Read the book: «Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman»

Font::

Karamati

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404512

Inhoudsopgave

VOORBEDE.

I.

Een thuiskomst.

II.

Thuis?

III.

Een vriend.

IV.

Een goede partij.

V.

Een meevallertje voor „Moeder Merenstein”.

VI.

Onttoovering.

VII.

’t Werk eener moeder.

VIII.

’t Booze oog.

IX.

Een plechtanker.

X.

Te laat.

XI.

Nieuw leven.

XII.

Diva.

XIII.

Liefde of Kunstroeping.

[Inhoud]

VOORBEDE.

Inhoudsopgave

In ootmoed buig ik mij voor U, Liefde, als heiligste Openbaring Gods. Gij, die den kunstenaar bezielt, vervul ook mijn gemoed. Niets mag daarin achterblijven dat strijdig is met Uwe wet. De kunstenaar moet liefhebben en niets dan dat! Bestraald door ’t zachte, maar blijde licht der liefde, wordt alles in dit leven belangwekkend, al het leed en al de vreugde der wereld. De zoete ontroering wordt door u alleen gewekt, zij, die alleen in staat is mijn ziel te verheffen tot de hoogte, waarvan zij gelijkmoedig, in machtige kalmte, kan neerzien op al het stoffelijke. Dat is geen vreugde, geen droefenis: ’t is een weelde die daarboven gaat. O, ik voel mij U nader, God, wanneer Uwe Liefde mij doorstraalt. Ik kan, ik vermag dan de tolk te wezen Uwer taal. Als gij mij inblijft, Liefde, dan zal mijne pen niet falen, en de beelden, die zij teekent, zullen liefde wekken bij anderen.

Ik ben zoo vaak U ontrouw geweest, en ik kan niet buiten U! O, dat mijn ziel heil heeft kunnen zoeken buiten U! Wreed, neen rechtvaardig straftet Gij mij door ver te blijven als ik weder om U riep, boetvaardig en berouwvol. En dan opeens, daar waart Gij weder terug en deedt mij juichen! Mijn ziel was weer een reine woning voor U! Gij verwaardigdet U daarin te wijlen, waar zooveel slechts in gehuisd had! O, Goddelijke, daarin openbaardet Gij Uw wezen: Gij had deernis met mijne arme ziel. En ’t was weer licht daarbinnen.

Ik weet het: Gij zijt niet grillig, dat is de mensch alleen. Waar gij U afwendt, daar heeft de zonde post gevat. Buig dan, zonde, belager van mijn geluk, verlaat mij, gun mij de hemelvreugde van een kunstenaar, van een edel mensch. Gij zult wijken, want ik dien U, Liefde. [1]

[Inhoud]

I.
Een thuiskomst.

Inhoudsopgave

Mühlenwald, 14 April 1883.

Lieve Mama,

Uw laatste brief bracht mij een nare tijding. U staat er dus op, dat ik thuis zal komen. Ik zal er verder niets tegen zeggen. ’t Is wel erg jammer. Ik ben hier nu pas elf maanden en zou nog zoo dol graag een half jaartje erbij gebleven zijn. Wat is een jaar? De andere meisjes hier op de kostschool lachen me allen uit: ze zeggen allemaal dat ik dan wel altijd in ’t kikkerland had kunnen blijven. Ik ken nog niet eens goed Duitsch en ik heb nog lang [2]niet genoeg met al die nieuwe vriendinnen omgegaan, om er nut van te hebben. U begrijpt wel, dat zoo iets heel anders is dan in Holland—ik bedoel dien omgang. Er zijn hier meisjes uit alle landen en iemand krijgt nog eens wat anders te hooren dan op de school van Juffrouw Prinsen in Den Haag. Nu goed, ik mag niet mopperen. Ik zal dus komen. U vindt het zeker wel goed, dat ik a. s. Vrijdag vertrek. Ik kan niet eerder klaar komen met al mijn inpakkerij. Ik kom dan 1.30 ’s middags.

O, Mama, ’t is toch zoo jammer. ’t Is hier zoo heerlijk en ik houd zoo van de natuur. Ik moet nu weer in dat vervelende Holland zitten koekeloeren. Maar ik zal niets meer zeggen. U wil ’t nu eenmaal zoo.

Dag, liefste Moeke. Ik ben toch altijd

Uw liefhebbende dochter

Toetie.

P. S.

U moet niet denken, dat ik boos ben, hoor. Veel groeten en zoentjes ook aan Loetjoe.

Mama Van Merenstein vouwde ’t kleine rozeroode [3]briefje weer op en leî het in haar sleutelmandje, vlak bij haar op ’t nachttafeltje. Ze bleef nog even rechtop in haar bed zitten en mompelde:

„Och, die Toetie is ook altijd zoo, kasian!”

Meteen keerde zij zich naar de half geopende deur van ’t kleine kamertje waarin zij lag, en riep luid en schril:

„Dientje!!”

Een stem van de eerste verdieping, beneden, waar de keuken lag, riep terug:

„Ja, Mevrouw!”

„Je kunt sluiten, ja, Dientje. Ik ga maar slapen, jà?” Dientje, de meid, schreeuwde terug, dat het goed was.

Mevrouw Van Merenstein sloot hierop haar kamerdeur: ze kon die uit haar bed gemakkelijk bereiken. Behagelijk strekte ze zich uit en trok de dekens tot hoog over de schouders.

’t Was een gure April-avond en haar Indische kleumerigheid had haar na tien jaren verblijf in Holland nog niet verlaten.

Als een hondje in zijn mandje bewoog de kleine gestalte zich nog eenige malen onrustig [4]heen en weer, totdat eindelijk ’t goede plekje en de gemakkelijke houding gevonden waren.

„Och, die Toetie”, mompelde zij nog eens en ze gaf den vrijen loop aan haar gedachten, zooveel ze die had. Ze zou ’s lekker slapen. ’t Was nu elf: als ze om acht uur opstond, zou ze wel uitgerust zijn. Ze hield niet van lang slapen, maar nu was ’t wat anders. Den vorigen dag was ze jarig geweest en ze had veel gedaan voor al haar gasten, en zelf braaf mee feestgevierd. Ze moest eens uitslapen.

Een gekraak aan de deur deed haar opschrikken, zoo uit haar eersten dommel. Erg onaangenaam. Ze keek naar de deur.

