Read the book: «Rhandensche Jongens»
J. Lens
Rhandensche Jongens

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403508
Inhoudsopgave
Omslag
Titelblad
Tekst
I. We maken kennis met Rhandensche Jongens en met Rhanden.
Hè, wat was het nu echt in de school!
't Zonnetje zette buiten alles in gloed, en door de ruiten zag je, hoe de boomen in de lekkere lentelucht stonden te trillen van genot. De kastanje-knoppen zwollen en spreidden hun teere groen voorzichtig uit. Door de beuken ritselde het; 't oude loover viel nu af en de gladde stammen blonken.

Daar hoorde je den lijster alweer; die zat zeker in zijn eentje te zingen! Van den weeromstuit begon de kanarie, die in zijn kooi voor 't middelste raam van het lokaal zat, ook te kweelen; zijn snaveltje schuin omhoog, zong hij zijn lente-verlangen zachtkens uit.
"Meneer, mag het raam open?" vroeg Koos Venema.
"Best, Koos, doe het maar even!"
Het middelste raam werd opengezet, en de heerlijke lentegeuren drongen binnen, tot de uiterste hoeken van het lokaal.
Ze keken op, de kinderen, en wachtten even.
"Meneer, 'k heb alweer zwaluwen gezien! Bij Theunissen, onder het dak van den stal", zei Jan Arps.

"Zoo? Nu, ik ben benieuwd, of we ze hier ook weer tegen de goot krijgen. 'k Hoop het, want we hebben ze nu al twee jaar achtereen gehad, en 't geeft een heele gezelligheid..."
"Maar je moet voorzichtig zijn, als er jongen in 't nest zitten!" De opmerking kwam van Theo Maalders, een gezelligen dikkop, die de wereld vroolijk inkeek van achter zijn brilleglazen.
'n Paar jongens begonnen te lachen. Ze herinnerden zich de historie nog, van verleden jaar. Ze hadden staan knikkeren. Theo leunde tegen den muur. Hij wou zuinig wezen op zijn nieuwe pak, dat hij voor 't eerst aanhad. Boven zijn hoofd waren de jonge zwaluwen aan het babbelen. En toen hij opkeek, daalde er juist wat van boven neer, dat hem een mooie medaille gaf op zijn linkerborst. Ze zagen hem nog staan kijken; eerst onbeholpen. Toen had hij ineens dien sulligen Henk Staden aangeklampt.
"Toe, jô, haal eens af! 'k Hoef daar niet te zaaien!"
"Waarmee?"
"Wel natuurlijk met je zakdoek!"
En die goeie lobbes van een Henk had z'n eigen zakdoek uit den zak gehaald en Theo zijn eereteeken ontnomen.
De geschiedenis werd opgehaald, en meneer moest er om lachen.
"Jij spreekt dus uit ervaring? Nou, ondervinding is de beste leermeesteres, zei mijn moeder altijd; en die wist het! Jou zal 't niet makkelijk voor de tweede maal gebeuren, dat je vlak onder een zwaluwen-nest gaat staan!"

Een vroolijk gelach klonk op, ten koste van Theo nu, die met het nuchterste gezicht van de wereld zat te kijken, net alsof het hem niet aanging. "Kom, jongens, de sommen roepen! Pakt aan en..."
"Sta vast, meneer!" vulde ineens Jan Arps aan. "Allo, hurt bok! Daar gaat hij weer!"
En met een gemaakt-armzalig gezicht zette hij zich aan zijn sommen. Wie 't niet beter wist, zou denken dat hij een bloedje in rekenen was!
"Hoeveel àf, Jan?" vroeg meneer.
"Vijf van de zes, meneer."
"Allo, hurt bok, de zesde!" kreeg Jan zijn eigen woorden terug.
"Tot uw dienst, majoor! In vijf minuten."
En Jan begon met een ijver, of zijn leven er van af hing. Zijn kameraads wisten allemaal, dat het hem wel gelukken zou. De werkstemming was er dadelijk weer, behalve bij Koos. Die zat te draaien, op zijn pennehouder te bijten, in zijn boek te bladeren.
't Lukte vanmorgen niet. Die vervelende sommen! En dat het nu net zulk heerlijk weer moest wezen! Hij zou nu veel liever op zijn kar zitten, midden in het bosch. Of langs de smalle heipaadjes trappen, waar je al je rij-kunst noodig had om 't pad te houden. Als er een boer aankwam, die niet wijken wou, kon je nog afstappen ook!
't Was gek: den heelen winter had hij er best tegen gekund. Maar nu de zon zoo heerlijk deed, en er lente-geruchten in de lucht zweefden, kòn hij er niet bijblijven, hoe hij er zich ook toe dwong.
"Meneer, gaat u Woensdag mee fietsen?" vroeg hij ineens.
"Lukt het niet vanmorgen, Koos?"
"Och meneer, die vervelende sommen en dat mooie weer!"

