Read the book: «De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81»
L. Penning
De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404543
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IX.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI.
HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK XV.
HOOFDSTUK XVI.
HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVIII.
HOOFDSTUK XIX.
HOOFDSTUK XX.
HOOFDSTUK XXI.
HOOFDSTUK XXII.
HOOFDSTUK XXIII.
HOOFDSTUK XXIV.
HOOFDSTUK XXV.
HOOFDSTUK XXVI.
HOOFDSTUK XXVII.
HOOFDSTUK XXVIII.
HOOFDSTUK XXIX.
HOOFDSTUK XXX.
HOOFDSTUK XXXI.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
't Is nacht. En 't is stil op het onmetelijke veld. Slechts het gebladerte beweegt zich van het kreupelbosch, en fluisterend gaat de nachtwind door het lange, gepluimde Tamboeki-gras.
Hoog aan den hemel staan de sterren van Afrika. Ze schitteren en fonkelen als diamanten op een donker gewaad.
Ginds, boven een eenzaam kopje1), blinkt een ster, helderder dan de andere.
't Is geen ster; het leek maar zoo. 't Is een brandend vuur.
Dicht in de nabijheid van dat vuur zit, op een kleinen, gekantelden klipsteen, een man.
Hij heeft een kleine, houten pijp in den mond, en zit te rooken.
Aan zijn rechterzijde ligt zijn geladen tweeloopsgeweer; aan den linkerkant zit Turk, zijn hond. Het dier heeft groote, schrandere oogen en staart even als zijn baas in het heldere, vroolijk opvlammende vuur.
Op eenigen afstand graast een paard. Het is ongekluisterd; het behoort eveneens aan dien peinzende man bij het vuur.
Hij werpt een nieuw houtblok op het vuur, want het is koud, en het vuur verspreidt een aangename warmte. De vlammen slaan nu hoog uit, en duidelijk kunt ge thans de gelaatstrekken van den man onderscheiden.
De middaghoogte des levens heeft hij reeds lang achter den rug. Ge ziet het bij den eersten oogopslag aan dien zwaren, grijzen baard, en aan dat grijze haar, dat weelderig te voorschijn komt van onder den bruinen, breedgeranden hoed. Ook loopen er zware rimpels over zijn verweerd en door de zon verbrand gelaat.
Maar de ouderdom heeft zijn kracht nog niet gebroken, en zijn spieren zijn hard als staal.
Onafgebroken staren zijn oogen in het schijnsel der vlam, en in die oogen liggen moed en onverschrokkenheid. Hij voelt zich hier, bij de nachtelijke duisternis, midden in het eenzame, onmetelijke veld, even goed thuis als bij helderen dag in het drukke gewoel van het lager2).
Neen, angst heeft Teunis Smit, de beroemde leeuwenjager, nooit gekend. Zelfs niet op het hachelijk oogenblik, toen een tijger hem plotseling van achter besprong, en met den scherpen klauw de wang openscheurde.
Ge kunt het breede lidteeken nog zien, al is het twintig jaar geleden. Dààr, op de linkerwang.
De pijp is leeg gerookt. De eenzame man haalt uit den zak van zijn leeren buis, waarover de bandelier, gevuld met scherpe patronen, is bevestigd, den tabaksbuil, en stopt de pijp op nieuw. Vervolgens neemt hij een brandenden tak, en steekt ze daarbij aan.
Nu gaat zijn hand liefkozend over den ruwen, harigen kop van zijn hond, en het trouwe dier legt den grooten kop op de knie van zijn meester. En het kijkt hem aan, alsof het zeggen wil: Wij behooren bij elkaar.
De leeuwenjager strekt de handen uit naar het vuur en warmt ze. Maar hij staat op en luistert, want zijn scherp oor meent het gehuil van een wild dier te hebben vernomen. Met twee vingers in den mond fluit hij zijn paard. Het komt aanloopen als een hond; de jager heeft het daarop gedresseerd.
"Ik wou niet graag, dat de wilde dieren je oppeuzelden, Voske," zegt de jager; "blijf hier bij het vuur."
Werkelijk blijft het paard in de nabijheid van het vuur, doch het gehuil in de verte is verstomd.
De jager werpt nieuwen voorraad op het vuur, en de dorre takken kraken en knetteren, doch anders heerscht overal doodsche stilte. Slechts het loover van het kreupelbosch, onder aan den voet van het kopje, ritselt in den nachtwind, en langzaam, bijna onhoorbaar bewegen zich de grashalmen heen en weer.
Het gelaat van den leeuwenjager neemt een peinzende houding aan. Zijn oog is op de grillige, flikkerende vlammen gericht, maar het ziet ze niet. Het staart ver terug naar lang vervlogen dagen, toen de Boeren uit de Kaapkolonie trokken naar het tegenwoordige Transvaal. Heeft hij, Teunis Smit, dien tocht niet medegemaakt? Was hij niet in het Boerenlager, dat door de woedende Matabele-kaffers werd bestormd? Heeft hij niet den stouten tocht over de duizelingwekkende hoogten van het Drakengebergte medegemaakt? Heeft hij niet medegestreden tegen die horden bloeddorstige duivels, die Zoeloe's werden genoemd?
De leeuwenjager stut het hoofd met zijn hand.
Onbewegelijk staart hij in het vuur. Zijn pijp is lang uit gegaan. Zijn oogen worden vochtig, en twee groote tranen rollen over zijn verweerde wangen.
De nachtwind steekt op, en klagend strijkt hij door het lange, dorre gras.
De hond schijnt iets van de smart van zijn meester te gevoelen, en het trouwe dier likt zijn handen.
Maar zijn meester merkt het niet.
Meer dan veertig jaar heeft de wond tijd gehad, om te genezen, maar genezen is ze niet, en genezen zal ze nooit.
Zij zou de zijne worden. Zij zou hem, den wilden jagersman, leiden met haar zachte hand, en hem een gezellig, prettig tehuis bereiden. Een eigen tehuis, waarin zij de goede engel zou zijn.
Vriendelijker dan de sterren van Afrika, daar boven zijn hoofd, blonken haar oogen als sterren op zijn pad.
Doch door de gouden toekomstdroomen suisde de scherpe assegaai3), en sneed een leven af, dat hij lief had als zijn eigen.
De leeuwenjager steunt, en Turk kijkt hem aan met zijn groote, schrandere oogen.
Ver in 't zuiden, ginds in Zoeloe-land, daar ligt zij begraven: Mieke Kloppers.
Met eigen handen heeft hij, voorzichtig en behoedzaam, de schoonste klipsteenen op haar graf gestapeld, opdat des daags geen aasvogel, en des nachts geen roofdier haar ruste zou storen.
De vochtige schemering droogt langzaam op in zijn oogen, en een ander beeld gaat aan zijn ziel voorbij.
Hij werpt een grooten, verdorden doornstruik op het vuur, dat begon te kwijnen.
Zie, hoe de vlammen hoog op flikkeren!
Maar de vlammen der brandende Zoeloe-kralen4) stegen toch nog hooger, toen de Boeren uittogen ter bloedwraak.
En toen de harde Boerenvuist de kracht der Zoeloe's had gebroken, toen kwamen de Engelschen, en zij stalen Natal, dat de Boeren met hun vee en met hun bloed hadden gekocht.
Peinzend vouwt de leeuwenjager de handen over zijn knie. Wat hem betreft, hij had zich liever doodgevochten dan Natal opgegeven. Maar de Boeren hadden daartoe geen vrijheid gevonden, want aan gene zijde van het Drakengebergte, in de Transvaal, wenkte hen de zoo vurig begeerde onafhankelijkheid.
Zoo trok men naar het noorden, naar de Transvaal, en hij, de eenzame zwerveling, die vader noch moeder meer had, werd als een kind des huizes opgenomen in het gezin van den wakkeren Gert Kloppers, den vader van Mieke.
Met een stok schuift de leeuwenjager de brandende takken en twijgen dichter bij elkaar. Maar Turk strekt zich lang uit bij het vuur, met den snuit tusschen de voorpooten, en met gespitste ooren.
Hij, de leeuwenjager, had het goed bij Gert Kloppers, maar zijn ontembaar jagershart dreef hem de wildernissen in tot aan de uiterste grenzen der Transvaal. Bij een breeden stroom, waar de sporen van leeuwen en olifanten zich kruisten, waar de grond dreunde onder de hoeven van duizenden buffels, en waar het krokodil tusschen het golvende oeverriet zich koesterde in den middaggloed, daar bouwde hij zich, boven op den top van een heuvel, zijn woning. Hij maakte ze zoo sterk als een klein fort, en hier woonde hij met een kafferknecht tot op dezen dag.
Hij zou wat kunnen vertellen uit de rijke geschiedenis zijner jachtavonturen! Was hij niet vele jaren de eerste scherpschutter geweest onder de Emigranten-Boeren?5)
Eens stond hij tegenover een van woede schuimbekkenden buffel, die den jager op zijn hoornen wilde nemen. De kogels van zijn tweelooper waren te licht, om het dier te vellen. Snel besloten schoot hij het razende dier de oogen uit; één voor één. Toen was het weerloos, en hij doodde het met zijn lang jachtmes.
Een anderen keer doodde hij een krokodil door met den tweeden kogel den eerste dieper in te drijven in het vleesch van het monster.
Door een olifant achtervolgd, struikelde hij. Reeds hief de reus den vreeselijken poot op, om zijn vijand te vermorzelen. Maar de jager sprong tegen den poot op, en klemde er zich aan vast, zooals een matroos bij noodweer zich vastklemt aan den grooten mast, om niet overboord te worden geslagen. Spoedig kwamen zijn kameraden, en redden hem uit zijn gevaarlijke positie.
De leeuwenjager stookt het wachtvuur op. Hij wrijft zich vergenoegd de handen, want hij heeft altijd schik, als hij denkt aan zijn menigvuldige avonturen.
Hij vat de veldflesch en neemt een hartigen teug Kaapschen wijn. Vervolgens werpt hij een grooten houtblok in het vuur, dat de vonken stuiven.
't Is toch gezellig bij zoo'n vuur, midden in de eindelooze wildernis! Het verkwikt; het koestert. Het geeft licht en warmte. En 't houdt de wilde dieren op een afstand.
De leeuwenjager stopt opnieuw zijn pijp. Het paard achter hem schudt de ruige manen.
Hij is nu op reis naar Dirk Kloppers, den oudsten zoon van Gert Kloppers.
De wakkere Gert Kloppers is al jaren dood. En de edele ouderling de Jong, en de stugge Barend Jansen, en zoo vele anderen, die den uittocht uit de Kaapkolonie hebben medegemaakt, al die ouden zijn dood. Al die ouden zijn dood en begraven.
Zoo gaat het met de heerlijkheid van den mensch, Teunis Smit!
De mensch groeit, bloeit en sterft.
Het gaat hem als het dorre gras, Teunis Smit, dat gij daar in uw hand hebt, en dat gij in den vuurgloed werpt.
Gisteren bloeide het nog, en nù wordt het in den vuurgloed geworpen.
Het flikkert op en verdwijnt. Niets dan wat asch — dat schiet er over.
De leeuwenjager legt het hoofd tusschen zijn handen, en staart met strakken blik in het brandende vuur.
De brand slaat nu hoog uit, tot één groote, machtige vlam, recht opgaande als de spits van een dom, die naar boven wijst....
De maan is thans opgegaan van achter de donkere bergen. En even als een moeder, die haar slapende kinderen kust, zoo kust zij de aarde.
Reeds schemeren de toppen der bergen en der heuvelen in haar zacht glanzend licht, en dat licht breidt zich uit over het onmetelijke veld als een stroom, die dam noch dijken kent.
Slechts in de spelonken en de spleten, aan de achterzijde der bergen en tusschen de overhangende rotsen heerscht de duisternis van den nacht.
De leeuwenjager is opgestaan en rekt de forsche leden. Hij kijkt bij het schijnsel van het vuur op zijn ouderwetsch horloge: 't is kwart vóór één.
Zijn scherpe oogen turen naar de verte; hij meent een verdacht geluid te hebben gehoord. Ook de hond is overeind gerezen en laat een zacht geknor hooren.
Nu is 't weer stil.
Slechts de nachtwind fluistert eentonig in het lange schrale gras, en ritselend beweegt zich het loover van het kreupelbosch.
Doch thans herhaalt zich het gedruisch; duidelijker nog dan zooeven.
De jager kijkt naar zijn paard. Het staat, met neergebogen kop, achter hem; het geeft geen enkel teeken van onrust. 't Is een bewijs, dat er geen roofdier in aantocht is.
De jager legt het oor op den grond en luistert. Hij hoort den hoefslag van paarden.
Nu rijst hij overeind, en ziet vlak vóór zich een donkere schaduw naderen. Zij nadert snel; ze komt recht op zijn wachtvuur aan.
Hij zet zich weer neer, op den gekantelden klipsteen, maar de tweelooper bevindt zich thans in zijn handen.
Nu zijn de drie naderende ruiters te onderscheiden, en dicht bij het kopje gekomen, springen ze vlug uit het zaâl.
De middelste werpt de teugels los over zijn paard en zegt eenvoudig: "Stilstaan, Moorkop!"
Het paard verroert zich niet.
Maar de twee anderen kluisteren hun kleppers.
"Heidaar, ouwe heer," roept de ruiter rechts, "wat voer je daar uit bij nacht en ontij?"
"Wat voeren jùllie daar uit?" antwoordt de aangesprokene, terwijl hij heel bedaard de rookwolken uitblaast.
"Ben jìj 't, oom Teunis?" roept de bezitter van den moorkop; "ben jij 't, Teunis Smit?"
Maar nu springt de leeuwenjager, terwijl hij den tweelooper wegschuift, blijde verrast overeind. Hij heeft die tweede stem herkend.
"Ik ben zoo zeker Teunis Smit als jij Jan Kloppers bent. Kom maar gauw, kerel!"
Vlug klauteren de ruiters den heuvel op.
"Wel, wel," zegt de leeuwenjager, terwijl hij Jan Kloppers hartelijk de hand schudt: "dat noem ik nog eens een verrassing in de wildernis. Ik ben net op reis naar je vader — wel, wel, dat is een verrassing! Ik zal nog wat hout op het vuur gooien — zie zoo, nu kunnen wij elkander wat beter zien!"
't Gebeurt zelden, dat de in zichzelf gekeerde jager zooveel woorden aan één stuk spreekt. De verrassing heeft hem blijkbaar spraakzaam gemaakt.
"Doch wie zijn die twee?" laat hij er op volgen, terwijl hij de twee kameraden van Jan Kloppers bij het schijnsel van het flikkerende vuur met zijn scherpe oogen monstert.
"Dat is," zegt Jan, op zijn nevenman rechts wijzend wijzend, "mijn vriend Herman Hoogerhuis, een Hollander."
Dit was zoo. De wieg van Herman Hoogerhuis had hier ver vandaan, aan den oever van een Hollandschen stroom, gestaan. Maar de reislust en de zucht naar avonturen had hem, den zoon van goeden huize, de wijde wereld ingedreven, totdat hij, bij de Transvaalsche Boeren aangeland, het daar zoo uitstekend naar zijn zin had gevonden, dat hij er voorloopig zijn anker had laten vallen. Ofschoon er bij hem aan geld geen krimp was, had hij, om toch eenigszins nuttig te zijn, hier en daar bij de Boeren aan de kinderen huisonderwijs gegeven, doch de gastvrije woning van Dirk Kloppers was zijn eigentlijk tehuis geworden.