Een zwartharig meisjeskopje vertoonde zich er even binnen. Ze mocht elf jaar oud geweest zijn. ’t Gezichtje was geestig en guitig; de zwarte kijkertjes tintelden van leven en ’t kleine mondje stond altijd even open, als gereed om te lachen. ’t Neusje was een wipneusje van de lieve soort. Ziende, dat haar moeder reeds te bed lag, zeî ze half ontsteld:

„Is u al in bed?” met een sterke rekking van ’t laatste woord. „Ik wist niet, dat u al [5]naar bed was gegaan .…. Nacht, Ma, dan ga ik óók maar.”

„Ach, wat toch?” Mevrouw Van Merenstein was een beetje boos.

„Nu, ik mag u toch wel goeie nacht zeggen?” antwoordde het kind spijtig. „Nacht Ma, goeie nacht, hoor.”

Geen geluid terug.

„Ik wensch u goeie nacht, Ma.” Er klonk iets ondeugends in ’t stemmetje.

„Allag tobat, laat me toch slapen!” riep de moeder, nu geheel wakker. „Màg ik niet slapen? ’t Is elf uur.…. Ga na’ je bed.…. ’t Is te erg!”

„Ik ga al .…” De deur gaat dicht.

„Ik doe ’t toch niet,” pruttelt de kleine Loetjoe in de gang.

Mama hoort ’t en voelt zich in haar moederlijke waardigheid aangetast.

„Wat zeg je daar, Tjoe?” roept ze haar achterna.

„Niets, Ma. Ik zeg u goeie nacht.”

„Kom ’s hier.”

’t Kind gehoorzaamt. [6]

„Wil je nog ’s zeggen, wat je daar zooeven zeî?” roept de verbolgen moeder.

„Ik heb niets gezegd, heusch niet.” De groote donkere kijkers kijken zoo erg ondeugend, quasi oprecht.

Daar kan de ander niet tegen. Geërgerd als ze al is door de stoornis in haar eersten slaap, wordt ze nu nog beet genomen. Ze wil meer eerbied in haar kind. Niet in staat, dit door een gepaste houding te bereiken, gelooft ze in de macht van ’t geweld. Dreigend heft ze de hand op, om Loetjoe te slaan. Maar ze ligt nog altijd te bed en ’t meisje staat aan de deur. Loetjoe ziet het gevaar en ontsnapt in de gang.

Mevrouw van Merenstein springt op en loopt haar in „sarong en kabaai” na.

„Ik zeg ’t toch niet,” roept het kind, als ’t bij den arm gegrepen wordt. „Ik heb immers niets geen kwaad gedaan.”

Meteen krijgt ze een klinkenden slag om de ooren.

Loetjoe is woedend. Luid schreiend krijt ze:

„Dat ’s gemeen van u! U màg me niet slaan! Als Toetie dat ’s wist.” ’t Kind tracht [7]zich los te worstelen, maar de moeder is door de laatste woorden nog heviger verbitterd en houdt haar armpje als in een tang omkneld. Met de vrije hand grijpt ze naar een parapluie in den standerd en wil het kind daarmee te lijf. Loetjoe doet eene wanhopige poging om los te komen, de angst voor ’t strafwerktuig doet haar krachten verdubbelen. Met een vaart vliegt ze in eens de trap op. Mama haar achterna. ’t Kind is half gek van angst en verontwaardiging. Ze stuift in haar slaapkamertje boven en slaat de deur dicht, vlak voor haar moeder. Ze hijgt. De deur is dicht, Goddank. Maar de sleutel zit er buiten op. Haastig schuift het kind haar bedje tegen de deur aan en leunt met haar volle gewicht er tegen aan.

„Zul je open doen?” klinkt het van den overloop.

„U mag me niet slaan! Ik vind u gemeen!” roept het meisje met trillende stem terug.

Mevrouw van Merenstein is buiten zich zelve. Met alle kracht drukt ze tegen de deur van ’t kamertje. Maar ’t lukt haar niet, die open te krijgen. [8]

„Wacht maar, morgen,” dreigt ze in machtelooze woede.

„Ik vind u gemeen!” schreeuwt het kind tergend van binnen.

„Zwijg .…”

„U is gemeen, gemeen, gemeen!” klinkt het ten antwoord.

Nog een poos blijft Mama van Merenstein haar woede luchten. De gewone voorraad scheldwoorden, die ook dienst doet in voorkomende oneenigheden met Dientje de meid, worden in de gebruikelijke climax uitgestooten.

Nog een paar keer poogt ze de deur van ’t kamertje open te dringen. Te vergeefs. ’t Kind is tot ’t uiterste gebracht en blijft meester van ’t terrein.

Mokkend en zich voornemend, dat „ellendige” kind morgen eens onderhanden te nemen, sluit ze de noodlottige deur van buiten, steekt den sleutel bij zich en sloft de trap af naar haar eigen slaapkamer.

Onderweg hoort ze nog eens:

„U is gemeen!” en dan luid snikken.

„’t Is te erg,” mompelt ’t menschje in nachtgewaad [9]en, nog een en al zenuw van ’t gebeurde, kruipt ze weer in haar bed.

Een kwartier later is alles stil in huis.

Iets over achten op den volgenden morgen stond Mevrouw van Merenstein aan haar ontbijttafel thee te zetten. De aandoeningen van den voorafgaanden nacht hadden geen spoor achtergelaten noch in haar gelaatsuitdrukking, noch in haar gedachten. Ze had goed geslapen en voelde zich als gewoonlijk, opgewekt. ’t Leven was voor haar altijd een uiterst gemakkelijk zaakje geweest. Toch, eens had ze onaangename oogenblikken gehad, o, jawel, bij voorbeeld bij den dood van haar eersten man en ook, iets meer nog, bij ’t overlijden van haar tweeden en laatsten echtgenoot. Dat was nu tien jaar geleden. Ja, toen had ze een paar uur zuur gekeken en zich zeer ongelukkig gevoeld, maar voor de rest was alles zonneschijn geweest. Ze had overigens altijd pret. Behalve bedoelde narigheden had ze dan ook geen reden tot klagen, dat moet gezegd worden. Van een zeer eenvoudige, echt Indische familie—zelfs met [10]een tikje Javaansch bloed—was ze reeds op zeer jeugdigen leeftijd in het huwelijk getreden met iemand uit de hoogste kringen, die een zeer invloedrijke betrekking in Indië vervulde, en was ze daardoor al heel spoedig in staat gesteld, om van ’t aardsche te genieten naar hartelust. Die eerste echtgenoot was letterlijk verzot op haar geweest, en zij had hem ook wel mogen lijden, zoover dat bij haar oppervlakkige natuur mogelijk was. De arme man—niet meer in zijn eerste jeugd—had spoedig de waarheid bevestigd gezien van ’t Fransche versje, dat eindigt met:

A une jeune femme il faut un jeune mari.

