Read the book: «De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut»
Harriet Beecher Stowe
De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066400743
Inhoudsopgave
Aan den Nederlandschen lezer.
Voorrede.
Eerste Gedeelte.
Hoofdstuk I.
Inleiding.
Hoofdstuk II.
Mr. Haley.
Hoofdstuk III.
Mr. en Mrs. Shelby.
Hoofdstuk IV.
George Harris.
Hoofdstuk V.
Eliza.
Hoofdstuk VI.
Oom Tom.
Hoofdstuk VII.
Miss Ophelia.
Hoofdstuk VIII.
Marie St. Clare.
Hoofdstuk IX.
St. Clare.
Hoofdstuk X.
Legree.
Hoofdstuk XI.
Een proefje van wat er in den wettigen handel voorkomt.
Hoofdstuk XII.
Topsy.
Hoofdstuk XIII.
De Kwakers.
Hoofdstuk XIV.
De geest van St. Clare.
Tweede Gedeelte.
Hoofdstuk I.
De drukpers.
Hoofdstuk II.
Wat is slavernij?
Hoofdstuk III.
Souther tegen De Republiek—het non plus ultra van menschlievendheid in de wet.
Hoofdstuk IV.
Beschermende wetten.
Hoofdstuk V.
Beschermende wetten van Zuid Carolina en Louisiana. Het halsijzer van Louisiana en Noord-Carolina.
Hoofdstuk VI.
Beschermende bepalingen ten aanzien van voedsel, kleeding, arbeid, enz.
Hoofdstuk VII.
Regtspleging.
Hoofdstuk VIII.
De goede oude tijd.
Hoofdstuk IX.
Matige kastijding en toevallige dood.
Hoofdstuk X.
Aangenomen beginsels.—De Staat tegen Legree; een geval dat niet in de wetboeken voorkomt.
Hoofdstuk XI.
De zegepraal van het regt over de wet.
Hoofdstuk XII.
Vergelijking van de Romeinsche slavenwet met de Amerikaansche.
Hoofdstuk XIII.
De menschen beter dan hunne wetten.
Hoofdstuk XIV.
De Israëlitische slavenwet vergeleken met de Amerikaansche.
Hoofdstuk XV.
Slavernij is despotismus.
Derde Gedeelte.
Hoofdstuk I.
Wordt de slaaf door de openbare meening beschermd?
Hoofdstuk II.
Hoe de openbare meening door de opvoeding gevormd wordt.
Hoofdstuk III.
De verstrooijing der huisgezinnen.
Hoofdstuk IV.
De slavenhandel.
Hoofdstuk V.
Voorvallen uit een wettigen tak van handel, of waarheid die vreemder klinkt dan verdichting.
Hoofdstuk VI.
Geschiedenis der Edmondsons.
Hoofdstuk VII.
Geschiedenis van Emily Russell.
Hoofdstuk VIII.
Menschenroof.
Hoofdstuk IX.
De slaven zoo als zij volgens de getuigenis hunner meesters zijn.
Hoofdstuk X.
Het arme blanke uitschot.
Vierde Gedeelte.
Hoofdstuk I.
De invloed der Amerikaansche kerk op de slavernij.
Hoofdstuk II.
Hoofdstuk III.
Martelaarschap.
Hoofdstuk IV.
De dienstbaarheid in de eerste Christenkerk, met de Amerikaansche slavernij vergeleken.
Hoofdstuk V.
Vervolg.
Hoofdstuk VI.
Hoe werkte het Christelijk beginsel op de slavernij?
Hoofdstuk VII.
Het Christendom heeft de slavernij feitelijk afgeschaft.
Hoofdstuk VIII.
Is de slavernij met het Evangelie overeen te brengen?
Hoofdstuk IX.
Komt het godsdienstig onderrigt, dat men den slaaf geeft, met het Evangelie overeen?
Hoofdstuk X.
Wat behoort er gedaan te worden?
Aan den Nederlandschen lezer.
Inhoudsopgave
Dit werk draagt oorspronkelijk den titel van: A Key to Uncle Tom’s Cabin; presenting the original facts and documents upon which the story is founded. Together with corroborative statements verifying the truth of the work. (Sleutel op Uncle Tom’s Cabin; bevattende de origineele feiten en documenten, waarop het verhaal gegrond is; benevens bevestigende verklaringen, welke de waarheid van het werk bekrachtigen.) Hoewel de inhoud van het werk in dezen titel met juistheid wordt aangeduid, deden verschillende redenen voor de Nederlandsche vertaling eenen korteren verkiezen. Dit is echter de eenige vrijheid, welke men zich bij het overbrengen van het werk in onze taal heeft veroorloofd. Blijkbaar heeft de schrijfster alles willen verzamelen, wat den indruk van haar vroeger werk kon versterken, het heillooze der slavernij, ondanks de verzachtende omstandigheden, welke zij erkent dat hier en daar bestaan, in het licht plaatsen, en de redenen, waarmede zij somtijds nog verdedigd wordt, ontzenuwen. Zij heeft al hare vermogens en krachten, geheel hare ziel en haar leven aan deze taak gewijd, en de vertaler zou haar en haar werk onregt hebben gedaan, indien hij naar zijnen smaak of zijn oordeel verkortingen of veranderingen had willen aanbrengen. De lezer ontvangt dus eene zoo veel mogelijk getrouwe, onverkorte vertaling, welke hem, gelijk de bedoeling der schrijfster was, in de gelegenheid stelt om zich grondig bekend te maken met een onderwerp, dat de aandacht der geheele beschaafde en christelijke wereld verdient.
De Uitgever.
Voorrede.
Inhoudsopgave
Het werk, hetwelk de schrijfster hier het publiek aanbiedt, is met geen genoegen en veel smart geschreven.
Bij het schrijven eener verdichting is het mogelijk het harde en schrikkelijke te ontvlugten, door tooneelen en karakters van meer behagelijken aard uit te denken. Geen zulk hulpmiddel biedt een werk van feiten aan; en het onderwerp van dit werk is een zoodanig, waarvan de waarheid, indien zij gezegd zal worden, noodwendig zeer akelig moet zijn. De slavernij als zoodanig heeft geene licht-zijde. Die tooneelen, welke door de edelmoedigheid en goedheid van meesters en meesteressen verhelderd worden, zouden nog helderder zijn, indien het element der slavernij daaruit werd verwijderd. Er is niets schoons of streelends in de gehechtheid van oude dienaren, dat ook niet te vinden is in landen, waar deze dienaren volgens de wet vrij zijn. De pachters en arbeiders op een Engelsch landgoed zijn dikwijls trouwer en inniger aan hunnen landheer en zijne familie gehecht, dan zij konden zijn, indien zij slaven waren. De slavernij is derhalve geen element, dat het schoone en streelende van het zuidelijke leven uitmaakt. Wat aan de slavernij bijzonder eigen is, en haar van vrije dienstbaarheid onderscheidt, is kwaad, niets dan kwaad en altijd kwaad.
Terwijl dit werk voor de drukpers werd gereed gemaakt, is het veel grooter geworden, dan de schrijfster oorspronkelijk had bedoeld. Het heeft zich zoo ver over zijne grenzen uitgebreid, dat zij verpligt is geweest eene geheele afdeeling te laten vervallen—die over de karakteristieke trekken en de ontwikkeling van den gekleurden stam in verschillende landen en omstandigheden. Dit is voegzamer het onderwerp van een afzonderlijk boekdeel; en zij hoopt, dat er spoedig een zoodanig zal gereed gemaakt worden door eenen vriend, aan wien zij hare bouwstoffen heeft overgegeven.
De schrijfster verlangt haren dank te betuigen, vooral aan die regtsgeleerde heeren, die haar in het regtskundige gedeelte van het onderzoek hunne hulp en bijstand hebben verleend. Zij verlangt ook diegenen in het Noorden en in het Zuiden te danken, die haar vriendelijk bouwstoffen ten gebruike hebben verschaft. Veel meer zijn haar toegezonden, dan met mogelijkheid gebruikt konden worden. Het boek is werkelijk uit eenen berg van bouwstoffen gekozen.
Het groote doel der schrijfster met dit werk is geweest, dit onderwerp der slavernij, als een zedelijk en godsdienstig vraagstuk, aan allen in dit land, die betuigen volgelingen van Christus te zijn, onder de aandacht te brengen. Er is een omstandig verslag gegeven, hoe Christenen van verschillende benamingen zich ten aanzien dezer zaak hebben gedragen.
De schrijfster heeft bedoeld, zoo ver mogelijk, de waarheid en alleen de waarheid te zeggen, zonder acht te geven op den indruk, welke deze op eenig persoon of eenige partij kan maken. Zij hoopt dat datgene, wat zij gezegd heeft, zonder bitterheid zal onderzocht worden, in dien ernstigen geest, welke bij het onderzoek van zulk een ernstig onderwerp voegzaam is. Het zou ijdel zijn, wanneer zij zich met de hoop wilde streelen, dat zij geheel vrij van dwaling zal zijn. In het ruime veld, dat zij heeft moeten bewandelen, was het doen van vele misstappen mogelijk. Zij kan alleen zeggen, dat zij eerlijk en ernstig alles heeft gedaan wat zij kon, om zich van de waarheid te verzekeren.
Het boek wordt aanbevolen aan de welwillende aandacht en de ernstige gebeden van alle ware Christenen door de geheele wereld. Mogen zij hunne gebeden vereenigen, dat de Christenheid van zulk een groot kwaad als de slavernij verlost worde!
Harriet Beecher Stowe.
Eerste Gedeelte.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk I.
Inleiding.
Inhoudsopgave
Men heeft het meermalen betwijfeld, of de tafereelen in „Uncle Tom’s Cabin” eene onpartijdige voorstelling geven van de slavernij, gelijk deze tegenwoordig bestaat. Dit werk is, meer misschien dan eenig ander werk van verdichting dat ooit geschreven is, eene verzameling en aaneenschakeling van werkelijke gebeurtenissen—van werkelijk verrigte bedrijven, van werkelijk gesprokene woorden—te zamen gegroepeerd met het oog op eene algemeene strekking, op dezelfde wijs als de mozaïkwerker zijne brokjes van verschillende steenen tot ééne schilderij groepeert. Het zijne is een mozaïk van edele steenen—dit is een mozaïk van feiten.
Uit het oogpunt der kunst beschouwd, zou het misschien niet raadzaam wezen, aan te duiden, uit welke mijn en welk gewest ieder stukje van het mozaïk-tafereel afkomstig is, en evenmin raadzaam het schitterende weefsel der verdichting uit te rafelen en te toonen uit welke stoffelijke schering en inslag het geweven is, en met welke stoffelijke verwen gekleurd. Doch het boek heeft een hooger doel dan dat der kunst, en daardoor is het van de zijde van het publiek aan eischen blootgesteld, welke gewoonlijk niet aan een werk van verdichting gedaan worden. Het wordt als eene werkelijkheid behandeld—gezift, onderzocht en op de proef gesteld; en daarom mag het voegzaam wezen, dat het als eene werkelijkheid verdedigd worde.
De schrijfster erkent, dat het boek eene zeer onvolledige voorstelling van de slavernij geeft; en dit moet het noodwendig doen, om deze reden—dat de slavernij, in sommige van hare uitwerkselen, al te akelig is voor het doel der kunst. Een werk, dat de slavernij voorstelde, volkomen gelijk zij is, zou niet gelezen kunnen worden; en alle werken, die bestemd zijn om genoegen te geven, moeten ergens een sluijer spreiden, of zij kunnen geen bijval vinden.
De schrijfster zal nu, van de eerste bladzijde af, den loop van het verhaal volgen, en zooveel mogelijk de gebeurtenissen en omstandigheden vermelden, door welke haar de verschillende doelen in de pen werden gegeven.
Hoofdstuk II.
Mr. Haley.
