Read the book: «Karl Marx en zijne voorgangers»

Font::

Jos. Loopuit

Karl Marx en zijne voorgangers


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066340193

Inhoudsopgave

Voorwoord.

Inleiding.

Eerste gedeelte.

Hoofdstuk I.

De Fransche Revolutie van 1789.

François Boissel,

Saint-Just.

François Noël Babeuf,

Hoofdstuk II.

De Socialistische Utopisten.

Claude Henry de Rouvraij, graaf de Saint-Simon,

François Marie Charles Fourier

Robert Owen

Tweede gedeelte.

Hoofdstuk I.

De ontwikkeling der philosophie.

Hoofdstuk II.

Critiek op de Hegelsche philosophie.

Heinrich Karel Marx

Tot critiek der Hegelsche „Rechtsphilosophie.”

De Jodenkwestie.

Samenwerking van Marx met Friedrich Engels.

Hoofdstuk III.

Marx tegen Proudhon.

Marx over Werkstakingen en over Vakvereenigingen.

Hoofdstuk IV.

Het historisch materialisme.

Marx over Vrij-handel.

Derde gedeelte.

Hoofdstuk V.

De kritiek op het Kapitalisme.

De analyse van de Waar.

Waarde der Waren .

De Waar: Arbeidskracht .

Hoofdstuk VI.

Het geld.

Verandering van geld in kapitaal.

De voortbrenging der meerwaarde .

De Arbeidsdag

De relatieve meerwaarde.

Hoofdstuk VII .

Machinerie en groot-industrie.

Verlenging van den arbeidsdag.

de intensiviteit van den arbeid

De Fabriek.

Machines en arbeiders.

Hoofdstuk VIII.

Het arbeidsloon.

Hoofdstuk IX.

Het akkumulatieproces van het kapitaal.

Hoe méérwaarde kapitaal wordt.

Concentratie van het kapitaal.

De industrieele reservearmée.

Hoofdstuk X.

De tendensen der kapitalistische produktiewijze.

Het Genesis der industrieele kapitalisten.

De historische zending van de kapitalistische akkumulatie.

Slot.


De groote denkers der eeuwen.

Algemeene bibliotheek van wijsbegeerte.

Amsterdam, Cohen zonen.

Karl Marx en zijne voorgangers.

Karl Marx en zijne voorgangers

door Jos. Loopuit

Cohen Zonen, Amsterdam

Voorwoord.

Inhoudsopgave

„Onwetendheid is de bron aller boosheid.”

Spinoza.

Er is zeer zeker in onze dagen geen belangrijker verschijnsel in de samenleving dan het socialisme. Het heeft zich met zulk eene elementaire macht, van den aanvang der vorige eeuw af baan gebroken, dat niemand, die eenig oog heeft voor het algemeen belang, zich aan die macht kan onttrekken, die er al meer en sterker van is uitgegaan.

Iedereen die zijn tijd begrijpen en kennen wil, moet ook eene kennismaking met de denkbeelden der socialisten en de volksbewegingen, eene studie van de sociaal-demokratie en de arbeidersbeweging onzer dagen, binnen den kring van zijn onderzoek betrekken. Het bestaan van de sociaal-demokratie te loochenen valt niemand in onze dagen meer in, en niet minder wordt algemeen erkend, dat het socialisme in het algemeen en de theoriën van de sociaal-demokratie in het bijzonder, niet van dien aard zijn, dat wij door ze te leeren kennen, ons weten, ons denken en ons voelen er niet in groote mate door zouden kunnen versterken.

In een tijd van gisting, overal om ons heen, is er te meer reden om dit te doen, opdat wij weten wat anderen willen, die, zonder dat wij onderricht zijn over hetgeen zij leeren en voorstaan, voor ons niet te begrijpen zouden zijn. En wij moeten anderen begrijpen, willen wij ons-zelven begrijpen. Het moet ons duidelijk zijn wat anderen willen, willen wij ons een klaar denkbeeld kunnen vormen, van wat wij-zelf willen.

En in het willen onzer dagen, neemt dat van de socialisten eene groote plaats in. Wij begrijpen dat soms niet, wij zien hier alles aan voor het werk van enkele personen, van enkele leiders, wanneer wij niet leeren kennen, wat de werkelijke drijfkracht en de drijfveer hunner handelingen is. Wij begrijpen de hartstochten en de handelingen niet, zooals zij zich tegenwoordig openbaren in de arbeidersbewegingen van alle landen rondom ons, en ook in ons eigen land, wanneer wij ons niet op de hoogte stellen waaruit deze voortvloeien.

Zeker, aan „voorlichting” van de publieke opinie ontbreekt het in onze dagen allesbehalve. Den tijd, dien Ferguson komen zag, waarin „zelfs het denken tot een speciaal beroep zal worden”, is reeds lang bereikt. De groote massa in onze dagen, denkt over groote vraagstukken, denkt over groote bewegingen en theorieën, in den regel niet meer zelfstandig na, maar laat voor zich denken, door dag- en weekbladschrijvers. Zij haalt hare wijsheid uit couranten, die voor het meerendeel hen de dingen mededeelen onvolledig, partijdig dikwijls en, wat niet het minst erg is, zonder de minste samenhang. Hoe zoude dit ook anders kunnen? De menschen hebben, in onze dagen van strijd-om-het-bestaan, van een zenuwachtig druk leven, waarin soms geen minuut mag verloren gaan voor de persoonlijke stoffelijke belangen, niet den tijd en ook niet de noodige gelegenheid, niet de kalmte en niet het geduld, die er noodig zijn om zich eenigszins volledig op de hoogte te stellen van de groote maatschappelijke vraagstukken die het socialisme heden ten dage, aan onze beschouwing ter oplossing heeft voorgelegd.

Ons dunkt het dan ook goed en eene voortreffelijke gedachte welke den uitgevers van dit werk bezielde, toen zij meenden in een zoo kort mogelijk bestek, een zoo volledig mogelijk overzicht te kunnen doen geven, van datgene wat de groote denkers van het socialisme en de groote grondvesters der sociaal-demokratische theorieën geleeraard hebben en niet minder, in welk verband en in welke verhouding hunne denkbeelden tot elkander stonden.

Wat de theorieën der sociaal-demokratie aangaat, en inzonderheid die harer grootste theoreticus Karel Marx, is het zeker zéér belangrijk, dat het publiek in staat wordt gesteld óók te leeren kennen, de afkomst van diens theorie en diens leven- en wereldbeschouwing. Groote denkers en schrijvers, maar vooràl groote stichters van eene school, komen geestelijk uit anderen voort. Zij vormen in geestelijk opzicht afstammingsvormen, uit andere hen voorafgegane geestelijke vormen, die zich belichaamden in vroegere denkers en schrijvers.

Is dit zoo, en er is dunkt ons niet aan te twijfelen, dan behoeft men, om een duidelijk beeld van de theorie voor zich te hebben, gelijk zij ons wordt verklaard, ook te kennen, de wortels waaruit als ’t ware de stam is opgegroeid. Met andere woorden: men moet de stelsels kennen, zij het dan ook in groote en algemeene trekken, waaruit zij als theorieën zich hebben ontwikkeld. In de geheele wetenschap is dat een systeem, dat door geen ernstig onderzoeker meer wordt ongebruikt gelaten, waar het hem te doen is om een goed beeld van het terrein dat hij moet overzien, te verkrijgen. Dit moet ook bij de wetenschap, die het socialisme ons heeft verschaft, zoowel in de staathuishoudkunde, in de philosophie als in de sociologie, de methode van ons onderzoek zijn.

En daarom zal in de volgende bladzijden het socialisme, zooals het zich heeft doen kennen in en na de Fransche Revolutie van 1789, worden behandeld. Zoo zullen de lezers ook kennis kunnen nemen van de scholen der eerste groote denkers van het socialisme, in de eerste helft van de negentiende eeuw.

En niet minder zullen zij worden in kennis gesteld, met de groote philosophen uit dit tijdperk in Duitschland, omdat ook daaruit de sappen zijn getrokken, die Karel Marx in zich heeft opgezogen, ten einde daaruit zijne wereldbeschouwing te kunnen construeeren, daarin bijgestaan door zijn talentvollen trouwen vriend Friedrich Engels. Want het moet hier op den voorgrond worden geplaatst, waar Marx genoemd wordt, kan dit bijna nooit anders geschieden, zonder dat zijn vriend Engels er niet bij te pas komt. Waar wij den laatsten dus niet altijd zullen noemen, daar, men vergete het niet, geschiedt dit omdat Marx, Engels in-zich bevat; terwijl wij het aan den laatste in zoo groote mate te danken hebben, dat wij den eerste begrepen hebben. De grootste popularisator van Marx’ denkbeelden en de man, die dezen heeft uitgewerkt waar Marx ons alleen schema’s heeft kunnen geven, is ten allen tijde Friedrich Engels ’t eerst geweest.

En wij zullen vervolgens ook nog, om een meer volledig beeld te verkrijgen, de staatkundige stelsels doen kennen, waaruit Marx’ economie is voortgekomen en ten slotte de stelsels van anderen, die eenerzijdsch met die van Marx parallel liepen, anderzijdsch eene andere richting gingen dan de zijne.

Wij hopen hiermede te bereiken wat wij wenschen dat bereikt worde: den lezer zelf in staat te stellen, zich een zelfstandig oordeel te vormen over eene der belangrijkste, zoo niet het belangrijkste verschijnsel van onzen tijd. Of wij daarin geslaagd zijn, wij weten het niet, wij hopen het alleen maar.

Niemand kan beoordeelen, welken indruk zijn werk op anderen maakt; wel, of hij naar zijn beste weten en kunnen getracht heeft het bereikbare in dat opzicht na te jagen. En wat ons aangaat, gegeven het bestek van dit werk, hebben wij al het mogelijke beproefd, om het resultaat dat er mede bereikt moet worden, ook te doen bereiken.

De Schrijver.

Inleiding.

Inhoudsopgave

De benamingen van socialist en sociaal-demokraat worden in onzen tijd dikwerf gebruikt, in dezelfde beteekenis dikwerf ter onderscheiding van elkander. Zoo zijn er een aantal personen die zich socialist noemen, zonder daarom de leer en de consekwenties van de sociaal-demokratie te aanvaarden; omgekeerd, spreken de vertegenwoordigers en de aanhangers, van ’t laatste dikwijls van het socialisme, hiermede bedoelende het gansche stelsel van de gemeenschappelijk-making der productiemiddelen.

Van lieverlede evenwel, is men desondanks goed gaan begrijpen, wat er onder die benamingen verstaan wordt en weet men ook, dat onder sociaal-demokraten in het algemeen verstaan worden de aanhangers van de theorieën van Marx, zoowel zij, die men met de benaming „Marxist” bestempelt, als zij die niet geheel en al vasthouden aan alle consekwenties van dien leer. De algemeen-naam „socialist” is meer toepasselijk op hen, die, òf een sterker en krachtdadiger ingrijpen van den Staat en de overheid wenschen in de maatschappelijke positie van den arbeider: in de verhouding tusschen kapitaal en arbeid, of van die groepen, die het doel in het algemeen wel willen—n. l. voorstanders zijn van gemeenschappelijke maatschappelijke voortbrenging en verdeeling der goederen,—maar in de middelen om daartoe te geraken, van de sociaal-demokraten afwijken. Die meer door propaganda van de idée van het socialisme in het algemeen, op het volk wenschen in te werken, terwijl zij dezen geestelijken arbeid geheel voorop stellende, praktische middelen in het tegenwoordige als van onwaarde of als van uiterst geringe waarde voor het doel achten. Onder deze laatsten kunnen dan ook wel de „anarchisten” worden gerekend, voor zoover zij geen voorstanders zijn van de z. g. n. „propaganda door de daad.”

Het woord socialisme dankt zijn ontstaan in de vorige eeuw aan Pierre Leroux, een der scholieren van Saint-Simon en een philosophisch socialist, die, gelijk hij zeide, dit woord smeedde in de oppositie tegen het individualisme en daarmede eene politieke organisatie bedoelde, waarin het individu opgeofferd zou worden aan de gemeenschap. Dit begrip is dus, gelijk men ziet, zoo algemeen mogelijk; want feitelijk van af het bestaan der georganiseerde staat of gemeenschap, is steeds het individu, in meerdere of mindere mate, opgeofferd aan het belang van de gemeenschap. Het geeft den feitelijken inhoud van het woord dus, in ’t geheel niet weêr.

Er is nog een andere verklaring van het woord die eveneens van een franschen socialist van beteekenis stamt, en evenmin iets zegt en deze is van P. J. Proudhon. Toen deze in ’t jaar 1848 voor de Rechtbank stond, vroeg hem de president: of hij niet een socialist was? „Zeker! meneer de president,” antwoordde Proudhon; „Nu” vroeg deze hem, „wat is dan eigenlijk het socialisme?”—„Elke poging tot verbetering van de maatschappij,” antwoordde de ondervraagde.—„Maar dan,” zeide den president, „zijn wij tegenwoordig allen socialisten!”—„Precies zoo denk ik er ook over,” was het wederwoord van Proudhon.

Hierbij sluit zich het bekende woord van den engelschen liberalen Staatsman Sir William Harcourt aan, die voor jaren geleden in het Engelsche Parlement uitriep: „Tegenwoordig zijn wij allen socialisten!”

Is het woord socialisme, gelijk wij reeds zeiden, zeer onbestemd en vaag, en kan, gelijk men ziet, daar onder begrepen worden, al wat maatschappelijke verbetering der minder-gegoeden in onze samenleving in zich sluit, het begrip sociaal-demokratie heeft eene meer scherp belijnde, zeer wel te omschrijven beteekenis. Het sluit in-zich, een stelsel van maatschappelijke verandering, volgens bepaalde regelen, volgens bepaalde wetten, zou men kunnen zeggen. Het heeft een wetenschap ten grondslag, eene gesloten levens- en wereldbeschouwing.

In het algemeen genomen, is de grondslag van de sociaal-demokratie, de erkenning dat geene duurzame en blijvende verbetering van de maatschappelijke toestanden mogelijk is, zonder opheffing van het privaat-bezit van de produktie-middelen der maatschappij, grond en bodem, machines, fabrieken, middelen van vervoer en verkeer, kortom al datgene waarmede tegenwoordig wordt voortgebracht. Dit beginsel is het communisme, ongeacht of dit in praktijk gebracht zal worden door middel van eene gecentraliseerden staat of streng demokratisch-ingerichte gemeenschap, of dat de voortbrenging- en verdeelingswijze een meer federatief karakter zal dragen, zooals het collectivisme dat bedoelt.

Het communisme is zéér oud. Afgescheiden van het z. g. n. oorspronkelijke of oer-communisme, dat bij de oude volksstammen bijna zonder uitzondering gevonden werd en waarvan Morgan nog zeer sterk levende vormen gevonden heeft bij de Indianenstammen in N. Amerika, en den gemeenschappelijken eigendom bij de Germanen, waarvan von Maurer de overblijfselen in de „marken” enz. heeft opgespoord, vinden wij bij de eerste christelijke sekten, die ontstonden onder het Romeinsche Keizerrijk reeds het communisme in den vorm van gezamenlijk verbruik van de genotmiddelen. Het was een communisme der consumptie, niet een van voortbrenging.

In de Evangeliën, zijn dan ook tal van uitspraken te vinden, die op dit communisme en de verachting van het persoonlijk bezit toespelen. De communistische denkbeelden die in het Evangelie en in den Bijbel worden gevonden, in verband met de komst van het „Duizendjarig Rijk”, hebben dan ook eeuwen op eeuwen achtereen een ontzaggelijken invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van vele sekten van communistische christenen, welke meestal bloedig zijn onderdrukt of verdwenen zijn, omdat de maatschappelijke praktijk zich niet met deze christelijke theorie deed vereenigen.

Het klooster, in de vroege middeneeuwen ontstaan, is als eene poging tot verwerkelijking van het christelijk-communistisch ideaal te beschouwen. Niet minder de eerste van die groote bédel-orden, waarvan de stichter, de heilige Franciskus van Assisi als eerste voorwaarde leeraarde, de verachting voor al het aardsche, een leven zooals de stichter der Christelijke godsdienst dit zelve zou hebben geleid.

Bij vele Kerkvaders der katholieke kerk vinden wij dan ook eene veroordeeling van den privaat-eigendom. „De Rijke is een dief”, zegt de H. Bazelius.—„Het is noodzakelijk dat er eene soort gelijkheid besta, waarin de een den ander van zijnen overvloed geeft. Het ware beter als alle goederen gemeenzaam waren”, zoo zegt de H. Johannes Chrijsostemus. „De natuur heeft de gemeenschappelijkheid ingevoerd; de wederrechtelijke inbezitname, het privaat-eigendom”, zegt de H. Ambrosius. „Naar recht en billijkheid moest alles aan allen behooren. De ongerechtigheid is het die den privaten eigendom geschapen heeft”, zoo leerde de H. Clementius. Enz.

De moderne sociaal-demokratie heeft, historisch gesproken: twee wortels. Beiden komen uit denzelfden bodem voort—de bestaande maatschappelijke- en eigendomsorde. De eene dezer wortels—het communistische utopisme—komt uit de hoogere klassen voort. De dragers van dit utopisme waren den geestelijk aan den spits staanden in de maatschappij. Zij hebben hunne maatschappelijke idealen neêrgelegd in een of meer hunner werken. Middelijk of onmiddellijk stonden zij onder den invloed van den griekschen wijsgeer Plato, den grooten scholier van Socrates, die in zijn „Staatsideaal” eene samenleving teekent, volgens een vast plan ingericht, en dat als zoodanig dan ook als de eerste maatschappelijke „Utopie” kan worden gerekend.

Hem is als opsteller van een tweede staatsideaal, Thomas Morus opgevolgd, die in 1516 „Utopia” schreef als staatsman in dienst van Koning Hendrik VIII van Engeland.

In deze „Utopia”, dat „geluksland” beteekent, ontwikkelt More, door gesprekken die hij zelve voert met gefingeerde tegenstanders, het stelsel eener volkomen communistische samenleving. „Alleen het communisme is in staat de verschrikkelijke euvelen van de zich ontwikkelende kapitalistische maatschappij uit den weg te ruimen”, zegt hij, al erkent hij daarbij tevens, dat de tijd er toe nog niet gekomen was.

De andere wortel der sociaal-demokratie, is het „gelijkheidscommunisme”, hetwelk zijnen oorsprong vindt bij de onderste klassen der maatschappij, aldus genoemd, omdat het uitsluitend of voornamelijk steunde op den eisch van den „gelijkheid der maatschappelijke goederen” en ruw als het was, eigenlijk zonder preciesen vorm, ontsprong aan het religieus gevoel en overwegend steunde op den Bijbel, voornamelijk op de reeds hier te voren genoemde uitspraken en leeren van het Evangelie. Men vindt dit Communisme in tal van bewegingen in de Middeleeuwen; zooals die der Lollharden, de Begharden, de Waldenzen, de Hussiten, de Taborieten; de Boheemsche en Moravische Broeders; vóór de groote beweging der Hervorming van 1515 onder Luther, tot diep in die beweging toe, door de Boerenoorlogen onder Thomas Münzer in Duitschland en de bewegingen van de „Wederdoopers” in Munster heen.

Behalve deze sekten, waaronder er zijn, die gedurende langen tijd een grooten invloed hebben uitgeoefend op den voorarbeid en het tot stand komen der Hervorming, is het ook wel merkwaardig, dat wij reeds in 1235 bij een dichter van nog bekenden en grooten naam, communistische gedachten zien uitgesproken.

In een gedicht: „Van de Wapene, Martijn,” zegt Jacob van Maerlant:

„Martijn, die deutsce Loy vertelt;

Dat van onrechter gewelt,

Eigendom is comen.

En dan:

Twee worde in die werelt sijn:

Dats allene „Mijn” ende „Dijn”,

Mochte men die verdriven;

Paijs ende vrede bleve fijn:

Het ware al vri, niemen eijgin

Manne metten wiven;

Het waer gemene tarwe ende wijn.”

De religieus-Communistische sekten leefden nog tot in de zeventiende eeuw voort. Zoo onder anderen ook in ons land nog onder de Labadisten, eene sekte welke door een franschen predikant Jean de Labadie in het leven geroepen, maar snel in het zand verloopen is.

Nevens Thomas Morus, als schrijver van eenen uitgewerkten communistischen ideaalstaat, moet ook Campanella worden genoemd, een monnik, die de „Civita Solis” of „Zonnestaat” geschreven heeft in het jaar 1620.

In de eerste engelsche Revolutie vertoonden zich ook reeds genoegzame sporen van communisme en socialisme in den meer modernen zin; al wordt het geheel ook zeer sterk beheerscht door religieuze bijmengsels.

Zoo de beweging der „Levellers” of „gelijkmakers.” Een der takken dezer beweging, de sekte der „ware” Leveller, had in 1651/52 een boek uitgegeven getiteld: „De wet der vrijheid, als program uiteengezet,” of „de wederherstelling van het ware regeeringssysteem” (The Law of Freedom in a platform of True Magistracy Restored), waarin ontwikkeld wordt, wat koninklijke regeering en wat republikeinsche of gemeentelijke regeering („Commonwealth”) te beteekenen heeft. Het is „bescheidenlijk opgedragen aan Olivier Cromwell,” zoo ook „aan alle engelschen, die mijne broeders zijn, hetzij tot het Kerkverband behooren of niet, en over hunne hoofden heen, aan alle naties ter wereld.” In dit boek ligt een gansch communistisch stelsel uitgebeeld. Op het „koopen en verkoopen”, worden daarin de hoogste straffen gesteld; niemand mag „arbeid huren of zijnen arbeid verhuren”, en wie land- of de vruchten daarvan verkocht, was des doods schuldig. Goud en zilver mag niet in munt worden omgezet, alleen tot huisraad mag het worden versmolten.

Ook ontstonden in Engeland in de 17e eeuw de „Staatsromans,” d. w. z. die litteratuur, waarin in romanvorm het plan eener staatsinrichting werd neêrgelegd. Zoo de „Leviathan” door den staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes in 1651 geschreven, en den daarna in 1656 verschenen „Oceana” van James Harrington. De eerste was een utopie van den absolutistischen Staat, waarin voor alle standen en geledingen der samenleving is gezorgd; de andere kan als zijnen onmiddellijken tegenhanger gelden.

Kommunistische tendenzen zaten er ook in sterke mate, in de, in de zeventiende eeuw opgekomen sekte der „Kwakers”, waarvan John Bellers (geb. 1654) als de voornaamste en meest practische kan worden beschouwd.

Zoo ontstonden ook in de zeventiende en achttiende eeuw in Frankrijk, de utopische staatsromans, in den vorm van reisbeschrijvingen. Zij heetten o.a.: „La terre australe connue”, waarvan Pierre Bayle een zekeren Gabriel Toigni als auteur noemt, voorts het boek: „De Reizen en Avonturen van Jacques Massé”; het boek van de Fontenelle: „de Republiek der philosophen of de geschiedenis der Ajaoïer”; Restif’s boek: „La decouverte australe ou lettres d’un singe”; het boek van den abt Fénélon: „Telemach”; Ramsay’s: „Les Voyages de Pyrus” en Pechméja’s boek: „Télèphe”.

