Read the book: «Ferdinand Huyck»

Font::

J. van Lennep

Ferdinand Huyck


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066068578

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

BRIEF
VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER, TOT INLEIDING DIENENDE.

Amsterdam, den....

Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van ongeveer drieëntachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve, voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.

Quiconque a beaucoup vû

Peut avoir beaucoup retenu,

zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende, zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd, een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar, dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie aanleiding te geven.

Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als die van veel gezien en opgemerkt te hebben:—hoewel ook deze minder algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een gezond oordeel veel solide kennis, en was in de gelegenheid geweest, daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken. Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,—in weêrwil van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met kwakzalvers en roués, in weêrwil zelfs van het zwak, dat haar was bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij eener vrouw verbannen zoude,—een vromen, godsdienstigen zin: en haar werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op een onwankelbaren grondslag gebouwd.

Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar het levendige, ja, ik zoû zeggen, het kinderlijke van een jong meisje bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had verbannen en opgeöfferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek, die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was, en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte stem, een aria uit Blaise et Babet of Les trois Fermiers te zingen, of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid bezaten;—voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste is dat men hooren kan.

Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel; noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat, die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was aangespoord.

Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst, die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en vernuftig als dat van den wijdberoemden kater Murr kan geweest zijn: en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door, heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen; het zoû de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt. Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden, aan niets gebrek zoû hebben.

Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij, uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt, nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te doen, welke de pastijtjes en croquettes bewijzen wanneer zij het gebraad voorafgaan.

Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom met Mejuffrouw Stauffacher en haar alentours bekend maken, alvorens ik er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.

Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed, wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende, en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen maken.

Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik recapituleerde bij mij zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.

"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering ontwakende.

"Wat?—Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te doen, dan een filtreerkan te gebruiken?—Gij hebt volkomen gelijk."

"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken, die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven, dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken, die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens gedenkschriften te schrijven."

"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene bezig houde."

"Nu ja!—Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad, eenige boekdeelen te vullen."

"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer is, na mijn dood vergeten te worden."

"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij in gezegend aandenken zult blijven: en het zoû u zelfs leed doen te denken, dat die u vergeten konnen."

"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zoû geweest zijn, als schrijfster op te treden?—Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van, mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher, die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.—Spreek mij niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:—en dit ware niet alles; maar ik zoû geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw voorkwam;—maar stond die eens gedrukt, dan zoû ik immers den mond niet meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand mij op mijn boterham zoû geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58 van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er géén kwaad in zie, over hen te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden, om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik gemaakt worden."

"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld, wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen, hoe."

"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."

"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."

"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen, die er mede gemoeid zijn. Zoû iemand zich b.v. de moeite ooit getroost hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven, die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?—En echter vinden wij die in al de schoolboeken.

"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.

"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik niet, of het mij gelukt zoû zijn langs den door u aangewezen weg. Want het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te komen."

"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"

"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna schaamt, die gelezen te hebben; nu—voor mijn part, ik lees ze niet: ik hou mij bij 't oude."

"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding, met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch in zijn tooneelen."

"Dat weet ik wel, en ik zoû u ook niet zeggen, dat gij Tom Jones aan uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven, waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan: daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is, om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het kwade altijd zijn meester loont."

"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier namaals merkelijk verzwakt?—En leert ons eene, misschien ook wat oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"

"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan hecht:—verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke, onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar, geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den booze—want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te scheiden, goeden en slechten;—ik heb nooit zulk een volslagen schelm gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks—het moge, zoo als ik zeide, den booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een à plus forte raison); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen; maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning, ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn. Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg, welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning kunnen strekken, evenmin kan men beöordeelen, of de ogenschijnlijk goede daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zoû men dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger gepleegd."

"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid, indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat hij door eigen schuld ongelukkig ware?"

"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons medelijden heeft."

"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij komt; doch—om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken, dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zoû kunnen terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier kan opsporen."

"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan getuigenis geven zoude."

"Nu! ik zoû gaarne een zoodanige geschiedenis zien."

"Ik zoû gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de goedheid hebben, even aan de schel te trekken."

De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."

"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden; en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."

"En—de geschiedenis van de geschiedenis?"

"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt: "où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans," vroeg hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"—"Maar," vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden bestempeld worden."

"Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable," zeide ik, maar voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken, zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende, die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks in een roman zoû aantreffen."—Ik betuigde hem mijn verlangen om dat handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid, wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."

"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er meê naar welgevallen."

Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en data heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken, kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren. Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop, tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd opgeroepen.

Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind wilt op u nemen, overtuigd dat enz....

Uw vriend

P.

Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn. Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven, echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze e achter het onbepalend lidwoord en veelal ook achter de possessiva weglaat, tenzij wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen; misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik haar daarin geen ongelijk.

DE UITGEVER.

EERSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN, ONDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN, HET PORTRET VAN DEN HELD DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.

Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf, en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik, sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan. Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten: ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren, daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek, jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen, en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.

Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij, die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren, dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp, welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.

Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno, hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie, briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen; zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde, dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.—Hiermede echter was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.

Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was. Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon, oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn terugkomst opnieuw.

Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal, al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken, dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of, niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.

"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe, terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen! de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"

"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.

"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?—maar genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en drink de gezondheid uws vaders."

"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende, "wijde ik uwer brave moeder!"

Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn, vroegtijdig vertrekken moest.

"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude Heer.

"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."

"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard langer van huis gehouden had."—Met deze woorden drukte zij de hand van haar teruggekeerden lieveling.

"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk zoo spoedig mogelijk te smaken?"

"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.

"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."

"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."

"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis altoos zoo zuinig op zijn équipage geweest is."

Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof, dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.

"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven; —maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."

Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den aftocht te blazen.

Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling, namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.

Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen, stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon, dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap, dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten, dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien, die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd. Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel, had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder, die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt.

Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden, tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, als of mijn persoon zelve haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte: mijn kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het voorkomen van reeds boven de vijf-en-twintig jaren te zijn; mijn gelaat, ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van goeden luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond, en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken staat over mijn schouders en deden mij konnen als een onverbasterden afstammeling van het echte Noordsche ras.

Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen, om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken. Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar onderweg een uurtje te vertoeven.

Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was, en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige verversching te gebruiken.

Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt, om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen de groene hoornen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.

Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan voerende, met het gebruikelijk onderschrift: vrij wijn en meê. Eenige krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook zag ik in de daad een niet gering aantal boerewagens en karren uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige oven. Hij scheen zachtjes te praten met iemand die zich binnen in de kar bevond, maar dien ik niet zien kon, vermids ik het rijtuig van achteren naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld binnen de herberg te gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar voor bevond, en ik verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik, terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de herberg binnen te treden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE ZOEST VOORVIEL.

Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat ik, na een algemeenen "goeden morgen samen!" in 't rond gewenscht te hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al vroeg volk in de herberg was.

"Dat 'eleuf ik wel, koopman!" antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge glazen met schuimend bier te vullen: "je zult het ook wel 'eroken hebben, wat hier van daag te doen is."

Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als titelvignet en de woorden: segt het voort in groote letteren als onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Naauwlijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman daar-en-tegen er vrij schraal en verloopen uitzag,—toen mijn ooren gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: "phijpedoppies! deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!"

Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij iets aan mij slijten kon.

"Ik dank u, vriendje!" zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien: "ik heb niets noodig!" en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en, de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te worden.

"Nha doch!" zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield, door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak voor den neus brengende: "laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen. Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog ver reizen."