Inhoudsopgave
In het allereerste hoofdstuk van het boek ontmoeten wij het karakter van den slavenhandelaar, Mr. Haley. Zijn naam is boven dit hoofdstuk geplaatst als vertegenwoordiger van al de verschillende karakters in dit werk, die deze menschensoort afschilderen—den handelaar, den menschendief, den slavenjager, den slavengeeselaar, en al de andere onvermijdelijke helpers en onmisbare aanhangselen van hetgeen dikwijls de „door God ingestelde betrekking” der slavernij wordt genoemd. De eerste persoonlijke waarneming der schrijfster op deze klasse van wezens was ongeveer als volgt:
Verscheidene jaren geleden, terwijl ik op eenen ochtend in de kinderkamer bezig was, werd er eene gekleurde vrouw aangediend. Zij werd in de kinderkamer gelaten, en op den eersten blik dacht de schrijfster dat zij nooit norscher, minder goeds belovend gezigt had gezien. De vrouw was geheel zwart, zwaarlijvig, forsch gebouwd, en had sterk geteekende Afrikaansche trekken. Zij, die gewoon zijn de uitdrukking van een Afrikaansch gezigt te lezen, weten, welk een bijzonderen indruk door eene somber neerslagtige uitdrukking dier donkere trekken wordt te weeg gebragt. Het gelijkt naar de schaduw eener donderwolk. Anders dan haar stam in het algemeen, glimlachte deze vrouw niet, wanneer men haar glimlagchend aanzag, en gaf geen schertsend antwoord op schertsende gezegden, die haar werden toegevoegd. De jongste lieveling der kinderkamer, een knaapje van bijna drie jaren kwam naar haar toe, legde zijn handje op hare knie, en scheen verbaasd van niet den snellen glimlach te ontmoeten, dien de Neger bijna altijd voor een klein kind gereed heeft. De schrijfster vond haar zeer stuursch en onaangenaam, en na eenige oogenblikken van stilte vroeg zij, misschien met eenig ongeduld: „Hebt gij van daag iets van mij noodig?”
„Hier zijn eenige papieren,” zeide de vrouw, ze naar mij toeschuivende; „misschien wilt gij ze wel lezen.”
Het eerste papier dat ik opende, was een brief van eenen slavenhandelaar in Kentucky, met weinige woorden berigtende, dat hij nu haast zoo lang als hij kon voor haar kind had gewacht; dat hij naar het zuiden moest vertrekken en het van de hand moest doen; dat, indien zij hem voor het eind der week tweehonderd dollars zond, zij het hebben zou, zoo niet, dat hij het dan zaterdag voor de deur van het raadhuis publiek zou laten verkoopen. Hij voegde er nog bij, dat hij meer dan die som voor het kind kon krijgen, maar dat hij het haar goedkoop wilde laten.
„Wat voor eene soort van man is dit?” zeide de schrijfster tot de vrouw, toen zij dezen brief gelezen had.
„Weet niet, mevrouw; groote Christen, weet ik—lid van de Methodistenkerk in allen gevalle.”
De uitdrukking van wrevelige ironie, waarmede zij dit zeide, was iets om voor altijd te onthouden.
„En hoe oud is dat kind?” zeide de schrijfster tot haar.
De vrouw zag met eenen blik vol beteekenis naar het knaapje, dat bij hare knie stond, en antwoordde: „Hij zal dezen zomer drie jaren zijn.”
Bij verdere navraag naar de geschiedenis dezer vrouw, bleek het, dat zij door het testament harer eigenaren was vrijgelaten; dat het kind volgens de wet regt op vrijheid had, maar door de erfgenamen van het goed in beslag genomen was. Zij was arm en zonder vrienden, had geen geld om een proces te voeren, en de erfgenamen deden het kind natuurlijk aan eenen handelaar over. De noodige som, dit mag ik er nog bijvoegen, werd in de kleine buurt, die toen het Lane Theological Seminary omringde, geheel opgebragt, en het kind werd losgekocht.
Indien het publiek een staaltje verlangt van de correspondentie tusschen de lieden, die de voornaamste toeverlaat der maatschappij zijn ter instandhouding en uitbreiding van de instelling der slavernij, kan het volgende stuk misschien als eene letterkundige curiositeit belangwekkend zijn. Het werd door Mr. M. J. Thomas, van Philadelphia, aan de „National Era” gezonden, en is volgens zijne opgaaf een woordelijk afschrift van het origineel, gevonden onder de papieren van den persoon, aan wien het geadresseerd was, toen deze wegens het uitgeven eener verscheidenheid van valsche banknoten in hechtenis genomen en veroordeeld werd.
Poolsville, Montgomery, Co., Md., 24 Maart 1831.
Waarde Heer!
Ik ben behouden met Louisa te huis gekomen, daar John mij, uit een venster van twee verdiepingen hoog, om twaalf uur in den nacht ontkaapt werd. Ik heb een prijs van vijftig dollars voor hem uitgeloofd en heb hem hier veilig in de gevangenis. De lieden, die hem pakten, bragten hem naar de gevangenis van Frederikstown. Ik verzoek u aan niemand in dezen Staat te schrijven dan aan mijzelven. Caphart en ik hebben besloten om den hoogsten prijs te geven voor elken Neger, dien gij vinden kunt, en gij moet mij ten spoedigste berigt geven, zoodra gij er een vindt. Ingesloten zult gij een signalement ontvangen, en ik kan u eene goede winst geven als gij ze vinden kunt. Ik zal in alle gevallen, zoodra er een Neger wegloopt, u terstond een signalement zenden zoodat gij op den uitkijk kunt wezen. Wees zoo goed den constable te zeggen om met den verkoop van John’s eigendommen voort te gaan; en wanneer het geld ontvangen is, zal ik er u eene order voor zenden. Wees zoo goed om dit voor mij te bezorgen; schrijf mij ook en geef mij berigt van elken Neger, dien gij denkt, dat weggeloopen is—onverschilllig waar gij denkt dat hij vandaan is of hoe ver—en ik zal beproeven zijn meester op te sporen. Laat mij ook weten waar gij denkt dat hij vandaan is, met bijzondere teekenen, en als ik zijn meester niet vind, dan is Joe dood!
Schrijf mij van den Neger met den krommen vinger; en laat mij weten, welke hand en welken vinger, kleur, enz.; insgelijks eenig teeken, dat de kerel heeft, die zegt, dat hij van den negeropkooper is weggeraakt, met zijne lengte en kleur, of van eenig ander, dien gij denkt, dat weggeloopen is.
Doe mijn groet aan uw compagnon, en pas op, dat gij aan niemand schrijft dan aan mij. Indien iemand u schrijft, kunt gij er mij berigt van geven, en dan zal ik beproeven van hem te koopen. Ik denk, dat wij geld kunnen verdienen, als wij te zamen zaken doen; want ik heb overvloed van geld, en gij kunt overvloed van Negers vinden. Laat mij weten of Daniël nog is waar hij was, en of gij iets van Francis hebt gehoord sedert hij u verliet. Wees verzekerd van mijne achting en welwillendheid.
Reuben B. Carlley.
Aan John C. Saunders.
Deze brief geeft een treffend voorbeeld van het karakter dezer „mede-patriotten,” die met de groote mannen van ons land in overeenstemming gehandeld hebben, om de weldadige voorschriften der Wet op Voortvlugtige Slaven ten uitvoer te brengen.
Wat den in dezen brief genoemden Caphart betreft, kunnen de bewoners van Boston bijzonder belang hebben om nadere bijzonderheden te vernemen, daar hij een der waardige mannen was, die uit het zuiden werden gezonden, om de goede burgers dier plaats in de godsdienstige en vaderlandlievende onderneming van 1851, in den tijd toen Shadrach ongelukkig weggeholpen was, bij te staan. Het zal dus niet kwaad zijn een eenigzins uitvoerige teekening van John Caphart te geven, gelijk hij geschetst werd door Richard II. Dana Jun., een der regtsgeleerden door welke zij werden verdedigd, die aan dat weghelpen hadden deelgenomen:—
Ik zal John Caphart nooit vergeten. Ik ben elf jaren voor de balie geweest, en in dien tijd heb ik vele voorbeelden van ondeugd en hardvochtigheid gezien, maar nooit heb ik iets zoo koelbloedigs ontmoet als de getuigenis van dien man. John Caphart is een rijzig, vaal bleek man van omtrent vijftig jaren, met gitzwart haar, een rusteloos, donker oog, en een angstig, bekommerd en vervallen uitzigt, dat indien er genoeg van het zedelijke element in de uitdrukking zijner trekken was, zwaarmoedig zou kunnen genoemd worden. Zijn gestel was krachtig, in zijne jeugd was hij blijkbaar zeer sterk geweest, maar hij was niet forsch. Evenwel had hij een kouden, wreeden blik, eene kracht van wil en eene vlugheid van spierbeweging, die hem nog in zijn beroep tot eenen schrik maken.
In de manier, waarop hij zijne getuigenis gaf, zag men geene snoeverij of uitwendige vertooning van onbeschaamdheid. Zijne verachting voor het menschelijke gevoel van het gehoor en de maatschappij om hem heen, was te echt, om eenige veinzerij van dien aard noodig te hebben. Hij pronkte niet met de ergste trekken van zijn beroep, en poogde ze evenmin te verbergen. Hij behandelde het geheel als een vak van handel, waarvoor hij wel wist, dat de maatschappij huiverde, maar voor welks zedelijken aard hij geheel onverschillig was, met uitzondering van zeker geheim genoegen, dat hij aldus van ter zijde zijne hoorders een weinigje pijnigde.
Het is mij echter, om John Caphart regt te doen, niet geheel duidelijk, of hij geheel „geweten-proef” is. Er was iets in zijnen angstigen blik, dat iemand niet geheel zonder hoop laat.
Bij het eerste regtsgeding wisten wij niets van zijn bedrijf en ging hij slechts voor een politiedienaar van Norfolk, in Virginië, door. Maar bij het tweede proces gaf iemand in de zaal mij eenen wenk van de bezigheden, waartoe velen dier politiedienaren zich verledigen, en dit gaf aanleiding tot mijn tegen-verhoor.
Uit het verhoor van John Caphart, in de „Ontzettings-Processen,” te Boston, in Junij en November 1851 en October 1852.
Vraag. Is het uw pligt als politiedienaar, om gekleurde personen aan te houden, die na de bepaalde uren op straat zijn?
Antwoord. Ja, Mijnheer!
Vr. Wat wordt er met hen gedaan?
A. Wij zetten hen in de kortegaard, en des morgens worden zij voor het hof gebragt en krijgen straf—namelijk die straf moeten hebben.
Vr. Welke straf krijgen zij?
A. Niet boven de negen en dertig slagen.
Vr. Wie geeft hun die slagen?
A. Een of ander van de officieren. Ik somtijds.
Vr. Wordt gij daarvoor extra betaald? Hoeveel?
A. Vijftig cents per hoofd. Het plagt twee en zestig te zijn. Nu is het vijftig. Vijftig voor ieder, dien wij aanhouden, en nog vijftig voor ieder, dien wij geeselen.
Vr. Zijn de personen, die gij geeselt, alleen mannen en jongens, of zijn het ook vrouwen en meisjes?
A. Mannen en vrouwen, jongens en meisjes, net zoo als het valt.
(Het gouvernement kwam tusschenbeiden en beproefde een verder verhoor te beletten, zeggende onder anderen, dat hij slechts zijnen pligt vervulde als officier van politie onder de wet. Na eene redewisseling, veroorloofde regter Curtis het verhoor voort te zetten).
Vr. Blijft uw geeselen tot deze gevallen beperkt? Geeselt gij geene slaven op aanzoek van hunne meesters?
A. Somtijds doe ik dat. Zekerlijk, als ik geroepen word.
Vr. Worden, in geval van privaat geeselen, de negers bij u gezonden? Hebt gij eene plaats om te geeselen?
A. Neen, ik ga waar men mij halen laat.
Vr. Is dit een gedeelte van uwen pligt als officier?
A. Neen, mijnheer!
Vr. Vraagt gij in deze gevallen van privaat geeselen naar de omstandigheden, om te zien wat de schuld geweest is, en of er eenige schuld bestaat?
A. Dat is mijne zaak niet. Ik doe wat mij gevraagd wordt, de meester is verantwoordelijk.
Vr. In deze gevallen veronderstel ik, dat gij ook vrouwen en meisjes geeselt, zoowel als mannen?
A. Vrouwen en mannen.
Vr. Mr. Caphart! hoe lang zijt gij in dit beroep geweest?
A. Sedert 1836.
Vr. Hoeveel Negers denkt gij wel gegeeseld te hebben, allen bijeen genomen, vrouwen en kinderen ingesloten?
A. (Bedaard in de zaal rondziende). Ik weet niet hoeveel Negers gij hier in Massachusetts hebt; maar ik zou denken, dat ik er zooveel gegeeseld heb, als gij in den Staat hebt.
(Dezelfde man getuigde, dat hij dikwijls gebezigd werd, om voortvlugtige slaven te vervolgen. Zijn antwoord op de vraag was: Ik weiger nooit eene goede karrewei van dien aard).
Vr. Loopen die karreweijen niet somtijds slecht af?
A. Nooit, als ik voorzorgen neem.
Vr. Worden zij niet somtijds ontslagen, na dat gij ze gevat hebt?
