemming.
K.
L.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
TER INLEIDING.—DE TOESTAND IN DE 16de EEUW.
Ieder mensch heeft eene zich al uitbreidende rij van bekende of onbekende voorvaderen, van wier eigenschappen hij iets in eigen persoon met zich omdraagt. Niet anders is het met het huwelijk, met die misschien gewichtigste aller menschelijke instellingen. Gelijk wij in onze voorrede hebben gezegd: het vrijen en het trouwen hebben eene eeuwenlange geschiedenis, die ons het schouwspel vertoont van den harden strijd tusschen de ongebreidelde menschelijke driften en de maatschappelijke orde, die op wetten, zedelijke beginselen en godsdienst gebouwd is. Toen nu onze opstand tegen Spanje voor onze vaderen op bijna elk gebied een nieuw leven opende, zou er ook aan die geschiedenis van het huwelijk een nieuw hoofdstuk worden toegevoegd. Want vervallen was het gezag van den Spaanschen koning in het staatkundige en van de Katholieke Kerk in het godsdienstig-kerkelijke. Dat was eene geweldige ommekeer, als gevolg waarvan nu ook voor het huwelijk nieuwe wetten en vormen moesten gevonden worden. Intusschen was het oude niet eensklaps verdwenen. Integendeel. De middeleeuwen hadden tal van huwelijksbepalingen en trouwgebruiken met zich gevoerd, die nog uit den tijd der heidensche Germanen waren overgebleven. De Kerk had ze wel bestreden, maar volstrekt niet vernietigd, terwijl zij er hare eigene wetten aan had toegevoegd. Daarvan zouden de vaderen een deel veranderen en een deel ongewijzigd overnemen. Ook erfden zij een aantal gewoonten en gebruiken bij vrijage en bruiloft, die vast in het volksleven waren ingegroeid en die zij noch aanstonds konden noch wilden uitroeien. Maar nu waren die oude Germaansche inzettingen insgelijks weder de vruchten eener lange ontwikkeling; ze bewaarden nog herinneringen aan dien grijzen voortijd, toen de Germanen in halve barbaarschheid leefden, zooals de wilde volksstammen ongeveer van tegenwoordig. En zelfs daarvan waren, hoe vreemd het klinken moge, bij het begin van ons tijdvak de sporen niet uitgewischt. Ze zijn het zelfs nu nog niet geheel. Eindelijk had ook de middeleeuwsche Kerk weder haar eigen verleden. Zij steunde met haar rechtspraak in moeielijke huwelijksgevallen, met hare zedeleer en hare godsdienstige opvattingen van het huwelijk op de begrippen van de oude Romeinen, maar vooral op de leer der oude christenen en op die van Jezus-zelven. En in dat christendom was weder veel van de Israëlieten overgegaan. Zoo hadden de eeuwen elkander hare schatten overgegeven. Wel mochten wij dus zeggen, dat verloving en huwelijk hun stamboom tot in den nacht der eeuwen terug volgen kunnen.
Intusschen de lezer vreeze niet, dat wij het zóó diep zullen ophalen. Er zal, ongezocht, in onze geschiedenis telkens van blijken. Voor ons doel is het genoeg den toestand te schetsen, zooals hij zich bij den aanvang onzer periode aan ons vertoont. Daar is vooreerst de Kerk, volgens wier theorieën en practijk een goed deel der huwelijken gesloten werd. Zij leerde, dat het huwelijk een sacrament was, „het heilige sacrament der echtschap”, al was het dan ook het minst geestelijke der zeven genademiddelen. Het is eene instelling tot vermenigvuldiging van wie de sacramenten genieten, gelijk sommigen zich uitdrukten, of, anders, om kinderen voort te brengen en op te voeden, om elkander door het leven te helpen, en om de zonden der onkuischheid te vermijden. Het schenkt drie genadegaven, die des geloofs, de onlosmakelijke vereeniging van man en vrouw, die van het kroost, de verwekking en opvoeding van het nieuwe geslacht, die van het sacrament, de genade door God den gehuwden toebedeeld. Sommige oude schrijvers, b.v. Guillaume d'Auvergne, bisschop van Parijs († 1249), zien in dit laatste meer de symbolische beteekenis van den echt, welke den echtgenooten voortdurend hunne plichten jegens God voor oogen stelt. Want iedere ziel moet immers met God door een geestelijk huwelijk verbonden zijn. Het concilie van Trente, in het midden der 16de eeuw, heeft zich ook over dit onderwerp nog eens duidelijk uitgesproken door vast te stellen, dat het huwelijk sacramenteel was, d. w. z. onopzegbaar, zoodat noch echtscheiding noch hertrouw geoorloofd waren, monogaam d. i. alleen bestaanbaar tusschen één man en vrouw. Voorts heeft deze kerkvergadering de openbaarheid van elk huwelijk geëischt („mit licht ende geluyt”) en de openlijke ondertrouw met de drie proclamatiën—alles als van ouds—gelijk zij de stelling handhaafde, dat de virginiteit, de ongehuwde staat ging boven den gehuwden, waaruit volgde, dat ook het priestercoelibaat, trots aangewende pogingen, als vroeger geboden bleef. Nog sprak het concilie haar banvloek uit, over wie zeggen zouden, dat aan de Kerk niet de rechtspraak toekwam over huwelijkszaken. Want huwelijksgeschillen plachten, waar het 't kanoniek recht gold, voor een geestelijk Hof te worden gebracht, waarvan de leden priesters waren, zoodat zij buiten wereldlijke berechting bleven. Dit alles dus was de bevestiging, van wat reeds eeuwen had gegolden—eervolle herinnering aan wat de Kerk had tot stand gebracht in eeuwen van barbaarschheid.
