Read the book: «Het Geheimzinnige Eiland»
Jules Verne
Het Geheimzinnige Eiland
De Verlatene

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066310615
Inhoudsopgave
WONDERREIZEN.
JULES VERNE
DE VERLATENE.
NAAR DE 20STE FRANSCHE UITGAVE DOOR GERARD KELLER.
AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPY “ELSEVIER” 1915.
I.
II.
III.
VI.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII .
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
XIX.
XX.
XXI.
XXII.
XXIII.
XIV.
XXV .
XXVI.
XXVII.
XXVIII.
XXIX.
WONDERREIZEN.
Inhoudsopgave
JULES VERNE
Inhoudsopgave
HET GEHEIMZINNIGE EILAND.
DE VERLATENE.
Inhoudsopgave
NAAR DE 20STE FRANSCHE UITGAVE DOOR
GERARD KELLER.
Inhoudsopgave

AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY “ELSEVIER” 1915.
Inhoudsopgave
I.
Inhoudsopgave
De winter.—Bereiding van de wol.—De molen.—Een plan van Pencroff.—De baleinen.—Waartoe een albatros kan dienen.—De brandstof der toekomst.—Top en Jup.—Stormen.—Verwoesting onder het pluimgedierte.—Een uitstapje naar het moeras.—Cyrus Smith alleen.—Onderzoek van de put.
Met de maand Juni, die in de zuidpoolstreken gelijk staat met onze maand December, brak de winter aan en de voornaamste bezigheid was het vervaardigen van ferme, warme kleederen.
De muffeldieren van de kraal waren van hun wol ontdaan, en nu men deze kostelijke weefbare stof bezat, moest men ze nog slechts bereiden, om warmer kleederen te verkrijgen.
Het spreekt van zelf dat Cyrus Smith kaarden noch wolkam, glanzer noch trekker, scheerder noch andere werktuigen had om de wol te spinnen en geen ramen om ze te weven; hij moest dus op eenvoudiger wijze te werk gaan om het spinnen en weven te vervangen. Hij stelde zich dan ook voor gebruik te maken van de eigenschap der wol, die, wanneer men ze zeer sterk perst, alleen door het in elkander warren zich hecht, een geheel uitmaakt en de stof vormt, welke men vilt noemt. Dit vilt kon men dus verkrijgen door de wol samen te drukken, een bewerking, die wel is waar veel van de lenigheid doet verloren gaan, maar de eigenschap van de warmte te behouden zeer vermeerdert. De wol, die door de muffeldieren verschaft werd, bestond juist uit die korte haren, welke voor het vilt zoo geschikt zijn.
De ingenieur begon, bijgestaan door zijn lotgenooten, waaronder ook Pencroff—deze moest nog eenmaal zijn scheepsarbeid staken!—de voorafgaande bewerking die leidde tot het zuiveren van de wol van die vette, olieachtige bestanddeelen, waarvan zij doortrokken is en die men wolvet noemt. Deze ontvetting had plaats in kuipen, die met water, van een temperatuur van zeventig graden, gevuld waren, en waarin men de wol gedurende vier en twintig uur laat staan; zij wordt vervolgens ten tweeden male gewasschen in soda-water. Toen de wol eindelijk genoegzaam door persing gedroogd was, was zij in staat om gevuld te worden, dat is te zeggen, er een vaste stof van te maken, die wel is waar grof was en voor de Europeesche en Amerikaansche beschaving van geen waarde zou zijn, maar die op de markt van het eiland Lincoln een grooten aftrek had.
Men begrijpt dat deze stof reeds in de vroegste tijden bekend heeft moeten zijn, en de eerste kleedingstukken zijn dan ook op dezelfde wijze vervaardigd als Cyrus Smith nu volgde.
Zijn kennis als ingenieur kwam toen uitmuntend te pas bij het vervaardigen van de machine om de wol samen te persen, want hij wist gebruik te maken van de kracht van het water uit de beek, die tot nog toe niet aangewend was, om een persmolen in beweging te brengen.
De bewerking, door Cyrus Smith geleid, slaagde naar wensch. De wol, vooraf bestreken met een oplossing van zeep, die eensdeels bestemd was om het glijden en het zachter worden te bevorderen en anderdeels om te voorkomen, dat het door het stampen uiteengerukt werd, kwam uit den molen te voorschijn in den vorm van een dik vilten kleed.
De oneffenheden, die aan de wolvezels eigen zijn, hadden zich zoo goed gehecht en geward dat zij een effen stof vormden waarvan men kleederen en dekens maken kon. Het was wel is waar noch merinos, noch neteldoek, noch cachemir, noch rips, noch satijn, noch alpaca, noch laken, noch flanel maar het was “Lincolnsch vilt” en het eiland Lincoln telde een industrie meer.
De kolonisten hadden nu goede kleederen en dikke dekens en konden zonder vrees den winter van 1866–67 te gemoet gaan.
Tegen den 20sten Juni deed zich dan ook reeds de groote koude gevoelen en Pencroff moest tot zijn spijt het bouwen van zijn schip staken, dat nochtans voor de volgende lente gereed zou zijn.
Het vaste plan van den zeeman was een ontdekkingstocht naar het eiland Tabor te doen, hoewel Cyrus Smith niet vóór deze reis was, die geheel uit nieuwsgierigheid zou geschieden, want er was immers toch geen hulp te vinden op die verlaten, onvruchtbare rots. Een reis van honderd vijftig mijlen, op een betrekkelijk klein schip, door onbekende stroomen, moest hem wel eenige vrees inboezemen. Wat zou er van hen worden te midden van die Stille Zee, waarop zoo menig schip verging, wanneer hun vaartuig in het volle sop was, Tabor niet kon bereiken en evenmin naar het eiland Lincoln kon terugkeeren?
Cyrus Smith sprak dikwijls met Pencroff over dit plan en hij vond bij hem een zonderlinge hardnekkigheid om deze reis te maken, een hardnekkigheid, waarvan hij zichzelf misschien niet bewust was.
“Beste vriend, ik moet je toch eens doen opmerken,” zeide de ingenieur op een morgen tot hem, “dat gij, na zooveel goed van het eiland Lincoln gezegd te hebben en zoo dikwijls te hebben verklaard dat het u spijten zou dit eiland te verlaten, nu de eerste zijt die het verlaten wilt.”
“Slechts voor eenige dagen verlaten,” antwoordde Pencroff, “voor eenige dagen slechts, mijnheer Cyrus! De tijd om te gaan en terug te komen, en te zien wat dat voor een eiland is.”
“Maar het kan niet zoo goed zijn als het eiland Lincoln!”
“Daar ben ik van overtuigd!”
“Waarom u dan zoo bloot te stellen!”
“Om te weten wat er op Tabor voorvalt.”
“Maar er valt niets voor! er kan niets voorvallen!”
“Wie weet?”
“En indien gij door storm overvallen wordt!”
“Die is in het goede jaargetijde niet te vreezen!” antwoordde Pencroff. “Maar mijnheer Cyrus, daar men steeds op het ergste moet bedacht zijn, zal ik uw toestemming vragen om slechts Harbert met mij op die reis mede te nemen.”
“Pencroff,” antwoordde de ingenieur, terwijl hij zijn hand op den schouder van den zeeman legde, “wanneer u of dit kind, dat het toeval tot onzen zoon gemaakt heeft, een ongeluk overkwam, gelooft gij dat wij er ons ooit over zouden troosten?”
“Mijnheer Cyrus,” antwoordde Pencroff vol vertrouwen, “wij zullen u dat verdriet niet berokkenen. Wij zullen nog wel eens nader over deze reis spreken, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Ik stel mij overigens voor, dat wanneer gij ons schip geheel gereed en opgetuigd zult gezien hebben, wanneer gij bemerkt hebt hoe flink het zee bouwt, wanneer wij ons eiland omgezeild zullen hebben—want dat zullen wij te zamen doen—dan stel ik mij voor, zeg ik, dat gij niet zult aarzelen om mij te laten vertrekken! Ik zeg niet eens dat uw schip een prachtstuk zal zijn!”
“Laten wij ten minste zeggen: ons schip, Pencroff!” antwoordde de ingenieur, die voor het oogenblik ontwapend was.
Dit gesprek eindigde toen om eenigen tijd later weder te beginnen zonder den zeeman noch den ingenieur te overtuigen.
Op het einde van Juni begon de sneeuw te vallen. De kraal was van te voren van alles ruim voorzien en eischte niet dat men er dagelijks heen ging, maar men besloot nooit een week te laten voorbijgaan zonder ze te bezoeken.
De vallen werden opnieuw gezet en men beproefde de toestellen, door Cyrus Smith vervaardigd. De gebogen baleinen, door een buis van ijs omsloten en onder een dikke laag vet verborgen, werden aan den zoom van het bosch gelegd op de plaats waar de dieren in troepen voorbij kwamen om naar het meer te gaan.
Tot groote voldoening van den ingenieur slaagde deze uitvinding uitmuntend. Een twaalftal vossen, eenige wilde zwijnen, en zelfs een jaguar werden gevangen en men vond ze dood en de maag doorboord van de ontdooide baleinen.
Er werd thans een poging gedaan, die verdient vermeld te worden, omdat het de eerste was welke door de kolonisten gedaan werd om met hun medemenschen in betrekking te komen.
Gideon Spilett had er reeds verscheidene malen aan gedacht om, hetzij in een flesch het bericht te sluiten en die aan de golven toe te vertrouwen in de hoop dat de golven haar op een bewoonde kust zouden werpen, of wel duiven er mede te belasten. Maar hoe kon men hopen dat duiven of een flesch den afstand zouden afleggen die het eiland van elk land scheidde en twaalfhonderd mijlen bedroeg? Dat ware een dwaasheid geweest.
Maar den 30sten Juni ving men, niet zonder moeite, een reiger die door een geweerschot van Harbert licht aan zijn poot gewond was. Het was een prachtige vogel van die soort hoogvliegers, waarvan de vlucht tien voet bedroeg en die zeeën even breed als de Stille Zee kunnen oversteken.
Harbert had gaarne dien prachtigen vogel, wiens wond spoedig genas, willen behouden en tam maken, maar Gideon Spilett bracht hem aan het verstand, dat men de gelegenheid, om door dien koerier bericht te geven aan een der vastelanden aan de Stille Zee, niet mocht laten voorbijgaan, en Harbert moest toegeven, want indien de stormvogel uit bewoonde streken was gekomen, zou hij er voorzeker weder terugkeeren wanneer hij in vrijheid gesteld was.
Mogelijk speet het Gideon Spilett niet, bij wien de reporter nu en dan boven kwam, om op goed geluk af een boeiend artikel betreffende de lotgevallen van de kolonisten op het eiland Lincoln af te zenden! Welk een succes voor den correspondent van den New-York-Herald en voor het nommer, waarin het verslag zou gedrukt staan, indien het ooit aan het adres mocht terecht komen van zijn directeur, den bekenden John Bennett!