A. Niet dikwijls. Ik weet niet, dat zij dat ooit worden, behalve die Portugezen, waarvan de procureur gelezen heeft.
(Ik had in een rapport uit Virginië een geval gevonden van ongeveer 200 Portugesche Negers, welke deze John Caphart op een schip in beslag had genomen, en gepoogd had als slaven te doen veroordeelen, maar die door het hof ontslagen waren).
Mr. John P. Hale, met Mr. Dana vereenigd als advocaat voor de verdediging in dit proces, zeide van hem in zijne slotrede:
Wat, mijne heeren! hij verkoopt doodsangst! Marteling is zijn winkelvoorraad! Hij is een wandelende geeselroê! Hij loopt door de straten van Norfolk tranen en gekerm rondventen!
Zie ook de volgende correspondentie tusschen twee handelaren, de een in Noord-Carolina, de ander in Nieuw-Orleans, met een woordje tot toelichting van Bisschop Wilberforce, van Oxford:—
Halifax, N. C. 16 November 1839.
Waarde Heer!
Ik heb in de brik Addison gescheept tot bijgevoegde prijzen:
| No. 1. | Carolina Ennis, | 650,00 Dollars. |
| No. 2. | Silvy Holland, | 625,00 Dollars. |
| No. 3. | Silvy Booth, | 487,50 Dollars. |
| No. 4. | Maria Pollock, | 475,00 Dollars. |
| No. 5. | Emeline Pollock, | 475,00 Dollars. |
| No. 6. | Delia Averit, | 475,00 Dollars. |
De twee meiden, die 650 en 625 dollars kosten, waren gekocht, eer ik mijn eersten scheepte. Er worden mij zeer vele Negers aangeboden, maar ik wil de prijzen niet betalen, die men mij vraagt; want ik weet dat zij zullen dalen. Ik heb geene oppositie aan de markt. Ik zal wachten tot ik van u hoor, eer ik koop, en dan kan ik oordeelen wat ik betalen moet. Goodwin zal u den vrachtbrief van mijne Negers zenden, daar hij ze met zijne eigene heeft gescheept. Schrijf dikwijls, daar de tijden kritiek zijn, en het van de prijzen, die gij krijgt, afhangt, om mij in het koopen naar te rigten.
De uwe enz.
G. W. Barnes.
Aan Mr. Theophilus Freeman, Nieuw-Orleans.
Het bovenstaande was eene kleine, maar uitgelezene factuur van vrouwen en moeders. Negen dagen vroeger, namelijk 7 November, had Mr. Barnes aan Mr. Freeman berigt gegeven, dat hij eene partij van drie en veertig mannen en vrouwen had gescheept. Mr. Freeman, een zijner correspondenten van den staat der markt onderrigtende, schrijft op zondag 21 September 1839:
Ik kocht gisteren een jongen, zestien jaar oud en van goed voorkomen, wegende honderd en tien pond, voor 700 dollars. Ik verkocht een knap meisje van twaalf jaren oud, voor 500 dollars. Ik kocht gisteren een man, twintig jaren oud, zes voet lang, voor 820 dollars; een van daag, vier en twintig jaren oud, voor 850 dollars, zoo zwart en glad als een mol.
De schrijfster heeft in dit werk slechts eene klasse van negerhandelaren geteekend. Er bestaan allerlei verscheidenheden van hen, tot aan de groote voorkoopers, die ruime magazijnen houden, die fatsoenlijk van manieren en beleefd in hun spreken zijn; die in vele opzigten dikwijls daden van werkelijke edelmoedigheid verrigten; die de slavernij als een zeer groot kwaad beschouwen, en hopen dat het land eens daarvan verlost zal worden; maar die denken dat, zoo lang geestelijke en leek, heilige en zondaar, allen overeenstemmen, om het slavenhouden geoorloofd en noodzakelijk te noemen, het beter is, dat de noodzakelijke handel in die waar door menschen van gevoel en fatsoen gedreven worde, dan door vloekende, half dierlijke barbaren van de Tom Loker klasse. Deze lieden zijn uiterst gevoelig voor hetgeen zij als de onbillijkheid der wereld beschouwen, die hen buiten den fatsoenlijken omgang sluit, alleen omdat zij er hun werk van maken, om in eene behoefte der maatschappij te voorzien, welke de balie, de drukpers en de kansel van allen blaam vrijspreken. In dit opzigt volgt de maatschappij voorzeker de onredelijkheid der oude Egyptenaren na, die zekere klasse van menschen gebruikten, om de lijken voor het balsemen te bereiden, maar met stokken en steenen op hen aanvlogen, zoodra hunne werkzaamheid verrigt was, omdat zij eene heiligschennis aan de dooden hadden gepleegd. Als er eene mishandelde menschenklasse op de wereld bestaat, is het zeker die der slavenhandelaren; want indien er geen kwaad steekt in de instelling der slavernij,—indien zij door God verordend en vereerenswaardig is, gelijk de burgerlijke regering en de familie, en gelijk andere betrekkingen van eigendom—dan is er ook geene reden ter wereld, waarom iemand niet even onschuldig een slavenhandelaar, als eene andere soort van handelaar mag wezen.
Hoofdstuk III.
Mr. en Mrs. Shelby.
Inhoudsopgave
Het was het oogmerk der schrijfster, bij het schilderen der huiselijke inrigtingen van Mr. en Mrs. Shelby, een tafereel op te hangen van de schoonste zijde van het slavenleven, waar trage inschikkelijkheid en goedhartig geduld door eene regtmatige tucht en een met bekwaamheid en oordeel medegedeeld godsdienstig onderwijs worden getemperd.
De schrijfster heeft hare taak niet aanvaard, zonder veel aan beide zijden van het vraagstuk te lezen, en bijzondere moeite te doen, om al de meest gunstige voorstellingen der slavernij te verzamelen, welke zij kon bekomen. Daar de lezer misschien nieuwsgierig zal zijn, om eenigen van deze documenten te zien, zal de schrijfster die in hun geheel mededeelen. Er is voor de wereld volstrekt geen gevaar in, dat zij de allerschoonste zijde der slavernij te zien krijgt; de gruwelen en barbaarschheden, die daaraan noodzakelijk verbonden zijn, zijn zelfs zoo schrikkelijk, dat men waarlijk wel al den troost noodig heeft, welken men uit berigten gelijk de onderstaande kan ontleenen, om zich voor volslagene wanhoop aan de menschheid te bewaren. Het eerste stuk is uit Mr. J. K. Paulding’s Brieven over de Slavernij genomen, en is een brief van een Virginisch planter, wien wij, naar zijne manier van schrijven, voor een beminnelijk, innemend man moeten houden, die waarschijnlijk den staat der zaken op zijn eigen goed volkomen naar waarheid beschrijft.
Waarde Heer!
Wat de eerste vraag aangaat, betrekkelijk de „regten en pligten van den slaaf,” weet ik niet welk eene uitgebreidheid van dit gedeelte van het onderwerp men op het oog heeft. Op de eenvoudigste wijze beschouwd, gelijk men het in Virginië begrijpt en behandelt, zou ik zeggen dat de slaaf aanspraak heeft op eenen overvloed van goed, eenvoudig voedsel, op grove, maar goede kleeding; op eene warme, maar nederige woning; op bescherming wanneer hij gezond, en hulp wanneer hij ziek is; en dat het aan den anderen kant zijn pligt is, zijnen meester alle dienst te bewijzen, die hij behoudens volmaakte gezondheid bewijzen kan, en zich onderdanig en eerlijk te gedragen. Andere aanmerkingen doen zich op, maar zullen voegzamer onder verschillende hoofden aangevoerd worden.
2. De huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf.—Deze betrekkingen worden door velen in het Noorden zeer verkeerd begrepen, daar zij deze woorden voor gelijk beteekenend achten met onderdrukker en onderdrukte. Niets kan verder bezijden de waarheid zijn. De toestand der Negers in dezen Staat is zeer verbeterd. De eigenaren waren voorheen minder in getal en rijker dan tegenwoordig. Verafgelegene kwartieren werden dikwijls aangehouden om het aristocratisch heerenhuis te schragen. Deze werden zelden door de eigenaren bezocht; en gevoellooze opzigters, dikwijls verwisseld, werden gebezigd om hen voor een aandeel in den oogst te beheeren. Deze lieden mishandelden het land en somtijds de slaven. Hun post was slechts voor een jaar vast, en natuurlijk deden zij hun best met hun korten tijd van gezag. Ten gevolge van onze instellingen is de grondeigendom meer verdeeld geworden, en wonen nu de meeste grondeigenaren op of bij hunne goederen. Er zijn, wel is waar, uitzonderingen, vooral onder de rijke heeren in de steden; maar deze laatsten zijn bijna alle verlicht en menschlievend, even welgezind voor den grond als voor den slaaf die dezen bebouwt. Ik zou eenige edele voorbeelden van vaderlandlievende, doortastende verbeteringen onder hen kunnen aanwijzen. Maar om tot de op hunne goederen wonende eigenaren terug te keeren: de meesten van hen zijn op het goed groot geworden; van de oudere Negers hebben zij in hunne kindschheid tallooze blijken van vriendelijkheid ontvangen; de jongere zijn niet zelden hunne speelmakkers geweest (niet de meest voegzame, dit beken ik,) en aan beide zijden wordt dus veel welwillendheid voortgebragt. Daarbij komt nog, dat de meeste menschen aan hun eigendom gehecht zijn; en deze gehechtheid is sterker in het geval van personen dan van zaken. Dit weet ik en gevoel ik. Het is waar, er zijn harde meesters, maar er zijn ook slechte echtgenooten en vaders. Deze allen zijn uitzonderingen op den regel, niet de regel zelf. Zullen wij daarom die betrekkingen, en de regten en het gezag daaraan verbonden, over het geheel veroordeelen, uit hoofde van het toevallige misbruik? Ik zou vele voorbeelden kunnen vermelden van sterke gehechtheid aan de zijde van den slaaf, maar wil er slechts een paar van aanvoeren, waarvan ik zelf het voorwerp ben geweest. Het werd de vraag, of een trouwe dienaar, van zijne kindschheid af bij mij opgevoed, zijnen meester zou laten varen, of wel zijne vrouw en kinderen, aan welke hij met liefde gehecht, en voor wie hij zeer oplettend en goed was. De proef was zwaar, maar hij besloot die teedere banden te verbreken en bij mij te blijven. Ik liet het geheel aan zijne keus over, hoewel ik, mijn belang raadplegende, hem niet voor het vierdubbele van den prijs had willen missen, dien ik waarschijnlijk zou gekregen hebben. Gelukkig was ik later in staat om zijne familie te koopen, met uitzondering van eene dochter die goed geplaatst is, en niets dan de dood zal hen voortaan scheiden. Indien de proef genomen werd, ben ik overtuigd dat vele meesters zulke treffende bewijzen van trouw zouden ontvangen. Iemand verhaalde mij slechts een paar dagen geleden een dergelijk, zelfs nog sterker geval, van een zijner slavinnen. Tot belooning der ijverige en teedere oppassing eener geëerbiedigde moeder in hare laatste ziekte, deed ik het voorstel om eene gezonde en schrandere vrouw, omtrent dertig jaren oud, de beste ziekenoppasster en in alle opzigten eene van de beste dienstboden in den Staat, van welke ik slechts half eigenaar was, te koopen en vrij te laten; maar zij weigerde de familie te verlaten en heeft het sedert beter gehad dan alsof zij vrij was geweest. Het zal wel verschooning vinden als ik hier een koddig geval verhaal, dat ik eenigen tijd geleden gehoord heb. Een begunstigd en verwend dienaar verzocht zijnen meester om hem aan een ander heer te verkoopen. Zijn meester weigerde dit, maar zeide hem, dat het hem volkomen vrij stond naar het Noorden te gaan, indien hij nog niet vrij genoeg was. Na eenigen tijd herhaalde hij zijn verzoek; en toen hij gedrongen werd om eene verklaring van zijn zonderling gedrag te geven, zeide hij zijnen meester, dat hij zich voor teringachtig hield en spoedig sterven zou; en hij dacht dat Mr. B. beter in staat was om het verlies te dragen dan zijn meester. Hij werd naar eene medicinale bron gezonden en herkreeg zijne gezondheid, indien hij deze al ooit verloren had, waarvan zijn meester geene kennis had gedragen.—Het zal niet ondienstig zijn mijn eigen gedrag ten opzigte mijner bedienden te beschrijven, welke ik poog gelukkig te maken, terwijl ik voordeel van hen trek. Ik weiger nooit hun te woord te staan, maar luister geduldig naar hetgeen zij mij willen mededeelen. Ik praat gemeenzaam met hen die te oud zijn om meer dienst te doen, en met hen die nog te jong daartoe zijn. Met de anderen neem ik eene meer voorzigtige terughouding in acht, maar ik moedig allen aan, om mij zonder vrees te naderen. Bijna nooit ga ik naar de stad, zonder dat ik voor sommigen van hen boodschappen heb te verrigten: en ik denk dat zij mij liefst gebruiken, daar zij gelooven dat ik, als hun geld niet geheel toereikend mogt zijn, er wel een weinigje zou bij leggen; en niet zelden doe ik dat ook, om iets des te beters voor hen te krijgen. De betrekking tusschen mijzelven en mijne slaven is bepaald vriendelijk. Ik houd eene tamelijk strikte tucht, met goedheid gemengd, en zelden verlies ik eigendom door diefachtige, of arbeid door weggeloopene slaven. Ik sluit nooit de buitendeuren van mijn huis. Het wordt gedaan, maar door de bedienden; en zelden denk ik daar aan. Ik ga op bepaalde tijden voor twee maanden van huis, en laat dan het woonhuis, het zilverwerk en andere kostbaarheden aan de bedienden over, zonder zelfs de voorwerpen na te tellen.