Hier moet ook nog worden melding gemaakt van den arbeid van Jean Meslier, gemeenlijk het „Testament van Jean Meslier” genoemd, dat in 1762 door Voltaire aan het publiek bekend werd en eene diepgaande critiek van den schrijver,—een armen en verdrukten dorpspastoor die bij zijn leven niet spreken dorst,—bevatte, zoowel op den godsdienst, als op de geheele inrichting der maatschappij. Dit „Testament” welks inhoud eerst later geheel bekend werd, daar Voltaire het slechts in zooverre gaf als het dienst kon doen voor zijne propaganda tegen de kerk, geeft de communistische gedachten weer over een gemeenschap, gelijk de schrijver zich die gedacht heeft.

„Ik wilde”, roept Meslier uit aan het slot ervan, „dat mijn stem konde gehoord worden van het eene einde van het koninkrijk tot aan het andere, neen, van het eene einde der wereld, tot aan het andere. Ik zoû dan uit al mijne krachten schreeuwen: „Gij zijt dwazen o, menschen! gij zijt dwazen, u zoo te laten knevelen en zoo blind te gelooven aan een aantal domheden! Ik zal u uwe dwaasheden toonen en u uwe leiders als bedriegers en menschenschenners laten zien”....

„Vereenigt u toch volk, vereenigt u proletariërs; vereenigt u zoo gij het hart hebt om u te bevrijden van uwe onderdrukkers!”

In 1755 verscheen er een boek in het licht „Code la Nature” genaamd, door een vrij onbekend man, een schoolmeester Morelly genaamd, geschreven. Tevoren had hij reeds een roman geschreven „Nauvrage des îles flottantes ou la Basiliade” („Schipbreuk van het drijvend eiland of de Basiliade”) genaamd.

Aan den spits van zijn ontwerp tot inrichting van een samenleving stelt hij drie grondstellingen, welke hij geheiligde grondpunten noemt, die de sociale gelijkheid kunnen waarborgen.

1. Niets mag in privaat-eigendom zijn, dan wat elk tot werkelijk gebruik voor zijne behoeften, genoegens of dagelijkschen arbeid noodig heeft.

2. Elk burger is een publiek wezen, dat recht heeft op onderhoud en op arbeid van wege de gemeenschap.

3. Elk burger is verplicht, naar zijne krachten, talenten en volgens zijnen ouderdom, tot het publiek welzijn bij te dragen, naar die mate zullen zijn openbare plichten worden geregeld.

Later nog, omstreeks de jaren van 1830, hebben onderscheidene socialistische denkers en schrijvers, en onder hen Louis Blanc zich dikwijls op deze stellingen van Morelly beroepen.

Tot de onmiddellijke volgelingen van Morelly, behoorde in de eerste plaats: Gabriel Bonnot de Mably, in 1709 geboren en in 1785 gestorven.

In zijn boek, dat in 1768 uitkwam en getiteld is: „Doutes proposés aux philosophes économistes sur l’ordre naturel et essentiel des sociétés politiques” („Twijfelingen voorgesteld aan de economische wijsgeeren, nopens de natuurlijke en wezenlijke orde van de politieke samenleving”), oefent hij eene diepgaande critiek uit op de maatschappij in verband met de eigendomskwestie. Hij is vooral hier in strijd met de „Physiokraten” waarmede hij tot op een zekere hoogte kon samengaan,—dat de persoonlijke vrijheid zich niet laat verbinden met den gemeenschappelijken eigendom, zooals dezen meenden.

Vervolgens Brissot de Warville, in 1743 geboren en den 31sten Mei 1793 onthoofd, als „Girondist”, die in zijn „Recherches philosophiques” („Wijsgeerige onderzoekingen”) zeer vergaande conclusies trok, omtrent de niet-noodzakelijkheid van den persoonlijken eigendom. Van dezen stamt de stelling, later door Pierre Joseph Proudhon overgenomen: „le propriété c’est le vol” („eigendom is diefstal”), die men meermalen—ten onrechte—eene zuiver sociaal-demokratische noemde.

En hiermede zijn wij genaderd tot het tijdstip der Fransche Revolutie van 1789, dat reeds lang te voren, door de geestelijke propaganda der „Verlichting” was voorbereid door de fransche wijsgeeren van de 18e eeuw.

Zij ontsluit een nieuwen tijd. Door haar is de burgerklasse tot macht en invloed gekomen, na haar is de moderne kapitalistische produktiewijze ontstaan en door haar zijn dus middelijk de voorwaarden tot de sociaal-demokratie van Karel Marx geschapen.

Wij zullen in het nu volgend hoofdstuk nog nagaan, op welke wijze er reeds in die Revolutie-zelve, gearbeid werd aan of gedacht werd over, socialistische of communistische idealen.

Eerste gedeelte.
Hoofdstuk I.
De Fransche Revolutie van 1789.

Inhoudsopgave

Toen de achttiende eeuw ten einde neigde, had de economische ontwikkeling van Engeland die van Frankrijk reeds vrijwel ingehaald niet alleen, maar was haar reeds boven het hoofd gewassen. Maar in Engeland hadden reeds in 1648, en daarna in 1688 in de z. g. n. „glorious revolution” („glorierijke omwenteling”) de burgerlijke klassen gezegevierd over den adel en het absolute koningschap.

De strijd der fransche burgerklasse richtte zich tegen alle bestaande grondslagen der maatschappij en nergens is zoo van grond uit met het oude opgeruimd, dan in Frankrijk in het Revolutietijdperk van 1789.

De fransche burgerij, die den strijd had te voeren tegen de absolute monarchie en de gepriviligeerde klassen van den adel en de groote geestelijkheid, had in dezen strijd het gansche volk achter zich. Maar dit duurde niet lang; spoedig genoeg, en wel voornamelijk toen het gold de vaststelling van ieders rechten, kwam de verdeeldheid van meening aan het licht, die reeds in den strijd om het bestaan die de Republiek had te voeren, van grooten invloed moest wezen.

Aan den eenen kant splitste de partij van den derden stand zich in die der fabrikanten, groote grondbezitters en handelskapitalisten, aan den anderen kant kwamen de arbeiders te staan en de kleine burgers.

Als vertegenwoordiger der laatste belangen, komt in het revolutie-tijdperk vooral Jean Paul Marat op, die hoewel zelve geen arbeider maar geneesheer, méér den proletarischen kant van de Revolutie zag, dan vele anderen die met hem aan haren spits stonden.

Marat werd vroegtijdig vermoord, door Charlotte Cordaij. En op aandringen van de Mirabeau, de edelman die in het voorspel tot de Revolutie eene belangrijke rol had gespeeld, zou zelfs de burgerklasse haren vrede hebben gesloten met de constitutioneele monarchie, wanneer niet én Mirabeau vroegtijdig was overleden én de gebeurtenissen aan den grenzen niet zóó geloopen waren, dat alles noodig was om den inwendigen vrede te bewaren en dus aan de eischen der kleine burgerij en der arbeiders toe te geven.

Maar na het tijdperk van den „Terreur”, toen het gematigde deel der bourgeoisie weder de bovenhand had gekregen, werd er hoe langer hoe meer opgetreden tegen de communistische tendenzen, vooral tegen die van de groepen der jakobijnen. Van de laatsten verdient in de eerste plaats hier vermeld te worden

François Boissel,

Inhoudsopgave

geboren te Joijeux in Vivarais in 1728, die in 1753 advokaat van het parijsche Parlement werd, later naar het eiland St. Domingo ging, maar in 1789 bij het uitbreken van de Revolutie, naar Frankrijk terugkeerde.

Hij trad in 1799 op, met een „Catechismus van het menschelijk geslacht”, waarin hij zeer koene conclusies trok uit de in 1789 geproklameerde „Rechten van den Mensch” en zijne ideën bloot gaf omtrent eene hervorming van de maatschappij.

De voorwaarde om te komen tot eene maatschappij, waarin geen eigenbelang zal heerschen, en den eigendom niet eene private zaak, zag Boissel wel voornamelijk in eene sociale opvoeding. De kinderen moesten derhalve door de gemeenschap worden opgevoed meende hij.

Als overgangsmaatregel stelt Boissel, en dit is voor hem als fransch socialist van de 18e eeuw typisch, eene „progressieve inkomstenbelasting” voor, die den rijken ten-slotte zóó belasten zal, dat voor hen het privaat-bezit elke waarde verliest. Uit de opbrengst zullen pensioenen moeten worden bestreden voor ouden en invaliden. Ook sloeg Boissel het oprichten van staatsmagazijnen van agricole produkten voor, en publieke werkinrichtingen voor werkeloozen van staatswege.

Na hem, komt hier in aanmerking als maatschappelijk hervormer, Robespierre’s vriend en volgeling

Saint-Just.

Inhoudsopgave

Deze, die in 1794 na Danton’s val aan de regeering kwam, meende, dat zoolang er nog armen en behoeftigen waren, de zaak van de vrijheid, van de Republiek, in gevaar was. „Duldt in den Staat noch eene ongelukkige, noch eene arme: alleen tot dien prijs zult gij eene ware republiek kunnen in stand houden!” De economische gelijkstelling is de levensvoorwaarde voor de republiek; de rijkdom der „aristokratie” is voor de republiek evenzoo gevaarlijk als de ellende des volks. „Er behooren noch rijken, noch armen te bestaan.... Daar waar er te groote bezitters bestaan daar vindt men louter armen.... De rijkdom is een infamie”, enz., ziedaar zijn meeningen.

De ellende, die wel het naast, volgens Saint-Just, een gevaar oplevert voor de republiek, moest in de eerste plaats dan ook uitgeroeid worden. Dit was te vinden door zeer strenge agrarische wetten: „Ten einde de zeden te hervormen en den nood te bevredigen, moest men beginnen, met een ieder wat land te geven. Het bedeldom moet worden tegengegaan door verdeeling van de nationale goederen onder de armen.”

Voorál moest het volk zich op den landbouw kunnen toeleggen, daar alleen een landbouwend volk een „deugdzaam” en een vrij volk kan wezen.

De mogelijkheid om de maatschappij gelukkig te maken, zag Saint-Just, evenals zoovele hervormers uit het midden der 18e eeuw dan ook gelegen in de wetgeving en die wel uitsluitend van uit een streng gecentraliseerden Staat. Saint-Just viel echter spoedig met Robespierre, wiens handlanger en vriend bij was, en hiermede ging ook zijn plan te gronde.

Maar het eerst en het voornaamst werden communistische denkbeelden, te midden van de Fransche Revolutie verkondigd door een man, die niet aarzelde, zelfs niet onder het Schrikbewind, met zijn meeningen voor den dag te komen. Die man was:

François Noël Babeuf,

Inhoudsopgave

of, gelijk hij zich-zelf gaarne noemde, met eene herinnering aan de Romeinsche geschiedenis, Grachus Babeuf, werd in 1760 te Saint-Quentin uit Calvinistische ouders geboren.

Op 16-jarigen leeftijd als schrijver bij een landmeter werkzaam, werd hij daarna ambtenaar bij het kadaster in Roije (Picardië). In deze positie leerde hij den slimmen nood waarin het landvolk zich bevond van nabij kennen en het is wel daaraan te wijten, dat hij zich reeds in 1887 onledig hield met de studie van de werken van Meslier, Morelly en Mably, en met het vraagstuk van de afschaffing van den eigendom.

Na de bestorming der Bastille, waaraan hij deel had genomen, bekleedde hij verschillende ambten in dienst van den Staat. In 1794 stichtte hij het „Journal de la liberté de la presse”, dat later in „Tribun du peuple” werd omgedoopt. Na den val van Robespierre en zijnen aanval op degenen welke dezen ten val hadden gebracht, de Thermidoristen, werd hij, tezamen met een aantal eveneens radikale republikeinsch-gezinden, in de gevangenis geworpen. Hier was het, dat Babeuf de gelegenheid kreeg, om met hen van gedachten te wisselen, over het beginsel van de gelijkheid en te onderzoeken of de gelijkheid, zooals die tot nog toe was verstaan, wel eene grondstelling voor het maatschappelijk leven kon heeten van genoegzame waarde, om het geluk en het leven daarvoor te wagen. Zij werden tot twijfel daaraan gedreven, door de gebeurtenissen van den laatsten tijd, en kwamen tot de slotsom, dat het simpele politieke axioma van de gelijkheid alléén, geen ideaal kon zijn waarmede de menschheid gelukkig te maken was. Zij trokken uit de theorieën van Jean Jacques Rousseau, die in die dagen, wel de bron waren van alle hervormers van voor en in 1789, de verdere consekwenties en de conclusie, dat ook het onderscheid in bezit moet worden weggenomen, wil de politieke gelijkheid geen chimère, geen denkbeeldig iets blijken te zijn.

In October 1795 weder vrijgelaten, ging Babeuf dadelijk aan het agiteeren voor zijne denkbeelden, die communistisch waren en de natuurrechtelijke politieke gelijkheids-ideën van Rousseau ten grondslag hadden. „De mensch is van nature goed” gelijk Rousseau leerde; „deze goede en onbedorven mensch werd eigenlijk nog maar vertegenwoordigd door die uit de onderste standen der samenleving, die van de weelde en de verdorvenheid daarmede gepaard gaande, bevrijd waren gebleven. Daarom moest door de toekenning van alle politieke rechten het volk tot de regeering brengen,” omdat, gelijk men in 1793 zeide: „le but de la société est le bonheur commun” (het doel van de maatschappij is het gemeenschappelijk geluk.) Robespierre verklaarde: „Nous voulons un ordre des choses, où toutes les passions basses et cruelles soient enchainées, toutes les passions bienfaisantes et généreuses éveillées par les lois.... Nous voulons substituer dans notre pays, la morale à l’égoïsme, la probité à l’honneur, les devoirs aux bienséances, le mépris du vice au mépris du malheur.” (Wij willen een orde van zaken, waarin alle lage en slechte hartstochten zullen worden vastgelegd, alle edele en weldadige hartstochten zullen worden opgewekt door de wetten... Wij willen in ons land de moraal stellen in de plaats van de zelfzucht, de braafheid voor de eer, de plichten voor de zeden, de smaad van de gebreken voor die van het ongeluk). Babeuf wilde uitgaande van deze gedachten, als grondstellingen voor een ideale maatschappij, de arbeidsplicht van allen, wettelijke vaststelling van het getal arbeidsuren; leiding van de produktie door eene, door het volk direkt gekozen opperste macht; verdeeling van den noodzakelijken arbeid onder de burgers onderling; afdoening van den onaangenamen arbeid door de burgers naar de rij af; het recht van alle burgers op gezamenlijk genot, en diensvolgens gezamenlijke verdeeling der gebruiksgoederen—welker voortbrenging, door de algemeene deelname daaraan natuurlijk zeer zoude stijgen—onder de individuen, naar de mate hunner behoeften.

Dit communistisch stelsel verkreeg eene hoogere wijding bij Babeuf, dewijl hij het verdedigde, niet zoozeer met wetenschappelijke, als wel met godsdienstig-bijbelsche uitspraken en stellingen. Het communisme zou daarnaar een wil van God, de aardsche gelukzaligheid en de voorbereiding zijn tot de hemelsche; en de eenige drijfveer tot dat alles, zal de „deugd” zijn.

Maar daar deze phantazie niet zoo dadelijk te verwerkelijken was, gelijk ook Babeuf wel begreep, zoo waren er een aantal maatregelen noodig voor het tegenwoordige, opdat in de toekomst de menschheid dit ideaal bereiken kon. In de eerste plaats dan moest er worden ingesteld eene „groote nationale gemeenschap van goederen”, waartoe zullen moeten behooren alle staatseigendommen, al het vermogen van de „vijanden der volkszaak” zoowel als alle goederen, welker aanbouw door de eigenaren derzelven, niet werd uitgevoerd. Elke franschman zal tot deze gemeenschap kunnen toetreden, doordien hij zijn vermogen ten haren dienste stelt en haar zijne arbeidskracht aanbiedt. Dan zal de gemeenschap de erfgename moeten zijn van elke private erfenis. De medeleden arbeiden gezamenlijk en krijgen daarvoor voedingsmiddelen in ruil, zooals eene „matige en sobere keuken, die plegen op te leveren”; zoowel alles wat noodig is voor het leven. Wie met schulden de gemeenschap bijtreedt, wordt van alle zijne verplichtingen ontheven.

Dit zijn in ’t kort, de denkbeelden waarvoor Babeuf in 1795 de agitatie in zijn „Tribun du peuple” ondernam; die hij predikte in stad en land en daar hij een meester van het woord was in alle opzichten, zoowel door zeggingskracht als door woordenkeus zijn gehoor wist mede te sleepen, maakte zijne propaganda een geweldigen indruk. Vooral na den val der Jacobijnen, richtte hij er al zijne krachten op, dezen weder uit hunne verstrooidheid en tot hereeniging te brengen. Hij richtte weder een dier geheime genootschappen op—in de dagen van de 1789 eene zoo geweldige kracht,—die hij het genootschap van de „Gelijken” noemde. Daarnevens werden een aantal kleine „clubs” gesticht over het geheele land; zoodat naar men meende in vrij korten tijd Babeuf méér dan 17.000 aanhangers van zijne sociale theorieën om zich heen had verzameld.

Alsnu trad de regeering handelend op. De poging die er zoude worden gedaan om zich meester te maken van de macht in den staat, teneinde eene andere sociale orde van zaken in te stellen, was namelijk verraden geworden. In het begin van Mei 1796, werd Babeuf zelf in hechtenis genomen, nadat zijne vrienden reeds eerder gevat waren en terecht waren gesteld. De rechtbank veroordeelde hem wegens samenzwering tegen den staat ter dood, welk vonnis hij heldhaftig den 8ste prairial 1797, op de place de la Vendôme onderging met zijn vriend Darthé. Van zijn medestanders waren er enkelen gevlucht, anderen tot deportatie veroordeeld.

Dit was het einde van een man die in armoede geboren en in armoede geleefd heeft, en meende, dat het aan den goeden wil van een betrekkelijk klein aantal menschen lag, om de leuzen, die in de Revolutie van 1789, eene zoo geweldigen dienst hadden gedaan, tot werkelijkheid te maken. En hiermede hadden de socialistische pogingen in de Fransche Revolutie geboren, en die welke ten doel hadden deze hervorming tot eene radikale te doen zijn, voor goed schipbreuk geleden.

De geheele Revolutie verliep verder in het Keizerrijk van Napoleon Bonaparte, die van eersten Consul der Republiek, weldra Keizer werd. En onder diens regeering had Frankrijk te veel oorlogen te voeren en genoot te veel eene betrekkelijken voorspoed, dan dat er aan de verwerkelijking der leuzen van 1789 kon worden gedacht.

Eerst in de periode van het herstel, die der „Restauratie”, doken er weder plannen op, die er op doelden eene grondige sociale vervorming van de maatschappij, van eene kapitalistische in eene socialistische, in het leven te roepen.

De moderne socialistische Utopisten, of gelijk men ze noemt de „groote Utopisten” kwamen als nu ten tooneele. De aanvang van de negentiende eeuw zag de socialistische denkers opstaan; zag den graaf de Saint-Simon en Charles Fourier in Frankrijk en Robert Owen in Engeland aan den arbeid gaan, ten einde het menschelijk ideaal, de algemeene welvaart en de grootste som van menschelijk geluk, te trachten tot werkelijkheid te maken.

Hoofdstuk II.
De Socialistische Utopisten.

Inhoudsopgave

In alle kampen en verwarringen der Revolutie, als eenerzijds de hartstochten den hoogsten graad hadden bereikt, anderzijds de begeestering gloeide en zich in woorden en daden omzette, bleef er evenwel iets, dat de menschen, in weerwil van al hun peinzen en hunne inspanning niet begrijpen konden. De Revolutie had ontzaggelijke menschenoffers gekost, maar met het guillotineeren van menschen, bleef evenwel die toestand bestaan.

Die toestand, een economische toestand, was het kapitalisme, dat juist door de revolutie in Frankrijk zich eerst recht ontplooien kon.

Het kapitalisme had uit alle inwendige, zoowel als buitenlandsche verlegenheden der Republiek nut getrokken. Het had uit de confiscatie der goederen, het had uit de assignatenzwendel, uit de instelling van het wettelijk maximum, uit de rationeeringen, uit de veldtochten met hunne wapen-, kleeding- en voedingsleveranties; uit het continentale stelsel tegen Engeland; kortom, uit alle maatregelen, welke de Constiuante, de Conventie en het „Comité voor publiek welzijn”, nam, door het Directoire het Consulaat en Keizerrijk heen zijn nut getrokken en er baten voor zich weten uit te slaan.

De groote vermogens kwamen als paddestoelen uit den grond; de speculatie- en handelsgeest greep meer dan ooit om zich heen en alom maakte zich de kapitalistische geest meester van alle private verhoudingen van de menschen onder-elkander. De theorieën van Adam Smith, die het individualisme tot den grondleer van de Staathuishoudkunde had verheven, kwamen van Engeland naar Frankrijk over en vonden daar geheel spontaan, ook hunne verwerkelijking.

En onder het regime van Napoleon I was de oude orde van zaken weder teruggekeerd. De begeestering voor de „gelijkheid der menschen” verdween en na Napoleon’s val kwam het „ancien regime” („de oude regeeringsorde”) terug en alles scheen te gaan gelijken op de toestanden van vóór 1789.

Dat de geest van onderzoek echter nog bestond, bewezen wel op verrassende wijze twee mannen, die tegelijk, en onafhankelijk van elkander, opstonden in Frankrijk. De eerste, die wij hier zullen doen kennen, was de graaf de Saint-Simon.

Claude Henry de Rouvraij, graaf de Saint-Simon,

Inhoudsopgave

werd den 17en October 1760 geboren. Hij was een achterneef van den groothertog en pair van dien naam, die in zijne kroniek van het hof-leven onder Lodewijk XIV, eene der beroemdste memoire-werken geleverd heeft uit die dagen.

Deze „voorvaderen” spelen dan ook in de Saint-Simon’s leven geen geringe rol. Inderdaad stamde het geslacht in rechten lijn af van den lageren adel uit het graafschap Vermandois, waarvan onder de regeering van Lodewijk XIII, een medelid tot den rang van hertog werd verheven. Deze Vermandois nu, leidden hun geslacht af van Karel de Groote. In den droom, vertelt de Saint-Simon ons, was hem eenmaal Karel de Groote verschenen, om hem te profeteeren, dat hij éénmaal als philosoof, het geslacht tot eene even groote eer zou wezen, als dezen dit als Vorst geweest was.

Saint-Simon geloofde inderdaad dat hij, als ’t ware gepredestineerd was tot den rol van wereldbeheerschend philosoof. Zijne overspannen phantazie en zijne overigens levendige verbeeldingskracht, deden hem dingen gelooven, die zich in de werkelijkheid niet zoo hebben toegedragen als hij-zelf ze ons mededeelt.

De Saint-Simon was een leerling van de groote d’Alembert, de man die met Diderot en anderen medewerker was aan de beroemde Encyclopedie der 18e eeuwsche materialistische wijsgeeren in Frankrijk, vóór de groote Revolutie. Zijn jeugd verliep in onvaste bezigheden. Wij vinden hem dan als officier in Frankrijk, dan als medestrijder van Washington bij de vrijheidsoorlog van de staten van N.-Amerika tegen Engeland; als diplomatiek agent op eigen gelegenheid in Nederland of als raadgever van ministeries in Spanje en Mexiko, in welk laatste land hij omvangrijke irrigatiewerken op touw zette.