"Zoo," zegt de leeuwenjager op bedachtzamen toon, "ben jij een Hollander? Zoo!"
Maar hij reikt hem toch zonder aarzelen de hand.
"En die daar, wie is dat, neef Jan?"
"Dat is Kees Botter; een echte Afrikaander, even goed als gij en ik. Hij helpt ons in de boerderij."
Kees Botter is een geboren Afrikaander uit Natal. Zijn ouders zijn dood. Verleden jaar, een transport ossenwagens, met koopmansgoederen geladen, vergezellende, werd hij, in de nabijheid van Dirk Kloppers' plaats6) gekomen, plotseling ongesteld. Kloppers nam hem op en zorgde voor den zieke, tot hij geheel hersteld was. En daar hij vlug van begrip, sterk en ondernemend was, nam Kloppers hem gaarne in dienst. Van zijn ondergeschikte betrekking voelt Botter echter weinig; hij wordt behandeld als een kind des huizes. Trouwens zijn vader was even goed een Afrikaansche Boer als Dirk Kloppers.
Botter is iets kleiner van postuur dan zijn beide kameraden, doch zwaargebouwd, en op de breede schouders staat de korte, stevige nek. Zijn gelaat teekent eene voor niets terugdeinzende wilskracht, en in zijn grijze oogen flikkeren list en eerzucht.
Met gefronste wenkbrauwen en een hem zelf onverklaarbaren achterdocht neemt de leeuwenjager den Afrikaander uit Natal van het hoofd tot de voeten op.
Kees Botter steekt hem de hand toe, en slechts aarzelend neemt de leeuwenjager ze.
Gaat er een voorgevoel door zijn ziel, dat hij door deze hand zal sterven?
Doch snel heeft hij zijn wantrouwen overwonnen, en op zijn gewonen, ouden toon vraagt hij: "Hoe komen jullie toch hier?"
"Dat zullen we je dadelijk vertellen," antwoordt de Hollander, terwijl hij den jager aankijkt met zijn vroolijke, bruine oogen, "maar help ons eerst maar aan wat eten, als ge 't hebt, want ik verga van honger!"
"En ik!" zegt Jan Kloppers.
"En ik!" zegt Kees Botter.
"Kom aan, ik heb nog wel wat," antwoordt de leeuwenjager. Hij neemt een langen reep biltong7), dat dicht bij het zadeltuig ligt en reikt het over. Dan neemt hij de veldflesch, en houdt ze met een onderzoekenden blik vlak voor de vlam van het vuur.
"En hier in de flesch zit voor jullie alle drie nog een flinke slok wijn; dat zal je opknappen."
De drie ruiters laten zich niet lang nooden. Als jonge wolven, die in geen dagen iets in 't lijf hebben gekregen, zoo vallen zij op het droge, taaie vleesch aan, en het gaat naar binnen als klokspijs.
Nu, dat is ook geen wonder, want als ge twaalf uur lang zonder voedsel op de Transvaalsche hoogvlakte zijt geweest, dan krijgt ge honger.
Nu maakt de veldflesch de ronde, en ze gaat leeg tot den laatsten drop.
"En thans zal ik het je vertellen, oom Teunis, wat de oorzaak is, dat wij hier in het holle van den nacht kwamen aangaloppeeren," zegt Jan Kloppers.
"Wij waren reeds eenige dagen op bezoek bij een paar familieleden, toen wij gisteren middag de tijding vernamen, dat de zending van onze voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad geen resultaat had gehad. Gladstone laat ons in den steek."
"Wie is Gladstone?" vraagt de leeuwenjager.
"Zie je," zegt Jan op schertsenden toon, "dat komt er nu van, als ge je leven tusschen olifanten, rhinocerossen en nijlpaarden verslijt. Dan weet je niet eens, wie Gladstone is."
Maar op ernstiger toon gaat hij voort: "Gladstone is een der invloedrijkste mannen in Engeland, en zoo pas minister geworden. Nu dachten onze aanvoerders: Als Gladstone maar minister is, dan komt er hoop, want hij heeft een open oog voor het onrecht, dat ons is aangedaan. Doch die hoop is thans vervlogen, want hij heeft woordelijk dit verklaard: 'Ik kan de koningin niet adviseeren, om het oppergezag over de Transvaal op te geven.' Toen wij dit nieuws hoorden, hebben wij onmiddellijk onze paarden opgezadeld, en hebben ons gehaast, om thuis de ernstige tijding over te brengen."
Er volgt een pauze. Zwijgend staart de leeuwenjager in het brandende vuur.
"Ik had reeds begrepen," zoo begint hij, "uit de onrustigheid der naburige Kafferstammen, dat er buitengewone gebeurtenissen op til zijn. Het geduld van ons volk loopt ten einde —"
"Het is ten einde," zegt Jan Kloppers.
"En de Engelschen houden vast, wat ze hebben —" zegt de leeuwenjager.
"Totdat wij 't hun uit de handen slaan," zegt Jan Kloppers.
"Dat wordt oorlog!" zegt de leeuwenjager.
"Ja, oorlog!" roept Jan Kloppers uit; "en wij hebben God en het recht aan onze zijde!"
"Gij vecht mee, niet waar, kameraden?" zegt hij met zijn heldere, krachtige stem.
"Niets vaster!" zegt Herman Hoogerhuis. "De Transvaler en de Hollander behooren bij elkander, vooral als het tegen de Engelschen gaat."
"En ik hoop er ook bij te zijn," zegt de stevige Kees Botter; "wij zullen de Engelschen beuken als stokvisch!"
"En gij, oom Teunis, gij doet toch ook mee?"
"Een kleine veertig jaar geleden heb ik met uw vader en nog eenige andere Boeren een Engelsche batterij bestormd," antwoordt de leeuwenjager; "ik hoop het nog eens te doen!"
Hij is opgestaan; de oude herinnering wordt levendig.
Met groote stappen meet hij den omtrek van het wachtvuur. Zijn oogen flikkeren; zijn gestalte schijnt grooter te worden.
"Ik haat de Engelsche politiek," zegt hij op een toon, even hard als de harde kogel van zijn geweer, "omdat zij ons arm volk uit de Kaapkolonie heeft gejaagd, midden onder de scherpe klauwen van het wilde gedierte en de nog scherpere assegaaien van bloeddorstige Kaffers. Die politiek heeft ons arm volk geen rust gegund voor het hol van zijn voet. Overal is zij ons volk gevolgd als de hongerige wolf het weerlooze schaap."
"Ja," gaat hij voort met klimmende hartstochtelijkheid, "ik haat deze politiek, en ik vloek deze politiek, want zij versiert haar daden met bijbelteksten even als de farizeeër de zoomen van zijn kleed, doch ze is een witgepleisterd graf, van binnen vol verrotting en doodsbeenderen. Maar de rechtvaardige God zal tusschen beide komen, en de plannen onzer verdrukkers omver blazen als kaartenhuizen."
Plotseling blijft hij voor de jonge mannen staan, die als aan zijn lippen hangen, en kijkt hen aan met zijn flikkerend oog.
"Gij wilt vechten," zegt hij; "ik geloof het. Maar hebt ge ook bedacht, dat deze strijd slechts kan uitloopen op zegepraal of dood?"
"Ja," zegt Jan Kloppers met vaste stem, "dat heb ik bedacht. En ik houd het voor beter, dat mijn lichaam rust onder de klipsteenen, vrij van de Engelsche vlag, dan boven de klipsteenen, en gebonden aan de Engelsche vlag. Hebt ge mij nu begrepen, Oom Teunis?"
Ja, nu heeft Oom Teunis hem begrepen. Hij schudt den jongen man de hand. "Net zijn vader," zegt hij, "net zijn vader!"
"Doch jongens," laat hij er op zijn gewonen toon op volgen, "ge zult vaak krijgen; gaat slapen!"
"En gij?" vragen de anderen.
"Ik ben oud en heb weinig slaap noodig. Ik zal voor de paarden zorgen — wel te rusten!"
Dat lieten zich de ruiters, die van den langen rit doodop waren, geen twee keeren zeggen. Snel hadden zij hun kombaarzen8) gehaald, en zich lang uitstrekkend bij het verwarmende vuur, er mede gedekt. Geen vijf minuten later verkondigde hun diepe en regelmatige ademhaling, dat zij sliepen.
De leeuwenjager echter zette zich, nadat hij de paarden had na gezien, weer neer op den kleinen, gekantelden klipsteen bij het flikkerende vuur. Turk zat weer naast hem en staarde droomerig in den vuurgloed.
Een diepe rust heerschte op het onmetelijk veld. Niets werd gehoord dan het knetteren en kraken der droge takken in het vlammende vuur, het knappen der halmen, die door de paarden werden afgegraasd en het ruischen van den nachtwind.
En langzaam steeg de glanzende maansikkel omhoog aan den donkeren hemel, omstuwd en omfonkeld door tienduizenden sterren.
En de leeuwenjager zat, met de armen op de knieën, te peinzen en te turen in het grillige vuur. En in die vonken en in die uitschietende lichtstralen zag hij het vlammende oorlogsros, dat de rijke maïsvelden vertrapt, de gevulde korenschuren verbrandt en de menschen vermoordt....
Hij ging met de hand over het voorhoofd, zooals hij gewoon was, wanneer hij door vele gedachten werd overstelpt.
"Maar liever het vlammende oorlogsros dan de Engelsche vlag binnen onze landpalen," zeide hij tot zich zelven, en hij klemde de tanden op elkaar...
Langs den oostelijken horizon ging thans een streep van goud en purper, die het schijnsel der maan en het licht der sterren deed verbleeken.
In de kreupelboschjes werd het levendig, en de stem van den zangvogel werd gehoord. De leeuwerik schudde den dauw van zijn vlerken en steeg klapwiekend omhoog. En boven het woud, in de verte, sloeg een arend zijn breede vleugels uit.
Nu stond de leeuwenjager op en riep met luide, krachtvolle stem:
"Jongens, op! 't Is dag! We moeten vandaag nog bij Dirk Kloppers zijn!"
1) Heuveltop.
2) Boerenkamp.
3) Kafferspeer.
4) Kafferwoningen.
5) Die Afrikaansche boeren, die uit zucht naar staatkundige onafhankelijkheid in 1836 de Kaapkolonie hadden verlaten.
6) Hoeve.
7) In de zon gedroogd vleesch.
8) Schapenvachten.
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
Wat was er in de Transvaal gebeurd?
De Engelsche regeering had, tegen alle recht en billijkheid in, er voor gezorgd, dat de Kafferstammen vuurwapens konden verkrijgen. Dat prikkelde hun strijdlust, en wat was natuurlijker, dan dat de Transvaalsche Boeren, die midden onder de Kaffers woonden, het spit moesten afbijten?
De Engelsche regeering hoopte, dat de Boeren het met die Kaffers te kwaad zouden krijgen, en dan zou zij weten, wat haar te doen stond.
Sedert 1875 was Burgers president der Transvaal. Hij was predikant geweest in de Kaapkolonie, en vol van grootsche plannen en hooggespannen idealen, beklom hij den gewichtigen zetel. Maar hij begreep de Boeren niet, en zij begrepen hem niet. Zoo kwam het, dat het teedere raderwerk van den staat onder zijn bestuur begon te schuren en te knarsen. Nu brak er een oorlog uit met den Kaffervorst Secoecoeni, en Burgers zelf trok met het kommando1) mee, Doch na een paar schermutselingen spanden de Boeren ontstemd en wrevelig de ossen weer voor hun wagens en keerden naar huis.
Zij konden 't met Burgers niet koersen.
Nu riep de Transvaalsche regeering vrijwilligers op, om den Kafferkaptein in toom te houden, doch Engeland meende den tijd gekomen, om zijn slag te slaan.
In 't Zuiden, in Natal, woonde een hooggeplaatst Engelsch ambtenaar: Shepstone.
Deze slimme man berichtte naar Pretoria, dat hij zou overkomen, om niet de Transvaalsche regeering de Kaffer-aangelegenheden te beredderen. Hij zou een gewapend gevolg medebrengen, dat hem wel niet ten kwade zou worden geduid.
De Engelschen hadden de zaak sluw ingepikt. Er was voor gezorgd, dat de reis van Shepstone naar Pretoria, den zetel der Transvaalsche regeering, tot een waren triomftocht werd. Vele adressen werden hem onderweg aangeboden, waarin de onderteekenaars hem hunne hulde betuigden. In Pretoria werden de paarden van den wagen gespannen, en Shepstone door een juichende schaar menschen door de straten gereden.
Er lag iets stuitends in voor een rechtschapen man, doch Shepstone had een sterke maag en kon het verdragen. Het wàre volk der Boeren echter stond met verontwaardiging en droefheid naar die komedie te kijken. Want een komedie was het en anders niets. Een troep Engelsche gelukzoekers vormde den kern van deze luidruchtige bende, die voor Shepstone in het stof kroop.
Laatstgenoemde had nog twee Engelsche beambten medegebracht: Osborne en Henderson, die bij de te houden conferenties mee zouden helpen, het slagnet te spannen, waarin de arme Boeren moesten gevangen worden.
Bij deze conferenties werd de Transvaalsche regeering vertegenwoordigd door Paul Kruger, toenmaals lid van den Uitvoerenden Raad en door den staatsprocureur Jorissen.
Het is weerzinwekkend, om de strikvragen te lezen, waarmede de Engelschen kwamen aandragen, om de Transvaalsche gevolmachtigden te vangen. Doch met groote omzichtigheid en zelfbeheersching antwoordden deze mannen, en slechts nu en dan klonk het door hun woorden heen als ingehouden mannelijke toorn. Al waren zij intusschen nog tienmaal voorzichtiger en kalmer geweest, het had hen toch niet geholpen. Shepstone, die zich had neergezet aan den gastvrijen haard der Transvaalsche Boeren, droeg het staatkundig doodvonnis over dat volk in zijn zak, en den 12den April 1877 liet hij door zijne annexatie-proklamatie de doodsklok luiden over de Transvaalsche vrijheid. De Zuid-Afrikaansche Republiek had opgehouden te bestaan, en de vierkleur werd neergehaald.
De redeneering, volgens welke Engeland tot deze ongerechtige daad overging, kwam hierop neer: "O, gij Boeren! Wij hebben u lief. Wij zien het gevaar, waarin gij verkeert. Tegen de Kafferstammen zijt ge niet meer opgewassen. Neen, zegt niet, dat gij 't wel zijt, want het is niet waar. Maar wij zullen u bijspringen: in ùw belang en in òns belang. Want de andere Kafferstammen zullen ook oproerig worden, en onze Zuid-Afrikaansche bezittingen bedreigen. We zullen u dus annexeeren, om u te beschermen. Wilt gij niet beschermd zijn, gij dwaze Boeren? Goed, dan zullen wij u met onze kanonnen doodschieten."
In werkelijkheid was dat Kafferpraatje natuurlijk niets dan gehuichel. Dat wist Shepstone ook wel, en de Boeren wisten het ook. Neen, daar wrong de schoen niet. Maar de Transvaal was een groot, uitgestrekt, gezond, vruchtbaar land. En in het Oosten van het land, in het Lijdenburgsche, was goud gevonden, en van dat goud had president Burgers geld laten slaan, met zijn beeldtenis er op. En de Engelschen hadden dat goud gezien, en het echt bevonden — zoo en zooveel karaat.