3. De duur van den arbeid der slaven.—De dag wordt gewoonlijk lang genoeg geacht. Nachtwerk wordt niet door mij gevorderd, behalve eens in de week om koren te bolsteren tot hun eigen gebruik, en bij eenige andere noodzakelijke gelegenheden. Het volk, gelijk wij hen doorgaans noemen, moet met het aanbreken van den dag hunne huizen verlaten en tot aan den donker werken, met eene verpoozing van een half uur tot een uur voor het ontbijt, en een tot twee uren voor het middagmaal, naar het jaargetijde en de aard van het werk is. In dit opzigt kunnen onze Negers, naar ik meen, eene gunstige vergelijking met alle andere arbeiders doorstaan.
4. De vrijheid gewoonlijk aan de slaven vergund—hunne feestdagen en vermaken, en de manier, waarop zij gewoonlijk hunne avonden en feestdagen slijten.—Het is hun verboden van het goed te gaan, zonder vooraf verlof te hebben bekomen; hoewel zij dezen regel dikwijls overtreden, en dat ongestraft, behalve in zeer erge gevallen. Zij die vrouwen op andere plantaadjes hebben, gaan deze op zekere bepaalde nachten bezoeken, en hebben eene vergunning van tijd om te gaan, en terug te komen, evenredig aan den afstand. Mijne Negers hebben verlof en worden zelfs aangemoedigd om zoo veel eenden en hoenders op te kweeken als zij kunnen; om groenten tot eigen gebruik en eene plek koren ten verkoop te planten; om hun handwerk uit te oefenen, wanneer zij er een verstaan, hetgeen velen doen; om muskusratten en andere dieren te vangen voor het bont of het vleesch; om bijen te houden; om, in het kort, een eerlijken stuiver te verdienen, op alle manieren, waartoe het toeval of hunne eigene schranderheid gelegenheid geven. De opgenoemde manieren zijn echter die, welke het meest worden aangewend, en overleggende slaven zijn in staat, om daarmede hoofd voor hoofd van vijf tot dertig dollars te verdienen. Het koren is eene andere soort dan die ik verbouw, en wordt alles door mij gekocht. Zeer vele hoenders worden opgebragt; ik heb dit jaar vernomen, dat een man voor tien dollars waarde te gelijk verkocht heeft. Eene der voornaamste bronnen van winst is het bont van de muskusrat; en om deze te vangen zijn de moerassen van het goed sedert onheugelijken tijd afgedeeld, en deze deelen worden bijna als erfelijke leengoederen bezeten. De Negers hebben aan Nat Turner1 en Tappan de inkorting van sommige hunner voorregten te danken. Als opregt vriend der zwarten, heb ik de roekelooze tusschenkomst dezer lieden zeer beklaagd, uit hoofde der beperkingen, welke het noodzakelijk is geweest, of welke men noodzakelijk heeft geacht, daarna op te leggen. Sedert den aanslag van den eerstgenoemden held, is het hun verboden te prediken, behalve voor hunne medeslaven, die aan denzelfden eigenaar toebehooren; openbare begrafenissen te houden, tenzij een blanke daarbij de lijkdienst verrigt, en te leeren lezen en schrijven. Hunne begrafenissen gaven hun voorheen groot genoegen, en het was hier gebruikelijk, de betrekkingen des overledenen van spek, brandewijn, meel, suiker en boter te voorzien, waarmede op hunne manier een groot onthaal werd aangerigt. Wij hadden eens groot vermaak in een hartigen kerel, die zijne meesteres verzocht om hem bij zijn leven zijne begrafenis te laten houden, daar die hem dan nog goed zou doen. Dit schalksche verzoek werd toegestaan, en ik durf zeggen, dat er nooit eene begrafenis was, waarvan de hoofdpersoon zelf zooveel genot had. Toen dit werd toegestaan, predikten verscheidene Negers met groote vlugheid van taal. Ik was er eenige jaren geleden bij tegenwoordig, toen een Episcopaalsch geestelijke het volk, na voorafgaande oproeping, aansprak. Na het slot eener uitmuntende leerrede stond een neger-prediker op en dankte hem vriendelijk voor zijne rede, maar zeide hem ook rondborstig, „dat de vergadering zijn lingo niet verstond.” Daarna vervolgde hij zelf, met groote heftigheid en radheid, woorden smedende, wanneer hij die niet voor de hand, of liever voor de tong vond, en overtuigde zijne toehoorders zonder twijfel van zijne meerderheid boven zijnen blanken mede-arbeider in het veld der genade. Mijn broeder en ik, die aan elkander grenzende goederen hebben, hebben onlangs op de grenslinie daartusschen eene kapel gebouwd en eenen geschikten prediker van de gezindte der Baptisten, waartoe de Negers bijna uitsluitend behooren, gebezigd om hun godsdienstig onderwijs te geven. Behalve als een voorbereidende stap tot emancipatie, houd ik het voor zeer onstaatkundig, zelfs wat de slaven zelven aangaat, hun te veroorloven om te leeren lezen en schrijven. „Waar onkunde een zegen is, is het dwaasheid wijs te zijn.” En het is zeker onstaatkundig wat de meesters aangaat, volgens den regel, „dat kennis magt is.” Mijne arbeiders hebben niet zulke lange feesttijden als die van de meeste andere lieden. Ik geef drie dagen met Kerstmis, en één dag met elk der drie andere tijden, behalve eenigen tijd om hunne plekjes grond te bewerken; of als het zeer druk is bewerk ik ze liever zelf. De meeste oude tijdverdrijven zijn in deze streek in onbruik geraakt, en godsdienst, valsche of echte, is daarvoor in de plaats gekomen. De banjo, hun nationaal instrument, is slechts in naam bekend, of in eenige weinige melodieën, die nog bewaard zijn gebleven. Eenigen van de jongste Negers zingen en dansen, maar de avonden en feestdagen worden gewoonlijk besteed met werken, bezoeken geven, en bidden en psalmen zingen. De oorspronkelijke gebruiken en vermakelijkheden worden, geloof ik, verder zuidwaarts beter bewaard, waar de slaven uit Afrika werden aangebragt lang nadat er daar vandaan hier kwamen.
6. De gewone voorziening van voedsel en kleeding voor diegenen, die te jong of te oud zijn om te arbeiden.—Mijne mannen ontvangen twaalf quarts maïsmeel (de overvloedige en algemeene toelaag in dezen Staat), zeven gezouten haringen en twee pond gerookt spek of drie pond varkensvleesch in de week; de anderen evenredig minder. Doch algemeen gesproken, wordt hun voedsel dagelijks uitgegeven, met uitzondering van het meel, en bestaat uit visch of spek tot ontbijt, en vleesch, versch of gezouten, met groenten, wanneer wij die verschaffen kunnen, tot middagmaal; of voor een paar maanden in de lente uit verschen gekookten visch met wat spek. Deze manier is eenigzins kostbaarder voor mij dan de wekelijksche rantsoenen, maar gemakkelijker voor de arbeiders. Oude of zwakkelijke slaven krijgen hunne levensmiddelen eens in de week; en van het oogenblik, dat het kind niet meer door de moeder gevoed wordt, ontvangt het acht quarts meel (meer dan het kan gebruiken) en een half pond spek. Behalve het door mij verschafte voedsel, zijn bijna al de slaven in staat om nog iets uit hun eigen voorraad daarbij te voegen, en onder de volwassenen bestaat naauwelijks een voorbeeld van iemand, die zoo weinig overleg heeft, dat hij dit niet doet. Het moet wel een slordige kerel zijn, die den wensch van den vermaarden Hendrik IV ten opzigte der Fransche boeren niet kan verwezenlijken en op zondag zijn hoen eten. Ik houd, ten gebruike der Negers, altijd suiker, stroop enz. in voorraad, welke, hoewel niet regelmatig uitgegeven, met de geringste voorwendselen, dikwijls zonder eenig voorwendsel, worden gevraagd en nooit worden geweigerd, behalve in geval van wangedrag. Wat kleederen betreft: de mannen en jongens ontvangen een winterrok en broek van sterk laken, drie hemden, een sterk paar schoenen en sokken, en een zomerpantalon, ieder jaar; een hoed om het andere jaar, en een overjas en deken elk derde jaar. In plaats van overjassen en hoeden, hebben de vrouwen groote kragen, om bij slecht weder het bovenlijf te beschermen, en doeken voor het hoofd. De verschafte kleedingstukken zijn goed en bruikbaar, en met hetgeen zij zelven koopen hebben zij een welvoegelijk en fatsoenlijk voorkomen. Op zondag zijn zij zelfs mooi. De bejaarden en ziekelijken worden even geregeld gekleed als de anderen, maar met minder sterke stoffen. Moeders ontvangen wat ruw katoen, in evenredigheid tot het aantal kinderen, met het voorregt dat het garen, als het gesponnen is, op mijne kosten geweven wordt. Ik voorzie hen van dekens. Weezen worden bij zorgvuldige vrouwen geplaatst en met teederheid behandeld. Ik ben aan de kleine slaven gehecht en moedig hen tot gemeenzaamheid aan. Somtijds wanneer ik voorbij het kwartier rijd, komen zij met de wonderlijkste verzoeken naar mij toe loopen, en worden tevreden gesteld door de uitdeeling van eene kleine gift. De beschrevene kleeding is die, welke aan de veldarbeiders gegeven wordt. Huisbedienden, eene zeer talrijke klasse in Virginië, worden natuurlijk anders en veel beter gekleed. Ik verzuimde op de behoorlijke plaats te vermelden, dat er op elk van mijne plantaadjes eene keuken, een oven en een of meer kooksters zijn, en dat ieder arbeider een blikken keteltje heeft voor zijn eten, dat door de kleine Negers naar het veld wordt gebragt, die de arbeiders ook van water voorzien.
7. Hunne behandeling in geval van ziekte.—Mijne Negers gaan (of worden gedragen) zoodra zij door ziekte aangetast zijn, naar een ruim en luchtig hospitaal, bij het heerenhuis. Zij worden daar door eene oplettende oppasster ontvangen, die eenen voorraad van medicijnen en beddegoed heeft, en over zooveel ligt voedsel kan beschikken als zij noodig mag hebben, hetzij van de tafel of uit de provisiekamer des eigenaars. Wijn, sago, rijst en andere kleine benoodigdheden van zulk eene inrigting worden altijd bij de hand gehouden. De omstandigheden der zieken zijn veel beter dan die der arme blanken of vrije kleurlingen in den omtrek.