Het kwaad was, dat de priesterschap ten onzent in de dagen van Karel V diep gezonken was, gelijk tal van katholieke schrijvers ons berichten, en ook in haar opzicht over het huwelijk deerlijk was te kort geschoten door geen aanteekening te houden van getrouwde paren, door niet te letten op verboden graden, door zelfs niet te vragen naar de namen van het bruidspaar. Een enkel voorbeeld daarvan geef ik uit de verslagen van kerkvisitatiën, door de Kerk gedaan in het bisdom Utrecht aan den aanvang onzer periode. Hier is, in het land van Culemborg, Cornelis Thonisz., wiens huwelijk „op eenen morgenstondt te drie uren voer den dage in presentie van heer Peeter ende heer Lubbert (vicarissen van S. Barbara) geschiet is, sonder voergaende geboden”. Hier is de deken van Brielle, die des nachts, na een hartigen dronk, Berthold Cranendonck trouwt, zonder zich dat den anderen dag te herinneren. Insgelijks in den Briel zijn Johannes Waernsz. en Maria Jansdr. getrouwd, niettegenstaande zij elkander in verboden graad bestonden, wat ook elders herhaaldelijk voorkomt. Het is duidelijk, dat door zulke grove verzuimen de verwarringen vele en gevallen van verlating, bigamie en onterving aan de orde van den dag waren.
Het was er echter verre van daan, dat alle huwelijken aldus kerkelijk gesloten werden, zelfs dat alleen zulke huwelijken wettig zouden geweest zijn. Veeleer kwamen nog tal van echtvereenigingen tot stand onder invloed van de Oudgermaansche landsrechten in de onderscheiden gewesten. Wel had de Kerk ook daar de wijding door den priester altijd geëischt, maar de onderwerping daaraan was toch voor de wettigheid des huwelijks nimmer onmisbaar geacht. „Vormloos” noemden juristen en priesters zulk een verbintenis; met dat al waren zij nog in 16de eeuw zóó gewoon, dat geen overheid ze nietig durfde verklaren. Er is ons daarom aan gelegen deze vormlooze huwelijken nader te leeren kennen. Wij gaan het niet in zijne oorsprongen na—enkele daarvan komen later nog ter sprake—maar vermelden aanstonds, dat hier als beginsel gold, dat een huwelijk tot stand kwam door den bijslaap, de copula, met openlijk uitgesproken huwelijksbedoeling. Niet in alle gewestelijke rechten treedt dit even ver naar voren. Op de Veluwe werd den 14den December 1538 tusschen Gerrit van Wenckum en Anna van Eenschaten „een wetlijck hijlick und echtschap” beraamd, „geslooten ende uytgesproken eer de trouwen ende bijslaepen geschiet sinnen”. De vorm van het bericht doet aan een uitzonderingsgeval denken. Noodig was voorts, dat het huwelijk plaats had met kennis van de magen wederzijds. Ook had, ter versterking der gelofte, de bruidegom handreiking te doen van een godspenning, herinnering aan den, reeds bij den aanvang onzer periode, langvergeten vrouwenkoop. Vandaar de uitdrukking „met den penning getrouwd zijn”. Aldus gehuwden heetten een getrouwd man en wijf, in tegenstelling van de door den priester getrouwden, die genoemd werden echte, getrouwde luiden voor God en wereld. Van tal van andere symbolen bij het Germaansche huwelijk als b.v., dat de jonge man het meisje tot zijne vrouw nam door, in bijzijn van getuigen, zijnen mantel om haar heen te slaan, van deze en dergelijke bekoorlijke uitingen van het levend volksrecht gebiedt mijn kort bestek mij te zwijgen. Maar het zal de moeite loonen bij enkele dezer huwelijken „zonder veel gelaats” (zooals Huig de Groot ze nog noemt) tegenwoordig te zijn. Zeer zuiver vertoont het zich, nog heel in 1575, in het verhaal van Lutgertje Gemminck van Vorden. Zij getuigde voor den schout van Zutfen, dat Gerrit Keyser haar in haar ouders huis had getrouwd in bijzijn van magen en vrienden, met verklaring van met geene andere te zijn getrouwd en overreiking van een Embder gulden, waarop zij „thoe hoop” d. i. bijeen gegeven waren in een herberg „und heeft alsus mij in miinnes vaders huess beslaepenn und XXV rijdergulden ther morgengaven gegevenn in presentie van frunden”. Jacobus Averbeeck, onderpastoor van Spankeren had dit huwelijk als wettig erkend. Een paar volgende voorbeelden laten reeds iets vermoeden van eene ontaarding der instelling, al zijn ze van nog eene eeuw vroeger. In het jaar 1470 dwongen de broeders van Nese Dibboltsdr. te Arnhem zekeren Sander van Huesselynck hunne zuster te trouwen, ofschoon hij dacht „noch een geestlick man te worden”. Want toen zij hem bij hunne zuster betrapt hadden, haalden zij aanstonds als getuigen Lijsbeth ten Wall en Henrick ten Haige, trokken hun messen, namen knuppels in de hand, grepen Sander vast en zeiden: „doet nu, gi moettet doch doen”. Daarop tastte Sander in zijn buidel, nam een daalder en reikte dien aan 't meisje