Gideon Spilett stelde een beknopt verslag op, dat in een geolieden linnen zak werd gesloten, met het dringende verzoek, aan dengeen, die het mocht vinden, het te doen toekomen aan het bureel van den New-York-Herald. Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden, en niet aan zijn poot, want deze vogels hebben de gewoonte om op de oppervlakte van de zee te rusten; vervolgens werd dien vluggen koerier de vrijheid gegeven, en niet zonder eenige aandoening zagen de kolonisten hem in de nevels van het westen verdwijnen.
“Waar gaat hij thans heen?” vroeg Pencroff.
“Naar Nieuw-Zeeland,” antwoordde Harbert.

Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden. Bladz. 4.
“Goede reis!” riep de zeeman uit, die, wat hem betreft, niet veel van deze nieuwe soort correspondentie verwachtte.
Met den winter was ook de arbeid binnen het Rotshuis weder begonnen, het verstellen der kleederen, het maken van de noodige nieuwe en onder anderen ook het vervaardigen der zeilen voor het schip, die uit den reusachtigen ballon gemaakt werden.
Gedurende de maand Juni was het vinnig koud, maar men spaarde hout noch steenkolen. Cyrus Smith had een tweeden schoorsteen gebouwd in de groote zaal, en daar bracht men de lange avonden door. Onder het werken praatte men en in de vrije uren werd er gewoonlijk gelezen; de tijd snelde voorbij.
Het was een waar genot voor de kolonisten om, ’s avonds na een diné, wanneer zij, in de helder verlichte en goed verwarmde zaal zaten, met een warme kop koffie en onder het rooken van een pijp, den storm daar buiten hoorden loeien! Zij zouden volmaakt gelukkig zijn geweest, indien dit mogelijk geweest ware voor hen, die, ver van hun medemenschen verwijderd, met dezen geen gemeenschap konden hebben! Zij spraken altijd over hun vaderland, over de vrienden die zij achter gelaten hadden, over de grootheid der Amerikaansche republiek, waarvan de macht steeds moest vermeerderen, en Cyrus Smith, die zeer van nabij betrokken was geweest bij de politieke zaken der Unie, boezemde zijn hoorders groot belang er voor in door zijn verhalen, opmerkingen en voorspellingen.
Gideon Spilett vroeg eens met betrekking daartoe aan hem:
“Maar, mijn waarde Cyrus, loopt deze vooruitgang op het gebied van handel en nijverheid, waaraan gij zulk een groote toekomst voorspelt, geen gevaar om vroeg of laat geheel gestaakt te worden?”
“Gestaakt? En waardoor?”
“Maar door gebrek aan die kolen, die men terecht de kostbaarste delfstof kan noemen!”
“Ja, wel de kostbaarste,” antwoordde de ingenieur, “en het schijnt dat de natuur er het bewijs van heeft willen geven, door den diamant voort te brengen, die slechts zuiver gekristalliseerde kool is.”
“Gij wilt toch niet beweren, mijnheer Cyrus, dat men diamant kan branden in plaats van steenkolen om ovens te verwarmen?”
“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.
“Toch beweer ik dit,” hernam Gideon Spilett. “Gij ontkent toch niet dat de bron van steenkolen eenmaal geheel uitgeput zal zijn?”
“O! er zijn nog een menigte kolenlagen en de honderd duizend arbeiders, die er jaarlijks honderd millioen quintalen uit putten, zijn nog niet aan het eind.”
“Met het toenemend verbruik van steenkolen,” antwoordde Gideon Spilett, “kan men voorzien dat die honderd duizend arbeiders weldra twee honderd duizend zullen zijn en de opbrengst tweemaal grooter zal worden.”
“Zeker; maar na de kolenlagen van Europa, waarin nieuwe werktuigen weldra nog dieper zullen dringen, zullen de steenkool-aderen van Amerika en Australië nog langen tijd voorraad verschaffen aan de behoefte der nijverheid.”
“Hoe lang?” vroeg de reporter.
“Minstens twee honderd vijftig of drie honderd jaar.”
“Dat is voor ons voldoende,” antwoordde Pencroff, “maar verontrustend voor onze achter-kleinkinderen!”
“Men zal dan iets anders vinden,” zeide Harbert.
“Men moet het hopen,” antwoordde Gideon Spilett, “want zonder steenkolen geen machines, zonder machines geen spoorwegen, geen stoombooten, geen fabrieken, niets van dat alles, dat door den vooruitgang van den tegenwoordigen tijd vereischt wordt!”
“Maar wat zal men dan gebruiken?” vroeg Pencroff. “Kunt gij het u voorstellen, mijnheer Cyrus?”
“Ten naasten bij, mijn vriend.”
“Wat zal men dan in plaats van steenkolen branden?”
“Water,” antwoordde Cyrus Smith.
“Water!” riep Pencroff uit. “Water om stoombooten en locomotieven te stoken. Water om water te verwarmen!”
“Ja, maar water dat in zijn bestanddeelen ontbonden is,” antwoordde Cyrus Smith, “en waarschijnlijk ontbonden door electriciteit, die dan een groote en leidbare kracht zal zijn geworden, want alle groote ontdekkingen schijnen door een onverklaarbare wet, op het geschikte oogenblik te komen en volmaakt te worden. Ja, vrienden, ik geloof dat het water eenmaal tot brandstof zal dienen, dat waterstof en zuurstof, waaruit het bestaat, alleen of verbonden, een onuitputtelijke bron van warmte en licht zullen verschaffen, van grooter kracht dan steenkolen. Niets is dus te vreezen. Zoolang deze aarde bewoond zal zijn, zal zij in de behoefte van hare bewoners voorzien en het zal hun nooit aan licht noch warmte ontbreken, evenmin als het hun zal ontbreken aan voortbrengselen van het planten-, dieren- of delfstoffenrijk. Ik geloof dus dat, wanneer de kolenlagen uitgeput zullen zijn, men water zal stoken en er zich mede verwarmen. Het water is de steenkool der toekomst!”
“Dat zou ik wel eens willen beleven,” zeide de zeeman.
“Gij zijt te vroeg opgestaan, Pencroff,” antwoordde Nab, die slechts door een dergelijk gezegde aan het gesprek deel nam.
Het waren echter niet de woorden van Nab, die het gesprek afbraken, maar het blaffen van Top, die weder op dezelfde zonderlinge wijze jankte, waarop reeds meermalen de aandacht van den ingenieur gevallen was. Top draaide ter zelfder tijd om de opening van den put heen.
“Waarom blaft Top toch zoo?” vroeg Pencroff.
“En waarom bromt Jup zoo?” voegde Harbert er bij.
De aap had zich inderdaad bij den hond gevoegd en legde zeer duidelijk zijn onrust aan den dag en, wat vooral merkwaardig was, de beide dieren schenen eer ongerust dan nijdig.
“Het is zeer duidelijk,” merkte Gideon Spilett op, “dat deze put onmiddellijk in verband staat met de zee en dat het een of andere zeemonster van tijd tot tijd aan den bodem van den put verschijnt.”
“Zeer duidelijk,” antwoordde de zeeman, “er is geen andere uitlegging aan te geven....”
“Stil, Top,” voegde Pencroff er bij, “en Jup naar je kamer!”
De aap en de hond zwegen. Jup ging slapen, maar Top bleef in de kamer en liet den geheelen avond zijn dof gebrom hooren.
Er werd niet meer over het voorval gesproken, maar blijkbaar was de ingenieur er geheel mede vervuld.
Het bleef de maand Juli regenachtig en koud. De temperatuur daalde niet zoo sterk als den vorigen winter en het laagste was acht graden Fahrenheit, maar was het dien winter al minder koud, de stormen en windvlagen waren heviger.
Gedurende die stormen was het moeielijk zich op de wegen van het eiland te wagen, zelfs gevaarlijk, want er vielen onophoudelijk boomen. De kolonisten lieten echter nooit een week voorbijgaan zonder de kraal te bezoeken. Gelukkig werd deze door den berg Franklin beschut en leed zij weinig van de stormen. Het pluimgedierte op de bergvlakte was echter minder veilig, daar het blootgesteld was aan den oostenwind; het dak van de duiventil werd afgerukt door een windvlaag en een muur neergeslagen. Alles moest hersteld worden, maar steviger, want men zag wel in, dat Lincoln in een van de meest woeste streken der Stille Zee gelegen was.
In de eerste week van Augustus bedaarde de storm en de dampkring herkreeg die kalmte, welke zij voor altijd scheen verloren te hebben. De temperatuur werd echter tegelijkertijd lager, het werd vinnig koud en de thermometer wees acht graden onder nul.
Op den 3den Augustus ondernam men een tocht, waarvan reeds lang sprake was geweest, naar het zuidoosten van het eiland. Een groot aantal watervogels, die daar hun winterverblijf hielden, lokten de jagers tot de jacht uit, en men besloot daar een geheelen dag aan te geven.
Niet alleen Gideon Spilett en Harbert, maar ook Pencroff en Nab namen aan den tocht deel. Cyrus Smith was alleen thuis gebleven, onder voorwendsel van werk en voegde zich niet bij hen; hij bleef in het Rotshuis achter.
Zoodra de jagers met Top en Jup over de brug van de Mercy waren, trok de ingenieur haar op en keerde terug, met het voornemen om een plan ten uitvoer te brengen, waarvoor hij alleen wilde zijn.
Dit plan was om nauwkeurig dien onderaardschen put te onderzoeken, waarvan de opening in het Rotshuis uitkwam, en die met de zee in verband stond, omdat hij vroeger diende tot uitweg van het water uit het meer.

De tijd snelde voorbij. Blz. 6.
Waarom draaide Top zoo dikwijls om deze opening? Waarom liet hij zulk een zonderling gekef hooren, wanneer zekere onrust hem naar dien put dreef? Waarom voegde Jup zich bij Top? Had deze put andere vertakkingen dan de loodrechte gemeenschap met de zee? Ziedaar hetgeen Cyrus Smith vooreerst slechts wilde weten. Hij had dus besloten, om gedurende de afwezigheid van zijn lotgenooten, een poging aan te wenden om de put te onderzoeken en de gelegenheid bood zich er toe aan.
Het was gemakkelijk er in af te dalen door de touwladder te gebruiken, die geen dienst meer deed en lang genoeg was. Dit deed de ingenieur. Hij sleepte de ladder naar de opening, waarvan de middellijn zes voet bedroeg, liet haar afzakken na ze vooraf van boven stevig vastgemaakt te hebben. Hij daalde de eerste treden van de ladder af nadat hij een lantaarn aangestoken had en tot wapens een revolver en een kort mes bij zich had gestoken.
De muur was overal vlak; maar van afstand tot afstand staken eenige rotsblokken uit en door middel van deze blokken kon het een vlug en behendig man inderdaad gelukt zijn tot aan de opening van den put te klimmen.
Dit merkte de ingenieur op; hij bekeek met zijn lantaarn elke rotspunt, maar zag geen enkel spoor, geen indruk, waaruit men zou kunnen opmaken dat ze in vroeger of later tijd tot trap hadden gediend.