8. Hunne belooningen en straffen.—Ik geef bij gelegenheid kleine geschenken voor goed gedrag, inzonderheid na den oogst, en weiger naauwelijks ooit eene gunst, welke door hen gevraagd wordt, die getrouw hunnen pligt vervullen. Boosaardige en luije arbeiders worden met slagen gestraft, met mate gegeven, waarbij in geval van diefstal het onthouden van vleesch wordt gevoegd, eene zware straf voor hen wie men dit anders nooit laat missen. Volgens mijne beperkte ondervinding denk ik, dat arbeiders in het Noorden veel zwaarder werken dan onze slaven. Ik was in een collegie in een der vrije Staten opgevoed, en bij mijne terugkomst in Virginië werd ik getroffen door het contrast. Ik was verbaasd over het aantal van ledigloopende dienstboden, en plaagde mijne moeder zeer, tot mijne latere beschaming, om het huishouden te verminderen; ik zeg tot mijne beschaming, omdat ik, na achttien jaren in het goede oude „dominion” gewoond te hebben, mij door een troep dienstboden omringd vond, bijna even talrijk als die, waartegen ik vroeger zoo luid schreeuwde. Terwijl ik aan dit onderwerp ben, zal het niet ongepast wezen een geval van vrijlating te vermelden, dat omtrent drie jaren geleden plaats had. Mijn naaste buurman, een man van ontzaggelijk vermogen, had een begunstigd dienaar, een knap kerel, met beschaafde manieren en een uitmuntend karakter, die lezen en schrijven kon, en volkomen bedreven was in de pligten van bottelier en huishouder, in welker vervulling hij een onbeperkt vertrouwen genoot. Deze man werd, bij den dood van zijnen meester, geëmancipeerd met een legaat van 6000 dollars, en bovendien nog ongeveer 2000 dollars meer, welke hij had mogen opsparen en aan zijnen meester in bewaring had gegeven, die hem daarvoor had gecrediteerd. Het gebruik dat deze man, schijnbaar zoowel geschikt voor de vrijheid, en die zooveel gelegenheid heeft gehad om te reizen en voor zichzelven te oordeelen, van zijn geld en zijnen tijd maakt, is eenigzins opmerkelijk. Uithoofde van zijn voorbeeldig gedrag, is het hem vergund in den Staat te blijven wonen, en voor een zeer matig loon vervult hij de zelfde betrekking, welke hij in het oude huishouden had, en die hij waarschijnlijk zoo lang als hij leeft zal behouden. Hij heeft geene eigene kinderen, maar heeft een meisje van zijne familie op eene school besteed. Behalve in dit opzigt, en in het koopen van eenige eenvoudige stukken huisraad, schijnen zijne vrijheid en zijn geld hem geen voordeel te hebben gedaan. Een bediende van mij, die vertrouwelijk met hem bekend is, denkt dat hij niet zoo gelukkig is, als hij voor zijne vrijlating was. Verscheidene andere bedienden werden te gelijker tijd vrijgelaten, met kleinere legaten, maar ik weet niet wat er van hen geworden is.
Ik beschouw de negerslavernij, hoezeer ook verzacht, niet als een Utopiaansch stelsel, en heb niet getracht haar als zoodanig af te schilderen. Maar zij bestaat, en het bezwaar om haar af te schaffen, wordt door iedereen gevoeld en erkend, behalve door de dweepers, die „gelijk dwazen instormen, waar engelen niet durven treden.” Het is aangenaam te weten, dat de bezwaren daarvan niet te drukkend zijn om gedragen te worden. Dat de behandeling der slaven in dezen Staat menschelijk, ja zelfs zacht is, kan worden opgemaakt uit hunnen snellen aanwas en langen levensduur. Ik geloof dat zij, wat hunnen zedelijken en ligchamelijken toestand betreft, zoo gelukkig zijn, als eenige boerenstand op de wereld; en als de slotsom van mijn onderzoek en mijne lectuur, durf ik verzekeren, dat in geen land de arbeiders zoo ruim en geregeld van brood en vleesch voorzien worden, als de negerslaven der Vereenigde Staten. Hoe groot de schaarschte van levensmiddelen wezen mag, de hongersnood bereikt hen nooit.
P.S. Ik had boven kunnen opgeven, dat op dit goed ongeveer honderd en zestig zwarten zijn. Met uitzondering van kleine kinderen, heeft er, zooveel ik mij herinner, in achttien maanden slechts één sterfgeval plaats gehad—dat van een man van volle vijf en zestig jaren. De rekening van geneeskundige hulp, sedert den tweeden van den vorigen November, een tijd van over het jaar, is minder dan veertig dollars.
De volgende berigten zijn ontleend uit „Ingraham’s Reizen in het Zuidwesten,” een werk dat evenzeer geschreven schijnt om de schoonheden der slavernij aan te toonen als iets anders. Van den staat der zaken op eenige zuidelijke plantaadjes sprekende, geeft hij de volgende tafereelen, die zonder aanmerking of toelichting worden medegedeeld:
De kleine kandidaten voor „bevordering naar het veld” zijn gedurende de eerste vijf of zes jaren van hun bestaan nuttelooze voorwerpen op eene plantaadje. Dan moeten zij de eerste les in het elementaire gedeelte hunner opvoeding nemen. Als zij hun hand-ABC tamelijk wel geleerd hebben, worden zij in het veld gezet om te leeren spellen—dat is katoen plukken. De eerste dag in het veld is hun schoonste dag. De jonge Negers zien daarnaar met evenveel rusteloos ongeduld uit, als schooljongens naar eene vacantie. Zwarte kinderen worden niet zoo vroeg aan het werk gezet, als vele kinderen van arme ouders in het Noorden. Het is dikwijls het geval, dat de kinderen van huisbedienden gunstelingen in huis en speelmakkers van de blanke kinderen der familie worden. Geen tooneel kan levendiger of voor een Noorderling interessanter zijn dan dat, hetwelk het negerkwartier eener welgeregelde plantaadje op eenen zondagochtend, even voor kerktijd, aanbiedt. In elke hut zijn de mannen aan het scheren en kleeden; de vrouwen, in hare bonte katoentjes gekleed, maken hare gekroesde haren op—waarop zij niet weinig grootsch zijn—en zien den staat van hare kinderen na; de oude lieden, net gekleed, zitten bij de deuren stil te praten of te rooken; en diegenen van de jongere bevolking, die niet juist de pijniging der waschtobbe ondergaan, vermaken zich in de schaduw van het geboomte of om een kleinen waterplas, met evenveel lust, alsof slavernij en vrijheid woorden van gelijke beteekenis waren. Wanneer allen gekleed zijn, en het uur voor de godsdienstoefening komt, sluiten zij hunne hutten, en gaat de geheele bevolking van het dorpje naar de kerk, waar de dienst verrigt wordt, somtijds door een geordend geestelijke, somtijds door den planter zelven, als hij lid eener kerk is. De geheele plantaadje wordt ook dikwijls in eene zondagsschool hervormd, welke door den planter of door een lid zijner familie onderwezen wordt; en dikwijls is de zorg van hunnen meester, om hen te doen begrijpen wat hun geleerd wordt—eene moeijelijke zaak bij den tegenwoordigen staat hunner geestvermogens—zoo groot, dat geene middelen, om hen te doen vorderen, onbeproefd worden gelaten. Niet lang geleden werd mij een geschreven catechismus getoond, met veel zorg en oordeel door een voornaam planter opgesteld, op eene manier, die uitmuntend naar de vatbaarheid der Negers berekend was.
Het is thans gebruikelijk de slaven met goedheid te behandelen; en die planters, van wie men weet, dat zij onmenschelijk hard voor hunne slaven zijn, worden door het meer beschaafde en menschelijke gedeelte der maatschappij naauwelijks meer voorgesproken. Zulke voorbeelden zijn echter zeldzaam; maar er zijn overal menschen zonder zedelijke beginselen, die hunne kwaadaardigheid en hartstogtelijkheid botvieren, niet minder vaardig op den rug van een door een contract gebonden leerknaap, als op dien van een gekochten slaaf. Huiskapellen worden thans gesticht op de meeste plantaadjes van vermogenden, die ver van eene kerk liggen; zondagsscholen worden voor zwarte kinderen en bijbelklassen voor de ouders gevestigd, onder toezigt van den planter, van een kapellaan of van eenige vrouwelijke leden der familie.
Ook zijn de planters niet onverschillig voor den welstand hunner grijze slaven. Ik ben dikwijls geroerd door het zien der vele blijken van hun welwillend gevoel voor deze lieden. Zij spreken hen altijd op een zachten en vriendelijken toon aan, als Uncle of Aunty (Oom of Tante), benamingen welke aan oude Negers en Negerinnen even algemeen gegeven worden, als die van boy en girl (jongen en meid) aan allen onder de veertig jaren. Sommige oude Afrikanen laat men hunne laatste jaren in hunne huizen slijten, zonder eenigerlei werk te doen; als zij niet al te zwak zijn, bebouwen deze lieden kleine plekken gronds, waarop zij eenige groenten kweeken—want groenten groeijen in dit klimaat bijna het geheele jaar door—en zoo een weinig geld winnen, om zich eenige bijzondere gemakken te verschaffen. Zij ontvangen ook altijd geschenken van hunne meesters en meesteressen en de Negers op het goed, welke laatste bijzonder verlangend zijn, om de oude lieden tevreden te zien. Eene optelling van de buitengewone gerijfelijkheden, welke sommige planters hunne slaven vergunnen, zou in het Noorden bezwaarlijk geloof vinden. Maar gij moet bedenken, dat de zuidelijke planters menschen zijn, menschen van gevoel, edelaardig en hooghartig, en even menschlievend als de zonen van een kouder klimaat—hoewel zij mogen geleerd hebben, om datgene voor een regt te houden wat eene verschillende opvoeding de Noorderlingen geleerd heeft, als een onregt te beschouwen.
Over het karakter van Mrs. Shelby moet de schrijfster eenige woorden zeggen. Toen zij eenige jaren geleden in Kentucky reisde, deelden eenige godvruchtige dames haar ten aanzien der slavernij dezelfde gevoelens mede, welke de lezer door Mr. Shelby heeft hooren uitdrukken.
Er zijn velen, wier natuurlijk gevoel van regt de gruwelen van het stelsel niet kan leeren dulden, hoewel zij dit door geestelijken van den kansel hooren verdedigen, en door allen die door rang en rijkdom uitmunten, zien voorstaan.
Eene vrome dame zeide tot de schrijfster, ten aanzien van het onderwijs harer slaven: „ik schaam mij om hen te leeren wat regt is. Ik weet dat zij even goed weten als ik, dat het onregt is hen als slaven te houden, en ik schaam mij om hen in het gezigt te zien.” Naar eene schrandere mulattin wijzende, die de kamer doorging, vervolgde zij: „daar is nu B—. Zij is zoo schrander en knap, als eenige blanke vrouw, die ik ooit gekend heb, en evenzeer geschikt om hare vrijheid te hebben en op zichzelve te passen; en zij weet dat het niet regt is haar te houden, gelijk wij doen, en ik weet dat ook; en toch kan ik mijn man niet overhalen om te denken zoo als ik, of ik zou hen gaarne vrij laten.”
Eene eerwaardige vriendin der schrijfster, eene dame als slavenhoudster geboren en opgevoed, gebruikte tegen de schrijfster dezelfde woorden, aan Mrs. Shelby toegeschreven: „ik heb nooit gedacht, dat het regt was slaven te houden. Ik heb het altijd voor onregt gehouden, toen ik nog een meisje was, en nog meer, sedert ik lid van de kerk geworden ben.” Een voorval door deze vriendin, verhaald uit haar examen om tot de kerk te worden toegelaten, is een treffend bewijs van het verschil, dat dikwijls tusschen theoretische en practicale menschlievendheid kan bestaan.
Zekere klasse van godgeleerden in Nieuw-Engeland telt zulke ijverige voorstanders der leer van belanglooze menschlievendheid, dat zij het tot een verpligtend geloofsartikel maken, dat ieder persoon gewillig behoort te zijn, om eeuwigdurende ellende te ondergaan, indien hij daardoor over het geheel eene grootere mate van algemeen goed in het heelal kon te weeg brengen; en somtijds werd aan diegenen, die lid der kerk verlangden te worden, de vraag gedaan, of zij zich zelven, ten proeve hunner opregtheid, tot deze gezindheid konden brengen. De geestelijke, die deze dame zou examineren, stelde bijzonder belang in deze bespiegelingen. Toen hij haar vroeg naar hare begrippen ten opzigte van de verpligtingen des Christendoms, zeide zij hem, dat zij stellig gezind was, om hare slaven, waarvan zij een groot aantal had, te emanciperen. De geestelijke scheen dit een eenigzins overdreven ijver te vinden, en raadde haar dat zij tijd zou nemen om er over na te denken. Hij was echter zeer dringend om te weten, of zij, indien dit blijken mogt ten beste voor het heelal te wezen, gewillig zou zijn om verdoemd te worden. Geheel ongewoon aan godgeleerde bespiegelingen, antwoordde de goede vrouw met eenige drift, „dat zij dit wel zeker niet wilde,” er natuurlijk genoeg bijvoegende, dat zij, indien dit haar voornemen was, niet tot de kerk behoefde te komen. De goede dame werd echter aangenomen en bewees haar ijver ten algemeenen beste op eene meer tastbare manier, door alle hare slaven in vrijheid te stellen, en nadat zij vrijgelaten waren zorgvuldig over hunne opvoeding en belangen te waken.
