Read the book: «Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw»
Johannes Hendrik Been
Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403102
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
EERSTE HOOFDSTUK.
De kleine Delftsche vluchteling.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp.
DERDE HOOFDSTUK.
onder de zeeroovers.
VIERDE HOOFDSTUK.
Allerlei plannen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Een Christenhond.
ZESDE HOOFDSTUK.
De kapitein van het admiraalsschip.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een jonkheer of een pekbroek.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ketenen van goud en een metalen berg.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De dagen van Duins.
TIENDE HOOFDSTUK.
Lastertongen en kleinzieligheid.
ELFDE HOOFDSTUK.
Is de zee vrij of niet?
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Tromp moet voorzichtig zijn.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Tegenspoed en ongenade.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Drie maanden op zee.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Over het doode punt heen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Het einde van een heldenleven.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Ter uitvaart.

MAERTEN HARPERTSZ. TROMP
EEN ZEEMANSZOON UIT DE 17DE EEUW
DOOR
JOH. H. BEEN
TWEEDE, GEHEEL OMGEWERKTE DRUK
Met 25 platen van Joh. Braakensiek e. a.
L. J. VEEN—AMSTERDAM
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
Dit is eigenlijk een geheel nieuw boek. De oorspronkelijke uitgave verscheen in ’t jaar 1895 eerst in Elsev. Geïll. Maandschrift, daarna, in ’t laatst van 1896, als zelfstandige uitgave bij de Uitgevers-Maatschappij „Elsevier”, werd eenige jaren later door den uitgever Van Looy voor zijn fonds, en in ’t jaar 1905 weer door den tegenwoordigen uitgever aangekocht. Zwerftochten, die wèl bij het lot van een Zeemanszoon schenen te behooren.
De oorspronkelijke uitgave was een zoeken geweest naar minder algemeen bekende bijzonderheden over ’t leven van den zeeheld. Ik wilde die verzameling eerst betitelen „Bouwsteenen voor een leven van M. H. Tromp”, maar vond dien titel te pedant, en schreef het boekje toen zooals het geworden is.
Maar heel dat boekje door kwam ik toch eigenlijk niet goed op slag. Als je, zonder het eigenlijk nog zelf te weten, verteller bent, en je gaat tafereelen uit de geschiedenis schrijven, dan hangen nog al de dikke registers en folianten, die je doorbladerd hebt, aan je manier van vertellen vast. Tersluiks kijk je naar een paar deskundigen, of die je al op een fout betrapt hebben, en je doet erg gewichtig met je vondsten en je aanteekeningen. Daar ben-je nog zoo echt kinderlijk grootsch op! Dat zou niets zijn, als je er maar gezellig van ging ophalen.... maar, eerlijk gezegd, je durft niet.
Eerst heb ik m’n behoorlijk in ’t pracht geschreven manuscript naar Prof. Fruin gezonden, en toen die een woordje van sympathie en hoop voor mijn streven over had—dat ik altijd in dankbare herinnering zal houden—ging het verhaaltje zijn verderen weg op, en wel naar Mr. L. J. Plemp van Duiveland, den toenmaligen secretaris der Elsevier-redactie (waarin nog Dr. Jan ten Brink en H. J. Schimmel zaten) en zoo kwam het, waar ik het hebben wilde.
Zeker, daar zat wel geestdrift in die schets; maar zij moest ten slotte opwekken tot het oprichten van een standbeeld voor Tromp en wel te Rotterdam. Daar zijn er toen geweest, die met mij veel hoop hadden, dat ’t er komen zou. Die tijd is echter voorbij, en we moeten dat nu maar vergeten.
Nu, na jaren, beweeg ik me als ’t ware vrijer tegenover het leven van Tromp. Ik behoef hem niet meer voor te stellen aan zijn landgenooten, in de hoop dat ze elkaar eens goedkeurend toeknikken en zeggen: „jongen, jongen, we moeten er toch eens over gaan redeneeren, of we voor dien ouden zeeheld temet een monument kunnen opgericht krijgen”. Nu—zit ik op m’n gemak te vertellen van een onzer grootste zeehelden. Daarom is ’t een heel ander boek geworden. Niet meer maak ik toespelingen op allerlei gebeurtenissen, die ik bekend veronderstelde; nu houd ik maar, of men alles half of heelemaal vergeten is, en vertel voor m’n plezier uit het verleden. Soms neem ik iets op, van wat ik in ’t oorspronkelijke verhaal of elders meegedeeld heb, maar toch niet dikwijls. En ik heb maar gedacht, dat ik voor het jongere geslacht zat te schrijven. Dat verkeert zelf nog in het heerlijke heldentijdperk van het leven, en dan wil er nog wel eens aandacht zijn voor een figuur uit het heldentijdperk van ons volk.
In zoo’n vertelling konden geen verklarende aanteekeningen een plaats vinden. Toch is deze of gene er mogelijk op gesteld verschillende bijzonderheden over Tromp, welke anders over vele boeken verspreid liggen, bij elkaar te hebben. Ik zelf heb daar ’t gemak van ondervonden, en ’t heeft me soms heel wat zoeken uitgehaald. Daarom heb ik de aanteekeningen tot iets geheel zelfstandigs bewerkt. Jeugdige lezers slaan ze toch over.
De uitgever van dezen tweeden druk, de heer L. J. Veen, wilde voor dit eigenlijk nieuwe boek ook een nieuwen titel hebben. Ik kon daartoe niet besluiten. Aan dien titel was ik gehecht geworden. Wat een echt menschelijke geschiedenis van vertrouwen en tegenslag, hoop en ontgoocheling is aan het boek verbonden onder dien naam verschenen! Neen, ik blijf bij de eerste naamgeving, waardoor ik eens een bescheiden hulde wilde brengen uit zijn geboorteplaats aan een der nobelste menschen uit onze geschiedenis.
Of „Zeemanszoon” nog meer zwerven zal? Ik weet het niet. Maar, waar dit verhaal ook heen zwalke, daar—ach, dàt mag ik toch nog wel hopen!—daar voere het iets met zich mede van de prikkelende geuren der vrije zee, die, in stillen nacht na zwaren storm, om de geboorteplaats van den zeeheld bruist van het groote verleden van ons volk.
Brielle, 2 Maart 1908. Joh. H. B.
EERSTE HOOFDSTUK.
De kleine Delftsche vluchteling.
Inhoudsopgave
De zee!.... Daar droomden onze zeventiend’eeuwsche bengels ’s nachts van, omdat zij er schier heel den lieven dag over hadden hooren praten. Gelukkig de jongen, wiens vader een zeeman was. Als hij uit de kleine-kinderkleeren was gegroeid en door het klauteren in allerlei boomen voldoende bewezen had, dat hij zich met handen en voeten overal aan vast wist te klemmen—dan voer hij met vader het zeegat uit, zooals Piet Hein en achtereenvolgens al de gebroeders Evertsen. Vond de vader of de moeder dat de wereld toch werkelijk niet zonder landkrabben kon bestaan, dan kreeg men het lieve leven gaande. Dan liet Michiel de Ruijter heel de Lijnbaan in den steek en de norsche Witte Cornelisz. de With, die eenmaal als admiraal Dubbel Wit de schrik van Spanjolen, Britten en Zweden zou zijn, werd voor en na van verschillende ambachten weggejaagd om eindelijk als een door iedereen opgegeven sujet de wijde wereld in te gaan.