In de Revolutie verloor de Saint-Simon, evenals zoovelen, zijn gansche vermogen en aldus werd hij gedwongen te gaan werken voor zijn levensonderhoud. Dit deed hij zóó, dat hij, door middel van den koophandel, waarop hij zich toelegde, alras een nieuw vermogen had weten bijeen te krijgen. Maar ook dit was weder spoedig door een groote luxe en verkwisting verdwenen. De Saint-Simon zegt opzettelijk zich aan zoo groote verkwisting te hebben overgegeven, teneinde daardoor zijne kennis van het leven te vervolmaken en al het menschelijke, zelfs het méér dan menschelijke, bij de plannen die hij had voor de toekomst van het menschelijk geslacht, daarbij in oogenschouw te kunnen blijven houden. Dat hij ook lang genoeg gelegenheid heeft gehad de psychologie van de armoede te bestudeeren, en dat eveneens aan zijn eigen lijf, hinderde hem dan ook geenszins. Het is dan ook uit deze laatste periode zijns levens, dat zijn werkzaamheid als publicist, als denker en als hervormer dagteekent.

Het uitgangspunt van de Saint-Simon’s denken, was de erkenning van het armzalige van al het bestaande, van de gansche materieele, politieke en religieuze nood van zijnen tijd. Zijne critische blik, kon zich niet laten verblinden, door den glansrijken pronk van de weelde, die het nieuw-geschapen keizerrijk van Napoleon I ten toon spreidde; hij zag zeer goed daarachter, de ellende van dat bloeiend kapitalisme en zijn hart werd ten volle aangegrepen door der menschheid ganschen jammer. Over het algemeen genomen, was de Saint-Simon een Faustnatuur. Geniaal en vol van de hem verteerende weetgierigheid, dreef hem dit alles rusteloos voort naar eene allesomvattende kennis en tot een door niets in te toomen hartstocht, der menschheid gelukkig te willen maken. Dat hij bij dit onbeperkt streven, meer dan eens de reële feiten niet goed heeft kunnen zien, doet niets af aan dit groote feit, dat hij dingen heeft gezien in een tijd, toen nog door de geringe ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij, geen mensch heeft kunnen zien wat hij zag.

De Saint-Simon was 43 jaren oud, toen hij zijn eerste publieke geschrift schreef, genaamd: „Lettres d’un habitant de Genève à ses contemporains.” („Brieven van een inwoner van Genève aan zijne tijdgenooten.”) Het kwam uit in 1803, maar werd vergeten, totdat het in 1823 door zijne leerlingen aan deze vergetelheid ontrukt was geworden.

In deze „Brieven” toonde de Saint-Simon reeds zijn denkbeelden aan, van der menschheid eene leiding te willen geven. Gelijk de maatschappij in de middeneeuwen door de geestelijkheid was geleid, zoo moest dit ook nu weder geschieden, thans door het denkend gedeelte van de samenleving.

De hier door de Saint-Simon gedachte heerschappij van den geest, moest in waarheid die van het genie zijn. Deze genieën moesten onafhankelijk zijn; geen posten van de regeering behoeven aan te nemen en daardoor niet verplicht zijn „secondairement” te denken. Zij moesten zich niet verlamd gevoelen, en met stoutheid zouden zij de wieken van hunne geestelijke meerderheid kunnen uitspreiden en daardoor de menschelijke maatschappij steeds ten zegen kunnen verstrekken. „Ruimte voor de Archimedessen!” was zijn uitroep—„geen hulde meer aan de Alexanders!” Met andere woorden: de tijd die aangebroken was beteekende volgens hem, een ten troon stijgen van de wetenschap, die de plaats innam van de studie van den oorlog.

Bij zijn plan tot organisatie van de maatschappij, verdeelde hij de menschen in drie klassen. De eerste klasse was die van de vooruitgang; zij was samengesteld uit de geleerden, de mannen van de kunst, en allen, die liberale denkbeelden ten beste van de samenleving te geven hadden. De tweede was die van het behoud, zij bestond uit de eigenaars van den grond. De derde klasse was die van de gelijkheid. Zij bevatte dat deel van de menschheid dat niets bezat, geen eigendom, ook niet een geestelijk.

Tot de eerste klasse zeide hij: „Gij geleerden en kunstenaars, gij hebt den scepter der publieke opinie in uwen hand, grijpt dien aan met moed. Overwint slecht der inertie van uwen stand. Mathematici maakt een aanvang!”

Tot de tweede klasse richtte zich de Saint-Simon met deze woorden: „Aanvaardt mijn plan, doet het uit vrijen wil, want anders zoudt gij er door de geleerden toe gedwongen kunnen worden en zou de geschiedenis van 1789 zich voor u kunnen herhalen. Gij kunt de crisis nog beletten, en taak van den overgangstoestand kunt gij helpen verlichten. Gij kunt de „regulateurs” der beweging worden en op die wijze uwe plaatsen blijven innemen!”

En tot de derde klasse eindelijk zeide hij: „Vrienden maakt dat de rijken, die tot nu toe geen andere bezigheid gehad hebben dan u bevelen te geven, gedwongen worden u onderwijs te geven. Wie kunnen u anders voorthelpen dan de geleerden? Een geleerde is iemand die voorziet, iemand die voorspelt.

„Bedenkt wel dat gij dáárom alleen, staat onder de heerschappij van de klasse van de eigenaars,—die tien- en twintigmaal geringer in aantal zijn dan gij—omdat de eigenaars u in verstand verre de meerdere zijn. Zoekt met hen op gelijken trap van ontwikkeling te komen. Zoowel geleerden, als kunstenaars moeten u daarbij ter hulpe komen. Door mijn ontwerp heb ik getracht alle plannen ter uwer ontwikkeling tot ééne straal te leiden. Helpt dus! Schrijft in zoo gij kunt. Bij de keuze der benoemingen zal ik u helpen!”

Het plan beoogde eene algemeene organisatie der maatschappij, op deze grondslagen: „de geestelijke macht in handen van de geleerden; de wereldlijke macht in hadden der eigenaars; de macht om hén te benoemen, die de taak zouden te vervullen hebben van leiders der menschheid te zijn, in handen van een ieder. Het loon der regeerders moest bestaan in de algemeene achting en de eerbied die men hen zou toedragen.”

In deze „Brieven uit Genève” wilde de Saint-Simon dus aan de menschheid eene nieuwe organisatie geven; een orde van zaken in de maatschappij, steunende op het denkbeeld, dat de geheele menschheid één eenheid was; dat er éénheid moest komen in het menschelijk arbeiden en dat de geleerden en kunstenaars de mannen bij uitnemendheid waren, om dat werken te leiden en te besturen.

De taak der vrouw was hierbij niet over het hoofd gezien en ook werd deze nieuwe orde van zaken door de Saint-Simon, tot een soort nieuwen godsdienst verheven.

In 1807, na een leven van ontbering te hebben geleden, schreef de Saint-Simon zijn: „Introduction aux travaux scientifiques du XIX-me Siècle.” (Inleiding tot den wetenschappelijken arbeid der 19e eeuw). In zekeren zin was dit boek een antwoord op een prijsvraag door Napoleon Bonaparte uitgeschreven en aan het „Instituut” opgegeven onder het opschrift: „geeft mij rekenschap van de vooruitgang der wetenschap sedert 1789 en zegt mij, welke hare tegenwoordige toestand is en welke de middelen zijn om haar vorderingen te doen maken.”

De Saint-Simon past in zijn boek voor het eerst,—en dit is werkelijk een vooruitgang der wetenschap geweest, al werd het niet officieel erkend,—deze tweeledige methode toe: die der analyse en die der synthese. Door analyse, klimt men van bijzondere feiten óp tot een algemeen feit; door synthese daalt men van het algemeene tot de bijzondere feiten af, zoo stelde hij vast.

De geleerden van de richting a priori waren voor hem die zoo als Bacon van Verulam en Descartes. Vooral de laatste, die tot den menschheid heeft durven zeggen, dat zij slechts gelooven moet die zaken welke haar door de rede worden aangetoond en bevestigd zijn door de ervaring; de man die het bijgeloof omverwierp en een volgens vaste methode te werk gaanden twijfel onderwees.

De richting a posteriori was begonnen bij Locke en Newton in Engeland. De een op het gebied van de kennis van de georganiseerde wezens, de ander op dat van de brute lichamen, verkregen hunne bewonderenswaardige resultaten door toepassing van de analyse.

Beide methodes zegt de Saint-Simon, moeten worden vereenigd; het was de fout van de denkers der 18e eeuw, dat zij hierbij dachten aan strijd en aan tegenstelling. Zoowel het generaliseeren als het particulariseeren, zij hebben verder te zamen recht van bestaan.

Na aldus de gansche wetenschap van de 18e eeuw te hebben getoetst aan deze twee maatstaven, gaat de Saint-Simon zich in beschouwingen verdiepen over den godsdienst. En dan krijgen wij eene krachtige uiteenzetting van hem, dat de Kerk in de middeneeuwen dáárom zoo hoog in aanzien stond, omdat werkelijk de geestelijken van toen beter en intelligenter waren dan de leeken. Eerst toen die meerderheid van verstand en gemoed ophield te bestaan, kwam er scheuring.

Volgens zijne inzichten, gaat de richting in het godsdienstige deze kant uit: het godsdienstig Deïsme maakt plaats voor het Physicisme, een godsdienst op natuurkennis gebouwd.

Wat de ethiek aangaat, meent de Saint-Simon, dat het negatief beginsel van het Evangelie: „Doe niet aan anderen, wat gij niet wilt dat men u doet”, plaats moet maken voor een ander en een positief beginsel.

„De mensch moet werken!” Het denkbeeld van den arbeid in den breedsten zin opgevat altijd. Maar een rentenier, iemand die niet persoonlijk het werk bestuurt dat zijn eigendom produktief moet maken, is een wezen dat de maatschappij tot last is. De zedeleer dient hierop steeds de aandacht gevestigd te houden. De wetgever moge het vrije en volledige gebruik van den eigendom toestaan, de moralist is genoodzaakt der menschheid en der openbare meening te drijven in de richting der erkenning, dat den nietsdoenden eigenaar, alle achting moet worden onthouden.

In ’t jaar 1813 schreef Saint-Simon twee groote manuscripten, zij zijn het bij zijn leven gebleven, dewijl hij geen geld had om ze te laten drukken. Eerst in 1858 zijn zij gedrukt geworden. Zij zijn getiteld: „Mémoire sur la science de l’homme” en „Travail sur la gravitation universelle” („Memorie over de wetenschap van den mensch”) en („Studie over de algemeene zwaartekracht”). Het eerste is wederom een poging om de Europeesche maatschappij te reorganiseeren. De studie van den mensch moest allereerst uitgaan van de physiologie, in de tweede plaats moesten de daden van het menschelijk geslacht beantwoorden aan de wet der ontwikkeling. De physiologie is de eenige positieve grondslag voor de kennis die de mensch noodig had. Volgens de Saint-Simon, had de literatuur als zoodanig, als voortbrengend middel van beschaving uitgediend; de kennis der natuur kon thans nog alleen tot resultaten leiden.

De Saint-Simon’s uitgangspunt was, dat de mensch van dezelfde natuur is als de dieren en alleen door eene betere organisatie van het lichaam, zich boven de dieren heeft weten te verheffen. De menschheid heeft evenwel gezorgd, de dieren op lageren trap te houden en daarom storend gewerkt op hunne ontwikkeling.

De Saint-Simon’s betoog komt dan vervolgens hierop neer, dat het geheele stelsel van onze kennis daarheen moet worden georganiseerd, en gegrondvest moet worden op dit eene geloof: dat het geheel bestuurd wordt door eene enkele vaste wet. Alle systemen van toepassing nu, alle die van religie, van politiek, van moraal en van burgerlijk recht, zij zullen in overeenstemming moeten worden gebracht met dit nieuwe stelsel van kennis. De geheele maatschappij moest aldus worden geregeld, en volgens hem was de tijd daarvan niet meer zoo ver af. Immers, politieke en wetenschappelijke omwentelingen wisselen elkander beurtelings af.

In zijn tweede geschrift, vervaardigd onder den indruk van gebeurtenissen van 1813, geeft hij o. m. een schoon overzicht van de philosophie, in den vorm van een toespraak van Socrates aan zijne leerlingen. En dan nogmaals, een overzicht van de waarde van de Middeneeuwen voor de beschavingsgeschiedenis der menschheid. Hij toont aan, hoe slecht de geschiedschrijving dit tijdperk begrijpt, door het te beschouwen als dat van de „donkere eeuwen der barbaarschheid”.

Verder uitwerkende het denkbeeld, dat zoowel de zedelijke als de natuurwetenschappelijke, ja alle kennis berust op de wet der zwaartekracht, moeten de geleerden zelven, als geestelijke macht bij uitnemendheid, de leiding van de wereld op zich nemen. Het geleerdste lichaam moest de priesterlijke functie vervullen en de nieuwe paus van zulk eene nieuwe wereldorde, priester van positieve kennis, zal het tijdperk van den oorlog sluiten, dat van den vrede inwijden en de anarchie zal alsdan ophouden te bestaan.

In 1814 verscheen onder den titel van: „De la réorganisation de la Société Européenne, par M. le Comte de Saint-Simon et par M. A. Thierry, son élève.” („Over de hervorming van de europeesche maatschappij door de graaf de Saint-Simon en A. Thierry, zijn leerling”), het eerste eigenlijke maatschappelijk hervormings-werk.

De Saint-Simon stelde daarin voorop, dat de negentiende eeuw tot taak had te organiseeren, gelijk de aan haar voorafgaande, de 18e, tot taak had de critiek op de maatschappij te leveren.

In de eerste plaats moesten de Mogendheden naar betere regeeringsvormen zoeken. Men vergete niet, dat de Saint-Simon dit schreef onder den geest van algemeene reaktie in de politieke gebeurtenissen na den val van Napoleon I. Dit betere moest zijn criterium vinden in de voorwaarde, dat onder zulk een regeeringsvorm elke quaestie van openbaar belang, achtereenvolgens a priori synthetisch en a posteriori analytisch werd onderzocht en behandeld.

Dit was volgens hem alléén mogelijk—en ook verwezenlijkt in het Engelsche parlementaire stelsel—waar voor het onderzoek a posteriori afzonderlijke en goed onderscheiden politieke machten waren gevestigd. Het Huis der Gemeenten ging alles na, uit het oogpunt der locale belangen, onderzocht de zaken a posteriori, terwijl de Koning daar te lande, het hooge standpunt vertegenwoordigde dat de zaken a priori behandelde. En het Huis der pairs was werkzaam als „moderateur” (middelaar) tusschen beiden. Daarbij waren dan maatregelen genomen tegen het eventueele kwaad, dat de machtige koning het systeem op zijn grondslagen kon doen wankelen, door de verdeeling van de koninklijke uitvoerende autoriteit in twee deelen: den koning zelven en de verantwoordelijke ministers. Zijn plan kwam ten slotte hierop neêr, dat elke Europeesche staat een eigen parlement moest bezitten en dat al die parlementen boven zich zouden hebben: een algemeen Europeesch parlement. Dit zou zijn samengesteld uit twee Kamers, die der Gemeenten en die van de Pairs. Ieder millioen menschen in Europa dat lezen en schrijven kon, zou naar de Kamer der Gemeenten van dat groot-Europeesch parlement, een koopman, een geleerde, een magistraat en een administrateur benoemen. Van de berekening uitgaande, dat er in Europa 60 millioen menschen waren, die lezen en schrijven verstonden, zou men dus 240 leden hebben. Ieder lid van de Kamer zou voor 10 jaren gekozen worden en ten minste 25,000 franken aan rente moeten zitten.

Nevens die vermogende mannen, het element van de stabiliteit, zouden er uit de niet-vermogenden 20 leden bij worden gekozen, uit de bekwaamste geleerden, kooplieden, magistraten en administrateurs, die door die toelating eene dotatie van 25,000 franken aan grondeigendom zouden verkrijgen.

De Pairs zouden door den Europeeschen koning worden benoemd uit de allerrijksten van Europa; ieder Europeesch pair zou ten minste 500,000 francs aan rente moeten bezitten. Ook zouden hier nog 20 pairs bij kunnen toegelaten worden en gedoteerd, uit de mannen van wetenschap, industrie, magistratuur en administratie te kiezen. Over een Europeeschen koning, wiens instelling eveneens in het plan lag, heeft de Saint-Simon zich niet verder uitgelaten.

Tot de bevoegdheden van het Europeesche parlement rekende de Saint-Simon in de eerste plaats, twistpunten oplossen tusschen de Mogendheden onderling. Verder het ondernemen en het leiden van groote werken van openbaar nut voor de Europeesche maatschappij, bijv.: het verbinden van den Rijn met den Donau en dat van den Rijn aan de Oostzee, enz. Dan ook zou dit Parlement het openbaar onderwijs, in zijn geheel, onder zijn beheer moeten nemen. Vervolgens, zou het „een Wetboek van de zedeleer” moeten ontwerpen en invoeren, gesplitst in voorschriften voor het algemeen en voor elke natie. Zulk een „code” zou geheel Europa moeten worden ingeprent.

Na zich aldus te hebben bezig gehouden met het najagen van hersenschimmen; immers in de dagen waarin hij „De la Réorganisation” schreef was er in de verste verte niet te denken aan de algemeene vereeniging van de Europeesche Staten, ging de Saint-Simon zijn groote denkkrachten besteden aan de hervorming van den arbeid. In Mei van ’t jaar 1817, kwam het eerste deel uit van „L’Industrie” („Over de nijverheid”) onder het motto: „Tout par l’Industrie, tout pour elle”. („Alles door de industrie, alles voor haar.”) Daarin was Augustin Thierry, den reeds genoemden leerling van de Saint-Simon aan het woord, die daarin een krachtig betoog hield over de nuttigheid van de industrieele klasse. In het oude Europa was de krijgsman in eere, hij achtte zich krachtig, omdat de menschen voor hem leefden; in het nieuwe Europa is de industrieel de hoofdpersoon, hij heeft het bewustzijn van zijn sterkte, omdat alle menschen zijn belang voorstaan en behartigen. Volgens de nieuwe beschouwing is thans die natie de eerste van allen, die het nuttigst voor de anderen is. Het geluk van een volk bestaat in maatschappelijke werkzaamheid: eerst werken dan genieten. „Werkt voor allen, want allen werken voor u,” dát is de leuze van den nieuwen tijd! En de groote strijd die nog gevoerd moet worden, gaat thans tegen de onwetendheid en tegen allen die door haar worden gevoed. De grondslag van de geheele politiek moet worden: elke natie is eene industrieele maatschappij.

In het tweede deel van ’t boek is de Saint-Simon zelf aan het woord. De maatschappij is volgens hem niet anders dan de éénheid, van de menschen die arbeiden. Deze gemeenschap kent slechts twee vijanden: de anarchie en het despotisme. Gedreven door hun eigen belang, moeten alle menschen ongestoord kunnen arbeiden. Maar er zwerven rondom hen, en in de maatschappij, een aantal parasieten rond, die niet arbeiden. De groote taak van elke regeering moet het zijn den arbeid tegen die schadelijken te beschermen. Een verbond van de industrie met de denkers moest vervolgens tot stand komen.

De Saint-Simon’s gevolgtrekkingen in dat boek waren: „eerbied voor de produktie en voor de producenten”; mannen van den arbeid moeten den gang en de loop van den Staat regelen; het verderfelijke van oorlogen en van monopoliën moesten de menschen inzien; eene verbetering van de zedeleer was noodzakelijk, omdat aan den arbeid grooten eer diende bewezen te worden; iedereen behoorde zich te beschouwen, als behoorende tot het genootschap van arbeiders, De politiek is de wetenschap der productie. Laat den arbeider dus fier den standaard opheffen; industrie is gelijkbeteekenend met productie!

In het derde deel, dat ook nog in 1817 verscheen, werd de wending die de maatschappelijke orde te gemoet moest gaan, tengevolge van het optreden van de industrie, uit een hooger standpunt bezien. Het tegenwoordig tijdstip was een overgangstijdperk, zoowel in zeden en gewoonten als in denkwijze. Geen regime kan zich vestigen, wanneer niet een daarmede in overeenstemming zijnd philosophisch stelsel zich eerst baan gebroken had en in de gedachten der menschen zich had vastgezet. En dan gaat de Saint-Simon in zijn boek verder de theologische zijde van het Christendom bestrijden. Zooals hij zeide: de „morale céleste,” had te wijken voor de „morale terrestre”; hemel en hel moesten niet langer de menschelijke gedachten in beslag nemen. Het rijk van de positieve ideën moest een aanvang nemen. Dit alles moet evenwel zeer voorzichtig geschieden; men moet met geduld te werk gaan; de bestaande kerken moeten niet worden met opheffing bedreigd, van-zelf zou dit wel geschieden. Maar de priesters zouden evenwel bij de wet gedwongen moeten worden, een examen af te leggen in de positieve wetenschappen.

In het vierde deel, dat in 1818 uitkwam, zijn wij weder op praktisch terrein. De maatschappelijke kwestie, zegt de Saint-Simon daarin, geldt de kwestie van den eigendom. De eigendom moet geconstitueerd worden, met het oog op het groote welzijn van de maatschappij, onder het tweeledige gezichtspunt dat van den rijkdom en dat der vrijheid. Men moet het eigendomsrecht inrichten en bepalen op een wijze, die het gunstigst is voor het aangroeien van den rijkdom en voor het vermeerderen van de vrijheid van den arbeid. Het eigendomsrecht moet in zijn volle kracht blijven, maar de uitoefening van dat recht op deze of gene wijze, moet worden bepaald door een wet. En de Saint-Simon maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen de landbouw, het handels- en het fabriekswezen. Bij het handels- of fabriekswezen is de man die werkt en kapitalen opgenomen heeft, de meester dier kapitalen; bij den landbouw blijft hij die het land verpacht, die dus niet zelf aan het land werkt, de voorname rol vervullen. De oude kooplieden en handwerkers, hebben door vrijkooping hunner gemeenten hunne rechten moeten koopen; de rechten van de eigenaars van den grond echter steunen op verovering, steunen op het recht van den sterksten. De Saint-Simon wil aldus aan de landbouwende standen, de „agricole industrieelen” dezelfde rechten geven tegenover de grondeigenaren, als de kooplieden en nijverheidsmannen die reeds bezitten tegenover de lieden van het kapitaal. De vastheid van invloed, die den grondeigendom heeft, moest volgens hem, ophouden te bestaan. Bij de volle eerbiediging van den grondeigendom als zoodanig, wil hij den grondeigenaren niet geheel vrij laten in de uitoefening van deze hunne rechten; het individueele eigendomsrecht kan volgens hem, slechts worden gewettigd door het algemeene en het gemeenschappelijke nut dat er verkregen wordt, door de uitoefening van dat recht. Het nut kan veranderen, al naar mate de tijdomstandigheden veranderen.

Men schept daardoor eene klasse van landelijke industrieelen, die opkomen voor hun grond, die mede betalen in de belasting, die dus ook invloed uitoefenen op het parlement en die aldaar „de politieke partij van den arbeid” kunnen helpen versterken.