Mrs. Shelby is een echt model van de beste klasse der zuidelijke vrouwen; en terwijl de onheilen der instelling gevoeld en betreurd worden, en terwijl de wereld met billijke verontwaardiging den nationalen onderstand aanzien, die aan deze instelling gegeven wordt, zoo wel als de mannen, die, met haren aard bekend, koelbloedig pogingen aanwenden om haar te bevestigen en uit te breiden, is het billijk dat zij ook de deugden van zulke personen gedachtig blijft.
Velen van haar, omringd door omstandigheden, waarover zij geene magt kunnen hebben, verbijsterd door huiselijke zorgen, waarvan de vrouwen in vrije staten zich weinig kunnen verbeelden, overladen met pligten en verantwoordelijkheden die hare levenskrachten verteren, gaan nog van dag tot dag met moed en geduld voort, alles doende wat zij kunnen om te verligten wat zij niet kunnen verhinderen, en zoo ver den kring van haar vermogen zich uitstrekt, diegenen die van haar afhankelijk zijn voor de onheilen van het stelsel te behoeden.
Wij lezen van Hem, die eens ten oordeel zal komen, dat „zijne wan in zijne hand is, en dat hij zijnen dorschvloer zal zuiveren en zijne tarwe in de schuur verzamelen.” Uit den grooten afgrond van nationale zonde zal hij ieder korreltje van een goed en opregt voornemen en oogmerk redden. Zijne oogen, die als vlammen vuurs zijn, dringen terstond door in die ingewikkelde doolhoven, waarin het menschelijk oordeel verdwaalt, en Hij zal ten laatste de waarlijk goeden en opregten behouden en vereeren, hoezeer zij ook in het kwaad betrokken mogen zijn geweest; en die zielen, welke de grootste verzoekingen hebben wederstaan, en die onder de moeijelijkste omstandigheden in het goede hebben volhard, deze zijn het van wie geschreven is: „Zij zullen, zegt de Heer der heirscharen, te dien dage, dien Ik make zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschoonen, gelijk als een man zijnen zoon verschoont, die hem dient.”
1 Het hoofd van den opstand in Beneden-Virginië, waarbij boven de honderd blanken, meest vrouwen en kinderen, in koelen bloede werden vermoord.
Hoofdstuk IV.
George Harris.
Inhoudsopgave
Men heeft de teekening van George Harris overdreven genoemd, zoowel wat zijn uiterlijk voorkomen als wat zijn karakter en zijne geestvermogens betrof. Men heeft het ook onwaarschijnlijk genoemd dat zoo vele bedroevende gebeurtenissen eenen slaaf zouden overkomen, en gezegd dat dit gedeelte van het verhaal aldus eene verdraaide voorstelling van de zaak geeft.
Wat zijn persoonlijk voorkomen betreft, moet men zich herinneren dat personen van gemengd ras dikwijls in groote mate de trekken hunner blanke voorouders erven. Hiervan vindt men overvloedige bewijzen in advertentiën in dagbladen, gelijk blijkt uit de volgende, uit de „Chattanooga Gazette” (Tennessee) 5 October, 1852.
500 dollars belooning.
Weggeloopen van den ondergeteekende, op 25 Mei, een zeer lichte mulat omtrent 21 of 22 jaren oud, genoemd Wash. Gezegde mulat zou zich, zonder scherpe oplettendheid, voor een blanke kunnen uitgeven, daar hij zeer helder is—heeft blond haar, blaauwe oogen en fraaije tanden. Hij is een uitmuntend metselaar; maar ik denk niet dat hij zijn beroep zal voortzetten, uit vrees voor ontdekking. Hoewel hij in voorkomen naar een blanke gelijkt, heeft hij den aard van eenen Neger en heeft veel vermaak in komieke liedjes en grappige gezegden. Hij is een uitmuntend huisknecht, zeer handig in een hotel—rijzig, rank, en ziet eenigzins verlegen, vooral wanneer hij aangesproken wordt, en is somtijds genegen om stug te zijn. Ik twijfel niet of hij is door een of ander schelm weggelokt, en zal bovengemelde belooning geven voor het vatten van den jongen en den dief, te Chattanooga overgeleverd. Of ik wil 200 dollars geven voor den jongen alleen, of 100 dollars indien hij opgesloten wordt in eene gevangenis in de Vereenigde Staten, zoodat ik hem bekomen kan.
George O. Ragland.
„Chattanooga, 15 Junij 1852.”
Uit den „Capitolian Vis-à-Vis,” West Baton Rouge, Louisiana, 1 November 1852:
150 dollars belooning.
„Weggeloopen omstreeks 15 Augustus laatstleden, Joe, een geel man; klein, omtrent 5 voet, 8 of 9 duim lang en omtrent 20 jaren oud. Heeft een Romeinschen neus, was te Nieuw Orleans groot gebragt, en spreekt Fransch en Engelsch. Hij werd verleden Winter gekocht van Mr. Digges, Banks Arcade, Nieuw Orleans.”
Wat geestvermogens betreft, zal de lezer zich wel herinneren, dat de schrijfster het als eene daadzaak vermeldde, welke zij op eene reis door Kentucky vernam, dat een jong kleurling eene machine had uitgevonden om hennip te zuiveren, gelijk die, waarvan in haar verhaal gesproken wordt.
Nu en dan komen ook advertentiën voor, waarin handwerkslieden van verschillende soort te koop worden geboden. Slaven worden dikwijls als loodsen gebruikt en hoog gewaardeerd om hunne kunde en bekwaamheid. De volgende advertentiën zijn uit zeer jonge dagbladen.
Uit de „South Carolinian” (Columbia) 4 December, 1852.
Openbare verkooping van kostbare Negers door J. en L. T. Levin.
Zullen verkocht worden op maandag, den 6den dag van December, de volgende kostbare Negers:
Andrew, 24 jaren oud, metselaar en stukadoor, een zeer bekwaam werkman.
George, 22 jaren oud, een van de beste barbiers in den Staat.
James, 19 jaren oud, een uitmuntend schilder.
Deze jongens zijn in Columbia opgebragt, en zijn uitzonderingen op de meeste jongens, en worden om geen gebrek hoegenaamd verkocht.
De voorwaarden der verkooping zijn half contant geld, de wederhelft op een crediet van zes maanden, met interest, voor wissels, betaalbaar bij de bank, met twee of meer goedgekeurde endossementen.
De koopers betalen voor de noodige papieren.
| 27 November. | William Douglass. |
Uit hetzelfde blad van 18 November 1852.
Uit de hand te koop, een knap man, bootroeijer en goede loods; is wel bekend met al de inhammen tusschen hier en Savannah en George-Town.
Wat de voorvallen in het leven van George Harris betreft, willen wij, opdat men zijn geval niet voor eene buitengewone uitzondering houde, eenige dergelijke omstandigheden mededeelen uit het leven van slaven onder onze persoonlijke bekenden.
Lewis Clark is een bekende der schrijfster. Kort nadat hij de slavernij was ontvlugt, werd hij in de familie eener schoonzuster der schrijfster opgenomen en daar opgevoed. Zijn gedrag gedurende dien tijd was zoodanig, dat hij daardoor buitengemeene achting en genegenheid won, en de schrijfster heeft dikwijls door allen die hem kenden met den hoogsten lof van hem hooren spreken.
De heer, in wiens familie hij zoo lang geweest is, zegt van hem onlangs in eenen brief aan de schrijfster: „Ik zou hem, gelijk men zegt, ongeteld goud vertrouwen.”
Lewis is een quadron, van een zeer goed voorkomen, met Europesche trekken, ligt golvend haar en wiens gezigt eene schrandere, innemende uitdrukking heeft.
Zijne moeder was eene fraaije quadrone, de dochter van haren meester en door hem ten huwelijk gegeven aan eenen vrijen blanke, een Schot, met uitdrukkelijke afspraak, dat zij en hare kinderen vrij zouden zijn. Deze verbindtenis, zoo die al ooit opregt was, werd nooit vervuld. Zijne moeder kreeg negen kinderen, en na den dood van haren man, kwam zij, met al deze kinderen als slaven, weder bij haren vader in huis.
Eene getrouwde dochter der familie, die door de heftigheid van haar karakter de schrik van het geheele gezin was, had bij haar huwelijk een jong meisje uit het huis medegenomen. Door hare geweldige mishandelingen bragt zij dit kind spoedig tot eenen toestand van wezenlooze krankzinnigheid, en kwam toen verstoord naar haren vader terug, zeggende dat het kind tot niets deugde en zij een ander wilde hebben; en het ongeluk van den armen Lewis wilde, dat zij het oog op hem liet vallen.
Om eene harer vreeselijke uitbarstingen van drift te vermijden, gaf de familie den knaap als een zoenoffer aan haar over. Dit voorval wordt door Lewis in een door den druk openbaar gemaakt verhaal, aldus beschreven:
Alle knapen werden geroepen, om voor deze heks voorbij te gaan, opdat zij een slagtoffer voor hare boosaardigheid zon kunnen uitzoeken, waarop zij jaren lang de phiolen harer gramschap kon uitstorten. Ik was die ongelukkige. Mr. Campbell, mijn grootvader, verzette zich hiertegen, omdat dit eene familie zou verdeelen, en bood haar Mozes aan;—maar tegenwerpingen en bedenkingen van allerlei soort werden door de woeste oploopendheid en de schelle stem van Mrs. B. weggevaagd. Mij wilde zij hebben en niemand anders. Mr. Campbell ging uit om te jagen en kwade gedachten te verdrijven; de oude dame hield zich stil, want zij was zeker, dat er geen bloed van haar in mijne aderen stroomde, en indien er van haren man in was, zoo was het hare schuld niet. Vrouwen van slavenhouders zijn altijd wraakzuchtig op slavenkinderen, die bloed van haren man in de aderen hebben. Ik was te jong—nog maar zeven jaren—om te begrijpen wat er voorviel; maar mijne arme, liefderijke moeder begreep en gevoelde alles. Toen zij de keuken van het heerenhuis verliet, waar zij als keukenmeid werd gebezigd, en te huis kwam in haar eigen hutje, had zij tranen van zielangst in de oogen en stond de droefheid op al de trekken van haar gelaat geteekend. Zij kende de vrouwelijke Nero, wier roede nu over mij zou zijn. Dien nacht ontweek de slaap hare oogen. Met het jongste kind vast aan hare borst gedrukt, sleet zij den nacht met heen en weder wandelen, telkens komende om het dek op te ligten en naar mij en mijn armen broeder te zien, terwijl wij lagen te slapen. Te slapen, zeg ik. Mijn broeder sliep, maar ik niet. Ik zag mijne moeder, toen zij voor het eerst bij mij kwam en kon niet slapen. Het tooneel van dien nacht—de diepe, onuitwischbare indruk daarvan—is mij nog voor den geest met al de duidelijkheid van gisteren. Des morgens werd ik bij Mrs. B. en hare kinderen in het rijtuig gezet, en begon mijn vermoeijenden pelgrimstogt van lijden.
Mrs. Banton is een karakter, dat alleen kan bestaan, waar de wetten des lands de grofste, onredelijkste en oploopendste menschen, evenzeer als de edelmoedigste en menschlievendste, met onbeperkte magt bekleeden.
Wanneer magt zonder verantwoordelijkheid eene beproeving is voor de deugd der waakzaamsten en zorgvuldigsten, hoe snel moet zij dan de wreedheid ontwikkelen bij hen die van nature oploopend en barbaarsch zijn.
Deze vrouw was met een dronken man van even woesten aard vereenigd. Een verhaal van de ligchamelijke martelingen, welke dit paar het ongelukkige kind wist aan te doen, en waarvan sommige onuitwischbare teekenen op zijn ligchaam hebben gelaten, zou het voor menschelijk gevoel al te pijnlijk zijn, en wij werpen gaarne eenen sluijer daarover.
Eenige voorvallen worden echter in de volgende uittreksels medegedeeld:
Een zeer gering vergrijp was voldoende om bij deze vrouw met ontembare hartstogten eene groote uitbarsting van verontwaardiging uit te lokken. In mijne eenvoudigheid zette ik eens mijne lippen aan denzelfden kop, waaruit een van hare kinderen gewoon was te drinken, en dronk er uit. Zij gaf haar afgrijzen over zulk een bedrijf te kennen door mijn hoofd met geweld achterover te duwen en mij twee scheppen water in het gezigt te werpen. Deze besprenkeling met water, werd door eene zwaardere besprenkeling met schoppen gevolgd; maar de bittere, snijdende woorden, die daarop volgden, waren als een hagelstorm op mijn jeugdig hart. „Zij zou mij wel betere manieren leeren; zij zou mij laten voelen wat het was naar hare hand gezet te worden; zij wilde één slaaf, die zijne plaats kende; als ik water wilde hebben, moest ik naar de bron gaan en niet daar in huis drinken.” Het was een nieuwe tijd voor mij: eenige dagen lang was ik geheel versuft van smart.