Wetende uit ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken, vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van contramanoeuvre tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.

"Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven," hernam de Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: "motje gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?"—En, in de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken, mij met vrede te laten. "Waarlijk, goede vriend!" zeide ik: "ik heb niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij heb, toe te komen en de stad te bereiken."

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd, en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger, waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen, terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach geleek.

"Khom!" zeide hij: "Je spot immers er meê: je zoudt gheen gheld, 'ebben: nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept krediet: en dat's veel gheseid in dhesen tijd van de hactie'andel! Daar ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best. Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje."

"Vandaag of morgen is 't zelfde," zeide ik, de pijpedopjes, die hij op tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: "ik rook niet."

"Niet, koopman?" vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met een vrolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam toegetreden: "ik woû je juist een pijp aanbieden."

"Ik dank je," zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het rooken afgewend): "maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar zijn?"

"Toe dan, Mientje!" zeide de waard, zich omkeerende, "waar blijft het ontbijt voor den koopman?"

"Zoo aanstonds," antwoordde de dochter: "wil je er beschuit op hebben, koopman? of verkies je nagelhout?"

"Wel!" hernam ik: "laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar twee."

"Messen!—scharen!—khurkhetrekkers!—khammen!" vervolgde de Jood, met een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: "of... wil je liever kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch... hik 'ep hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt!... 't plijspel van Khinkampoeis![1] de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot stond."

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament[2] van een Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen.—Mijn edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal gewaarworden.

"Ghelik er meê!" zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter hand stelde: "maar phas op," voegde hij er fluisterend bij, "dat je een mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar sthaat."

"Hoe!" zeide ik met eenige verbazing,—maar, toen ik met de oogen den blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewag maakte, kort te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen, of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij stilsta: hij had, gelijk ik reeds met een enkeld woord aanstipte, een afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur men raden moest, hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghaartjes bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen, geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens (overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit beminnelijk wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot ten klein snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante wagentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor fl 80 het stuk. De varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg, sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet bediend had van het mes, dat voor mij stond.

"Ik had het niet gezien," zeide ik op een onverschilligen toon: "en bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen."—Dit gezegd hebbende ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.

"Niet gezien!" herhaalde hij met een gemeenen vloek: "en waar hieldje dan zoo even je kluisgaten op gericht? 't is mijn mes, voor den d....!" vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan te jagen: "en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen, daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt zorgen."

Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte tegen den geöefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen, op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren: althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den zeeman wendende: "wat heit jou die koopman 'edaan, Andries Matthijssen!" vroeg hij, "dat je met hum voor 't mesje wilt?"

"Wel! baas Roggeveld!" zeide Andries, zijn taal met vloeken doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met een () zal aanduiden: "die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en, met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien;—maar opstaan mot hij."

En met-een oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag grijpen:—ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn bankje achteruit, "Pas op!" zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in 't gezicht ziende: "raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig leed deedt."

"Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?" snaauwde Andries, terwijl hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: "ik zel je leeren, ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen."

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't snijen te gaan. Ik moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden; want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje, die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

"Hoe zegje?..." vroeg hij halfluid: "de zoon van...."

Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik alleen de woorden: "Hoofdschout, Amsterdam" verstaan kon, waaruit ik opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.

"En zeit die Smous dat?" vroeg de waard weder: "die koopman daar de zoon van...." en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

"Dat vereischt overleg," zeide de waard, zich den kop krabbende, en de kruiken aan Mientje overhandigende; "die Sinjeurs in Amsterdam hebben armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!" riep hij op eens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur stelde om mij aan 't lijf te komen.

"Wel! wat wouje?" vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

"Wat ik woû? herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons beiden instellende: "ik woû, dat je dut heerschap daar met vrede liet. De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is."

"De kastelein spreekt als een verstandig man," zeide baas Roggeveld, zijn pijp even omdraaiende: "je zoudt er, in dat geval, geen eer meê inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook, we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar 'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was niet bang ook, in dat geval!" en bij deze loftuiting voegde hij een vleiend knikje.

"Ei! ei!" zeide Andries, den waard schamper aanziende: "jij zelt ook zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan, as je 't zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Gooierskind ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje te hebben. 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je, dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het zoo mot gaan."

Deze bedreiging deed mij in mij zelven lachen; want ik dacht, dat de waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter, althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.

"Kom! kom!" zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: "zoo motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt in de boete geslagen."

"Ei wat! denk er niet meer over," riep Roggeveld Andries toe, die norsch voor zich heen keek: "er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval."

"Dat is niet kwaad gedacht," zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't best te sussen: "geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er niet meer over de quaestie gesproken worden, Zwik!" zeide ik, mijn mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan Andries toestekende.

"Zwak!" zeide deze, het glas ledigende: "en ik wensch je toe dat je nooit meer in mijn vaarwater komen meugt."

Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon, waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan, waarover ik mij zelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

"Is het waar," hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren vragen, "dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet eworden?"

"Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen," was het antwoord: "'t is veul, zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met er drieën, as ik hoor."

"'k Sou zoo garen om een roompje

Met jou eens naar buiten gaan,

Rusten onder 't lindeboompje;

Dat je 't maar eens dorst bestaan."

zong Andries er tusschenbeide.

"Ja nog erger," zeide een andere boer: "zij hebben de weuning van Klaas Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken."

"'t Is de bende van Zwarten Piet," zeide een derde.

"Ei wat!" bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weêr voortzingende:

"Margriet! maar ziet,

Besjen is te kwaad,

Als men eventjes bij jou staat,

Maar ziet, besjen is te kwaad.

Als men maar eens met jou praat."

"Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt hebt," zeide de waard, Andries aanstootende! "jij hebt zeker Zwarten Piet wel 'ekend ook?"

"Wat bruit mijn jou Zwarte Piet," zeide Andries, een scheel gezicht zettende: "och! 't is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten, dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?"

"Wie weet?" zeide de waard: "tot een tijdverdrijfje ondershands."

"Gekheid!" zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.

Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af wist dan hij zeggen wilde.

Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht om geld terug.

Terwijl Mientje nog bezig wat een dubbeltje uit haar tasch te halen, trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.

"Vrijster!" zeide hij: "geef spoedig een paar sneden wittebrood en boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is."

Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten op het geld, dat ik terug moest hebben.

En in de daad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen. In-tegendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder; zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins voorovergebogen neus en den zwaren peperen en zoutkleurigen knevel, die de bovenlip overschaduwde.

Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik aangejaagd; maar, even als de vos, die in 't eerst voor den leeuw vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op, en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.

"Dheursthekers!—messen!—scharen!—brillen!—photloodjes! khoop wat, Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft." De vreemdeling vergenoegde zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig antwoord op zijn aanzoeken te geven.

"Laat ik wat an jou verdienen," vervolgde Simon, hem bij den mantel trekkende: "halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek van den dag!—mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje liever een khommediepoekkie?—of de leste woorden van Saco, met zijn sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?..."

"Hm!" bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon, die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weêr naar zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik had inmiddels mijn geld terugontvangen, en, een nieuwen twist voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden, toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen ten uitvoer te brengen.

"Hawaai! hawaai!" riep de arme drommel, zijne, over den grond verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: "hik ben heen bedurven man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je bent met jen schavotkleerden mantel. Je ben men phortuur niet; maar gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen. Mhag jij de menschen zoo molestheren?"

Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.

"Daar," zeide ik, "dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar liggen nog een paar messen! en hier een kam!"

Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal "God loonje!" toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten, zonder zich over ons te bekommeren.

Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte, door den waard en al de boeren gevolgd.