Daarom moest de Transvaal worden ingeslokt.
In naam der Transvaalsche regeering diende President Burgers een plechtig protest in tegen deze afschuwelijke daad, en toen dit niet hielp, streek hij met benijdenswaardige, wijsgeerige kalmte het pensioen op, dat de Engelsche regeering hem had toegedacht.
Een Boer, een echte zoon der Voortrekkers, zou dat niet hebben gedaan — neen, nooit!
Hij zou de Engelsche regeering die gouden ponden voor de voeten hebben geworpen en gezegd: "Dáár ligt het geld; ik raak er niet aan; in der eeuwigheid niet."
Maar Burgers sprak zoo niet. Hij streek het geld op. Hij dacht waarschijnlijk: De zaak verandert er toch niet mee, al weiger ik het geld.
In zijn innerlijkst bestaan was hij vreemd aan de Boeren. Vele schitterende redevoeringen had hij in Pretoria gehouden, maar dit groote, moedige woord, dat van liefde voor de vertrapte Boeren zou hebben getuigd: "Ik sta en val met het Transvaalsche volk", dit woord is nooit over zijn lippen gekomen. En toen de Boeren zich aangordden tot den strijd op leven en dood, toen zat Burgers veilig op zijn villa in de Kaapkolonie.
Neen, de Boeren waren waarlijk niet van plan, het er bij te laten zitten. Daarin vergisten zich de Engelschen.
Reeds verscheidene groote volksvergaderingen waren gehouden, om tegen de annexatie te protesteeren. De vergadering te Kleinfontein, 1879, was eene der belangrijkste, daar zij werd bijgewoond door Sir Bartle Frère.
De Boeren stonden vóór den ingang van het lager, aan weerszijden acht tot tien rijen diep, om hem te ontvangen. Hij reed met zijn gevolg tusschen die gewapende rijen door, die een ijzig zwijgen bewaarden. Geen hand werd omhoog gestoken; geen hoed afgenomen. Met een doodelijke, onheilspellende stilte werd een der machtigste Engelsche staatslieden ontvangen.
Dat was Sir Bartle Frère inderdaad. Twintig Indische prinsen van vorstelijken bloede hadden hem bij zijn vertrek uit Indië vrijwillig, en de Sultan van Sansibar gedwongen hun hulde gebracht. En de Engelsche parlementsleden hadden de waarlijk groote verdiensten van dezen gewiksten staatsman niet beter weten te erkennen dan — tot twee keeren toe — eenparig van hun zetels op te rijzen.
Met zijn minzamen, onveranderlijken glimlach had Sir Bartle Frère zijn overwinningen behaald. Met dien glimlach had hij de vijanden ontwapend, de twijfelaars overgehaald, de vrienden betooverd.
Die glimlach was zijn zwaard, en nooit was hij gevaarlijker dan wanneer die glimlach om zijn lippen zweefde.
Hij dreigde niet — hij lokte. Hij striemde niet — hij streelde.
Zóó kwam hij bij de Boeren.
Hij verscheen niet als een rechter, die de rebellen ging straffen — neen, als een vader, die zijn verdwaalde kinderen op het rechte spoor zal brengen.
Het onbarmhartige Engelsche zwaard verborg hij in de plooien van het vaderlijk gewaad, en met fluweel omwikkelde hij het Engelsche juk.
"Lieve vrienden," zeide de fijne man der wereld, terwijl hij zich — als huns gelijke — in de ruwe tent naast de voormannen der Boeren nederzette: "lieve vrienden, hebt gij grieven? Ik ben expres gekomen, om ze aan te hooren. Wordt u onrecht gedaan? Ik, Sir Bartle Frère, gouverneur der Kaapkolonie en lid van Harer Majesteits geheimen Raad, verzeker u op mijn woord van eer, dat u zal worden recht gedaan. Hangt u de Engelsche vlag in den weg? Maar, lieve vrienden, ik sta òok onder die vlag, en bevind er mij best bij, want ik behoud mijn volledige persoonlijke vrijheid. Zie ik er ongelukkig uit, omdat ik onderdaan ben van koningin Victoria? Neen, dat maakt mij gelukkig, en 't zal ook u gelukkig maken. Gij schudt van neen? Och, dat kan ik verstaan, beste vrienden, want onbekend maakt onbemind. Maar als gij onze koningin leert kennen, dan wordt dat geheel anders. Hare onderdanen noemt zij hare kinderen, en hare kinderen heeft zij lief. Gij deelt dus, zonder dat gij er een hand voor hebt uitgestoken, in al de rechten van kinderen, en gij maakt een deel uit van dat rijk, dat zijn macht uitstrekt in de vier winden des hemels.
De heilzame gevolgen daarvan zijn voor u niet te berekenen. Ik hoor, dat uwe financiën in de war zijn — geen nood! In de bank van Engeland is geld genoeg...."
Zoo zat Sir Bartle Frère te praten en te keuvelen, en de voormannen des volks, Paul Kruger en de anderen, zaten met groote bedaardheid te luisteren.
En nu en dan wierp de welsprekende, hoog begaafde grijsaard een bespiedenden blik op die strakke, onbewegelijke gezichten daar vóór hem.
Doch ze bléven strak; ze bléven onbewegelijk, en tegen die metalen voorhoofden spatte al zijn welsprekendheid terug als de machtelooze golven tegen een muur van graniet.
En toen Sir Bartle Frère dit bemerkte, tòen — tòen viel hij uit zijn rol.
Hij werd ontstemd, wrevelig, kort, en de minzame glimlach ging schuil achter een donderwolk. Hij schoof den honigpot onder zijn veldstoel en greep naar de zweep.
Inwendig kookte hij. Hij rukte het fluweel van het juk af en liet het ijzeren juk zien. "Daar blijf je onder," zeide hij toornig, en de plooien van zijn vaderlijken mantel terugslaande, liet hij het onbarmhartige zwaard van Engeland flikkeren.
Doch daar deinsden die moedige mannen evenmin voor terug als de Romein Fabricius voor de olifanten van koning Pyrrhus, en Bartle Frère kon met de boodschap naar huis gaan: De Transvaalsche Boeren willen geen onderdanen zijn der Engelsche koningin — nooit en nimmer!
Maar in het hart der vergaderde Boeren te Kleinfontein dreigde het smeulende oorlogsvuur elk oogenblik in lichte laaie uit te breken.
"De Engelschen houden ons voor den gek," riepen de onstuimigsten: "schiet ze dood!"
Maar Paul Kruger en de andere voormannen wierpen olie op de hooggaande golven, en de Boeren gingen — zonder geweld te plegen — naar huis.
Er werd een zeer merkwaardige memorie opgesteld, en direct aan de Engelsche koningin gericht.
In deze memorie verzocht het volk zijn vrijheid terug. Het boog in dit stuk diep voor de Engelsche regeering; het smeekte.... Het boog zoo diep, omdat deze poging als de laatste vreedzame poging werd beschouwd; het smeekte, omdat het in den anders onvermijdelijken oorlog zijn vrijheid met zijn hartebloed zou moeten koopen.
Op dit smeekschrift kwam een antwoord, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: de Engelsche regeering versterkte hare garnizoenen in de Transvaal.
Toen zond het volk, als een allerlaatste poging, om langs vredelievenden weg de staatkundige vrijheid terug te krijgen, zijne voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad, doch ook deze zending bleef, zooals de lezer reeds weet, zonder resultaat.
En de Engelsche generaal Wolseley zeide: "De Transvaal blijft Engelsch, zoolang de zon boven Afrika schijnt."
Nu wisten het de Boeren.
1) Leger.
HOOFDSTUK III.
Inhoudsopgave
't Gaat tegen den avond. De heete gloeiende zon neigt naar het westen, en het geboomte, waartusschen het erf van Dirk Kloppers' "Vredenoord" verscholen ligt, werpt lange, donkere schaduwen.
Kloppers' huis is lang en breed; slechts één verdieping hoog. Er naast, door een breede ruimte gescheiden, staat de open wagenschuur.
In de nabijheid staan de hutten der Kaffers, die bij Kloppers in dienst zijn. De kralen tusschen de kafferwoningen en het boerenhuis bestaan uit lage, cirkelvormige muren, van klipsteenen opgebouwd, en dienen des nachts tot stalling voor het vee.
Uit de verte ziet ge een groote kudde schapen langzaam naderen. Vlugge keeshonden zwermen er om heen, dringen de afdwalende schapen met luid geblaf terug tot hun makkers, en met lomen tred volgen, de korte zweep in de hand, de kafferknechten.
De Kaffers zien er traag en vadzig uit. Slechts één onder hen, Columbus, een reeds bejaard man, schijnt gunstig bij zijn stamgenooten af te steken.
Hij draagt een lam in de armen, dat zich den poot heeft opengereten aan een scherpen doornstruik. Hij heeft een medelijdend hart, deze Kaffer, want anders zou hij het bloedende lam niet dragen. Blatend en onrustig volgt hem de moeder, het oude schaap.
Het hoornvee is reeds in zijn stalling; gij hoort het aan het geloei, dat opstijgt uit de koeienkraal. Juist gaat een Kaffer, in elke hand een emmer, de kraal binnen, om te melken, want het is melktijd.
Achter op het erf staan eenige Kaffervrouwen, de wollen dekens om het half naakte lichaam geslagen, met groote, zware stampers de milies1) fijn te stampen in het blok. De kleine, zwarte kroeskoppen, die daar in het zand liggen te rollen, zijn hun kinderen.
Langs den steenen muur van het boerenhuis slingert de wijnstok zijn sappige ranken, en drijft de abrikozenboom zijn veel beloovende knoppen. Vóór het huis staat een lindeboom, welks dicht gebladerte schaduw biedt tegen de felle zonnestralen, en daaronder staan eenige harde, stevige, houten banken.
Van hier uit geniet uw oog een kostelijk vergezicht, met den in duizend kleuren schitterenden bloementuin op den voorgrond, en ver aan den horizon het dertig voet hooge bamboesriet en de blauwe, zacht hellende heuvelen. Een klein stroompje slingert zich door het vredig landschap heen, en zijn water blinkt in de scheidende avondstralen als gesmolten goud.
Eén der banken onder den lindeboom is bezet.
Ge ziet er Teunis den leeuwenjager.
De leeuwenjager is nu al eenige maanden hier, bij Dirk Kloppers. Hij denkt niet aan vertrekken, want te dreigend pakken zich de oorlogswolken samen boven zijn vaderland. Het zal op vechten uitloopen — zonder twijfel. En zou hij dan aan de uiterste grenzen van het land op de jacht kunnen gaan, en zijn broeders laten strijden en bloeden? Die dat denkt, kent den leeuwenjager niet. Neen, waarlijk niet. Gisteren zeide hij nog tot Dirk Kloppers: "Ik waag er mijn oude knoken aan, al zijn ze vier en zeventig jaar oud."
Maar al is hij oud, hij zal zijn man staan! Nòg gaat hij voor geen leeuw op zij — hoe zou hij dan voor een Engelschman op zij kunnen gaan!
Naast Teunis den leeuwenjager ziet ge nog twee menschen zitten; het zijn Dirk Kloppers en diens vrouw.
Ze beginnen zoo zachtjes aan oud te worden; dat ziet ge aan het grijze haar en aan die rimpels op hun voorhoofd.
Als er vijf en zestig Afrikaansche zomers op uw hoofd hebben gebrand, dan wordt ge dat wel gewaar.
't Is nu zoo ongeveer veertig jaar geleden, dat zij zijn getrouwd. Zij hadden met hun ouders den grooten Trek medegemaakt uit de Kaapkolonie over de Oranje-rivier, vervolgens over het Drakengebergte naar Natal en weer terug uit Natal, omdat Engeland het wederrechtelijk annexeerde, totdat de moede Trekkers de zoo vurig gewenschte staatkundige vrijheid over de Vaal-rivier, in de Transvaal, hadden gevonden.
Toen was Dirk Kloppers met Anna Jansen getrouwd.
En veel hebben zij ondervonden in die veertig jaren: vreugd en leed; smart en troost. Donkere wolken gingen over hun hoofd, "doch," placht Kloppers te zeggen: "Gods goedertierenheid omlijste ze met zilveren randen."
Gestadig werd het huishouden grooter, en een schaar gezonde kinderen omringden als frissche olijfplanten den eikenhouten disch.
Dikwijls moest Kloppers van huis; met het kommando mee tegen de Kaffers. Dan bleef vrouw Kloppers met eenige maar halfvertrouwde Kafferknechten alleen achter bij de kinderen. 's Avonds, als zij de kleine woelwaters naar bed had gebracht, hield zij de wacht, opdat geen stroopende Kafferbenden het vee zouden stelen. De schort gevuld met scherpe patronen, over haar schoot het geladen geweer — zóó hield ze de wacht!
In bonte afwisseling gingen de jaren snel voorbij.
De familie Kloppers had jaren gekend van zeldzame vruchtbaarheid en jaren, waarin hun velden verschroeiden van droogte; jaren, waarin de veelbelovende korenvelden werden verwoest door de vernielende sprinkhanen, en hun rijke veestapel werd besprongen door de wilde dieren, gedund door de plunderende Kaffers, vernietigd door de pest.
Maar Dirk Kloppers en zijn vrouw zagen in die tegenspoeden de hand van hun getrouwen God, en zij geloofden, dat Hij kastijdt, om daarna te zegenen. En in spijt van vele wederwaardigheden was hun bezitting steeds grooter geworden en hun veestapel vooruit gegaan.
Hun kinderen waren groot geworden, en even als de jonge vogels, kunnen zij vliegen, het oude nest verlaten, zoo hadden zij de ouderlijke woning verlaten, en in het uitgestrekte gebied van de Transvaal en den Oranje-Vrijstaat een eigen huis gebouwd. Elken keer was er een vroolijk bruiloftsfeest gevierd, doch na elke bruiloft was het ook iets stiller geworden in Kloppers' woning.
Twee kinderen, een jongen en een meisje, hebben zij op prillen leeftijd verloren. Daar, achter in den tuin, in de schaduw van eenige treurwilgen, dáár liggen zij begraven.
Het meisje bezweek aan de typhuskoortsen. Ach, het was zoo'n hartelijk kind; zoo'n lief, vriendelijk bloemke! Maar de groote Landman plantte het bloemke over in Zijn hemelsche gaarde, en de ouders legden de hand op hun mond.
Boven op zolder, onder de half vermolmde daksparren, daar staat de groote kist, waarin haar kleertjes zijn opbewaard.
Hoe menigmaal staart de trouwe moeder nog op die kleertjes!
En daarnaast liggen de kleertjes van het broertje, van Jantje, dat naast zijn zusje ligt begraven.
Ach, dat Jantje, dat lieve ventje met die heldere, blauwe kijkers en met dien guitigen glimlach!
De kleeren van dit kind zijn als doorweekt geweest van bloed en van tranen. De bloedsporen kunt ge nog duidelijk zien, al zijn ze meer dan twintig jaren oud, doch de tranen heeft de moeder geschreid.
Vóór het oog der moeder is dat lieve Jantje omgekomen.
Zij zag het gevaar; zij zag den leeuw, die haar kind wilde bespringen.