over, zeggende: „neem aan”. Toen waren zij getrouwd. Ziethier nog eene andere verklaring voor de Arnhemsche schepenbank van veel later, 1542. Zekere Helmert Hartgerff en Arend woonden samen in de herberg „de Papegey”. Op een avond was de zoon van Arent, met name Joachim, thuis gekomen, zwaar zuchtende. Waarop Helmert hem gevraagd had, of hij gewond was, of iemand gewond had, of misschien iemand getrouwd had? Toen had Joachim geantwoord, dat hij Gooszens meid getrouwd had. Daarop vroeg Helmert, „waer myt dat hij oer getrouwet hadde? Sachte Joachym ein cleyn pennyncksken waert gewest jnd hadde nyet voel te bedieden”. Het is duidelijk, dat deze verbintenissen hare kracht verloren hadden en, naar de uitdrukking-zelve van Joachim, den zoon van Arent, niet veel te beduiden hadden: door de rechtsonzekerheid kwam er allerlei ellende van. Wil men ook dit zien toegelicht? Te Nijkerk, men schreef al 1612, wilde Gerrit Muilert, oud 23 jaar, huwen met Anna Henricks. Hiertegen verzette zich Encke Aerts, zeggende, dat Gerrit haar vóór zeven jaren met een buidel geld getrouwd had en daarna twee kinderen bij haar verwekt. Toch ging het huwelijk met Anneke het volgend jaar door. In hetzelfde jaar en, vermoedelijk, in denzelfden familiekring speelt nog dit huwelijksgeval. Casiin Rengers te Nijkerk, weduwnaar, wilde in het huwelijk treden met Claesje Henricks. Maar hiertegen kwam verzet van Griete Aerts, zeggende, dat Casiin haar met een buidel geld getrouwd had. Zij legde een soort huwelijkscontract over, geteekend door zijne neven. Casiin voerde hier tegen aan, dat Griete hem dien buidel in den dronk ontnomen had en dat de neven, om een vaatje bier, dat zij hun gegeven had, „so geattestiret”. De gereformeerde kerkeraad te Nijkerk bracht de zaak aan bij het Hof van Gelre en dit hooge college ontzegt Griete haren eisch en legt haar een eeuwig stilzwijgen op, niet, let wel, omdat het Hof het schenken van den penning niet meer als rechtsgrond wilde aanvaarden, maar omdat gedaagde had beweerd, dat de buidel hem in den dronk ontnomen en het tegenbewijs daarvan niet geleverd was. Griete had „haar gepretendeerde trouw nyet genouch bewesen”. Het huwelijk met Claesje Henricks, door dit proces opgeschort, ging 17 Maart 1616 door. Het springt in 't oog, dat de gansche, oude huwelijkshandel, het overreiken van den penning, de kennis der magen wederzijds, gedaald was tot een gewoon middel van verleiding, wel meest door den man, maar dat de hooge rechtscolleges het nog als rechtsgrond aanvaardden, als het maar wettig te bewijzen was. Werden deze voorbeelden ontleend aan Geldersche processtukken, door den heer G. Beernink uitgegeven, berichten uit andere oorden des lands en uit andere kringen bewijzen evenzeer, dat nog tot op 't einde der 16de eeuw zulke „vormlooze huwelijken” geregeld voorkwamen, waarbij, buiten den priester om, man en vrouw zich aan elkander gaven naar de oude practijk. In Friesche doopsgezinde gemeenten b.v. was het nog ao 1550 noodig zich hiertegen te verzetten. Wanneer, verhaalt ons een ooggetuige, „twee luyden malkanderen ernstelijck ende vastelijcken getrouwt ende daarop te samen geslapen hadden, sulcks wierde bij der gemeynte voor openbare hoererije geoordeelt ende verworpen”. Toch was dit een ernstig bedoeld huwelijk. Op deze toestanden doelt ook veel vroeger, in 1530, de beroemde anabaptist Melchior Hoffman, als hij 't heeft over het avondmaal en zegt: „Soo comt dan de hooge Heere Jezus ende neemt een broodt, gelijck een bruydegom een rinck ofte een stuk goudts ende geeft hemzelfs sijnder bruyt metten brode ghelijck hem de bruydegom der bruyt gheeft metten rinck”. En iets later: „...een aertsche bruyt, als sij van haren bruydegom den trourinck ontfangen heeft, mach spreecken, siet daer hebbe ick mijnen bruydegom, Jan, Claes oft Pieter”. In volle kracht vertoont zich het vormloos huwelijk nog in 1575 in aanzienlijken kring, als de Drentsche landschrijver Heimerich van Rossem trouwt met Swob van Roorda te Joure, van Oudfrieschen adel. In bijzijn van broeders en schoonzusters overhandigt van Rossem haar een met gouddraad bestikten neusdoek, waarin zeventien goudstukken en twee gouden ringen, welke laatste Swob aan haren ringvinger stak. Toen beloofde hij, dat hij haar nooit zou verlaten, of God en de dood mochten hen scheiden (wat de vaste formule was), de warschop of bruiloft werd gehouden en te zamen bestegen zij het huwelijksbed, het „Beilager halten” der Duitschers. En nu verdient het opmerking, dat, terwijl geenerlei verdere formaliteit plaats had, toch, bij een later gevoerd proces, tegen de wettigheid van dat huwelijk nooit eenig bezwaar is ingebracht.