Saint-Simon wilde de voorwaarden waaronder de eigenaars hunne gronden kunnen laten verpachten goed zien vastgesteld en evenzoo de bepalingen, waarbij de eigenaars verplicht kunnen worden bij te dragen, in de verbetering van dien grond. Van groote waarde is ook voor de Saint-Simon het nut van grondcrediet-banken.

Als dus zoodoende de landbouwkwestie zal kunnen worden gerangschikt onder de categorie van industrieele zaken, dan zal de landbouw uit haar staat van verval op te heffen zijn en een bloeiend leven kunnen gaan leiden, evenals dit de industrie deed. Een zaak achtte de Saint-Simon hard noodig, en dat was de meerdere verbreiding van de kennis der economie. Onder die economie rekende hij vóóral die van Adam Smith en J. B. Say. De economisten zijn volgens hem, en in bovenstaanden zin opgevat, de beste bondgenooten van de arbeidende klassen.

In 1819 gaf de Saint-Simon een verhandeling over de politiek uit, getiteld: „La Politique”, of zooals de ondertitel luidde: „Verhandelingen over de politiek, zooals zij aan de menschen der 19e eeuw voegt, door eene vereeniging van letterkundigen.” Dit geschrift is bijna uitsluitend van polemischen aard en is vooral gericht tegen de geringschattende wijze, waarop er destijds over den arbeid, van machthebbende zijden werd gesproken. De eigenaars, de bezitters werden toenmaals verklaard te zijn de eenige mannen van kennis en geschikt om het land te besturen. Dit was de Saint-Simon te veel. Hij riep alle produceerenden op, om eene nationale partij te vormen, tegenover de door de van reaktionaire zijde samengeperste nationale partij van uitsluitend mannen van grondbezit en groot-kapitaal. De klasse der produceerenden riep hij toe, dat zij zich moest bemoeien met de politiek „dat zij was die der bijen van de maatschappij en dat zij verlost moesten worden—zichzelven moesten verlossen—van de hommels.” Hij ried hun aan, eene petitie tot den koning te richten, met de bede: „Sire, wij zijn de bijen, verlos ons van de hommels!” Dan zal het begrepen worden, dat de producenten de kracht van het land zijn en dat het niets dan materialisme is, wanneer alleen de nationale vertegenwoordiging berustte op de macht van den grondeigendom en het aktieve element van den arbeid van elken invloed op den gang van zaken bleef buiten gesloten. Het geschrift is dan ook in twee afdeelingen gesplitst. Het eerste heet: „Le parti national ou industriel, comparé au parti anti-national” („De nationale of industrieele partij, vergeleken bij de anti-nationale partij.”) Het tweede: „Sur la querelle des abeilles et des frelons, ou sur la situation respective des producteurs et des consommateurs non-producteurs” („Over de twisten der bijen en der hommels of bijzonderlijk over de positie van de voortbrengers en de verteerders niet-voorbrengers.”)

Omstreeks dezen tijd was het, dat de Saint-Simon de medewerking van zijn leerling en „geadopteerden zoon,” Augustin Thierry verloor. Zij gingen uiteen omdat beider opvattingen bleken te zeer uiteen te loopen. Thierry heeft later groote naam gemaakt als historicus, en het is in deze hoedanigheid dat wij hem nog verderop met een enkel woord ook zullen hebben te noemen. Hij is met zijn historische werken tevens ook niet zonder eenige invloed op de ontwikkeling van Karl Marx en diens geschiedsphilosophie geweest.

In plaats van Thierry trad nu als „leerling”, d. w. z. als medewerker van de Saint-Simon Auguste Comte op, eveneens een man die zich later onafhankelijk van zijnen vroegeren meester, een beroemden naam gemaakt heeft, door zijn positivistisch-philosophische denkbeelden. Ook was de tijd dat de Saint-Simon „L’Industrie” uitgaf, blijkbaar voor dezen een goeden tijd, althans in finantieel opzicht. Dit laatste echter in zooverre, dat de uitgave van dit boek met milde hand werd gesteund door bankiers als Perier, Lafitte enz., zoowel als door edellieden van naam als de hertog de Broglie en de hertog de la Rochefoucauld, van wien er later weder terugkrabbelden toen de Saint-Simon zijn „morale terrestre” in plaats van de „morale céleste” gesteld wenschte te zien.

In den aanvang van 1820 verscheen „L’Organisateur”, dat een positief plan bevatte tot wijziging van het maatschappelijk bestuur en tot samenstelling van het Parlement.

De Saint-Simon ging hierin wederom van het begrip uit, dat de 19e eeuw de nieuwe stelsels moest organiseeren, gelijk de 18e critisch is te werk gegaan. Hij geeft hier al dadelijk zijn standpunt omtrent den arbeid in zijn geheel aan, door het bekende beeld, dat onder den naam van „le Parabole” („de gelijkenis”) beroemd is geworden. Hij zegt: „Gesteld dat op een nacht in Frankrijk stierven: de 50 eerste natuurkundigen, de 50 eerste scheikundigen, de 50 eerste physiologen, de 50 eerste mathematici, de 50 eerste dichters, de 50 eerste schilders, de 50 eerste beeldhouwers, de 50 eerste musici, de 50 eerste letterkundigen, de 50 eerste mechanici, de 50 eerste ingenieurs, de 50 eerste artilleristen, de 50 eerste architecten, de 50 eerste doktoren, de 50 eerste wondheelers, de 50 eerste pharmaceuten, de 50 eerste zeevaartkundigen, de 50 eerste uurwerkkundigen, de 50 eerste bankiers, de 200 eerste kooplieden, de 100 eerste landbouwers, de 50 eerste bestuurders van hoog-ovens en van metaalfabrieken, de 50 eerste wapenfabrikanten, de 50 eerste bestuurders van leerlooierijen, de 50 eerste metselaars, de 50 eerste timmerlieden, de 50 eerste schrijnwerkers, de 50 eerste smeden, de 50 eerste slotenmakers; kortom, een cijfer van drieduizend van de eerste mannen van wetenschap, techniek, kunst en arbeid, zou Frankrijk in ééne nacht moeten verliezen. Dan zou, volgens de Saint-Simon, Frankrijk als met één slag de ziel van zijn leven verliezen, in rang beneden andere natiën dalen en eene geheele nieuwe generatie zou er noodig zijn om het geleden verlies weder te boven te komen. Maar als nu eens Frankrijk al die mannen behield, doch op ééne nacht, zou het land evenzoo plotseling verliezen: „Monsieur” (de broeder van den Koning), de hertog van Angoulème, de hertog van Berrij, de hertog van Orleans, de hertog van Bourbon, de hertogin van Angoulème, de hertogin van Berrij, de hertogin van Orleans, de hertogin van Bourbon en mejonkvrouwe van Condé. Gesteld dat daarnevens op ééne nacht aan Frankrijk, àl de groot-officieren van den Kroon, àl de ministers van Staat, àl de Staatsraden, àl de leden van de rekenkamer, àl de Maarschalken, àl de Kardinalen, àl de Aartsbisschoppen, groot-vicarissen en kanunikken; àl de prefecten en onder-prefecten, àl de beambten der ministeries; alle rechters en nog bovendien de tienduizend rijkste inwoners het land zouden ontvallen, het ongeluk zou zeker te bejammeren zijn, zegt de Saint-Simon, maar het land zou geen noemenswaarde schade door deze verliezen lijden. Het verlies zou zéér spoedig te vergoeden zijn!—En toch zegt hij, hebben al deze menschen, wiens verlies den Staat niet, of zeer weinig voelen zou, den grootsten invloed in onze maatschappij, toch hebben zij méér te zeggen, dan de overgroote massa van producenten en nijveren.”

„De armen moeten mild zijn voor de rijken; de onbekwamen hebben den taak, den bekwamen te leiden en te regeeren. Het is zeker in Frankrijk de omgekeerde wereld!”

„Het is alsof de maan de zon verlicht,” zoo zegt hij vervolgens, „wanneer men ziet, dat de mannen der oude orde, de mannen der conjecturale wetenschappen, leiding meenen te kunnen geven aan nieuwe dingen, aan nieuwe wenschen, aan eene nieuwe orde van zaken, aan den bedrijvige, positieve vooruitgang.” De leiding moet komen aan de kundigsten en aan de bedrijvigsten en de regeerders moeten er toezicht op houden, dat de arbeid ongestoord plaats kan vinden. De arbeid is er, volgens de Saint-Simon, niet om de regeering, omgekeerd, de regeering is er om den arbeid.

Er worde dus gevormd eene eerste Kamer, welke hij „Kamer van Inventie” noemt. Zij zal bestaan uit drie secties. De eerste sectie zal bestaan uit 200 ingenieurs, de tweede uit 50 dichters of literatoren, die nieuwe denkbeelden hebben, de derde uit 25 schilders, 15 beeldhouwers of architecten en uit 10 musici. Zij zal zich moeten bezig houden, met het ontwerpen van werken van openbaar nut, ten doel hebbend den rijkdom van Frankrijk te doen vermeerderen en het lot van zijn inwoners te verbeteren. In de tweede plaats moet deze Kamer de openbare instellingen organiseeren. De leden dezer Kamer hebben zitting voor vijf jaren, zijn herkiesbaar en hebben eene persoonlijke toelage van 10,000 francs.

Dan worde er gevormd een tweede Kamer, die „Kamer van Onderzoek” zal genaamd zijn. Zij zal eveneens bestaan uit 300 leden, waarvan 100 natuurkundigen, die zich bezig hebben te houden met de kennis van de georganiseerde natuur, 100 physici, die zich met lichamelijk onderzoek, zoowel van menschen, dieren en insecten bezig houden en 100 beoefenaren van de meetkunde. Deze Kamer zal al de ontwerpen van de Eerste Kamer moeten onderzoeken en toetsen aan hunne kennis en aan de ervaring. Zij moet de ontwerpen van wetten voor het onderwijs maken en invoeren. Het onderwijs moet zooveel mogelijk pasklaar, aan de praktische behoeften des volks, worden gemaakt en daarom in drie trappen worden verdeeld. Er mag alleen, in geen der drie soorten van onderwijs, sprake wezen van godsdienstig onderwijs. De Saint-Simon meent dat, daar ieder vrij is in het uitoefenen van den godsdienst dien hij verkiest, iedereen ook persoonlijk moet weten, welke godsdienstige opleiding hij zijne kinderen moet laten geven. Ook moet deze Kamer een geregeld toezicht houden op de openbare opvoeding.

De leden dezer Kamer genieten mede 10,000 francs per jaar persoonlijke toelage, worden eveneens voor vijf jaren gekozen, en zijn eveneens herkiesbaar.

Daarna komt de derde Kamer, waaronder de Saint-Simon zooveel als het „Huis der gemeenten” in Engeland verstaat, en die hij „Kamer van uitvoering” noemt. En in deze moet elke tak van den arbeid goed en evenredig vertegenwoordigd zijn. De leden dezer Kamer genieten géénerlei toelage, omdat zij vrij zijn door den arbeid dien zij verrichten. Zij is belast, niet alleen met de uitvoering van de door de beide eerste Kamers vastgestelde en aangenomen wetsontwerpen, maar ook met het uitschrijven en het heffen van belastingen.

Het parlement zal eene nieuwe „Code civil” („Burgerlijk wetboek”) en eene nieuwe „Code criminel” („Wetboek van Strafrecht”) vaststellen. Het zal den eigendom op nieuwe grondslagen vestigen, gunstiger voor de voortbrenging in de maatschappij; een stelsel van algemeene verdediging, dat zoo weinig mogelijk een staande leger noodzakelijk maakt en een stelsel van algemeene volksweerbaarheid ontwerpen. De Saint-Simon verwacht, dat als alle staten rondom Frankrijk zich evenzoo zullen hebben gereorganiseerd, oorlog niet zal voorkomen en dus alle verdedigingsmiddelen overbodig zullen worden. Een schadeloosstelling van twee milliard, zal worden toegestaan aan hen, die onder deze nieuwe orde van zaken schade zullen lijden.

De menschen zullen het een „utopie” noemen, zegt de Saint-Simon, zulk een plan! Maar dit komt, volgens hem, omdat de menschen geen begrip hebben van de geschiedenis; geen kennis hebbende van den loop der beschaving spreken zij van „utopieën”. Het is zeer te bejammeren, zegt hij, dat de geschiedenis een tak is van de wetenschap der letteren, en niet wordt beschouwd als een wetenschap op zich-zelve, wat zij is.

Intusschen, terwijl zich een aantal leerlingen om de Saint-Simon geschaard hadden, verergerde zijne pecuniaire positie zeer. Hij ging zijn zestigsten levensjaar in, kon zijne geschriften alleen maar gedrukt krijgen, door zich telkens en telkens te vernederen en openlijk vernederd te worden, en de geringe opbrengst ervan, was niet in staat om hem in het leven te houden. Van teleurstelling en van armoê werd hij wanhopig en op een morgen in de maand Maart 1823, vonden zijne jongeren hem met een kogel in het hoofd liggen op zijn kamer, evenwel niet doodelijk gewond. Hij herstelde weder, maar moest een oog verliezen, terwijl zijn gezondheid van nu af zeer zwak en wankel was geworden. Twee jaren leefde hij nu nog, en in dien tijd zagen nog het licht: „Catéchisme des Industriels” en het beroemde boek „Le Nouveau Christianisme” („Het nieuwe Christendom.”)

In de „Catéchisme” heeft de „science générale” waarover de Saint-Simon het zoo vaak heeft, die hij met zooveel hopelooze inspanning verdedigt, haar uitgangspunt in de „idee der Industrie.” Wat de industrie is naar haar wezen en welke gestalte zij in de geschiedenis van Frankrijk heeft aangenomen, welke aanspraken zij kan doen gelden en welken som van geluk in de samenleving zij heeft doen geboren worden, alle deze vraagstukken liggen aan deze verhandeling ten grondslag. Hij begint met de begrippen, industrieel en arbeider te ontleden. Een industrieel is iemand, die der samenleving de middelen verschaft om in stand te blijven en om de behoeften der menschen te bevredigen. De klasse van menschen, die zulks doen, behooren den eersten rang in te nemen; zij kan allen ontberen, niemand echter haar. Daar alles dóór de industrie geschiedt, zoo geschiede ook alles vóór haar. Zij vormt de groote massa van de natie, zij vormt het overwicht aan physieke kracht, zij bezit de talenten en de intelligenties. Hoe was het nu mogelijk, dat zij onderdrukt werd, door een kleiner en zwakker aantal? En hierop antwoordt de Saint-Simon, door ons historisch uiteen te zetten, de verhouding waarin de industrie tot de staatsmacht staat.

De Franken zijn, naar zijne voorstelling, als de krijgslieden van Frankrijk te beschouwen, en tegelijkertijd als de bezitters van grond en bodem; door hen werden de Galliërs onderworpen, die nòch wapens, nòch vermogen hadden, en niets als hunne arbeidskracht bezaten. Beide deelen van het Fransche volk kwamen alsnu, vijandig tegenover elkander te staan; deze heerschend en slechts verteerend, gene onderworpen en werkzaam. Nog bij de troonsbestijding van Lodewijk XI waren deze klassen scherp gescheiden. Deze koning echter verbond zich met de industrieelen, de laatsten kwamen daardoor langzamerhand tot persoonlijke vrijheid en bezit van geld, terwijl de militaire klasse der Franken, nog altijd aan haar bezit van den grond vasthield. Hierdoor ontstond voor het eerst in Frankrijk de tegenstelling in bezit, die van de eigenaren van geld en industrie en die van den grond. Tot aan Lodewijk XIV toe vormden grondbezitters, fabrikanten en handelslieden, drie afzonderlijke corporaties. Maar onder deze laatste koning begon de industrie zich te ontplooien en een element in zich te vormen, dat hare geheele gestalte begon te vervormen. Uit de concurrentie en de behoefte van den afzet, vormde zich de wereldhandel, die op hare beurt eene klasse van bankheeren in het leven riep, die bemiddelaars der betalingen werden en in wiens handen het eigenlijke voordeel terecht kwam; met hen begon de periode van het credietwezen in de geschiedenis. Het crediet behoort, naar zijn wezen, den grooten bankheeren en kooplieden toe; om hen te gebruiken, leenen dezen den fabrikanten en den arbeidenden. Dezen breiden daardoor hunne zaken uit en daarvandaan komt het, dat de eigenlijke macht van het geld en alles wat daardoor geschiedt en mogelijk is, in handen van den bankiers over is gegaan. Als nu de Staat geld noodig had, boden zij het hem aan, maar onder zekere voorwaarden, en hier vangt den tijd aan, waarin de geldwisselaars, de bezitters van het crediet zelfs over de industrieelen konden zegevieren en zich van den Staat meester konden maken. Op deze wijze was het ook mogelijk, dat zich de industrieele wereld zelve splitste in twee klassen, die van de eigenlijke industrieelen, zij die arbeiden, en die van de slechts-bezittenden; de eersten onderworpen, de laatsten heerschend. De oude tegenspraak ziet men hier van nieuw af aan opkomen: zij die het diepst onderdrukt zijn, vormen de beste klasse van de maatschappij. Zoo komt het resultaat dan te voorschijn, dat de natie, het volk is industrieel; de regeering feodaal. Terwijl de bankiers van alle landen, den gouvernementen het crediet van de industrie tegen hoogen interest verkoopend en zich verheffend op de puinhoopen van de ineengeslagen leenheerschappij, den toestand van onderworpenheid van voren af aan zijn gaan bevestigen. Nevens hen verheft zich eene eigenaardige klasse, die zich tusschen beide klassen in stelt; beiden dienend, maar die den eene in haar ziel vijandig is, terwijl zij de andere beheerschend, beiden in stand houdt. Dat is de klasse der „Legistes”, waaronder speciaal de advokaten behooren. Zij vormen met de bankheeren tezamen, eene middelklasse en zijn de eigenlijke „liberalen,” die tegenover de „Industrieelen” staan. Men vergist zich zéér, zegt de Saint-Simon, wanneer men beide voor identiek houdt; integendeel is het liberalisme van eerstgenoemde klasse, niets als een verkapt egoïsme en de leuze van hunne leiders tegenover het gouvernement, komt op niets anders neer, dan op het „ôte-toi de là, que je m’y mette!” („Verwijder u van deze plaats, opdat ik mij er neder kunne zetten!”)

De ware grondzuilen van het eeuwigdurend welzijn der menschelijke maatschappij, zijn de industrieelen. „Want,” zoo roept hij uit, „het is duidelijk, dat de industrieele heerschappij die is, welke den menschen de grootste som van algemeene en individueele vrijheid kan geven en dat zij alleen aan de moraal de grootste macht in de samenleving kan verzekeren. Het is verder duidelijk, dat de samenleving van-uit de feodale heerschappij naar die der industrieele, niet kan worden overgeleid, door het bloote zakenleven van het bestuur; beiden staan diametraal tegenover elkander. De eerste wil de grootst mogelijke ongelijkheid onder de menschen, het laatste, het industrieele systeem, is gebouwd op de grootst mogelijke gelijkheid van de menschen.

„Daarom moet het rijk van de industrie a priori gekend worden en deze „catechismus,” is het bewijs, dat de menschelijke geest zich reeds tot die hoogte opgewerkt heeft. Wat is evenwel de kracht eens gewonen ondernemers anders dan de eenheid? Daarom moet de goddelijke, zoowel als de menschelijke moraal, den meest uitstekenden geesten aan het werk stellen; het industrieele systeem in zijn onderdeelen bloot leggen en de industrieelen zelven opeischen zich, ter verwerkelijking kunnen roeping te vereenigen.”

Dit is, in ’t kort, de inhoud van de „Catéchisme des Industriels.” De Saint-Simon is de eerste, die naar de innerlijke wetten van de samenleving en de wetten welke haar besturen en op hare vorming en gestalte van invloed zijn, heeft opgespoord; die hare verschillende gestalten heeft blootgelegd en onderzocht heeft, wáárdoor zij zich tracht te vervolkomenen. Hij vond de klasse-tegenstellingen, in primitieven vorm, tusschen bezit en niet-bezit; tusschen arbeid en kapitaal en tusschen, wat hij nog noemde: „de strijd der standen.”

De Saint-Simon’s laatste werk, waaraan hij arbeidde toen zijne krachten hem reeds voor een goed deel begeven hadden, is „Le Nouveau Christianisme” geweest. Reeds in zijn „Système Industriel” predikt hij deze moraal: „God zeide: Bemint u en helpt u onder elkander!”; hier begint hij de stelling te ontwikkelen, dat het waarachtig goddelijke principe van de christelijke religie is: „de menschen zullen elkander als broeders behandelen.” God had zelf, wel-is-waar de christelijke godsdienst gesticht, maar de later zich ontwikkelende clerus is een misgeboorte der christelijke kerk; zij heeft den inhoud van het goddelijke christendom, tot een menschelijke gemaakt. Het is dus de taak van onzen tijd, om de godsdiensten weder terug te voeren tot hunnen waren oorsprong; ze te zuiveren van elk egoïstisch en tweeslachtig bijmengsel en om de menschheid op het nieuwe Christendom voor te bereiden.

Hij klaagde den Paus en zijn kerk van ketterij aan; het onderwijs dat de geestelijkheid den leeken geeft, is valsch en leidt, volgens hem, van het ware Christendom af. Want in plaats van de levende moraal der liefde te prediken, stelt de katholieke kerk het doode dogma aan den spits en in plaats van de kennis te doen vermeerderen, zoekt zij de leeken absoluut zich van haar afhankelijk te maken. Hij klaagde den paus van haeresie aan en ook dat hij in zijn eigen Staat een bestuur in stand houdt, die de moreele en physieke belangen van de behoeftige klasse in den weg staat, en dan ook nog hiervan, dat de Paus en de kardinalen, zoomede de geheele geestelijkheid geheel uit den tijd zijn en tegenwoordig zeer gemist kunnen worden.

De protestantsche kerk critiseert hij eveneens. Hij erkent, dat Luther met de Reformatie der beschaving een grooten dienst bewezen heeft, maar in het andere gedeelte der Hervorming, dat der opbouw van den godsdienst, heeft Luther zijnen navolgers nog veel te doen overgelaten. De protestanten hebben dan ook eene moraal welke, bij die zooals zij aan den tegenwoordigen stand der beschaving past, verre ten achterstaat. De protestantsche cultus is bovendien „zonder eenige bekoring, onschoon en koud”, in plaats van de aanbidding van het Hoogste te doen vieren met behulp van den kracht van den schilder, den dichter en de macht van de muziek. Ook gelooft het protestantisme aan een gebrekkig dogma. Luther gebood den Bijbel te lezen en niets dan den Bijbel. Het lezen van den Bijbel heeft zeker groote voordeelen gegeven, maar ook groote nadeelen. Het ware dogma heeft geen gebreken.

De Saint-Simon stelt nu als positief dogma op deze moraal: „in het nieuwe Christendom zullen de menschen zich wederzijdsch als broeders beschouwen.” Deze godsdienst „zal de samenleving haar grootste doel, de snelste verbetering van het lot der arme klassen tegemoet doen voeren.” De godsdienst is van nu af eene sociale godsdienst geworden; haar uitgangspunt is de toestand van de menschelijke samenleving „de terugvoering naar het aardsche geluk.” Het woord van Christus: „Mijn Rijk is niet van deze wereld!” werd niet begrepen. „Der religie moet men hare zinrijke zijde teruggeven en den eeuwigen strijd tusschen materie en kennis, tusschen lichaam en geest moet, in haar verzoend, ons tegentreden.”