Hij was namelijk na twee jaar „ad patres” gegaan.

Zijn bekoorlijke weduwe had echter nauw het rouwkleed—dat haar allerliefst stond—afgelegd, of een nieuwe bruidsjapon werd noodig; want ze had geen weerstand kunnen bieden aan den drang van een drom aanbidders: ze had eene nieuwe keuze gedaan. Ditmaal was [11]de gelukkige een ambtenaar in staatsdienst, een assistent-resident op Java. Deze, een reus in gestalte en lichaamskracht, zat spoedig onder ’t snoezige pantoffeltje zijner wederhelft. Het vrouwtje had nu ondervinding van ’t echtelijk leven: was ze voor haar eersten man ’t schuwe, onnoozele, onderworpen nonnatje geweest, hoe goed en zwak hij zich ook steeds getoond had, thans was zij de baas. En ze regeerde in de assistent-residentswoning naar behooren, aangenomen dat ze er regeeren mocht: als huisbestierster een voorbeeld van netheid en zuinigheid, als gastvrouw de gulheid en voorkomendheid zelve. Manieren had ze voor een binnenlandsche plaats op Java voldoende aangeleerd. Binnenskamers, met manlief alleen, was ze echter weer kind van ’t land: koppig, onverschillig, jaloersch, kattig; maar al de eigenschappen, met nog enkele meer, op wonderlijke wijze gepaard met onverwoestbare luchthartigheid. Met een allerverleidelijkst lachje—om haar man dol te maken—kon ze halsstarrig weigeren, als ze verkoos te weigeren, kon ze hem sarren en plagen uit pure speelschheid, kon ze [12]razen van jaloezie en een half uur tieren en schelden, om ’t volgend oogenblik zachtzinnig te zijn als een poesje. Van Merenstein, de assistent-resident, had sterke zenuwen, en hij stond hoog op de ranglijst om resident te worden. Hij bracht het dus tot die hoogte en hield het nog zes jaar uit. Waarschijnlijk zou hij, flink gewetensvol ambtenaar als hij steeds geweest was, het zonder zijn vrouw wel tot directeur of raad van Indië gebracht hebben. Maar den lande dienen in een zware betrekking en thuis in zijn vrije uren lichaam en ziel op te offeren aan ’t verleidelijkst duivelinnetje, dat ooit vrouwengedaante heeft aangenomen, ziedaar twee zaken, die moeielijk samen kunnen gaan. Zeven volle jaren hield hij ’t uit. Toen kreeg hij zijn ontslag en pensioen. De man was op. Toen hij drie weken niets te doen had gehad, scheen zijn gestel, als een afgeloopen uurwerk, dat niet meer opgewonden wordt, plotseling alle kracht verloren te hebben. Haastige aanstalten voor een vertrek naar Holland werden gemaakt, maar de man stierf, vóordat men aan boord was. Men beteekent hier Van Merenstein, [13]zijn vrouw en drie dochters, waarvan éen uit het eerste huwelijk. De zeven en veertigjarige ex-resident vond dus rust, de eeuwige, in „Java’s palmentuin”, en zijn vrouw ging ontspanning zoeken in ’t verre, gure Holland. Wellicht werkte daarbij sterk het besef harer gevallenheid na zooveel macht en luister als de residentsche, wellicht ook een trek naar ’t geheimzinnige „Holland”, waar haar man en zooveel anderen zoo waanwijs van konden praten, zonder dat zij er eenig ander begrip van had, dan dat ’t er „heerlijk” moest wezen. Ze was dus vertrokken.

Bij ’t begin van deze geschiedenis was zij reeds tien jaar in Den Haag. Men had haar die plaats aangeraden: daar waren de meeste Indischen, en daar zou ze veel van haar oude kennissen terug kunnen zien. Die „stijve totok’s” verveelden haar. Nu haar man dood was, kon ze vrij haar kennissen kiezen, zonder op positie of rang te letten. Ze hàd ze gevonden en een ruime keuze gedaan ook. ’t Leven in Holland was haar op die manier erg meegevallen. Haar gezond en sterk lichaam kon opperbest tegen [14]de koû, hoe weinig aangenaam ze die soms ook vond, en haar pensioen met de inkomsten en ’t beetje fortuin, dat ze over gehouden had, veroorloofden haar een vrij ruim bestaan. Ergens in de Zeeheldenbuurt huurde ze een ruim bovenhuis en richtte dat keurig in. Ze had smaak en in ’t algemeen een wonderlijke artisticiteit in kleeding, houding en gebaren. Maar, zooals zoo vaak, hoorde daar ongestadigheid en wispelturigheid bij. Geen jaar had zij gewoond onder de auspiciën van Holland’s oude zeeleeuwen, of ze trok naar den Archipel, de nieuwe stadswijk, die onze koloniale macht op naamplaatjes in herinnering moet brengen. Intusschen had ze tal van bekenden uit haar glorie tijdperk opgezocht, was overal hartelijk ontvangen, had er nog evenveel intieme vriendinnen bijgemaakt, en leefde nu in een voortdurende roes van avondjes, partijtjes en uitgangetjes. Loetjoe, haar jongste dochtertje, was heel wat keeren thuis gelaten, toevertrouwd aan de zorgen der dienstbode; terwijl Toetie—of eigenlijk Clara, zooals ze ingeschreven en gedoopt was—toen ze vijftien was, meestal meeging, evenals de oudste, „Non”. [15]

Na zes verhuizingen was ze eindelijk—nu voorgoed, verzekerde ze en geloofde ze zelf vast—terechtgekomen in haar kwartier in de Malaka-straat. Hier woonde ze nu met Loetjoe alleen, want Non (of Christien) was ’t vorige jaar met éen van de vele intiemen, een allerhartelijkste, allergoedigste, allersympathiekste vriendin, een weduwe met dochters, naar Indië teruggegaan, en Toetie was sinds een jaar op kostschool in Duitschland. Indië is, zooals men weet, nog altijd een heerlijk land voor huwbare dochters, als ze „spoedig goed aan den man” willen komen. Menig juffie, dat er maar zoo zoo uitziet en nauwelijks een brief in haar moedertaal kan schrijven, vindt daar wat ze wenscht: een man met meer dan drie honderd gulden in de maand te verteren en—die geen schurk is. Verder gaan haar wenschen niet. ’t Huwelijk is voor die menschen een handelstransactie, ’t sluiten van een vennootschap zoo voordeelig en solide mogelijk.