Cyrus Smith daalde dieper af en liet zijn lantaarn overal rondgaan.
Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam.
Toen de ingenieur op de laatste sport stond raakte hij de oppervlakte van het water, dat toen volkomen kalm was; noch op den bodem noch in een ander gedeelte van den put bevond zich een pad. De muur, waartegen Cyrus Smith met het heft van zijn mes sloeg klonk dof. De vraag waar dit kanaal uitkwam, aan welke zijde van de kust en hoe diep onder het vlak der zee, kon niet beantwoord worden.
Cyrus Smith had zijn onderzoek volbracht, klom naar boven, trok de ladder op, bedekte de opening van den put en keerde, in gedachten verzonken, naar de groote zaal van het Rotshuis terug, bij zich zelven mompelende:
“Ik heb niets gezien, en toch is er iets!”
II.
Inhoudsopgave
Het schip wordt getuigd.—Een aanval van chilische honden.—Jup gewond.—Het schip wordt voltooid.—Overwinning van Pencroff.—De Bonadventure.—Eerste tocht ten zuiden van het eiland.—Een onverwacht stuk.
Dienzelfden avond kwamen de jagers terug met een groote vangst, en letterlijk met wild beladen, zij droegen zooveel als vier man konden dragen. Top had een krans van eenden om zijn hals en Jup zijn gordel vol snippen.
“Zie eens mijnheer,” riep Nab uit, “nu kunnen wij onzen tijd besteden! Konserf en pâté! Wat zullen wij een heerlijken voorraad krijgen! Maar iemand moet mij helpen. Ik reken op u, Pencroff.”
“Neen, Nab,” antwoordde de zeeman. “Ik moet bij mijn schip zijn, en gij zult het zonder mij moeten doen.”
“En gij, mijnheer Harbert?”
“Ik, Nab? Ik moet morgen naar de kraal,” antwoordde de knaap.
“Zult gij mij dan helpen, mijnheer Spilett?”
“Om je te dienen, Nab,” antwoordde de reporter, “maar ik waarschuw je, wanneer gij mij met uwe recepten bekend maakt, dat ik ze uitgeef.”
“Zooals gij wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde Nab, “zooals gij wilt!”
En zoo werd Gideon Spilett, als helper van Nab, den volgenden morgen, in diens werkplaats gebracht. De ingenieur had hem echter eerst den uitslag medegedeeld van zijn ontdekkingstocht, dien hij den vorigen dag gemaakt had, en de reporter deelde in dit opzicht de meening van Cyrus Smith, dat er, hoewel hij niets gevonden had, toch een geheim te ontdekken bleef.
De koude hield nog een week aan en de kolonisten verlieten het Rotshuis slechts om voor hun gevogelte te zorgen. Een heerlijke geur steeg uit de keuken op door de spijzen die Nab en de reporter bereidden; maar niet al het wild dat den vorigen dag gevangen was werd tot pâté gemaakt, en daar het gedurende die koude zich goed hield, werden de wilde eenden en andere op de oude manier toebereid, en volgens de kolonisten waren het de fijnste watervogels ter wereld.
Die week werkte Pencroff, bijgestaan door Nab, die handig de zeilen naaide, met zulk een ijver dat deze geheel gereed kwamen. Eenigen tijd later was het schip getuigd en zeevaardig. Pencroff heesch zelf de vlag van blauw, rood en wit, waarvan de kleuren verschaft waren door verfplanten, die zeer overvloedig op het eiland groeiden. Hij had slechts bij de zeven en dertig sterren, die de zeven en dertig Vereenigde Staten vertegenwoordigden een acht en dertigste gevoegd, de ster van “Staat Lincoln,” want hij beschouwde zijn eiland als reeds aan de groote republiek gehecht.
“En het is het van harte, zoo het dit nog niet feitelijk is.”
De vlag werd intusschen voor het middelste raam van het Rotshuis geplant en de kolonisten begroetten haar met een driedubbel hoezee.
Het koude jaargetijde zou spoedig achter den rug zijn en het scheen dat deze tweede winter voorbij zou gaan zonder gewichtige gebeurtenis, toen in den nacht van 11 Augustus de bergvlakte door een algeheele verwoesting bedreigd werd.
Na een drukken dag sliepen de kolonisten gerust, toen zij tegen vier uur in den morgen plotseling door het blaffen van Top gewekt werden.
Deze keer blafte de hond niet bij de opening van den put, maar op den drempel van de deur, waartegen hij opsprong als wilde hij haar openstooten. Ook Jup uitte schelle kreten.
“Wat is er, Top!” riep Nab, die het eerste wakker werd.
Maar de hond blafte nog harder.
“Wat is er dan?” vroeg Cyrus Smith.
En allen snelden in haast gekleed naar de vensters van hun kamer, die zij openden.
Voor zich hadden zij een dikke laag sneeuw, nauwelijks zichtbaar in dezen stikdonkeren nacht. De kolonisten zagen niets, maar zij hoorden een zonderling gehuil in de duisternis. Blijkbaar waren er een groot aantal dieren aan de kust, die men nu niet zien kon.
“Wat is dat?” riep Pencroff uit.
“Wolven, jaguars of apen!” antwoordde Nab.
“Te drommel! Maar zij kunnen toch niet op de bergvlakte komen!” zeide de correspondent.
“En ons gevogelte,” riep Harbert, “en onze planten?...”
“Hoe zijn zij daar dan gekomen?” vroeg Pencroff.
“Zij zullen over de brug zijn gegaan,” antwoordde de ingenieur, “die een van ons waarschijnlijk vergeten heeft op te halen.”
“’t Is waar ook,” riep Spilett uit, “ik herinner mij haar open gelaten te hebben.”
“Dat is een mooie trek, dien gij ons daar gespeeld hebt, mijnheer Spilett!” zeide de zeeman.
“Wat gebeurd is, is gebeurd,” antwoordde Cyrus Smith. “Laten wij liever nagaan wat ons te doen staat.”
Dit waren de vragen en antwoorden die tusschen Cyrus Smith en zijn lotgenooten gewisseld werden. Het was zeker, dat de dieren over de brug gekomen waren en dat zij, door den linkeroever van de Mercy te houden, bij de bergvlakte konden komen. Men moest hun dus den pas afsnijden en des noods ze aanvallen.
“Maar wat zijn het voor dieren?” werd ten tweede male gevraagd, toen zich nogmaals dat vreemde geluid deed hooren.

Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam. Blz. 10.
Harbert verschrikte toen hij dat geluid hoorde en herinnerde zich het reeds gehoord te hebben de eerste maal dat zij bij de bronnen van de Roode Beek waren.
“Dat zijn chilische honden, dat zijn vossen!” zeide hij.
“Voorwaarts!” riep de zeeman.
En allen stoven voorwaarts met bijlen, karabijnen en revolvers gewapend.
De chilische honden zijn gevaarlijke dieren wanneer zij in grooten getale en uitgehongerd zijn. De kolonisten aarzelden echter niet hen aan te vallen, en hunne eerste revolverschoten verlichtten de duisternis en deden de bende terugdeinzen.
Het was vooral van belang om deze stroopers in de eerste plaats te verhinderen de bergvlakte te bereiken, want het bouwland en het gevogelte zou dan in hun macht zijn en zij zouden daar groote, misschien onherstelbare schade, vooral aan het korenveld, veroorzaken. Maar daar zij niet dan langs den linkeroever van de Mercy de vlakte konden bereiken, was het voldoende om een onoverkomelijken hinderpaal aan deze vossen te stellen op dat smalle gedeelte van den oever tusschen de rivier en de rots.
Allen begrepen dit, en op bevel van Cyrus Smith, gingen zij naar de aangewezen plaats, terwijl de vossen in de duisternis voortsnelden.
Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff en Nab stelden zich naast elkander om den weg te versperren. Top ging, met open bek, vooruit en werd door Jup gevolgd, met een dikken knuppel gewapend, dien hij als een knots rondzwaaide.
Het was stikdonker. Slechts bij het afvuren der revolvers kon men de roofdieren zien, welke minstens honderd in getal moesten zijn en wier oogen als kolen vuur gloeiden.
“Zij mogen er niet door!” riep Pencroff uit.
“En zij zullen er niet door!” antwoordde de ingenieur.
Dat zij er niet doorkwamen, was niet omdat zij er geen pogingen toe hadden aangewend De achterste rijen drongen de voorste vooruit, en het was een onophoudelijke strijd met revolvers en bijlen. Vele lijken van vossen moesten reeds over den grond verspreid liggen, maar de troep verminderde niet merkbaar en men zou gezegd hebben, dat zij steeds van achter aangroeide.
Weldra moesten de kolonisten lijf tegen lijf strijden en zij kregen verscheiden wonden, die gelukkig niet van ernstigen aard waren. Harbert had met een revolverschot Nab bevrijd, op wiens rug een van die honden zich als een tijgerkat vastgeklampt had. Top streed met woede, sprong den vossen naar de keel en worgde ze onmiddellijk. Jup sloeg met zijn stok als een razende rond en men trachtte te vergeefs hem tegen te houden. Waarschijnlijk was hij met zulk een scherp gezicht begaafd, dat hij in deze duisternis kon zien, en hij bleef steeds in het dichtst van het gevecht, uitte van tijd tot tijd een schellen kreet, die bij hem het teeken van groote vreugde was. Op een gegeven oogenblik waagde hij zich zelfs zoo ver, dat men hem bij het licht van een revolverschot door vijf of zes groote vossen omringd zag, waartegen hij met onbegrijpelijke koelbloedigheid worstelde.
De strijd zou echter een gunstigen afloop hebben voor de kolonisten maar eerst nadat zij twee uur gevochten hadden! Waarschijnlijk trokken de vossen wegens het aanbreken van den dag af; zij richtten zich naar het noorden om de brug over te trekken, die Nab onmiddellijk ophaalde.
Toen het licht genoeg was om het terrein op te nemen, telden de kolonisten een vijftigtal lijken die langs den oever verspreid lagen.
“En Jup!” riep Pencroff uit. “Waar is Jup dan?”
Jup was verdwenen. Zijn vriend Nab riep hem en voor de eerste maal antwoordde Jup niet op het roepen van zijn vriend.
Allen begonnen naar Jup te zoeken, vreezende hem dood te zullen vinden. De lijken wier bloed de sneeuw roodkleurde, werden weggeruimd, en Jup gevonden te midden van een hoop vossen, wier gekneusde ledematen en gebroken lendenen genoeg aanduidden dat zij met den vreeselijken knuppel van het onverschrokken dier te doen hadden gehad. De arme Jup hield nog een stuk van zijn gebroken knuppel vast; maar van zijn wapen beroofd, kon hij zijn tegenpartij niet meer aan en had diepe wonden in zijn borst ontvangen.
“Hij leeft nog!” riep Nab uit, die zich over hem heen gebogen had.
“En wij zullen hem redden,” antwoordde de zeeman, “wij zullen hem als een der onzen verzorgen!”