Toen de Saint-Simon zijn „Nouveau Christianisme” voleindigd had, hadden hem zijn laatste krachten reeds bijna begeven. Hij hield zich toen bezig met de oprichting van het blad „Le Producteur,” maar hijzelf zag de verschijning daarvan niet meer.

Toen hij zijn einde voelde naderen, riep hij de vertrouwden van zijne gedachten voor zijn bed en zeide tot hen: „Gij gaat een tijd tegemoet, waarin goed gecombineerde inspanningen tot een ongekend resultaat moeten voeren; de vrucht is rijp, gij zult ze plukken.” En zich tot zijn meest geliefde scholier, Olinde Rodrigues, wendend, zeide hij: „Vergeet niet, mijn zoon, dat men begeestering moet hebben, om groote dingen tot stand te brengen! Mijn geheele werken laat zich tezamen vatten in deze eene gedachte: alle menschen de verzekering der meest vrije ontwikkeling te kunnen geven!” Na eenige minuten, toen hij reeds met den dood streed, riep hij uit: „De toekomst is aan ons!” Des morgens den 19en Mei 1825, ontsliep hij in de armen van zijne leerlingen.

De Saint-Simonistische School telde aanvankelijk vele jonge mannen, die later tot de eersten intellecten hebben behoord. Het eerst stond zij onder de leiding van Bazard en Enfantin, waarvan later de anderen zich afscheidden. Tot hen behoorden behalve de reeds genoemden A. Thierry en Comte, Buchez, Pierre Leroux, Adolphe Blanqui, Michel Chevalier, Ferdinand de Lesseps, Felicien David, Armand Carrel enz. Velen hunner hebben De Saint-Simon’s denkbeelden later of geheel, of halverwege losgelaten.

Gelijk wij schreven, geheel onafhankelijk van De Saint-Simon leefde, werkte en streed er in denzelfden tijd in Frankrijk een ander groot denker en een genie van even grooten soort als hij, voor het geluk van de menschheid.

Beiden leefden in één land, doch kenden elkander niet, hadden elkander nooit gezien of gesproken en voor zoover bekend, stelden zij zich ook niet tegenover elkander, althans niet in het openbaar.

Het tweede genie hier bedoeld was Fourier.

François Marie Charles Fourier

Inhoudsopgave

werd den 7en Februari te Besançon geboren uit gegoede ouders. Zijn vader was groothandelaar. De jonge Charles toonde reeds vroeg, een groot gevoel van ingeboren rechtschapenheid. Hij was voor den handel bestemd, maar hij kreeg reeds als knaap een zoo onoverwinnelijken afkeer van den handel, dat die op zijn geheele leven den stempel heeft afgedrukt. Hij leerde niet alleen den handel haten, maar ook verachten.

Hij zeide later zelf, dat men in den handel ophoudt het onderscheid te leeren kennen, tusschen oprecht zijn en liegen. In katechismus en op school, had men hem geleerd nooit te liegen, maar dan leidde men hem in den winkel, om hem vroegtijdig in het edele handwerk van den leugen, of in de kunst om te verkoopen zich te doen oefenen. Getroffen door het bedrog en den zwendel van den handel, had hij meermalen den koopers terzijde genomen, om hen te vertellen, hoe zij bedrogen werden. Een van hen was zoo dankbaar hem te verraden, hetgeen hem van zijn vader een pak slaag deed oploopen. En op een toon van verwijt, zeiden zijn ouders dan ook meermalen „die jongen zal voor den handel nooit deugen.” Inderdaad, bij Fourier was dan ook een diepen afkeer van den handel gerijpt en, negen jaren oud, zwoer hij den handel een eeuwigen haat.

Fourier was jong op een bankierskantoor geplaatst in Lyon, maar hij liep weg, verklarende nooit een koopman te willen worden. In 1790 kwam hij naar Rouen, alwaar hij een positie als reiziger bekwam, als reiziger naar Parijs, hetgeen in dien tijd een post van groot vertrouwen was. Hij kreeg daardoor de gelegenheid, zoowat alle groote steden van Frankrijk, Duitschland, Nederland en België te bezoeken en daardoor kon hij veel studiën maken, omtrent buitenlandsche toestanden.

Op al deze reizen bestudeerde Fourier het klimaat der verschillende landen, de toestand van den bodem, de nijverheid, de bouworde van de steden, de aanleg der straten en het karakter van de bewoners. Geen architektuur was er in de door hem bezochte steden, die hij niet kende. Alleen voor de talen had hij weinig zin, daarvandaan de opmerking, door hem uitgedrukt in zijn hoofdwerk „De theorie van de universeele eenheid”, dat het eene der slimste gebreken van het menschelijk geslacht was, de vele en verschillende talen te hebben. Hij beschouwde ééne wereldtaal, waartoe hij het fransch als de meest geëigende beschouwde, als eene der belangrijkste voorwaarden, voor eene nieuwe, sociale orde van zaken.

In de Revolutieperiode verloor Fourier zijn vermogen. Maar ook met den gang van zaken in de Revolutie kon hij zich geenszins vereenigen. Naar zijne meening had het volk maar zeer weinig bij de Revolutie gewonnen, daarentegen had die klasse, welke hij het meest onder allen haatte, de handeldrijvende klasse, het meest daarbij gewonnen.

Niets kon dan ook Fourier meer in toorn brengen, bij de latere ontwikkeling zijner denkbeelden, dan dat men hem op eene lijn stelde met de „Jacobijnen” uit de Revolutie. „Neen en duizendmaal neen!” zoo riep hij dan uit, „mijne theorieën hebben niets te maken met die van deze lieden, noch iets met hunne omverwerpende denkbeelden!” ....

Wat hij evenwel gezien had, dat was dit: terwijl de menschen der Revolutie bezig waren alles met bloedig geweld neêr te slaan, wat naar hunne begrippen aan het geluk van het vaderland in den weg stond, het kapitaal evenwel, in den schrilste tegenspraak bleef ageeren, met de gepredikte grondstellingen. Hij zag hoe de schaggerhandel, hoe de levensmiddelenwoeker, de zwendel met de leverantiën bloeiden, en hoe de plotseling rijk geworden opkomelingen hunne orgieën vierden. En niet minder waren hem de oogen opengegaan voor de ellende der massa, die haar leven voor de Republiek zoo heldhaftig gegeven had. Al deze waarnemingen, die hij vooral de gelegenheid had volkomen te maken, door wat hij dag aan dag in kleineren kring om zich heen zag, brachten dezen denker op de gedachte, dat de samenleving niet juist georganiseerd moest wezen. En hij zon op middelen, eene maatschappelijk plan te ontwerpen, dat aan alle deze euvelen een einde kon maken.

Fourier, die van nature reeds een tegenzin had in de studie van politieke vraagstukken, werd in deze weerzin versterkt, door de feiten om hem heen. Hij zag de politieke stelsels veranderen, maar de maatschappelijke euvelen blijven. Dit deed bij hem de gedachte ontstaan, dat er tusschen de sociale toestand van de maatschappij en de politieke geen wezenlijk verband bestond; de eerste is even willekeurig, als den laatste; maar samenhang tusschen beiden bestaat er niet volgens hem.

Voor hem was het véél gewichtiger het uitgangspunt te vinden, van waaruit alle beschaving en ontwikkeling ontsproot, en hij meende, dat datgene wat een Newton voor de natuurlijke wereld had gedaan, n. l. het ontdekken van de wetten der zwaartekracht, dat dit moest geschieden voor de materieele wereld, en dat hij het was die dit had te doen.

Dat hij, Fourier, deze wetten, die het uitgangspunt waren van een geheel stelsel, hetwelk in staat was den menschheid het verloren geluk te hergeven, had ontdekt was zuiver toeval, volgens hem. Andere geleerden vóór hem hadden het ook kunnen doen, en een eigenaardige beschouwing is het dan ook van hem, dat de 400,000 dikke boekdeelen, welke er in den loop der tijden waren geschreven en die in Bibliotheken opgestapeld lagen, van zéér twijfelachtige waarde voor de menschheid en haar geluk waren.

In 1808 publiceerde Fourier nu ook zijn eerste en principieel-wetenschappelijke werk: „La théorie des quatres mouvements et des destinées generales.” („De leer van de vier bewegingen en der algemeene bepalingen”) genaamd.

De gedachtengang door Fourier daarin ontwikkeld, is de volgende. De wereld bestaat uit drie eeuwige, ongeschapene en onverstoorbare grondstellingen:

 God, of den geest, actief en bewegend principe;

 de materie, passief en bewogen principe;

 de gerechtigheid of de mathematische wetten, regelend principe.

Analoog aan het wereld-al, bestaat ook den mensch uit drie principes, namelijk:

 de drijfveeren (passiones), aktief en bewegend principe;

 het lichaam, passief en bewogen principe;

 de intelligentie, neutraal en regelend principe.

God, welke de leider en bestierder is van het wereld-al, kan alleen de éénheid en de harmonie ervan willen, anders zou hij met zichzelve in tegenspraak komen. Daarom bestaat er een onafgebroken keten van betrekkingen tusschen de drie rijken der natuur—dieren, planten, mineralieën—en de menschen; tusschen den menschen en God, gelijk tusschen den menschen en den aardbol en het gansche planeten- en wereldsysteem. Terwijl God den menschen schiep, hen van drijfveeren en hartstochten voorzag, wilde hij, dat de menschen daardoor gelukkig zouden worden. Het is dus niet aan te nemen, dat deze drijfveeren schadelijk zouden zijn, dat van deze hartstochten de eene of de andere zoude moeten worden onderdrukt of onbevredigd behoeven te blijven. Integendeel, eene bevrediging daarvan, schept veelmeer de harmonie van den mensch met zich-zelf en met God. Wanneer wij desniettegenstaande zoo dikwerf zien, dat deze hartstochten bij de menschen, zich in eene schadelijke richting openbaren en werken, dan bewijst dit niets tegen dezen, maar tegen de sociale organisatie van de maatschappij, welke deze hartstochten op valsche wijze zoekt werkzaam te doen zijn, of ze zoekt te onderdrukken.

Het zijn vijf bewegingen, welke de wereld voortbewegen en haar hare bestemming doen naderen:

 1. De normale beweging; wetten der aantrekking voor imponderabele elementen, electriciteit, magnetisme, reuken.

 2. De dierlijke of instinktmatige beweging; wetten der aantrekking voor drijfveeren en instinkten van alle geschapen wezens hoe en wanneer zij ook waren, zijn en zullen zijn.

 3. De organische beweging: wetten der aantrekking voor de eigenschappen der lichamen: vorm, kleur, smaak, reuk, enz.

 4. De materieele beweging—reeds door de mathematici (Newton) ontdekt—wetten der aantrekking en gravitatie der wereldlichamen (Planeten en vaste sterren). De kometen zijn, volgens Fourier, irregulaire lichamen die het wereldruim doortrekken.

 5. De sociale beweging—het eigenlijke steunpunt van het geheel—de wetten, welke de orde en de opeenvolging van de verschillende sociale gestalten op alle wereldlichamen regelen.

Het middelpunt dezer sociale wetten is de mensch, die daardoor, in den grond der zaak, tot het middelpunt van het geheel wordt en om wien, ten slotte, zich alles draait. Wat zou, zoo vraagt Fourier, de wereld voor een ander doel hebben, wanneer zij niet geschapen was voor de menschen?

De bestemming van den mensch is het geluk, dat in de ontwikkeling van geheel zijnen aanleg, de bevrediging van al zijne hartstochten ligt. De mensch behoort te genieten en nogeens te genieten, alles waartoe zijn hart hem dringt. Deze bestemming was den mensch door God toegedacht.

Fourier legt op het akkerbouwbedrijf of de agricole associatie het hoofdgewicht; hij ziet het zelfs voor de eigenlijke grondslag aan van het menschelijk bestaan, die welke de meeste en de aangenaamste afwisseling geeft. Maar ook de gansche huiselijke bezigheid, de huishouding in hare uitgebreidste opvatting; handel en nijverheid; opvoeding; de kunsten en de wetenschappen, zij allen moeten sociëtair bedreven worden.

De arbeid is volgens Fourier, een noodzakelijkheid voor alle menschen zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, maar zij moet geene last, maar een lust wezen. Zij moet in een woord gezegd: aantrekkelijk zijn. En dit kan zij alleen wezen, wanneer ieder in die richting drijven kan, waarheen zijne gaven en aanleg hem dringen, tot wat hem dus het meeste genoegen kon schenken. Daarnevens moet de arbeid, dikwijls afwisselen en moeten ten dien einde, de arbeidstijden slechts kort zijn.

Ten einde de verschillende tegen elkander in dwarrelende elementen te kunnen leiden, is het noodig, dat zich groepen vormen van gelijkgezinden, voor bepaalde bezigheden. Elk van deze groepen, kan slechts negen personen omvatten. Er vormen zich evenveel groepen, als er ondersoorten van arbeid bij eene bepaalde produktietak noodig zijn; de verschillende groepen vormen: eene serie. Daar twee menschen niet in alles dezelfde smaak kunnen hebben en ook niet de voor alles gelijke aandrift, worden dezelfde personen, die zooeven tezamen gearbeid hebben in ééne groep, in tegenovergestelde arbeidsgroepen, of serieën van andere produktietakken geplaatst. Niet alleen dus, dat er voortdurend afwisseling is van arbeid, er is ook eene voortdurende afwisseling in maatschappelijk verkeer bij dien arbeid. Deze voortdurende afwisseling van arbeidsbeoefening en van de personen die den arbeid beoefenen en de daaruit voortvloeiende, dan weder aantrekkende, dan weder afstootende bewegingen, voldoen volgens Fourier, aan de hoogste bevrediging, omdat juist daarbij alle drijfkrachten in het spel komen. Maar zulk eene bevrediging zou nog geen volkomene zijn, wanneer niet ook de voortbrenging van den rijkdom door haar kon worden in stand gehouden. Daarom dacht Fourier een stelsel uit, waarin den maatschappelijken arbeid, op den grondslag van deze organisatie en samenwerking van alle drijfkrachten en geaardheden, talenten en kundigheden, kon worden verricht. Het was het systeem van de phalanstère.

Deze planmatig georganiseerde en geassocieerde bezigheid van honderden van families, zal, naar Fourier verklaarde, in tegenstelling tot de private en individueele voortbrenging en het private ondernemerschap eene groote mate van besparing aan arbeidskracht, werktuigen en tijd ten gevolge kunnen hebben eenerzijds; en door geschikt aangewende en gecombineerde werkzaamheid van allen anderzijds, eene vermeerdering van den rijkdom ten gevolge hebben, die in vergelijking met die van thans verveertigvoudigd zou kunnen worden en zelfs den armsten zoû veroorloven eene bevrediging van zijne behoeften, zóó rijkelijk als heden ten dage den rijkste alleen, dit mogelijk was.

In de Fouriersche „phalanstère” blijft het onderscheid in bezit voortbestaan. Fourier achtte dit zelfs noodzakelijk voor de harmonie, die volgens hem juist uit eene geschikte en verstandige combinatie van tegenstellingen voort kan komen. Zijn socialisme was dat van verwijdering en van harmonie; van elkander dáárom bekampende tegenstellingen, omdat zij niet onderling verbonden en dus niet tot eenheid kunnen komen.

Daarom wendde hij zich steeds tot de grooten en aanzienlijken en niet tot de geringen, tot de arbeiders of tot het volk. Alleen de eersten waren in staat zijn plan te doen verwezenlijken.

In de „phalanstère” zou volgens Fourier kapitaal, arbeid en talent zóó worden beloond, dat aan den arbeid vijf-twaalfde, aan het kapitaal vier-twaalfde en aan het talent drie-twaalfde van de arbeidsopbrengst ten goede komt. De beide geslachten zullen volkomen op gelijken voet worden behandeld. Immers zij werken, vergenoegen en beminnen zich, met- en onder elkander. Ook de opvoeding van de kinderen behoort gemeenschappelijk te geschieden; de kinderen zijn het derde neutrale geslacht en aan hunne opvoeding wijdt Charles Fourier in zijne werken, groote en breede ruimte. Met grondige diepte en met een wonderbaarlijk onderscheidingsvermogen, heeft hij steeds over de opvoeding geschreven en geen pedagoog zal nog heden ten dage deze bladzijden, niet dan met genoegen lezen.

Wat de verhouding van de geslachten tot elkander aangaat, deze is door Fourier van een zeer ruim standpunt bekeken. De critiek, dien hij uitoefent op het tegenwoordig huwelijk, zoowel op zijnen vorm als op zijne uitwassen, behoort tot het scherpste wat daarover ooit is gezegd.

Onder de nieuwe levensverhoudingen, gelijk Fourier ze ons die schilderde, genieten de menschen niet alleen het volle geluk, zij kunnen zelfs bij hunne, zooveel betere, gezondere en natuurlijker levensverhoudingen een hoogeren ouderdom bereiken. Fourier spreekt van het bereiken van een leeftijd van 144 jaren, als doorsneê-leeftijd.

Het gansche heelal, is volgens Fourier, die zich hierbij op Schelling beroept „het spiegelbeeld van de menschelijke ziel.” De wereld is ter wille van de menschen geschapen; na zijn dood wandelt den mensch van planeet tot planeet, tot een steeds hoogere volkomenheid.

Elke planeet wordt geboren en heeft, gelijk den mensch, hare kindschheid en hare ouderdom, op- en neêrgaande ontwikkeling, en dood. Ook de menschheid sterft, en wel, na een totaal-levensduur van 80,000 jaren, die zich afwikkelen in vier phazen. De phaze der kindschheid, in welke laatste periode wij ons bevinden, duurt: 35,000 jaar en die van den nedergang eveneens: 35,000 jaren. Dan volgt de phaze van de ouderdomszwakte, weder met 5000 jaren, waarna de dood der menschheid en die der aarde intreden. In de tijdruimte van 80,000 jaren beleeft de menschheid 32 ontwikkelingsperioden—wij bevinden ons in de vijfde, die der civilisatie—en in deze verschillende perioden, zijn er verschillende hérscheppingen, door welke de dieren- en plantenwereld en ook het klimaat, in overeenstemming met de hoogere ontwikkeling der menschen, zich tot hoogere volkomenheid ontvouwen zal. Met de achtste periode, die van de harmonie, vangt de dageraad van het geluk aan. Dan wordt de noordpoolkroon (couronne boréale) geboren, die dan gelijk de zon, niet alleen licht, maar ook warmte verspreidt en daarmede zullen tal van nieuwe scheppingen ingeleid worden. De werkingen daarvan zullen zijn, dat Petersburg zoowel als Ochotsk een klimaat zullen verkrijgen, gelijk Cadix en Constantinopel; dat het klimaat van de Siberische ijskusten, dat van Marseille en van den golf van Genua verkrijgt en dat eene vruchtbaarheid van deze noordelijke deelen der aarde aanvangt, die zal kunnen wedijveren met die van deze tropische gewesten. Gelijktijdig zal door de inwerking van dit fluïdum en door de verandering der klimaten, de zee zich veranderen en haar water een anderen smaak verkrijgen. De bestaande, thans den mensch nog vijandige en schadelijke zeemonsters als de haai enz., zullen verdwijnen en door andere schepsels, als anti-haai, anti-walvisch vervangen worden, die den menschen vriendelijk gezind zullen worden en zich door hen zullen laten gebruiken tot het leiden van hunne schepen enz. Evenzoo op het land. Alle wilde dieren, leeuwen, tijgers, luipaarden, wolven enz., alle giftige reptielen en vergiftige schadelijke planten zullen verdwijnen en plaats maken voor nieuwe, der menschheid nuttige gewassen.

Zoodra den ganschen aardbodem met phalanstères overdekt is, zal zij twee millioen derzelven en vier milliard menschen aanwijzen. Dan zal Constantinopel hoofdstad zijn van de wereld en zal de door alle phalanstères gekozen „Omniarch”, als heerscher der wereld, aldaar zijn zetel innemen.

Met het getal van vier milliard, is volgens Fourier, het maximum bereikt dat het bevolkingscijfer bereiken kan; want wanneer ook de menschen zich aanvankelijk sterk vermeerderen, de vruchtbaarheid van het geslacht zal verminderen, naar mate nevens de mannen, ook de vrouwen sterker zullen worden, hunne geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en opulente levenswijze toenemen zal. Fourier gelooft, reeds voor onze samenleving de opmerking gemaakt te hebben, dat vrouwen van groote lichaamskracht en lichaamsgestalte en onder gunstige materieele verhoudingen levend, minder kinderen krijgen dan die van een zwakkelijke en geringe constitutie. De eersten zijn zelfs dikwerf onvruchtbaar.

Dezelfde veranderingen als op aarde, voltrekken zich ook op alle overige planeten. Geheele nieuwe planeetsystemen zullen zich nog moeten vormen, ten einde in de sterrenwereld denzelfde harmonie, het opperste klavier (clavier majeure) te kunnen vestigen, zooals deze harmonie op aarde gevestigd is in het klavier van de menschelijke ziel, dat 810 karaktereigenschappen aanwijst.

Fourier rekent bij dit alles met bepaalde mathematische verhoudingen; alle levensuitingen en levenschijnselen laten zich in bepaalde mathematische getalverhoudingen uitdrukken. Fourier staat hierbij geheel op den bodem van Pytagoras (540–500 vóór Chr.), die gelijk bekend is, eene philosophie van de getallenleer voor alle verschijnselen, leerde.

In 1829 verscheen Fourier’s tweede werk: „Le nouveau monde industriel et sociétaire”. („De nieuwe industrieele en sociétaire wereld.”) Dit boek bestaat uit één deel en is van alle werken van Fourier wel het duidelijkst en helderst geschreven. Het kan, om de beknoptheid waarin zijne denkbeelden erin vervat zijn, als de quintessens van Fourier’s denkbeelden als hervormer, worden beschouwd. Zeven jaren later gaf hij nogmaals een groot werk in het licht, dat „Valsche industrie” genaamd was, maar dit boek bevat geen nieuwe denkbeelden en is van beslist minder waarde, dan zijn „Nouveau monde” en zijn „Théorie des quatres mouvements” dat zijn.

In 1848 hebben de scholieren van Fourier zijn gezamenlijke werken uitgegeven, onder den titel: „L’harmonie Universelle et le Phalanstère” („De algemeene harmonie en de phalanstère”), waarin Fourier zelf aan het woord is, omtrent zijne plannen en de ontdekkingen zijner wetenschap.

Hij zegt, dat nadat bij hem eenmaal den twijfel was geweken, dat de toestand van ontbering, die overal heerschte, van nood en gebrek, het overal-heerschend-bedrog, het handelsmonopolie en de slavenhandel, een door God gewilde toestand was, dat hij toen tot de conclusie kwam, dat deze gansche toestand er eene van overgang was voor de menschheid; een toestand van verandering in de sociale orde van zaken. En hij maakte ’t zich tot een regel van zijn onderzoek: de absolute twijfel, en de absolute vermijding van de tot dusverre betreden wegen. Hij vroeg: wat kan er twijfelachtiger bestaan, dan deze onvolkomene beschaving?—Wanneer er aan haar ook drie periodes voorafgegaan waren, die van wildheid, patriarchaat en barbarisme, moet dan daaruit worden opgemaakt dat zij de laatste is, alleen omdat zij de vierde is? Kan er niet een vijfde, zesde of zevende sociale orde komen, die wel-is-waar ons nog niet bekend kan zijn, maar dit alleen, omdat tot nog toe niemand zich de moeite gegeven heeft van haar te ontdekken! Men moet dus de noodzakelijkheid, de voortreffelijkheid, zoowel als de voortduring van deze maatschappij, altijd en altijd in twijfel blijven trekken. Dit hebben de philosophen nooit gedaan, omdat zij, zoo zegt Fourier, dit nooit gewaagd hebben, dewijl dan de nietswaardigheid van al hunne werken voor de menschheid meteen zou aan het licht gekomen zijn!