Mevrouw van Merenstein woonde dus „stilletjes” met éen dochter in huis en éen dienstmeid. Dat „stilletjes” vatte zij echter op haar [16]manier op. Geen dag ging er om, of er was aanloop van vriendinnen, hartelijke, in-hartelijke menschen allemaal, en geen avond ging er voorbij, of de vrouw des huizes was in gezelschap of mèt gezelschap. Ze ging uit eten of had iemand „familiaar” ten eten. Soms, zoo eens in de maand, ging ze uit logeeren, voor een paar dagen, een andermaal had ze een of twee logés of logées in huis. Alles was intiem, joviaal, hartelijk! Nu en dan een hartelijk ruzietje met de hartelijkste passie als een donderbuitje, om den hartelijkheidshemel wat op te frisschen, wat zou dat?

Zoo had de thans zes en dertigjarige, fleurige Mevrouw van Merenstein haar verjaardag weer allerjoligst gevierd.

Het bovenhuis had gedaverd van de pret, en de menschen beneden hadden bepaald een onrustigen avond en een slapeloozen nacht doorgebracht. Alle dertig intiemen—meest tusschen de dertig en vijftig jaar, mannelijk en vrouwelijk, in alle schakeeringen van groenachtig blond en vaal kleurig tot mahonie-bruin—waren op bezoek geweest en een zestal was blijven eten, [17]terwijl daarna het dubbele aantal „den avond was komen passeeren.” De altijd vroolijke „Moeder Merenstein” was een jubilaris geweest naar de rechte beteekenis van ’t woord: ze had gejubeld. En ze was weer zoo beminnelijk geweest, dat al haar gasten verrukt waren. Er was muziek gemaakt, men had gewhist en gehomberd, gezongen en gedanst, in een roes van wijn en hartelijkheid.

Nog zat ze erover te denken, daar aan haar ontbijttafel: ’t was toch gezellig geweest, o zoo gezellig.

Bij de herinnering, onder de zorgen voor ’t eenvoudig ontbijt door, schitterden haar vroolijke oogen met verhoogden glans. Ze zag er weer keurig netjes uit in haar stemmig peignoirtje, een toonbeeld van frissche gezondheid, met rozeroode wangen. ’t Leven scheen haar zeer de moeite van ’t leven waard. Wat woonde ze daar goed! Met welgevallen keek ze rond in de gezellige huiskamer met de eikenhouten meubels, de vroolijke schilderijtjes, het kleurige karpet en al de kleine versierseltjes van vrouwenhand. Een sierlijke donkerblauwe „portière” [18]scheidde de kamer van den kleinen ontvangkamer met de poppige stoeltjes en tafeltjes, de olieverf-portretten, de kleine piano, de verleidelijke sofa. Over alles lag een waas van smaak en gezelligheid, in de schikking der meubels en de overeenstemming der kleuren, blauw, grijs en bruin.

Hoe kwam die vrouw aan zooveel tact, zij, die na een zeer gebrekkige opvoeding zoo jong reeds aan ’t hoofd eener schitterende huishouding had moeten staan, waar zooveel anderen nog de beste leerjaren moeten doorloopen? Is het waar, dat de vrouw in ’t algemeen meer assimilatie vermogen heeft dan de man? Of zou haar afkomst hier in ’t bijzonder meegewerkt hebben? Zeker is ’t, dat vele „Indischen” van haar slag een grooten aanleg voor nabootsen bezitten. Wellicht bezat zij dien aanleg in hooge mate. Ongetwijfeld kon ze dame zijn in alles.… behalve ’t innerlijke, iets, dat voor de meeste oppervlakkige opmerkers verborgen blijft.

Dat innerlijke bleek maar al te duidelijk in haar huiselijke omgeving. Geen dienstbode [19]kon het bij Mevrouw van Merenstein lang uithouden en haar kinderen hadden haar niet lief.

Het tooneel van dien avond, de parapluie-geschiedenis, was weer vergeten; de wraakplannen tegen de ondeugende Loetjoe opgegeven; ze dacht er geen oogenblik meer aan.

’t Kind kwam binnen en zeî heel koeltjes goeden morgen. Dat bracht haar moeder weer op ’t idee: Ze had toch eigenlijk dat arme kind niet goed behandeld, kasian!

„Goeie morgen, Tjoe. Geef je me geen zoen?”

’t Meisje gaf er een met een onverschillig gezicht.

„Niet meer ondeugend zijn, hoor. Je bent een goed kind, hoor,” en de moeder trekt haar nog eens naar zich toe en kust haar hartstochtelijk. „Hier,” en ze tast in den zak, „wil je wat koopen?”

„Och nee, Ma.” ’t Stroeve gezichtje gaat niet uit de plooi.

„Waarom niet, hier.” Loetjoe krijgt een gulden, en nog twee kussen. Zwijgend neemt de kleine beide aan.

Mama praat voortdurend en let maar weinig [20]op de korte antwoorden van ’t kind. Loetjoe blijft stroef kijken en gaat met een koel groetje naar school.

Mevrouw van Merenstein is veel te goed gehumd, om er notitie van te nemen.

Na ’t ontbijt snuffelt het bedrijvige vrouwtje wat in haar papieren in den kleinen lessenaar. Ze haalt haar „boek” voor den dag. Daarin wordt anders trouw alles aangeteekend wat aan geld is uitgegeven en ontvangen. Den vorigen dag heeft ze dat verzuimd en een paar posten—winst van ’t kaartspelen op haar verjaardag en nog wat—dienden weer netjes te worden geboekt, ook de gulden van zooeven.

Midden in die aangename bezigheden—ze heeft veel gewonnen in de laatste maand, niet op haar feest, maar te voren bij ’t „tjeki”—wordt ze gestoord door de meid, die binnenkomt met een telegram.

Met een levendig gebaar grijpt moeder Merenstein naar ’t papier. Zenuwachtig teekent ze even, scheurt de envelop en leest hardop, in ’t bijzijn van Dientje, die, haastig teruggekomen, [21]met een nieuwsgierig gezicht en half open mond luistert:

„Verloofd! Verzoeke huwelijkstoestemming voor Christien per draad, kosten hierbij, vijf-en-twintig gulden.