Het scheen dat Jup hem begreep, want hij boog zijn kop naar den schouder van Pencroff, als om hem te danken. De zeeman was zelf gewond, maar zijn wonden waren, even als die zijner metgezellen, onbeduidend; want, dank zij hunne vuurwapens, hadden zij die bloeddorstige dieren altijd op zekeren afstand kunnen houden. Slechts de toestand van den aap was van bedenkelijken aard.
Jup werd door Nab en Pencroff naar huis gedragen en nu en dan ontsnapte hem een nauwelijks hoorbare kreet. Men bracht hem zoo voorzichtig mogelijk in het Rotshuis. Daar werd hij op een matras uit een der bedden neergelegd, en zijn wonden werden met de grootste zorg gewasschen. Geen der edele organen scheen getroffen, maar Jup was zeer verzwakt door bloedverlies en de koorts kwam hevig op.
Nadat hij verbonden was bracht men hem in bed en legde hem streng dieet op, “evenals aan een heuzig mensch” zooals Nab zeide. Hij dronk eenige kopjes van een verfrisschenden drank, die door de genezende kruiden van het Rotshuis verschaft werd.
Jup sliep eerst onrustig in; maar zijn ademhaling werd langzamerhand geregeld en eindelijk sliep hij kalm. Van tijd tot tijd kwam Top als het ware “op zijn teenen” binnen, om zijn vriend te bezoeken en scheen dankbaar voor de zorg die men aan zijn vriend besteedde. Een hand van Jup hing buiten zijn bed en Top lekte hem zachtjes.
Dien zelfden morgen begon men de lijken op te ruimen, zij werden naar het Verre Westen van het bosch gesleept en diep onder den grond begraven.
Deze aanval, die ernstiger gevolgen had kunnen hebben, was een goede les voor de kolonisten, en voortaan begaf men zich niet te rusten, voordat een van hen zich overtuigd had dat alle bruggen opgehaald waren en geen inval mogelijk was.
Slechts weinige dagen had men voor het leven van Jup gevreesd, maar diens krachtige natuur behield de overhand. De koorts verminderde langzamerhand en Gideon Spilett, die een weinig dokter was, verklaarde hem spoedig buiten gevaar. Den 16den Augustus kon Jup weder eten. Nab maakte lekkere zoete kostjes voor hem klaar, waaraan de zieke smulde, want als hij een gebrek had, dan was het dat van een lekkerbek te zijn en Nab had nooit pogingen aangewend om hem daarvan te genezen.
“Och, ziet gij,” antwoordde hij aan Gideon Spilett, die hem dikwijls verweet dat hij den aap bedierf, “hij heeft geen ander genot dan zijn smaak, die arme Jup en ik ben maar al te blij op deze wijs zijn diensten eenigszins te kunnen vergoeden.”
Tien dagen nadat hij zijn wonden bekomen had, mocht Jup het bed verlaten. Als alle herstellenden, had hij een verslindenden honger en de reporter liet hem eten zooveel hij verkoos. Nab was buiten zichzelf van vreugde, toen hij den eetlust van zijn leerling terug zag komen.
“Eet maar, Jup,” zeide hij tot hem, “en laat het u aan niets ontbreken! Je hebt je bloed voor ons vergoten en het minste wat ik voor je doen kan is wel je te helpen om het terug te krijgen.”
Den 25sten Augustus hoorde men Nab zijn metgezellen toeroepen:
“Mijnheer Cyrus, mijnheer Gideon, mijnheer Harbert, Pencroff, komt eens hier! komt eens hier!”
De kolonisten die in de groote zaal bijeen waren, stonden op en gingen naar Nab, die in de voor Jup ingerichte kamer was.
“Wat is er?” vroeg de reporter.
“Zie eens!” antwoordde Nab, terwijl hij in lachen uitbarstte.
Wat zag men? Jup, die kalm en ernstig als een Turk zat te rooken op den drempel van het Rotshuis?
“Mijn pijp!” riep Pencroff. “Hij heeft mijn pijp genomen! Mijn beste Jup, ik geef je ze present! Rook, mijn jongen, rook maar!”
En Jup blies dikke rookwolken uit en scheen daarin het grootste genot te vinden.
Cyrus Smith toonde zich in het minst niet verwonderd over dit feit, en hij haalde verscheiden voorbeelden aan van tamme apen, die aan het gebruik van tabak gewoon waren.

Tom bezocht zijn vriend. Bladz. 15.
Maar van dat oogenblik af had Jup zijn eigen pijp, de afgedankte van Pencroff, die in zijn kamer opgehangen werd, bij zijn voorraad tabak. Hij stopte ze zelf, stak ze aan een kooltje vuur aan en scheen het gelukkigste vierhandige wezen ter wereld te zijn. Men begrijpt dat deze overeenkomst van smaak den vriendschapsband tusschen Jup en Pencroff nog nauwer toehaalde.
“Het is misschien een mensch,” zeide Pencroff soms tegen Nab. “Zou het je verwonderen als hij op een mooien dag met ons begon te praten?”
“Waarachtig niet,” antwoordde Nab. “Het verwondert mij juist dat hij nog niet spreekt, want er ontbreekt hem anders niets!”
“Ik zou het toch drommels aardig vinden,” hernam de zeeman, “als hij op een mooien dag tot mij zeide: “Als we eens van pijp verwisselden, Pencroff?”
“Ja,” beaamde Nab. “Wat een ongeluk dat hij stom geboren is.”
Met de maand September was de winter voorbij en men hervatte met ijver den arbeid.
Het schip vorderde snel. Het was reeds geheel getuigd en alleen het inwendige moest nog afgemaakt worden.
Daar het niet aan hout ontbrak, stelde Pencroff den ingenieur voor om den romp met een tweede laag hout te voeren, die de hechtheid van het schip zou verhoogen.
Cyrus Smith, die niet wist wat er kon gebeuren, was het met den zeeman eens om het schip zoo sterk mogelijk te bouwen.
Den 15den September was het binnenwerk en het dek gereed.
Het tusschendek was in tweeën verdeeld en vormde twee hutten, waarin twee banken stonden, die tevens tot koffers dienden.
Pencroff koos in het bosch een jongen den uit, die als mast zou gebruikt worden. Verder werd alles wat gesmeed moest worden naar de smederij van de Schoorsteenen gebracht. In de eerste week van October was alles gereed en men kwam overeen het schip op een reis om het eiland te probeeren, ten einde te weten te komen hoe het zich in zee hield en in hoeverre men er op kon vertrouwen.
Het overige werk werd echter in dien tusschentijd niet verzuimd. De kraal was vergroot, want onder de muffeldieren en geiten telde men een zeker aantal jongen die een hok en voedsel moesten hebben. De kolonisten waren zoowel in het kamp als bij de oesterbank geweest, zij hadden evenmin de konijnenfokkerij als de steenkolen- en ijzerlaag vergeten en waren zelfs gaan jagen in een nog onbezocht gedeelte van het bosch, waar zeer veel wild was.
Er werden nog eenige inheemsche planten gevonden, die, hoewel nog niet van onmiddellijk belang, toch zouden bijdragen om in de groenten van het Rotshuis een weinig afwisseling te brengen.
Den 10den October liep het schip van stapel. Pencroff was verrukt. Alles ging naar wensch. Het schip was geheel getuigd op rollen naar de kust gebracht, het werd door den vloed opgenomen en danste op de golven onder het gejuich der kolonisten, vooral van Pencroff, die op dat oogenblik zijn gewaarwordingen niet bedwingen kon. Maar voor zijn ijdelheid was nog een schooner oogenblik weggelegd; na zijn schip gebouwd te hebben, zou hij als gezagvoerder optreden. De rang van kapitein werd hem met algemeene stemmen toegekend.
Om kapitein Pencroff te voldoen moest men in de eerste plaats het schip een naam geven en na lang beraad, stemden allen voor Bonadventure, den doopnaam van den braven zeeman.
Zoodra de Bonadventure door den vloed in het ruime sop gebracht was, kon men zien dat zij zeer goed zee hield en naar alle bewegingen van het roer stipt luisterde.
Dienzelfden dag zou men er de proef van nemen op een reisje rondom het eiland. Het was prachtig weer, de wind was gunstig, de zee kalm, vooral aan de zuidkust, want reeds een uur lang was het noord-westen wind.
“Aan boord! aan boord!” riep kapitein Pencroff.
Maar men moest eerst flink ontbijten en het kwam den kolonisten zelfs niet onraadzaam voor om provisie aan boord te nemen, voor het geval dat de tocht tot den avond mocht duren.
Cyrus Smith wilde eveneens spoedig het vaartuig probeeren, waarvan hij het ontwerp had gemaakt, maar dat gebouwd was op raad van den zeeman; hij stelde er echter niet het vertrouwen in dat Pencroff had en daar deze niet meer van de reis naar Tabor sprak, hoopte Cyrus Smith zelfs, dat de zeeman dit voornemen had opgegeven. Het zou hem inderdaad leed gedaan hebben twee of drie van zijn metgezellen zich op dat vaartuig te zien wagen, dat toch maar zwak was en slechts vijftien ton meette.
Tegen half elf waren allen aan boord, zelfs Jup en Top. Nab en Harbert lichtten het anker, dat bij den mond van de Mercy in het zand lag; de zeilen werden geheschen, en de Lincolnsche vlag wapperde van den mast! De Bonadventure, door Pencroff bestuurd, koos zee.
Om de Unie-baai uit te komen moest men eerst voor den wind zeilen en bij deze beweging kwam men tot de overtuiging, dat het schip een voldoende snelheid had.
Toen de passagiers op drie à vier mijlen van de kust verwijderd waren en langs de Ballonhaven voeren, kregen zij een geheel nieuw overzicht van hun eiland.
“Dat is prachtig!” riep Harbert uit.
“Ja, ons eiland is mooi en goed,” antwoordde Pencroff. “Ik houd er van als van mijn goede moeder. Het heeft ons arm en van alles ontbloot ontvangen, en wat ontbreekt er nu nog aan zijn vijf kinderen die uit de lucht zijn gevallen?”
“Niets!” antwoordde Nab, “niets, kapitein!”
En er ging een luid hoezee ter eere van het eiland op!
Gideon Spilett teekende onderwijl aan den voet van den mast het panorama dat zich voor hem ontrolde.
Cyrus Smith stond peinzend voor zich uit te staren.
“Welnu, mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff, “wat zegt ge van ons schip?”
“Het schijnt in alle opzichten voldoende,” antwoordde de ingenieur.
“Goed! En gelooft gij nu ook dat het een reis van langen duur zou kunnen ondernemen?”
“Welke reis, Pencroff?”
“Naar het eiland Tabor, bijvoorbeeld?”
“Vriendlief,” antwoordde Cyrus Smith, “ik geloof dat wij in een dringend geval niet moeten aarzelen ons op de Bonadventure te vertrouwen, zelfs voor een langeren duur; maar gij weet, het zou mij leed doen u naar het eiland Tabor te zien vertrekken, daar niets er u toe noodzaakt.”