"Weêr en wind!" riep hij den vreemdeling toe: "jij zelt er zoo gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heitje gehieten van an men mes te komen?"

"Hawaai! hawaai!" riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende: "elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die me eelemaal heit bedhurven."

"Hoorje niet, dat je gepraaid wordt," vervolgde Andries tegen den vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk stil bleef staan: "wat hadje met men mes noodig?"

De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles zou afloopen, mij ook terughield.

"Geef dan voor den () antwoord, kaerel!" bulderde Andries, den vreemdeling bij den mantel grijpende.

"Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?" vroeg deze: "ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken."

"Hoor reis, ventje!" zeide Andries: "jij mot zooveel praats niet hebben: al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen."

De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar, zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard, niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: "ziezoo!" zeide hij: "nou zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal trakteeren; want dat doet hij altijd roiaal, mot ik zeggen, as hij er een troef heit 'egeven."

"Ik 'eleuf het niet," zeide Roggeveld: "die lange spier is ook al niet van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij zonder neus verder most reizen, in dat geval!"

"Wat () is dat?" hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht, en met de rechterhand zijn mes op- en nederwierp: "ben ik je nou geen antwoord waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of—op het mesje!"

"Welnu! waar wacht gij op?" vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te gapen: "Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap daar."

"Dronke lap! ik dronken!" brulde Andries, wiens woede nu ten top was gestegen: "wacht! ik zelje leeren!"—En terstond sprong hij op den reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig gefluister van: "hawaai! bhemoei er je niet meê! Wat zel 'et wezen?" bij mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde, en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.

"De drommel! die kwam an!" zeide baas Roggeveld: "dat is ook geen kat om zonder handschoenen aan te vatten."

"Wel vriend Andries!" zeide de waard, hem weder op de been helpende: "benje nou een zandruiter 'eworden?"

"t Is () ongehoord!" vloekte Andries, met moeite opstaande: "en nou neem ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet."

"Vechten moet hij!" riepen de boeren: "er is geen bidden voor."

"En ik neem u allen tot getuigen," zeide de vreemdeling, op een strengen toon, "dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen, die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt."

"Dat helpt allemaal niet!" riepen de boeren: "jij hebt zijn mes an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje."

Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.

"Laten zij oppassen, wat zij doen," fluisterde ik Roggeveld, die naast mij stond, in 't oor. "Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar van Rusland, weet gij?"

"Wat je zeit!" zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: "wel kijk is 't mogelijk! in dat geval!" en hij deelde zijnen buurman het sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.

Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren geleden, insgelijks zonder gevolg en incognito naar Amsterdam gereisd was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden toon, en zelfs door de geduchte wijze waarop hij van zich afgeslagen had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan, welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging, als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor: "men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder komt."

"Ik dank u!" zeide hij, op de kar stappende: "rij nu maar voort, koetsier!"

De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.

De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme verbazing naöogen: totdat de waard de stilte brak met den uitroep: "wel wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die Roodmantel de Tsaar zou wezen?"

"De Tsaar!" riep Simon, weder toeschietende: "nha doch! 't is zooveel de Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Tsaar niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet ge'ad, khastelein!"

"Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?" mompelden de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een uitdrukking van wrevel en toorn.

"Is hij het, die jelui bedot heit?" vroeg Andries, op mij wijzende: "jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat verkoopen!"

"Kom! kom!" zeide ik, "Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen betalen.—Goeden morgen samen!"

Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.

[1] Arlequin Actionist; Quincampoix of de Windhandelaars: blijspelen van Langendyk.

[2] Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam te bestempelen.

DERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN WORDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN MOOIEN KOEPEL.

Naauwlijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar daar-en-tegen meer belommerd en minder eenzaam.

Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld zoude neêrkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daar-en-tegen zag ik, aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen. Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open schaapskooi gewaarwerd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen, zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de Zuiderzee ontlasten zou.

Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had genomen. Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door de schrikverwekkende verlichting van het weêrlicht: groote plassen, waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken, en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk; want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden, welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf gewaarwerd, waar binnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene, schuilplaats hoopte te vinden.

De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en blinkende stammen de kolommen,—de dikke zuigers, van weerszijden opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en schoorbalken—en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen smaak aangelegd, met sterre-bosschen, geschoren lanen en slingerende berceaux, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd, en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en langs welken aan weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan, welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen en met bloemplanten begroeid waren;—terwijl het plein voor het huis nog bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen voorzien te zijn.

Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit bas relief de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak was rond en met lood belegd en eindigde in een sport van gedraaiden kogel, van boven met een vergulden bol versierd.

Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks, was ik de marmeren trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen, waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt... dat ik namelijk niet alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.

Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz., waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.

"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging: "gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:

"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne."

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes, die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis versierden;—maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't oogenblik, geen uitzicht scheen,—en met de binnenzijde van het zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een fontein verborg, en men in het vierde

een verholen trap, die uitquam in een kelder,

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden;—echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:

"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten."

"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij, haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.

"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken."

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar geheel onbekend was.

"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden."

Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.

"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.

"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."

Er was wederom geen antwoord.

"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter, bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat."

"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.

"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben."

Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:

"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."

"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."

"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans Hoofdschout te Amsterdam."

"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam vertrekken."

"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te vernemen?"

"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."

"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond."

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.

"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld."

"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet geweest was."

"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon lezen."

"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren?—waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...—ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."

"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren.... Apropos, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft opgedaan?"

"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet:—en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."

"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."

"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."

"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."

"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt hebben."

"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets dan goeds van mij zeggen;—maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen verschijn."

"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen:—maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."

"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"

"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."

"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen droomen.—Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."

"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg: en ik ging dus schertsende voort:

"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onzen zijn...."

"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:—en als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.

"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van halféén zijn."

"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed."

"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"

"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"

"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een water loopen, om u van dienst te zijn."

"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende:

"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat. UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."

"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?" viel ik in de rede.

"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar ik u toch niet ontloopen kan."

"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk."

"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden."

"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vroolijkheid beduidde.

"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen.... UEd. is er toch niet boos over?"

"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen."

"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."

"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje: "of kunt gij nogal tegen een nat pak?"

"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer warm?"

"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat."

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.

"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis, ratafia! wat gij begeert."

Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:

"Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak,

Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak:

Ook keurig porselein van China's verre kust

En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."

"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets naar hun gading kunnen vinden."

"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet waardig."

"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:

"Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest,

Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;

Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,

Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."

"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"

"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."

"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."—En dit was waar.

"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:

"De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld,

Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld:

Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit,

Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."

"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zou aantreffen."

"Wat zal men veel zeggen over een fontein?" zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen."

Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:

"Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed,

Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed.

Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten;

Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."

"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."

"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nimmer weer een pen op het papier."

"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."

"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leelijke val."

"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.

"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.

"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."

"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."

"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"

"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden! gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op de stoep vertoonden.

VIERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.

De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt. Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde coups de théatre, welke tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in enkele gevallen vrede heb met die coups de théatre, welke mij doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij te huis behooren.

Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen, ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke toestand over en weder een der aardigste coups de théatre opleverde, die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.

Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen, als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een schuldige daad wordt betrapt:—en, aan den anderen kant, de drie nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had, die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête zoo onverwachts gestoord werd.

De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden, de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen knop, en in de linker een regenscherm.

Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek, een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en nachtwaken, die toen, wat ook een laudator temporis acti moge zeggen, meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek, waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde marteaux, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde, terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes; maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof linnen en meer ouderwetschen vorm.

Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen schuld- en kustingbrieven;—maar meer dan één schilder, wiens voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde op een vliering woonde.

Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd verschaft,—zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen; schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën, beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en zomerhuizen.—Men had fraaie rijtuigen;—maar de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen worden. Men had boekerijen;—maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar, dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe kennis draagt:—en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;—dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie.—Want, waagde hij het, hooger tonen te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.

Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat, maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde. Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine douceur in geld, of wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze niet meer kreeg dan zijn bekomst;—het gansche huisgezin bestond er slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem bemoeiden, en de derde—een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om een praatje met hem te maken en hem te plagen.

Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding de lier van Apollo getokkeld hebben.

Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man; want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had. Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn slag te spreken,

Zijn kamizool, schoon 't van damast was,—

Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,

en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was. De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden, omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen was.

De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,

Verdadight met een dack

Van schilden (regenschermen) dicht gevoeght,

een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.

De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde, leverde een kluchtig en veelbeteekenond contrast op. Bij den ouden Heer Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden opgenomen.

Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van onder de tafel voor den dag gekomen was: en de jonge juffrouw ging haar oom een schrede te gemoet.

"Wij kwamen u halen, Mejuffer!" zeide de Heer Blaek, op een toon van ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder eenige de minste notitie van mij te nemen: "niemand wist waar gij heengestoven waart."

"Ik was ... ik zat hier te lezen. Oom!" antwoordde het lieve meisje, beurtelings rood en bleek wordende: "het regende zoo, en...."

"Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben," zeide Lodewijk Blaek met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij wierp: "maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt."

De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onvergenoegden blik en wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik, verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden, vooruittrad en hem voorkwam.

"Ik hoop, Mijnheer Blaek," zeide ik, "dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen den regen heb gezocht."

"Het staat voor de deur," mompelde Helding halfluid:

"Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden,

Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden...."

"Gij waart zeker bang," voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet, "dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen beveiligd zoudt zijn."

"Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen," zeide ik, zoo bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke gastvrouw toe, die het met een beleefde nijging aannam.

"En waart gij ook al aan 't borrelen, Nichtje?" vroeg Lodewijk, naar de tafel gaande en een der fleschjes opnemende: "mij dunkt gij hieldt hier open hof. Wat zeg je, poëet!" (tegen Helding) "heeft de maag ook een prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?"

Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand, totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.

"En heeft mijn nicht U genoodigd, hier te koomen schuilen, vriendje?" vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide regenschermen neder te slaan.

"Het is hier anders een besloten plaats," vervolgde de eigenaar van Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie vingers van zijn rechterhand in dompelende: "en geen herberg, waar iedereen zoo maar vrij mag inloopen." Dit gezegd hebbende, bracht hij de lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.

"Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen," antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den Heer Blaek: "overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is...."

"Ik vraag u niet naar uw naam," viel mij de oude Heer in de rede. Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; "maar mij dunkt, het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren, vriendje!"

Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven had voor Amsterdam.

"Ik dank u, Mijnheer Huyck!" zeide zij, met nadruk mijn naam doende hooren: "ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken."

Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide regenschermen op den grond vallen.

"O ho! is het een kennis van u, Jetje?" vroeg Lodewijk, na een oogenblik zwijgens! "wel, had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de bende van Jaco."

"Huyck! Huyck!" herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings aanziende: "is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien naam?"

"Ik ben zijn zoon," antwoordde ik, met een buiging: "heeft Mijnheer ook eenige boodschappen?"

"Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht," vervolgde hij, zonder op mijn aanbiedingen te letten: "Mijnheer is, geloof ik, uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in Holland niet is, dat jonge dames, wanneer zij; alleen zijn, bezoeken van Heeren ontvangen."

"Ik kom van de reis," hervatte ik, eenigszins geraakt: "en zie Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo onbescheiden niet geweest."

Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor poortsluiten binnen Naarden wilde wezen."

"Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek," zeide de Heer Blaek: "Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben."

"Ik heb mijn vuurslag vergeten," zeide Lodewijk, zich met onverschilligheid omwendende. "Helding! neem eens de moeite van die glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen."

"Foei!" zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): "dat is dameswerk: dat zal ik wel bezorgen."

"Ik ben het rooken buitenslands verleerd," zeide ik, en groette nogmaals het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:

"Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou wezen. 't Is een verkleede fielt, die zien komt of er iets van zijn gading is."

Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel, wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat zijn nicht betrof, 't zij; uit verlegenheid, 't zij uit onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te erlangen, was in rook vervlogen.

De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond. Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk;—maar ik had zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, 't zij op het fraaie weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met verrukking dacht ik aan het lieve gezichtje, aan de zoete, welluidende spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met wrevel en misnoegen aan de zotte rol, die ik, naar mijn meening, tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster—en geenszins aan eenig behagen dat zij er in schepte.—Dan weder vroeg ik mij af, wat mij toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en misschien nog schooner dan deze: maar nooit had eene daarvan zulk een indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting?—Maar zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in 't kort, een romanheld te worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatste niet verre af, om die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.

Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond, verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had voorgesteld het middagmaal te houden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.

"Wel dat treft nou ongelukkig!" riep de waardin, na mijn schoenen bij het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van een aldaar gehouden middagmaal: "dat is jammer, koopman! dat je nou geen amerijtje vroeger 'ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn huis hebben met 'epakt."

"Zoo!" zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden aangerekend: "waren dat zulke schrokkers?"

"Dat wil ik nou justement niet zeggen," antwoordde de vrouw des huizes, terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene vlieg, die er op aasden: "de jonge vrijster althans heit bijkans geen mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware."

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden mantel droeg?

"Een kerel as een boom," antwoordde zij: "en dien ik niet graag alleen in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,... maar met dat al mot je geen honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op weg 'ehad! 't Zel de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen 'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar wagens na van een kampje, dat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens 'eschuild, koopman?"

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht was.

"Op Guldenhof!" herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende: "een mooie plaats, hè? Ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat men zoo bij hem oploopt."

"Ik ken hem slechts van aanzien," antwoordde ik: "ook heb ik niet in huis, maar op den koepel geschuild."

"Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten!—Niet, of 't is een weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad heit;—maar ik wil maar zeggen—hij ziet niet graag menschen bij zich: hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun, en een mild heer, dat beloof ik je.—Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden samen:—Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!"

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen, schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn nieuwsgierigheid opgewekt.

"En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?" vroeg ik.

"Dat 'loof ik niet, koopman!—Dat jonge Heerschap is zoo wat los en liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af aan den ketting te liggen."

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude, was mij hoogst onaangenaam geweest;—doch de gedachte, dat hij zulk een verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.

"Nou!" vervolgde de waardin: "ik ken 't me wel begrijpen: het meisje heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal poppie: hij kan wel wat beters krijgen!"

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zonde, mij voor het venster plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet: althans zij had de tafel opgeruimd en verliet mij, met de belofte in een ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijks spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje, wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op een wanstaltige wijze nabootsten.

Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den kant van Soest kwam aangetreden:—en terstond herkende ik in dien persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had verwekt.

Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk kamertje gezeten was! "Mits nu maar," dacht ik, "de waardin dien niet hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en zijn dochter had willen doen spijzigen!"

Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking wenschte te komen.

"Nou! ik 'eloof het wel!" zeide de waardin: "'t is een ongemakkelijke kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries;—maar hij zel zich nou stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist beneden was:—zij spreken ondertusschen een rare taal: maar die ik liever niet hoor dan al: 't is Duitsch [3] en toch geen Christenziel kan 't verstaan: 't is net dieventaal."

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en begon niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen. Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken, totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op, liep wrevelig de kamer op en neder, begon ma eindelijk verwijtingen te doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over mijzelven.

