Read the book: «Lord Lister: De dubbelganger van den bankdirecteur»

Font::

Kurt Matull, Theo von Blankensee

Lord Lister: De dubbelganger van den bankdirecteur


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405328

Inhoudsopgave

DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR.

EERSTE HOOFDSTUK.

LORD LISTER, DE MENSCHENVRIEND.

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN HET HOL VAN DEN CYCLOOP.

DERDE HOOFDSTUK.

DE RHAPSODIE VAN LISZT.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN BRUTALE INBRAAK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HEKS VAN SUFFEX.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN GEHEIMZINNIGE ZENDING.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN TRUC DIE GELUKTE.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN INSPECTEUR VAN POLITIE.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VALSCHE BANKDIRECTEUR.


DE DUBBELGANGER VAN DEN BANKDIRECTEUR.
EERSTE HOOFDSTUK.
LORD LISTER, DE MENSCHENVRIEND.

Inhoudsopgave

Lord Lister leunde behagelijk achterover met over elkaar geslagen beenen in een makkelijken fauteuil van rood leer.

Zijn slanke, witte vingers speelden met een zilveren sigarettendoos.

Tegenover hem zat zijn vriend Charly Brand met voorovergebogen bovenlijf, de ellebogen op de knieën.

„En bevalt het je nu goed hier in de eenzaamheid?” vroeg Charly.

Lord Lister bedwong een opkomend lachje.

„Wel, natuurlijk! ’t Is hier heel mooi!”

„Heb je prettige buren, Edward?”

„Ik heb mij nog niet den tijd gegeven, visites af te steken,” was het antwoord van den lord, terwijl hij luid geeuwde en opstond uit zijn stoel.

Langzaam liep hij naar het venster toe, waarvoor kostbare kanten gordijnen hingen, terwijl draperiën van wijnrood fluweel het àl te schelle licht wat temperden.

„Ik zou graag willen weten, wien dat parvenu-achtige huis aan den overkant toebehoort,” merkte lord Lister op na een pauze en hij wees naar het huis aan den overkant.

Charly Brand kwam naast zijn vriend staan.

„Dat huis daar met dien smakeloozen gevel? Dat zal wel het eigendom zijn van den een of anderen rijk geworden slager. Misschien ook behoort het een bankier!”

„Je vergist je. De eigenaar is een oude lord, maar hij ziet er uit als een veehandelaar. Hij schijnt zwaar aan jicht te lijden. Iederen morgen rijdt hij naar Hyde-Park.”

„Heb je dat allemaal van hier uit gezien?” [2]

„Dat allemaal, Charly—en nog veel meer.”

„Bijvoorbeeld?”

Brand brandde van nieuwsgierigheid.

„Bijvoorbeeld heb ik nog opgemerkt, dat mijn asthmatische, rheumatische buurman een heele mooie, jonge vrouw heeft.”

„Zoo!”

Charly’s nieuwsgierigheid veranderde in belangstelling.

„Ben je al— — —”, hij hield op, „— — —daar— —daar— —is ze dat?” vroeg hij eensklaps.

Aan het tegenoverliggende venster verscheen een gestalte, in het wit gekleed, met lichtblond haar.

De beide heren zagen duidelijk, dat zij opgewonden door de kamer liep en als in vertwijfeling de handen wrong.

„Daar is ze”, sprak lord Lister, „wat zou haar schelen?”

„Natuurlijk ruzie met haar man! Ze zal wel niet bijzonder gelukkig zijn!”

„Dat is te begrijpen!”

Daar kwam het blonde hoofd weer van achter de gordijnen te voorschijn.

Een paar groote, bedroefde oogen keken den tuin in en langs het hek, dat het huis van den straatweg afsloot.

„Als een gevangen vogel in een vergulde kooi,” vergeleek Charly.

De witte gestalte ging in een leunstoel aan het venster zitten en verborg snikkend het gelaat in beide handen.

Lord Lister keerde zich van het venster af en keek zijn vriend ernstig aan.

„Een arme, lijdende vrouw—te midden van de weelderigste pracht, kon ik haar maar helpen!”

„Dat is altijd jouw eerste gedachte!” sprak Charly, „Jij bent een menschenvriend van het zuiverste water, Edward! Overigens is het denkbeeld waarlijk nog niet zoo onuitvoerbaar. Jij kunt heel gemakkelijk als nieuwe buurman een bezoek afsteken en dan het terrein gaan verkennen.

„’t Blijft natuurlijk nog een andere vraag of je kunt helpen!”

„Ik kan het probeeren. Maar ik ben bang, dat men mij niet zal kunnen ontvangen. Een uitvlucht is makkelijk te vinden. De lord heeft drukke zaken—mevrouw heeft hoofdpijn, enzoovoorts!”

Zijn vriend haalde de schouders op.

„Ja, daarmee moet je natuurlijk rekening houden, Edward!”

Een oogenblik aarzelde lord Lister.

Hij keek nog eens naar de slanke gestalte aan den overkant.