„Eene zoodanige organisatie komt ons belachelijk voor en toch is zij mogelijk. Eene agrarische associatie, gelijk ik mij die voorstel en die wel duizend personen kan omvatten, levert zulke enorme voordeelen op, dat zij in vergelijking met de tegenwoordige toestanden, aan een toestand van zorgeloosheid gelijk zou zijn.”

De sterkste prikkel voor den landman, zoo gaat Fourier voort, is de winst. Wanneer de verbondenen maar eenmaal zullen zien, dat sociëtair-georganiseerden arbeid, hen vijf zesmaal meer winst oplevert, dan hunne geïsoleerde bedrijven van vroeger dit deden, zullen zij wel ál hunne onderlinge jalouzieën ter zijde zetten en tot de associatie toetreden.

„Dan zullen zich de associaties over regionen uitbreiden. Want overal hebben de menschen den trek naar genot en naar rijkdommen.”

Het eerste wat Fourier daarna ontdekte, was de aantrekking der hartstochten. „Ik zag in dat de voortschrijdende serieën, aan de hartstochten der beide geslachten, de verschillende leeftijden en klassen de volle ontwikkeling zouden kunnen geven; dat in de nieuwe orde, men zooveel te meer kracht en vermogen zoude erlangen, naar mate men meer hartstochten heeft, en ik concludeerde daaruit: dat als God zooveel invloed gegeven heeft aan de aantrekking der hartstochten en zoo weinig invloed aan de rede, hunnen vijand, dat dit zeker geschiedde, om ons tot organisatie der voortschrijdende serieën te voeren, welke in elk opzicht de aantrekking bevredigen.”

„In de schaduwen van de voorhanden zijnde sociale wetgeving,” zoo zegt hij voorts, „ziet men niet in, dat de ellende der volkeren aanwast, juist met de sociale vooruitgang. Wij zien reeds die gevaarlijke werking uit den invloed van den handelsgeest, die daarheen leidt, de heete luchtstreek te bevolken met zwarte slaven, die men ontrukt aan hun geboorteland en het gematigde klimaat met witte slaven, die men in industrieele bagnoos drijft, gelijk men dit heden ten dage in Engeland doet, iets dat gewis wel in andere landen navolging zal vinden. Is er zelfs eene gerechtvaardigde zijde aan een toestand, waarin de vooruitgang van de industrie, zelfs niet eens aan den armen den behoorlijken arbeid kan garandeeren?”

„Het verbond is de basis van elke economie, wij vinden de kiemen daarvan verstrooid in het geheele sociale mechanisme, van-af de machtige Oost-Indische Compagnie, tot aan de arme vereenigingen der voor een bedrijf vereenigde dorpsbewoners toe.... Wij hebben overal, zoowel in het kleine als in het groote deze kiemen voor ons welzijn bij de hand; het zijn ruwe diamanten, welke door de wetenschap geslepen moeten worden. Het problema is, deze kiemen der associatie, die in alle takken van menschelijken arbeid terug te vinden zijn, tot één mechanisme te verbinden, hen tot eene algemeene éénheid te doen worden.”

Wat de sociale beweging aangaat, zoo ziet men elke belanghebbende klasse, de andere het booze toewenschen; overal is het persoonlijke belang in tegenspraak met het algemeene belang. De geheele schrikkelijkheid van een dusdanige toestand, ziet men recht en duidelijk in, wanneer men ze eerst goed leert begrijpen; wanneer men de sociëtaire organisatie leert kennen, waarin de belangen een geheel andere richting uitgaan, wanneer ieder voor het algemeen belang werkt, juist omdat dit het meest parallel loopt met zijn persoonlijk belang.

„De vrijheid is illusoir wanneer zij niet algemeen is. Waar de vrije ontwikkeling van de hartstochten tot een zeer kleine minderheid beperkt is, daar heerscht er slechts onderdrukking. Om de massa eene volkomene ontvouwing en de bevrediging harer hartstochten te verzekeren, is eene sociale organisatie noodig, die aan drie voorwaarden te voldoen heeft. Men moet: 1e een regime der industrieele attractie zoeken, ontdekken en organiseeren; 2e aan ieder moeten gewaarborgd kunnen worden de zeven natuurlijke rechten, die ook de wilde bezit; en 3e, de belangen des volks moet men verbinden met die van de grooten. Want het volk zal op den grooten afgunstig zijn en hen haten, zoolang het niet gradueel een aandeel heeft aan hun welzijn. Slechts onder deze drie voorwaarden, kan men het volk een minimum aan voedingsmiddelen, bekleeding, woning en hoofdzakelijk, ook aan het vergenoegen verzekeren, want zonder er een aangename zijde aan te verbinden, zal ook de nieuwe toestand voor de menschen niet voldoende zijn.”

Er is, volgens Fourier, geen voor altijd samengestelde vrijheid mogelijk die niet in-zich bevat dat minimum. „Geen minimum zonder industrieele attractie; geen industrieele attractie in den stuksgewijs verrichten arbeid”, waarmede hij bedoelt, in den arbeid gelijk hij verricht wordt in de privaat-ondernemingen.

De aantrekking tot den arbeid, kan slechts daar aanwezig zijn, waar die arbeid aangenaam en lucratief is. De verdeeling heeft plaats, volgens de drie industrieele eigenschappen: arbeid, kapitaal en talent. Het bevolkingsaantal van een phalanstère mag niet grooter wezen dan van 1800 tot 2000 personen, omdat in dat getal naar Fourier’s berekening, de verschillende hartstochten en karaktereigenschappen ten volle en doelmatig vereenigd zijn. De economie der hulpmiddelen verkrijgt men, uit een zoo doelmatig mogelijk tezamenwerken van allen, met elkander werkenden, omdat allen belang hebben bij de besparing van materialen, van tijd en van arbeidskrachten.

Zoo zal men in een phalanstère van 400 families, niet 400 keukenvuren voor 400 private huisgezinnen noodig hebben, maar zullen vier of vijf groote keukenvuren voldoende zijn. De bewoners zullen in vier of vijf klassen, naar hunnen stand en naar hun vermogen ingedeeld kunnen worden, en aldus één gemeenschappelijk paleis kunnen bewonen.

Een phalanstère, die zich bijv. met de wijn- of olieproduktie bezig houdt, zal slechts een enkele werkruimte noodig hebben, in plaats van de velen, die thans in een wijn- of olieverbouwende streek bestaan.

De juiste behandeling van den wijn, is den kleinen bezitter onmogelijk, noch kan hij voor de behoorlijke ligging zorg dragen, noch voor de verkoeling die noodig is. In eene phalanstère zal de wijn, tengevolge van de deugdelijke bewaring en verzorging reeds na één jaar, vijfmaal meer waard zijn. Bovendien kan de phalanstère steeds het produkt verbeteren, door de kostenbesparing; betere zaden, betere planten aan te schaffen. Zij kan de beste bodem uitzoeken en de doelmatigste machines, gebouwen, stallen en bergruimten hebben.

Eene der schitterendste kanten van het sociètaire systeem van den arbeid, is wel deze, dat daarbij de waarheid in handel en wandel kunnen worden ingevoerd. „Terwijl de associatie, de coöperatieve, solidaire en zeer vereenvoudigde, op waarachtigheid en waarborgen berustende concurrentie, in plaats van de individueele, onsoliede en door leugenachtigheid opgevreten, willekeurige concurrentie onzer beschaving stelt, zal zij maar een twintigste van de handen en de kapitalen daarvoor noodig hebben. Men zal zoodoende den tegenwoordigen handel als parasietisch kunnen onderdrukken. Men zal door de phalanstère, in plaats van honderden concurreerende en tegen-elkander intrigueerende kooplieden en winkeliers, met hunne marktplaatsen en winkels slechts één groot Warenmagazijn en naar verhouding zeer weinig personen noodig hebben, dewijl alle koopen en verkoopen naar buiten, door de phalanstères onder-elkander afgesloten worden.—

„Het meest wel zal het lot van de kinderen in deze sociétaire organisatie, zich verbeteren. In de slecht geleide privaat-ondernemingen vinden de kinderen, in de hutten en de arbeidsplaatsen, schuren en ellendige woningen nòch de verzorging, nòch de beoordeeling, nòch de aandrift die zij zoo noodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. Daarbij sterven zij bij massa’s in ongenoemde woningen, door slechte levenswijzen, of worden zij met kwalen behept. In den sociètairen toestand, zal de sterfte buitengewoon verminderen; het kinderaantal zal, zoowel lichamelijk als geestelijk, op ongekende wijze toenemen. Dreigende overbevolking, zal alleen door de sociètaire organisatie kunnen worden geneutraliseerd.

„De beschaving bevindt zich tegenover alle deze vraagstukken in een vicieuzen cirkel en dit erkent men allerwege. Men is er perplex van dat in de beschaving, de armoede de overvloed voorbrengt. Onzen toestand brengt ons niet het geluk, maar zij levert het niet-geluk op, de excessen der industrie voeren tot de grootste euvelen, zij brengen ons van Scylla in Charybdes. En waarom? Omdat wij zonder leiddraad, omdat wij zonder gids, ronddolen in een labyrinth. Dat ziet men aan alles. Wij moeten een wegwijzer in het maatschappelijk leven hebben, eene nieuwe wetenschap en die is volgens Fourier, die van de serieën der aandriften. Men zegt dat de menschen van heden niet slechter zijn, dan die van vroeger. Maar een halve eeuw terug, kon men nog voor weinig geld stoffen van goeden kleur en goede kwaliteit koopen voor weinig geld. Men kon nog onvervalschte levensmiddelen krijgen, tegenwoordig heerscht in alles bedrog en vervalsching. De landman-zelf is een vervalscher moeten worden, gelijk het den koopman reeds lang voor hem was; melk, olie, wijn, brandewijn, suiker, meel, koffie, alles is vervalscht. De arme menigte kan geen natuurlijke levensmiddelen meer bekomen, men verkoopt overal vergiften.

„De handel is schrikwekkend toegenomen en in dezelfde mate het bedrog, den zwendel en de opzuiging van kapitalen.

„Ten allen tijden en overal, zal de aantrekking der hartstochten, tot drie doeleinden trachten te komen. Tot de luxe of tot bevrediging der vijf zinnen; tot groepvormingen en serieën van groepen of bonden van toeneiging; tot het mechanisme der aandriften, der karakters en der instinkten; en door alle deze drie, tot universeele gelijkvormigheid.

„Alle groepen zoeken eene serie of een ontwikkelingstrap te vormen, verschillend in paring en soort. Deze serieën van groepen, zijn aldus het tweede doel van de aantrekking, terwijl zij zich voor alle funkties der zinnen en der ziel vormen. Het derde doel, is het mechanisme van de aandriften of de serieën van de aandriften of de serieën van groepen. Het is het streven van de vijf zinnelijke aandriften. 1. Smaak, 2. gevoel, 3. reuk, 4. gewicht, 5. gehoor met de vier affektieve: 6. vriendschap, 7. eerzucht, 8. liefde, 9. ouderschap, in overeenstemming te komen. Deze overeenstemming voltrekt zich door bemiddeling der drie weinig bekende en veel miskende aandriften; 10. de aandrift door intrigue, naar vereeniging van gelijkstrevenden; 11. de aandrift naar afwisseling, naar contrasten; 12. de aandrift tot beijvering, tot begeestering en tot het streven naar vervolkomening.”

Deze twaalf tezamenwerkende aandriften of hartstochten, bevatten volgens Fourier, de harmonie van de aandriften.... „Tegenwoordig is de mensch in oorlog met zich-zelven. Zijne aandriften werken tegen elkander-in. De eerzucht werkt tegen de liefde, het ouderschap tegen de vriendschap in; en aldus bevinden zich vele aandriften in disharmonie. Ons doel moet het zijn, een vrijwillig in-elkander grijpend mechanisme van aandriften te scheppen, zonder een derzelve te onderdrukken. Dit kan geschieden, door dat ieder individu, terwijl hij zijn persoonlijk belang beoogt, daarmede tegelijkertijd het algemeen belang dient.

„De kunst om te associeeren bestaat hierin, een phalanx van serieën van aandriften, met elkander in volle overeenstemming te kunnen brengen en te doen ontwikkelen, die volkomen vrij alleen door aantrekking voortbewogen wordt en toegepast kan worden op de zeven voornoemde industrieele functies: huishouding, akkerbouw, industrie, handel en verkeer, onderwijs, wetenschappen en schoone kunsten.

„Een serie der aandriften is een verbinding van verschillende, op en neder gaande volgreeksen van verbonden groepen. Zij zijn vereenigd door overeenstemming in smaak voor een of andere bezigheid, zooals het verbouwen van een zekere vrucht, in welke voor elken tak van arbeid, zich hierbij een speciale groep vormt. Wanneer eene serie bijv. hyacinthen of aardappelen verbouwt, moet zij even zoovele groepen vormen, als er soorten van hyacinthen of soorten van aardappelen in cultuur gebracht moeten worden. Elke groep vormt zich uit de leden van de serie, die voor eene bepaalde soort, neiging aan den dag leggen. Er zijn minstens 40–50 serieën noodig, om eenigermate te voorzien in de behoeften aan de noodige afwisseling en neutraliseering. De serieën benuttigen de verscheidenheid van karakters, smaken en instinkten; van de vermogens, aanspraken en van de trappen van ontwikkeling. Elke serie is tezamengesteld uit contrasteerende ongelijkheden, zij behoeft evenzoovele tegenstellingen of antipathiën, als zij overeenstemmingen of sympathieën noodig heeft. Gelijk in de muziek, waarin men een akkoord verkrijgt doordien men evenzoovele noten uit laat vallen, als men aan den anderen kant er aan toevoegt en de contrasten der tonen één akkoord leveren, zoo levert de vereeniging van de serieën der groepen, voor de sociale harmonie hetzelfde effect op. Zij brengt beweging, waarheid, gerechtigheid, direkte en indirekte overeenstemming en eenheid in den vorm.

„De verschillende groepen moeten zich tegen elkander-in bewegen. Dat is mogelijk, doordat de groepen slechts gradueel van elkander verschillende bezigheden verrichten, bijv. niet verschillende soorten van ooft, maar verschillende soorten van een soort verbouwen. Verder moeten de arbeidszittingen kort zijn en niet langer dan twee uren duren. Een groep van zeven arbeiders is voldoende, zij is volkomen, als zij er negen telt. Dan verdeelt zij zich onwillekeurig weder in ondergroepen, in de beide vleugels en een centrum. Vier en twintig groepen is het laagste getal voor eene serie.

„De mensch”, zegt Fourier „is uit instinkt een vijand van dwang en van gelijkheid, hij streeft in elk opzicht gestadig naar verandering. In de beschaving van thans wordt instinktmatig overal het valsche bereikt. Steeds wordt het valsche aan het ware voorgetrokken en het steunpunt van ons tegenwoordig systeem is eene valsche groep, die welke zich tot het kleinste getal laat terugbrengen: tot de echt.

„Deze groep is valsch door de beperking van het getal, valsch door het ontbreken van de vrijheid, valsch door het uitelkandergaan en de splitsing van de smaken. Reeds dadelijk zijn deze verschillen voelbaar. Nà den eersten dag van het huwelijk, verschilt men bijv. al over de gerechten, over de bezoeken, over de uitgaven, de conversatie en over honderd andere dingen meer. Welnu, als de beschaafden van onzen tijd, in de oorspronkelijkste hunner groepeering niet kunnen harmonieeren, dan kunnen zij het nog veel minder met het geheel der groepeeringen in de samenleving.”

In de phalanstère van Fourier, is men niet zonder eenige regeering. De leiders van de serieën en groepen worden officieren genaamd en hebben militaire graden. Zij hebben den titel van hoofdlieden, luitenants, vaandeljonkers; er zijn geheele staven in de phalanstère en ten opzichte van deze waardigheden is er geen verschil tusschen man en vrouw. De medeleden van de serieën en groepen, verkiezen tot hunnen leiders diegenen onder hen, die zich in hunnen kring het meest verdienstelijk gemaakt hebben en daardoor het meest de sympathie hebben van de anderen.

Fourier is verder van oordeel, dat de menschen, met zeer weinig uitzonderingen, reeds vrij spoedig hunne vreugde zullen hebben aan schoone harmonieën van kleuren, aan prachtige en schoone feesten, standbeelden en gebouwen. En naar alle deze richtingen heen, kan alleen door de phalanstère het schoonste gewrocht kunnen worden.

Zien wij nu nog voorts hoe, volgens Fourier een onbemiddelde en een rijke in zulk eene phalanstère hunnen dag doorbrengen. Wij kiezen daartoe den maand Juni. Des morgens 3½ uur is het opstaan en aankleeden; 4 uur „séance” in een groep voor de verzorging der dieren in de stallingen; 5 uur arbeid in een groep van tuiniers; 7 uur ontbijt; 7½ zitting van maaiers; 9½ uur zitting van groentekweekers. Om 11 uur, tweede zitting in de stallingen; 1 uur middagtafel; 2 uur boscharbeid; 4 uur arbeid in een werkplaats; 8 uur beurs; 8½ uur avondeten; 9 uur conversaties en 10 uur slapen-gaan.

De beurs van de phalanstère houdt zich niet bezig met schaggerhandel in papieren of levensmiddelen, maar met den zorg voor den volgenden dag. Dan weêr vormen zich nieuwe groepen en serieën. Ook worden later als de phalanstère in volle werkzaamheid is, het getal der rustpoozen en maaltijden verhoogd tot op vijf, en worden ook de zittingen korter. Den korten slaaptijd, verklaart Fourier hiermede, dat de menschen die in harmonie arbeiden, tengevolge van hun veel aangenamer levenswijze, veel minder slaap noodig zullen hebben, dan de beschaafden van tegenwoordig.

Maatstaf van verdeeling van de opbrengst van het produkt in de phalanstère is: ten 1e de direkte werking, die zij voor de banden der eenvormigheid van de phalanx in het spel van het sociale mechanisme heeft; ten 2e de waarde die zij heeft voor de uit-de-wegruiming van tegenstrijdige hindernissen en ten 3e de omgekeerde verhouding waarin zij staat tot de sterkte der aantrekking, die zij opwekt. Naar deze wijze groepeeren zich de verschillende bezigheden, welker klassificeering en ordening de medeleden der phalanx-zelve te bepalen hebben. Een overeenstemming is zooveel te gemakkelijker, daar elk medelid in een gansche menigte van serieën en in een nog grooter aantal groepen werkzaam is. De gunst die het medelid eener serie of groep in de bevoordeeling van dividend zou kunnen verkrijgen, zou hen tot schade zijn in eene andere groep of serie. Zijn eigen belang dwingt hem dus tot de grootst mogelijke objektiviteit. Ook is hij erbij geïnteresseerd, dat de harmonie niet gestoord worde, omdat dit dan tot schade zou wezen van het geheel en zonder twijfel ook tot dat van hemzelf. Van deze gezichtspunten uit beoordeeld, geschiedt ook de verdeeling van het inkomen over kapitaal, arbeid en talent. Fourier geeft hiermede volgende voorbeelden:

„Alippus is een rijke aktieënbezitter, die tot nu toe, ín de beschaving, voor de uitleening van zijn kapitaal op goederen, 3 à 4 procent maakte. In de phalanstère heeft hij kans 12 à 15 procent te maken. Hij is zéér voor een rechtvaardige verdeeling, maar zijn hebzucht kan hem ertoe verleiden, als kapitalist de helft van het overschot, als dividend voor zich op te eischen. Maar hij komt dan dadelijk tot het inzicht, dat de beide andere talrijke klassen, welke arbeid en talent aan de zaak gaven, daarmede zéér ontevreden zouden zijn en waarschijnlijk binnen weinig jaren zou de phalanstère opgelost en de schade dan nog veel grooter zijn. Dus vergenoegt hij zich met eene regeling, die aan zijn kapitaal 4/12, den arbeid 5/12 en het talent 3/12 toewijst. Hij heeft, naar deze maatstaf, nog driemaal meer inkomen dan de beschaving hem gaf; hij leeft in de phalanstère veel goedkooper, hij ziet bovendien de beide andere klassen bevredigd en het bestaan der maatschappij daardoor verzekerd. Zijne hebzucht wordt in evenwicht gehouden door twee tegenwichten. Hij heeft de overtuiging, dat in het algemeen belang tevens zijn eigenbelang opgesloten ligt en dat in de vooruitgang van de industrieele aantrekking, voor hem een bron van grooter rijkdom opgesloten ligt. Een tweede voorbeeld:

„Johannes heeft nòch kapitaal, nòch aktieën. Hij is als beschaafde er dus zéér voor, dat den arbeid, op kosten van het kapitaal en het talent het leeuwenaandeel bekomt en rekent dus 7/12 voor den arbeid, 3/12 voor het kapitaal, en 2/12 voor het talent. Maar Johannes, als lid van de phalanstère, denkt er anders over. Als medelid van een groep, juist dikwijls door het talent dat hij ten toon spreidt de eerste, komt hij nu tot juiste waardeering van het talent. Bovendien begrijpt hij, als praktisch burger, welke beteekenis het kapitaal heeft, welke voordeelen den arbeid eruit kan trekken, hoevele voordeelen er uit geboren worden voor de serie en de groepen, en vervolgens, dat zijne kinderen het vooruitzicht hebben met kapitaal te worden bedeeld. Hij zelve kan door toeneming zijner kennis tot hooger waardigheid klimmen, ook besparingen maken. En ten slotte zal hij gevoelen, dat tot een juist evenwicht in de maatschappij, hier den arbeid iets of wat naar den achtergrond heeft te treden, tegenover het kapitaal en het talent. Een derde voorbeeld:

„Philintus is medelid van 36 serieën. In twaalf daarvan munt hij uit, door groote geschiktheid en talent; in twaalf anderen is hij middelmatig en in de twaalf laatsten, is hij een nieuweling. Als nu bij het einde van het jaar zijne rekening opgemaakt wordt, zou hij, in aanmerking genomen de talenten welke hij ontwikkelde in twaalf serieën, zéér geneigd zijn, deze bijzonder hoog te willen aanslaan. Maar verstandig als hij is, zal hij moeten inzien, dat hiermede nòch zijn belang, nòch dat van de phalanstère kan gediend zijn. Niet alleen staan tegenover de 12 serieën, waarin hij zich door talent onderscheidde, 24 anderen waarin hij slechts een middelmatig arbeider bleek, maar ook van die 12 serieën waarin hij uitmunt, behooren slechts vier tot de eerste klasse, de hoogst beloonde, die van de noodzakelijkheden; vier anderen in de tweede, en de vier laatsten in de derde klasse. Hieruit dus, volgt voor hem van-zelf, dat de eenzijdige maatstaf van de bevoorrechting van het talent hier geenszins in toepassing kan worden gebracht. Maar daarbij komt nog iets. Daar de belangen van alle medeleden in de dozijnen van serieën en honderden van groepen persoonlijk van elkander verschillen; in eene serie of groep, van twee of van meerdere weder harmonieeren, dezen wederom in alle andere serieën en groepen in belang van elkander uiteenloopen, is een intriguenspel ten gunste van enkele serieën of groepen onmogelijk. In deze honderden, door elkander loopende en elkander kruisende belangen, waarbij geen individu alleen iets vermag en geen andere verbinding van gelijke belangen mogelijk is, moet ten slotte wel het algemeen belang, en dus tegelijk het belang van allen, op zich-zelve reeds zegevieren.