"Ja maat, die komen niet bij mekaar, vind je? Toch zal 't moeten. Over dat fietsen praten we om twaalf uur wel."
Met een zucht begon Koos weer. Maar zijn gedachten waren buiten. Zouden er al kieviten in de Plassen zitten? En zijn meezenfamilie? Hoe of die het maakte?
Dat was zijn geheim, van hem en van zijn broertje Dirk. Diep in het bosch hadden ze een zelfgefabriceerd nestkastje opgehangen: een stuk berketak, dat ze met veel moeite hadden uitgehold. Ze hadden er een verscholen hoekje voor opgezocht; waren, om het te bevestigen, een heel eind een beuk ingeklommen. Dezen winter waren ze een paar malen gaan kijken: eindelijk was het door een meezenpaar bewoond! Koos had zonder daar Mops meening over te vragen, van Mop een vleezig beentje afgenomen, dat die uit de keuken had opgediept. Mop stelde het schijnbaar niet eens op prijs, dat hij mee mocht om het te brengen, en kon toezien, toen het werd opgehangen! Maar de meezen hadden de bedoeling des te beter begrepen.
Zouden er nu al jongen zijn? Nee — 't was nog veel te vroeg in 't jaar. Maar zeker waren ze reeds met de nestdrukte begonnen, vooral nu 't weer zoo mooi werd.

Woensdag moest hij er op uit — als meneer dan eens weinig werk opgaf — en dan met z'n drieën of vieren op de kar er van door! Ja, de hei was nog wel zwart. Hoe heerlijk moeten nu de berken met hun ragfijne loover staan te droomen in de zon! Hij zou vast zijn schetsboek meenemen, even een paar krabbeltjes er van maken.
Onwillekeurig ging zijn potlood aan den gang — hij vergat sommen en klas, en voelde alleen lentelucht, zag alleen lenteleven, hoorde meezen-gesjilp en 't zacht ruischen van den voorjaarswind door het ijle berkenloover.....
Een luid gelach wekte hem uit zijn gedroom.
Hij keek op, en bemerkte, dat hij de een of andere dwaasheid moest uitgehaald hebben. De boeken en schriften waren overal weggeruimd; alleen op zijn plaats lag alles nog in wanorde op de bank. Haastig greep hij naar zijn schrift, waar nu, inplaats van sommen, een teekeningetje was ontstaan.
"Dat wil ik graag van je hebben, Koos! Anders zou ik moeten denken, dat je je heelen morgen verdroomd hebt."
Koos, wat onwillig, wat verlegen, bracht het schrift.
"Wat moet er boven dat opstel-in-lijnen staan, Venema?" vroeg meneer een beetje strak.
"'t Hindert niet. Maar ik kàn die sommen ook niet maken!"
"Dus 'Lentestemming' b.v.?" vervolgde meneer.
"Ja, als u er bijzet: Van een tot sommen-maken veroordeelde", spotte Theo. Z'n oogen, achter zijn bril, zochten het onafgewerkte schetsje af. En gul, met een gemakkelijke bewondering, voegde hij er aan toe: "Toch mooi! nou! kon ik het maar zoo!"
"'k Wou het voor jou, Theo", plaagde meneer Theo, wiens beste vak teekenen nu eenmaal niet was. "En weet je, wat ik nog meer wou? Dat jullie die sommen allemaal goed maakten. Gerust er moet beter aangepakt worden."
Koos vond het toch vervelend.
"Toe, meneer, geef me dat ding liever terug. Als u Woensdag mee gaat fietsen, zal ik wel een mooier voor u teekenen....."
"Zou je nu niet liever eerst je bulletjes opruimen? Dat heb ik je al tweemaal gevraagd, maar Koos luisterde niet."
O, hadden ze daar zoo om zitten lachen? Ze konden ook nergens tegen.
Haastig bergde hij alles weg, en toen waren ze klaar. Een kort, hartelijk dankgebed, en ze konden gaan.
"Wacht jij even, Venema?" vroeg meneer aan Koos.
"Ook al goed", bromde die, weinig vriendelijk, en lusteloos ging hij weer naar zijn plaats.
Meneer kwam dadelijk bij hem.
"Zeg, chef, waar zaten je gedachten vanmorgen?"
"Overal, behalve bij mijn sommen, meneer", biechtte Koos eerlijk op.
"'k Heb het gemerkt; je was er heelemaal niet bij."
"Ik kòn niet, meneer! Met zulk weer kom je er niet aan toe om te werken", antwoordde Koos met eenigszins koddig aandoende berusting.
"Tut-tut-tut man! Jij bent toch zelf de baas? Je zegt toch zèlf, of je er aan toe bent om te werken of niet?"
Koos zweeg. Als hijzèlf het voor 't zeggen had, dan zat hij nu op de hei, of in 't bosch bij zijn meezen.
"'k Zal zien, of ik 't er Woensdagmiddag kan uitbreken. Dan gaan we een paar uurtjes zwerven in den Del. 'k Vind het heusch óók heerlijk, maar plicht gaat boven alles."
"Als je zoo oud bent als u mogelijk wel, meneer", bekende Koos. Maar hij stelde in de beloofde wandeling meer belang.
"Mogen we ècht weer met u mee?"
"Ja, ècht, als 't eenigszins kan. Maar dan doe je mij hetzelfde pleizier als de andere jongens: dan ploeter je er vanmiddag en morgenochtend op los, dat het een aard heeft. Begrepen?"
"Begrepen, mijnheer."
Koos' oogen straalden.
"Dan, ingerukt marsch!" commandeerde meneer, en hij trachtte een harde stem op te zetten en boos te doen.
In een wip was Koos er van door, naar huis toe, eten, en dan nog even zwerven op de fiets, eer ze vanmiddag weer zouden beginnen.
't Was een klein stadje, Rhanden, maar het had een eeuwenoude geschiedenis. Al lang waren de muren afgebroken, de muren, die maar een kleine oppervlakte grond hadden ingesloten. In een goed kwartier liep je het stadje in de lengte door, en 't was niet veel breeder ook. Maar buiten die eigenlijke kom had zich een dorpsgedeelte ontwikkeld, waar de arbeiders woonden en de keuterboertjes, en waar nog een paar groote boerderijen met niet meer gebruikte tabaksschuren de herinnering levendig hielden aan een vroegeren tijd van bloei. 't Was er gewoonlijk stil, behalve in de zomermaanden. Dan zwermden stadsmenschen op het stille plaatsje neer, en vulden de straten, de wegen, de lanen met hun vaak luidruchtig gedoe; dan toeterden de auto's langs den breeden straatweg, die zich als Hoofdstraat door het stadje voortzette, en het aan de andere zijde weer verliet. 's Zomers, vooral op de zonnige dagen, lag alles langs dien weg dik onder het hoogopgeworpen stof. Rustig lag, midden in de kom van Rhanden, de oude, grauw-begroeide kerk. Stond je op de Hucht, op een half uurtje van de kom vandaan, dan zag je die kerk liggen als een kloek tusschen haar kuikentjes. Want Rhanden zelf lag in een dal, dat alleen langs den rivierkant niet afgesloten was door hoogere gronden.
Het was een paradijs voor de jongens. Behalve markt en kerkplein, bood de stad zelf weinig ruimte om te spelen. Maar de eerste lag vlak bij het politie-bureau, en het tweede was bevloerd met kleine, puntige, gedolven keitjes. Als je daar kwam te vallen, had je meteen een buil of een gat in je hoofd. Aan die scherpe keitjes was het zeker te danken, dat het Kerkplein, behalve 's winters, als er sneeuw lag, altijd een aanblik van evengroote rust vertoonde. Met de markt was het, ondanks het politie-bureau, nog anders. Alleen als Sterkhouwer er de wacht had, konden zij er niet veel uitvoeren. Want Sterkhouwer vonden ze een "kwaaien". Hij was hoofdagent en had vroeger in Amsterdam gediend. Wat kon hij daarover opsnijden! "Dáár had je nog 's mooi werk; minstens elke week een paar dieven of zoo.... maar hier.... hier is 't een dooie boel; nooit wat te doen, dan met die kwajongens!" En als hij dat zei, dan keek hij die "kwajongens", die hij op den Bergweg of midden in het bouwland van den Enk ontmoette, aan met een paar oogen, dat ze er bijna bang van werden, ook al hadden ze juist nu niets op hun geweten.