Dirksen, kapitein Artillerie.”

„Hè?” roept ze na de lezing, vol verbazing en door de sterke aandoening geheel natuurmensch geworden.

„Is dat van uw dochter uit Indië, Mevrouw?” vraagt Dientje heel leuk.

Mevrouw springt op.

„Och meid, wat leuter je.… van een heer, die ik heelemaal niet ken, die juffrouw Christien ten huwelijk vraagt.”

„Alle minse!” roept Overijselsche Dientje.

Mevrouw gaat voort, half in zich zelve en op en neer dribbelend:

„Allag, Allààààg, wat moet ik doen, wat moet ik doen?” Nog staat ze een oogenblik besluiteloos, kijkt naar Dientje, naar ’t telegram, leest ’t nog eens, frommelt ’t daarna in elkaar, strijkt het weer glad en bergt het weg, kijkt [22]eindelijk de verwonderde meid nog eens aan, ditmaal strak met beslistheid in de mooie bruine oogen en zegt:

„Haal mijn mantel en mijn hoed.”

Dientje gehoorzaamt. In een ommezien is haar meesteres klaar om uit te gaan. Even een behaagzieken blik in den spiegel en weg is ze, de trap af en de deur uit. Ze gaat naar haar intieme vriendin in de naaste straat, de vrouw van een suikerplanter, die met haar beide jonge kinderen in patria is, rijk leeft in een prachtig huis, en „niet wel is met haar man.” Die zal wel raad schaffen, meent de ander. Natuurlijk was haar besluit al genomen, maar zulk een zaak kòn ze niet voor zich alleen houden.…

Dientje staat nog een poos verbluft boven aan de trap, en, keukenwaarts gaande, mompelt ze:

„Wel m’n lieve tijd, en die noemen ze nou „Moeder Merenstein!” Zou je niet zeggen, dat ’t een jonge meid was, zoo „vief” is ze!”

Dit tooneeltje viel voor om half tien in den morgen. Om twaalf uur kwam er een boodschap „dat Mevrouw bleef koffie drinken”. Om twee [23]uur hield een rijtuig voor de deur stil. De koetsier belt aan. De deur wordt niet open gedaan. Hij belt nog twee maal, de deur blijft gesloten.

„Juffrouw, er schijnt niemand thuis te zijn daar boven”, zegt hij tot een jonge dame, die juist uit ’t rijtuig is gestapt.

De zoo toegesprokene is Clara van Merenstein, de thuisverwachte uit Mühlenwald.

[Inhoud]

II.
Thuis?

Inhoudsopgave

Clara begrijpt er niets van. Zou ’t een verkeerd huisnummer wezen? Ze kent ’t nieuwe kwartier niet, want Mama is pas drie maanden geleden verhuisd. Maar er is geen vergissing mogelijk: daar staat duidelijk L. van Merenstein op ’t naamplaatje.…. De koetsier kan niet langer wachten. Ze geeft hem wat hem toekomt en hij rijdt weg. Daar staat ze alleen met haar koffertje—de andere bagage is nog aan ’t station. [24]

„Hoe vreemd, dat Mama me niet afgehaald heeft en zelfs niemand heeft gestuurd.… Zou ze m’n brief wel ontvangen hebben?” Angstig kijkt het jonge meisje naar boven: de gordijnen zijn opgetrokken, er is niets bijzonders te zien. „Och, natuurlijk niet, Mama zal uit zijn, en de meid is zeker om een boodschap. ’t Is een vervelende geschiedenis!”

Terwijl ze zoo in onzekerheid staat te denken, wat ze doen zal, komt er een dikke juffrouw uit den winkel beneden op haar toe:

„Doen ze u niet open, juffrouw?” vraagt ze vriendelijk.

„Mama is niet thuis, schijnt ’t, en de meid ook niet…”, antwoordt Clara niet zonder vreugde.

„O, is Mevrouw van Merenstein uwé’s Mama? Kom u maar hier voorloopig binnen. ’t Is zoo winderig en koud op straat. Zou u niet ’s eventjes?”

„O, met pleizier. U is wel vriendelijk.”

Clara volgt de beleefde matrone naar de „mooie kamer” vlak achter den kruidenierswinkel.

„Wacht, ik zal Kees, de’ loopjongen, hier vóor [25]op de’ uitkijk zetten,” zegt de laatste. „Kees!”

Kees komt en gaat vóor op een stoel zitten. Hij krijgt order uit te kijken naar „de meid van Mevrouw hierboven of Mevrouw zelf, als die komt.”

Juffrouw Pietersen, de kruidenierse, is dadelijk ingenomen met haar onverwachte gast. Ze was alleen thuis en verveelde zich een beetje.

„Wel, wel,” begint ze ’t gesprek in de mooie kamer. „U is dus de oudste dochter van Mevrouw boven?”

„Nee, niet de oudste, de tweede, juffrouw. Mijn oudste zuster is in Indië.”

„Wat zegt u?” De goede vrouw weet niet goed, wat ze antwoorden moet. Ze is éen oor en oog voor ’t jonge meisje. „Wat een stem! ’t Is om ’n mensch z’n heele leven goed te doen, meer dan tien preeken van den dominee. En wat een lief figuurtje, wat een handjes, wat een voetjes. Een dochter van dat „Indische mins” boven, wel, wel!”

Clara wàs innemend.

Nauw zestien jaar had ze de gestalte van een Hebe. Ze was slank en toch vol; rijzig [26]en fier, en toch met een waas van kinderlijkheid. Het rijke blonde haar was hoog opgemaakt—sinds kort nog maar—en gouden lokjes kwamen onder ’t fluweelen hoedje te voorschijn, naar de mode dier dagen. De oogen waren groot, grijsachtig blauw, en van een wonderzachten, helderen opslag. Lange bruine wimpers en wenkbrauwen in sierlijke, onberispelijke bogen, donker uitkomend op de blanke huid, vormden een eenige omlijsting. Het neusje fijn, spits toeloopend en de neusvleugels, bijna doorschijnend rozerood, tartten den beeldhouwer, terwijl ’t mondje met even opgetrokken bovenlip iets droomerigs aan ’t heele gelaat zou gegeven hebben, als niet de oogen iets levendigs hadden bij al hun zachtheid. Pareltjes van tanden, een rond kinnetje, koonen, waar de fijnste perzik grof bij leek, een volle hals, blank als een lelie, wat is meer noodig, om een jong meisje bekoorlijk te maken, wat meer dan die lieve hartveroverende, zieldoordringende stem, die edele gebaren, zoo vol maagdelijke ingetogenheid, onschuld en reinheid daarbij, om de gelukkige bezitster van al die heerlijkheden onweerstaanbaar [27]te maken? Maar er was meer: smaak en eenvoud in haar kleeding: een donkergrijs reiskostuumpje, daarover een donkerblauw manteltje en gelijkkleurige hoed met zwarte voile, alles keurig van snit en fatsoen, en gedragen zooals alleen een dame dat kan.