Indien er iemand is, die zoo geheel alle gevoel verloren heeft, dat hij zeggen kan, dat slaven er niet onder lijden, wanneer familiën gescheiden worden, laat zoo iemand naar de gescheurde deken gaan, die mijn bed en peluw was, en daar nacht op nacht, door de lange slepende uren heen, de bittere tranen zien stroomen over het gezigt van dat meer dan wees geworden kind, dat met half gesmoorde zuchten en snikken om zijne afwezige moeder roept.
Hij werd tot laat in den nacht bezig gehouden met vlas te spinnen en het kleinste kind te wiegen, en des morgens zeer vroeg geroepen; en indien hij niet met het eerste roepen opsprong, volgde er zeker eene wreede kastijding. Hij zegt:
Zulk een angst bleef mij bij, dat ik den eersten schellen roep niet hooren zou, dat ik mij dikwijls in mijne droomen verbeeldde, die onwelkome stem te hooren, en uit mijn bed sprong en het huis door en naar buiten ging, eer ik wakker werd. Ik heb in mijn slaap de andere slaven gaan roepen en hun gevraagd of zij meester niet hadden hooren roepen. Nooit, zoo lang ik leef, zal de herinnering dier lange bittere nachten van angst uit mijn gemoed verdwijnen.
Hij voegt bij deze woorden, die wel overwogen mogen worden door hen die hunne ziel troosten met den streelenden balsem, dat de onderdrukten het verscheuren van familie-banden niet voelen:
Maar al mijn zware arbeid, en de bittere en wreede straffen, gedurende de tien jaren mijner gevangenschap bij deze erger dan Arabische familie, dit alles was als niets bij het leed, dat ik daarover ondervond, dat ik van mijne moeder broeders en zusters gescheiden was; dezelfde dingen, met hen bij mij, om mij te beklagen, om mijne verhalen van smart te hooren, zouden vergelijkender wijze dragelijk zijn geweest.
Zij waren slechts ongeveer dertig mijlen van mij af, en toch was het mij in de tien lange eenzame jaren mijner kindschheid slechts driemaal vergund hen te zien.
Mijne moeder vond nu en dan gelegenheid om mij een teeken van herinnering en genegenheid te zenden, een suikeramandel of een appel; maar bijna nooit at ik ze; zij werden bewaard, betast en beschreid, tot zij in mijne hand versleten.
Mijne gedachten over dag en mijne droomen des nachts waren altijd van mijne moeder en te huis; en de ontzetting, waarmede ik des morgens ontwaakte en bevond dat het maar een droom was, is boven het vermogen der taal om te beschrijven.
Lewis had eene schoone zuster, Delia geheeten, die na den dood van haren grootvader, met al de kinderen harer moeder ter verdeeling van het vermogen werd verkocht. Zij was een godvreezend meisje, lid van de Baptistenkerk. Zij viel in de handen van een woesten dronkaard, die haar tot zijne bijzit wilde maken. Milton Clark, een broeder van Lewis, beschrijft in het verhaal van zijn leven het tooneel, waar hij met zijne moeder aan de deur stond, terwijl dit meisje daarvoor barbaarsch werd gegeeseld, omdat zij aan de beginselen harer Christelijke belijdenis wilde getrouw blijven. Daar haar besluit onverzettelijk was, werd zij in eenen troep gestoken en naar de markt van Nieuw-Orleans gezonden. Hier werd zij aan een Franschman verkocht, Coval geheeten; hij nam haar mede naar Mexico, verklaarde haar vrij en trouwde haar. Nadat zij eenigen tijd met hem in Frankrijk en de West-Indiën had gewoond, stierf hij, haar een vermogen van twintig of dertig duizend dollars nalatende. Bij haren dood poogde zij dit geld te vermaken om de vrijheid harer broeders te koopen; maar daar een slaaf geen vermogen in bezit kan nemen, en het zelfs niet voor hem kan vastgemaakt worden, hebben zij nooit iets daarvan ontvangen.
De omstandigheden, onder welke Lewis zijne vrijheid herkreeg, worden aldus verhaald:
Ik had lang aan vrijheid gedacht en er van gedroomd; ik had nu besloten eene poging te doen om haar te winnen. Geene tong kan den twijfel, de ongerustheid en den angst uitspreken, die een slaaf gevoelt, wanneer hij in dit opzigt een besluit wil nemen. Indien hij eene poging doet en deze niet gelukt, wordt hij door zijne makkers uitgelagchen, door zijnen meester onbarmhartig geslagen, en dan al zijn leven daarvoor scherper bewaakt en harder behandeld.
En dan, wanneer hij weg komt, wie, wat zal hij vinden? Hij is onbekend met de wereld. Het geheele blanke gedeelte van het menschdom, dat hij ooit gezien heeft, zijn vijanden van hem en van geheel zijn geslacht. Hoe kan hij zich wagen, waar geene andere dan blanke gezigten hem zullen groeten? Zijn meester zegt hem, dat de abolitionisten slaven naar de vrije staten lokken, om hen op te vangen en naar Louisiana of Mississippi te verkoopen; en dat als hij naar Canada komt, de Engelschen hem beide oogen zullen uitsteken en hem voor zijn leven in eene mijn onder den grond zetten. Hoe weet hij wat of wien hij gelooven moet? Een angst van groote duisternis overvalt hem, als hij bedenkt wat hem overkomen kan. Lang, zeer lang dacht ik er aan om te ontsnappen, eer ik eene poging deed.
Eindelijk hoorde ik bij geruchte, dat ik naar Louisiana zou verkocht worden. Toen dacht ik was het tijd om te handelen. Mijn besluit was genomen.
Wat ik gevoelde, toen ik de vrije kust bereikte, kan men zich beter verbeelden dan het beschrijven. Ik beefde overal van diepe aandoening, ik kon mijne haren te berge voelen rijzen. Ik was op wat men vrijen grond noemde, onder een volk, dat geene slaven had. Ik zag blanke mannen aan het werk, en geen slaaf onder de zweep krimpende. Alles was inderdaad nieuw en wonderbaar. Niet wetende waar een vriend te vinden, onkundig van het land en ongenegen om te vragen, uit vrees van mijne onkunde te verraden, duurde het eene geheele week eer ik Cincinnati bereikte. Op eene plaats, waar ik vertoefde, werden mij veel meer vragen gedaan, dan ik wenschte te beantwoorden. Op eene andere plaats werd ik zeer in verlegenheid gebragt door de gedienstigheid van den kastelein, die er zijn werk van maakte om elken gast met nieuwsbladen te voorzien. Ik nam het blad, dat hij mij gaf, en sloeg het op eene eenigzins onhandige manier om, naar ik denk. Hij kwam naar mij toe om mij een veto of eenig ander gewigtig nieuws te wijzen. Ik achtte het best voor zijne hulp te bedanken, en gaf het blad terug, zeggende, dat mijne oogen niet in een staat waren om veel te lezen.
Op eene andere plaats kwamen de buren, vernemende dat er een Kentuckiër in de herberg was, met grooten ernst onderzoeken wat ik daar te doen had. Kentuckiërs kwamen somtijds daar om menschenroof te plegen. Zij waren gewoon scherp op hen te letten. Eindelijk voldeed ik hen door hen te verzekeren, dat ik geheel geen slavenhouder was en mijn vader ook niet; maar opdat hunne vermoedens geene tegenovergestelde rigting zouden nemen, voegde ik er bij, dat mijn grootvader een slavenhouder was.
Met het daglicht waren wij in Canada. Toen ik hier aan land stapte, zeide ik: Nu zeker ben ik vrij! Goede Hemel! welk eene gewaarwording, wanneer zij voor het eerst de borst van een volwassen man bezoekt; van iemand tot slavernij geboren; van iemand, die van zijne vroegste kindschheid af geleerd heeft, dat deze levenslang zijn onvermijdelijk lot was! Niet voor toen durfde ik voor een oogenblik het gevoel koesteren, dat een der leden van mijn ligchaam mijn eigen was. De slaven zeggen dikwijls, wanneer zij in hand of voet gehakt worden: „De pest op die oude hand,” of „dien ouden voet! Hij is van meester! Laat hij er op passen; neger kan het niet schelen of hij ooit weêr beter wordt.” Mijne handen en voeten waren nu mijne eigene.
Men zal zich herinneren, dat George, met Eliza sprekende, haar verhaalt hoe hij door het zoontje van zijn meester ongenadig geslagen werd. Deze bijzonderheid werd in de pen gegeven door den volgenden brief van John M. Nelson aan Mr. Theodore Weld, medegedeeld in „De slavernij gelijk zij is.”
Mr. Nelson verhuisde vele jaren geleden uit Virginië naar Highland County, Ohio, waar hij algemeen bekend en geacht is. Zijn brief is gedagteekend 3 Januarij 1839.
Ik werd in Augusta County, Virginië, geboren en groot gebragt. Mijn vader was ouderling in de Presbyteriaansche kerk en eigenaar van ongeveer twintig slaven; hij was wat men gewoonlijk een goed meester noemt. Zijne slaven waren doorgaans tamelijk wel gevoed en gekleed en moesten niet al te zwaar werken. Somtijds werd hun vergund naar de kerk te gaan, of werden zij bij de huiselijke godsdienstoefening geroepen; weinigen evenwel maakten van die voorregten gebruik. Bij sommige gelegenheden heb ik hen gestrengelijk door hem zien geeselen, inzonderheid voor de misdaad van te beproeven om hunne vrijheid te bekomen, of voor hetgeen „wegloopen” genoemd werd. Hiervoor werden zij strenger gegeeseld dan voor iets anders. Nadat zij weder gevat waren, heb ik hen naakt zien uitkleeden en bij de handen ophangen, somtijds aan een boom, somtijds aan een paal, zoodat hunne voeten maar even den grond konden raken, en dan met een lederen riem slaan, tot het bloed hun van den rug droop. Een jongen, Jack genoemd, heb ik inzonderheid meer dan eens op deze manier zien afstraffen. Toen ik nog geheel een kind was, herinner ik mij, dat het mij zeer speet er een te zien „opbinden” om gegeeseld te worden, en ik plagt met tranen voor hen te spreken en mijn geschreeuw met het hunne te vereenigen, bijna gewillig om een gedeelte der straf op mij te nemen. Ik werd door mijn vader zeer gestreng over deze soort van medelijden doorgehaald. Doch van zulk eenen verhardenden aard zijn deze tooneelen, dat ik van deze soort van barmhartigheid voor den lijdenden slaaf tot zulk eene verstomping kwam, dat ik niet alleen hunne slagen met bedaardheid kon aanzien, maar ze hun zelf toebrengen, en dat zonder knaging. Naar één geval heb ik dikwijls met smart en berouw teruggezien, vooral sedert ik tot de overtuiging ben gekomen, „dat Negers menschen zijn.” Toen ik misschien veertien of vijftien jaren oud was, wilde ik een jongen kerel, Ned geheeten, voor een of ander vermeend misdrijf straffen—ik geloof, dat het was, dat hij een toom van de bepaalde plaats had gelaten; en daar hij grooter en sterker was dan ik, hield hij mijne armen vast, om mij te verhinderen van hem te slaan. Dit hield ik voor het toppunt van onbeschaamdheid, en riep om hulp, waarop mijn vader en mijne moeder beiden tot mijn ontzet kwamen toeloopen. Mijn vader ontkleedde en bond hem, bragt hem naar den boomgaard, waar teentjes in overvloed lagen, en beval mij hem te geeselen; wanneer het eene teentje versleet, gaf hij mij anderen aan. Nadat ik hem een poos had gegeeseld, viel hij op zijne knieën om vergiffenis te smeeken, en ik schopte hem in zijn gezigt. Mijn vader zeide: „Schop hem niet, maar geesel hem;” en dit deed ik tot zijn rug letterlijk met striemen bedekt was. Ik weet, dat ik berouw gehad heb, en ik vertrouw, dat ik voor deze dingen vergiffenis heb ontvangen.