Wanneer ze hem zoo, gewoon op de wandeling, tegenkwamen, dan was er in heel Rhanden geen beter mensch te vinden dan Sterkhouwer.
Maar o wee! als ze wat uitgehaald hadden! Hij kwam gemoedereerd bij ze thuis zeggen "dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan zat er een standje voor ze op! En Sterkhouwer, als hij ze de kamer van "meneer" binnenbracht, keek zoo nijdig, alsof hij wel voor beul wou spelen.
Koos Venema en Theo Maalders hadden het ervaren, en ze wisten ervan te vertellen!
Op een van hun tochten waren ze in de Lichterbosschen aan 't zwerven geraakt. Ze kregen geweldigen dorst. Daarvoor waren twee redenen: vooreerst was hun veldflesch leeg en dan waren ze vlak bij de buitenplaats Boschlust, waar prachtige appelboomen stonden. Nergens, in heel Rhanden en omgeving, vond je er zulke. Ze liepen 't openstaande hek door. Er was geen tuinman te bekennen. Toen maar verder. Misschien was er wel een vijver met lekker frisch water, maakten ze zichzelven wijs. Doch in plaats van bij den vijver, dien ze zochten, belandden ze in den boomgaard, dien ze niet gezocht hadden. Theo keek eens omhoog, mat den afstand, die hem van een paar heerlijke appelen scheidde. Ze praatten er niet veel over, maar in een minimum van tijd stond Koos op Theo's schouders en de appels verdwenen... tot ze opeens den tuinman zagen. Zij àf, door den tuinman gevolgd. Maar... op den Boschweg liepen ze Sterkhouwer in de armen, die juist buitendienst had.
't Gaf een bekeuring natuurlijk, en van Sterkhouwers kant een beklagen van ouders, die zulke "apen van jongens" hadden. Of het er voor allebei had opgezeten! 't Liep bij "meneer" op "'t bero" met een geweldig standje af, maar thuis kregen ze er meer over te hooren! En toen ze hadden ingezien, dat appels-kapen óók stelen is, ja, toen vonden ze zich, tegenover hun vader, niet zulke helden! Maar tegenover hun kameraden sneden ze héél wat op over Sterkhouwer en "meneer" en "'t bero". Sedert dien probeerden de jongens, vooral hun klassegenooten, zooveel mogelijk uit Sterkhouwers handen te blijven.