Toen stapte hij met resoluut gebaar zijn slaapkamer binnen.

Hij was in elegant visite-toilet, toen hij weer te voorschijn kwam.

Voor den spiegel strikte hij zijn das en uit een grooten flacon besprenkelde hij zich met een eigenaardig riekend parfum.

Hij keek in den spiegel—en was tevreden. In zijn knoopsgat stak hij een prachtige orchidee, toen nam hij zijn handschoenen en sloeg er zijn vriend luchtigjes mee op den schouder.

„Tot straks, Carlo mio!”

„Jij bent een man van de daad, Edward!”

Lord Lister verdween.

Even daarna schelde Raffles aan het huis aan de overzijde aan.

Een bediende in livrei opende en boog diep. Lord Lister gaf hem zijn kaartje. Hij volgde den livreibediende niet door het park, maar sloeg een zijweg in. Langs donkere dennen kwam hij over een smalle, witte brug van berkenhout die over een beek [3]lag. Achter een boschje hoorde hij zeer luid snikken.

Met een paar stappen was lord Lister op die plek en boog de takken uit elkaar. Op een steenen bank zat daar lady Daisy Montgomery, die den vreemdeling aanzag met een bleek, beschreid gelaat.

„Vergeef mij mijn onbescheidenheid,” smeekte hij, zich voorstellend en hij vertelde, dat hij als buurman een bezoek kwam brengen.

De blonde schoonheid trachtte zich te beheerschen, terwijl de lord haar vertelde dat hij het verrukkelijke park wat nader wilde bekijken en toen verdwaald was.

Zij poogde te spreken, doch snikken belette haar voort te gaan en wanhopig zonk zij op de bank terug.

„Mevrouw,” sprak de bezoeker geheel verward, „kan ik u misschien met iets van dienst zijn?”

„Ja, help mij!” klonk het toen met wanhopigen schrei, „bevrijd mij van die duivel in menschengedaante!”

Toen, plotseling opschrikkend, vervolgde zij:

„Maar wat moet ge wel van mij denken. Ge kent mij niet eens!”

Met zwakke, aarzelende stem vertelde zij hem haar lijdensgeschiedenis van heel haar ongelukkig huwelijk.

Het was het oude lied—het oude leed.

Een jonge, schoone, geestelijk hoogstaande vrouw was gekoppeld aan een ouden man, een man van laag gehalte, die, toen hij begreep, dat hij nooit haar liefde zou winnen, haar kwelde op alle mogelijke manieren.

De maat van haar lijden was vol—en waar het hart van vol is, loopt de mond van over.

Zij had zich voor haar familie opgeofferd.

Haar vader, van ouden adel, was totaal geruïneerd. Hij had juist haar man een bezoek gebracht en dit had aanleiding gegeven tot een nieuwe scène.

Lord Lister vroeg niet naar de reden van dit bezoek, toen lady Montgomery zweeg.

„En is er niets, dat eenige vreugde brengt in uw treurig leven?”

„Als mijn ouders slechts onafhankelijk van hem waren of als het hun slechts mogelijk was, weer in het bezit van hun kostbare familiejuweelen te geraken—”

Het geluid van stemmen deed haar ophouden.

„Het spijt mij, dat ik het niet met u eens ben, baron Bassing”, hoorde men iemand zeggen op hoonenden toon, „het is u zeker hetzelfde, op welke wijze ik de vordering heb ontvangen, een feit is het, dat zij bestaat. Een feit is het ook, dat ik totnogtoe geen cent heb teruggekregen. Ge hebt mij wel een onderpand gegeven, maar wat zijt ge nu verder van plan te doen?”

Rillend verborg Daisy het gelaat in de handen.

„Mijn man”, stamelde zij, „en mijn arme vader.”

„Laat ons gaan, opdat wij geen ongewenschte toehoorders worden,” stelde lord Lister voor.

Maar zij maakte een ontkennend handgebaar en tegelijkertijd klonk een zachte, welluidende stem.

„Ge vergeet, Montgomery, dat mijn dochter Daisy, toen zij uw aanzoek aannam, de voorwaarde maakte— —”

Een spotlach belette den baron verder te gaan.

„De voorwaarde stelde—neen maar, die is goed! Dat lijkt op afpersing, baron! Ik heb destijds die vrouwengril ingewilligd. Natuurlijk denk ik er geen oogenblik aan, dat belangrijke ding uit handen te geven.”

Een gloeiende blos kleurde het gelaat der schoone vrouw.

Haar man vervolgde:

„Ik geef u nogmaals een termijn, baron! Als ge dan uw verplichtingen weer niet nakomt, zijn de juweelen mijn eigendom geworden—”

Men hoorde een heftige tegenspraak—toen waren de beide heeren voorbijgegaan.

„Is het speelschuld?” vroeg lord Lister fluisterend. [4]

„Ja,” antwoordde Daisy en na een pauze vervolgde zij:

„Ik heb mij opgeofferd, maar het offer bracht ik te vergeefs”.