Zij stond buiten; vóór het geopende raam. Zij reikte met den arm door het geopende raam, en greep het zware, geladen geweer.
Zij legde het geweer aan op het hongerige roofdier, maar het ketste, want het kruit was vochtig.
Toen was het lot van het arme kind beslist.
Nog heden ziet zij den angstigen, op zijn moeder geslagen blik van haar lieveling, en dat oogenblik was voor haar banger, dan toen zij de van bloed druipende assegaaien der wilde Zoeloe-Kaffers voor zich zag.2)
Reeds lag het kind onder den scherpen klauw van het roofdier, maar vrouw Kloppers greep een mes, en snelde op het monster aan. En had zij geen mes gehad, dan had zij 't zóó gedaan — met de bloote hand.
Want welke liefde evenaart de moederliefde? Is zij niet sterk als de dood en diep als het blauw des hemels?
Onder haar oog bezweek haar lieveling, vóór zij de noodlottige plek had bereikt, en ook zij zou bezweken zijn, ware haar broer — Lodewijk Jansen — niet vlak in de nabijheid geweest. Hij rukte het geweer van den schouder en joeg den leeuw een kogel door den kop.
Maar vrouw Kloppers was haar Jantje kwijt...
De echtelieden Kloppers hadden later nog een kind gekregen, een jongen, en zij noemden het Jan, naar het andere, dat zij hadden verloren.
En Dirk Kloppers zeide een keer tot zijn vrouw: "Zet eens een leege flesch op zestig meter afstands van hier, en druk er een kurken stop op."
En vrouw Kloppers mat den afstand, en plaatste de flesch met den kurken stop op de behoorlijke plaats. En Kloppers zeide: "Als ik den stop nu niet van de flesch schiet, dan is het een slecht schot, Anneke."
Hij mikte even en schoot de stop van de flesch.
Toen zeide hij: "Anneke, haal eens den appel, die binnen op de tafel ligt." En toen zij den appel had gehaald, zeide hij: "Gooi hem hoog de lucht in, en als mijn kogel niet door het klokhuis gaat, dan is het een slecht schot, Anneke."
Zij deed, zooals hij had gezegd. En hoog in de lucht, zonder dat Kloppers scheen gemikt te hebben, ging zijn kogel midden door den appel heen.
"'t Is een meesterschot," riep Anna, den doorgeschoten appel in de hand, met stralenden blik.
"Nu doe gìj je meesterschot," zeide hij lachend.
"Later," zeide zij, "later!"
Geen veertien dagen later deed zij haar meesterschot.
Nog vandaag gaat er een rilling door haar leden, als zij daaraan denkt.
Haar jongen, de kleine Jan, zat op eenigen afstand van de woning in het zand te spelen. En geen dertig pas van hem vandaan lag een groote, hongerige tijger op de loer.
Haar man was niet thuis; hij was op de jacht.
Zij greep het groote olifantsroer, en mikte tusschen de oogen van het roofdier. Zij gloeiden als vurige kolen.
Als het kruit weer eens vochtig was — haar hart bonsde, alsof het bersten zou.
Daar drukte zij af — de vuurstraal glipte uit den loop van het geweer.
Loodrecht vloog de tijger omhoog, en plofte toen met een harden slag dood tegen den grond.
Toen Dirk Kloppers 's avonds thuis was gekomen, en de wond van het roofdier had onderzocht, zeide hij: "Anneke, dat is jòu meesterschot!"
Maar Anna zeide: "De Heere ondersteunde mij, en Hem willen wij danken!"
Toen legde haar man de hand op haar schouder en antwoordde: "Anneke, ik ben het volkomen met je eens!"
Zoo werd het leven van den kleinen Jan bewaard, en hij is nu het laatste kind, dat nog in huis is, en hij is opgegroeid tot een krachtigen, rijzigen, jongen man. Reeds heeft de lezer hem ontmoet bij het wachtvuur op het kopje. In zijn blauwe oogen schittert vuur, en zijn spieren zijn sterk als de spieren van een jongen leeuw.
Zoo hebben Dirk Kloppers en zijn gade veel ondervonden in hun leven, en daar zij elkander werkelijk uit liefde hebben genomen, is de bedding dier liefde steeds dieper geworden. Zij gelijken op twee boomen, die, naast elkander geplant, hun takken en twijgen al vaster, al inniger en hechter door elkaar hebben gestrengeld.
Anna is trotsch op haar man — mag zij niet trotsch op hem zijn? Draagt hij niet het litteeken op zijn voorhoofd, dat in haar oogen schooner is dan een blinkende ridderorde? Heeft hij dat litteeken niet gehaald vlak voor de monding van het Engelsche kanon, dat hij met zijn kameraden bestormde? Was hij niet steeds een der eersten in den strijd tegen de Kaffers? Heeft hij, toen de Boeren door onderlinge veten werden uitéen gescheurd, tot bezinning gekomen, niet in edele zelfverloochening meegeholpen, om de klove te dempen? En heeft hij niet rusteloos meegewerkt, totdat de Boeren weer stonden schouder aan schouder, zooals het broeders betaamt van 't zelfde huis? En is hij niet groot en geëerd in den raad van zijn volk, en hebben de Boeren niet gezegd: "Hij wordt sprekend zijn vader, de dappere voortrekker Gert Kloppers?"
Daar achter in den tuin, in de nabijheid van zijn twee kleinkinderen, daar rust het gebeente van Gert Kloppers. En naast hem rust zijn vrouw, de trouwe Hanna, die genoemd werd een moeder in Israël.
In vol geloofsvertrouwen ging de moegeworden zwerver zijn laatste reis aanvaarden, doch het scheen, dat voor den stervenden Voortrekker de sluier der toekomst werd teruggeschoven. Met het oog van een ziener staarde hij vooruit.
Even voor zijn heengaan richtte hij zich nog overeind in de groote, bruine bedstee, en zeide tot de treurende familiebetrekkingen en vrienden, die hem omringden: "Engeland zal komen, als ons land begeerlijk wordt in zijn oogen, en zal onze onafhankelijkheid willen rooven. Het is onverzadigbaar; daarom zal het ons volk trachten in te slokken.
Ziet in den weg des vredes dit te voorkomen. Gelukt dit niet, grijpt dan naar het zwaard! 't Is beter onder te gaan als een vrij volk, dan te leven als een volk van slaven!"
Toen Gert Kloppers dit had gezegd, had hij een pauze gemaakt, en peinzend door de kleine ruiten naar buiten gestaard, naar de wolken, die hoog en luchtig voorbijdreven. En na die pauze had hij gezegd: "Maar de rechtvaardige God zal onzen ondergang niet gedoogen. Hij zal het niet gedoogen, dat het kleine, aemechtige volk der Boeren wordt vermorzeld onder den ijzeren voetzool van het machtige Engeland!"
Het eerste gedeelte van Gert Kloppers' voorzegging is in vervulling gegaan.
De Transvaalsche schildleeuw is in banden geklonken; de vrijheid vermoord.
De Engelsche staatkunde, die groot is in 't huichelen, heeft een harer grootste triumfen gevierd en een vrijheidlievend volk op het hart getrapt!
Op het hart getrapt — ja, zoo is het!
Dirk Kloppers en de leeuwenjager, daar in de schaduw van den lindeboom gezeten, ze zijn er beiden van overtuigd. Ze hebben de zaak van alle kanten bekeken; ze hebben de argumenten van Engeland, die voor de annexatie worden aangevoerd, gewikt en gewogen, maar ze kunnen tot geen andere slotsom komen dan tot deze: "Het Transvaalsche volk is op het hart getrapt!"
Op den knoestigen boomtak boven hen wiegt zich de groene papegaai; in het gras snort de kever, en uit het boschje klinkt het smeltend lied van den nachtegaal.
De sprekers merken het niet.
De gloeiende vuurbol raakt thans de lange heuvelrijen aan den westelijken horizon, en de hooge gomboomen werpen reusachtige schaduwen.
De sprekers zien het niet.
Hun oogen zien slechts een gewond, bloedend hert, en dat hert is hun volk.
Maar het geluid van naderend paardegetrappel en daartusschen de klank van vroolijke stemmen geeft aan hun gedachtengang een andere richting.
Vrouw Kloppers is opgestaan, om de komenden te verwelkomen.
Drie er van zijn u bekend: Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis de Hollander en Kees Botter.
De vierde en de vijfde, die achter de anderen aankomen, een jongen en een meisje, zijn kinderen van Dirk Kloppers' oudste dochter Mieke, die met een Boer uit den Oranje-Vrijstaat is gehuwd.
Tijdelijk behooren zij thans tot Dirk Kloppers' huishouding.
Hij, Arie, is ruim dertien; zij, Lena, ruim twaalf jaar.
Dat ze broeder en zuster zijn, ziet ge op den eersten oogopslag, maar toch — welk een onderscheid!
Hij is groot voor zijn leeftijd; zij is tenger. Bij hem is alles vroolijkheid en leven; over haar gelaat gaat reeds een trek van lijden.
Zij heeft een ernstig maar schrander en aanvallig gezicht. En die aanvalligheid drukt zich in hare bewegingen uit. Zij helpt ook mede in het huishouden, en daarin is zij vlug en bij de hand, in zoover als men zulks kan verwachten van eene — blinde.
Sedert vier jaren is zij reeds blind. Toen, vier jaren geleden, kwam er een ontsteking op haar linker oog, en die ontsteking plantte zich over op haar rechter. Langzaam, maar zeker, ging er een net over haar heldere kijkers, al dichter en dichter, totdat het avond, totdat het nacht werd voor het ongelukkige kind.
Wel is dat een harde slag geweest voor Lena.
Het groene loover hoort zij ruischen boven haar hoofd, maar zij ziet het niet; de geurende bloem des velds, het beekje, kabbelend tusschen zijn oevers, de springbok, huppelend boven de rotsen, de zonnestralen, spelend over het groene landschap, de maan en de sterren, neerblikkend van den diep blauwen, nachtelijken hemel — heel die natuur is voor haar geworden een met zeven zegelen gesloten boek!
Van daar die droeve trek op haar gelaat; van daar dat stille, in zich zelf gekeerde wezen.
En toch leeft deze ongelukkige, deze jeugdige blinde mee met haar volk, en vlug en verstandig als zij is, ziet zij met haar blinde oogen den toestand helderder in dan vele oude menschen.
De toesnellende Kaffers hebben intusschen de van den snellen rit warme paarden in ontvangst genomen en naar den stal gebracht.
"En hebt ge iets bijzonders vernomen?" vraagt de oude Kloppers aan het nieuwe gezelschap, dat zich mede onder den lindeboom op de harde banken schaart.
"Wij hebben een man uit Potchefstroom3) gesproken," antwoordt Jan op levendigen toon; "daar is de boel in de war geloopen of recht geloopen, net, zooals ge 't neemt."
"Zoo!" zegt zijn vader, terwijl hij bedachtzaam de pijp uit den mond neemt.
"Ge weet, dat de Engelsche regeering de belasting wil innen," zegt Jan.
"Dat weet ik, ik heb zelf een aanschrijving gehad," antwoordt zijn vader.
"En gij hebt niet betaald," zegt Jan.
"Natuurlijk niet," zegt zijn vader, "want dan zou ik de wettigheid van het Engelsch bestuur erkennen, en dat doe ik nooit! Ik wil wel betalen, maar onder protest, en daarin zijn bijna al de Boeren het eens. Wij verlangen, dat de Engelsche regeering op de belastingkwitanties uitdrukkelijk het protest vermelde."
"Daarin heeft ze geen zin," zegt Kees Botter.
"Dat is haar zaak," zegt de oude Kloppers; "wij doen 't niet anders. Maar vertel op, Jan, wat is er te Potchefstroom gebeurd?"
"Wel, P. Bezuidenhout wilde zijn belasting niet betalen, en zijn ossenwagen werd voor het gouvernementskantoor gebracht, om publiek verkocht te worden. Maar ge kent onzen voorman Piet Cronjé?"4)
"Of ik hem ken," zegt de oude Kloppers. "'t Is een verstandige, moedige, onverbasterde Afrikaander, die het hart op de rechte plek heeft zitten."
"Nu," herneemt Jan, "die kwam met zijn Boeren ook aan zetten; Bezuidenhout was inmiddels op den wagen geklommen en zeide: 'Burgers, ik ben onwillig om te betalen, daar de belasting veel te hoog is, en verder moet jullie het nu maar weten.' Hij verliet daarop den wagen, en Cronjé zeide: 'We zullen 't ook weten; de ossenwagen wordt niet verkocht.' Nu sprong echter één der klerken, een Hollander, op den wagen, en zeide parmantig: 'Wie biedt er geld voor?' Maar hij was gauwer van den wagen dan er op; hij kon zich later niet meer herinneren, of hij met de voeten of met het hoofd het eerst op den grond was."
"Flink zoo," zeide de oude Kloppers, terwijl hij genoegelijk aan zijn houten pijp trok, maar de oogen van den leeuwenjager begonnen te schitteren.
"De Engelsche landdrost echter kwam tusschen beide, om een waarschuwend woord te spreken. Doch toen een stevige Boer, van het echte hout gesneden, hem de vuist onder den neus hield en zeide: 'Ruik daar eens aan,' toen droop de Engelsche lord af."
"Goed zoo," zeide Dirk Kloppers. "Vrouw — geef mij den buil met tabak eens aan — Teunis, stop eens, je pijp is uit gegaan, kerel — Jan, ga voort!"
"Op een wenk van Piet Cronjé gingen toen de Boeren aan den wagen staan, en brachten hem aan den eigenaar terug."
Er volgde een pauze.
Allen waren onder den indruk van de ernstige tijding.
De oude Kloppers staarde, groote rookwolken uitblazend, naar de verte, in de snel vallende schemering; vrouw Kloppers dacht aan het verleden, toen haar man in den strijd tegen de Engelschen voor dood werd opgenomen van het slagveld, en Teunis de leeuwenjager streelde, in gedachten verdiept, den grooten kop van zijn hond.
"Maar Jan, ge hebt nog niet alles verteld," riep de vroolijke stem van den Hollander.
"De Engelsche winkeliers in Potchefstroom zijn bang geworden," begon de zoon van Kloppers opnieuw, "want zij vreezen den oorlog."
"De oorlog is ook vreeselijk," zeide de jonge Lena op zachten toon, maar haar broer Arie hield dit voor een zeer ongepaste aanmerking en zeide: "Daar heb jij geen verstand van."
"Doch de beroemde Raaf heeft hen getroost," zeide Jan, zonder op de opmerkingen van Lena en Arie acht te slaan.
"Raaf — wie is Raaf?" zeide de leeuwenjager.
"Een Engelsch kapitein," antwoordde Jan; "hij behoort bij het Engelsche garnizoen te Potchefstroom. Nu, deze beroemde Raaf heeft de bange winkeliers getroost en tot hen gezegd: Menschen, bedaart maar! Als de Boeren komen, ga ik onder een boom staan, en sla op een blekken schotel. Dan gaan al de Boeren op den loop!"
Met een schaterlach, die luid weerklonk door de vredige stilte van den avond, werden de troostwoorden van mijnheer Raaf aangehoord.
Slechts twee menschen lachten niet mee; het waren de leeuwenjager en de oude Kloppers.