Den burgemeester kenden ze allemaal. Zijn middelmatige, stevige lichaamsbouw, zijn pittige oogen, die hij zoo geweldig in zijn hoofd kon laten rollen, en vooral zijn groote snor, gaven hem het voorkomen van een oud-officier. Hij boezemde den jongens respect in, en toch... ze mochten hem zoo graag nog eens nadoen!
Vooral Theo, wiens vader in den gemeenteraad zat, kon dat prachtig. Hij draaide zijn denkbeeldige, geweldige snorren op, liet zijn oogballen enkele malen naar alle ooghoeken rollen, en begon dan, met een geweldig brouwend geluid: "Inderrrdèd, mijne heerrren, het belang van de gemeente vrègt...."
Toch, hoe weinig ze hem persoonlijk ontmoetten, hielden de jongens wel van hem. In ieder geval was hij hun burgemeester, de burgemeester van het oude Rhanden aan den Rijn, en daar was niet zoo gering over te denken. In de waardigheid van zijn gang, in de deftigheid zijner manieren, in het gemaakte van zijn spreken, vertegenwoordigde hij het geslacht van oud-Rhandensche ingezetenen. Want voor den oud-Rhandenaar, was er eigenlijk maar één soort menschen: dàt waar hij toe behoorde. De anderen, nu ja, die mochten er wezen, maar het èchte, dat was het niet!
II. Hoe Jan zijn glorieuzer intocht in Rhanden deed, en wie er in 't huis van Ter Hoek kwam wonen.
't Bleef mooi weer, al weken aaneen. Er was bestendigheid in de lucht, alsof er nooit ander weer zou komen. In de tuinen was het dag aan dag bloemenfeest. Als reusachtige boeketten stonden de vruchtboomen in hun rijken bloei: wit met teer-rose. En 't blad ontplooide zich uit den knop en gaf een wazig lichtgroenen achtergrond aan al dat bloesem-mooi.
't Was prachtig zaai-weer geweest.
In den Enk, aan den Boschkant, in de Weerdes, overal was het druk, één en al beweging. De lijsters hadden het druk in de omgewerkte akkers, en in 't bosch was het één en al getjilp en gefiet en gekwetter, één vogeldrukte van belang....
Zwaar knarsend in de wielen, kwam een door twee logge, sterke paarden getrokken verhuiswagen den Hucht opsukkelen. 't Ging langzaam en met groote bezwaren. De vracht was te zwaar, zelfs voor de reusachtige dieren, die haar trokken. De koetsier schreeuwde en vuurde de dieren aan, zooveel hij kon. Om den wagen liepen een paar verhuisknechts; nu eens hadden ze de paarden bij den teugel, dan weer zetten ze zich tot duwen; bij oogenblikken hadden ze de met ijzer beslagen houten noodig, die, onder de wielen geschoven, het achteruit rijden van den wagen moesten beletten.
't Was nog vroeg, en dus stil langs den weg. Toch werd hier en daar een raam van een der villa's opgeschoven en kwam een nieuwsgierig hoofd naar buiten.
"Zoo gaat het niet", schreeuwde de koetsier, toen ze tot vlak bij het vriendelijk gelegen huisje genaderd waren, waar Jan Arps woonde.

't Lag achter zwaar geboomte verscholen, een eindje van den weg af. Maar Jan had al lang het lawaai gehoord en stond aan het hek.
"We schieten op als slakken", schreeuwde de koetsier weer.
"'t Is te zwaar voor die beesten", zei Jan, die 't hekje uitkwam. "Ze boomen het niet."
"'k Geloof het ook", pruttelde de koetsier, die van den bok afklom, en zijn beesten, die stonden te hijgen van inspanning, op den nek klopte.
"Ze kunnen niet meer. Ze zijn haast buiten adem. 't Is ook zoo'n steile hoogte hier!"
"Reinders rijdt altijd met drie paarden zijn verhuiswagens tegen den berg op", zei ongevraagd Jan, "en zóó'n kar, daar zet hij wel eens vier voor. Die zijn zoon Driekus moet je zien mennen! Die kan het!"
"Kunnen we hier wat water krijgen voor de beesten? Want dat zie je ook nergens."
"Best hoor, ik zal 't wel halen", en in een ommezien kwam Jan aandragen met een emmer water.
De dieren dronken, of hun dorst nooit gelescht zou worden, en een tweede emmer water was noodig.