Zoo ging het in de 17e eeuw, toen ons land wel één groote koopstad leek en één groote visschersplaats tegelijk. Toen er telkens weer nieuwe landen opdoken en eilanden, die als geluksoorden werden afgeschilderd. Die leerde men minder op school van de kaart; die ging men zelf opzoeken of ontdekken, wat vrij wat gezelliger was. Toen was er een opgeruimdheid onder de menschen, omdat het hun goed ging. Wat men ondernam, gelukte, en daarom ondernam men al meer en meer. En al liep het al eens een enkel keertje mis, of waren er bloedverwanten of vrienden uitgevaren die men nooit meer terug zag komen, dan was het aldus beschikt. Men boog zich gehoorzaam en eerbiedig voor de eenige Macht, waarvoor een vrij Nederlander den stuggen nek boog, en, verre van ontmoedigd te zijn, ging men, in vol vertrouwen op Gods leidingen, denzelfden weg op, welken men die verloren bloedverwanten of vrienden had zien inslaan. En zij, die gespaard waren gebleven en niet neergezonken waren in het groote matrozengraf, noch een laatste rustplaats gevonden hadden in een groeve, die in de ijzerhard bevroren sneeuw moest uitgehakt of onder de brandende zon der keerkringen in het zand der woestijn, dan wel in den overvruchtbaren Indischen bodem moest gegraven worden; zij, die ontkomen waren aan de zeeroovers of het harde lot van een Christenslaaf, en die nu oud waren geworden en eens een wijle gingen uitrusten van al die avonturen—hadden altijd den mond vol van die wijde zee en die wonderbare, groote wereld. ’s Avonds schoven zij een bank op hun stoep, en de buren vroegen een plaatsje en de kinders, jongens zoowel als meisjes, zaten met open mond te luisteren. Dan werden al die oude dingen opgehaald, die weer nieuw zouden worden voor menigen toeluisterenden kleuter. En de moeders hadden het over hun zoons, die nu verre waren van het kleine vaderland, die, rappe gasten als zij waren, er op uit waren gegaan, naar de Oostzee om koren te halen, of naar de Levant om wijnen of vijgen, of die heel en al gezworven waren naar die wonderlijke landen, waar de peper groeide, en de kruidnagelen en de notemuskaat.
Zoo ging het in de 17e eeuw. Maar reeds in de 16e was het al begonnen. Toen was er een Delftsche jongen, die zoo’n verlangen had naar de oneindige zee, naar al dat wonderbare en avontuurlijke, dat zijn heele ziel er van vervuld raakte. Vader had er geen ooren naar, en moeder nog minder. Toen—liep hij weg, en zocht ergens in een zeeplaats een schip op, en ’t kon hem niet schelen welke bodem hem weg zou voeren van het land, waar hij niet meer blijven wilde.
Tegenwoordig zou niet één kapitein zoo’n snuiter zonder toestemming van diens ouders mee willen nemen, en als hij het deed, zou hij hard kans loopen met de politie in aanraking te komen. Politie was er toen ook, maar ... er waren zooveel schepen, er was zulk een uitgebreide vaart, dat men zeevolk te kort kwam en een schipper al blij was als hij een jongen aan boord kreeg, al moest die nog alles leeren. Was het schip eenmaal de haven uit, dan kwam het soms in geen jaren terug, en, als het terug kwam, stapte een gebruinde, breedgeschouderde boy er af, zoo gauw de werkzaamheden dat maar toelieten, en zocht vader en moeder op. En plan had hij een buidel rinkelende geldstukken op de tafel te werpen om hun toorn te bezweren. Maar .... dat geld en dien toorn, wie dacht eraan, als hij z’n moedertje om den hals vloog, en vader, vol trots op zoo’n vierkanten, uit de kluiten gewassen zeerob, zijn jongen vol warmte de vereelte knuist drukte? De telegraaf, om gauw de politie van een zeeplaats te waarschuwen op een uitvarend schip te letten, ja—die bestond niet. En „de rakkers”—zooals men ook wel eens de gerechtsdienaars noemde,—kwamen niet graag op een schip. Dat gaf maar haken en oogen. Want de schipper zei, dat hij onder de rechtspraak van zijn Admiraliteit of de lieve hemel weet welke andere macht stond, en als de gerechtsdienaar veel praatjes maakte, kon hij met een handspaak krijgen. Meestal lieten ze hem zelf maar tobben om in het bootje te komen, dat hem van het ongastvrije schip naar wal terugvoerde. Dan ging hij klagen bij den Baljuw, en die liet den Secretaris groote vellen vol schrijven aan een anderen Baljuw of aan een College van Admiraliteit of nog andere lichamen van macht en aanzien. Dan vond-je alweer een Secretaris, die ook al vellen vol schreef en antwoord terug moest hebben. En terwijl de veeren pennen bleven krassen over het ruige papier van die dagen—was het schip met het jongmaatje al op weg naar de linie, waar hij gedoopt moest worden in het groote zeil vol zeewater, of geschoren met het blikken mes van den zeegod Neptunus.
Bovendien .... onze kleine Delftsche vluchteling had den naam van zijn vader verzwegen. Dat kon toentertijd gemakkelijker gaan dan nu. De meeste menschen toch hadden geen familienaam. Als je vader Jan heette en je zelf óók al als Jan gedoopt was, werd-je bij verschillende gelegenheden in de registers van de Kerk of het Stadhuis ingeschreven als Jan Jansz., dat Jan Janszoon beteekende, en zelf had-je je dan opgegeven als Jan Jansen—zoo sprak-je ’t uit. Omdat er wel honderdduizend Jannen in de Nederlanden waren, bestonden er een ontzaglijke massa Jan Jansens’. Daar was geen uitzoeken aan. Daarom begonnen de menschen te spreken van Jan Langejan of Kortejan of Jongejan, of Jan Jansen van Neeltje Pieters, of Jan Jansen Kortneus of Houtebeen of van ’t Hoekje .... altemaal onderscheidingen om een beetje den weg in die Jannenwereld te vinden. Zoo had men ook de wereld der Pietersen, der Leunissen enzoovoort. Als de Justitie een Jan Pietersen of een Pieter Jansen moest hebben, en er verder geen onderscheiding bijzette, kon ze gerust de moeite sparen om den naam van dien persoon op groote biljetten overal aan te plakken. Waarbij nog kwam, dat een heeleboel menschen niet goed of in ’t geheel niet lezen konden. De meester, die door de weeks de kinderen op school leerde en nu en dan afranselde met de plak, las die en andere biljetten ’s Zondags, vóór of na den dienst, aan de menschen voor, waaronder zich genoeg Jannen en Pieten bevonden, maar de gezochte Jan of Piet gewoonlijk niet.
Men gevoelt nu, hoe men zich in die dagen beter kon verbergen dan nu, zonder zijn naam te verdraaien. En dat had nu juist voor onzen Delftschen vluchteling moeite kunnen opleveren omdat zijn vader wèl een familienaam droeg. Naar alle waarschijnlijkheid heette die Van der Wel. Juist omdat er zoo weinig familienamen bestonden, zou het jonge kereltje dadelijk naar huis zijn gezonden, als hij verteld had, dat hij Harpert van der Wel heette. De schipper zou gedacht hebben: „Sakkerlijsjes, laat ik m’n handen niet branden! De meeste menschen, die er een familienaam op na houden, zijn heeren, en voor die heeren moet-je oppassen, want die kunnen bijten en leelijk ook!” Maar toen de dreumes eenvoudig zei, dat hij Harpert en zijn vader Maerten heette, zoodat de schipper hem als Harpert Maertensen kon aanspreken of uitschelden ook, al naar het zoo uitviel,—toen dacht alweer die schipper: „Nu ja—zoek maar uit! Er zijn meer Maertensen in ons land dan ik gouden rijders aan mijn zeetochtje zal verdienen!”