Laatstgenoemde nam zijn hoed, zette hem op, daar het koel begon te worden en zeide op droogen toon: "Wij zullen zien, dat we dien gevaarlijken schotel te pakken krijgen."
Maar de leeuwenjager was hartstochtelijker aangelegd dan zijn vriend Kloppers.
Hij stond op en zeide op toornigen toon: "Nog bespotten ze ons, maar het uur der wrake zal slaan, en de dag zal komen, dat deze helden zullen beven als riethalmen bij het knallen van ons geweer — maar wordt het geen tijd, om naar binnen te gaan, Nicht Anneke?"
"Ja," zeide ze, "het begint koel te worden; wij gaan naar binnen."
Nu stonden de ouden op.
Zoo recht als een kaars, met veerkrachtigen tred, schreed Dirk Kloppers naast den gespierden leeuwenjager voort. Die 't niet wist, had Kloppers voor een vijftiger gehouden.
"Als het tot een oorlog komt, dan gaat Vader voorop," zeide Jan. "En wij vechten met hem naast elkander, hè Herman, hè Kees?"
"Ja," zeide Herman, "naast elkander."
"En wij zullen de Roodrokken schieten als reebokken," zeide Kees Botter, die den heelen avond schier geen woord had gesproken.
"'t Was jammer, dat we van daag den vuurbol niet hebben gesproken, Jan," zeide Herman.
"Den vuurbol? O, nu begrijp ik je. Maar we hebben zijn vrouw toch gesproken," antwoordde Jan.
"Ja, die weet er nu alles van," zeide Herman. "Ik ben bepaald benieuwd, hoe de vuurbol zich houdt, als hij hoort, dat hij mee moet in den oorlog."
Nu stappen ook de jongelieden naar binnen, en het werd stil onder den lindeboom. Het avondeten stond reeds gereed, en geen uur later ging men naar bed.
Na de bedrijvige drukte van den dag heerschte nu op het erf van Dirk Kloppers diepe, nachtelijke rust. Slechts het eentoonig, zwaarmoedig gezang van een Kaffer, zittend op den dorpel van zijn hut, werd vernomen, en de groote waakhonden van Dirk Kloppers, met hun breede muilen, liepen los over het erf van "Vredenoord".
Doch Dirk Klopper's vertrouwen berustte niet op de waakzaamheid van zijn honden. Zijn vertrouwen was uitgedrukt in den psalm, dien hij heden avond na het avondeten met langzame, ernstige stem had voorgelezen: "Ik zal in vrede te samen nederleggen en slapen, want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen!"
1) Maïs.
2) Zie "Helden van Zuid-Afrika". Pag. 128.
3) Een stadje in het zuidelijk deel van Transvaal.
4) Zijn volle naam is Pieter Arnoldus Cronjé; hij is de held van Krugersdorp.
HOOFDSTUK IV.
Inhoudsopgave
De man, door Herman Hoogerhuis, "de vuurbol" genoemd, is één van Kloppers' naaste buren. Hij woont twee uur gaans van Kloppers' huis.
Dat noemden de Boeren destijds dicht bij.
Woonden zij op een half uur afstands van elkander, dan zeiden zij: "Wij zitten boven op elkaar; we zullen stikken." En zij spanden den sterken ossenwagen in, en bouwden een nieuwe woning, midden in de eindelooze wildernis.
Ja, die wildernis, dat eenzame, golvende grasveld, met hier en daar een kleinen vijver, schitterend in de zonnestralen, of een beekje, dartelend tusschen de heuvelen, ja, die wildernis is naar het hart van den Afrikaanschen Boer. Hier voelt hij zich thuis; hier kan hij aarden. Hier, waar niets de kalme rust verstoort dan het knallen van een zweep, het loeien van een os en het ratelen van een zwaren wagen ver weg, op het breede, zandige transportpad.1)
Niet het bouwland maar het grasland trekt den Boer aan. Hij is geen echte landbouwer, geen akkerman. Hij heeft weinig op met de ploeg, en hij zaait niet meer dan noodig is. Het bewerken van den grond eischt harden arbeid in gebukte houding, maar de Boer houdt er niet van, om te bukken.
De Boer is een herder, en zijn trots bestaat in de uitgestrektheid zijner weidevelden, in zijn talrijke kudden, zijn sterke ossen, zijn paarden en schapen.
Om een mooie woning maalt hij niet. Er sluimert in zijn hart een aangeboren trekzucht, en hij houdt niet van een huis, dat al te hecht is opgetrokken, omdat het de familie bindt aan een vasten haard.
Zijn echte, ware woning is de ossenwagen, het met een linnen huif overdekte, op vier wielen rustende huis, en als hij straks met zijn broeders optrekt in den oorlog tegen Engeland, en het Engelsche geweld zou zegevieren, en zijn broeders zouden vallen in de passen van het Drakengebergte, dan zal hij zijn ossenwagen inspannen, en met vrouw en kinderen voorttrekken naar het noorden, onder de oogen van den almachtigen God der oude patriarchen, de vrijheid tegemoet.....
Zóó is de kern van het volk, doch daarom zijn niet al de Boeren zoo. Bij sommigen is die trek naar vrijheid en onafhankelijkheid al zeer zwak ontwikkeld, doch het zijn er niet velen; 't zijn eenlingen. En tot die eenlingen behoort onze goeie "vuurbol."
Ginds ziet ge hem op het uitgestrekte veld zijn kudde schapen weiden.
Dit land is van hem; hij heeft het eenige jaren geleden gekocht voor een oude poney, die hij missen kon. Maar 't land is er ook naar. Overal ziet ge het roode zand tusschen de magere grassprieten doorgluren. Het is lang zoo goed niet als het land van Kloppers; het lijkt er niet naar. Maar de "vuurbol" heeft weinig eischen, en hij schikt zich in zijn lot.
Onder een overhangenden boom, die schaduw biedt, vleit hij zich neer.
Nu kunt ge hem goed opnemen.
Hij heeft lang, sluik, rood haar. Het bedekt zijn groote ooren; het hangt tot in zijn gezicht.
Hij heeft lange armen, lange handen, lange beenen en lange veldschoenen van ongelooid leer aan zijn voeten.
Aan dezen man is alles lang behalve de jas, die betere dagen heeft gekend, en waarvan de panden nauwelijks reiken tot de helft van den rug.
Zijn voorhoofd is laag, en zijn gezicht is bedekt met zomersproeten.
Hij heet Leen Blok, en de jonge, bonte hond, die daar naast hem zit, heet Flink.
Leen Blok grijpt met de hand naar zijn langen, mageren hals. Dat doet hij zeker elke vijf minuten. Hij schijnt het land te hebben aan zijn langen hals, even als men het land heeft aan een boord, die te hoog is. En iederen keer, als zijn baas naar den hals grijpt, begint de jonge, speelzieke hond te blaffen.
"Schei er uit, Flink," zegt hij wrevelig.
Flink houdt onmiddelijk op, maar nauwelijks maakt Blok weer een verdachte beweging naar boven, of de hond begint opnieuw.
Een paar keeren staat Leen Blok op, om zijn schapen te tellen. Dan gaat hij weer zitten, en tuurt met lodderige oogen over de troostelooze vlakte.
Denken doet hij niet veel; 't is te warm om te denken. Hij veegt zich met den mouw het zweet van het gezicht.
't Is een dorre streek. De schapen moeten tot tusschen de doornstruiken hun pover voedsel zoeken. Eentoonig strekt zich het landschap uit; kaal en mager als een heideveld.
Tegen den middag neemt Leen den geruiter, katoenen buil, die naast hem ligt, en haalt er zijn middageten uit: een stuk schapevleesch, in een grauw papier gerold, en een paar sneden bruin brood.
De kleine kruik staat er naast; ze is gevuld met koude koffie, die door de hitte lauw is geworden.
Leen zet zich nu op zijn gemak neer. Het schapevleesch haalt hij uit het grauwe papier, en legt het bij zich neer; op het papier daar naast het bruine brood. Reeds heeft hij de kurken stop van de kruik gedaan en een slok koffie genomen.
Wat gaat het toch vreemd toe in de wereld, denkt hij. Kloppers heeft alles volop in de wereld, en hij slechts een kluif schapevleesch en een stuk hard brood. Kloppers loopt alles mee en heeft geen zomersproeten — waarom zit hij toch zoo vol zomersproeten?
Zijn blik dwaalt naar zijn schapen.
De Engelsche koopman geeft aan den rijken Kloppers altijd meer voor de wol dan aan hem — waarom toch? Is zijn wol minder goed? De Engelschen liggen nu met de Boeren overhoop; dat is net goed — waarom geven zij hem niet meer voor de wol?
Flink zit tegenover zijn baas met ongeduld het oogenblik te verbeiden, dat het maal zal beginnen, waarvan allicht een paar brokken voor hem overschieten. Hij zit met schuinschen kop, het rechter oor over het oog, en met kwispelenden staart zijn baas met strakken, hongerigen blik aan te kijken.
Ja, het gaat er vreemd naar toe in de wereld, denkt Leen, en hij grijpt ouder gewoonte naar zijnen langen, mageren hals.
De hond ziet het en begint te blaffen als een razende.
Leen Blok, anders tamelijk lankmoedig, wordt woedend, en trapt met zijn lange beenen naar den hond. Hij raakt hem niet, maar de kruik met lauwe koffie wel. Klokkend vloeit het vocht weg in het rooie zand. Snel wil de schaapherder de omgevallen kruik weer overeind brengen, doch van dit oogenblik maakt de jonge hond gebruik, om zich met een stouten sprong van den schapen-bout meester te maken.
Wat nu te doen? De lange Blok is wanhopig. Radeloos gaan zijn vingers door het sluike, ongekamde haar.
"Kom, mijn hondje! Kom Flinkje!"
Maar Flink vertrouwt het niet.
Op eerbiedigen afstand legt hij zich neer, de lekkere kluif tusschen de pooten. Van de gloeiende warmte smelt het vet.
"Hondje, kom nou: Geef mij het kluifje! Je zult je part hebben; eerlijk, hoor!"
Maar het hondje schijnt blijkbaar weinig vertrouwen te stellen in het aanlokkelijk voorstel van zijn baas. Hij slaat de scherpe tanden in het vleesch, en peuzelt het op tot het been.
Doch nu schijnt Leen Blok ontoerekenbaar te worden. Hij grijpt de nog half gevulde kruik met het doel, er den hond mee dood te gooien. Met den staart tusschen zijn pooten zet Flink het op een loopen, en de kruik vliegt tegen de harde klipsteenen in duizend stukken.
Moedeloos zet de herder zich in de schaduw neder, het harde, bruine brood verorberend, dat thans krioelt van mieren.
Dan stut hij het hoofd tusschen de handen, en tuurt onbewegelijk naar den grond.
Al dieper zinkt zijn hoofd.
Een nieuwsgierig schaap nadert hem en besnuffelt zijn gezicht; de hond zit weer naast hem, snapt naar de nijdige vliegen, en tikt met den poot ongeduldig tegen de knie van zijn baas. Maar Leen Blok bemerkt het niet, want hij slaapt, en hij wordt eerst wakker, als de zon den horizon is genaderd.
Verschrikt springt de herder op, wrijft zich den slaap uit de oogen en drijft zijn kudde naar huis.
Terwijl blaft zijn hond, die achter hem loopt, tegen de schaduw van den langen, mageren hals, welke naast Leen Blok over het heideveld glijdt, en hapt hij naar de gescheurde broekpijpen van zijn baas.
Trijntje, de vrouw van Leen Blok, was een en dertig jaar; twee jaar ouder dan haar man. Kinderen hadden zij niet.
Zij was een goeie sul; zonder pretenties. Uit dat welgedane gezicht keken twee kleine oogen vriendelijk de wijde wereld in.
Juist had zij de twee magere koeien gemolken, toen haar man met de schapen naderde. Zij liep hem, hartelijk als gewoonlijk, tegemoet, maar zij zeide weinig, en zwijgend gingen de twee menschen door het dorre bloementuintje, waar tusschen het weelderig opgeschoten onkruid drie eenzame zonnebloemen hun leven sleten, op huis aan.
Trijntje lichtte de klink op van de onderdeur, want de bovendeur was geopend, en men trad het zeer eenvoudige vertrek binnen, waarvan de vloer bestond uit eene hard geworden vermenging van leem en koemest.
Nadat nu Trijntje twee tinnen borden op de ruwe tafel had geplaatst, en een ijzeren pot met dampende miliespap er naast, schikten zij en haar man aan.
Gulzig sloeg Leen Blok de pap naar binnen, zonder op zijn vrouw te letten, die weinig at.
Hij had bepaald honger.
Toen de eenvoudige maaltijd was afgeloopen, nam Trijntje de borden en plaatste ze op den grond, vóór den hond, die ze schoon likte. Trijntje wachtte geduldig tot dit werk was afgeloopen, en plaatste vervolgens de borden weer op den hoogen, breeden schoorsteenrand, hun oude standplaats.
"Zoo'n hond," placht Trijntje te zeggen, "is een nuttig dier, want het maakt de borden schoon; dat spaart een vaatdoek uit."
Het begon nu te schemeren, en de echtgenooten gingen nog even een luchtje scheppen.
Zij gingen naast elkander zitten op den versleten, houten dorpel.
Niemand sprak een woord.
Het was een wonderschoone avond.
Het westen vlamde van vuur en goud, en in het oosten legerden zich de avondwolken als een kudde lammeren rondom den herder.
Maar Trijntje had geen oog voor die schoonheid; zij zuchtte.
Eindelijk verbrak zij de stilte.
"Leentje," zeide zij, "wij zullen moeten scheiden."
"Wat," zeide hij, terwijl hij met zijn stok lange streepen in het zand haalde, "wat?"
"Wij moeten scheiden, Leen," zeide zij nog eens.
Met de grootste verwondering staarde hij zijn huisvrouw aan.
"Waar wil je dan heen, Trijn?" vraagde hij.
"Ik ga niet weg," zeide zij.
"Wie dan?"
"Wel gij!" antwoordde zij.
"Ik?" vraagde hij in de grootste verbazing. Hij begreep er niets van.
"Ik weg? Waarom ik weg?"
"Omdat ge moet!"
"Omdat ik moet?"
"Ja, Leen, omdat ge moet. Ge moet mee in den oorlog tegen de Engelschen."
Als er een bliksemstraal uit den wolkeloozen hemel voor de voeten van Leen Blok was ingeslagen, had hij niet harder kunnen schrikken dan thans.
"Wie zegt dat, Trijn?" riep de schaapherder, terwijl hij opstoof, en in zijn opgewondenheid zijn vrouw bij den arm greep; "wie zegt dat?"
"De Hollander heeft het gezegd en Jan Kloppers. Zij waren dezen voormiddag hier."
"Maar dat is gelogen," riep Leen Blok; "dat is gelogen. Wie moet de schapen dan oppassen, als ik er niet ben?"
"Dat zal ik moeten doen, Leentje!" zeide zijn vrouw op zachten toon.
"Gij," — zeide hij — "gij?" en hij keek haar aan met minachtenden blik.
Trijntje echter voelde zich door deze uitlating gekwetst, en haar huisvriend voelde, dat hij te ver was gegaan.
Hij tastte in zijn verlegenheid naar zijn mageren hals, de hond begon te blaffen als een razende en Trijntje snikte.
Het was een onbeschrijfelijk tooneel, en er volgde een pijnlijke pauze.