Onderwijl overlegde de voerman met zijn kameraads, wat ze doen zouden.
"Zoo gaat het niet, zóó beul ik m'n jongens te veel af, en daar dank ik voor", zei de voerman, en weer klopte hij de dieren goedig tegen den vleezigen nek. Ze kwamen wat tot rust, maar stonden toch nog te rillen op hun pooten.
"Weet je wat, ga jij vragen of die Reinders ons met een span paarden wil komen helpen", richtte hij zich tot een van de knechts.
"Waar woont die, weet jij dat ook?" vroeg deze aan Jan.
"O, aan den dijk. Je loopt dezen weg maar op, recht door Rhanden heen, en dan nog een minuut of vijf; dan sla je een dwarsweg in, en dan zie je het wel: hun huis staat vlak tegen den dijk aan. Maar wacht, ik zal mijn boterham opeten, dan kom ik je na op de fiets en zal het je wijzen."
"Asjeblieft, want van je recht door en links af snap ik niet veel", pruttelde de knecht, die in de wandeling blijkbaar weinig zin had.
Jan ging naar binnen.
"Moeder, mag ik alvast wat eten? Dan fiets ik die lui even achterop, om ze te wijzen waar Reinders woont, want zóó komen ze niet tegen den berg op."
"Kom je voor schooltijd nog terug?"
"Natuurlijk, Moe, 't is nog vroeg."
Jan kreeg verlof, en een kwartier later fietste hij den Bergweg af.

Hij reed, zoo snel hij kon, en onderhaalde den knecht nog vóór in de Hoofdstraat.
Zoodra hij den man zag, remde hij, natuurlijk met zijn voet op 't voorwiel, en sprong van de fiets.
"Oók een gat hier!" Met die vriendelijke begroeting werd hij ontvangen. Net wat voor Jan! Van ouder tot ouder was hij Rhandenaar, en dan zoo iets te moeten hooren van zoo'n kerel!
"Waarom kom je dan hier, als je 't zoo'n gat vindt", beet hij nijdig terug.
"Nou jô, 'n mensch moet wat doen voor zijn broodje", zuchtte de ander. "Voor je pleizier hoef je den ganschen nacht niet op zoo'n wagen te liggen."
Ja, dat was waar, dat verzachtte, vond Jan, en hij gaf zijn plan op, om, uit wraak over de minachting, aan Rhanden betoond, den knecht niet verder te helpen. Bovendien vond hij het wel interessant; 't was een avontuurtje, waarover hij tegen zijn kameraads kon opsnijden.
"Moet je nog verder?" vroeg hij, naast de fiets voort stappend.
"'k Weet het niet, we moeten in de Hoofdstraat zijn, in 'n grooten ijzerwinkel."
"O, bij ter Hoek? Dien zijn we al voorbij. 'k Zal hem strakjes aanwijzen. Hier zijn we aan den zijweg."
Ze sloegen een pad in met diep ingezakte karsporen, en kwamen bij Reinders, die, na eenig onderhandelen, bereid bleek de gevraagde hulp te verleenen.
"Driekus", riep hij zijn zoon toe, een reus van 'n kerel.
"Ja, vader, hier!"
"Ga eres met een span paarden naar den Berg!"
"Goed, vader. Is 't weer zoo?"
"Ja, 't is zoo."
De laatste woorden werden met al het zelf-bewustzijn van den oud-Rhandenaar uitgesproken. En Jan vond het best, dat die knecht, die zoo'n slechten dunk had van Rhanden, ze lekker te hooren kreeg.