De jongen werd aangenomen als koksmaat, kreeg een vaatdoek in z’n handen om de pannen uit te vegen, een lap om het koper te poetsen, een bezem om den boel wat te schrobben, en, als hij het niet goed deed, dadelijk een lik om zijn ooren, want daar waren ze niet zuinig mee aan boord. Was hij zoo dom om zeeziek te worden, dan werd hij in den mast gestuurd met een bakje vet voor zijn borst gebonden om het ijzerwerk wat in te smeren. Die ransige lucht van het vet, en vooral harde arbeid, waren de twee beste middelen, die de schipper tegen de zeeziekte in zijn medicijnkast had.
’t Ging alles ruw en ongenadig toe aan boord van een schip. Wie er niet tegen kon, ging dood, of liep weg in de eerste de beste haven. Wie er doorrolde, en dat gebeurde met de meesten, werd een van die kloeke, kantige zeerobben, waarvan men zei, dat ons land de beste onder alle zeevarende volken opleverde.
Jongmaatje bleef altijd niet bij den pot zitten. Bij lange na niet, hoor! ’t Was niet heel den tijd eten en drinken aan boord! Dat ging zoo tusschen de werkzaamheden door, en die werkzaamheden waren vele. Jongmaatje moest ook geen kok worden, maar een zeeman. ’t Eene oogenblik zat hij zich in het zweet te poetsen op het koperen beslag van een trapleuning. Het volgende zat hij in het topje van den mast. Van duizeligheid mocht hij niet weten. Dan had hij maar bij moeders pappot moeten blijven, of op zijn jongste zusje in de wieg passen. Haast zei ik: met zijn zusjes naar de naaivrouw moeten gaan om te leeren verstellen en breien er bij. Maar.... een zeemansjongen moest ook zijn eigen spulletjes oplappen: knoopen aanzetten, gaten in zijn kousen stoppen en den boel wasschen en drogen ook al. Kon hij dat niet, dan moest hij het maar leeren. En zijn meester daarin was een matroos met grove werkhanden, die er maar dadelijk meppen mee uitdeelde, als de les niet gauw begrepen werd. En sapperloot, op die manier leerde-je ’t zoo gauw. Bij die manier van opvoeden kan het ons heusch niet verwonderen, dat Harpert, die niet doodging en niet wegliep, maar integendeel veel schik in zijn leven had, binnen korten tijd opwies tot een flinken, gezonden zeemansjongen, die nog maar één gebrek had, namelijk dat hij in ’t bezit was van zoo’n lastigen naam.
Zeelui houden van kortheid. Een vrind die Cornelis heet en door zijn moeder suikerzoet als Cor of Corretje wordt aangesproken, heet aan boord in een ommezientje Kees; maar Harpert kun-je niet verkorten. Daarom moest hij noodzakelijk een bijnaam hebben, en van bijnamen houden de zeelui dolveel. Je moet bij hen erg oppassen, of je krijgt er een, dien je voor heel je leven met je mee door de wereld draagt. En in dit geval zorgde Harpert er zelf voor, natuurlijk zonder dat hij er erg in had.
De jongen hield dolveel van muziek. Nu, daar heeft men aan boord geen hekel aan. Tegenwoordig kan men nog dikwijls hooren, hoe een schippertje op z’n schuit gezeten de tonen van een harmonica in een wondermooi gedragen geluid over het water uitzendt. Harpert nu had een ander muziekinstrument, een trompetje, of, zooals men toen zei, een trompje. Niet een prachtstuk, maar ik denk zoo’n soort eigengemaakt dingetje als je nog wel eens hoort bespelen door den maat van een kermisman, die met den doedelzak rondloopt. ’t Is een scherp, mager, ietwat neusachtig geluid, dat het voortbrengt, goed passend bij het gezoem van den doedelzak.
Harpert zat er op te blazen, zoo dikwijls hij er even de kans schoon toe zag. Dit kwam niet dikwijls voor, zoolang het water van de Noordsche zeeën om zijn schuit spoelde. Maar toen men gekomen was in de streken van den passaatwind, die altijd éénen kant uitwaait en het scheepje als slapende voortdrijft, ja, toen kwamen er langere poozen van rust, vooral ’s nachts op de hondenwacht als er niets viel te doen, en boven het schip zich een sterrenhemel uitspreidde, gelijk Harpert nog nooit had aanschouwd. Dan knerpte z’n trompje van allerlei deuntjes, dikwijls door de hersens der matrozen heen. En de een of ander, die de wacht te kooi had, was er wakker van geworden, en had gebromd wat hij nu toch voor een gejank hoorde. Een maat, die door zijn gebrom uit den dut was geschrokken, luisterde even, en, zich op de andere zij wentelend om weer heerlijk te slapen, zei hij onverschillig weg: „O, dat’s die trompert weer!” en snorkte in ’t volgende oogenblik wederom zijn eigen liedje.
Zoo kreeg Harpert den bijnaam van Trompert, of, omdat dit nòg te lang was, van Tromp—een naam die beroemd zou worden over de zee en over de landen van Europa. Maar dat kon het jonge matroosje niet weten, die daar, half liggend en leunend tegen ’t een of ander wat hem steunen kon, z’n oogen naar den hemel vol Oosterschen gloed en rond hem het stille geruisch der slapende zee, met de vingers beurtelings de gaatjes van zijn trompje dekkend en ontdekkend, door die wonderwereld de liedjes deed klagen van het verre vaderland....
Hoe gaarne zouden wij u van de avonturen, welke Harpert Tromp in zijn jeugd ondervonden heeft, een omstandig verhaal willen doen. Doch er is ons niets van bekend. We moeten hem voor vele jaren uit het oog verliezen, tot we hem terugvinden in Den Briel en wel als kapitein van een klein oorlogsschip, dat met de haringbuizen mee moest zeilen om die zooveel mogelijk tegen den overval van vijandelijke schepen te beschermen. Daarom werd zijn vaartuig, dat dus de buizen begeleidde, of gelijk men toen zei „convoyeerde”, zeer eigenaardig een buis-convoyer genoemd. Den Briel had toen tal van die buizen in zee. De visschers moesten heel en al naar de kusten van Schotland zeilen. Maar hoe ver zij ook gingen, onze venijnigste en meest geduchte vijanden wisten hen wel op te zoeken. Dat waren de onbarmhartige en gevreesde Duinkerker kapers. Daarover moeten we het nog zoo dikwijls hebben, dat we er nu het zwijgen maar toe doen. Het zij genoeg hier als onze meening mede te deelen, dat het een gevaarlijk baantje was kapitein op zoo’n buis-convoyer te zijn. En nu moet ge door dat woord kapitein geen te hoog idee van dat baantje krijgen. Ten minste Harperts vrouw zocht er in die dagen nog wat bij te verdienen, en wel door het wasschen en stijven van het goed der zeelui, nu eens op een betere wijze dan de mannen dat op een lange vaart aan boord van het schip zelf konden doen. Aan land waren zij ook wat meer branie. Ten minste er wordt medegedeeld, dat de vrouw van den kapitein de kragen steef, welke de maats wel aan wal, maar zeker niet op zee droegen. Daar ging het maar met een boezeroen of een rood baaitje, dat los om het lichaam hing en gewoonlijk de bruin gebrande borst bloot liet.