Naar twee zijden leeft in den lateren tijd de herinnering voort aan de rol, door het geldstuk bij het vormlooze huwelijk gespeeld. Aan den eenen kant werd het (wij zagen er den aanvang reeds van) een gemakkelijk middel tot gewone verleiding. Dat leeren ons o. a. de kluchten. In een van 1642 zegt het bedrogen meisje:
„Ik heb trou van sijn hant! Wacht maar wat, ik sal iens binnen treden
En halen de penning en latense voor je oogen sien.”
En nog in 1748 deze dialoog:
Hans: Aenvaerdt dees penningh. Stijn: En gij dees ring op trou.
Nu sijn wij alsoo vast gelijck als man en vrouw.
Het oude rechtssymbool—zelf weêr herinnering aan nog ouder toestanden—had alle beteekenis en schoonheid verloren: het deed nog slechts zijn ontadelden dienst bij een huwelijk over den puthaak. Aan den anderen kant werd het overhandigen van den penning eene onschuldige bruiloftsaardigheid. Bruidegom en bruid hingen elkander de helft van een dukaton om den hals, als het kon een, waarop de beeltenis van Ferdinand en Isabella, omdat die elkander aanzagen—onbedoelde hulde aan deze hoogstaande vrouw. En de goudbestikte neusdoek van Heimerich van Rossem is niet anders dan de „knotte” van fijn neteldoek, met geldstukken er in, soms met amoureuse rijmpjes er op—het Friesch museum te Leeuwarden bezit er aardige—door den bruidegom der bruid aangeboden.
Zoo vonden wij dan bij den aanvang onzer periode het katholiek-kerkelijke en het vormlooze huwelijk. Doch daarmede is het terrein der volgende geschiedenis nog allerminst voldoende verkend. In de derde plaats moeten wij melding maken van veelvuldig ongehuwd samenleven, of van wat wij daarvoor aanzien. Want de onderscheiding tusschen concubinaat en vormloos huwelijk zien wij niet altijd duidelijk, wat zelfs de betrokken personen niet altijd deden. Van de lagere geestelijkheid geldt dat niet. Wat men ten dage van Karel V hun concubinaat noemde, was dat ook voor het kerkelijk recht, maar voor het geweten der meesten was het een huwelijk met al de verplichtingen van dien, gelijk o. a. blijkt uit de testamenten en erflatingen, waarin zulke geestelijken vrouw en kinderen hunne goederen vermaakten. Natuurlijk leefden er in wezenlijk coelibaat, maar de meerderheid van den lageren clerus was „gehuwd” en „ofschoon zij”—naar de treffende woorden van den martelaar Angelus Merula—„hunne concubinen geen echtgenoot durfden noemen, hielden zij haar toch als zoodanig in eere”, of, om met een hedendaagsch grondig kenner der middeleeuwen te spreken, Mr. S. Muller Fz., „de vrouwen, met wie de middeleeuwsche lagere geestelijken leefden, waren niet de slachtoffers eener oogenblikkelijke zwakheid, neen, zij waren in waarheid de levensgezellinnen dier priesters, en de kerk mocht ze in voorbijgaande vlagen van rechtzinnige strengheid „concubijnen” schelden, de term „clerici uxorati” (gehuwde priesters) wijst op een geheel anderen band”. Hier is bovendien nog eene onderscheiding te maken. De majorist, d. i. de geestelijke, die de hoogere orden ontvangt, vooral diaconaat en priesterschap, kan geen geldig huwelijk aangaan. Zijn kind is dus een „filius sacrilegus” (in misdaad geboren). Maar de minorist, die de lagere orden ontvangt, legt geene gelofte van kuischheid af, hij mag een huwelijk sluiten en vandaar tal van „clerici conjugati” gehuwde, niet tot priester gewijde, theologen, die wel b.v. aan het hoofd eener parochie-kerk mochten staan, maar geen mis lezen en biecht hooren. Zoo was b.v. Rudolf Agricola (geb. 17 Februari 1444) de „filius naturalis” van zulk een lageren clericus, maar—ongehuwd, en daarom was Rudolf toch buitenechtelijk geboren, wat toen niet zoo groote smet werd geacht. Voor ons doel is het genoeg vast te stellen, dat bij den overgang naar den nieuwen tijd ten onzent tal van (niet kerkelijk) gehuwde geestelijken gevonden werden. Gingen zij tot de nieuwe leer over, dan haastten zij zich nog niet altijd wettig te huwen. Wel gold de bepaling, dat zij niet tot den kerkedienst zouden toegelaten worden, tenzij zij „hunne concibinen of onechte vrouwen zullen getrouwd hebben”, maar nog in 1601 bereikt ons eene klacht uit classis Nijmegen, dat „sommige predikanten nog niet legitime met haeren wijven getrouwd” zijn.