"Nou Driekus er bij is, ga ik maar terug. Mag ik straks meerijden?"
"Voor mijn part, ja, hoor!"
Jan sprong op de kar, en peddelde, nu bergop, naar huis. De koetsier zat met den anderen knecht aan den berm te eten. Juffrouw Arps had ze een kop thee gebracht, die ze graag hadden aangenomen.
"Ze komen, hoor!" riep Jan hun al tegen. "En ik mag meerijden, heeft hij gezegd."
"Meerijden? Dat zal moeilijk gaan. Waar moet je zitten?"
"Voor mijn part in den wagen", antwoordde Jan. "Of er boven op. Maar hij heeft het beloofd."
"Dan zullen we zien, wat we doen."
Jan verdween, om zijn ontbijt voort te zetten. Hij vertelde, dat 't voor den winkel van Ter Hoek was, en haastte zich, toen hij Driekus' harde stem hoorde, weer naar buiten. Driekus had zijn tweetal al aangespannen. Hij wilde beslist op den bok, en na wat tegenstribbelen van den voerman kreeg Driekus zijn zin. De koetsier nam naast hem plaats, en Jan kon achter op het trapje staan en zich vasthouden aan de handvatten van de deur. Dat gaf 't voordeel, dat hij er eens af kon springen, kijken hoe het ging, om dan zijn plaatsje weer in te nemen.
Nu ging het best. Nu knarsten de kettingen, en bleven strak-gespannen staan. Zonder hapering, gelijkmatig, kwam de wagen tegen den berg op, en al heel gauw hadden ze 't hoogste punt van den weg bereikt. Daar hielden ze stil, want Driekus wilde zijn paarden afspannen. De koetsier kon het nu verder zelf wel, maar Driekus waarschuwde hem, eerst de remmen op te zetten.
Voor Jan was er daardoor een plaatsje op den bok vrijgekomen. Hij klom er op; maar 't viel niet mee, want de zitting was niet breed, zijn beenen waren wat kort, en, ondanks alle remmen schoof de kar aardig snel den berg af, ratelend en schommelend.
"Nog sterker remmen! Anders hou je 'm niet", schreeuwde Driekus den koetsier toe.
Deze draaide aan, met uiterste krachtsinspanning tot... knap... de veer op één der remmen het opgaf en afbrak. Nu was de vaart niet te stuiten, en schommelend reed het logge gevaarte in snelle vaart over den steil-hellenden weg.
't Ging Jan nu wel wat erg hard. Hij klemde zich krampachtig vast aan één der ijzers terzijde van den bok, en keek vol angst naar de paarden. Als er nu een viel, of ze werden wat dampig, dan gingen de voerman en hij kopje-over van den bok.
Maar de koetsier hield de teugels. Geen oogenblik aarzelde hij; ze blèven buiten de tramrails, en de paarden blèven kalm.
Bovendien had Driekus zijn eigen paarden aan één van de knechts overgegeven, en stond hij zelf op een der opstappen, om bij een mogelijk ongeluk bij de hand te zijn. Dat hij zèlf daarbij gevaar liep, daaraan dacht hij niet. Hij zou zich als oud-Rhandenaar geschaamd hebben, indien hij niet geholpen had, waar hij meende, dat hulp noodig was.
Zoo deed Jan dien morgen zijn glorieuzen intocht binnen Rhanden, en trok hij van zijn verheven zitplaats de aandacht van zijn kameraden; vooral, toen na een laatste bocht in den weg, de wagen, door den koetsier weer geheel in bedwang gehouden, stopte voor den winkel van Ter Hoek.
Dadelijk was hij omgeven door tal van schooljongens, die den opstap probeerden op het nog steeds omlaag-geslagen achtertrapje. Jan klom er af, en hij was niet weinig gestreeld, toen de voerman hem toeriep: "Dank je wel, maat! Jij hebt je goed gehouden op den bok!"
"Is 't anders niet?" antwoordde Jan, schijnbaar onverschillig, maar toch zóó luid; dat de jongens het hoorden.
"Wat was er?" "Hoe kwam jij d'r bij?" "Wie komt er wonen?"
Neen maar, óók dom van hem! Dat had hij heelemaal vergeten te vragen. Maar om twaalf uur kwam hij het wel te weten. Vast! Hij ontweek daarom het antwoord op die laatste vraag, en vertelde daartoe breedvoerig zijn ervaringen van dien morgen, en het gevaar van den rit berg-af.
Met open mond luisterden de jongens, vooral toen Koos Venema bevestigde, dat de kar zoo snel reed.
"'k Kon hem haast niet voorbijkomen met de fiets", zeide hij.
De intocht van Jan werd er te meer glorieus om, en het speet hem niets, dat hij den voerman zijn diensten had aangeboden.
Maar nu nog de eerste zijn, die wist, wie er kwam te wonen!
Om twaalf uur, zoodra de school uit was, haastte hij zich naar de Hoofdstraat. De meubelwagen stond er nog, en al gauw ontdekte hij den koetsier.
"Zoo, baas, schiet je op?"
De koetsier keek op.
"Zoo, kameraad, jij alweer present? D'r is nou niks voor je te verdienen hoor, of je moet een sjouwtje willen aannemen! We kunnen er nog best een paar man bij opzetten, vooral als ze zoo vief zijn als jij!"
"Bah! Wat stuift het", zei Theo ineens. Hij was Jan gevolgd, en knipoogde tegen hem.
"Jij wordt er ook eventjes tusschengenomen, zeg! Of hij kent je nog niet."
"'k Zou dien jongen niet kennen! Vanmorgen heeft hij al voor m'n paarden gezorgd en naast me op den bok gezeten, toen m'n beesten haast op hol sloegen. Nou jij, maat!"
Theo's oogen draaiden guitig achter zijn bril heen en weer.
"Waar kom jullie vandaan, zeg?" vroeg hij.
Leukweg antwoordde de koetsier: "Wel, den berg af."
"Nou ja, dat weet ik. Maar eerst?"
"Ja, als ik je dat moet gaan vertellen, heb ik nog wel een dag werk", antwoordde de koetsier, die schik had in Theo's gezellig gezicht.
Jan was intusschen bij de knechts gaan staan, die achter in den meubelwagen hun boterham zaten te eten.
"'t Ging fijn, hè, vanmorgen?"
"Wat je fijn noemt", antwoordde de een, met wien Jan er op uit was geweest.
"Nou, ik dacht, dat ik door mekaar rammelde. Is er niets gebroken?"