Welk een beeld van aanvallige jeugd, van jonkvrouwelijke schoonheid! Welk een tegenstelling ook met de vrouw, die haar het leven geschonken had. Lichamelijk en zedelijk en geestelijk!

Mevrouw van Merenstein was klein, de dochter groot van gestalte, de eerste eenigszins gezet, de laatste teeder gebouwd, schoon niet mager, de moeder had zeer regelmatige trekken evenals Clara, maar ze miste de schitterende blankheid van huid, miste ook het zachte der oogen; want de hare hadden iets onrustigs, iets gloedvols zonder innigheid. Beider neus was klein, beider mond evenzoo, en toch welk een verschil! Oogen, neus en mond bij de moeder spraken van hartstocht, heerschzucht, oppervlakkige wuftheid en zinnelijkheid, bij de dochter van teederheid, aanhankelijkheid, ernst.

Kon men Mevrouw van Merenstein met een [28]Spaansche vergelijken, Clara deed denken aan het Germaansche type van schoonheid.

Juffrouw Pietersen besefte iets van dat alles. Ze had bepaald „schik” in het jonge meisje. Genoegelijk zat ze tegenover haar, met een elleboog op tafel en de éene hand onder haar vette kin, te kijken en te luisteren—dit laatste, als ze zelf niet praatte voor „’t goed fatsoen.” O, die stem! ’t Goedige mensch begreep de bekoring niet, die ervan uitging, maar ze voelde die des te beter. ’t Was als muziek ruischende, streelende, rustig stemmende muziek, lieflijk ernstig als een „berceuse” van Chopin, gespeeld op een kerkorgel door de hand van een kunstenaar. De kunstenaar was hier Hij, die de eeuwige bron is van alle kunst, het instrument volmaakter dan ooit menschenhand wrocht.

Clara zat reeds meer dan een kwartier bij de gastvrije kruideniersvrouw. Ze vond het mensch erg vriendelijk en goed, en ’t deed haar goed, weer eens naar hartelust Hollandsch te kunnen spreken en hooren, na al dien tijd van Duitsch en Engelsch en Fransch; maar ze verlangde naar huis. [29]

„Jawel, juffrouw, u heeft gelijk, maar zou de loopjongen nog niets gezien hebben?”

Kees werd geroepen. Hij had wel de meid van „boven” gezien, maar ze was een heel eind verder in de straat. De lummel stond verlegen te draaien vóor de „mooie juffer”. En ze keek hem zoo aan. Hij werd er „raar” van.…

„Maar Kees, roep ’r dan toch hier. Je weet toch, dat de juffrouw wacht.”

„O zoo, ja, ziet u, ik dacht dat ik alleen maar waarschuwen moest, als de meid thuiskwam.…”

„Och, ezel.… neem me niet kwalijk, juffrouw, dat ontglipt me daar, hoor. Nou jongen, ga haar dan roepen, vlug wat!”

Kees kijkt ’s naar de mooie juffer, even steelsgewijze.

Clara lacht en zegt met haar lieve stem:

„Toe, dat wil je toch wel even voor me doen? Ik zal je straks wat geven.”

„O, dat hoeft niet, juffrouw,” zegt Kees met een vuurroode kleur. „Ik wist niet.…” Meteen is hij weg, de straat op. [30]

Een oogenblik later verschijnt hij met de meid van Mevrouw Van Merenstein.

Dientje, die van de afwezigheid harer meesteres geprofiteerd had, om even naar de kazerne te loopen, om haar „minnaar” te spreken, en daarna om een praatje te maken met een winkelierster in de buurt, put zich uit in excuses.

„Ik had noodzakelijk boodschappen te doen, ziet u, en Mevrouw had ’t uitdrukkelijk gezegd, ’t kon niet wachten, en ik wist niet, dat u.…”

„Nu ja, dat is allemaal niets,” valt Clara haar in de rede.

Ze neemt de dienstbode even op. „Jawel, netjes gekleed en ziet er wel aardig uit, maar toch iets, dat me niet bevalt.… vreemd.” ’t Lichte was ’t, wat haar hinderde: haar maagdelijke ziel kon de definitie niet vinden. Ze had vroeger nooit zoo op die dingen gelet, ze herinnerde zich niet, ooit ergernis of weerzin gevoeld te hebben over of tegen haar huiselijke omgeving bij Mama of al wat zoo dagelijks om haar heen plaats had.

Merkwaardig! Een klein jaar van huis, en nu begon ze met iets onaangenaams, iets onverklaarbaar [31]antipathieks te voelen tegen die dienstmeid; wat kon haar eigenlijk die meid schelen en toch—de stuitende aanblik van dat behaagzieke, brutale, lichte ding was haar als een valsche welkomstgroet bij haar thuiskomst. Waren dan de talrijke voorgangsters van Dientje anders geweest? ’t Verschil zal wel niet groot geweest zijn—zoo heer, zoo knecht. Neen, het jonge meisje zelf was veranderd, de verandering van omgeving had haar gansche gedachten en gevoelsleven gewijzigd; evenals een plant in een anderen bodem en in een ander klimaat soms andere eigenschappen krijgt dan te voren. Of eigenlijk, gedachten èn gevoelsleven waren door de wisseling der omstandigheden eerst begonnen zich te ontwikkelen: ’t onnadenkende kind was door weldadige invloeden, die te voren nooit gewerkt hadden, ontpopt tot haar waren aard. De zon van liefde had de bloesems doen ontluiken aan een plant, die wellicht anders nooit gebloeid had! En hoe verandert scheen haar nu alles toe, hoe weinig was zij er zich van bewust. Ze had een zonderling gevoel van weemoedigheid, van teleurstelling, [32]en de gewaarwording van een kind, dat met stralenden blik juichend op een vreemdelinge toeloopt, in den waan dat het zijn lieve moeder is en dan afgeschrikt wordt door koelheid, waar ’t hartelijkheid verwacht had. ’t Nare weer—die motregen—haar tegenspoed aan de deur van haar huis, hadden Clara min of meer ontstemd; ze schreef het onaangename, dat ze voelde, daaraan uitsluitend toe, en trachtte haar humeur te bezweren door zich te bepraten—och, onzin, wat geef ik om dat weer.…. een vergissing van Mama—maar de stemming bleef.