Al noemden wij de onderscheiding tusschen een vormloos huwelijk en ongehuwd samenleven niet immer gemakkelijk, dat er ook veelvuldig uiterst losse verbintenissen voorkwamen, waarvoor de naam concubinaat te goed is, ligt voor de hand. Want maar zeer langzaam hebben de neigingen tot veelwijverij van den man zich door wet en gewoonte tot monogamie laten dwingen, en herhaaldelijk ontsprong de onderdrukte natuur nog aan den band der maatschappelijke orde. Ter toelichting geef ik weder een paar bladzijden uit de Nijkerksche doop- en trouwboeken, wel wat later dan den eigenlijken aanvang onzer periode, nl. 1597 en volgende jaren, maar in hare simpelheid zeer teekenachtig. Aldus:
3 Februari 1597 gedoopt: Wolter, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers.
6 Mei 1599: Wolter, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Lamberts;
25 Nov. 1599: Tijs, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers;
30 Juli 1601: Coep, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Claes;
5 Aug. 1602: Reimer, vader Maes Wolters, moeder Niesgen Reimers.
Van deze vier vrouwen is Aertgen Claes de verkoren bruid, met wie Maes, 26 Juni 1603, huwelijksgeboden laat gaan. Echter staat daar in het boek achter: „non fuere copulati” (zij werden niet getrouwd). Dit is later weêr doorgeschrapt, „mogelijk,” teekent de uitgever dezer bescheiden terecht aan, „na eene echtverbintenis op het sterfbed”. Van zoo mogelijk nog losser zeden spreekt deze eenigszins ingewikkelde geschiedenis: 30 November 1595 huwelijksproclamaties tusschen Elbert Claes en Rickge Hertgens; 17 April te voren was hun zoon Claes gedoopt. 30 Augustus 1596 weder een kind en 31 December 1598 een derde. 18 Februari 1599 gaan nu de geboden tusschen deze Rickge Hertgens en Reynier Hendricksz. te Putten, wat niet verhindert, dat in 1601 en 1603 twee kinderen gedoopt worden van dezelfde Rickge en (weder van) Elbert Claes. Daarna huwt deze laatste eene rijke weduwe, die hem een zoon Thomas en daarna nog vier kinderen schenkt. 16 Aug. 1607 staat dan Reynier te Putten bij den doop als vader van Paul, zonder vermelding van de moeder, maar 9 Augustus 1612 staat hij te Nijkerk in dezelfde hoedanigheid over een zoon Nael, waarbij thans als moeder wordt aangeteekend zoowaar alweder Rickge Hertgens. Zoo hield dan, zegt de uitgever ook van dit stuk, dit wisselzieke vrouwmensch het tweemaal met den een en tweemaal met den ander. Genoeg intusschen van deze dingen. Nog korter kan ik zijn over de eigenlijke prostitutie, over de deernen, „die in 't gemeene leven zaten, om goede gezellen te gerieven”, meestal dicht bij de stadswallen, gelokaliseerd, door tal van keuren beperkt, nooit bedwongen. Het onderwerp, op zichzelf van belang en met veel literatuur, eischt hier geene nadere beschrijving.