“Men kent gaarne zijn buren,” antwoordde Pencroff, die bij zijn denkbeeld bleef. “Het eiland Tabor is onze naaste buur, het is onze eenige! De beleefdheid eischt, dat men er ten minste een bezoek brengt!”
“Drommels!” zeide Gideon Spilett, “vriend Pencroff is op zijn stokpaardje als hij over de vormen begint!”
“Ik ben nergens over op mijn stokpaardje,” zeide de zeeman, die door den tegenstand van den ingenieur knorrig was geworden, maar die hem toch niet wilde grieven.
“Vergeet niet,” antwoordde Cyrus Smith, “dat gij niet alleen naar het eiland Tabor kunt gaan.”
“Eén metgezel is voldoende.”
“Goed,” antwoordde de ingenieur. “Maar gij stelt de kolonie van het eiland Lincoln bloot, twee van de vijf kolonisten te verliezen.”
“Van de zes!” antwoordde Pencroff. “Gij vergeet Jup.”
“Van de zeven!” voegde Nab er bij. “Top rekent even goed als een ander!”
“Maar er is geen gevaar, mijnheer Cyrus,” hernam Pencroff.
“Dat is wel mogelijk, Pencroff; maar ik herhaal het, het is zonder noodzaak zich blootstellen.”
De koppige zeeman antwoordde niet en bracht het gesprek op een ander onderwerp, hoewel hij zich vast voorgenomen had, er weer op terug te komen. Maar hij was er in het minst niet van bewust dat er iets zou gebeuren, dat hem te hulp kwam, en hetgeen slechts een gril was in een menschlievend werk zou veranderen.
Nadat men in volle zee had rondgedobberd, richtte men de Bonadventure naar de Ballonhaven.
Zij waren nog slechts een halve mijl van de kust verwijderd en moesten laveeren om wind te krijgen. De Bonadventure liep met halve snelheid, omdat de bries gedeeltelijk terug gehouden werd door het hoogland, en de zeilen hingen slap; slechts nu en dan rimpelde de zee zich, maar overigens was zij spiegelglad.
Harbert stond op den steven, toen hij eensklaps uitriep:

Den 10den October liep het schip van stapel. Blz. 18.
“Loeven, Pencroff, loeven!”
“Wat is er dan?” vroeg de zeeman, terwijl hij opstond. “Een rots?”
“Neen.... wacht eens,” zeide Harbert.... “ik kan niet goed zien.... loef nog meer.... goed.... haal bij....”
Dit zeggende dompelde Harbert, die over boord hing, zijn arm in het water, haalde hem er uit en zeide:
“Een flesch!”
Hij hield een gesloten flesch in zijn hand, die hij op een paar kabellengten van de kust gegrepen had.
Cyrus Smith nam de flesch. Zonder een woord te zeggen deed hij er de kurk af en haalde er een vochtig papier uit waarop stond: Schipbreukeling... Eiland Tabor: 153° w.-lengte—37° 11′ z.-breedte.
III.
Inhoudsopgave
Tot het vertrek wordt besloten.—Onderstellingen.—Toebereidselen.—De drie passagiers.—Eerste nacht.—Tweede nacht.—Het eiland Tabor.—Onderzoek van de kust.—Het bosch wordt doorzocht.—Niemand.—Dieren.—Planten.—Een verlaten hut.
“Een schipbreukeling!” riep Pencroff uit, “op eenige honderden mijlen van ons, op het eiland Tabor! O! mijnheer Cyrus, nu zult gij u toch niet meer tegen mijn reisplan verzetten!”
“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “en gij moet zoo spoedig mogelijk vertrekken.”
“Morgen?”
“Morgen.”
De ingenieur hield het papier, dat hij uit de flesch gehaald had, in zijn hand. Hij dacht eenige oogenblikken na en zeide toen:
“Uit dit papier, vooral uit den vorm waarin het gesteld is, kan men opmaken: in de eerste plaats, dat de schipbreukeling van het eiland Tabor een man is, die genoegzame kennis heeft van de zeevaart, omdat hij dezelfde lengte en breedte van het eiland opgeeft, welke wij gevonden hebben; in de tweede plaats is hij Engelschman of Amerikaan, daar het stuk in de Engelsche taal geschreven is.”
“Dat is zeer waar,” antwoordde Gideon Spilett, “en de tegenwoordigheid van den schipbreukeling verklaart ook het aanspoelen van de kist op de kust van het eiland. Er is een schipbreukeling, alzoo moet er ook een schipbreuk geweest zijn. Wat deze laatste betreft, het is gelukkig voor hem, dat Pencroff op het denkbeeld is gekomen om een schip te bouwen en het juist vandaag te probeeren, want een dag later had de flesch op de klippen verbrijzeld kunnen worden.”
“Het is inderdaad bijzonder gelukkig,” zeide Harbert, “dat de Bonadventure hier passeerde juist toen de flesch nog dreef!”
“Komt u dat niet zonderling voor?” vroeg Cyrus Smith aan Pencroff.
“Het komt mij gelukkig voor, ziedaar alles,” antwoordde de zeeman. “Ziet gij hier iets buitengewoons in, mijnheer Cyrus? Die flesch moest toch ergens heen en waarom niet hier en wel ergens anders.”
“Gij hebt misschien gelijk, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “en toch....”
“Maar,” merkte Harbert op, “bewijst niets dat deze flesch reeds lang op zee drijft?”
“Niets,” antwoordde Gideon Spilett, “en zelfs het stuk komt mij voor nog maar kort geleden geschreven te zijn. Wat denkt gij daarvan, Cyrus?”
“Dat is moeilijk uit te maken, en wij zullen het bovendien spoedig te weten komen!” antwoordde Cyrus Smith.
Pencroff had intusschen de Bonadventure gewend. Ieder dacht aan den schipbreukeling van het eiland Tabor. Was het nog tijd om hem te redden? Het was een groote gebeurtenis in het leven van de kolonisten. Zij zelf waren slechts schipbreukelingen, maar het was te vreezen, dat anderen het minder gunstig getroffen hadden, en het was hun plicht om den ongelukkige te hulp te komen.
Tegen vier uur lag de Bonadventure aan den mond van de Mercy.
Dienzelfden avond werd alles geregeld voor de nieuwe onderneming. Het kwam allen het best voor, dat Pencroff en Harbert, die met het besturen van een schip bekend waren, alleen de reis zouden ondernemen. Als zij den volgenden morgen, 11 October, vertrokken, konden zij in den loop van den 13den Tabor bereiken, want met den heerschenden wind had men slechts acht en veertig uur noodig om dezen tocht van honderd vijftig mijlen af te leggen. Een dag op het eiland, drie of vier dagen voor de heen en terugreis, maken vier of vijf dagen zoodat men den 17den op het eiland Lincoln terug kon zijn. Het was prachtig weer; de barometer steeg geregeld; de wind scheen gunstig te zullen blijven; alle kansen waren dus in het voordeel dezer moedige mannen, die door een menschlievenden plicht zich genoopt voelden zich ver van hun eiland te wagen.
Het was eerst bepaald dat Cyrus Smith, Nab en Gideon Spilett in het Rotshuis zouden blijven; maar Gideon Spilett die zijn betrekking van reporter van de New-York-Herald niet kon vergeten, kwam er tegen op en verklaarde, dat hij eer het schip zou nazwemmen, dan zulk een mooie gelegenheid voorbij te laten gaan; hem werd dan ook toegestaan om aan de reis deel te nemen.
In den avond bracht men bedden, werktuigen, wapenen, munitie, een kompas en voor acht dagen levensmiddelen aan boord.
Den volgenden morgen om vijf uur nam men niet zonder aandoening van weerszijden afscheid. Pencroff heesch de zeilen en richtte zijn weg naar het zuidwesten.
De Bonadventure was reeds een kwart mijl van de kust verwijderd, toen de passagiers op de hoogte van het Rotshuis twee mannen bemerkten, die hun een afscheidsgroet toewuifden. Het waren Cyrus Smith en Nab.
“Onze vrienden!” riep Gideon Spilett uit. “Dat is onze eerste scheiding sedert vijftien maanden!....”
Pencroff, de reporter en Harbert beantwoordden het laatst vaarwel van hunne lotgenooten en het Rotshuis verdween weldra achter de hooge bergen.
Harbert verving Pencroff nu en dan aan het roer, en de hand van den jongeling was zoo vast, dat de zeeman er niets op had aan te merken.
Gideon Spilett sprak dan met den een dan met den ander en zelfs hielp hij somtijds, wanneer dit noodig was. Kapitein Pencroff was bijzonder ingenomen met zijn bemanning en beloofde niets minder dan een “extra oorlam.”
De nacht was donker, maar vol sterren en beloofde nog een prachtigen dag.
Voorzichtigheidshalve liet Pencroff de bramzeilen strijken, daar hij niet door een windvlaag overvallen wilde worden met bovenzeilen op. Het was misschien te veel voorzorg voor een kalmen nacht, maar Pencroff was een voorzichtig zeeman, en men kon het hem niet ten kwade duiden.
De reporter sliep een deel van den nacht. Pencroff en Harbert wisselden elkander om de twee uur aan het roer af. De zeeman stelde evenveel vertrouwen in Harbert als in zich zelven en dat vertrouwen werd gerechtvaardigd door de koelbloedigheid en het verstand van den knaap. Pencroff gaf hem het roer in handen als een commandant aan zijn roerganger en Harbert liet de Bonadventure geen steek uit haar richting loopen.
De zee, waarop het vaartuig dreef, was geheel verlaten. Nu en dan kwam er een groote stormvogel of een fregatvogel binnen het bereik van het geweer en Gideon Spilett vroeg zich af of hij mogelijk niet aan een van deze hoogvliegers zijn bericht aan den New-York-Herald had toevertrouwd. Deze vogels waren de eenige wezens, welke dit gedeelte van den Oceaan, tusschen het eiland Tabor en het eiland Lincoln, schenen te bezoeken.
“En toch,” merkte Harbert op, “zijn wij nu juist in den tijd dat de walvischvaarders gewoonlijk hunne vaartuigen naar het zuidelijk gedeelte van de Stille Zee richten. Ik geloof werkelijk dat er geen zee zoo verlaten is als deze.”
“Zij is niet zoo geheel verlaten!” antwoordde Pencroff.

“Loeven, Pencroff, loeven!” Bladz. 21.
“Hoe meent gij dat?” vroeg de correspondent.
“Maar wij zijn er toch. Houdt gij ons schip dan voor een wrak en ons zelven voor bruinvisschen?”
Dien avond schatten zij dat de Bonadventure een afstand van honderd twintig mijlen had afgelegd, sedert haar vertrek van het eiland Lincoln, dat is te zeggen in zes en dertig uur, hetgeen een snelheid van drie en een derde mijl in het uur gaf. De wind was zwak en zou weldra geheel gaan liggen. Men mocht in ieder geval hopen, indien men goed gerekend had en de richting juist was geweest, bij het aanbreken van den volgenden dag het eiland Tabor te zullen bereiken.