Met vlammende oogen richtte zij zich op.

Haar schoonheid had op dat oogenblik iets duivelsch en in stomme bewondering volgden lord Listers oogen de lijnen van haar slanke gestalte met den gouden haartooi.

„Het water steeg mijn vader tot de lippen, toen hij zijn hooge speelschuld moest betalen en om zich te redden, nam hij de hulp aan van Montgomery, die aanbood hem te helpen doch dit deed tegen ongelooflijke woekerwinsten.

„Terwijl die geschiedenis zich afspeelde, kwam Montgomery natuurlijk druk bij ons aan huis. Den meesten tijd bracht hij dan door in de studeerkamer van mijn vader. Ook werd hij bij ons aan tafel genoodigd en dan legde hij tegenover mij steeds een dwaze galanterie aan den dag.

„Ik nam natuurlijk die beleefdheid van den ouden heer heel nuchter op, totdat ik op zekeren dag moest ervaren, dat het bittere ernst was.

„Op zekeren dag zocht hij mij in het park en toen maakte hij het mij zóó lastig, dat ik hem ruw terugwees.

„Tandenknarsend ging hij heen en ik verkeerde in de veronderstelling, dat ik nu voorgoed van hem af was.

„Maar de mensch wikt— — —

„Intusschen scheen het, alsof de oude glans en praal weer terugkeerde in ons huis. Mijn ouders herleefden, mijn broer Guinny kon de officiersuniform blijven dragen, schulden werden gedelgd en nieuwe inkoopen gedaan.

„Maar het geluk gaat op wieken en op zekeren dag was het weer weggevlogen.

„Montgomery had verscheiden wissels van mijn vader opgekocht en bood deze nu aan op een tijd, toen onze financiën door beursspeculaties er allesbehalve gunstig voorstonden. Om de maat vol te meten kwam op zekeren avond mijn broer Guinny bleek en verstoord thuis en biechtte, dat hij duizend pond sterling had verspeeld. Hij smeekte vader, hem niet ongelukkig te maken en hem de som te verstrekken.

„Zijn schuldenaar was—sir Montgomery!

„O, hoe haat ik dien satan in menschengedaante, die de macht van het geld zoo schandelijk misbruikt!

„Maar luister verder!

„Mijn vader zette allen trots op zij en deelde Montgomery den juisten stand van zaken mee. Hij luisterde met over elkaar geslagen armen.

„Toen vroeg hij een onderpand voor het geleende kapitaal en met bloedend hart gaf mijn vader hem de kostbare familiejuweelen.

„Laat ik kort zijn!

„De speelschulden van mijn broeder noodzaakten vader opnieuw aan te kloppen bij den schurk.

„Tegen zijn verwachting werd hij terstond geholpen! Maar toen kwam het vreeselijke! Montgomery stelde een verschrikkelijke voorwaarde!”

Door smart overweldigd zweeg lady Montgomery.

Lord Lister greep haar smalle koude hand.

„Ik weet nu alles, madame”, sprak hij op weeken toon, „hij vroeg u tot vrouw. Nietwaar?”

Zij knikte droevig en een traan viel van haar lange wimpers.

„God alleen weet, hoe ik geleden heb, voordat ik daartoe besloot,” fluisterde zij onder tranen, „dag en nacht heb ik gestreden, totdat ik toevallig in een aangrenzende kamer achter de portiêre er getuige van was, dat mijn vader de hand aan zich zelf wilde slaan.

„Met één sprong was ik hem terzijde en ontrukte hem de revolver.

„Deze beslissing werkte beslissend over mijn leven. [5]Zonder mij nog een oogenblik verder te bedenken, nam ik het aanzoek aan, doch tegelijkertijd stelde ik de voorwaarde, dat de kostbare familiejuweelen weer aan mijn ouders zouden worden teruggegeven. De lord beloofde dit na het huwelijk te zullen doen.

Hij heeft zijn woord niet gehouden.

„Bewaart hij die juweelen zelf?” vroeg Lord Lister.

„Ja,” antwoordde Daisy, „hij verbergt ze, alsof ze zijn eigendom waren, in een brand- en inbraakvrije kluis.”

„Ik ga nu heen, madame,” sprak Lord Lister, „ge kunt steeds op mijn hulp rekenen.”

„Daar komt mijn man terug,” viel ze hem in de rede. „Ik ga mijn armen vader opzoeken.”

Met deze woorden verdween zij in het park, terwijl lord Lister den grondbezitter te gemoet ging, die het visitekaartje van den bezoeker in de hand hield.

„Ik zoek u al geruimen tijd, lord, maar ik zie dat mijn echtgenoote u gezelschap heeft gehouden.”

„Ja, die eer is mij te beurt gevallen. Ik had het genoegen—”

Not available
This book is not sold in your country. If you have VPN enabled, please disable it
Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
51 p. 3 illustrations
ISBN:
4064066405328
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books