Uit het voorgaande vernemen we meteen, dat Harpert in Den Briel getrouwd was. Den 29sten Juni van het jaar 1597 was hij met zijn aanstaande naar een der Brielsche predikanten gegaan en had dien medegedeeld, dat hij voornemens was een wettig huwelijk aan te gaan. De dominee had de veeren pen in den ronden, tinnen inktkoker gedoopt en gezegd: „Dat ’s goed, dat ’s best—En nu moet je me eens precies zeggen, hoe jelui heeten.” Toen had de zeeman niet gezegd dat hij Harpert Tromp heette, want aan een bijnaam of scheldnaam heeft men toch eigenlijk een hekel. Neen, hij zei dat z’n naam was Harpert Maertenszoon. Misschien heeft hij er wel bijgevoegd: Van der Wel, maar dan heeft de dominee het toch niet opgeteekend, gelijk dat weglaten van een familienaam meer geschiedde. Verder verklaarde hij, dat hij nog niet getrouwd was geweest, dus een „jonckgeselle” was en van Delft afkomstig. Zijn aanstaande vrouw heette Jannetje Barents (de dominee schreef Jannetgen Barens), was al getrouwd geweest en dus een weduwe en wel van Cornelis Eeuwoutszoon, en beiden waren nu wonende in Den Briel. Hoe die dominee dat alles opschreef, ziet ge in den hierbij gevoegden afdruk uit het toenmalige Trouwboek van Den Briel, terwijl ge op zij leest wanneer de geboden gehouden werden, en dat het jonge paar den 13den Juli 1597 trouwde.

Facsimile’s uit de Doop- en Trouwboeken der Sint-Catharinakerk te Brielle.
En nu moet gij met de meeste aandacht den volgenden afdruk eens aankijken. Er moest bijna een jaar verloopen, eer het ook door denzelfden dominee neergeschreven werd, want gelijk gij ziet, is het sprekend hetzelfde schrift. Maar niet in hetzelfde register werd dit neergesteld. Het was in het Doopregister, dat, evenals het Trouwboek, niet op ’t Stadhuis, zooals tegenwoordig, maar door den dominee bijgehouden werd. Het vertelt, dat den 3den Mei van ’t jaar 1598 een „knechtgen”—zei men toenmaals—gedoopt werd, het eerste kind—en wel een zoon—van den kapitein van den Brielschen buis-convoyer. Er staat letterlijk: „het kindt van Herpert Maertenszoon, ende Jannetgen Barents”, daarna worden genoemd de personen, die als doopgetuigen de plechtigheid bijwoonden: „Getuijghen Lambrecht Maertenszoon, Jochum Corneliszoon ende Machtelt Maertens.” En dan volgt er, even eenvoudig als dat van alle kinderen gemeld werd: „Het kint heet Maerten.”
Er staat in onzen afdruk een streepje onder dien naam. Dat stond er oorspronkelijk niet. Met potlood is er dat pas in onzen tijd onder gezet. De dominee, die plechtig de woorden van het doopformulier uitsprak, kon toch niet vermoeden, dat de naam Maerten, die thans door de gewelven der wijde Sint-Catharinakerk in lang uitgehaalden weergalm herhaald werd, eenmaal in glorie langs de zeeën zou gaan, en door onze geschiedenis zou blijven weerklinken als die van den Schepper van het over de gansche aarde befaamde Nederlandsche zeewezen der groote 17de eeuw.

De „Kaatsbaan” of het „Kolfslop” te Brielle.
Ongeveer op een afstand gelijk aan de breedte van het hier afgebeelde huisje, en wel naar de rechterzijde, stond de woning, waarin Maerten Harpertsz. Tromp geboren werd.

Gezicht op het „Maarland” te Brielle, de plaats, waar de Brielsche „Zeesleepers” woonden o.a. ook de Vice-Admiraal Witte Cornelisz. de With.
Ach, het moet maar een eenvoudig huisje zijn geweest, waar onze onsterfelijke zeeheld geboren is. Het bestaat niet meer. Schande voor Den Briel, dat men dit gebouwtje niet tot voor de verste tijden gehandhaafd heeft, zooals men dit in Zaandam deed met het Czaar-Peter huisje. Het heeft gestaan dicht bij het onaanzienlijk gebouwtje, waarvan wij hierbij een afbeelding geven, en wel een eindje rechts daarvan. Door den ouderdom vervallen, en niet beschermd door den eerbied, dien de Brielsche regeering aan den grootsten Briellenaar verschuldigd was, is het niet bestand gebleven tegen de stormen. Nog tegen het einde der 18e eeuw bestond het. Toen werd het door een hoos omvergeworpen, en de plaats ervan is niet meer kenbaar. Nu verheft zich daar de achtermuur van het logement „De Nymph”. Dit logement zelf is in de jaren, toen het den grooten zeeheld voor den wind ging, zijn eigendom geworden. Men beweert dit althans, en in het plafond vindt men nog overal de lelie, die hij van den Koning van Frankrijk in zijn wapen gekregen had. Maar treffender zouden wij het vinden, indien wij een klein, onaanzienlijk huisje den vreemdeling konden wijzen, den Engelschman die van zijn Nelson, den Franschman die van zijn Duquesne of d’Estrée spreekt, om dan te zeggen:
„Hier werd een van Neerlands grootste zonen geboren, en zijn naam was Maerten Harpertszoon Tromp.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
De jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp.
Inhoudsopgave
„In den jare 1598”—aldus sprak ruim een halve eeuw later een Leidsch Hoogleeraar—„heeft den Briel, de uyterste Stadt van Hollandt (alwaer de Mase door den Rhijn vergroot zijnde, met een wijde mondt in de Noordt-zee vloeyt) Marten Harpersz. Tromp, voester-Kindt van de Zee-Mars voortgebracht; onsen Bevelhebber heeft sijn gheboorteplaets soo na bij de Zee moeten hebben, omdat hij door sijn gebiet dat woeste Element ter bequamer tijt soude temmen. In die plaets heeft de Beschermer van de vrijheyt der Zee moeten gebooren werden, daer de eerste fundamenten van onse vrijheydt geleyt zijn.”
Zoo kon deze geleerde, die professor Thysius heette, gemakkelijk spreken, toen hem het geheele leven van den zeeheld bekend was. De menschen evenwel, die in de laatste jaren der 16e en de eerste jaren der 17e eeuw in Den Briel leefden, konden natuurlijk niet weten wat een merkwaardig kindje in een der achterbuurten van hun stad geboren was en opgroeide. Wat zouden wij anders, tot in de kleinste bijzonderheden toe, van zijn jeugd en van het leven zijner ouders afweten! En bovendien, wat zouden zij hun best gedaan hebben, om zijn leven gelukkig en het pad, dat hij door het leven gaan zou, effen te maken.

Gezicht op de plaats, waar Maerten Harpertsz. Tromp gedoopt werd, in de Sint-Catharinakerk te Brielle.
En juist dat laatste zou glad verkeerd zijn geweest.
Maerten is een groot man geworden, juist omdat hij zoo’n geweldig harde jeugd gehad heeft, juist omdat hij, door schier onoverkomelijke moeilijkheden heen, zich met een al kloeker wordend hart een weg heeft moeten breken en banen.
Dat kunnen wij op onze beurt ook gemakkelijk zeggen, omdat insgelijks voor ons het leven van den zeeheld geheel voor de oogen ligt. Maar dat neemt niet weg, dat het de waarheid is, en er daarom een groote troost in ligt voor ieder jong menschenkind, dat tobben moet om er te komen.
„Houdt goeden moed!” dat is het levens- maar ook het stervenswoord van den grooten zeeheld geweest, een woord nòg van kracht voor ieder jong menschenkind dat de taal van Maerten Harpertsz. Tromp spreekt. Maar dan mag geen Nederlandsche jongen en geen Nederlandsch meisje ooit vergeten, dat deze zeemanszoon, in leed en voorspoed, onder omstandigheden zoo ellendig, dat de meesten er onder bezwijken zouden, en evenzoo onder het vreugde-gelui der torenklokken en het branden van pektonnen te zijner eere—een vroom en nederig gemoed bezat, den zegen van zijn stervenden vader meevoerde door de harde slavernij zijner jongensjaren, en grenzenloos een moeder liefhad, die hem eenmaal noemde de eenige troost van haar oude jaren.