En de stemming vergezelde haar, toen zij Dientje volgde als de hand van een onzichtbaren, boozen genius, die haar jonge hartje benauwde en drukte. Dientje was verbazend gedienstig en spraakzaam. „De juffrouw” moest alles zien in ’t huis en zij bracht haar overal, tot eindelijk in haar eigen kamertje, door „Mevrouw” zoo mooi ingericht, „expres voor de juffrouw”. Maar ’t jonge meisje bleef wonder-onverschillig bij ’t zien van al dat fraais—eenvoudig fraais, trouwens—maar toch zoo [33]dat het eenvoudige kind er anders blij mee geweest zou zijn.

Dientje vatte het niet.

„En nu zal ik Mevrouw ’s gaan waarschuwen. Die is bij Mevrouw Rijkezak, dat weet u wel… zoo’n.… hoe zal ik dat zeggen.…” (ze woû „zoo’n zwarte” zeggen, maar vond dat bij nader inzien wat realistisch) „… zoo’n Indische.…”

„Nu, goed,” viel Clara ongeduldig in. Ze zat in haar kamertje op de sofa, na zich van hoed en mantel ontdaan te hebben, en ze snakte ernaar, om alleen gelaten te worden. „Ga maar dadelijk naar Mama, en zeg dat ik er ben.”

Dientje gehoorzaamde schoorvoetend. In de gang had ze even behoefte aan een zachte ontboezeming—zoo iets schijnt velen dienstbaren een troost—en ze mompelde:

„Dat’s me ’n rare, die juffer. En zoo groos! Wat kijkt ze zuur.… Nou, dat ’s een andere dan de ouwe, hoor. Ze mot zich niet wat verbeelden, omdat ze nou mooi is. Dat is de ouwe ook—nou, asjeblieft en niet zuinig—en die kijkt nooit zuur.…”

Het voorwerp dier bittere gepeinzen zat intusschen [34]in gedachten verzonken op het rooskleurig sofaatje in haar kamer. ’t Was „snoezig”, dat vertrekje, een echt nestje. Moeder Van Merenstein had ook daarin haar smaak getoond. De kamer was wellicht drie meter bij vier, met éen raam op straat uitziende. Achter een keurig Japansch schermpje stond het ledikant, met lichtrozeroode gordijnen, in sierlijke plooien afhangende van een rond schild als hemel en opgehouden door donkerroode geborduurde banden. Van binnen—even zichtbaar achter het scherm—was de voering zeer donkerrood en een mooie gewerkte sprei bedekte de dekens. Tegenover het Japansche scherm bij ’t raam en naast de schoorsteenmantel stond, schuin tegen den wand, de sofa met haar groote kussens, aan den anderen kant geflankeerd door een alleraardigst boekenkastje, met een paar planken en wat neteldoek in elkaar getooverd. Op de vloer lag een licht grijs karpet, juist passend en vroolijk afstekend bij ’t rozerood der meubeltjes en harmonieerend met de grijze gordijnen aan het venster. De beide stoeltjes waren namelijk ook zoo bekleed. Aan het grijze behang aan [35]den éenen kant hingen hier en daar plaatjes, een paar Japansche borden en een boekenrekje, terwijl de plaats tegenover den spiegel in ’t midden werd ingenomen door een groote aquarel—een fijn, zonnig, fleurig landschap in Italië. Eindelijk stond op een hoektafeltje een „schat” van een lampje met kanten kapje. ’t Was alles zoo echt jonkvrouwelijk, zoo frisch en liefelijk, en toch zoo eenvoudig. En te denken, dat die inrichting ’t werk was van die vrouw zonder ziel, Clara’s moeder! Geen behanger of stoffeerder had haar geholpen: zelf had ze de gordijnen voor ’t venster gehangen, het behangselpapier uitgezocht en opgeplakt, zelf het bed voorzien van een hemel, en van een paar latten, een hoepel en wat roode en rozeroode stof in elkaar gezet, zelf de sofa en de stoeltjes bekleed, hier dit verbeterd, daar wat weggemoffeld, ginds van een nietsje een sierlijk ietsje gemaakt. Ze had daar pleizier in gehad, pret als een jong meisje en ze was trotsch op het resultaat, zoowel hier als in de overige inrichting van haar huis, waar ook zoowat alles door haar wondervingers was gefatsoeneerd of geregeld. Ze was [36]dan ook bekend als iemand, die tooveren kon met onbeteekenend materiaal en wonderweinig onkosten. ’t Ging haar zoo natuurlijk af ook! ’t Was haar als een onafscheidelijke, ingeboren eigenschap; ze kon niet anders dan smaakvol wezen in alles, wat tot de oogen spreekt, en ze wist evenmin als de vroolijke, sierlijke klaproos, dat ze wuft was, een ergernis voor ’t ernstige koorn om haar!

Met matten blik, flauw en lusteloos, keek Clara haar kamertje rond. Ze was moê van de reis en had een onbestemd drukkend gevoel; een neiging tot weemoed en droef verlangen, waarvan ze zich geen rekenschap kon geven.

Ze was dus thuis, heusch thuis? Ja, maar waarom dan dat gevoel van onrust, die onvoldaanheid? Telkens vlogen haar gedachten terug naar ’t stille plaatsje daar in Duitschland, in die goddelijke natuur, bij die hartelijke goede luitjes, dien waardigen Herr Director en zijn zorgvolle, vrome, beminnelijke gade. Wat waakten die twee, en hun beide dochters, die als onderwijzeressen in het kleine instituut onder Papa’s leiding en Mama’s voorlichting werkzaam [37]waren, voor dat kolonietje van meisjes, uit drie, vier landen van Europa, daar gekomen, om in die uitstekende kostschool de laatste jaren harer opvoeding door te brengen! Clara had daar kunnen zien wat huiselijkheid, ernst en degelijkheid waren, en ze had voor die brave lieden daar een kinderlijke genegenheid vol innige erkentelijkheid opgevat, zooals zij die nimmer voor haar moeder gevoeld had. Ze voelde zich nu verlaten, eenzaam, als uit een zonnig lentelandschap in een dompigen kelder overgebracht.…

En toch was ze thuis! Met geweld verdrong ze den vloed van weemoedvolle gedachten, die haar kwelden: ze moest opgewekt zijn, wat drommel, bij Mama thuis, en dat den eersten dag!