Gideon Spilett, noch Harbert, noch Pencroff sliepen dien nacht. In afwachting van den volgenden morgen konden zij hunne aandoening niet meester blijven. Er was zooveel onzekerheid in de onderneming, die zij gewaagd hadden! Waren zij dicht bij het eiland Tabor? Was dat eiland nog door dien schipbreukeling bewoond, dien zij nu te hulp kwamen? Wat was deze voor een man? Zou zijn tegenwoordigheid, de kleine kolonie, die tot nog toe zoo eensgezind was geweest, niet storen? Zou hij er in toestemmen zijn gevangenis voor een andere te ruilen? Al deze vragen, die zeker den volgenden dag beantwoord zouden worden, hielden hen uit hun slaap en bij de eerste ochtendschemering richtten zij achtereenvolgens hun blik naar elk punt van den westelijken horizon.
“Land!” riep Pencroff tegen zes uur in den morgen.
En daar het niet aan te nemen was, dat Pencroff zich vergiste, was men zeker land voor zich te hebben.
Men oordeele over de vreugde van de kleine bemanning van de Bonadventure!
Binnen weinige uren zouden zij op de kust van het eiland zijn!
Men was nog slechts vijftien mijlen van het eiland Tabor verwijderd, dat een lage kust had, welke nauwelijks boven de golven uitstak.
De steven van de Bonadventure, die een weinig ten zuiden van het eiland wees, werd nu daarheen gericht en naarmate de zon in het oosten steeg, kreeg men ook hier en daar eenige toppen in het gezicht.
“Het is een eilandje van veel minder belang dan het eiland Lincoln,” merkte Harbert op. “Het is waarschijnlijk eveneens ontstaan door een onderzeesche beweging.”
Om elf uur was de Bonadventure er nog slechts twee mijlen van verwijderd en Pencroff zocht een plaats om te landen, maar ging in deze onbekende streken uiterst voorzichtig te werk.
Men kon toen het eiland in zijn geheel overzien, waarop eenige groenende struiken wiesen en enkele groote boomen van dezelfde soort als op Lincoln groeiden.
Maar zonderling genoeg, nergens zag men een rookwolk opstijgen, die aantoonde dat het eiland was bewoond; geen spoor hiervan was er op eenig punt van de kust te zien.
Het stuk was nochtans duidelijk geweest; er was een schipbreukeling en die schipbreukeling moest toch op den uitkijk zijn!
De Bonadventure waagde zich echter in de grillige passen, die tusschen de klippen stroomden, en Pencroff nam de onbeduidendste bochten nauwkeurig op. Hij had Harbert aan het roer gezet en aan den voorsteven nam hij het water waar, gereed om zeil te reven, waarvan hij het touw in de handen hield. Gideon Spilett ging met zijn verrekijker de geheele kust na, zonder dat hij iets bespeurde.
Eindelijk tegen twaalf uur, stootte de Bonadventure met haar voorsteven op de zandkust. Het anker werd geworpen, de zeilen werden gestreken en de bemanning van het kleine vaartuig ging aan wal.
Er viel niet te twijfelen of het was het eiland Tabor, omdat er, volgens de laatst uitgegeven kaarten, geen ander eiland in dit gedeelte van de Stille Zee tusschen Nieuw-Zeeland en de Amerikaansche kust bestond.
Het schip werd stevig vastgemeerd om te voorkomen dat het door den vloed meegenomen werd; en na zich goed gewapend te hebben, begaf Pencroff zich met zijn beide metgezellen op weg naar een kleinen bergtop van ongeveer twee honderd vijftig à drie honderd voet hoogte, op een halve mijl afstands.
“Van den top van dezen heuvel,” zeide Gideon Spilett, “zullen wij zonder twijfel het eiland kunnen overzien, hetgeen onze nasporingen veel gemakkelijker zal maken.”
“Wij moeten hier doen,” antwoordde Harbert, “wat mijnheer Cyrus het eerst op het eiland Lincoln gedaan heeft, toen hij den berg Franklin besteeg.”
“Precies hetzelfde,” antwoordde de reporter, “en dit is de beste manier om te beginnen.”
Al pratende volgden zij den zoom van een grasvlakte, die zich tot aan den voet van den heuvel uitstrekte. Een groot aantal rotsduiven en zeezwaluwen, van dezelfde soort als op Lincoln vlogen bij hun nadering op. In het bosch, aan de linkerzijde van de weide, hoorden zij ritselen in het kreupelhout en zagen zij het gras bewegen, hetgeen wel bewees dat er zeer schuwe beesten verblijf hielden; maar nog niets duidde aan dat het eiland bewoond was.
Pencroff, Harbert en Gideon waren weldra op den top van den berg en hun blik kon vrij langs alle punten van den horizon weiden.
Zij waren op een eiland, dat niet meer dan zes mijlen omtrek had en langwerpig rond van vorm was. Rondom was de zee geheel verlaten en smolt aan den horizon met de lucht samen. Er was geen land, geen zeil in het gezicht.
Dit eiland, dat geheel begroeid was, leverde niet zulk een afwisseling op als Lincoln, waarvan een gedeelte onvruchtbaar en wild was en een ander vruchtbaar en weelderig. Hier was het een onafgebroken massa groen, waarboven twee of drie heuvels uitstaken. Dwars door een groote weide liep een kleine beek, die zich aan de westkust door een nauwen mond in zee stortte.
“Het is een zeer beperkt gebied,” zeide Harbert.
“Ja,” antwoordde Pencroff, “het zou voor ons wel wat te klein zijn geweest.”
“En erger,” zeide de reporter, “het schijnt onbewoond.”
“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “niets duidt de aanwezigheid van menschen aan.”
“Laten wij naar beneden gaan en zoeken,” gaf Pencroff te raad.
De zeeman en zijn beide metgezellen keerden naar de kust terug, naar de plaats waar zij de Bonadventure hadden achtergelaten. Zij hadden besloten om te voet een tocht om het eiland te maken, vóor zich in het binnengedeelte te wagen, zoodat er niets aan hun onderzoek kon ontgaan.
Men kon gemakkelijk de kust volgen, welke op enkele punten slechts door groote rotsen afgebroken werd, die men echter kon omtrekken. De verkenners richtten zich naar het zuiden; een groot aantal watervogels en zeehonden vluchtten bij hun nadering, reeds wanneer zij hen van verre zagen komen.
“Het is niet voor de eerste maal,” merkte de reporter op, “dat deze dieren menschen zien. Zij vreezen hen en dus kennen zij hen.”
Een uur na hun vertrek kwamen zij bij de zuidelijke punt van het eiland en keerden zij langs de westkust naar het noorden terug. Ook deze kust bestond uit zand en rotsen en was door dichte bosschen begrensd.
Nergens was een spoor te ontdekken van bewoners, nergens over de geheele oppervlakte van het eiland, dat zij in vier uur geheel doorkruist hadden, was de indruk van een voetstap te vinden.
Het was zeer zonderling en men moest gelooven dat het eiland Tabor niet of niet meer bewoond was.
Misschien was het geschrift in de flesch reeds maanden of jaren oud en was het in dit geval mogelijk, dat de schipbreukeling naar zijn land teruggekeerd of van ellende omgekomen was.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert gebruikten onder druk gesprek hun middagmaal aan boord van de Bonadventure, om zoo mogelijk hun verkenning tot den nacht voort te zetten.
Tegen vijf uur in den avond waagden zij zich in het bosch.
Ook daar jaagden zij menig dier op, maar vooral, men zou zelfs kunnen zeggen, uitsluitend geiten en varkens, die men aanstonds als van europeesch ras herkende.
Een walvischvaarder had ze ongetwijfeld op het eiland ontscheept, waar zij zich spoedig vermenigvuldigd hadden. Harbert nam zich voor eenigen daarvan levend te vangen om ze naar Lincoln over te brengen.

Het waren Cyrus Smith en Nab. Bladz. 24.
Het viel dus niet meer te betwijfelen, dat te eeniger tijd menschen dit eiland bezocht hadden. Men was er nog meer van overtuigd, toen men dwars door het bosch gebaande wegen zag en zelfs boomstammen, die met een bijl geveld waren, en overal sporen van menschenarbeid; maar deze boomen, die reeds tot vermolmen overgingen, waren vele jaren geleden geveld: de inkervingen van de bijl waren met mos overdekt, en het lange gras groeide in overvloed op de paden, zoodat men ze nauwelijks terug kon vinden.
“Maar,” merkte Gideon Spilett op, “dit bewijst dat hier niet alleen menschen aan wal zijn geweest, maar dat zij het zelfs gedurende eenigen tijd bewoond hebben.”
Wie waren deze menschen? Hoeveel waren er? Hoeveel zijn er nog?
“Het geschrift,” zeide Harbert, “spreekt slechts van één schipbreukeling.”
“Welnu, indien er nog éen is,” antwoordde Pencroff, “dan moeten wij hem ook volstrekt vinden!”
Men zette dus de verkenning voort.
De zeeman en zijn metgezellen volgden natuurlijk den weg, die het eiland dwars doorsneed, en hielden dus den oever van de rivier, welke naar zee voerde.
Gaven dieren van Europeeschen oorsprong en eenige sporen van menschenarbeid reeds onbetwistbaar te kennen, dat er menschen op dit eiland geweest waren, verscheiden eigenaardigheden in het plantenrijk bewezen dit niet minder. Op enkele open plaatsen in het bosch zag men dat er moeskruiden geplant waren geweest in een waarschijnlijk lang verleden tijdperk.
De vreugde van Harbert was onbeschrijfelijk, toen hij aardappelen, cichorei, zuring, wortelen, kool en knollen vond, waarvan hij het zaad slechts behoefde te nemen om er den bodem van Lincoln mede te verrijken!
“Goed zoo, goed!” zeide Pencroff. “Dat is iets voor Nab. Vinden wij den schipbreukeling niet, dan zal onze reis ten minste niet te vergeefs zijn geweest en God zal ons beloond hebben!”
“Voorzeker,” antwoordde Gideon Spilett; “maar te oordeelen naar den staat, waarin deze moestuinen verkeeren, moet men vreezen dat het eiland sedert lang niet meer bewoond is.”
“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “een bewoner, wie hij ook zij, zou zulke onmisbare planten niet zoo verwaarloosd hebben!”
“Ja,” zeide Pencroff, “die schipbreukeling is weg!... Dat moeten wij aannemen....”
“Men moet dus aannemen dat het papier in de flesch reeds van ouden datum is?”
“Natuurlijk.”
“En dat deze flesch het eiland Lincoln eerst bereikt heeft na langen tijd op zee te hebben rondgezworven?”
“Waarom niet?” antwoordde Pencroff.—“Maar de nacht valt in,” voegde hij er bij, “en ik geloof, dat het beter is ons onderzoek te schorsen.”
“Laten wij aan boord gaan; morgen kunnen wij weer beginnen,” zeide de reporter.