Wij hebben verteld van de jeugd zijns vaders; dat kunnen wij niet doen van die zijner moeder. Maar die schade halen wij wel in, omdat wij in het leven van den zeeheld nog telkens en telkens weer op dat goede, eenvoudige vrouwtje moeten terugkomen. Door zijn heldenleven, vol gebruis van de zee en gegrom van kanonnen, komt soms geheel onverwacht het vriendelijke gelaat van dat moedertje opglanzen. Voor haar is hij, hoe hoog hij ook opklom, niets anders gebleven dan haar jongen, om wiens tegenspoeden zij veel geweend had... maar om hem zèlf geweend, neen, dat had zij nooit.
Het is een hard lot de vrouw van een zeeman te zijn. Dat was het in die dagen dubbel. Oorlog was het, wáár zich een Nederlandsch schip ook heenwendde, oorlog met de Spanjaarden, oorlog met de vele zeeroovers, die zelfs den wijden plas onveilig maakten. En als men dan een zoontje had, was het lot nog harder. Toen het knaapje grooter werd, wat deed het anders dan naar het Maarland afdwalen, de plaats waar de meeste der Brielsche zeeleepers woonden, en waar, binnen de havens, de schepen aankwamen of wegvoeren, waar altijd een trek was naar de zee. Daar was hij al spoedig op vaders schip, en de matrozen hadden schik in den kleinen kleuter, die amper op zijn beenen kon staan en reeds naar boven keek, alsof hij nu al vond niet hoog genoeg boven de breede kaaien te zijn. En als ’s avonds zijn vader, die zwaar gebouwde man, bij den haard zat—wat een vreemd, wonderlijk gezicht: of er opeens een heel stuk van de wijde wereld in moeders vreedzaam huisje was neergetuimeld!—dan hoorde de kleine Maerten met wijdgeopende oogen naar al die wonderlijke verhalen van de groote zee. Vader had moeten zien, hoe hij al scheepjes kon teekenen, en die zei, dat hier een zeil niet goed zat, en dat de wimpel van den grooten mast een heel andere richting uitwoei dan het geusje op den boegspriet, en dat was toch wat al te erg voor een zeemanszoon. Zeemanszoon.... dàt was het, wat vader zoo met trots kon uitspreken, wat moeder zoo aarzelend kon nazeggen als het hoofd van haar jongen heel en al vervuld was van booten en zeilen; dat was het, wat de jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp kenmerkte. En daarin lag ook de oorzaak, dat slechts een klein gedeelte van zijn jeugd aan wal werd doorgebracht, en voor verreweg het grootste deel op de zee, ja, op alle zeeën der toenmalige wereld.

De Sint-Catharinatoren te Brielle.

Gezicht op de Gapers- later Beursbrug te Rotterdam.
Het was den kapitein van den buis-convoyer ten slotte toch niet slecht gegaan in Den Briel, toenmaals een bloeiende zeeplaats. Want toen hij in ’t jaar 1606 naar Rotterdam vertrok, had hij aldaar een huis kunnen koopen, dat gelegen was nabij de Gapers-, later de Beursbrug geheeten. Den 15den Februari van dat jaar was de koop er doorgegaan, en ’t is zeker, dat hij in April al met zijn huisgezin in Rotterdam woonde. Maerten was toen acht jaar geworden. Reeds op dien leeftijd ging het kind naar zee.
Het was toch kort voor zijn negenden verjaardag, tegen April van het jaar 1607, dat zijn vader hem meenam op zijn schip. En niet op een uitstapje om eens met de zeelucht en het groene water kennis te maken, maar op een tocht, welke een der grootste ondernemingen van dien tijd zou zijn: den tocht naar Gibraltar. Daar zou het niet zijn om vijgen of wijn te koopen, maar daar zouden de kogels fluiten, daar zouden de zeelieden die opgerezen waren uit onze haringvisschers, daar zouden de jongens van Willem Beukelszoon bewijzen, dat ze Janmaat gingen worden.
Het schijnt ons haast barbaarsch toe, om een kind van dien leeftijd op zulk een tocht mee te nemen. De kloeke Harpert, die zielsveel van zijn kind hield, oordeelde daar anders over, het jongetje zelf zag zijn verlangen vervuld, en de moeder...? Als een dochter uit ons Heldentijdperk mocht zij met vochtige oogen afscheid nemen van haar kind, zij geloofde vastelijk, dat God het aldus voorbeschikt had en dat noch haar man noch haar kind sterven zou, vóór het vastgestelde oogenblik daartoe aangebroken was.
Wij spraken daar van den „Tocht naar Gibraltar.” Zoo kunnen wij dien noemen, die met den afloop bekend zijn. Het plan was, om naar de kust van Portugal te varen, en daar het uitzeilen van een vloot te verhinderen. Het was daartoe, dat Harpert met eenige andere Rotterdamsche schepen onder den commandeur Moy Lambert de Maas uitzeilde, om zich te voegen bij de vloot, die reeds van Texel naar het eiland Wight gevaren was. Het laatst wat van het vaderland voor den jeugdigen Maerten hoog boven de geel-grauwe duinen oprees, was de toren van zijn geboorteplaats, de machtige Heerscher aan den Mond der Maas. Geen jongen die voor het eerst naar zee gaat, wiens blikken niet even en als tersluiks afdwalen naar het deinzende strand. Wat er dan, zelfs in het hoofd van den onverschilligsten boy, gedacht wordt, wie zal het zeggen? Maar zeker is het, dat zelfs de grijze Sint-Catharinatoren, die zooveel gezien heeft op de verraderlijke groene golven der Noordzee, bij het afscheid aan dezen kajuitsjongen niet voorspeld zou kunnen hebben, dat een dertigtal jaren later al zijn klokken zouden trillen in welkomstgroet voor den grooten admiraal, die voor het kleine Nederland de heerschappij ter zee bevochten had.

De zeeslag bij Gibraltar.
Uit de geschiedenis kent men wel den zeeslag bij Gibraltar, waar Jacob van Heemskerck, dezelfde, die een tiental jaren vroeger met Willem Barendtsz de vreeselijke Overwintering op Nova-Zembla had doorgemaakt, het leven liet, maar waar de onzen een zege bevochten, waarvan de tijding zich langs de kusten der Middellandsche zee verspreidde. Bij de volkeren toch, die aan deze zee woonden, stond de Spaansche zeemacht als de geduchtste der aarde bekend. En als men nu weet, dat onder die volkeren zoowel de toenmaals zoo gevreesde Turken, als de zeeroovers der Noordelijke staten van Afrika, de dusgenaamde Rifpiraten behoorden, zal men kunnen nagaan van welk een beteekenis het verspreiden dezer mare was. Vóór dien tijd duldde bijvoorbeeld de Sultan van Turkije onze vlag niet in zijn wateren, en om er toch te komen—want nergens bleven onze jongens vandaan!—hadden we van den Franschen Koning Hendrik IV het recht verkregen zijn vlag te voeren. Nu echter zou onze driekleur zich vrij ontplooien bij die volkeren, die met heimelijke vreugde vernamen, hoe de Spaansche zeemacht een leelijken knak gekregen had door die duivelsche Jantjes uit het Noorden.