"Huil nu maar niet, Trijntje!" zeide hij eindelijk, vriendelijker dan zoo even; "'t was niet zoo erg bedoeld."
Zij nam haar katoenen boezelaar en wischte zich de oogen.
"En aan wien moet ik later de wol verkoopen? Er is natuurlijk niet één Engelschman, die de wol meer van Leen Blok wil hebben, als hij hoort: Leen Blok heeft op ons geschoten. Ik zit zoo leelijk in de knoei, als ik ooit in de knoei heb gezeten, Trijn," zeide hij, en hij wrong zich de handen.
"Bedenk, het is voor een rechtvaardige zaak, dat gij optrekt, lieve man," zeide zij op schuchteren toon, maar hij antwoordde niet.
"En heeft Jan Kloppers het gezegd?" vraagde hij opnieuw.
"Ja," zeide zij, "neef Jan heeft het gezegd, en hij voegde er bij, dat elke man, die het hart op de rechte plaats heeft, vrijwillig mee optrekt met het kommando."
"Zoo," zeide hij, terwijl hij zich het sluike haar uit het gezicht streek, "dat is een steek op mij. Zal ik je wat zeggen, Trijn — die Kloppers' dragen het hart altijd hoog, en zij denken, dat er al wonder wat gewonnen is, als wij Boeren maar eerst door de Engelsche kanonnen zijn doodgeschoten."
"Maar ik ga nog niet graag dood, Trijntje; neen, werkelijk niet," liet hij er op volgen, en hij keek haar met zijn groote, waterige oogen droevig aan.
Nu echter kon Trijntje het niet langer uithouden; zij viel hem om den hals en weende.
"En zij raken mij eerder dan een ander," zeide hij, "want ik ben zoo lang."
"Dan moet ge je schoenen uittrekken; dat zijt ge wat korter," snikte zij.
"En op mijn sokken gaan vechten?" zeide hij wrevelig.
Trijntje trok haar schouders op; de goeie ziel wist niet meer, wat ze zeggen moest.
"Kom," zeide, hij, "wij gaan slapen; 't is morgen weer vroeg dag."
De avond was nu gekomen, en vriendelijk blonk de avondster boven de schamele woning van Leen Blok.
1) Heirweg.
HOOFDSTUK V.
Inhoudsopgave
Wij zijn in de laatste dagen van November; midden in den Transvaalschen zomer.
Het is van daag bij Dirk Kloppers bizonder druk geweest van de gaanden en komenden. Het stond den ganschen dag niet stil van bezoekers.
Zij kwamen allen te paard; wel gewapend. In de ruime voorkamer, waar in mooie eikenhouten lijsten de portretten hingen van Willem den Zwijger en van van Riebeek, den stichter der kolonie aan de Kaap, daar werden zij ontvangen.
Herman de Hollander was bij die bezoeken tegenwoordig, daar men hem vertrouwde, en Kees Botter, omdat hij een Afrikaander was.
De dagen waren zeer onrustig. Onbedriegelijke voorteekenen verkondigden den naderenden strijd, even als de stormvogels den naderenden orkaan verkondigen.
Fluisterend werd er in de groote voorkamer gesproken, want men moest op zijn hoede zijn voor de scherpe ooren van Kaffers en van onvertrouwbare blanken, die allicht het een en ander konden overbrengen naar het Engelsche kamp, dat niet al te ver af was.
Kees Botter had zijn ooren goed open, al werd er gefluisterd. Nu en dan vraagde men zijne meening, en dan gaf hij telkens een juist, doeltreffend antwoord, zoodat de ouderen dachten: Die Kees Botter heeft een helderen kop.
Ja, dat had hij.
En op den avond van dezen drukken, woeligen dag, toen al de huisgenooten reeds ter ruste waren gegaan, sloop Kees Botter voorzichtig de achterdeur uit.
Twee keeren keek hij schuw om, doch er was niet het minste onraad te bespeuren. De maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel, en de plaats lag in diepe rust.
Een smal voetpad leidde door den grooten boomgaard over het golvende grasveld naar een laag doch uitgestrekt bosch, waardoor het zich heenwrong.
Dit pad sloeg Kees Botter in, en hard doorloopend had hij na een half uur het bosch bereikt.
Nu vertraagde hij zijn schreden, en al langzamer werd zijn gang.
Twijfelend bleef hij staan.
"Ga terug!" zeide een stem in zijn binnenste.
"Vooruit!" drong een andere stem.
"Gij gaat uw volk verraden," waarschuwde de eerste stem.
"Gij zult het bloedvergieten beperken," vleide de tweede stem.
"Trekt met de Boeren op in hun rechtvaardigen strijd," vermaande de eerste stem.
"En blijf arm en veracht," dreigde de tweede.
Al zwakker werd de eerste stem; al krachtiger, al overredender sprak de tweede.
Zij trof den jongen man in zijn zwakste zijde: in zijn gloeiende eerzucht.
Hij luisterde niet meer naar de eerste stem; hij hoorde slechts de tweede.
Hij zag het schitteren van stapels goud, en zij brachten hem hetgeen hij zoo vurig verlangde: macht, eer en aanzien.
Wel kon hij door zijn droomen heen den verwijtenden en toornigen blik zien van Dirk Kloppers, zijn weldoener, en van zijn kameraden, maar hij sloot zijn oogen. Hij wilde niet zien.
De laatste aarzeling was overwonnen en vastberaden ging hij voorwaarts.
Midden in het bosch bevond zich een open, vlakke ruimte, en aan één zijde van deze ruimten zaten twee mannen op een boomstam, die van ouderdom was omgevallen.
Het waren een officier en een sergeant, gekleed in de Engelsche uniform.
"Zoo," zeide de Engelsche officier, terwijl hij bij de komst van Kees Botter ongeduldig opsprong, "ben jij daar eindelijk? Ik ben koud geworden van het wachten."
"'t Is mijn schuld niet, Majoor," antwoordde de aangesprokene; "men moet zijn tijd afwachten, om geen argwaan te wekken."
"Hoe is de stemming der Boeren?" vraagde de Majoor.
"Bepaald oorlogzuchtig," antwoordde Botter.
"Zoo," zeide de Majoor langzaam, — "zóó! Ze zijn gek; dat zeg ik je. En heb jij je van je last gekweten?"
"Dan zou ik nog gekker zijn dan de Boeren," antwoordde Botter. "Ge wilt hebben, dat ik tweedracht onder de Boeren zaai en hen de heerlijkheid van het Engelsche gouvernement voor oogen houd. Maar begrijpt u dan ook niet, Majoor, dat ik door zoo te handelen mijzelve verraad? Ik heb het eens geprobeerd, doch die oude Dirk Kloppers keek mij zoo wantrouwend aan met zijn strenge oogen, dat ik er genoeg van had. Voor een klein gerucht ben ik niet vervaard maar om zich hals over kop in het ongeluk te storten — neen, Majoor, dat doet Kees Botter niet."
"Wat doe je dan wel?" vraagde de officier op driftigen toon. "Gij zult goed betaald worden, dat weet je, maar het gouvernement wil waar voor zijn geld. Ge hebt reeds tien pond op afkorting te pakken, en ge hebt nog zoo goed als niets gedaan. Ik zeg je nog eens nadrukkelijk: wij willen waar voor ons geld."
"Niets gedaan?" zeide de lichtgeraakte Afrikaander ontstemd; "is mijn rapport van de oorlogzuchtigheid der Boeren dan van geen beteekenis?"
"Jij hadt mijn last moeten volbrengen," zeide de Majoor.
De jonge man trok onwillig zijn schouders op.
"Waarom heb je 't niet gedaan?"
"Dat heb ik reeds eens gezegd," antwoordde de Afrikaander op wreveligen toon. "We moeten geen kinderwerk doen. Gaat ge tweedracht zaaien, dan houden de Boeren je voor een spion, en je bent opgevouwen. Het moet anders worden aangelegd — anders!"
"Jij schijnt nog al bang te zijn voor de Boeren," zeide de officier met een minachtend lachje.
"Bang ben ik niet," antwoordde de Afrikaander op hoogen toon, "maar ik ken ze."
"Zóó," zeide de Majoor, "ik ken ze ook. Eén Engelschman jaagt tien Boeren op den loop; dat is zeker."
"We zullen zien," zeide Kees Botter kortaf.
"En welk plan heb jij nou?" vraagde de Majoor.
"Binnen kort zullen de Boeren een groote volksvergadering houden, ik weet het uit de beste bron, en die vergadering zal beslissen over oorlog en vrede."
"En jij denkt van oorlog?"
"Ik twijfel er niet aan, Majoor!"
"De Boeren zijn stapelgek; ik zeg het nog eens," riep de Majoor met gramme stem. "Maar wij zullen ze bijlichten, hé sergeant?"
"Dat zal waar zijn," antwoordde de dappere sergeant. "Ik wed, dat ze bij 't eerste kanonschot van schrik in zwijm vallen, Majoor," en hij trok welgevallig aan zijn oude, grijze knevels.
"Nu is het mijn voornemen," zeide de jonge Afrikaander, zijn plan nader uitéénzettend, "mij bij het Boeren-kommando aan te sluiten —"
De officier knikte bevredigd.
"Dat hoogstwaarschijnlijk de passen van het Drakengebergte zal bezetten," liet Botter er op volgen.
"En dan kunt gij de Engelsche autoriteiten op de hoogte houden van de bewegingen der rebellen?"
"Dat is mijn doel," zeide de Afrikaander.
"Mooi!" zeide de Engelschman, en hij wreef zich vergenoegd de handen.
"Hier," zeide hij op vroolijken toon, "rook eens! Wat wil je, licht of zwaar?" en hij stak den goedgevulden sigarenkoker den Afrikaander toe.
"Ik zal maar een zware nemen," antwoordde deze; "wij Transvaalsche Boeren zijn nog al zwaar op de hand," en hij lachte zelf om zijn kwinkslag.
"Gij moest in de omgeving kunnen komen van den aanvoerder der rebellen," zeide de majoor na een kleine pauze; "dat was nog iets. Hoe noemen de Boeren hun aanvoerder ook nog?"
"Kommandant-Generaal, Majoor!" antwoordde Botter.
"Hoor je 't nu, sergeant? De aanvoerder van een troep ezels heet Kommandant-Generaal," riep de Engelsche majoor, en hij schudde van het lachen.
Hij wendde zich weer tot den jongen Afrikaander.
"Zou je geen adjudant, boodschaplooper of zoo iets kunnen worden bij den aanvoerder der rebellen?"
"Ik weet het niet," antwoordde Kees Botter nadenkelijk, "maar we zullen zien; 't zal aan mij niet liggen."
"Goed," zeide de officier; "voorloopig heb ik nu niets meer te zeggen; heb je iets bijzonders, dan weet je, waar je 't brengen moet — hier — bij dezen boom."
Dit zeggende, sloeg hij met de vlakke hand tegen een knoestigen, krom gegroeiden boom.
"'t Is al laat, en nog een heel eind naar ons kamp — kom sergeant, wij gaan."
Maar Kees Botter bleef staan, en maakte een gebaar met wijsvinger en duim, dat voor geen tweëerlei uitlegging vatbaar was.
De officier lachte.
"Gij zijt een echte geldduivel," zeide hij schertsend, "maar om uw moed en ijver te prikkelen voor de goede zaak, komt het er op een paar pond niet op aan."
Hij haalde een prachtig gewerkte geldbeurs uit den zak; tusschen de blauwe, fijne mazen door schitterde het goudgeld in het maanlicht.
De oogen van den jongen Afrikaander begonnen te fonkelen als van een roofdier.
"Hier," zeide de officier op jovialen toon, "heb jij tien pond met de beeltenis van je koningin er op."
Hij telde ze in de uitgestrekte hand van den spion.
Kees Botter telde ze nog eens, heel voorzichtig, en het koude goud gloeide in zijn hand als vuur.
"Dank je, Majoor," zeide hij, "en wel thuis."
Ieder ging nu zijns weegs; de open ruimte in het bosch lag weer verlaten.
Met opgeheven hoofd keerde Kees Botter naar huis terug.
Hij zwelgde reeds in het vergezicht der toekomst.
"'t Is Engeland te doen om het Transvaalsche goud," zeide hij tot zich zelve, "en mij om het Engelsche goud. Zoo heeft ieder zijn afgod. De Boeren zweren bij hun onafhankelijkheid, maar dit is mijn god," en hij liet de goudstukken, die hij in zijn zak droeg, rammelen.
"'t Valt wel heel gelukkig," dacht hij vervolgens "dat de Boeren zulke stijfkoppen zijn; anders hadden de Engelschen mij niet noodig."
Hij wierp het korte, uitgebrande stompje sigaar weg, stak de handen in de zak, en begon een vrolijk deuntje te fluiten.
In een zeer behagelijke stemming bereikte hij de hoeve, en behoedzaam de achterdeur openend, zocht hij al tastend zijn slaapplaats op.
In het achterhuis meende hij iets als een zachten stap gehoord te hebben, maar het moest wel eene vergissing zijn. Hij lachte om zijn eigen argwaan, en spoedig lag hij te bed. Hij had zich echter niet vergist.
Toen hij was verdwenen, schreed die stap voort, naar het voorhuis. En die stap was zoo vast en zeker als de gang van een mensch op klaarlichten dag.
Slechts een blinde kon bij nacht zoo goed den weg vinden.
HOOFDSTUK VI.
Inhoudsopgave
In het ruime woonvertrek van Dirk Kloppers zaten niemand dan Kees Botter en de blinde Lena.
De andere waren op bezoek bij een buurman, die jarig was.
Heel voorzichtig nam Kees een vel geel geworden postpapier, een couvert, een inktpot en een penhouder met een half verroeste pen.
Hij zette zich aan de lange tafel, en begon met grooten ijver te schrijven.
Aan het andere eind der tafel zat Lena; zij hanteerde met bewonderenswaardige vaardigheid de breinaalden.
Botter was nu bijna gereed met den brief.
"Wat doe je daar, Kees?" vraagde Lena, terwijl zij hare glanslooze oogen ophief.
Hij schrok bijna van die vraag, maar hij antwoordde op zijn gewonen toon: "Wel, ik zit kleine houtjes te snijden — waarom vraag je dat zoo?"
"Och, ik vraag dat maar," zeide zij bedaard.
Met een wantrouwenden blik keek hij haar aan, maar het volgende oogenblik moest hij er inwendig om lachen.
Zich ongerust maken om een blind kind — 't was ook belachelijk!
Nu was de brief gereed en in het couvert gedaan, en met zekeren haast verliet Botter het vertrek.
Hij sloeg den weg in naar het ons bekende bosch.
Rechts en links liet hij zijn blikken gaan, maar niets verdachts bespeurde hij. Gloeiend drukte de hitte van den zomernamiddag op het erf. De kettinghond strekte zich slaperig uit bij zijn hok, en geen vogel liet zich hooren Er heerschte volstrekte rust; slechts de kippen kakelden en scharrelden luidruchtig in den mesthoop achter het huis.
In het bosch gekomen, liep de Afrikaander naar een open ruimte, waar hij de nachtelijke samenkomst had gehad.
Bij den knoestigen, kromgegroeiden boom bleef hij staan, en hij lichtte de schors zoover op, dat hij den brief er tusschen kon steken; tusschen de schors en den stam.