Dit was het verstandigste en zijn raad werd opgevolgd, toen Harbert op een verwarde massa tusschen de boomen wees en uitriep:
“Een woning!”
Allen richtten zich onmiddellijk naar de aangewezen plaats. Bij de schemering kon men nog zien dat de woning uit planken bestond en door een dik geteerd zeil overtrokken was.
De deur, die aanstond, werd door Pencroff opengestooten, die snel binnentrad.... De woning was ledig!
VI.
Inhoudsopgave
Inventaris.—De nacht.—Eenige letters.—Voortzetting van het onderzoek.—Planten en dieren.—Harbert in gevaar.—Aan boord.—Vertrek.—Slecht weer.—Een vonk van instinct verdoold op zee.—Een vuur te rechter tijd.
Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden der duisternis.
Pencroff riep met luider stem.
Geen antwoord.
De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte vlam en gaf een helder licht.
De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen; op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had gehad om zulk een dikte te verkrijgen.
“Er is niemand,” zeide de reporter.
“Niemand!” herhaalde Pencroff.
“Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd,” merkte Harbert op.
“Zeer lang!” beaamde de reporter.
“Mijnheer Spilett,” zeide Pencroff, “ik geloof, dat het beter is den nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug te keeren.”
“Gij hebt gelijk, Pencroff,” antwoordde Gideon Spilett, “en indien de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen zijn plaats ingenomen te vinden!”
“Hij zal niet terugkomen!” zeide de zeeman, het hoofd schuddende.
“Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?” vroeg de reporter.
“Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens en werktuigen meegenomen,” zeide Pencroff. “Gij weet hoezeer schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!” herhaalde de zeeman op stelligen toon, “neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op het eiland!”
“Levend?....” vroeg Harbert.
“Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf niet begraven, denk ik,” antwoordde Pencroff; “en wij zullen ten minste zijn geraamte vinden!”
Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten, en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees, dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend, die door vrienden verwacht werd!
Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen alzoo voorbij.
Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze verlaten was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om het althans te begraven.

Harbert wees tusschen de boomen op een woning. Blz. 31.
De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk met het onderzoek in de hut.
Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.
De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had, daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.
Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij het omloopen van de hut een plank zag—waarschijnlijk een, die tot den voorsteven van het schip behoord had—waarop deze nog nauwelijks leesbare letters stonden:
BR.TAN..A.
“Britannia!” riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was, “dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!”
“Het doet er weinig toe, Pencroff.”
“Dat is waar,” antwoordde de zeeman, “en wij zullen den overgeblevene van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten, eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!”
Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.
In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De gebaande weg was niet lang,—nauwelijks een mijl. Men ging dus op weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout, waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.
Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.
Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder reden ongerust te zijn.
Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men genoeg versterkt was, werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.
Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend dier het tot de laatste beenderen had verslonden.
“Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken,” zeide Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige oogenblikken uit te rusten.
“Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen, die aan den schipbreukeling behoord hebben,” zeide Harbert.
“Ik geloof het ook,” antwoordde Gideon Spilett, “en deze wapens en gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk.”
“Ja,” antwoordde Pencroff, “maar laten wij niet vergeten een of twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in overvloed zijn.”
“En eenige van die zaden eveneens,” voegde Harbert er bij, “waardoor wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen.”
“Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou kunnen zijn.”
“Neen, mijnheer Spilett,” antwoordde Pencroff, “ik moet u verzoeken morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor, dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder gunstigen wind hebben om terug te keeren.”
“Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!” zeide Harbert terwijl hij opstond.
“Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan,” herhaalde Pencroff. “Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige stuks meester te maken!”
Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.
Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die bijzonder vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat, toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.
Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.
“Dat is de stem van Harbert!” zeide de reporter.
“Spoedig naar hem toe,” riep Pencroff.
De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.
En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel, een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.
Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden, was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden, zoodat het geen beweging meer kon maken.
“Zijt gij niet gewond, Harbert?” vroeg Gideon Spilett.
“Neen, neen!”
“Als hij u eens gewond had, die aap!....” riep Pencroff uit.
“Maar het is geen aap!” antwoordde Harbert.
Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond lag, nauwkeuriger op.
Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking vervallen scheen!
Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels, donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin was overgebleven!
“Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?” vroeg; Pencroff aan den reporter.
“Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen,” antwoordde deze.

Zij zagen den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel. Blz. 36.
“Zou dit dan de schipbreukeling zijn?” vroeg Harbert.
“Ja,” antwoordde Gideon Spilett, “maar de ongelukkige heeft niets menschelijks meer!”
Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.
Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.
De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide Gideon Spilett:
“Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!”
“Ja! ja!” antwoordde Harbert, “en misschien zal men door zorgvuldige verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!”
“De ziel sterft niet,” zeide de reporter, “en het zou voor ons een groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking te ontrukken!”
Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.
“Men moet het in ieder geval beproeven,” antwoordde de reporter, “en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons.”
Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden, wanneer zij aldus handelden.
“Zullen wij hem geboeid laten?” vroeg de zeeman.
“Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat,” zeide Harbert.
“Laten wij het beproeven.”
De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt, maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp een doordringenden blik op de drie mannen, die naast hem liepen en niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.
Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden, eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op te wekken!
De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het besef van alles verloren te hebben.
Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest, en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?
De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.
Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.
Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder toezicht van Pencroff bleef.
Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige stukken wild en twee paar zwijnen.
Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de vloed den volgenden morgen opkwam.
De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm, onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.
Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had, wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.
“Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?” zeide Pencroff, terwijl hij het hoofd schudde.
“Misschien,” antwoordde de reporter. “Het is niet onmogelijk dat wij er door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!”
“Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen toestand!” zeide Harbert.
“Misschien,” antwoordde Gideon Spilett.
“Hoe oud zou hij zijn?”
“Dat is moeilijk te bepalen,” antwoordde de reporter, “want men kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel, dat hij minstens vijftig jaar moet zijn.”
“Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in hunne kassen verborgen zijn?” vroeg Harbert.
“Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel zou verwachten bij het zien van zijn lichaam.”
“Wij moeten afwachten,” zeide Pencroff, “en ik ben nieuwsgierig het oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar men doet wat men kan!”
De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren, die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en later weder wild worden.
Bij het aanbreken van den volgenden dag—15 October—was het weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte de vaart moeielijker.
Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.
De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van belang voorviel.
Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde, zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor de reis naar Tabor.
17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs voor een oogenblik onder een golf bedolven.
De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.
De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend zee gehouden.

“Een vuur, een vuur!” Bladz. 42.
Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er aan om te gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure was door den stroom medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.
Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.
Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:
“Een vuur! een vuur!”
Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.
Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van de eerste grootte aan den horizon schitterde.
V.
Inhoudsopgave
De terugkomst.—Onderling overleg.—Cyrus Smith en de onbekende.—De ballonhaven.—Tranen.—De derde oogst.—Een windmolen.—Het eerste meel en het eerste brood.—Opoffering van den ingenieur.—Een treffende ontdekking.
Den volgenden dag—20 October—tegen zeven uur in den morgen liep de Bonadventure, na een reis van vier dagen, den mond van de Mercy binnen.
Cyrus Smith en Nab waren reeds vroeg in den morgen naar de bergvlakte gegaan, daar zij zeer ongerust waren over het ongunstige weer en het lang uitblijven van hunne makkers; eindelijk hadden zij het vaartuig in het gezicht gekregen waarnaar zij zoo lang hadden uitgezien!
“God zij gedankt! Daar zijn zij!” riep Cyrus Smith uit.
Nab sprong, draaide op zijn hielen rond en klapte in zijn handen van plezier onder het roepen van: “O! mijn meester!” deze pantomime was welsprekender dan het mooiste betoog!
De eerste gedachte van den ingenieur, toen hij de personen telde die hij op het dek van de Bonadventure bespeurde, was dat Pencroff den schipbreukeling van het eiland Tabor niet had kunnen vinden of dat deze ongelukkige geweigerd had zijn eiland te verlaten en en zijn gevangenis met een andere te verwisselen.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert stonden inderdaad alleen op het dek van de Bonadventure.
De ingenieur en Nab wachtten aan de kust toen het vaartuig landde en nog voordat de passagiers voet aan wal hadden, zeide Cyrus Smith:
“Wat zijn wij ongerust over uw lang uitblijven geweest, vrienden! Is u een ongeluk overkomen?”
“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, “alles is integendeel goed afgeloopen. Wij zullen u alles vertellen.”
“Gij zijt echter niet geslaagd in uwe nasporingen, daar er slechts, evenals bij het uitzeilen, drie man aan boord zijn?”
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Cyrus, wij zijn met ons vieren!” antwoordde de zeeman.
“Gij hebt den schipbreukeling dus gevonden?”
“Ja.”
“En gij hebt hem meegebracht?”
“Ja.”
“Levend?”
“Ja.”
“Waar is hij? Wie is hij?”
“Het is, of liever het was een man!” antwoordde de reporter. “Dit is alles wat wij u kunnen zeggen, Cyrus!”
De ingenieur werd spoedig op de hoogte gebracht van alles wat er gedurende de reis was voorgevallen. Men vertelde hem onder welke omstandigheden de nasporingen hadden plaats gehad, hoe de eenige woning van het eiland sedert lang verlaten was, hoe men eindelijk een schipbreukeling had gevonden, die niet meer tot het menschelijk geslacht scheen te behooren.”
“En ik weet zelfs niet,” voegde Pencroff er bij, “of wij goed gehandeld hebben met hem hierheen te voeren.
“Zeer zeker hebt gij goed gehandeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur levendig.
“Maar deze ongelukkige is van zijn verstand beroofd.”
“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Cyrus Smith, “maar nauwelijks eenige maanden geleden was hij een mensch, zooals gij en ik. En wie weet wat er van de laatstoverlevende van ons zal worden, na een lange afzondering op dit eiland? Wee hem! die alleen is, vrienden. Gelooft vrij, dat de eenzaamheid spoedig het verstand uitdooft. Dit blijkt weder uit den ongelukkige, dien gij in zulk een toestand gevonden hebt!”
“Maar, mijnheer Cyrus,” vroeg Harbert, “waarom gelooft gij dat de verdierlijking van dit rampzalige wezen slechts van eenige maanden is?”
“Omdat het bericht, dat wij gevonden hebben, eerst kort geleden geschreven was,” antwoordde de ingenieur, “en dat alleen de schipbreukeling dit stuk heeft kunnen schrijven.”
“Wanneer het ten minste niet opgesteld is door een lotgenoot van dien man, welke na dien tijd gestorven is,” merkte Gideon Spilett op.
“Dat is niet mogelijk, mijn waarde Spilett.”
“Waarom?” vroeg de reporter.
“Omdat het stuk van twee schipbreukelingen gesproken zou hebben,” hernam Cyrus Smith, “en er wordt slechts van éen melding gemaakt.”
Harbert verhaalde in weinige woorden wat er gedurende den tocht was voorgevallen.