"Kom!" dacht ik: "waarom niet moedig de deur uitgestapt?—Misschien ziet mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, 't is niet gezegd, dat hij nu juist weer twist zou zoeken."

"Maar neen!" vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had aangevat, weder loslatende: "schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat, handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle hond."

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was. Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden: het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen, die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich ver genoeg te verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeilijk maakte, als ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen, en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte. Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde, dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden, die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden, dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn makker.

Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort, daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik, met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: "hei! ho hè wat! goede vriend!" riep ik: "gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet oppast."

"Wat is er?" riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: "wat wou je?"

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was op mijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman, waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.

"Sta, Kees!" zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde; want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: "dankje wel, koopman!" vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite loswurmende.

In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk al naar Naarden gebracht had.

"Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn," antwoordde hij: "ik heb ze aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden.—Maar, wat scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt veur je beleefdheid."

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog toe: "je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi Kees! vort pért!"

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen;—maar de veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerlijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen;—over Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen:—en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre, wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der 's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt. "Voorwaar!" dacht ik, "mijn goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide kuiert ... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie binnengekomen;... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet."

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene rustplaats scheen te behooren.

Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren, gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid: waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest, dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen, hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan. Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en kende zelfs, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.

Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien koralijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit en te gelijk een geritsel van takken, alsof iemand zich een weg door de struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met den uitroep "annemekanneme meêsamen!

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen geven, als: "wij deelen het gevondene te zamen:"—en, wat mijn ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

"Wat ik begeer!" herhaalde hij met een hoonenden lach: "wel! niet meer, hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb ze al zoo noodig als jij."

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld, maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de minste verdachte beweging die hij maakte: "al wat gij zegt moge waar zijn," zeide ik: "maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te brengen!"

"Ei! ei!" zeide Andries, een spottend gezicht zettende: "terugbrengen! wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren."—En dit gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.

De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker, maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te ontkomen.—De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep mij de ander in den kraag.

"Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt," riep Andries, toesnellende: "hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien, nou hij voor drie ankers leit."

"Verroer u niet, of het gaat er door," duwde mij Haentje te gemoet, in wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en meteen zette hij mij een mes op den strot.

"Kom Koopman!" zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: "laat u raden: alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig voortwandelen."

Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich had uitgedrukt, voor drie ankers vast. "Indien het niet anders kan," zeide ik, "neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten."

"Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt," zeide de Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zonde aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een verjaringsgedicht was komen opzeggen: "en daar gijzelf niet rijk schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik te bekomen."

"Niet rijk!" herhaalde Andries: "zoo meteen is hij nog op onze eigene kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt—ik heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan; want dat doet er niet toe ... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater zou komen ... en mijn woord moet ik houen, weet je.".

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het oog met ongerustheid op den in 't zwart gekleeden roover, tot wien Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag samentrekken en op een korten gebiedenden toon hoorde zeggen: "kent gij hem?—In 't bosch dan met hem!"

Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten mij tegen de hoogte op en door de struiken.

Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snijden, die hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op, en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

"Waagt het niet, mij te naderen," riep ik, mijn stok, dien ik altijd was blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.

"Laat die gekheid varen," zeide hij, op mij aanleggende, "of het gaat er door."

"Maak maar gerucht," hernam ik: "de justitie is u al op 't spoor."

"Hij heeft voorden duivel gelijk ook," hernam de Zwartrok, lachende, en stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij zich: "maar, het zal hem weinig baten." Dit zeggende, haalde hij een kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: "moord! moord! dieven!" maar het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg, mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding, zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep de hoofdman met opgeheven staal mijn redder tegemoet.

"Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?" vroeg deze, zonder zich te verroeren, en hem strak aanziende.

"Is het wel mogelijk!" zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: "zijt gij het zelf, Kapitein! of is het uw geest?"

De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een wenk op zijn plaats blijven.

"Is dat uw handwerk tegenwoordig?" vervolgde de Roodmantel, op een verwijtenden toon: "moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder mij gediend heeft?"

"Ja, Kapitein!" zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn hoed tusschen de handen wrijvende: "wat zal ik u zeggen? 't Is een slechte tijd, en...."

"Geen woord meer!" hernam de vreemdeling: "neem uwen makker op, zoo hij niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat beloof ik u."

De roover zette, zonder een letter te antwoorden, den hoed weder op het hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

"Voor den d....!" zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden blik aanziende: "zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens de volle laag te geven?"

"Ja!" zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: "ik begrijp niet...."

"Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels die gij zijt," zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: "gij ziet den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet, waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal u beenen maken."

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende, trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons gezicht.

"Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?" vroeg de roover, zoodra zij vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

"Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben," vervolgde hij: "mijn adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te Amsterdam."

Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij:

"Ik heb mij daar mooi verpraat," zeide hij: "maar!" hier werd de toon zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en welluidend was, weder kort en scherp: "Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd, voorzichtig te zijn."

"Ik zal dat alles wel schikken," zeide mijn redder. "Maak maar, dat gij nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben."

De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.

[3] Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel. We praeten ummers allemael Oprechte zuivre Duitsche tael. Noot van den Uitgever.

ZESDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN ZIJN HART TE VERLIEZEN.

Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."

"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."

"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en...."

"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.

"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.

"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."

"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.

"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom gered"—en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringe douceur voor de genomene moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.

"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen dienst kan zijn...."

"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen."

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze:

"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."

"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet vergezellen...."

"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen."

"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten de poort een vrij goede herberg is, Jan Tabak of een dergelijken naam voerende;—zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."

"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.

"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."

"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te komen.

"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende, die in de modder was blijven steken.

"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom gij mij den titel van Kapitein toekent?"

"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam ik.

"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: "maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft, zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt gij het, Vader?"

"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op, Mijnheer!... waar is de oude Martha?"

"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."

Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."

"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen." Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

"Uw Heer vader," zeide ik, "heeft mij zooeven het leven gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.

"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."

"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn."

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond. "Wie weet," dacht ik nu, "of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag, niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk, dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte, om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn, een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal."

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten, hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was. Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel, aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen hoorde. De grendel week en de dochter mijne gastheers stond voor mij, met een glas water in de hand.

"Mijn vader heeft mij alles verhaald," zeide zij, met een eenigszins ontstelde stem; "wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken ... en ik geloof, niet ten onrechte: maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van."

Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

"Neem het maar," vervolgde zij: "'t is klaar water, waarin ik eenige droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien hebben wij niet."

Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame teugen ledig.

"Te veel goedheid!" zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas kletterden: "inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis veroorzaakt heeft."

"Men zou van iets minder kunnen ontstellen," zeide zij; "althans wanneer men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went aan alles," voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

"Hoe, Mejuffer!" zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn vraag den draad van het geheim machtig te worden: "is u ooit iets dergelijks overkomen?"

"Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard," antwoordde zij: "het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg om iemand schrik aan te jagen."

"'t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan ieders oog onttrokken hield."

"Ach!" zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: "mijn vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren niet gedaan."

"Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben," zeide ik.

"Gave God," hernam zij, "dat wij daarvan slechts in den verleden tijd mochten spreken!"

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog. Ik wist ook niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd kunnen geacht worden, het gesprek geheel te laten vallen: en ik waagde derhalve de volgende vraag:

"Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet."

"Helaas! Mijnheer!" antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel roerde: "wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen."

"Niet, Mejuffer!" zeide ik: "dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te veroorzaken."