Bij dezen zeeslag, waar door de Jantjes met een onbegrijpelijke stoutmoedigheid en door de Spanjaarden met een groote verbittering gevochten werd, zoodat men soms bij het omslaan der booten nog in het water den vijand te lijf ging, was onze kleine Maerten tegenwoordig. Op zulk een wijze leerde hij voor het eerst onzen aartsvijand kennen. Na zulk een victorie zag hij de driekleur omhoog gaan, al moest zij weer dalen als teeken van rouw voor den admiraal, die zijn leven geofferd had voor het kleine vaderland. Zoo, met de overwinnaars, kwam de kleuter in dat vaderland terug, en bij zijn moeder.
Het was er verre van, dat zulk een ruwe ervaring haar kind zou afgeschrikt hebben van de zee. Het tegengestelde was het geval. En het was met welgevallen, dat Harpert zijn jongen weer mede nam en telkens weer mede nam. Dat varen bracht ook welvaart mee. Wat alweer goed van pas kwam, omdat het huisgezin grooter werd. Maerten was het eenige kind niet meer, al bleef hij de eenige jongen. En voor zijn zusjes werd hij „de groote broer”, tegen wien zij al op begonnen te zien. Maar hij zelf zag op tegen zijn vader, die een zeeman uit duizenden van zijn jongen maken wilde, en hem daartoe niet spaarde, maar hem, volgens getuigenis uit die dagen, in alles onderwees wat tot zijn geliefd vak behoorde. Niet alleen was hem bij Gibraltar de „Scheepsoorlogh” geleerd, maar hij heeft, volgens een tijdgenoot, „de raddigheyd van sijn Lichaem ende leden gheoeffent” en „na dat sijn kindtsheydt konde begrijpen, bij de Scheepstouwen tot in de opperste marsch te klimmen, ende vandaer als van een toorn over de onmeetbare zee uyt te sien, de vlaggen met een uytnemende gauwigheydt af te halen was hem sijn eerste kinderwerck: dan heeft hij eerst de deelen ende het gebruyk van allerley Scheepen ende Scheepsgereetschap van buyten geleert, ende met een driftigen ganck (op sijn Schippers) yders dienst waer genomen. Hij heeft hem (zich) dan soo aan de Zee gewent, datter hem verdrietigh was aan Landt te sijn. Hij heeft grouwelycke stormen ofte Schip-breucken niet gevreest, maer het soute water, daer hij dickwils van nat is geweest, heeft hem versterckt.”
Twee jaren na den geduchten zeeslag bij Gibraltar werd er met Spanje een wapenstilstand gesloten voor den tijd van twaalf jaar. En uit was het voordeelig leventje van de oorlogs-kapiteins en hun bootsgezellen. Zooveel als men maar eenigszins missen kon, werden ontslagen. Van die bootsgezellen hadden er velen geen lust in, om weer visscher te worden. Ze gingen over bij de koopvaardij, en de ruwsten en ongebondensten zochten het avontuurlijke leven van de vrije vaart op, dat ze ruimschoots vonden bij de beruchte zeeroovers van dien tijd, van wie de naam van Simon den Danser ons als goed Nederlandsch in de ooren klinkt. Harpert werd ook uit ’s lands dienst ontslagen, en voer weldra met een „eigen geladen” koopvaardijschip het zeegat uit, waaruit blijkt, dat ’s lands dienst voor den dapperen man zeer voordeelig was geweest.
Het spreekt vanzelf, dat de nu elfjarige kajuitsjongen van dien koopvaarder niemand anders dan Maerten was. Dat nieuwe leven zou vader hem ook weer inleiden. Wat kon die vader al niet in het oog van zijn kind! En nu zou het gaan naar de negertjes, heel en al naar de kust van Guinea. Daar was het wel heel gevaarlijk, omdat de blanken er als ratten aan de moeraskoorts stierven, en de zee was daar bovendien onveilig ook door zeeroovers, maar... daarom juist was er een bijzonder voordeelige handel te drijven voor de lui, die moed en durf hadden. En och ja, wat bekommerde Maerten zich om koortsen of zeeroovers! Wat al moois zou hij voor zijn moeder en voor zijn zusjes meebrengen van zulk een verren tocht, en wat zou hij van zulk een tocht kunnen opsnijden tegen zijn maats aan wal!
Toen werd er van moeder en zusjes afscheid genomen. Vaarwel! klonk het, en met dat oude, echt Nederlandsche afscheidswoord, ging het wederom de wijde wereld in.
DERDE HOOFDSTUK.
onder de zeeroovers.
Inhoudsopgave
Dat er in de dagen, toen Harpert Tromp met zijn „eigen geladen Koopschip” naar de kust van Guinea onder zeil ging, meer zeeroovers in den Atlantischen Oceaan rondzwierven dan gewoonlijk, was voor een niet gering deel veroorzaakt door de groote afrekening welke omstreeks dezen tijd de Franschen met de al lastiger wordende zeeschuimers in de Middellandsche zee gehouden hadden. Niet alleen had Frankrijk groote schade geleden door hun overmoed, maar ook door de nieuwe manier van zeilen, welke de Rifpiraten van de zeelieden uit het Noorden begonnen te leeren. „Het was zorgelijk,” zegt een geschiedschrijver dier dagen, „dat de Christenen aan de Turken de manier leerden van schepen te regeeren met kruis-zeilen,” terwijl het even zorgelijk werd geacht, dat zij hun het gebruik leerden kennen der vliebooten, terwijl men in de Middellandsche zee slechts gewoon was met galeiën en brigantijnen ten oorlog te varen.
Het gevolg van deze afstraffing was geweest, dat een deel der zeerooversschepen verbrand, maar daarentegen een ander deel her- en derwaarts verspreid was.
Toch waren deze zeeroovers niet het meest te vreezen voor een Noordsch koopvaarder. Er voer nog een heel wat gevaarlijker soort Vrijbuiters langs de zee.
In dien tijd toch, lag er niet zulk een groote afstand tusschen kaper en zeeroover. Wanneer men met een ander volk op voet van oorlog leefde, rustte men kapers uit, die niet alleen de vijandelijke kusten verontrustten, maar ook de visscherij trachtten te verhinderen, en zooveel als mogelijk was de schepen opvingen, die van en naar het land des vijands onder zeil waren. Maar een zeeroover verklaarde àlles wat hem tegenkwam voor vrij buit en gehoorzaamde alleen aan een opperhoofd, die daartoe gekozen was of zich zelven opgeworpen had. Het bootsvolk, in het ruwe en vrije leven van de kaapvaart opgegroeid, zag uit den aard der zaak dit eenigszins fijne onderscheid tusschen kaper en zeeroover niet zoo helder in. ’t Had óók wel eens genomen, wat het eigenlijk niet mocht aanraken. Werd een kaper gesnapt, dan werd hij over boord gegooid, en een zeeroover werd aan de ra opgeknoopt; maar het omgekeerde had ook wel plaats. Nu, verdrinken of opknoopen... dat was toch eigenlijk zusje en broertje, en voor sterven waren geen van die ruwe klanten erg benauwd. Het kan ons daarom niet verwonderen, dat, toen de wapenstilstand met Spanje gesloten was, vele zeerobben, zoowel Nederlandsche als Spaansche, en niet minder van andere natiën, liever als zeeroover een wel gevaarlijk maar voordeelig en ongebonden leventje gingen leiden, dan op een andere meer moeilijke en verbonden manier aan den kost te moeten komen. Ook moet men niet denken, dat het alleen kleine luiden waren, die onder de zwarte vlag gingen varen. De geschiedenis verhaalt onder meer van eenen Sir Francis Verney, „die in korten tijd in Engeland wel driemaal honderdduizend gulden doorgebracht had van zijn ouderlijk erfgoed,” en toen niet als de Verloren Zoon tot berouw en inkeering kwam, maar zich bij de zeeroovers voegde. Het zal nu ook duidelijk zijn, dat dit soort zeeroovers, die in de kunst van de zeevaart en het oorlog-voeren door en door thuis waren, veel gevaarlijker was dan het ander soortje, hetwelk in Algiers, Tunis of Marokko thuishoorde. Het meeste van dit goedje nu, blank of bruin, schuimde gewoonlijk de Middellandsche zee af, waar het wemelde van rijkgeladen koopvaardijschepen.