Te midden nu van deze van ouds bestaande huwelijkstoestanden verschijnt als nieuwe macht het protestantisme. De Hervorming heeft zeker niet, als bij tooverslag, alle dingen vernieuwd, laat staan verbeterd—op ons gebied heeft zij ingrijpende veranderingen tot stand gebracht. Ook dienen wij oog te hebben voor het verschil tusschen de onderscheidene protestantsche groepen, lutherschen, anabaptisten, zwitsersche gereformeerden, nederlandsche sacramentisten, calvinisten—maar op één gewichtig punt stemmen zij allen overeen: zij breken met den ongehuwden als verheven boven den gehuwden staat en dus ook met het priestercoelibaat. Zij ontnemen aan het huwelijk zijn sacramenteel karakter, maar prijzen het meteen als den door God gewilden staat voor ieder. Een van de schoonste en treffendste pleidooien voor het huwelijk door een hervormer is de brief, waarin Heinrich Bullinger in 1527 aanzoek doet om de hand van Anna Adlischweiler, eenbrief dien men niet zonder ontroering en bewondering lezen kan. Dit is inderdaad van verreikende gevolgen geweest, wat te erkennen niet blind behoeft te maken voor de schaduwkanten. Luther—zijn invloed in ons land bleef trouwens tot kleine kringen beperkt—gaf in 1519 zijne „Sermon über den Ehestand” (2de Zondag na Epifaniën, Joh. II 1–11, bruiloft te Kana), waarin hij nog geen partij kiest voor of tegen den ongehuwden staat, maar reeds de zedelijke waarde des huwelijks ziet in het niet slechts verwekken van kinderen, maar ook hen opvoeden tot Gods eer. Van 1522 is zijn „Sermon vom ehelichen Leben”, van 1523 zijne uitlegging van 1 Kor. VII en van 1524 zijn geschrift „Dat ouders hunne kinderen niet tot een huwelijk dwingen mogen”. Hier veroordeelt hij den ongehuwden staat, als mogelijk alleen voor enkele hooge geesten, voor verreweg de meesten is hij bron van alle kwaad. De natuurlijke drang der beide geslachten tot elkander vindt in het huwelijk op Gode welgevallige wijze voldoening en is even onergerlijk als eten en drinken. Al heeft Luther's plastische wijze van uitdrukking hem onwaardige beoordeeling op den hals gehaald, het is waar, dat hij de voldoening der geslachtsdrift als huwelijksdoel zeer op den voorgrond stelt, dat hij, in zijn polemiek tegen het huwelijk als sacrament, te weinig waarde hecht aan de officiëele huwelijkssluiting, het vormloos huwelijk toelaat, al is het ook waar, dat hij later strenger de openbare verloving en huwelijksverklaring eischt. Uitspraken, waaruit blijkt, hoe hij de vrouw achtte, zijn er vele; toch handhaaft hij in krasse termen de onderdanigheid van de vrouw aan den man. In dat opzicht overtreft Calvijn hem nog. Ook hij prijst het huwelijk boven het coelibaat, maar tegelijk is de vrouw den man onderworpen, in zijne macht gegeven, zij blijft in de schaduw, oefent geen invloed in het openbaar. Zijn warme aanhanger en leerling John Knox gaat nog verder in zijne veroordeeling van „the imperfections of women, their naturall weaknes and inordinat appetites”. Anastasius Veluanus, de zuiverste vertegenwoordiger van de Nederlandsch-reformatorische richting, zegt in zijn „Der leken wechwijzer” (1554) vooreerst, dat uit den bijbel duidelijk de heiligheid van dezen staat blijkt. Het doel des huwelijks is ook hem het verwekken van kinderen, die „kynder Godes unde erffgenamen des hemels sijn sollen”; voorts het middel om onkuischheid te mijden, want de „bekorende natuyr” laat zich niet verdringen; eindelijk is ook hem het huwelijk „een figuir des geestelicken echten staets tusschen Christus und onse gelovige sielen”. Over het huwelijk geeft hij voortreffelijke voorschriften, vol fijne gedachten, hij is gekant tegen het huwen „in heymelicken winckelen” (hoeken), daar men er toch in 't openbaar in leven moet, fel bestrijdt hij het priestercoelibaat: „het is God hoichlic bekoren” en verdedigt den gehuwden predikantenstand. De denkbeelden van Veluanus zijn van groot belang en zeker in deze landen van invloed geweest. Maar reeds een dertig jaar vroeger, in 1525, hoor ik den Noordnederlandschen martelaar „Dirck die rode cuper” dezelfde beginselen over de heiligheid des huwelijks ook voor den priester verdedigen, als hij verlangt, dat „een priester een echte wijff met kynde hebben moet eer dat hij ten outare gaen mach ende een bisschop seven jaeren in den echtelicken staet sal geweest sijn eer hij bisschop werden mach”. Wat eindelijk de anabaptisten aangaat, in ons land zulk eene machtige protestantsche strooming, de meeste hunner secten en groepen hebben het eerbaar, monogamisch huwelijk met kracht voorgestaan en in hunne kringen in practijk gebracht. Slechts de beruchte, dweepzieke munsterschen en naast hen de davidjoristen en de batenburgers hebben in den aanvang d. i. om en bij 1535 tot 1545 de veelwijverij in theorie verdedigd en in de practijk toegepast, aldus naar de woorden van Obbe Philipsz., „die Echte op rollen” zettende. Maar dit was eene korte verdwaasdheid.