"Verschoon mij," hervatte zij, zich herstellende: "mijn vader heeft u, geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is. Integendeel," voegde zij er fluisterend bij, "ik ben overtuigd, dat hij u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze veiligheid."

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat ik geenszins de dupe der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

"Het spijt mij, Mejuffer!" zeide ik, "dat uwe woorden mij bevestigen in een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden."

"Verraden!" herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag schitteren van verontwaardiging: "indien hij u daartoe bekwaam had geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen verraden?... maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit te leggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in 't ongeluk atorten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der gastvrijheid eerbiedigen zult."

"Mejuffer!" antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs lieten als ik bij den aanvang was: "gij zegt wèl, dat ik, al wilde ik ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen, dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans uw verlangen is;—zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven gered heeft?—Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren, genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou uitmaken."

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

"Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft," zeide zij, weemoedig het hoofd schuddende: "en voorzeker zou ik mij kwalijk geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen."

Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

"Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten," zeide hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport lager op de maatschappelijke ladder staat: "ik had beneden nog iets te verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken ... immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen," voegde hij er met een bitteren lach bij.

"Ik weet niet, wat ik voor het oogenblik zou kunnen verlangen," zeide ik, "of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg heb opgedaan."

"Ga een waschkom halen, Amelia!" zeide de Heer Bos: "en een kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is ... of, hoe kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak."

De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had toegestoken. Onder het schuieren trof iets blinkende op de keerzijde van den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd; immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht, op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en reikte hem toen aan haar over: "verbrand dit meubel," zeide hij.

"Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u nooit verliet!" riep zij, hem verbaasd aanziende.

"Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden dienaar te scheiden, al is het maar een borstel;—maar wij moeten niets overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog wat met dien Heer te spreken."

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel beschouwende.

"Zij is er niet in gesticht," zeide haar vader, haar naoogende: "en ik kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen: hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren ... ja te vernietigen;... maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik gehoor verzoeken."

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in de gemakkelijkste houding die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven vinden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

VERMELDENDE, WAT DE HEER BOS AAN FERDINAND VERTELDE, EN HOE DEZE PER SLOT NOG EVEN WIJS BLEEF, GELIJK OOK HET GEVAL MET DEN LEZER ZAL ZIJN.

"Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!" zeide mijn gastheer na eenige oogenblikken stilte, "dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de pijnbank hebt gezet om uit te vorschen, wie ik toch eigenlijk ben en wat ik met u voorheb."

"Indien dit al zoo ware," zeide ik, "geloof ik van mijn kant te mogen zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij toeschrijft, te rechtvaardigen."

"Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust naar vereischten te voldoen."

Ik keek niet weinig op mijn neus; want nu bleef ik even ver als te voren: "wat drommel kan de vent van mij willen?" dacht ik bij mijzelven; "zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?"

"Mijnheer!" zeide ik: "ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden, mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen, dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert."

"Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, Mijnheer Huyck! ik geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die mij de volstrektste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder trouw.—Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de mogelijkheid zoudt bevinden, dia te bewaren."

"Ik begrijp niet," zeide ik, "wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord gestand te doen."

"O! Ik begrijp dit des te beter!" hernam hij: "en het zal u straks wellicht mede duidelijk worden;—doch ter zake:—want het is niet om u bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed, daarmede onbeschroomd voor den dag te komen."

"Ik zal de vrijheid nemen," zeide ik, "UEd. te doen opmerken, dat die betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren.—Wat verder?"

"Gij zijt een letterknecht," zeide de Heer Bos; "intusschen, uw opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog iets zeggen."

"Slechts dit wilde ik er bijvoegen," zeide ik: "dat ik bereid ben UEd. alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of tegen mijn plicht strijden."

"Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige restrictie," zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: "Jammer maar, dat men, wanneer het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng worden;—doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult. Luister!—In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt."

"Maar," vroeg ik, "welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?"

"Daar hebben wij al zwarigheden," zeide mijn gastheer, niet zonder eenige bitterheid: "kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te vragen?"

"Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben toegedragen," zeide ik, droogweg: "doch in dit bijzonder geval wil ik u de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, 't geen waar is, als andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld verhale."

"Aan uw vader!" herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij zijn stoel verzette. "Het aan uw vader verhalen?—Is dit kinderpraat of mannentaal?—Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen Amsterdam doe sleepen?—Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?"

"Geloof, Mijnheer!" zeide ik, "dat ik mijn vader genoeg ken, om te weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft afgezien."

"Gij zijt een braaf mensch," hervatte de Heer Bos, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: "ik weet, ik kan u niet beletten aan uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit dilemma wil ik u slechts ter overweging voorhouden:—uw vader is Hoofdschout, en als zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen, en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een pugna officiorum noemt, doen ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te doen vatten, dien hij, als de redder zijns zoons, uit dankbaarheid liever sparen zou?"

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem voorschreven.

"Daarentegen," vervolgde de Heer Bos: "zoo gij zwijgt, blijft uw geweten en—dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen, daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te hebben zijn plicht te volbrengen."

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen van mijn gastheer te moeten voldoen.

"Het is wel," zeide ik: "ik beloof u, geen melding van het voorgevallene te maken aan wien het ook zij; doch onder een uitzondering, welke, zoo ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij dat, indien het in zijn vermogen is."

"Deze voorwaarde is zoo billijk," zeide de Heer Bos, "dat ik die niet slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om ingeval ik eens buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden), hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten.—Dit punt alzoo afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die van het eerste."

"Ik ben verzekerd," dacht ik bij mijzelven, "dat deze Heer Bos een bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen."

"Na hetgeen ik vroeger gezegd heb," vervolgde hij, "zal ik u niet behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen, zonder gevaar te loonen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen: een commissie, waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd;—doch de groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?"

Ik keek eenigszins vreemd op. "Wel Mijnheer Bos!" zeide ik; "er vaart immers om de twee uren een volksschuit van Naarden op Amsterdam: en er zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat...."

"Dat weet ik," hernam hij: "maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de passagiers, die hun verdacht voorkomen."

"Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen gerangschikt worden," zeide ik.

"Gij bedriegt u.—Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen, heb ik die krabben wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken: maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat doel wilde ik u voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te brengen."

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen. Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij aangrijpende.

"Mijnheer!" zeide ik, "het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft UEd wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te voorkomen?"

"Ik zei," zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover op zijn stoel werpende, "dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet volkomen strookt. Zeg liever ronduit: "ik doe het niet," dan weet men waar zich aan te houden."

"Verschoon mij," Mijnheer!" hernam ik, een weinig verlegen en denkende hem te bevredigen: "wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven; maar...."

"De kwade tongen!" riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem, welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: "wie heeft die meer te vreezen, mijn dochter of gij?—Wie zal er een jonkman te minder om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen hoop in het ruim gaat zitten? Neen, indien de laster zich aan een van beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal. Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet in 't openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche, wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen ... wat mij betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag."

"Mijnheer!" zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het onmogelijk zonde geweest zijn te stuiten: "ik herhaal u, dat ik bereid ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren:—en, vergun mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos."

"Geef mij de hand!" zeide hij, naar mij toekomende: "gij zijt een braaf jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze rondborstige bekentenis u vergenoegen zal;—ik ben nooit gewoon geweest, verschooning te vragen: en het zou mij spijten, u op een andere wijze voldoening te moeten geven."

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mijzelven te lachen over de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die zoude sluiten met een geregeld duel tegen mijn bevrijder.

"Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen," zeide hij: "vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde, zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet tot de zaak niets af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, die van mijn persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan.—Mocht men eens naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op reis bewezen hebt, welke ieder welopgevoed man aan de zwakkere sekse verschuldigd is."

Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met moeite zou redden.

"Mag ik nog eene vraag doen?" zeide ik ten slotte: "is Mejuffrouw Bos reeds van het gemaakte plan onderricht?—en stemt zij er gaaf in toe, zich aan een onbekende te vertrouwen?"

"Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders," antwoordde hij: "en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid dezer schikking ingezien;—doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf kunnen vragen; want ik hoor haar komen. 't Is of zij geraden had, dat de zaak juist beklonken was."

"Mag men binnenkomen?" klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

"Brengt gij het licht met u?" vroeg haar vader.—Wij hadden het wel noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.

"Het licht en het avondeten," antwoordde zij.

"Wacht dan een oogenblik," hernam de Heer Bos: "dan zal ik eerst de blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen genoegzame voorzorgen nemen."

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in. Zij droeg in de eene hand eene flesch, waarop een aangestoken kaars stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel, welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van verschillend fatsoen bevonden.

"'t 'Zelschap zal zich motten behelpen," zeide laatstgenoemde, terwijl zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van de trommel. "We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen: niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof ik; maar die heit Mevrouw achter 't slot."

"Aha!" dacht ik bij mijzelven: "'t is dus een Mevrouw, aan wie deze woning behoort. 't Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt."

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar. Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in 't gezicht en opeens begon zij over al haar leden te beven.

"Heilige Maagd!" zeide zij: "is het mogelijk!..."

"Wat is mogelijk?" vroeg de Heer Bos: "kent gij dien Heer?"

"Waarlijk!" antwoordde zij: "ik weet niet ... maar die Heer lijktent zoo sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren geleden.... Maar het kan toch niet wezen. Immers...."

"Kom, oudje!" viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het gesprek niet beviel: "gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag voor 't eerst in 't land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze denkbeelden uit uw gedachten."

"Nou!" zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden begaf: "er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend de jonge Heer...."

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden, zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen. Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende vraag:

"Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen."

"Zij had haar man tot haar bescherming," antwoordde de Heer Bos: "en sedert deze onlangs overleden is,... gij ziet zij draagt nog den rouw over hem ... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in de kroegen en dobbelhuizen."

"Mijn hemel!" zeide ik: "wie weet of haar zoon niet dezelfde knaap is, die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden."

"Licht mogelijk!" zeide de Heer Bos, al lachende: "in dat gevat heb ik hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder mij bewijst: doch dan mogen wij ons tevens geluk wenschen, dat hij van huis is; want een soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal hedenavond nog eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn."

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij op de tafel nederzette. "Ziezoo!" zeide zij: "als de Heeren nu maar plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan."

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de Juffer, die tot mijn reisgenoote voor den volgenden morgen bestemd was, eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote donkerbruine oogen benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid, van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien, ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone, waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden hadden kunnen teweegbrengen:—ik twijfel er echter niet aan (want zoo loopen de opvattingen en gewaarwordingen uiteen), of een ander jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers voorzien, en bekranst met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen, even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter volkomen op dien haars vaders geleek), van de fijne lippen en van de gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht geschonken had, zoo kon ik bij een brunette de melkwitte blankheid niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone blondine uitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan het anders gladde voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in 't hart geworteld leed te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.

Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten zweem van opschik aan, terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van de fijnste stoffage, maar getuigde bovendien de snede van keurs en mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te weten. Hij droeg een blonde pruik, die waarschijnlijk een deel zijner vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN MEER GEREDENEERD DAN GEDAAN WORDT.

"De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Amelia!" zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

"Het zal namelijk zijn," voegde ik er bij, "indien de Juffer er niet tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken."

"In het minste niet," zeide Amelia: "wij zullen dan maar wat vroeger van hier gaan."

"Het zal," zeide ik, "aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van vertrek te bepalen: want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van hier naar Naarden te wandelen."

"0!" zeide de Heer Bos, "in een klein half uur kunt gij er op uw gemak zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat."

"En moeten wij," vroeg ik lachende, "dien fraaien hollen weg dan weer door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos."

"Dat behoeft juist niet," antwoordde hij: "wij hadden dien heden ook niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel dat de modderige landweg den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zonde als het zandpad door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt."

"Hoe!" riep ik uit: "heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede moeten doortrekken?"

"Dat niet alleen," zeide de Heer Bos; "maar nog wel, evenals ik, beladen met pak en zak;—want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia nog wel op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër, gaandeweg geledigd werd."

"'t Is waar," zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: "mijn vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield."

"Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven," zeide ik, "wanneer ik denk aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft."

"Mijn vriend!" zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: "indien de gedachte aan het leed mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene spijs meer genuttigd hebben."—Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben, hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

"Kom!" zeide hij eindelijk: "wij moeten hopen, dat deze bedroevende staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen, Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar hij er de aanleiding niet van verstaat."

En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met allerlei slag van lieden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren graad van menschenkennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans, geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde hoe ik het gedurende den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

"Guldenhof!" herhaalde Amelia: "is dat niet die fraaie plaats aan de andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost."

"De Heer Blaek!" herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna terzelfdertijd: "is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk buitengoed?... Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem gekend heb: want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke goederen:... dan: waarover verwonder ik mij?" vervolgde hij, als tegen zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde: "ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige verbazing te toonen."

"Zoo ik wel onderricht ben," zeide ik, "heeft de Heer Blaek een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen."

"Hij?" zeide de Heer Bos: "gij verwart hem met zijn broeder, die werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende, het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een wezenlijke smart veroorzaakt heeft."

"Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?" vroeg ik, niet zonder deelneming: want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon mij niet anders dan belangrijk zijn.

"Hij was een braaf en beminnelijk mensch," zeide mijn gastheer, blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te ontwijken: en terstond vervolgende: "hij heeft een dochter nagelaten: leeft zij nog?"

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd: misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een gemaakten lach: "voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen sprak, was zij nog in blakenden welstand."

"En is zij nog niet gehuwd?" vroeg de Heer Bos al verder: "mij dunkt eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken."

"Gehuwd is zij niet," antwoordde ik: "en meer weet ik er niet van, daar ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer;—maar ik stem volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan."

"De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen," zeide mijn gastheer: "maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen zijn. Het hindert mij toch," vervolgde hij, de kruimels van zijn roksmouw afknippende, "dat ik mijn ouden borstel moet missen."

"Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?" zeide Amelia, terwijl haar wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk gelijkgewreven.

"Ik dank u, Amelia!" zeide de Heer Bos, met aandoening: "waarlijk! het is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar ... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede houden.—Waarlijk!" vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende: "ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken. Ben ik niet evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen ontmoet hebben?"

"UEd. zal mij de opmerking vergunnen," zeide ik, "dat, gelijk deze borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd, datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten."

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen; maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren Blaek hadden, naar 't schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt:—maar nu was opeens die uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam het nog meer ontsieren."

"Hoor!" zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: "de diensten, welke ik gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men er mij veel dank voor wist."

"Vader!" zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde scheen te verwijten.

"Gij hebt gelijk, mijn kind!" zeide hij: "en ik handel dwaselijk, door aan zulke denkbeelden toe te geven... zoo de Heer Huyck het goedvindt, zal ik hem zijn slaapstede toonen."

Deze laatste woorden sprak hij weder op een zeer natuurlijken en hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet de kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

"Ik denk niet," zeide hij, mij op een nauwe bedstede wijzende, die zich aldaar bevond, "dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij zult het moeten nemen zooals gij het vindt."

"O! zeide ik: "maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u: Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht noodig om mijn slaapstede te vinden."

"Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in 't donker kunt uitkleeden, zal ik aan uw verzoek voldoen," zeide mijn gastheer, en mij een goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende, kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te ontkleeden.

En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel bedekte; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten: haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën ongedekt:—en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken, dat het uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld. De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of van de oude Martha moest toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelven en de onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had, die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven, gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige Henriëtte Blaek: ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest, welke ik den Heer Bos gedaan had, en de moeilijkheden, welke voor mij zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid, waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte eer van zijn bezoek geven zou.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde dat zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten, die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.

Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede. Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen, en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste jonge meisjes luchtig en onbezorgd ronddansen, en rozen strooien op de vonken, die onder haar voeten opspatteden. Opeens deed Andries, die een ijzeren geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat sleepte, een afgrijselijken vloek hooren: alles verdween voor mijn oogen, en ik ontwaakte.

Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen twijfel meer aan zijn: het was Andries, die weder te huis kwam.

De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjes als ik kon uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er volgen zou. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon hoorde toeroepen: "daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in huis: ik mag je niet opendoen: zie maar dat je in de schuur terecht komt."

Ofschoon mij deze woorden eenigszins geruststelden ten opzichte der voornemens van de moeder, bleef ik echter niet zonder zorg, of zich de zoon wel daaraan zoude storen. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij ten blijk strekte, dat zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.

Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een geruimen tijd stilzitten, toen naderde ik het venster, opende het met zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in, die mij van buiten tegenstroomde.

Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel, dat zich voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen bevonden, had gehad, was beperkt: het raam, waar ik nu voorstond, opende zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had: een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had, verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels bedekt met de paarskleurige heide, waarlangs de witgewolde kudde reeds hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid, mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan, deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

"Het is tijd!" zeide hij: "het spijt mij zulk een aangename rust te storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen misloopen."

"Gij ziet," zeide ik, opstaande, "dat mijn toilet geene groote moeite zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik ben tot uw dienst."

"Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt," zeide de Heer Bos, mij op de tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had neergeplaatst. "Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt."

"Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen," antwoordde ik, en verhaalde hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar: alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.

"Ik verwachtte niet anders," zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geëindigd had: "en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven."

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: "alles is in orde," zeide hij: "Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden.—Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen."

"Ik weet niet," zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, "of Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken."

"Het is mij nog vroeg genoeg," zeide ik: "en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen."

"Welaan dan!" zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, nijgende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

"Wij danken u voor uw herbergzaamheid," zeide de Heer Bos: "vergeet niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt."

"Ach!" zeide zij: "met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad."

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: "zoo al de slaapplaatsen zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne," dacht ik, "zal zeker het opredderen niet veel tijd kosten."

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

"Mag ik u niet van die moeite ontslaan?" vroeg ik hem; "daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage."

"Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen," zeide de Heer Bos: "ik ga niet met u tot Naarden."

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield.

"Hier moeten wij scheiden," zeide de Heer Bos: "dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt."

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

"Wat u betreft, Mijnheer!" zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende: "ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen."

"Is er niets anders dat ik voor u doen kan?" vroeg ik hem terwijl ik zijn handdruk beantwoordde.

"Voor het oogenblik niet:—ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;... doch het zij zooals het wil!... alleen dit nog!... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige dochter:—wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensen te kiezen."

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Naarden.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.

In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kop koffie en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F. Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten,—maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, en in dien persoon dengenen herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. "Daar beginnen de wederwaardigheden al!" dacht ik bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

"Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?" vroeg Lodewijk, mij slechts terloops aanziende: "o vergeef mij!" voegde hij er bij, mij herkennende: "ik dacht dat het de kastelein was.—Mijnheer Huyck! ik wensch u goeden morgen."—Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: "en reist de Juffrouw zoo alleen?" vroeg hij: "in waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde.—Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan," (dit laatste was ik volkomen met hem eens) "en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen."

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. "Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden," dacht ik bij mijzelven, "wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest?" Deze gedachte belette mij te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

"Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft," enz. enz. Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun tête-a-tête had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan "ja Mijnheer!" of "neen Mijnheer!" Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

"Mijnheer!" zeide hij tegen Lodewijk: "een glaasje cognac als 't UEd. belieft: Mijnheer!" (tegen mij) "als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden."

"Hoeveel ben ik u schuldig?" vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was opgestaan.

"Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...." zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

"Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed," antwoordde mij de waard: "twee kommetjes koffie en twee boterhammen....?"

"Twee!" herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

"Wel ja!" zeide deze: "Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?"

"Voorzeker!" zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: "als UEd. gereed is!" vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

"Nu begrijp ik het!" zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

"Heureux mortel!" voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. "Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?"

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: "Mijnheer!" zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: "ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haar familie (met nadruk op het woord familie) heeft mij verzocht, daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw dienaar te zijn."

"Goede reis samen," zeide Lodewijk: "en ik hoop dat de familie van de Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn," voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten.

"Whelkom, meneer Hijk!" zeide Simon: "phen je nog 'ier? Me dacht, je zat hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden? Niet?—Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid?"

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik met Amelia in de roef ging zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

"Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld."

"Mijnheer!" antwoordde zij, "ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt."

"Uwe goedheid," zeide ik, "behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden, hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen."

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

"Ik hoop," zeide zij, "dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen zal tevreden stellen.—Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter," voegde zij er bij, "moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen toestand, waarin ik mij bevind."

"Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette," was mijn antwoord: "maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wilde beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke plichten, zich aanbevelen door een heuschen beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren."

"Ik twijfel er niet aan," zeide zij: "het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die zalige ontmoeting.... terwijl ik!... maar verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?"

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over—, en—o spijt!—zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette:—de Heer Blaek had mij niet opgemerkt;—maar Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen.—Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan;—en wat toch moest zij nu van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik alleen naar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien:—en ik zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren.—Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn nicht.—En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van le phlegmatique Hollandais gegeven hadden, zou zoo op een bof verlieven!—Onmogelijk—en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen trillen.—Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar, en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij onedelmoedige wijze... voor Sint-Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel, om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat "haar tranen haar schoonheid nog verhoogden," en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hardvochtigheid te vermijden. "In 's Hemels naam, Mejuffrouw!" voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: "wat ik u bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen."

"Vergeef mij,... o vergeef mij,... Mijnheer Huyck...." zeide zij al snikkende: "ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle... maar het zal ras weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed:—ik heb in jaren niet geschreid."

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

"Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiffenis.—Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen:—laat dien titel, waarop ik mij verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thans op het hart drukt."

"O neen! vraag het mij niet," zeide zij, de oogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: "gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;... en toch!" vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: "waarom zou ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geéne hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die vroeger ... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen ... door honderden gediend en vereerd werd... die den geringsten smaad mij aangedaan door den dood des beleedigers zou hebben zien straffen ... dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te blozen heb ... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet ... vergeef mij ... zich schaamt, gelijk een schuldige zou doen ... dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!"

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg: want wat kon ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart, die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.

"Ik beken u," zeide ik, "dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende."

"Mejuffrouw Blaek!" herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij vestigende: "ik dacht zoo;—maar, ik ben u in de rede gevallen: verschoon mij: ga voort, bid ik u."

"Ik was dit te meer," vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groot vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat...." Hier bleef ik steken.

"Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet," zeide Amelia: "maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u ontmoetten."

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

"Mejuffrouw!" zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek willende geven: "gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig: dat ikzelf misschien niet zoo goed in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken."

"Ik heb nog liever, Mijnheer!" zeide Amelia, "dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst."

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
15 January 2025
Volume:
780 p. 1 illustration
ISBN:
4064066068578
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books