„Het regime van de serieën der aandriften, is de gewilde gerechtigheid, die de voorhanden zijnde ondeugd, de zucht naar goud, omzet in den dorst naar gerechtigheid.”

De geheele verdeelingswet formuleert Fourier aldus: „De individueele hebzucht moet door het collectief belang van elke serie en dat der geheele phalanstère, als toebehoorende aan eene menigte van serieën geabsorbeerd worden.” En deze wet wordt bereikt, door de direkte verhouding van het getal der frequente serieën, in omgekeerde verhouding tot den duur van den arbeid; in de serieën op-zich-zelf. Met andere woorden, tot hoe meer serieën het individu behoort en hoe korter dientengevolge de enkele arbeidszittingen worden, zooveel te lichter zal de neutraliseerende gerechtigheid in de verdeeling van de arbeidsopbrengst zich voordoen. Met het getal der verschillende belangen van de enkelingen, groeien ook de mogelijkheid van de meest rechtvaardige verzoening en de eenvormigheid van het geheel aan.

De hebzucht werkt aldus ten slotte verzoenend in de harmonie. Maar tegenover haar staat nog een tweede impuls van verzoening: de edelmoedigheid. Bijvoorbeeld. Het komt er op aan een bedrag van 216 francs te verdeelen, zegt Fourier, onder negen medeleden eener groep, waarbij het dan toevallig uitkomt, dat de rijksten en welhebbendsten onder de negen groepsgenooten, tengevolge hunner verrichtingen het meest uitgekeerd krijgen. Hierop verklaren dan de beide eersten, dat zij hun kapitaalinkomen in aanmerking genomen, en ook om het genoegen dat hen den arbeid gedaan heeft, zich met het minimum zullen vergenoegen, hetgeen vier franken bedraagt. Dientengevolge blijven en 52 franken over, om onder de overigen te verdeelen. Maar het voorbeeld van de beide eersten volgen de anderen na, alleen deze laten, met het oog op hun geringer vermogen, van het hen toekomende maar de helft vallen, waardoor dus verder nog 20 franken te verdeelen overblijven. De 72 franken worden nu onder vijf armere sociètaires verdeeld, zoodat die 24, 18, 12, 9 en 9 franken krijgen.

Wanneer nu hieruit ook voortspruit, dat de rijkste sociètaires slechts het geringst mogelijk arbeidsaandeel ontvangen—en het grootste deel van hun inkomen trekken al naar de mate van hun kapitaal—dan resulteert daaruit, dat hun aandeel in de algemeene opbrengst, in omgekeerde verhouding staat tot den afstand waarin de kapitalen tot elkander staan; want voor arbeid en talent bedoelen zij slechts het kleinste aandeel in beslag te nemen. Daarentegen staat hun aandeel in de algemeene opbrengst, met betrekking tot het kapitaalaandeel, in directe verhouding tot de massa der kapitalen. Er komen hier, evenals in de physieke wereld, twee tegen elkander inwerkende krachten in aanmerking: de centripetale, welke hier de hebzucht is, en de centrifugale, die hier de edelmoedigheid vertegenwoordigt.

Ook aan het bevolkingsvraagstuk, heeft Fourier een behoorlijken aandacht gewijd. Juist in zijnen tijd n.l. kwam het boek van Thomas Robert Malthus „Over de bevolkingsleer” uit, en werd veel besproken. Malthus stelde de theorie op, dat de menschheid de tendenz heeft zich in eene geometrische progressiereeks, dus in de reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32 enz., te vermeerderen; daarentegen vermeerderen de voedingsmiddelen zich maar in eene arithmetischen reeks: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 enz. Uit deze, met elkander in tegenspraak zijnde tendenzen, zou volgens Malthus, binnen vijf-en-twintig jaren—die voldoende zijn om de verdubbeling van het aantal menschen voort te brengen—de aarde zoo òverbevolkt zijn, dat de menschheid te gronde zal moeten gaan, door gebrek aan levensmiddelen.

Fourier nu pakt het vraagstuk van zijne andere zijde aan. Hij huldigt de grondstelling: stijgende produktiekrachten geven een stijging van produkt, beiden staan tot elkander in onmiskenbare verhouding. Maar zegt hij, „vergeefsch zullen de beschaafden naar middelen moeten omzien, om eene vier- ja, honderdvoudige vermeerdering te bereiken, die er noodig is, wanneer de menschen veroordeeld moeten blijven zich te vermeerderen onder den tegenwoordigen socialen toestand, die, tengevolge van oneconomische toepassing, der maatschappij dwingt, gestadig het drie- of viervoud van het produkt op te koopen, om het door de gewoonte bestendigde levensonderhoud der verschillende klassen, mogelijk te maken.”

Ten allen tijde in de beschaving was de bevolkingstoename, in verhouding tot de voedingsmiddelen, een der klippen waarop de politiek is gestrand. De Ouden kenden tegen de overbevolking geen andere middelen dan uitzetting, kinderdooding en wurging van de overtollige slaven.

„In sociètaire toestand”, zegt Fourier, „werpt de natuur tegenover de excessieve vermeerdering van de bevolking, vier werkzame dammen op. 1e. De grootere kracht en de lichamelijke ontwikkeling der vrouwen; 2e. de ruimere levenswijze; 3e. de phanegoramische zeden en 4e. de gelijkmatige lichamelijke oefening van alle krachten. Wat de grootere lichamelijke ontwikkeling aangaat, dat zien wij bij de vrouwen in onze steden; op elke vier vrouwen die onvruchtbaar zijn, komen drie robuste, terwijl daarentegen de zwakkere vrouwen ook de vruchtbaarste zijn. Men zal zeggen, dat de vrouwen ten platten meest robust en tóch ook vruchtbaar zijn. Dit is juist, zegt Fourier, maar een bewijs te meer, dat alle vier middelen moeten worden gecombineerd en met elkander verknocht moeten worden gemaakt. De vrouwen op het platte land zijn vruchtbaar, omdat zij matig leven en een grove, hoofdzakelijk vegetabiele voeding tot zich nemen. De vrouwen uit de steden, leven meest weelderiger en geraffineerder, en daarvandaan hare grootere onvruchtbaarheid. Verbindt men nu in de harmonie, de lichamelijke krachtsontwikkeling der vrouwen met luxueuser levenswijze en voeding, dan zal men daardoor twee werkzame middelen, die de vruchtbaarheid tegenwerken met elkander verbonden hebben.”

In de harmonie zullen de menschen dan ook later als tegenwoordig hunne geslachtsrijpheid erlangen, omdat de niet-onderbroken en steeds afwisselende lichamelijke oefeningen, alle ledematen in werking doen komen en langeren tijd de levenskrachten opslurpen zullen. Zij zullen aldus het oogenblik verlengen, waarop tengevolge van de ontbrekende absorptie het overschot der sappen, onverwacht, de puberteit vóór het door de natuurgewilde tijdstip, teweeg zoû brengen. Evenzoo zullen de gelijkmatige gymnastische oefeningen bij de vrouwen, de vruchtbaarheid tegengaan, en wel in die mate, dat eene vrouw, welke zwangerschap wenschte, zich omgekeerd, door onthouding van lichamelijke oefeningen en grootere industrieele inspanning, op dezen toestand zal moeten voorbereiden. De ál te groote lichamelijke rust van de tegenwoordige stedebewoonsters is het wel in hoofdzaak, welke de geslachtsdrift en het zwanger worden doen stijgen. Een tegenwicht is er, in den regel, niet aanwezig.

Fourier verklaart, dat de tegenwoordige beschaving, ongeschikt is om het bevolkingsvraagstuk op te lossen. Hij toont dat aan, door op Ierland te wijzen, welks bevolking in dezelfde mate verarmt, als het in aantal afneemt; terwijl het aantal van de onder de ploeg genomen acres land en het hoofdcijfer van de veekudden, steeds stijgen. De roof aan grond en bodem begunstigt de kunstmatige ontwikkeling van de industrie en het verkeerswezen en zoo, zegt Fourier dan ook, dat de beschaving de „armoede uit overvloed” voortbrengt en dat dit „elk euvel, elke ondeugd, welke de periode van het barbarisme slechts op eenvoudige wijze gekend hebben, tot een tweezijdige maakt. Zij gaat aan haar cercle vicieux, aan hare inwendige tegenspraken ten gronde.”

Gelijk het menschelijk lichaam, zoo bezitten de maatschappijen hunne vier, door bepaalde karaktereigenschappen zich kenmerkende leeftijden, welke elkander opvolgen. Men kan nòch de opkomst, nòch de nedergang van eene samenleving bepalen, zoolang men niet de zeer verschillende karaktereigenschappen weet aan te duiden, welke eene bepaalde samenleving bezit.

Onze natuurwetenschapsleeraren zijn, wanneer er sprake is van de onderscheiding bij vrij nuttelooze planten, zeer scrupuleus. Waarom, vraagt Fourier, zijn onze politici en economisten niet ook zoo, waar het samenlevingen te beoordeelen geldt? Waarom volgen zij hier niet de natuurwetenschappelijke methode, bij het onderscheiden hunner kenmerkende eigenschappen?

Volgens Fourier, zijn de vier phazen der civilisatie en elk harer kenmerkende eigenschappen, de volgende:


Opstijgende Linie.
1. Phaze: Kindschheid.
Eenvoudige kiem Monogamie.
Samengestelde kiem
Steunpunt der periode Burgerlijke rechten der vrouw.
Tegenwicht Federatie der groote vazallen.
Toon of stemming Ridderlijke illusies.
2. Phaze: Jeugd.
Eenvoudige kiem Stedelijke privilegies.
Samengestelde kiem Zorg voor wetenschappen en kunsten.
Steunpunt der periode Bevrijding van den arbeid.
Tegenwicht Vertegenwoordigend stelsel.
Toon of stemming Illusies der vrijheid.
Middagsphaze.
Kiem Zeevaartkunst, experimenteele chemie.
Karaktereigenaardigheden Ontgoochelingen, Staatsleeningen.
Nederdalende Linie.
3. Phaze: Mannelijkheid.
Eenvoudige kiem Handelsgeest, Fiskalisme.
Samengestelde kiem Maatschappijen op aandelen.
Steunpunt der periode Monopolie en Zeeheerschappij.
Tegenwicht Handelsanarchie.
Toon of stemming Economische illusies
4. Phaze: Ouderdomszwakte.
Eenvoudige kiem Banken van leening.
Samengestelde kiem Ondernemenden van een bepaald aantal.
Steunpunt der periode Industrieele feodaliteit.
Tegenwicht Heerschappij van monopolisten.
Toon of stemming Illusies over associatie.

Fourier merkt bij dit tableau op, dat hij die karaktereigenschappen, welke aan alle vier phazen eigen zijn, niet heeft op den voorgrond gesteld, maar slechts die, welke den eene of de andere phaze karakteriseeren en die, welke met den eene of met de andere phaze vermengd zijn. Zoo is de tweede phaze, waar in de Atheners leefden, eene onvolkomene, eene bastaardachtige periode, die nog merkteekenen van het barbarisme draagt en waaraan het steunpunt van de tweede phaze, de bevrijding van den arbeid ontbrak. In Engeland en Frankrijk, bevindt de civilisatie zich in de nederdalende lijn van de derde phaze en neigt sterk naar de vierde, welker beide kiemen zij reeds bezit. Deze toestand wordt door een zich sterk voelbaar makende stagnatie aangetoond; het genie voelt zich vermoeid van zijne onvruchtbaarheid en als een gevangene, het pijnigt zich tevergeefsch af, om eene nieuwe gedachte voort te brengen. De fiskalische geest aarzelt evenwel niet, de middelen te ontdekken om de vierde phaze te organiseeren, die wel-is-waar een vooruitgang, maar geen vooruitgang ten goede is. Er moet een tusschen-phaze geschapen worden, die de civilisatie, in een garantietoestand overbrengen moet.

„Maatschappijen zoo goed als individuen gaan ten gronde,” zegt Fourier, „wanneer zij zich aan den woekeraars overgeven en het is een feit van onze eeuw, van leening naar leening te hollen.”

Fourier begeeft zich hiermede in een critiek der staatsleeningen. Opdat een Staat door de geldmachten beheerscht, economisch en finantieel kan worden uitgebuit en uitgeplunderd, moet men hem tot het sluiten van leeningen verleiden. Maar met élke nieuwe leening wordt hem den strik vaster om den hals gedraaid, evenals dit met den privaten persoon het geval is. De staatsmacht, zegt Fourier, wordt zoodoende ten slotte een werktuig in de handen der groote finantieele machten, die méér dan de ministers den gang van zaken beheerschen en leiden; wetten decreteeren, oorlogen voeren of verhinderen, al naar hun belang dat medebrengt. En opdat de Staatsmachine naar wensch ga, de regeering ten allen tijde door de contrôle hare afhankelijke positie bewust zij; opdat verder de nodige bronnen van inkomsten in den vorm van belastingen van allerlei aard tot rente-betaling en schulddelging aanwezig zullen zijn, heeft men het vertegenwoordigend stelsel noodig, door middel waarvan de hooge persoonaadjes, die de touwtjes der finantieën in handen hebben, den hun nog ontbrekenden invloed op de gansche wetgeving en het staatsbestuur erlangen, en den Staat tevens tot hunne melkkoe maken.

Onder de permanente euvelen van zijnen tijd, rekende Fourier de heerschappij van de philosophen, die niet willen dat het volk tot de erkenning zal komen van zijn oorspronkelijk recht en het recht zal eischen, dat het bezit op een bestaansminimum, wat het alleen maar gegarandeerd kan worden, onder het stelsel van de industrieele aantrekking.

De maatschappij is overvuld van armen, hare gebreken laten zich samenvatten in 12 hoofdpunten: 1e Eene minderheid, de heerschende, bewapent slaven, die eene meerderheid, ongewapende slaven, in toom hoopt. 2e Gebrek aan solidariteit der menigte en daardoor een ongedwongen egoïsme. 3e Dubbelzinnigheid aller handelingen in de samenleving en hare sociale elementen. 4e Inwendige strijd van de menschen onderling. 5e Het onverstand tot principe verheven. 6e In de politiek wordt de uitzondering als grondslag van den regel. 7e Het hardnekkigste en taaiste genie wordt kleinmoedig gemaakt. 8e Ongedwongen begeestering voor het slechte. 9e voortdurende verergering, terwijl men gelooft verbetering aan te brengen. 10e Alzijdig ongeluk voor de groote massa. 11e Het ontbreken van een wetenschappelijke oppositie tegen de heerschende theorie. 12e Verslechtering der klimaten. Het laatste door de verminking van de wouden en de daaruit voortkomende uitdroging van de bronnen, hetgeen volgens Fourier, noodzakelijk tegen het einde der eeuw, tot excessen van het klimaat zal moeten leiden.

„De handel,” zegt Fourier verder, „is het zwakke punt der civilisatie, het punt waarbij men haar moet aantasten. In het geheim wordt de handel, zoowel door de regeeringen, als door de volkeren gehaat. De rechtschapen bezitter begrijpt niet eens de middelen, waardoor deze agioteuren zich weten te verrijken. De economisten evenwel, slingeren hunne anathema’s naar de hoofden van allen, die deze grootaardigheid van den handel verdacht willen maken. Welke schoone phrazes zijn er niet tot mode geworden, ter hàrer verheerlijking?”

Fourier, die er van hield alles te ordenen en te klassificeeren, doet zulks ook ten opzichte van het bankroet. De ware aard van het bankroet te leeren kennen, hiertoe deden de philosophen, volgens hem, al even weinig moeite, als zij dit deden, tot het leeren kennen van de waren aard van den handel en van den woeker.

Napoleon I had gelijk, toen hij zeide, dat men het eigenlijke wezen van den handel niet kent. Napoleon was bang geworden, door de ervaring die hij opgedaan had, dat elke schade die men den handel toebracht, door deze weder afgewenteld werd op de lagere en arbeidende klassen. Zoodra de handel bedreigd wordt, trekt hij de kapitalen terug, zaait hij wantrouwen, belemmert hij de circulatie. De handel is als den egel, die men nergens aanvatten kan, zonder dat men zich zelf steekt.

Fourier meende dat er een overgangsstand moet worden geschapen, die de civilisatie in den kortst mogelijken tijd kon leiden naar een hoogere ontwikkelings-phaze en die hij overal, naar wij zagen die der harmonie noemt. Een stelsel dat in de eerste plaats den handel van zijnen troon moet stooten.

Hij stelt voor, dat de regeering zich van de banken, zoowel als van den handel meester maakt. Dit kan geschieden langs tweeërlei wegen. Een bruske en een zacht dwingende; een concurreerende en een ondergravende. Ook zijn beide methoden te vereenigen.

Hij veronderstelt dat er een koning bestond van het vaste en niets ontziende karakter van een Mahmud II (Sultan van 1808 tot 1839), die aan dwangmaatregelen in dezen de voorkeur geeft. Deze zal de geheele arme klasse, welke niets bezit, vereenigen en staatshoeven organiseeren. Men kan rekenen, dat het aantal van hen die geheel zonder middelen zijn, ongeveer een tiende van de bevolking bedraagt en op elke vierhonderd familiën veertig arme familieën wonen. Elke 200 personen vormen dan een staatshoeve, die hare noodzakelijke gebouwen, stallen, vee, grond, werktuigen enz. bevat. Dit aantal is groot genoeg, om een doelmatig en niet kostbaar bestuur, afwisselenden arbeid en een lucratieve opbrengst te verzekeren. Deze staatshoeven moeten zich dan aansluiten bij de industrie, het instituut van het gefixeerde ondernemerschap van private personen, die van jaar tot jaar toegelaten zullen worden, onder voorwaarde, dat zij van jaar tot jaar progressief stijgende retributieën aan den Staat hebben te betalen. Een maatregel, zegt Fourier, die twee werkingen hebben zal. Ten eerste: den Staat hooge inkomsten te bezorgen, ten tweede: den onbemiddelden het ondernemerschap onmogelijk te maken of hen zal dwingen, het op te geven. De aldus vrijkomende bevolking wordt daardoor naar de staatshoeven gedrongen; de inkomende belastingen moeten evenwel, nevens tot de dekking der staatsuitgaven, aangewend worden tot delging der staatsschulden. Fourier stelt voorop, dat deze inkomsten ten slotte zeer hoog zullen worden en een belangrijk deel van de ondernemerswinst absorbeeren zullen, zoodat het private-ondernemerschap alsdan onmogelijk zal worden en er een toestand zal worden geschapen gelijk die noodig is, om tot de phaze van de „harmonie” te komen, welk Fourier beschouwt de hoogste vervolkomening en de vervolmaking van het menschelijke leven op aarde te zijn.

Fourier stierf te Parijs den 10en Oktober 1837. Op zijn grafsteen staat gebeiteld: „Hier liggen de overblijfselen van Charles Fourier. De serie verdeelt de harmonieën. De attracties staan in verhouding tot de bepalingen.”

Tot Fourier’s meest bekende en meest ijverige scholieren behoorden: Victor Considérant, een voormalig genie-officier, die het hoofdwerk der Fouriersche school: „Destinée sociale, exposition élémentaire complète de la theorie sociétaire” vervaardigde.

Hij vestigde na veel moeite een phalanstère te Texas „La Reunion” genaamd, die echter in 1869 te niet ging.

Ook andere pogingen tot het oprichten van dergelijke phalanstères, n. l. in 1832, nog tijdens Fourier’s leven, door Baudet-Dulary in het leven geroepen en een in Citeaux bij Dijon, met de finantieele hulp van den engelschman Arthur Young; ook een in Algerije, allen mislukten eveneens na korter of langer tijd.

Tegelijkertijd met de Saint-Simon en ook met Fourier, werkte en streed er in Engeland een man, die minder dan de twee eersten, in geschriften zijn denkbeelden had uiteengezet, maar meer een man was van de daad. Die man was Robert Owen.

Robert Owen

Inhoudsopgave

werd den 14de Mei 1771 te Newtown, een landstadje in Montgomeryshire (Wales) in Engeland, geboren, waar zijn vader winkelier en posthuishouder was. Zijn moeder stamde uit een geachte pachtersfamilie. Robert was de jongste van zeven kinderen.

Na in het stadje zijner inwoning de school te hebben doorloopen, kwam hij bij een koopman in Stanford in de leer, een zekere Mac Guffog, die zich-zelf in zaken er bovenòp had gewerkt. De jonge Owen bleef hier vier jaren en benuttigde zijnen vrijen tijd met lezen en studeeren. Elke minuut die hij van de zaken af kon nemen, wijdde hij aan de studie der mathematiek, de natuurwetenschappen en der geschiedenis. Ook hield hij zich met godsdienstige studiën niet onledig en werd hij al spoedig een twijfelaar in theologische aangelegenheden.

In ’t jaar 1795 ging Robert Owen naar Londen met aanbevelingen van zijn patroon, die hem ongaarne van zich vertrekken zag. Hij vond hier een betrekking voor 25 L. S. (300 gulden) jaarlijksch, voor een knaap van 14 jaar, eene gunstige positie in die dagen. Vandaar ging hij in betrekking in Manchester, eene positie die hem 15 L. St. per jaar méér opleverde. Minder noch om het salaris, dan wel om eene andere reden, nam hij de hem aangeboden nieuwe positie aan. De katoenindustrie had in die dagen reuzenschreden gemaakt en hare hoofdzetel was Manchester.

Het was overigens een geweldigen tijd. Eene machtige sociale revolutie voltrok zich in Engeland. Terwijl in Frankrijk de politieke revoluties als het ware over elkander vielen, vond er in het geheim, zonder dat het iemand zag of kon zien, een revolutie in de maatschappelijke verhoudingen in Engeland plaats, die bewerkstelligd werd door den stoom en de stoommachine. Watt had de stoommachine, Arkwright had de spinmachine en Cartwright had de stoomweefstoel uitgevonden. De kleinproductie ging haren ondergang tegemoet en de handspinmachine en de handweefstoel, zij moesten het afleggen tegen den met stoom gedreven industrie van de groote fabrieken. De in ’t raam van de kleinproductie passende verhoudingen, deugden niet meer. Een zee van ontketende „vrije concurrentie”—het hoofdleerstuk der staathuishoudkunde van den econoom Adam Smith—was nu de industrieele maatschappij geworden. De golven sloegen al hooger en hooger, en wie niet met goed uitgeruste schepen kwam, ging onder. De machinekrachten ontketenden den strijd van „allen tegen allen”, een eeuw vroeger door den philosoof en staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes zoozeer voorzien.

Niet alleen mannen, ook vrouwen en kinderen togen bij massa’s naar die groote fabrieken met hunne rookende schoorsteenen, hunne stampende en ratelende machines. De groot-industrie begon haar hoogtijd te vieren in Engeland, het eerste land dat daarvoor rijp was.