De veronderstelling alléén, dat er iets gebroken zou wezen, was de eer der verhuizers te na.
"Als jij den boel had ingepakt, of andere Rhandenaars, dan zou het mogelijk wezen. Maar wij doen het vanzelf goed!"
"Nou, maar je moet onzen Reinders anders ook niet weggooien! Die verhuist naar alle oorden van de wereld!"
"Wij dan!" pochte den ander. "Voor een paar jaar hebben we den keizer van Japan verhuisd. Als ik er nog aan denk, wat een werk dat was! Met al dat Japansche porcelein, weet je? Zoo dun als water alles; je kon er doorheen kijken, en toch geen kopje gebroken!"
Dat werd Jan te machtig.
"En in welke stad woonde die keizer van Japan?" vroeg hij parmantig.
"In Amsterdam", was het nuchtere antwoord.
"Als je nog eens wat weet, zeg! In Amsterdam!" schaterde Jan het uit.
"Dat komt, omdat jij d'r niks van weet. Hier, in zoo'n gat, weet natuurlijk niemand iets van dien grooten Amsterdamschen porceleinwinkel", en meewarig schouderophalend draaide de verhuizer zich om.
Dat was de tweede al, die met zoo'n geringschatting over Rhanden sprak. Wat verbeeldden die lui uit de groote stad zich wel? Jan werd weer nijdig.
"'k Begrijp niet, wat jullie in zoo'n gat komen doen!"
"Ik bèst. 'n Ander hier brengen en zelf zoo gauw mogelijk weer weggaan", plaagde de knecht, die schik had in Jan. En vergoelijkende voegde hij er aan toe: "Maar 't is mooi hier, ècht mooi; veel mooier dan bij ons in stad."
Dat stelde Jan tevreden.
"Waar kom jullie eigenlijk vandaan?"
"Uit Haarlem."
"Zoo ver? Anders gaan de wagens toch per spoor?"
"D'r was zeker geen ruimte voor dezen."
"Komen de menschen gauw?"
"Die zijn gisteren al gekomen."
"Zijn ze aardig?" Nu wilde Jan alles weten.
"Vraag dat maar in Haarlem; wéét ik niet."
Zooveel wist Jan dus nu. Nu nog meer te weten zien te komen.
"Hoe heeten die menschen ook al weer?" zette hij zijn onderzoek voort.
"Poorters, geloof ik."
"Zijn d'r jongens?"
"'n Stuk of dertien, denk ik."
Nu hield de knecht hem weer voor den gek.
"Heb je nog meer te vragen? Anders ga 'k een half uurtje slapen", zei hij, keerde Jan den rug toe, kroop in den openstaanden wagen, en legde zich op de pakkleeden neer.
Jan wist genoeg. Hij stoof op Theo af, en vertelde dadelijk al wat hij wist, tot van die "stuk of dertien jongens" incluis. 't Was wel wat moeilijk te gelooven, maar 'n pààr jongens zouden er licht wezen en misschien was er wel een bij voor hun klas. Met dat nieuwtje haastten ze zich naar huis.
De middag bracht hun de oplossing van al wat ze zoo graag weten wilden. Meneer vertelde, dat er een nieuwe jongen en een nieuw meisje in hun klas zouden komen.
"En ik weet van wie!" Jan kwam er triomfantelijk mee voor den dag.
"Ik ook", zei Koos Venema, heel gewoontjes, "natuurlijk van Poorters, die in de zaak van Ter Hoek komt."
Jan keek sip. Nu zei Koos 't nog eer dan hij, en hij had Koos niet eens bij den wagen gezien...
"Is 't een aardige jongen, meneer?"
"Dat zullen we moeten ondervinden."
"En 't meisje?" vroeg Bets Craats.
"O, die zijn immers altijd aardig?" plaagde meneer.

"Je zult het gauw genoeg ondervinden, want Maandag komen ze. 'k Hoop, dat jullie gauw vriendschap zult sluiten."
Zoo was die nieuwsgierigheid gedeeltelijk bevredigd, maar werd het geduld langer op de proef gesteld, langer, dan hun belangstelling het uithield. 't Nieuwe was er al bijna af, toen de nieuwelingen op school kwamen; ze werden met zekere terughouding ontvangen.
Maar de meisjes 't eerst openden haar kringetje voor Nel, het tengere popje met levendige oogen en gitzwart haar, een gezellig praatstertje, dat zich heel spoedig in haar nieuwe omgeving thuis gevoelde.
Vanzelf volgden de jongens toen met Cor, een robuste, bazige jongen, zoo op 't eerste gezicht te oordeelen. En op 't eerste gevoel ook, want al heel gauw had Theo ervaren, hoe hard Cor's "knuisten" waren. Op zijn gewone manier probeerde Theo, Cor er tusschen te nemen. Maar Cor liet er zich niet tusschen nemen; hij scheen wat beweeglijk in zijn vuisten te zijn, althans ze trommelden onverwacht snel op Theo's rug en... dat beviel hem blijkbaar nog niet eens half; maar Cor had zich zijn plaats bevochten in den kameradenkring, en vóór de eerste schoolweek nog heelemaal òm was, wisten de jongens goed, wat ze aan elkaar hadden.
III. Cor leert Rhanden en wij leeren Cor kennen.
Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.
Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan, voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.
"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"
"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.
Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.
"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig diertje, en dan zoo valsch doen!"

"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er niet van!"
"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te plagen, hoor!"
Nel ging op den man af, en vroeg:
"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"
"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."
Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke snuitje tastend.
"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze 'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en loopen ze de vrouw na as keinders."
Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk. Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar. Hij zou zich daarom bedwingen.
"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook zoo'n varkentje mogen."
"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."
"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan. Ik vraag het aan Vader!"
"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien, hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"
Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede plooien over rug en schouders afhing.

Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de geheele week inkoopen gedaan.
Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht worden, liep ze ineens op haar vader toe.
"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"
"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even wachten?"
De boeren hadden er schik van.
"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt niet."
"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld. Vader zou dat niet weigeren.
"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan ziede-ge het wel!"
"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo graag eens een boerderij bekijken.
"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."
"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze, en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog wel tot een volgende week kon wachten.
Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze meer tevreden gesteld dan op schik waren.
Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor hem!
Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.

Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal, dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog weleens terug te komen... in den vruchtentijd!
"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten marktdag aan tafel zaten, "wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig' beestje hebben?"
"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet! Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."
Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij, of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn hoede wilde nemen.
Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen, die ook in de zaken werden genoten.
Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog altijd werd genoemd.
En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis, vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".
Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat het verboden wàs.
Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan, Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de wandelaars te voet.
De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden. De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.
Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op; hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem groote lichtplekken tooverde.
Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen aan.
"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier, telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."
"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"
"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."
"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"
"Had je die?"
"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn grooten broer. Een fijn beestje!"
Cor begon te hijgen.
Van terzijde keek Theo hem aan.
"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"
"Niet noodig, hoor."
Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.
"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te trappen", drong Theo nog eens.
Maar Cor wilde er niet van hooren.
"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.
Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.
"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't hoogste punt."
Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter. Hij zou wel volgen, meende Theo.
"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."

Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.
"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets, legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.
"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"

"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"
"We moeten toch op hem wachten."
"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen bijhouden aan was."
Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken, zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte, aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de lichte streep van den dijk.
Koos keek, en hij was er haast niet bij.
Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging in was te bespeuren.
"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.
Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat kon geen kwaad.
"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.
"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen geweest..." zei Koos.
"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.
"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken alleen!"
"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem leefde..." Jan Arps stond op.
"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"
"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."
Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer Van Waalwijk deden evenzoo.
Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.
Plots schoot Cor achter een boom vandaan.
"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"
"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.
"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel niet."
"Heb je 'm al opgepompt?"
"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb jullie d'r een voor me?"
Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich. 't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.
"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.
"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu lekker uitgerust ook!"
Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de band weer hard.
Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.
Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast hem gekomen en hield hem aan de praat.
Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone inspanning, op de hoogte aan.
"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.
De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen uitroepen:
"Wat is het hier mooi!"
Doch onmiddellijk volgde er op:
"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"
De jongens schoten in den lach.
"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders wezen?"
"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een rechte streep? En hier is het één en al bocht!"
Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer. Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed opgemerkt hadden.
Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die bochten aan te geven.
"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor. En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een groote boot!"

't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.
Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile helling, waar beneden een weg liep.
"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.
"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is verbazend moeilijk dalen."
Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan, en ze begrepen mekaar.
"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.
"Vijftig meter boven de rivier zoowat."
"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"
Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de struiken.
De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.
"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een oogenblik waren ze alle vier verdwenen.
Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...
Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe stekels in 't lijf prikten.
Ze kwamen beneden, verhit en wel.
't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling opklimmen.
"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.
Dat vond bijval.
Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan, voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.
Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat 't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden, en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen nemen, en zetten kalm hun tocht voort.
Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam hij aanzetten.
"Hoera! Nummer één!" riep hij al.
Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij meneer Van Waalwijk zat.

Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de hoogere takken wegbuigend.
Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was, vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.
"Je lijkt wel een moriaan! Hoe zie jij d'r zoo uit?"
Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei hij:
"Wat gezien, jô, voor jou!"
"Wat dan?"
"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.
"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze weer in d'r nest. Maar van jou had ik dat niet gedacht, dat kan ik je wèl zeggen!"
Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.
"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.
Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.
Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:
"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."
"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."
't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.
Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het achterblijven te zijn.
"Hallo! hallo!" schetterde Theo.
"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.
Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar weer op te zoeken.
"Waar zit je?" riep hij.
"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze 't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo voorop, de anderen vlak achter hem aan.
"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet, van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten, toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot, hoe harder hij er aan trok.

Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit zijn ongemakkelijke houding verlost.
't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat ze terug kwamen.
Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken, broek en kousen waren grijs van de stof.
Theo nam hem bij den arm.
"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met een meewarig gezicht.
Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.
Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk vaartje reed.
"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.

"Welke das? Wat voor das?"...
Cor wist er natuurlijk niets van.
"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood. Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild had."
"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.
"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem morgen wijzen."
Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.
De hei!
Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen; hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen, naar eenzame ontginningen leidden.
Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien, hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.
Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te luisteren.
"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er een zweem van angst in zijn stem klonk.
"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.
Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...

"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu plotseling in de reden.
"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"
De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij het nog wel.
"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder iemand bij u?" vroeg hij.
Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem: "Dan — ga — ik — mee!"
"Als de spoken jou zien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg hij nu van Koos te hooren.
Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.
"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet, dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."
Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen — de geleerden spreken van den ijstijd — uit het hooge Noorden was komen afdalen. Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in volmaakte rust midden op de hei.
Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp: hij zag verder en juister dan iemand.
Hij wist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven. Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat bijenkorven.
Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen, als het wat gauw ging.
Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat bijzonders zou te zien krijgen.
Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom op zijn hoofd te krijgen.
Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit te gaan.
The free sample has ended.