"Een knappe kerel, die den brief vindt," zeide hij tevreden; "zelfs de ouwe Dirk Kloppers zal er wel afblijven."
Terwijl hij weg was, stond de blinde op; zij tastte naar den inktpot, die op den schoorsteenmantel stond.
"Hij staat op de rechte plaats," mompelde ze, "maar de pen, waar is de pen?"
Zij tastte den schoorsteenmantel geheel af, doch kon de pen niet vinden. Nu voelde ze op de tafel rond en vond de pen.
Bij deze ontdekking kwam er een zekere spanning op haar fijn, schrander gelaat.
"Ik meende het krassen der pen wel gehoord te hebben," peinsde ze, "en ik heb me niet vergist. De zaak wordt al vreemder. Ik ben begonnen met hem te wantrouwen, en ik kan eigentlijk niet zeggen, waarom. Maar er ligt zoo'n harde, gevoellooze klank in zijn stem — ja, daarin zal 't hem wel zitten. En nu heb ik hem eergister avond opgewacht, want hij bleef zoo verschrikkelijk lang weg, en in plaats van door de gewone huisdeur komt hij door de achterdeur binnen. Hij moet nog wel omloopen, om daar door te gaan — wat mag de reden daarvan zijn?
En nu vraag ik hem: Wat doe je daar? en hij spelt mij een leugen op de mouw, want er is op den heelen vloer geen spaandertje te vinden, maar wel ligt de pen hier op tafel.
Ik vertrouw hem niet — ik vertrouw hem al minder — men zegt, dat het in ons land krioelt van spionnen — misschien is hij een spion!"
Er gaat een zonderlinge beweging over haar gelaat. Zij stut het hoofd met beide handen als een mensch, die voor een moeilijk vraagstuk staat.
Is Kees Botter een spion, een verrader?
't Is haast te afschuwelijk, om het te gelooven.
Is hij geen spion? Waarom handelt hij dan zoo vreemd?
Zij weet, dat er in het naastbijgelegen dorp een Engelsch garnizoen is gelegd; zij brengt verband tusschen Botter's uitblijven, eergisteravond, en dat garnizoen; zij brengt eveneens verband tusschen het schrijven van Kees Botter en dat garnizoen.
Zij kan de gedachten niet kwijt raken: Kees Botter is een spion. Maar die gedachte, dat vermoeden jaagt het bloed sneller door haar aderen. Er komt een dreigende rimpel op haar blank en effen voorhoofd. Het is, alsof ze beginnen te weerlichten, die lichtlooze oogen — de dochter der vrije Emigranten-Boeren komt boven in het blinde kind. Zij heeft haar vaderland lief, en voor de vrijheid van haar volk plengt zij, als het moet, zonder aarzelen haar bloed.
Zij legt de pen op de plaats, waar ze gelegen heeft. Zij zet zich weer aan de tafel, bij het opengeschoven raam, en rustig zet zij haar breiwerk voort.
Kees Botter is eindelijk teruggekomen. Het zweet gulst hem van het gelaat; zoo hard heeft hij geloopen.
"'t Is warm vandaag," zegt hij, "broeidend warm."
Het volgende oogenblik is hij het vertrek weer uit. Lena luistert met voorovergebogen hoofd, waar hij heengaat. Haar scherp gehoor volgt het zwakker wordend geluid van zijn stap.
"Hij is naar de wagenschuur," mompelt ze.
Met een snelle beweging tast zij nu naar de pen op de tafel — ze is verdwenen.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
Zij tast langs den schoorsteenmantel — daar ligt ze; bij den inktpot.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
"Ik dacht het wel," zegt ze nog eens.
HOOFDSTUK VII.
Inhoudsopgave
De Boeren hadden intusschen zoo hard gereden met den ossenwagen van P. Bezuidenhout, dat het door heel de Transvaal had gedreund. En bij de zeer gespannen verhouding tusschen het volk en de door hen gehate Engelsche regeering achtten de voormannen het noodzakelijk, om de groote volksvergadering, die zou worden gehouden op den 8sten Januari, een maand te vervroegen.
Naar deze vergadering, in het zuiden des lands, bij Paardekraal, trok een viertal ons wel bekende personen: de leeuwenjager, Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis en Kees Botter.
De leeuwenjager sprak weinig; dat was zoo zijn manier. Doch de anderen, de jonge mannen, hadden het te drukker. Er werd geschertst en gelachen; er heerschte een prettige geest.
Slechts éénmaal dreigde de goede verstandhouding verbroken te worden.
Bij zeker dorp namelijk ontmoette hen een Engelsch ambtenaar. Die ambtenaar maakte met Kees Botter een praatje, en zij gaven elkander bij het heengaan de hand.
Het kookte en borrelde bij Jan Kloppers inwendig, toen hij dit zag, en hij was er de man niet naar, om dit onder stoelen of banken te steken.
"Jij bent een laf hartige kerel, om dat te doen," zeide hij toornig.
"Wien bedoel je?" vraagde Botter met onheilspellenden blik.
"Ik bedoel jòu," antwoordde Jan Kloppers met nadruk.
Het bloed schoot den prikkelbaren en eerzuchtigen Botter in het gezicht.
"Zeg dat nog eens," zeide hij met dreigende stem, zijn paard een heftigen ruk gevend, zoodat het tegen den moorkop van Jan Kloppers aan bonsde.
Maar de Hollander kwam tusschen beide.
"Jan," zeide hij, "jij hebt ongelijk. Gij hebt niet het recht, om Kees een lafaard te noemen, omdat hij een Engelschman de hand geeft. Er zijn Engelschen, die met Afrikaansche vrouwen zijn getrouwd. 't Zou een mooie boel worden als zoo'n vrouw haar man geen hand meer mocht geven! Als het op vechten aankomt tegen de Engelschen, zal Kees niet achteraan komen — toe, geeft malkaar de hand!"
Nog een oogenblik weifelde Jan Kloppers — toen reikte hij Kees Botter de hand.
"Ik ben te driftig geweest, Kees," zeide hij op gullen, hartelijken toon; "vergeef het mij! Wij waren altijd goeie kameraden — laten we 't blijven!"
En hiermee was de twist bijgelegd. Tegen den avond bereikten de ruiters de plaats van Lodewijk Jansen, een broeder van Anna, Dirk Kloppers' vrouw. Van nacht zouden zij hier blijven, daar ze morgen nog altijd een halven dag stevig hadden door te rijden, voor zij het doel van hun reis hadden bereikt.
Lodewijk Jansen was van hetzelfde slag als Dirk Kloppers, maar hij zag er strenger uit, harder. De aard van zijn vader, van Barend Jansen, die zat er in. Op dat verweerde gelaat stond taaiheid te lezen en onverzettelijkheid, en dat breede, stalen voorhoofd wist van geen buigen. Hij was met hart en ziel de goede zaak toegedaan, en inniger kon geen Israëliet de Filistijnen, de vijanden van zijn volk, hebben gehaat, dan hij de Engelschen haatte. De Engelschen waren voor hem de Filistijnen, en Londen noemde hij Gaza en Asdod.
Hij stond met beide voeten op oud-testamentischen bodem, en met beide handen hield hij vast aan deze wet: oog om oog, en tand om tand.
De deuren zijner gastvrije woning had hij wagenwijd open gezet voor de Transvalers, die naar Paardekraal trokken, en met een vijftiental Boeren, meest allen forsch gebouwde mannen, stond hij op zijn erf de naderende ruiters reeds op te wachten.
Nu sloegen onze vier ruiters de lange met abrikozen-boomen beplante oprijlaan in, en reden recht op de groep Boeren aan.
"Welkom," riep Lodewijk Jansen met zijn zware stem, "weest welkom!"
"Zijn er geen spionnen onder u?" liet hij er op volgen met een flikkering van zijn donkere oogen.
"Neen," zeide Jan Kloppers, "ik sta voor hen borg."
"Goed," hernam Lodewijk Jansen; "als een zoon van Dirk Kloppers dat zegt, dan vertrouw ik er op."
Nu ging men naar binnen, en dat er druk over den staatkundigen toestand werd gesproken, behoeft wel geen betoog.
"Ik denk, dat het lijdelijk verzet nu wel zal uit raken," zeide Lodewijk Jansen, "en ik ben er blij om."
"De toestand is onhoudbaar," zeide een oude Voortrekker; "het wordt nu vechten of trekken."
"Vechten, als Engeland niet toegeeft," zeide de leeuwenjager.
"Of trekken," zeide een voorzichtige stem. "In mijn buurt maken zich reeds verscheidene menschen reisvaardig, om naar 't noorden te trekken."
"Niet trekken," zeide een andere stem; "wij zullen toch eens met Engeland moeten vechten. En moet het toch, dan liever van daag dan morgen."
"Dat is gemakkelijk gezegd," zeide de voorzichtige stem, "maar weet ge wel, dat wij geen kanonnen hebben, en dat de Engelschen met elk kanonschot minstens vijfentwintig der onzen zullen doodschieten?"
"'t Zullen er wel een paar minder zijn," zeide Jansen droogjes.
"En als wij de kanonniers bij de stukken neerleggen, dan worden de Engelsche kanonnen al heel mak," voegde de leeuwenjager er aan toe.
"Zoo," zeide de voorzichtige stem, "maar ik zeg: Bezint voor ge begint."
Doch nu stond er een kerel op als een reus, die achteraan zat in het vertrek. Hij sloeg met de vuist op de tafel, dat de glazen rinkelden, en riep: "Baas Verdoorn, je bent een erg verstandig en voorzichtig man, maar met jou voorzichtigheid gaan we naar den kelder. Verleden jaar, op zekeren nacht, reed ik naar huis, en mijn huis stond in brand. Er was geen levende ziel te zien; mijn vrouw en kinderen sliepen. 't Was erg onvoorzichtig van mij, baas Verdoorn, om zoo maar het brandend achterhuis in te loopen, en de twee balen buskruit er uit te halen. Gij zoudt u eerst bedacht hebben, baas Verdoorn, want gij zijt een verstandig man, doch in dien tijd zouden mijn vrouw en kinderen in de lucht zijn gevlogen."
"Wij hebben ons al drie jaar bezonnen," ging hij voort met toornige stem, "me dunkt, we kunnen nu onder de hand wel eens beginnen."
Een goedkeurend gemompel ging door het groote vertrek, maar de voorzichtige baas Verdoorn antwoordde; "Ge spreekt naar het verstand, dat ge hebt, baas van Asch. Weet ge dan niet, dat Engeland onuitputtelijke hulpbronnen heeft, en dat het voor elken Engelschman, dien wij doodschieten, twintig en honderd in de plaats kan stellen?"
"Huurlingen," riep baas van Asch, "huurlingen! Ze zuipen brandewijn, en ze gaan dood aan een jeneverberoerte!"1)
"En weet ge dan niet," ging Verdoorn voort, "dat bij ons alles in eens in 't vuur moet? Dat wij geen reserven hebben en niets dan onze geweren?"
"Wat raadt gij dan?" vraagde de leeuwenjager met nauwelijks onderdrukte heftigheid.
"Dat heb ik reeds gezegd," antwoordde de aangesprokene: "trekken — niet vechten. En misschien zal de Engelsche regeering ons nog eens recht laten wedervaren — in de toekomst —"
"In de toekomst," barstte de lange van Asch los, "in de toekomst! Jij praat als een kind, baas Verdoorn, als een kind! Al wordt ge zoo oud als Methuzalem, dat zult ge die toekomst toch nooit beleven om de eenvoudige reden, dat die toekomst nooit zal komen. Engeland zal geen recht doen, neen, nooit!"
"Ik ben het eens met van Asch," liet een zwaargebaarde man zich hooren uit den anderen hoek van het vertrek: "eerst vechten! En verliezen wij 't, dan kan elke Boer, die 't overleeft, zijn wagen inspannen, en naar de wildernis trekken. Wij zullen dan doen, wat Kommandant-Generaal Andries Wessel Pretorius2) heeft gezegd: We zullen van de woestijn ons schild maken, dat ons beveiligt tegen de lagen van Engeland."
"Ge overdrijft," zeide Verdoorn op vinnigen toon, "ge overdrijft schromelijk. Engeland heeft zijn ondeugden; 't is waar. Maar het heeft zijn deugden ook."
"Noem ze," riep Lodewijk Jansen met harde stem.
"Engeland houdt het vierde gebod in eere, meer dan eenig ander Volk," zeide Verdoorn.
"En het vertrapt het achtste, ook meer dan eenig volk," antwoordde Lodewijk Jansen.
"Het zendt zijn zendelingen naar de Kaffers," zeide Verdoorn.
"En het rooft hun land," antwoordde Jansen.
"Het begiftigt en zegent de volken met Bijbels," zeide Verdoorn.
"En het vergiftigt en verwoest de volken door opium en brandewijn," antwoordde Jansen.
"En gij beweerdet zoo even," ging Jansen voort, en zijn gelaat stond nog strakker dan gewoonlijk, "dat wij niets dan onze geweren hebben, Verdoorn, maar wij hebben toch nog iets meer, dat gij vergeet, namelijk ons goed recht. Wij kunnen tot God bidden, dat Hij onze wapenen zegene, en dat kunnen de Engelschen niet. Wij hebben God aan onze zijde, baas Verdoorn! En al zouden wij Boeren om onze vele afwijkingen en overtredingen ondergaan in den strijd, dan nog zeg ik: liever ondergaan in den strijd dan slaven worden van Engeland."
Hij was opgestaan; het begon te weerlichten onder zijn zware wenkbrauwen.
"Men spreekt tegenwoordig van programma's," zeide hij met verheffing van stem; "ik heb ook een programma. Het bestaat uit drie kleine woordjes: Vrij of dood!"
Als een vonk in het buskruit, zoo werkte dit woord.
"Vrij of dood!" riepen de Boeren in uitbrekende geestdrift.
Men schudde elkander de hand — men zwoer elkander trouw — "vrij of dood!"
En krachtiger dan gewoonlijk omklemde de hand van den leeuwenjager den loop van zijn geweer.
1) Sinds generaal Wolseley tegen de alcohol krachtig is te velde getrokken, is het jenevergebruik bij de Engelsche koloniale troepen veel verminderd.
2) Zie "Helden van Zuid-Afrika" pag. 153 en vervolg.
HOOFDSTUK VIII.
Inhoudsopgave
De Boeren, ook het gezelschap, dat wij bij Lodewijk Jansen hebben aangetroffen, zijn te Paardekraal aangekomen.
Wel heeft de Engelsche generaal Lanyon, die te Pretoria verblijf houdt, twee dagen geleden de bijwoning dezer volksvergadering te Paardekraal op strenge straffen verboden, maar de vijf duizend Boeren, die goed gewapend hier zijn verschenen, zijn niet gewend, om zich in hun plannen door een Engelschen generaal te laten dwarsboomen.
In afdeelingen van 300 à 400 ruiters rukken de Boeren aan, elke afdeeling onder hun eigen vlag. Vóór de tent van Paul Kruger houdt elke afdeeling halt, en brengt hem haar eere-saluut.
Met een plechtige godsdienstoefening wordt de vergadering geopend.
Men zoekt het aangezicht des Heeren, vóór het gaat in den strijd op leven en dood.
Ieder is onder den indruk van het ernstige oogenblik. Oude veten worden begraven, nieuwe banden gelegd. Men drukt elkander de hand; men zweert elkander houw en trouw!