Harpert had daarom wel mogen wenschen, dat de Franschen hun afstraffing nog een poosje uitgesteld hadden, dan zou hij vermoedelijk niet op de hoogte van Cabo Verde een Engelsch zeeroover ontmoet hebben. Nu was zijn bodem, hoewel een koopvaardijschip, welbewapend; dat kon in die dagen niet anders. Vandaar dat men dikwijls hoort van de versterking eener oorlogsvloot door koopvaardijschepen. Ook waren hij en zijn mannen met de wapenen volkomen vertrouwd. Maar hoe dapper hij ook mocht zijn, welk een ervaring hij van een scheepsstrijd mocht hebben, tegen de overmacht van dezen zeeroover was hij niet opgewassen. Wie gevoelde dat spoediger dan hij, die door vele jaren van ervaring de kansen van den oorlog ter zee had leeren overzien?
Doch zich op genade of ongenade overgeven.... dàt had De Lange niet gedaan op de Zeeuwsche stroomen en evenmin had dat Reinier Claeszen gedaan in de Spaansche zee; dat dééd geen kind van het volk, dat nog zoolang niet geleden geworsteld had met den man zonder genade, den hertog van Alva. Tartend en uitdagend, als in de dagen der Geuzen, als in de dagen van Alkmaar en Leiden, ging aan boord van schipper Harpert de driekleur omhoog. En, zijn kind naast zich, stond daar kalm en kloek de man, tot wien thans allen opzagen, omdat hij voor al die rappe maats „den ouwe” was, die geen angst mocht hebben; kalm en kloek stond daar, in volle levenskracht, de Nederlander, wiens stervensure gekomen was.
Maar vader, die alles kon en vermocht, vader, die zoo zelfbewust overal den blik liet gaan en allen door woord en daad bezielde, zou het er thans ook wel doorhalen. Zoo dacht de kajuitsjongen, die streed bij en onder het oog van den afgod zijner jongensjaren.
„Blijf hier bij me, m’n jongen!” had vader gezegd, en hij had hem aangekeken, even maar, met een blik, waarin zijn ziel lag.
Vreeselijke, bange oogenblikken waren gekomen. De roovers hadden vaders schip geënterd en het was hun gelukt over te springen. Kreten, aanmoedigingen en vervloekingen, vroolijke kwinkslagen van den altijd opgeruimden zeeman en gekerm van gewonden—dat alles werd nog steeds beheerscht door die eene kalme stem. En zoolang die stem nog weerklonk en bemoedigde en bezielde,.... zoolang de schipper nog stond op zijn post, kon niemand den moed verloren geven.
En strijdend al zijn best, worstelt de kajuitsjongen met de roovers, die het vooral begrepen hebben op die ééne plaats, waar de schipper zich bevindt. Met hooggekleurde wangen doet hij zijn plicht, dien hij geleerd heeft van Gibraltar af door zooveel gevechten heen, telkens even opziende tot dien grooten, zwaren man, hem telkens even toesprekende of aanrakende, als om kracht en moed en vooral hoop te behouden, hoop op een zegepraal....
Daar zinkt een zwaar lichaam neer op de met bloed bevlekte planken. Een kreet van „Vader, Vader!” een druk van de hand als ten afscheid voor altoos, een laatsten blik op zijn kind, dat hij niet meer beschermen kan; een schor geluid, misschien een vaarwel, of een aanbeveling van zijn kind aan Gods eeuwige barmhartigheid.... dan verslapt de hand en de trouwhartige oogen breken. En nu.... niet in klagen breekt de arme jongen uit. Maar zijn oogen flikkeren; en het zwaard oprapend, dat den gestorven held ontvallen is, roept hij zijn maats toe, die bij het sneuvelen van den schipper terugdeinsden:
„Lafaards!.... zul-je m’n vader niet wreken?”
Al verstikken nu tranen zijn stem en ziet hij alles als door een nevel heen, hij werpt zich op de roovers, één ding biddende en hopende: te sterven voor zijn armen vermoorden vader.
Arm kind, wat vermocht hij tegen zulk een overmacht! Op zijn wanhoopskreet waren de enkelen, die overgebleven waren van de dappere bemanning, toegesneld, om weldra bloedend neer te zinken op het dek, of, ontwapend, zich overgegeven te zien aan de genade van den overwinnaar.
En de arme Maerten?
Als spelenderwijze had men hem zijn wapen ontrukt en hem, gebonden of op een andere wijze onschadelijk gemaakt, hier of daar heengeschopt, om over het welp van den leeuw het oordeel van den hoofdman te hooren. Met het bloed van een kind bevlekte zelfs de ruwste dier mannen zich niet graag. In verordeningen uit deze dagen, en wel voor onze matrozen in den worstelstrijd op leven en dood met de Duinkerker kapers, vindt men wel degelijk een dergelijke bepaling, b.v., dat men allen de voeten moest spoelen, behalve dezen en genen, en daaronder de scheepsjongens. Is het daarom, dat de hoofdman het ook na de victorie niet over zich verkrijgen kon den elfjarigen knaap over boord te werpen? Of was het in driesten overmoed, dat hij zich tot voetveeg uitkoos het kind, wiens vader hij vermoord had, het welp van den leeuw? Wie zal het zeggen! Maar zeker is het, dat het kind niets vuriger verlangde dan te sterven, dan naast zijn vader neer te zinken in het groote matrozengraf.
Zoo werd Maerten Harpertsz. Tromp de slaaf van den zeeroover.
En bij dien zeeroover schijnt hij een alles behalve aangenaam leven gehad te hebben. „Ende desen onsen Heldt, elf jaren oudt zijnde”—aldus zegt een tijdgenoot—„(werd) in nauwe ende geweldighe gevanckenisse overgelevert.”
Die arme Maerten! Hoe zou hij ook een oogenblik van den dag hebben kunnen vergeten, dat hij den man dienen moest, die de moordenaar van zijn vader was?....
In latere jaren schijnt hij nooit gaarne over dezen tijd gesproken te hebben. Professor Thysius toch, die niets vergat wat den held beter deed uitkomen of meer het medegevoel kon opwekken, en daartoe een grondig onderzoek zal ingesteld hebben, wist niets anders te vertellen, dan van „de nauwe ende geweldighe gevanckenis,” „Maar,”—voegt hij er bij—„veel sijnder in de vrijheyt dienstbaer; sommige, welckers gemoet vierigh is, sijn selfs in hechtenisse vrij; Edele verstanden sijn de fortuyn ontwassen ende werden door hare deughden opgerecht. Sijn gemoet was selfs in ’t begin van sijne kindtsheydt standvastigh en achte de saeken, die hem tegen gingen, weynig.”
Nu kan men dit alles gemakkelijk zeggen, wanneer men spreekt over de jeugd van een man, die een wereldberoemden naam verworven heeft. Men heeft dan reeds op de aarde de oplossing van het sprookje gezien, en men beschouwt zulk een treurigen tijd in het leven als een oefenschool, als een tijdperk van beproeving, waaruit de sterkere als overwinnaar te voorschijn komt, doch waarin de zwakke ondergaat. Van dien zwakke hoort men dan ook gewoonlijk niet.