Al hebben wij, zij 't zeer in 't kort, op deze wijze recht laten wedervaren aan de verschillen onder de protestanten, wij zijn verantwoord, zoo wij nu ook ten slotte nog eens samenvatten en onderstreepen wat zij gemeenschappelijk als nieuwe beginselen en invloeden brachten op het terrein van het 16de-eeuwsche huwelijk, dat wij thans, al was 't vluchtig, hebben verkend. De hervorming brengt de afschaffing van het priestercoelibaat. De gehuwde staat is edeler dan de ongehuwde. De vrouw wordt in haar eer hersteld; zij is niet langer, naar middeleeuwsche kerkleer, eene verlokking tot het booze: haar lichaam als een vuur, uit haar oogenvensteren gluurt de dood; zij is niet langer, als voor de strenge devoten, de belichaming der zonde, verderfelijk boven alles, de poort der hel—wel te verklaren uit die ascese, die is angst om der ziele zaligheid, welke men op geen beter wijze wist te redden dan door de natuur in haat te hebben, met dat al de vrouw verlagend tot een minderwaardig schepsel van lagere natuur. Het protestantisme schept den gehuwden geestelijke, bouwt de pastorie als middelpunt van het gemeenteleven, waaruit in de volgende tijden (alsof de natuur zich wreken wilde over zoo langdurige verguizing en terugzetting) zoo tal van groote mannen zijn voortgekomen, het brengt de vrouw den man nader, tot zijn hulp geroepen. En het is, alsof zij zich aanstonds opmaakt, om de plaats, haar ingeruimd, te bezetten. Zij zijn opgeheven uit de lagere wereld der zondige dingen, welnu zoo willen zij naast hare echtgenooten staan in den strijd. Het is opmerkelijk, hoe vele vrouwen men tegenkomt op de bladzijden onzer martelaarsboeken, in de doopersche het meest. Toen Felistis Jansdr. in 1553 te Amsterdam zou verbrand worden „sag mense opt schavot komen suyver in de kleederen en een wit schortekleed voor... also heeft zij hare offerhande gedaan”. Het is mij als een zinnebeeld van de vreugde, waarmede zij haar aandeel in het lijden voor nieuwe goederen op zich namen. Roemt vrij de naïeve godsvrucht, de geduldige zelfverzaking van de vrouwen der moderne devotie in de vóór-reformatorische eeuw! Hooger staan prediking en practijk der hervorming, waardoor het der vrouw vergund werd in gezond en natuurlijk samenleven naast den man te staan en zij, uit de duisternis der vernedering, treden mocht in het licht van voller waardeering.
Ons eerste hoofdstuk is ten einde. Wij hebben het terrein verkend, zooals het zich in ons vaderland van de 16de eeuw ten opzichte van het huwelijk aan ons voordeed. Oude en nieuwe elementen, theorieën en rechtspractijken, gebruiken en idealen zijn te zamen gekomen. Wat zal uit die mengeling geboren worden? Tegenover welke taak staat het nieuwe geslacht? Welke vormen zullen staat en kerk de verloving en het huwelijk doen aannemen? Zietdaar vragen, waarop de volgende bladzijden het antwoord zullen moeten geven.
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
DE VRIJAGE.
Tot alle vereeniging, van het wettig huwelijk af tot de losse verbintenis toe, leidt de vrijage. Het is de werving van den man om de begeerde vrouw. Vrijen beteekent ook het minnelijk omgaan met elkander van twee gelieven, maar ieder voelt in de taal het verschil tusschen „vrijen om” en „vrijen met”, gelijk bij Petrus Stastok's eerste minnekoozerij, zoo wreed door Rudolf van Brammen verstoord, de jongeling met Koosje van Naslaan vrijde en misschien wel den moed zou gehad hebben later om haar te vrijen, als de jonge wijnkooper uit de naburige stad hem niet vóór geweest ware. Wie eene stad wil innemen moet haar belegeren, wie de bruid voor zich wil innemen moet om haar vrijen en aan de vrijage ontkomt alleen hij, die met voorbedachten rade het huwelijk mijdt. Zóó waren er ook onder de vaderen, die hun goeden raad te berde brachten en uitriepen: „gij, o, geluckige, die noch buyten dien grouwelijcken staat zijt, schrik voor dezelve. Schu een vrou veel meerder als de vissen den angel!” Onze letterkunde bewaart—het is waar niet op hare fraaiste bladzijden—lange, berijmde samenspraken tusschen een „huwelijksbeminnenden Jacob” en eene „echthatende Maria” en andere grove en zoutelooze polemiek tegen het huwelijk. Maar gelukkig hield de natuur het tegen het „contra” met het „pro” en de grove scherts van het voorgeslacht spaarde zelfs de verlangende, oude vrijster niet, die op 5 December vroeg:
„O, Sunter klaasje, goed-heylig-man
Trek erais je beste, moye tabbert an!
Wat was ik in mijn schik...”
volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas als den „hijlic-man”, den huwelijkssluiter, sinds tot „heilig man” verbasterd.
De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin de agamie was, de volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen. Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm, dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus' kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:
„Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de slaapzaal,
Werden gevoerd door de stad.”
Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont—mogen wij Herodotus gelooven—in de dorpen van het oude Babylonië, waar de huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen). En zoovelen als er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de „Jacobshuwelijken”, zoo genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt. In de longobardische sage van „Authari's bruidswerving” maakt de vermomde koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de (weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht. „Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.” Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. „Toen streek de prinses zich over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem vriendelijk.” Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. „Toen hij den beker van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte, lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.” Wel terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg van deze oude vrijages.
Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat harer slavernij, hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als (naar het woord van prof. Van der Vlugt) „eene taktische kunst met hare duizend regelen en conventiën”. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:
„... Dan wert benadert en becingelt stracx de stee
Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...”
en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij zijne uitverkorene „met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge loopt als van cierlijcke kleederen etc.” Dit laatste behoefde niemand hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over, wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van kleine geschenken, vergezeld van briefjes en verliefde rijmpjes, en soms waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder? Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door „de genegentheydt van de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder te surmonteren”. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan, vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de „dappere dravers” komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden beukenstam, met grasjes knoopen als symbool van den huwelijksband, met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen eenboogsbrug of heul klonk het „heulen, heulen” en was er het zoet gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar een eindweegs de golven in, om het „soete, onnoosele dier” daarna met „sant te zouten”, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht. Helaas, dat „Draag Roosje nu in zee” het arme kind, in Bellamy's bekend gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer en losser dan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast ontvangen van het loon.