Robert Owen zag dat alles, maar hij zag ook tegelijkertijd, dat de groot-industrie de produktie op geweldige manier deed toenemen. Hij zag zoowel voor- als nadeelen van het nieuwe stelsel. En meer dan iemand van zijnen tijd, heeft hij het ook begrepen. De jonge man peinsde op middelen, zon op een stelsel om de voordeelen te behouden, maar de nadeelen zooveel mogelijk te neutraliseeren.

Hij wilde aanstonds katoenfabrikant worden, want hij was inmiddels in bijna alle geheimenissen van dat vak doorgedrongen. Maar toen hem intusschen in 1789 een mechanikus met name Jones, dien hij had leeren kennen, den voorslag deed, om met hem gezamenlijk een fabriek op te richten, tot vervaardiging van nieuwe machines voor katoenfabrikatie, greep hij dit denkbeeld aan en zeide zijne betrekking op. Hij werd machinefabrikant met een kapitaal van 200 pd. sterling, dat hij van zijn broeder in Londen had geleend. Jones evenwel betoonde zich ongeschikt, en hij wilde ook geenerlei raad aannemen en in dat geval hield Owen het voor geraden zijn deelhebberschap aan een kapitalist te verkoopen en uit de zaak te treden, om tot zijn oorspronkelijk beroep terug te keeren. Voor het ontvangen geld, richtte hij een gehuurd fabrieksgebouw in, dat hij voor het grootste gedeelte aan anderen onderverhuurde en stelde, in de hem overblijvende ruimte een paar spinmachines op. De ervaringen die hij in zijn korten loopbaan als machinefabrikant had opgedaan, kwamen hem nu voortreffelijk te stade en in korten tijd had hij zich een goede cliëntèle verschaft. Alleen het gebrek aan kapitaal, hinderde hem bij elken stap, dien hij wilde doen. Tot dat men hem op zekeren dag mededeelde, dat een zekere heer Drinkinwater, een rijke katoenfabrikant, wiens ouden chef hem plotseling had verlaten, een nieuwen chef zocht. Owen nam een snel besluit en bood zich aan. De heer Drinkinwater nam aanvankelijk den nog geen twintigjarigen jongeling, die zich vermat aan het hoofd te willen komen van eene der grootste katoenfabrieken van toenmaals in Engeland, eens op. En met een blik waarin verbazing, zoowel als geringschatting lag, zeide hij tot Owen: „U is mij te jong!”—„Voor vier of vijf jaren was ik het wel,” antwoordde de jonge Robert.—Nog grooter verbazing bij den heer Drinkinwater; hij dacht voor het lapje te worden gehouden. „Hoeveel malen per week bedrinkt u je wel?” vroeg hij.—„Ik was nog nooit in mijn leven beschonken,” antwoordde Owen heel droog.—„Hoeveel salaris vraagt ge?” begon na een korte pauze den fabrikant. „Driehonderd pond sterling!” was wederom het korte antwoord van Owen. Het bleek dat zijn manier van antwoorden, den grooten fabrikant zoozeer imponeerde, dat hij informaties inwon, en het resultaat was dat Owen de betrekking kreeg.

Dit was in ’t jaar 1791, toen de fransche Revolutie op haar hoogste punt was gekomen. De jonge Owen had voor politieke kwesties een niet zeer levendige belangstelling. Of de gebeurtenissen in Frankrijk een grooten indruk op hem gemaakt hebben, is niet gebleken. Praktische vragen, vraagstukken die in onmiddellijk verband stonden met het leven, hadden evenwel zoo veel te meer steeds zijne groote belangstelling bezig gehouden.

De heer Drinkinwater had geen reden om zijn besluit te betreuren. De jonge Owen bracht weldra orde in het bedrijf en vervolkomende de machinerie dermate, dat de fabriek binnen korten tijd, gelijk erkend werd, het beste en fijnste spinwerk van Engeland leverde. Daarbij kwam, dat de arbeiders goed werden betaald en humaan werden behandeld. Nadat een jaar verstreken was, wilde de heer Drinkinwater dan ook van geen veranderen meer weten; hij verhoogde ten dien einde dadelijk Owen’s salaris tot op 400 pd. st. en verplichtte zich, om, na het derde jaar dat Owen in zijn dienst zou blijven op een salaris van 500 pd. st., hij hem als deelgenoot in de zaak zou opnemen.

Voor dat het contrakt tot stand kwam, verliet Owen de zaak, om eene, naar hij later zelf toegaf, door hem verkeerd opgevatte handelwijze des heeren Drinkinwater en richtte in Manchester eene eigene spinnerij op, echter een voor zulk soort garens, die niet in de fabriek des heeren Drinkinwater vervaardigd werden, ten einde dezen geen schade te doen. De onderneming gelukte en Robert Owen werd wat men noemt een „gemaakt man”, door andere fabrikanten met jaloerschheid aangezien; bewonderd als man van zaken en uitgekreten als een zonderling, omdat hij absoluut geen vermaak vond in de gezellige omgang dier heeren, die hun geld en hunnen tijd doodsloegen, terwijl hij zijnen vrijen tijd doorbracht in litterarisch en philosophisch gezelschap; slechts met menschen willende verkeeren, waarvan hij meende iets te kunnen leeren. Hij stelde er meer een eer in, om te gaan met mannen als: Coleridge, de dichter, Dalton, de scheikundige en Fulton, de uitvinder van het eerste stoomschip, welke laatste hij vooral met beduidende geldsommen steunde.

En als Owen wel eens in het gezelschap was van zijne collega’s de fabrikanten, dan had hij zulke verschrikkelijke plannen op te stellen en ideën te verkondigen, dat het er den anderen koud van werd.

Deze denkbeelden echter liet daarom Owen niet varen, in tegendeel, zij trokken hem juist aan. Wij zijn hier aangeland bij het keerpunt in Robert Owen’s leven, daar waar hij van een privaat-ondernemer, een historische beteekenis krijgt als sociaal hervormer.

Tegen het einde der 18e eeuw kwam Owen, op een handelsreis zijnde, te New-Lanark in Schotland aan. Daar leerde hij een zekere heer Dale kennen, den eigenaar van een aantal fabrieksinrichtingen aldaar. De kennis met den vader, leidde tot kennismaking met de dochter; de kennismaking leidde tot liefde en Owen werd met den vriend, ook den schoonzoon van den heer Dale en alras den medeeigenaar van de fabrieken te New-Lanark. In 1800 nam hij de leiding van de gezamenlijke fabrieken aldaar, bekend onder den naam van „New-Lanark Mills” over, met inbegrip van alle daarbij behoorende établisementen.

De fabriek van den heer Dale was door hem en Richard Arkwright, de beroemde uitvinder van de spinmachine, in 1784 opgericht geworden, toen de katoenspinnerij in Schotland het eerst werd ingevoerd. De voordeelen, die de waterkracht van de Clyde aanboden, had de keuze bepaald van deze plaats, die overigens niets aantrekkelijks had. Het land rond er om heen was onbebouwd; de inwoners dun gezaaid en zeer ruw, bijna wild; de wegen zoo slecht dat zelfs de hartstochtelijkste liefhebbers van natuurschoon het niet licht wagen dorsten tot deze oorden aan de Clyde-watervallen, al te diep door te dringen. Men moest „handen” hebben voor de fabriek, geen gemakkelijk iets, daar de bevolking van de plaats geen bijzondere trek had in het werken in gesloten ruimten. Kinderen voor den fabrieksarbeid waren er in ’t geheel niet te krijgen. Men moest zich dus wenden tot de „werkhuizen” in het Engeland van die dagen, niet ten onrechte de „Bastilles van den armen” genoemd, ten einde kinderkrachten te bekomen. En had zoodoende 500 kinderen bij elkander gekregen, meest uit Edinburgh, die in een daarvoor gebouwd groot huis tezamen werden gebracht, om gekleed, gevoed en opgevoed te worden.

Ter aanlokking van arbeiders uit andere oorden, bouwde men een dorp om de fabriek en verhuurde de huizen tegen een lagen prijs. Maar de arbeid was er zóó impopulair, dat men bijna geen arbeiders kon krijgen, anders dan verworden menschen en werkeloozen; van alle middelen ontbloote individuen; menschen die over het algemeen, zedelijk zeer laag en voor den arbeid bijna onbruikbaar waren, kortom het uitschot van de armen. En niet zoodra hadden dezen door eenigen tijd te arbeiden er geheel den slag van gekregen of zij werden weerspannig en onhandelbaar.

Voor de kinderen was naar de toenmaals heerschende begrippen, vrij goed gezorgd. De lokaliteit waar zij gehuisvest waren, was ruim, de kamers vrij goed, de kost en de kleeding voldoende. Ook was er voor voldoende geneeskundige hulp en verzorging, goed onderwijs en behoorlijk toezicht zorg gedragen. De armenvoogden echter, verlangden dat de kinderen reeds op 6-jarigen leeftijd zouden opgenomen worden. De kinderen moesten dus van des morgens 6 tot des avonds 7 uur werken met de grooten tezamen en daarna eerst, konde men hen onderwijs geven. De gevolgen daarvan bleven niet uit; de kinderen liepen weg als zij eenigszins daartoe in staat waren, om naar Glasgow en Edinburgh te gaan en daar dan dikwijls hunnen ondergang te vinden. Maar alles was hen liever dan 13 uren per dag te werken onder menschen, zooals het arbeidspersoneel van den heer Dale was.

Owen spreekt den heer Dale vrij van schuld; niet zijn wil was het, dat de kinderen reeds met hun zesde jaar aan de spinmachine moesten staan, zegt hij, maar die van het Armentoezicht, dat tot elken prijs natuurlijk, van de arme, verlaten, ongelukkige kinderen af wilde zijn.

En wat de toestanden aangaat, zegt hij: „als deze nu zoo waren bij goede werkgevers als den heer Dale, kan men nagaan hoe het er moet hebben uitgezien bij de slechten.”

De toestand van de dorpelingen van New-Lanark was dan ook eene hoogst ongunstige. Drankzucht, luiheid en armoede waren er heer en meester. Stelen was er aan de orde van den dag en in ’t bijzonder scheen het een formeel recht te zijn, zich aan den eigendom van den heer Dale te mogen vergrijpen. Ook heerschte er een godsdienstig sekte-fanatisme van de allerergste soort. De eene groep van een zeker soort geloovigen verketterde den andere, en dit werd er niet beter op, doordien den heer Dale zelve partij koos voor eene der vele secte-gelooven.

Nog een groot euvel was er, doordien de menschen van New-Lanark, tengevolge van den grooten afstand van de marktplaatsen veel te dure prijzen moesten betalen voor hunne levensmiddelen, hetgeen, naar te begrijpen was onder hen een even groote bron van ontevredenheid, als het voor den diefstal van andermans eigendom, een groote prikkel was.

Het geheel evenwel scheen, met al zijn euvelen en al zijn ellende een terrein te zijn, alwaar iemand als Robert Owen zich op tehuis gevoelen kon. Dadelijk overzag hij het geheel en besloot hij onmiddellijk de zaak radikaal aan te pakken. Hij ondernam een grondige hervorming. De enorme moeielijkheden die hij hierbij ondervond verhoogden zijnen ijver slechts. Hij deed als een wetenschappelijk ontdekker, die hoe moeielijker de taak, dien hij zich gekozen had werd, met te meer lust aan de nieuwe studie ging, wetende zijn doel toch te zullen bereiken. Hij verklaarde zijnen vrienden, dat hij zou inwijden een geheel nieuw systeem, dat geheel gebaseerd zal zijn op gerechtigheid en goedheid, dat hij zijn hoofdoogmerk zoû wijden aan de opvoeding van de kinderen, en alle straffen zoû afschaffen en zou weten te vervangen door moreele middelen. Men lachte hem uit; maar de lachers werden hier wel zeer beschaamd gemaakt.

Owen toog aan den arbeid. „Onwetendheid,” schrijft Owen’s biograaf Sargent, „immoraliteit, godsdienstige huichelarij, overmatige arbeidstijd, verduurdering van levensmiddelen, en om op dit alles den kroon te zetten, een hardnekkig vooroordeel dat men het tegen Owen „den Engelschman,” wiens spraak den schotschen hoog- en laaglanders bijna niet verstonden, dat alles stond hem in den weg. Hierbij kwam nog, dat de andere deelnemers hoofdzakelijk het oog hadden gevestigd op de winsten, die er te maken vielen en alles van een zakenstandpunt bekeken.”

De arbeiders wantrouwden de geheele zaak eveneens. Zij immers waren zoozeer gewend te worden geëxploiteerd, dat zij onmiddellijk achter elke vernieuwing van de dingen, eene poging zagen, om meer uit hunne arbeidskracht te halen. Geen wonder dus, dat er in de eerste twee jaren slechts weinig was volbracht. „Er was geen middel,” schrijft Owen zelf, „dat er niet tegen mij werd gebruikt; en de vesting van vooroordeelen en misbruiken die te veroveren was, en wier verovering ik mij vast voorgenomen had, werd dan ook systematisch en op hardnekkige wijze tegen mij verdedigd.”

Owen was echter te verstandig om met geweld te werk te gaan.

Hij zag in, dat de noodzakelijkste veranderingen zeer talrijk waren en niet in één handomdraaien gedaan waren te krijgen, temeer, daar hij van geen enkele zijde op medewerking te rekenen had. De beambten der fabriek zagen in hun patroon een phantast, die de zaak te gronde zou richten met zijne plannen en zij verklaarden liever hunne plaatsen aan de fabriek te zullen verlaten, dan zich te zullen leenen tot zulke belachelijke dingen, als Owen die met de fabriek voorhad. Hij moest zich dus voor alles een vasten bodem onder de voeten scheppen, waarop hij het gebouw zijner wenschen moest vestigen. Maar dit niet alleen, hij moest zich ook het noodige bouwmateriaal zelf verschaffen. Het voornaamste was in dat opzicht, mannen te krijgen, die hem bij zijnen arbeid ondersteunen konden en genoeg vertrouwen in zijn zaak hadden. Dat was niet gemakkelijk, maar gegeven de uitmuntende takt die Owen bezat om met menschen om te gaan, om uit ieder te halen wat erin zat, was deze moeielijkheid geene onoverkomelijke. Hij vond dan ook wel de noodige krachten.

En nu ging hij met onvermoeiden ijver aan den gang tot het volbrengen van zijne tweeledige taak: verbetering van het lot der volwassenen en de opvoeding der kinderen.

Het was vóór alles noodig, in de fabriek-zelf eene zekere orde te herstellen, omdat het gebrek aan systeem en de wanorde die er heerschten, werkelijk de fabriek met een bankroet bedreigden, zelfs onder het oude regime. Repressie-maatregelen, daaraan dacht Owen niet. Wat zou het hem baten, een paar dozijn „handen” in het tuchthuis en enkelen aan den galg te brengen? Daarmede waren noch de fabriek, noch de menschen zelf gebaat, noch hadden Owen’s plannen, die hij met de menschen voor had, daarbij maar eenigszins een voordeel gehad.

Owen geloofde niet aan wat men den „persoonlijken schuld” noemde, daarvoor had hij een te diep inzicht in de omstandigheden, waaronder die menschen van New-Lanark leefden en wat dezen van hen hadden gemaakt. Owen zag dus van elk soort van bestraffing af. Hij zocht het mistrouwen der werklieden op verstandsgronden te overwinnen, door beleering hen de dingen te verklaren en door hen louter en steeds op hun belang te wijzen, dat hen gebood eerlijk en arbeidzaam te zijn. Ten einde de dieverijen op de fabriek tegen te gaan, trof hij zeer vernuftige maatregelen, welke de ontdekking van de misdrijven zeer verlichten en, als ’t ware, het politietoezicht in de handen der arbeiders zelven legde.

Het was Owen’s doel geenszins een modelfabriek te stichten, hem was de sociale zijde van de hervormingen veel meer aangelegen, dan aan de mercantiele zijde van het vraagstuk. Maar het ging bij hem hierom, een modelsamenleving op kleine schaal in te richten.

De fabriek was Owen slechts middel tot dat doel. Door haar zocht hij zijn hervormingsplannen te verwezenlijken, die met de vooruitgang in de praktijk van den dag, telkens grootere afmetingen begonnen aan te nemen.

De inrichtingen van New-Lanark waren Owen’s proefstation voor sociale hervormingen. Door deze maatschappij-in-het-klein wilde hij der maatschappij in het groot, een bewijs leveren van de juistheid en de uitvoerbaarheid van zijne sociale hervormingsplannen. Door deze wilde hij beproeven, praktisch de argumenten te weêrleggen van hen, die zijn plannen misschien in theorie prachtig, maar in de praktijk voor onuitvoerbaar verklaarden.

Het duurde niet lang of te New-Lanark was er zóóveel verbeterd, dat de spotters en de lachers, althans niet meer zoo luide lachten en de twijfelaars tot nadenken gestemd werden. Het stelen hield op, zonder dat er één arbeider gerechtelijk vervolgd was geworden. En het optreden en de manier-van-doen van de arbeiders, niet alleen binnen, maar ook buiten de fabriek, was geheel anders geworden. Dronkenschap werd steeds minder en dat, zonder dat men de drankwinkels in het dorp had doen sluiten, wat men Owen aangeraden had. Owen was persoonlijk geen vijand zoozeer van het alkoholgebruik als zoodanig, maar beschouwde het drinken en wel, het zich bedrinken, in verband met de maatschappelijke omstandigheden der arbeiders. Hij vroeg zich af, hoe het kwam, dat de menschen zulk een misbruik maakten van den alkohol en kreeg allereerst de overtuiging, dat dit voortsproot uit gebrek aan phijsiek voedsel, dat den menschen dwong, kunstmatige prikkels tot zich te nemen.

Ten tweede ontbrak het den menschen aan een goed en behoorlijk „tehuis,” aan een behoorlijk en gezellig familieleven, waardoor zij zich in de kroeg meer thuis gevoelden, dan in hunne eigene woning. Ten derde kwam het, omdat de menschen geestelijk op een te laag standpunt stonden en verwaarloosd waren. De meesten van zijn fabriekarbeiders konden niet eens lezen! Het was dus geen wonder, dat zij geen denkbeeld hadden van hooger levensgenot en van geestelijk leven, eene der beproefdste middelen, om de menschen uit de kroeg te houden.

Owen ging planmatig te werk. Hij onderdrukte het „Trucksysteem,” hetwelk, zooals overal in Groot-Brittanje, ook in New-Lanark in zwang was, en de arbeiders waren aldus niet meer gedwongen hunne levensmiddelen te koopen waar die duurder en slechter waren, dan overal elders. In plaats daarvan stichtte Owen eene coöperatie, de eerste die bestaan heeft en zeker niet de minst slechte. Hij kocht waren van de allereerste kwaliteit in het groot en deed ze aan de arbeiders die ze koopen wilden—gedwongen was men niet—tegen den kostenden prijs van de hand. Alleen de kosten van beheer werden hen in rekening gebracht. Het gevolg was, dat weldra alle arbeiders deelnamen en dat de bevolking van New-Lanark binnen vrij korten tijd, tot de bestgevoede en de bestgekleede van Engelands arbeidersbevolking behoorde. Voor de ongehuwden werd een kost- of eethuis opgericht, eveneens op coöperatieven grondslag, waarin voor hunne voeding en hunne kleeding den meesten zorg werd gedragen.

Owen liet vervolgens de slechte woningen afbreken en liet er „Cottages” bouwen van zijne eigene vinding en naar zijne eigene aanwijzingen, met ruime lustige woon- en slaapkamers, een praktische keuken erbij en tevens een stukje tuingrond eraan verbonden, om groenten, ooft en bloemen te kweeken. Voor de kinderen werden bovendien speelplaatsen opgericht. De nieuwe woningen, met de daarbij behoorende tuintjes werden voor een lagen prijs verhuurd, zoodat niet meer dan de rente van het kapitaal in rekening gebracht werd, die opgebracht moest worden. Niet lang daarna verlieten alle arbeiders hunne ellendige krotten, om de woningen van de fabriek binnen te trekken.

Een moeielijker werk leverde de geestelijke verheffing van de arbeiders op. Hier moest tegelijkertijd, van twee kanten uit worden begonnen. Met bloote opvoeding van de kinderen was men alleen niet klaar, ook de reeds opgegroeide generatie mocht niet onverzorgd gelaten worden. Voor de jeugd was een groote school opgericht die binnen korten tijd, onder de persoonlijke leiding van Owen, tot een modelschool werd. Geschikte leeraren en leeraressen werden gevormd en aan de school verbonden; het slaan was streng verboden. De kinderen werden er onderwezen in lezen en schrijven, in mathematiek, in geschiedenis, geographie en meer praktische vakken.

Voor volwassenen werden aparte onderwijsklassen opgericht, leeszalen en een bibliotheek gesticht en in weerwil dat voor de deelname aan alle deze dingen geen dwang was ingevoerd, was de deelname weldra zoo algemeen, dat na eenigen tijd New-Lanark, behalve den grijsaards geen inwoner meer had, die niet ter dege kon lezen en schrijven. Het intellektueele peil der bevolking rees dan ook zeer schielijk en kwam zeker boven het doorsneêpeil van de fabrieksplaatsen, in het Engeland dier dagen te staan.

In de fabriek werd de behandeling eveneens op veel humaner en praktischer manier ingericht, dan dit voorheen het geval was. Straffen waren principieel verboden. Goede loonen werden betaald en Owen wist de menschen het snel duidelijk te maken dat, hoe beter zij arbeidden, des te meer dan hunne loonen zouden stijgen, en dat dan ook zooveel te meer zoude gezorgd kunnen worden, voor hunne moreele en materieele verheffing. Hij maakte er voor de menschen geen geheim uit, dat ook dan de eigenaren van de fabriek daar beter bij zouden varen. Maar door te wijzen op hetgeen hij had gedaan, en op hetgeen hij voornemens was daarenboven te doen, kon hij met een goed geweten verklaren, dat voor hem de fabriek geen doel, maar een middel was, om tot de oplossing te komen van het problema, de arbeid die tot dusver voor den arbeiders een vloek geweest, voor hen in een zegen te doen veranderen.

En de eenige dwang, welke hij uitgeoefend had, was eene moreele, n.l., de dwang van de publieke opinie.

Ten einde, om zoo te zeggen, een soort gerecht onder de arbeiders, uit de arbeiders zelven te verkrijgen, voerde Owen den „Silent Monitor” („stille vermaner”) in. Hij liet voor elken arbeider vier borden maken, van verschillende kleur: een wit, een blauw, een geel en een zwart. De eerste was goed, de tweede tamelijk goed, de derde middelmatig en de laatste onvoldoende. Al naar het werk van de week uitviel, liet Owen een der vier borden naast den arbeider neerhangen, op den Maandag waarop het werk aanving, zoodat dan elkeen kon oordeelen over eens anders arbeid en gedrag. Deze borden hadden bovendien nog dit voor, dat de arbeiders die hunnen plicht niet gedaan hadden, geen standjes kregen, maar zelven zien konden hoe men over hun werk dacht. Owen controleerde zelf deze borden steeds en zorgde voor de meest stipte gerechtigheid bij hunne verdeeling.

The free sample has ended.

Genres and tags

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
421 p. 2 illustrations
ISBN:
4064066340193
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books