De schipbreukeling van het eiland Tabor werd vervolgens uit de hut van de Bonadventure gehaald en toen hij aan wal stond, toonde hij groote neiging om te ontvluchten.
Cyrus Smith naderde hem en legde de hand op zijn schouder, met een gebaar van gezag, terwijl hij hem vriendelijk in de oogen blikte. De ongelukkige werd, onder den indruk dier plotselinge overmacht, langzamerhand kalmer; hij sloeg de oogen neder, boog het hoofd en verzette zich niet meer.
“Arme verlatene!” mompelde de ingenieur.
Er werd besloten, dat de onbekende—want met dezen naam duidden zijn lotgenooten hem voortaan aan—een van de kamers van het Rotshuis krijgen zou, waaruit hij niet kon ontsnappen. Hij liet er zich zonder tegenstand heen brengen en wanneer men hem met groote zorg behandelde, misschien zou men dan eenmaal een kolonist meer mogen tellen op het eiland Lincoln.
Onder een flink ontbijt, dat Nab spoedig gereed had gemaakt,—de reporter, Harbert en Pencroff waren uitgehongerd,—liet Cyrus Smith zich de reis naar het eiland tot in de kleinste bijzonderheden vertellen. Hij was het met zijn vrienden op dat punt eens, dat de onbekende een Engelschman of een Amerikaan moest zijn, want de naam Britannia gaf alle reden dit te vermoeden en onder dien verwaarloosden baard en dat verwarde haar meende de ingenieur overigens het Anglo-Saxische type te herkennen.
“Maar gij hebt ons nog niet verteld, Harbert,” zeide Gideon Spilett, “op welke manier gij dezen wilde ontmoet hebt en wij weten niet anders, dan dat hij u geworgd zou hebben, wanneer wij niet bij tijds waren gekomen om je te verlossen!”
“Dat is zoo,” antwoordde Harbert, “maar ik weet waarlijk zelf niet goed meer hoe alles is toegegaan. Ik was, geloof ik, bezig planten te verzamelen toen ik geluid hoorde als van een sneeuwklomp die uit een zeer hoogen boom viel.... Die ongelukkige, die waarschijnlijk in een boom verscholen zat, had zich op mij geworpen, binnen korter tijd dan ik noodig heb het te vertellen en zonder mijnheer Spilett en Pencroff....”
“Jongenlief!” zeide Cyrus Smith, “gij hebt daar inderdaad een groot gevaar geloopen, maar zonder dat zou dit arme wezen misschien nooit door u gevonden zijn en zouden wij niet een metgezel meer kunnen tellen.”

Cyrus Smith legde de hand op zijn schouder. Bladz. 44.
“Gij hoopt dus, Cyrus, er in te slagen weer een mensch van hem te maken?” vroeg de reporter.
“Ja,” antwoordde de ingenieur.
De geheele lading van de Bonadventure werd aan wal gebracht. De vaatjes kruit en lood waren zeer welkom. Men besloot zelfs een klein kruitmagazijn aan te leggen, hetzij buiten het Rotshuis hetzij in een van de kelders waar geen ontploffing te vreezen was.
Toen alles ontladen was zeide Pencroff:
“Mijnheer Cyrus, ik geloof dat het voorzichtig zou zijn onze Bonadventure op een veilige plaats te brengen.”
“Is zij dan niet goed in den mond van de Mercy?” vroeg Cyrus Smith.
“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Zij wordt bijna onophoudelijk op het zand heen en weer geworpen, en dat schaadt haar te veel. Het is een goed schip, ziet u, dat zich uitmuntend gehouden heeft in den storm, waartegen wij op onze terugkomst hevig te kampen hebben gehad.”
“Zou men haar niet in de rivier kunnen laten liggen?”
“Zeker zou dat kunnen, mijnheer Cyrus, maar die mond levert in het minst geen schuilplaats, en bij oostenwind zou de Bonadventure veel van de golven te lijden hebben.”
“Maar waar wilt gij haar dan brengen, Pencroff?”
“Naar de Ballonhaven,” antwoordde hij. “Die kleine kreek, rondom door rotsen besloten, komt mij voor juist de haven te zijn, die wij noodig hebben.”
“Is zij niet wat te ver af?”
“Kom, niet meer dan drie mijlen van het Rotshuis, en wij hebben een rechten weg om er haar naar toe te voeren!”
“Het is goed, Pencroff, breng uw Bonadventure er heen,” antwoordde de ingenieur, “en toch had ik haar liever meer in onze nabijheid om haar in het oog te houden. Wanneer wij tijd hebben moesten wij er een kleine haven voor trachten te maken.
“Lieve Hemel!” riep Pencroff uit. “Een haven met een baak, een hoofd en een dok! Met u wordt alles gemakkelijk!”
Harbert en de zeeman scheepten zich opnieuw in, het anker van de Bonadventure werd gelicht, de zeilen geheschen en een goede bries bracht hen binnen twee uur in de Ballonhaven.
De schipbreukeling toonde zich in het begin onwillig en soms vreesde men, dat hij door een van de vensters van het Rotshuis naar het strand zou vluchten. Maar hij werd langzamerhand bedaarder en men kon hem meer vrijheid laten.
Men kreeg reeds meer en meer hoop. Hij legde zelfs zijn instinct van vleeschetend dier af en nam ook minder het dierlijk voedsel aan, dat hij op het eiland gebruikte; hij had niet zulk een afkeer meer van gebraden vleesch dan hij aan boord van de Bonadventure getoond had.
Cyrus Smith had gebruik gemaakt van des vreemdelings slaap om hem zijn haren en zijn ordeloozen baard af te snijden, die als manen om zijn hoofd hingen. Hij had hem ook beter gekleed, nadat hij hem de lompen, waarmede hij bedekt was, had afgenomen. Het gevolg van die zorgen was, dat de onbekende er menschelijker uitzag, en het scheen zelfs, dat zijn blik zachter werd. Het was zeker, dat het gelaat van dien man schoon moest zijn geweest toen het nog door verstand verhelderd werd.
Cyrus Smith bracht iederen dag eenige uren in zijn gezelschap door. Hij kwam bij hem werken en deed allerlei dingen om zijn aandacht te trekken. Een vonk, een herinnering kon inderdaad voldoende zijn om deze ziel te doen herleven, om het verstand weder op te wekken!
De ingenieur sprak ook dikwijls zeer luid om ter zelfder tijd door de organen van het gehoor en van het gezicht dat verdoofde verstand te treffen. Nu en dan voegde er een van zijn metgezellen, soms ook allen zich bij hem. Zij spraken dan meestal over de zee en de zeevaart, die in de eerste plaats de aandacht van een zeeman moesten trekken. Soms luisterde de onbekende vaag naar hetgeen er gesproken werd en de kolonisten kwamen weldra tot de overtuiging, dat hij hen gedeeltelijk begreep. Enkele keeren was de uitdrukking van zijn gelaat zeer somber en kon men zien, dat hij innerlijk leed; maar hij sprak niet, hoewel men verscheiden malen meende te bespeuren, dat er woorden over zijn lippen zouden komen.
De kolonisten volgden met ware belangstelling elke vordering van Cyrus Smith op dezen ongelukkige. Ook hielpen zij hem in dit menschlievend werk en allen, behalve misschien de ongeloovige Pencroff, deelden weldra zijn hoop en geloof.
De onbekende was zeer kalm en had voor den ingenieur, onder wiens invloed hij zichtbaar stond, een soort van gehechtheid. Cyrus Smith wilde hem op de proef stellen door hem in een andere omgeving te brengen, bij dien Oceaan, waarop hij vroeger altijd had gestaard en aan den zoom van de bosschen, die hem moesten herinneren aan die, waarin hij zooveel jaren zijn leven had doorgebracht!
“Maar,” zeide Gideon Spilett, “mogen wij hopen dat hij niet ontvluchten zal, zoodra hij vrij is?”
“Dat moeten wij afwachten,” antwoordde de ingenieur.
“Goed!” zeide Pencroff. “Wanneer die snuiter zich vrij gevoelt en die groote ruimte voor zich ziet, dan zal hij zoo hard mogelijk wegloopen!”
“Ik geloof het niet,” antwoordde Cyrus Smith.
“Laten wij het beproeven.”
“Wij zullen het beproeven.”
Dit gesprek werd gehouden op den 30sten October en bij gevolg negen dagen nadat de schipbreukeling van het eiland Tabor in het Rotshuis gevangen was. Het was warm en de zon scheen helder op het eiland.
Cyrus Smith en Pencroff gingen naar de kamer van den onbekende, dien zij naast zijn venster vonden liggen, terwijl hij naar de lucht keek.
“Ga mede, mijn vriend,” zeide de ingenieur tot hem.
De onbekende stond oogenblikkelijk op. Zijn blik richtte zich op Cyrus Smith en hij volgde hem, terwijl de zeeman achter hem liep, die weinig vertrouwen stelde in den uitslag van deze proef.
Weldra was men aan de kust, waar Nab, Harbert en Gideon Spilett wachtten.
De kolonisten verwijderden zich een weinig van den onbekende om hem eenige vrijheid te laten.
Hij deed eenige stappen naar de zee en zijn blik schitterde met buitengewonen glans, maar hij trachtte volstrekt niet te ontsnappen. Hij sloeg de kleine golfjes gade die op het land wegstierven.
“Dit is nog slechts de zee,” merkte Gideon Spilett op, “en het schijnt dat deze hem niet op de gedachte brengt om te vluchten.”
“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten hem naar de bergvlakte, bij den zoom van het bosch brengen. Daar zullen wij duidelijker bewijzen krijgen.”
“Hij kan ook niet ontsnappen,” merkte Nab op, “want al de bruggen zijn opgehaald.”
“Nu,” zeide Pencroff, “hij is er wel de man naar, om zich aan een beek, zoo als de Glycerine-rivier is, te storen! In een sprong was hij er over!”
“Wij zullen zien,” antwoordde Cyrus Smith slechts, wiens blik den krankzinnige niet verlaten had.
Deze werd vervolgens naar den mond van de Mercy gebracht en allen bereikten langs den linkeroever van de rivier de bergvlakte.
Op de plek gekomen, waar de eerste prachtige boomen van het bosch groeiden, wier bladeren zachtkens, door den wind bewogen werden, scheen de onbekende den doordringenden geur, waarmede de dampkring vervuld was, met genot in te ademen en een diepe zucht ontsnapte aan zijn borst!
De kolonisten bleven een weinig achter, gereed om hem te vatten, indien hij een beweging maakte om te ontvluchten!
Het arme wezen was inderdaad op het punt om zich in de rivier te werpen, die hem van het bosch scheidde, en hij boog de knieën als stond hij gereed een sprong te nemen. Maar bijna terzelfder tijd bedwong hij zich, zonk ineen en groote tranen biggelden langs zijn wangen.

Den 1sten December was men met den molen gereed. Blz. 55.
“O!” riep Cyrus Smith uit, “gij zijt weder mensch geworden, daar gij tranen hebt gestort!”
The free sample has ended.