Juist stond Clara met een ongeduldige beweging van haar zitplaats op, als wilde ze ontloopen aan haarzelve, toen de deur in eens met een vaartje opengedaan werd. Ze had niet eens iemand hooren aankomen!

„Mama!”

„Liefste schat, ben jij daar?! Ja, wat een [38]vergissing, wat een teleurstelling voor je, kasian.… Hier, Toetie, mijn hartje, mijn dier!”

Clara, die nog ietwat beteuterd was van dien plotselingen hartelijksovervloed, liet zich gedwee kussen, drukken en beruiken. Zooals men weet, beruikt de Javaansche het voorwerp harer teederheid op ’t gelaat en zoo deed Mevrouw van Merenstein ook, als ze recht innig wilde zijn, en dat kwam nog al ’s voor, zoo bij kuren.

Eindelijk, toen ze uitgehartelijkt had, keek ze op eens haar dochter sterk aan, op een afstandje, met haar beide handjes op Clara’s schouders—een heele toer voor ’t kleine hittepetitje, en, zonder eenigen overgang, schril, riep ze:

„Maar wat kijk je sip, kind! Kom, vroolijk zijn, hoor. Je ben toch niet boos, omdat ik je brief te laat ontvangen heb? Ik kon ’t immers niet helpen. Dat had die Dientje gedaan: die had je brief in de bus laten zitten. Zoo ’n meid! Drie dagen lang, verbeeld je.… en ik had niet op de’ datum gelet, weet je… Maar,” hier een schaterlachje „dat ’s wat moois, ha, ha, ik vergeet die goeie Bets…” [39]

Bets was de volumineuse, goedig volle-maanachtig glimlachende Mevrouw Rijkezak, bij wie Moeder van Merenstein koffie gedronken had, en die nu meegekomen was, „om die lieve Toetie eens te zien, ja.”

„Nou, maar geen complimenten, ja Moeder”, zegt Bets, „dat is je dochter, die pas uit Dijsland is, ja? Ja, Allag, Toetie, ken jij mij nog?”

Toetie voelt zich erg Clara van Merenstein, buigt en glimlacht flauwtjes.

„U is Mevrouw.…?” vraagt ze beleefd.

„Och, kind, Mevrouw Rijkezak, immers! Die ken jij toch nog uit Indije. Niet? Och, kasian, ze is ’t vergeten”, weer dat ongemotiveerd schaterlachje. „Die Toetie, die Toetie, je bent toch een raar kind, ja?”

„Weet jij dan niet meer van mijn mooie huis, in Jokja, waar jij altijd met jouw zusje komt spelen en altijd kwee-kwee van mij krijgt?” Dikke Bets schatert. „Och, jij, jij fopt maar, ja?”

„Heusch niet, Mevrouw. Ik kan me dat niet meer herinneren,” Clara heeft moeite haar lachen te bedwingen—’t mensch is zoo inkoddig[40]—ze wordt er zenuwachtig van en voelt zich ongemakkelijk.

„Och wat „Mevrouw”! Jij zeg maar „Tante”, als vroeger, niewaar San?” Mevrouw van Merenstein heette Jeanne van haar voornaam.

Clara had daarop niets in te brengen dan een lachje, en de andere geeft voorloopig verdere pogingen tot toenadering op. Ze wendt zich tot haar zielsvriendin en zegt vol overtuiging:

„Je hebt een mooie dochter, San; mijn dochters zijn niet zoo mooi”—„neen, dat weet ik” denkt San—„maar dat ligt aan mijn man. Mijn man is zoo leelijk, ja, kasian! Als hij maar goed was met mij, och, dan was dat allemaal niks. Als hij maar dàt maakt, niewaar San, dàt” en ze maakt een welsprekend gebaar met duim en wijsvinger, en vindt die beeldspraak zóo aardig, dat ze erom giert.

Dan, plotseling, tot Clara:

„Och, die mannen, die mannen! Jij moet goed uitkijken, ja, als jij éen man neemt: leelijk niks, maar goed, en dat, zie je?” Weer dat gebaar. „Ha, ha, die Toetie, zij weet nog niet van mannen, niewaar San?” [41]

Zoo gaat het door.

Clara zegt een enkel woord, glimlacht en is verbijsterd. Is dat haar moeder, dezelfde, die ze een jaar te voren verlaten heeft, en die vrouw met haar onwelluidend orgaan, haar hortend en stootend Hollandsch, haar barbaarsche opmerkingen, die baboe in dameskleeren, Mama’s intieme vriendin?

„Kom Mama, en Mevrouw, laten we naar de voorkamer gaan. Vindt u dat goed?” zegt ze, om iets te zeggen en weg te gaan uit haar kamertje: ze voelt iets als ontheiliging van haar lief verblijf, iets als bezoedeling van haar reinste ikheid, daar opeens zoo ruw verstoord.

Het drietal begeeft zich naar de voorkamer.

Daar verhaalt Mevrouw van Merenstein van het telegram uit Indië. Wijd en breed wordt er over geredeneerd tusschen de beide hartsvriendinnen, en Clara krijgt de mededeeling van de verloving harer oudste zuster, en dat ’t zoo’n goede partij is, die onbekende aanstaande zwager. ’t Laat haar koud.

Ze is verward en voelt zich ellendig. En al haar pogen, om ’t niet te schijnen, stemt haar [42]hoe langer hoe ellendiger. Voor de tiende maal schreeuwt haar verstand haar toe, dat ze thuis is, maar haar hart blijft ongeloovig.

[Inhoud]

III.
Een vriend.

Inhoudsopgave

Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon [43]hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en zou binnen [44]eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken [45]van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.

Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun „flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof „verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter Eva’s [46]had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.

Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe

„er, der herrlichste von allen”

haar zooveel zaligheid kon schenken!

Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit in zijn gedachten opgekomen. [47]

Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oude Mevrouw Victor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beide familiën in Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur [48]strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging? „En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel [49]eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.

Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of [50]een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.

Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.

En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland [51]te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.

Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.

Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle… [52]

Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara’s moeder.

„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, ’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
170 p. 1 illustration
ISBN:
4064066404512
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books