In dit raam van algemeenheid passen nu de tallooze vormen. De aard der vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten, zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18de eeuw de nachtelijke bezoeken, het kweesten, wat eigenlijk reeds niet meer is „vrijen om”, maar „vrijen met”, waarbij het „Galathea, zie de dag breekt aan”, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf opschrikte, waarom het ook krieken heette en Grabner, een Duitsch reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: „Nicht Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe”. Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de Duitsche „Kommnächte”, „Probenächte”, zooals ze vooral in Zwaben, in het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheer F. C. Fischer (1780) is onderzocht, door Grupen (1748) en vele anderen. Van eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis. Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495–1562), die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam. Deze meester had een „seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte in liefde verwonnen hadde”, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat het „Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in 't herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert heeft, schijnende of liefde consten doet leeren”. Helaas, toen hij na vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.
Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte, maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in 1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen predikantszoon. „Het gebeurde”, aldus dicteert de weduwe, „dat Johannis soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goet van haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op trou gaf”. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer van Langerak, „wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck moogen voltrekken met de verloofde”. Want de moeder onthield haar toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars geacht „als Jozef in 't hof van Farao” en zij trachtten hem uit te huwelijken aan „een joffer van groot qualyteit”. „Maar alsoo het knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden. Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat de gouvernante van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C. een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande, resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,” (denkt Anneke hier aan C.'s „Uytbreydingh over Ps. CXXV”:
Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast,
Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
„soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.” De rest laat zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven tegen elkander op te zetten, C. vraagt om uitlegging en doet of hij niets meer van haar weten wil „singende overluid een deuntje gelijk de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren”. Maar zij gaat hem na, „vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was”. De verzoening is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij „passeert van den dienst” en na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. „vol moets en coragije is, denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen”, trouwen zij eindelijk den 11den April 1613. Het is een verhaal als een sprookje, deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet bijvoegen, dat zij „daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd”.
Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de „burgerlijke vrijage” tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn „Hollandschen Spectator”, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen. De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is (voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche, burgerlijke zeden, waaruit de vroegere, dartele en onbeschroomde vrijpostigheid, die wij nog in de 17de eeuw bij den vrijer bespeuren, geweken is—voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk, oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig zijn aanzoek afwijst: „Mijn hart is vrij” antwoordt zij hem, „maar ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.” Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug: „Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees. Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?” Zeker klinkt dit uiterst statig—maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: „Haast niet, maar wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat zelfs de tijd aan God over.” Het is dit nationale flegma, dat zich ook in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. „Der Bataver ist nur thätig, wo er es sein musz”, schrijft een Pruisisch reiziger in ons land, ao 1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt het, met wat dieper ingaan in het wezen: „son caractère est flegmatique, mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, elles n'en sont que plus profondes et plus durables”. In ons laatste hoofdstuk komen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage nog iets op te merken.
Toen wij boven verhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman, in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het geldt het derde kwart der 16de eeuw): „dat niemandt onder haer, een huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende denselven voor hem aensoecken laten.” Ja zelfs moet hij er vrede mede hebben, als die dienaar „'t selve houwelijck haer afriedt ende een anderen in den sinne bracht.” Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel, een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf zich „eerbiediglijk” komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de doopsgezinden in de Vogezen ao 1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV) en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam, die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in zijn vertrouwen. Deze (hij heet „der steckelmann”) stijgt te paard en rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken (gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: „kom wat dichterbij en laat ik ook uw paard te drinken geven,” dan haalt hij de meêgegeven geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden. Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch voorbeeld.
Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren, dat een 18de eeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het prijselijk als „jonckheyt lieft met ouders raat”, zooals het oude rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden. Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal overgezet „Ueber den Umgang mit Menschen”, 1785, de weinig hoffelijke uitroep ontlokt: „Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!” Wij hoorden daareven Anneke van Alendorp gewagen van die „ongestadige minnaers, die niet veel passchen op haar beloften.” Van zulke trouwelooze vrijers zijn onze oude liederenboekjes vol:
Huwelijkscontract.
Naar een schilderij van Jan Steen.
„Dog vrijers zijn vol list en loze streken,
Hun woorden zijn wel honing-zoet,
Terwijl zij dragen in 't gemoet
Den angel, om te steken
Haar, die hen mind.”
Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun gezelschap:
„Dit bosje weet,
Dat ons is leet,
Dat gij niet t'alle-tijdetjens,
Ons met uw kout
Gezelschap hout
En zit aan onze zijdetjens.
Uw zoet gevrij
En boerterij
Met velerhande klugjens
Ons zo verleyd
Dat, als gij scheyd
U volgen veele zugjens.”
Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te verwisselen („wat haast hebben wij meisjes,” vraagt Alida Leevend in haren overmoed; „als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?”), dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich onder de Republiek aan ons voordoet.
The free sample has ended.