Men draagt zware klipsteenen bij één; tot een hoogen hoop; tot een gedenkteeken der eendracht en eensgezindheid.
Het is een aangrijpend oogenblik, een hoogtepunt in het leven des volks.
Schouder aan schouder, zoo staan zij daar: een éénig volk, een volk van broeders!
De heldengeest der oude Voortrekkers en hooge geestdrift doortintelt hun ziel.
En zij heffen de handen omhoog, en zweren bij Hem, Die eeuwig leeft, de geliefde vierkleur trouw tot in den dood....
Herman de Hollander wijst naar een forsch gebouwden, breed geschouderden Boer, die naar voren treedt.
"Wie is dat?" vraagt hij.
"Dat is nu Paul Kruger," zegt Jan Kloppers.
Kruger staat op een verhevenheid; aller oog is op hem gericht.
Naar den vorm is hij de Vice-president, doch feitelijk nu president Burgers het land heeft verlaten, de president der republiek.
Hij, Paul Kruger, gaat voor het geliefde volk der Emigranten-Boeren thans het hoofd op het blok leggen.
Dat is werkelijk geen ijdele fraze.
"Ik zie," schreef de veel vermogende Osborne aan den Engelschen generaal Lanyon in een brief, die door de Boeren werd onderschept: "ik zie, dat mijn oude vrienden, de Boeren, opnieuw beginnen, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Wat is het ongelukkig, dat deze misleide menschen voortdurend een prooi blijven van beginsellooze schurken,1) die van honger dood zouden gaan, zoodra die agitatie bedaarde, en die reeds lang behoorden opgehangen te zijn. Laten er maar eerst twee of drie terechtgesteld en veroordeeld zijn wegens het bewerken dezer rustverstoringen, en wij zullen niets meer van die dingen hooren."
De Engelschman Dartnell schreef aan Swart, den Engelschen thesaurier-generaal te Pretoria: "Ik zie, de Boeren beginnen hun gekkenwerk weer, maar ze zullen toch wel nooit vechten, denk ik. Kunt ge geen plan bedenken, om Mijnheer Kruger op te hangen? Dat zou een einde aan de oproerigheden maken."
Paul Kruger kent het groote gevaar, waarin hij verkeert, maar hij deinst niet terug, want hij is een goede herder, en een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Als kind van tien jaar heeft hij, achter de kudden van zijn vader aan, den gevaarvollen Trek van de Kaapkolonie naar de Transvaal medegemaakt. Hij heeft met zijn volk geweend en gejuicht; geleden en gestreden, nu al veertig jaar lang. Een huurling vlucht, als er gevaar komt, maar een goede herder is nooit dichter bij zijn schapen, dan wanneer het gevaar het grootst is, en Paul Kruger is een goede herder.
Neen, dat is de echte Paul Kruger niet, dien ge bij officiëele gelegenheden ziet.
De hooge hoed staat hem niet en past hem niet; het zwart, lakensch pak beknelt, belemmert hem in zijn bewegingen, en de breede sjerp over de borst staat theathraal, gemaakt.
Neen, dat is de echte Paul Kruger niet.
Gij moet hem zien, dezen zoon der wildernis, op het steigerende paard, midden op het onmetelijke veld, in de kleedij der wildernis, den breedgeranden hoed op den stevigen kop, het wambuis los om de forsche leden, wijd open van voren, opdat de borst de vrijheidslucht kan inademen der Afrikaansche bergen....
Daar is hij in zijn kracht; in zijn element; daar doet hij zijn stoute daden!
Vraag het toch eens aan die luisterende Boeren, die thans als aan zijn lippen hangen, wat hij kan, wat hij durft!
Vast is zijn hand, en wis is zijn schot.
Door een woedenden buffel achtervolgd, keerde hij zich om in het zaâl, en joeg — midden in den galop — het schuimbekkende beest den doodelijken kogel door den kop.
En vlug is hij als Asahel, de broeder van Joab.
Hij heeft tegen de snelvoetige Zoeloe-hoofdlieden geloopen en hen verslagen. Hij heeft — op een afstand van 400 meter — tegen een ruiter gerend, die het vlugste paard uit den stal had gehaald, en hij liep harder dan het paard.
Voorzichtig, sterk en onverschrokken, dat is hij.
Eens was hij met zijn kommando op een krijgstocht tegen vijandelijke kaffers.
Die Kaffers hadden zich 's nachts in een hinderlaag gelegd, in een spelonk. Een der hunnen stond als voorpost bij den ingang.
Kruger sloop alleen voorwaarts en ontdekte den Kaffer.
Met de kracht van den panter sprong hij plotseling uit het struikgewas te voorschijn, en vóór de vijand éénen kreet kon uitstooten, omklemden de harde Boerenvingers zijn hals als ijzeren schroeven.
De Kaffer was een kind des doods, en met onbegrijpelijke koelbloedigheid nam Kruger, die met de oorlogsgewoonten der Kaffers vertrouwd was, diens plaats in.
Hij bootste de veiligheidsgeluiden van den Kaffer na, tot dat hij zijn manschappen bij zich had.
Toen verpletterde hij de Kaffers.
Op een tocht in 1845 barstte zijn geweer, en het lid van den duim werd gekwetst.
Er was gevaar voor koud vuur.
Snel besloten nam hij het mes uit den lederen koker en sneed den duim af.
Een woeste os wilde hem op zijn horens nemen.
Hij greep het beest bij de horens, en drukte met zijn reuzenkracht den kop in den modder. Hij hield den kop in den modder, totdat het beest was gestikt.
Dit alles kunnen u de Boeren vertellen, maar zij kunnen u nog meer vertellen.
In het begin van 1864 stonden de Transvalers als twee vijandelijke slagorden dreigend tegenover elkander.
Over het ééne kommando voerde Paul Kruger bevel; over het andere generaal Schoeman.
Beide kommando's naderden elkander. Slechts een open vlakte, in welker midden eenige klipkopjes verrezen, scheidde hen nog.
Maar de botsing was onvermijdelijk, en wie het eerst de klipheuvelen in het midden der vlakte bereikte, was meester van het terrein. Immers die klippen vormden een natuurlijke verschansing, en zonder zich zelve bloot te geven, kon men den vijand neerleggen.
Die klipsteenen vormden dus den sleutel van de positie; Schoeman begreep dit even goed als Kruger.
Beide kommando's stormden nu van tegenovergestelden kant, op die klippen los, maar Paul Kruger en zijn mannen waren er het eerst.
De volgelingen van generaal Schoeman verschrokken, toen zij dit zagen. Er kwam wanorde in hun gelederen; zij rukten hun paarden om en vluchtten.
Zij waren nu echter weerloos aan Paul Kruger overgeleverd, want zij moesten eenige honderden passen over de open vlakte terug, vóór zij in veiligheid waren.
Reeds vielen er dooden.
Maar het sneed Paul Kruger door de ziel, dat broeders op broeders zouden schieten. Snel sprong hij op de naaste klip, zwaaide zijn geweer en riep met luid klinkende stem: "Stopt, mannen, stopt! Geen enkel schot meer!"
Oogenblikkelijk verstomde het geweervuur. Zoo'n klem had Paul Kruger op zijn manschappen.
Maar de tegenpartij was door deze daad van edelmoedigheid diep getroffen, en de noodlottige burgeroorlog werd gestuit.
Reeds drie dagen later kwam de volledige verzoening tot stand.
De Boeren kunnen u nog meer vertellen.
Ruim anderhalf jaar geleden zou Sir Bartle Frère met het volkscomité, waarvan Paul Kruger voorzitter is, een samenkomst hebben te Kleinfontein.
Het volk was tot deze vergadering niet uitgenoodigd, maar het verscheen toch, in een getal van ruim 4000 goed gewapende Boeren.
Deze gedachte bezielde hen: "Nu moeten we vechten; nu is het tijd. Sir Bartle Frère moet onze onafhankelijkheid beteekenen, en het naar Engeland seinen. Anders nemen wij hem gevangen, hijschen de Vierkleur en verklaren aan Engeland den oorlog."
Nog op denzelfden dag, 's namiddags, werd de groote tent opgeslagen, en het comité nam zitting. Buiten de tent verdrong zich het volk; het kon alles hooren.
Kruger opende de vergadering.
Hij vraagde het gevoelen der comitéleden.
Met bijna eenparige stem verklaarden zij: "Nu moeten we op de Engelschen gaan schieten! Nu of nooit! De Zoeloe's2) hebben de Roodrokken pas zooveel klop gegeven, dat wij, met hen vereenigd, de Engelschen gemakkelijk in zee kunnen jagen, Natal innemen en onze onafhankelijkheid verzekeren!"
Maar Paul Kruger zette zich schrap en schudde den schranderen kop.
"Nog blijf ik bij lijdelijk verzet," zeide hij. "Wij kunnen niet met de barbaarsche Zoeloe-Kaffers optrekken tegen de Engelschen, want het is onzer onwaardig, en het bloed van onze broeders, door de Zoeloe's vergoten, is nog niet gewroken." Maar het hielp niet.
"Nu is het tijd om te vechten," antwoordde de groote meerderheid.
"Wij zullen de sympathie verliezen der beschaafde wereld," riep Kruger.
"En onze vrijheid terug krijgen," antwoordde zijn tegenstanders.
"Engeland heeft een groote troepenmacht onder weg, om de Zoeloe's ten onder te brengen," zeide Kruger, "en zijn ze met de Zoeloe's klaar, dan zullen ze onze kleine macht verpletteren."
Maar met al zijn welsprekendheid vorderde hij geen duim. Met de taaiheid van een Fries hielden ze vast aan hun idee: "Vechten, dadelijk vechten!"
Kruger verdaagde de vergadering tot den volgenden morgen.
Het was nu avond geworden; een donkere avond. Een fijne motregen viel neer. Niemand was meer buiten; ze waren allen in hun tenten.
Peinzend wandelde een man, in zijn regenjas gedoken, tusschen de tenten door.
Nu en dan stond hij stil, en luisterde naar de gesprekken, die binnen de tenten werden gehouden.
Er werden harde woorden gesproken.
"Als Kruger ons wil verhinderen, om op de Engelschen te schieten," zeiden sommigen, "dan zetten wij hem af, en kiezen Joubert tot onzen voorman."
"Kruger zal nooit toestaan, dat wij tegen de Engelschen gaan vechten," zeiden anderen; "daarom moet hij worden afgezet."
"Och, weet ge dan niet," zeiden derden, "waarom hij niet tegen de Engelschen wil vechten? Toen hij den eersten keer met Jorissen naar Engeland is geweest, om onze onafhankelijkheid terug te vragen, toen hebben zij geld aangenomen van den Engelschen minister. Hij is door den Engelschman — omgekocht. Hij is een — verrader."
Zoodanig waren de gesprekken.
En de peinzende man dook dieper in zijn regenjas en keerde terug naar zijn tent.
Het was Paul Kruger.
Geen slaap ging dezen nacht over zijn oogen, maar hij kwam tot een vast besluit.
Den volgenden morgen begaf hij zich naar de groote tent, en riep het volkscomité bijéén.
Hij opende de vergadering met deze woorden: "Mannen Broeders! Gisteren heb ik u mijne inzichten medegedeeld, en gij verschilt van mij. Nu heb ik mijn besluit genomen. Op een pad, waarop ik geen licht zie, kan ik niet vóór loopen. Ik wil nog bij lijdelijk verzet volharden, en gijlieden wilt nu dadelijk uw land terug hebben of tegen de Engelschen vechten. Nu, gaat dan voort op het pad, waarop gij licht ziet. En kiest voor mij mijnheer Joubert of een anderen voorman. En waar gijlieden heen gaat, daar zal ik ook heengaan, en waar gijlieden valt, daar zal ik ook vallen. 'Maar vóór loopen kan ik niet op een pad, waarop ik geen licht zie."
Zóó sprak Paul Kruger.
Er volgde een doodsche stilte.
Niemand sprak een woord.
Maar te diep wortelde Paul Kruger in het hart van zijn volk, dan dat het hem kon loslaten.
"Neen, oude President," riepen ze eindelijk, en schudden zijn hand, "neen, zóó is het niet bedoeld. Loop maar weer vóór op het pad, waarop gij licht ziet, en wij zullen u volgen."
En Paul Kruger liep weer vóór, en bewaarde zijn volk voor een stap, die heillooze gevolgen zou hebben gehad.
En nu — kunt ge lezen, wat er geschreven staat op het menschelijk aangezicht? Kunt gij uit de trekken en plooien van het gelaat de gedachten ontcijferen, die woelen en worstelen in het hart van den mensch?
Bezie toch eens het gelaat van dien man daar vóór u; op die verhevenheid; sprekende tot het volk.
Maar bezie het met aandacht; bestudeer het, want anders ziet ge niets.
Ontembare geestkracht, grenzenlooze onverschrokkenheid, bewonderenswaardige zelf beheersching, onwrikbare volharding en zeldzame scherpzinnigheid, het spreekt uit dit stevig, breed, schijnbaar hard gelaat.
Onbuigzaam, dat is hij, waar het de vrijheid geldt van zijn volk; onbuigzaam als Cromwell, de koning der rondkoppen. Doch daarbij scherpzinnig en schrander als wijlen de oude kluizenaar te Friedrichsruhe.
Neen, ze lijmen hem niet, dezen zoon der wildernis!
Hij kent de grepen en knepen der staatsmanskunst, en met vossensluwheid weet hij het looze, verraderlijke net te ontkomen.
Tegenover de meest geslepen staatslui van Europa heeft hij gezeten, de eenvoudige man, die slechts met moeite kan schrijven, en hij keek hen in de kaarten. Doch zijn effen gelaat verraadde het niet; slechts een fijn, schier onmerkbaar lachje speelde dan om zijn lippen.
Doch thans is dat fijn, ironisch lachje niet zichtbaar, en een wolke van ontroering gaat over zijn gelaat.
Hij behoort tot die schaar van helden, die God op Zijn tijd verwekt, wanneer Hij een vertrapt volk door den nacht van het lijden wil heenleiden tot het morgenrood der vrijheid en der zegepraal.
Doch die helden voelen de volle zwaarte der verantwoordelijkheid, die op hun schouders wordt gelegd, en Paul Kruger voelt ze ook.
Van daar die wolke van ontroering over zijn mannelijk gelaat.
Hij zal dat kleine, zwakke, aemechtige Boerenvolk uitleiden uit de kluisters der Engelsche gevangenschap, en het brengen als een andere Mozes in het Kanäan der vrijheid. En dit moedige hart, dat nooit heeft gebeefd, deinst terug bij het gezicht der rookende bloedplassen, waar de tocht doorheen zal gaan.
Doch hij sterkt zich in zijn God.
Daar ligt het geheim van zijn kracht.
Scheur dat Godsvertrouwen uit zijn ziel, en ge snijdt de lokken af van dezen Afrikaanschen Simson.
Diep buigt hij voor zijn God in het stof, en daarom zal hij den vrijen nek voor Engeland niet buigen — nooit en nimmer!
De kommandant-generaal Piet Joubert, die straks de Boeren zal aanvoeren in den heldenstrijd voor vrijheid en recht, heeft gezegd: "Engeland is machtig, maar God is almachtig" — Paul Kruger zegt er Amen op.
The free sample has ended.