Maar—een kind van elf jaar te zijn, en zelf zulk een harden tijd te doorleven, zonder hoop dat het ooit anders zal worden!....

„Sijn bedroefde Moeder mist nu de eenighe troost van haer oude jaeren”.
(Oratio Funebris).

Maerten Harpertsz. Tromp als scheepsjongen aan boord van den zeeroover.
Maerten Harpertszoon Tromp is een van de beminnelijkste menschen geweest, van wie de geschiedenis gewag maakt. Altijd vriendelijk, hulpvaardig, voorkomend, en dat vooral voor zijn minderen. „Bestevaer”, hebben later zijn matrozen hem genoemd, en hij noemde hen zijn „kinderen”. Van niet tot iet gekomen, vergat hij zijn vroegere standgenooten niet, en, waar hij kon, maakte hij hun lot beter of ten minste draaglijk. Moeten we juist niet in de harde slavernij, waarin hij als kind geleefd heeft, de oorzaak hiervan zoeken?
Maar dan blijft het toch een raadsel, waarom hij onder dat harde lot, hoe jong hij ook was, standvastig is gebleven, waarom zijn hart niet verbitterd is, zijn arm kinderhart, zoo ruw verscheurd door zulk een moord, als onder zijn oogen geschied was. Bedenken we wel, hoe er voor hem aan geen uitkomst te denken viel. Want met den roover zwierf hij langs alle zeeën der toenmalig bekende wereld. Hoor, hoe een tijdgenoot dat mededeelt: „Met dese Engelse Rovers heeft hij twee Jaeren lanck de zee aan allen oorden doorwandelt, ende is gelijck als een vreemt Gesel van de gheheele Wereldt jae een inboorlingh geweest. Hij heeft hem (= zich) nergens ter neder ghestelt maer dwalende altijdt, ende met sijne Zee geweest driftigh, als nu aen ’t Oosten, dan aen ’t Westen, des Sons opganck ende onderganck volghende, dan heeft hij onder de linie de groote hitte, dan de afgrijselycke ende felle koude om den noordt geleden, dan met de tempeesten van de woedende zee gestreden, ende uyt een kleyn wolckjen vreeslycke stormen weten te voorsegghen; nochtans is hij in een tegenstrevende fortuyn altijt manhaftigh en gerust geweest.”
Manhaftig en gerust... de kleine scheepsjongen onder die ruwe en woeste gezellen; het vaderlooze jongske onder die mannen van bloed en geweld, wier ruw-ronde hartelijkheid, indien zij hem die mochten betoonen, hem een gruwel moest zijn, omdat hij zijn vader niet vergeten kon en mocht; de kleine Nederlandsche knaap onder de Engelschen, die hem plaagden met het kikkerland van Jantje Kaas, waaruit misschien goede boeren, maar toch eigenlijk geen able seamen voor den dag konden komen?
Wordt u het raadsel, waarom Maerten onder al die kwellingen manhaftig en bovenal rustig kon blijven, nog niet duisterder?
Toch—zoek de oplossing niet verre. Noemde ook niet deze Nederlander de taal, welke hij niet meer hoorde spreken.... zijn moedertaal?
Het is bij de groote liefde, die Maerten Harpertsz. Tromp altijd zijn moeder toegedragen heeft, buiten eenigen twijfel, dat de hoop om nog eenmaal zijn lieve moeder weder te zien, den armen jongen heeft staande gehouden.
Hoe dikwijls zal hij aan haar gedacht hebben in de bange jaren der slavernij! Ginder in het nevelige Noorden lag het kleine vaderland, en dáár, dat wist hij, werd ten minste door één wezen zijn naam nooit vergeten. Wat zou zij angstig zijn om het lot van man en kind. O, als hij maar even in haar oor had kunnen fluisteren, dat haar jongen nog leefde en dat hij haar eenmaal terug hoopte te zien.... later, als hij groot was en middelen vond om te ontkomen. Wat viel hem bij die gedachte het ruwe leven, dat hij leiden moest, minder hard! Het zou immers tijdelijk wezen? En wanneer zijn hart vol werd van angst dat ze sterven mocht, wanneer het heimwee hem al te sterk werd,.... dan wist hij een talisman te bezitten, zonder welken niet eene Nederlandsche moeder uit die groote dagen haar kind de wijde wereld in zond; het geloof in den almachtigen God, voor wien geen zee te wijd en geen ellende te diep was. Rustig was de knaap, omdat hij geleerd had, dat wel de beproevingen, maar niet de verzoekingen van den Heer kwamen.
En met zulk een groote kracht, volbracht in zijn zwakheid, heeft hij, die eenmaal strijden zou om zijn volk voor het juk der dienstbaarheid te behoeden, de slavernij leeren kennen. Hij, die bevelen zou over velen, die het lot van duizenden in zijn hand zou hebben, heeft hier geleerd wat het is, een rechtelooze ondergeschikte te zijn. Hij, die er in latere jaren op gesteld was, om te midden van zijn matrozen zoo eenvoudig mogelijk te leven, deelende in hun moeiten en bezwaren en zijn zorgen uitstrekkende tot den minsten schepeling,—heeft in die harde slavernij geleerd wat nood en ellende is. En hij, die vol vriendelijkheid was voor ieder, die zijn ondergeschikten noch afsnauwde noch vernederde, maar hen vriendelijk toesprak en niet schroomde tot Janmaat in diens eigen taal een woord te spreken, dat regelrecht tot het hart ging,—heeft in zijn kinderjaren dikwijls in de stilte van den nacht geschreid, omdat hij behoefte had aan één goed woord....
Maar—aan den anderen kant—geen ziekelijke droomer is er uit dien scheepsjongen gegroeid. Te drommel, wie aan boord van den zeeschuimer geen aanpakken leerde, geen handige, pootige kerel werd, was kort en bondig voor de haaien. Want als men hem niet over boord geworpen had, zou men hem het leven zoo zuur gemaakt hebben, dat hij er zelf op de een of andere wijze tusschenuit was gegaan. Ruwe bonken waren ze, die Vrijbuiters, maar zeelui van top tot teen, lui, met wie om te springen was, als men zelf merg in de knoken had, als men zelf iets in zich voelde leven van een Jan Couragie. En welk een echte zeeman Bestevaer Tromp was—wel het is nog eens hartig gezegd, toen de Staten na zijn dood een landofficier tot vlootvoogd benoemden. „Die vorige admiraal,” zeide men, en bedoelde er Tromp mee, „dat was een echte pekbroek!”
Welke plannen Maerten moge gekoesterd hebben om te ontkomen, weten we niet. Tot een uitvoering ervan is het nooit gekomen. Want de roover zelf werd dit zwervend en ongedurig leven zat, toen hij genoeg meende te hebben geroofd, om er nu verder aan wal een rustig leventje van te kunnen nemen. Zoo iets had meermalen plaats bij befaamde zeeroovers. Zij onderhandelden dan in een of ander land, om daar weder in genade aangenomen of bij het zeewezen, liefst bij de kaapvaart, geplaatst te worden. Zij kochten hun pardon, noemde men dat destijds, en daar boden zij, niet altijd te vergeefs, ontzaglijke sommen voor.
Iets dergelijks had ook met deze zeeroovers plaats. „Naedat sij”, zegt de meer aangehaalde tijdgenoot, „conditiën met den Hertogh van Savoyen ghemaeckt hadden, (werd hun) een vrye plaets om te herbergen toegestaen.” Maarten werd daar in vrijheid gesteld en heeft zich, „in sijn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer zijn Vaderlandt begeven.”
The free sample has ended.