Mijn vader was eigenaar van eene vrouw (wij plagten haar Tante Grace te noemen), die in Oud-Virginië was gekocht. Zij zeide mij, dat haar oude meester haar in zijn testament hare vrijheid had gegeven, maar bij zijn dood zijne zonen haar toch aan mijn vader verkocht hadden. Toen hij haar kocht, liet zij eenigen onwil blijken om met hem mede te gaan; waarop zij in boeijen werd gezet en met geweld medegenomen. Dit was vóór dat ik geboren werd, maar ik herinner mij de boeijen gezien te hebben, en dat mij gezegd werd waarvoor zij gebruikt waren. Tante Grace leeft nog, en moet tusschen de zeventig en tachtig jaren oud zijn; zij is de laatste veertig jaren eene voorbeeldige Christinne geweest. Toen ik een jongeling was, gaf ik mij eenige moeite om haar te leeren lezen; dit is nu een groote troost voor haar. Sedert ouderdom en zwakheid haar van weinig waarde voor hare eigenaars hebben gemaakt, wordt haar toegelaten zooveel te lezen als zij verkiest; dit kan zij, met hulp van een bril, in den ouden huisbijbel doen, die bijna het eenige boek is, dat zij ooit heeft ingezien. Dit, met eenig verstelwerk voor de zwarte kinderen, is al wat zij doet; zij wordt nog als slavin gehouden. Ik herinner mij nog wel, welk een hartverscheurend tooneel het in de familie was, toen mijn vader haar man verkocht; dit was, naar ik meen, vijfendertig jaren geleden. En toch werd mijn vader voor een der beste meesters gehouden. Ik weet van weinigen, die beter waren, maar van velen, die erger waren.
Wat de geestvermogens van George betreft en dat hij zichzelven leerde lezen en schrijven, vindt men een zeer belangrijk en roerend voorbeeld van een daarmede overeenstemmend geval in het „Leven van Frederick Douglass,” een boek, dat iedereen kan worden aanbevolen, die nieuwsgierig is om te zien hoe een krachtige en werkzame geest zich door al de ellende, vernedering en verdrukking der slavernij heenworstelt. Eenige weinige omstandigheden moeten vooraf vermeld worden.
Even als Clark, was Douglass de zoon van eenen blanke. Hij was een plantaadje-slaaf in eene oude trotsche familie; zijn toestand kan waarschijnlijk voor een gewonen gehouden worden; hij leefde namelijk in morsigheid, vernedering en onder ongemakken van verschillenden aard, hem door dagelijksche gewoonte tamelijk dragelijk geworden, en bij vergelijking met het lot van hen, die ergere mishandelingen lijden, voor benijdenswaardig gehouden. Eene omstandigheid, welke Douglass van zijne moeder verhaalt, is zeer treffend. Hij zegt, dat het gebruikelijk is de moeders vroeg van hare kinderen te scheiden, om aldus haar natuurlijk gevoel te verstompen en uit te dooven. Toen hij drie jaren oud was, werd zijne moeder naar eene plantaadje op acht of tien (Eng.) mijlen afstands gezonden om te werken, en daarna zag hij haar nooit behalve des nachts. Na het einde van haar dagwerk kwam zij nu en dan naar haar kind, legde zich daarmede in hare armen neer, suste het aan hare borst in slaap, en stond dan weder op om terug te gaan en bij den dageraad voor het veldwerk gereed te zijn. Nu vragen wij de voornaamste dame in Engeland of Amerika, die moeder is, of dit niet bewijst, dat deze arme veldarbeidster, onder hare vuile lompen, een echt moederhart in de borst had?
De laatste en bitterste vernedering, welke men over het hoofd der ongelukkige slaven heeft uitgestort, is, dat men hun die heilige aandoeningen ontzegt, welke God aan alle menschen eveneens gegeven heeft. Wij hooren door kwijnende modedames, met fraaije woorden zeggen: „het is niet te veronderstellen, dat die schepselen hetzelfde gevoel hebben als wij,” terwijl de spreekster niet het tiende deel der vermoeijenis en pijn zou kunnen verduren, welke eene slavinnen-moeder dikwijls voor haar kind verdraagt. Elke moeder, die een moederhart in de borst heeft, moet weten dat dit eene lastering is tegen de natuur, en tusschen de wieg van haar levend en het grafje van haar dood kind staande, zulk een laster van alle moederschap met verontwaardiging verwerpen.
Douglass verhaalt aldus, hoe hij, toen hij verplaatst en huisbediende te Baltimore geworden was, heeft leeren lezen.
Het schijnt dat zijne meesteres, pas getrouwd en ongewoon aan het beheer van slaven, zeer goed voor hem was; onder andere bewijzen van goedheid behoorde ook, dat zij begon hem te leeren lezen. Toen zijn meester ontdekte wat er voorviel, zegt hij:
Terstond verbood mijn meester Mrs. Auld om mij verder te onderrigten, haar onder anderen zeggende, dat het ongeoorloofd zoowel als onvoorzigtig was eenen slaaf te leeren lezen. Om verder zijne eigene woorden te gebruiken—hij zeide: „als gij een Neger een duim geeft, zal hij eene el nemen. Een Neger behoeft niets te weten dan zijnen meester te gehoorzamen—te doen wat hem gezegd wordt. Geleerdheid zou den besten Neger van de wereld bederven. Als gij dien Neger,” zeide hij van mijzelven sprekende, „leert lezen, zou hij niet meer te houden zijn. Het zou hem voor altijd ongeschikt maken om slaaf te wezen. Hij zou terstond onhandelbaar worden en van geene waarde voor zijnen meester. Wat hemzelven aangaat, het zou hem geen goed kunnen doen, maar wel veel kwaad. Het zou hem onvergenoegd en ongelukkig maken.” Deze woorden zonken mij diep in het hart, wekten aandoeningen op, die nog lagen te sluimeren en voerden mij tot eene reeks van geheel nieuwe gedachten. Het was eene nieuwe gewigtige openbaring, die mij de donkere en geheimzinnige dingen verklaarde, waarmede mijn jeugdig verstand vruchteloos geworsteld had. Ik begreep nu wat voor mij een verbijsterend raadsel was geweest—namelijk het vermogen van den blanke om den zwarte tot slaaf te maken. Het was eene groote ontdekking, waarop ik hoogen prijs stelde. Van dat oogenblik af kende ik den weg van de slavernij tot de vrijheid.
Daarna was zijne meesteres even waakzaam om te beletten, dat hij leerde lezen, als zij voorheen ijverig was geweest om hem te onderwijzen. Zijne latere vorderingen beschrijft hij aldus:
Van dien tijd af werd ik zeer streng in het oog gehouden. Als ik eenigen tijd in eene kamer alleen was, vermoedde men zeker, dat ik een boek had en moest ik rekenschap geven wat ik deed. Dit alles was echter te laat—de eerste stap was gedaan. Mijne meesteres had mij, door mij de letters te leeren, den duim gegeven, en geene voorzorg kon mij beletten de el te nemen.
Het plan dat ik ontwierp en mij zeer wel gelukte, was vriendschap te maken met al de kleine blanke jongens, die ik op straat ontmoette. Van dezen maakte ik er zoo velen als ik kon tot leermeesters. Met hunne vriendelijke hulp, die ik op verschillende tijden en plaatsen verkreeg, gelukte het mij eindelijk te leeren lezen. Als ik om boodschappen werd gezonden, nam ik altijd mijn boek mede, en door een gedeelte van den weg hard te loopen, vond ik tijd om nog eene les te nemen eer ik weder naar huis ging. Ik plagt ook brood mede te nemen, waarvan altijd genoeg in huis was en dat ik altijd kon krijgen, want in dit opzigt had ik het veel beter dan vele blanke kinderen in onze buurt. Dit brood plagt ik aan kleine hongerige jongens te schenken, die mij dan daarvoor het veel kostbaarder brood der kennis gaven. Ik ben in groote verzoeking om de namen van twee of drie dezer kleine jongens te noemen, als een blijk van de dankbaarheid en genegenheid, die ik voor hen koester, maar voorzigtigheid verbiedt mij dit; niet dat het mij zou benadeelen, maar het zou hen in verlegenheid kunnen brengen, want het is in dit Christelijke land een bijna onvergeeflijk misdrijf slaven te leeren lezen. Het is van die goede kleine jongens genoeg gezegd, dat zij in Philpotstreet woonden, zeer digt bij de scheepstimmerwerf van Durgin en Bailey. Ik plagt met hen over de slavernij te spreken. Zoo zeide ik wel eens tot hen, dat ik wenschte zoo vrij te kunnen zijn, als zij zouden wezen als zij volwassen waren. „Gij zult vrij zijn, zoodra gij een en twintig wordt, maar ik ben levenslang een slaaf. Heb ik niet even veel regt om vrij te zijn, als gij?” Deze woorden plagten hen te verontrusten; zij gaven mij dan hun hartelijk medelijden te kennen en troostten mij met de hoop, dat er iets zou voorvallen, waardoor ik vrij zou worden.
Ik was nu ongeveer twaalf jaren oud, en de gedachte van levenslang slaaf te zijn begon mij zwaar op het hart te drukken. Juist in dien tijd kreeg ik een boek in handen getiteld: „The Columbian Orator.” Ik maakte van elke gelegenheid, die ik vinden kon, gebruik om dit boek te lezen. Onder andere belangwekkende stukken, vond ik daarin eene zamenspraak tusschen een meester en zijnen slaaf. De slaaf werd gezegd driemaal van zijnen meester te zijn weggeloopen. De zamenspraak moest het gesprek voorstellen, dat tusschen hen plaats had, toen de slaaf voor de derde maal weder gevat was. In deze zamenspraak werden alle redenen vóór de slavernij door den meester aangevoerd en door den slaaf wederlegd. Men liet den slaaf ter beantwoording van zijnen meester verscheidene zeer vernuftige zoo wel als treffende dingen zeggen—dingen die het verlangde, hoewel onverwachte gevolg hadden; want het gesprek eindigde daarmede dat de meester den slaaf vrijwillig emancipeerde.
In hetzelfde boek vond ik een van Sheridan’s krachtige redevoeringen ter gunste van de emancipatie der Katholieken. Dit waren uitgelezene stukken voor mij. Ik las en herlas ze met onverflaauwde belangstelling. Zij gaven eene taal aan de vurigste gedachten mijner eigene ziel, die mij dikwijls voor den geest hadden gezweefd, maar uit gebrek aan vermogen om ze te uiten, weder weggestorven waren. De moraal welke ik uit de zamenspraak trok, was het vermogen der waarheid over het geweten zelfs van eenen slavenhouder. Wat ik van Sheridan kreeg, was eene stoute aanklagt der slavernij en eene krachtige verdediging der menschen regten. Het lezen dezer stukken stelde mij in staat om mijne gedachten te uiten en de redeneringen te wederleggen, die vóór de slavernij worden aangevoerd; doch terwijl zij mij van één bezwaar onthieven, bragten zij mij in een ander, bijna nog pijnlijker dan dat waarvan ik ontheven was. Hoe meer ik las, des te meer leerde ik hen, die mij tot een slaaf gemaakt hadden, verfoeijen en haten. Ik kon hen in geen ander licht beschouwen, dan als eene bende gelukkige roovers, die naar Afrika waren gegaan, en ons uit ons vaderland hadden gestolen en in een vreemd land tot slavernij gebragt. Ik walgde van hen als de laagsten zoowel als de slechtsten der menschen. Terwijl ik las en de zaak overwoog, zie, daar was die onvergenoegheid, welke meester Hugh had voorspeld, dat op mijne geleerdheid zou volgen, reeds gekomen, en pijnigde mijne ziel onuitsprekelijk. Terwijl ik onder die marteling kromp, kwam het mij dikwijls voor, dat mijne kennis veeleer een vloek dan een zegen was. Zij had mij een inzigt in mijn rampzaligen toestand gegeven, zonder redmiddel. Zij opende mijne oogen voor den afgrijselijken kuil, maar voor geene ladder om er uit te komen. In oogenblikken van zielesmart benijdde ik mijne medeslaven hunne domheid. Dikwijls heb ik gewenscht, dat ik maar een beest was. Ik stelde den toestand van het laagste kruipende gedierte boven mijn eigenen; alles had ik willen zijn, om maar niet te denken. Het was dat eeuwigdurende denken aan mijnen toestand, dat mij martelde; daarvan kon ik niet ontslagen raken. Het werd mij door alles wat ik zag en hoorde, door alle bezielde en onbezielde voorwerpen opgedrongen. De zilveren bazuin der vrijheid had mijne ziel tot een eeuwig waken opgewekt. De vrijheid verscheen mij nu, om nooit weder te verdwijnen. Ik hoorde haar in elken klank, ik zag haar in alle dingen. Zij was altijd tegenwoordig, om mij met een gevoel van mijnen rampzaligen toestand te martelen. Ik zag niets zonder haar te zien, ik hoorde niets zonder haar te hooren, en voelde niets zonder haar te voelen. Zij zag mij aan uit elke ster, zij lachte mij toe in elke kalmte, zij ademde in ieder windje, zij zweefde in elken storm.
Dikwijls beklaagde ik mijn eigen aanzijn en wenschte ik dat ik dood was; en zonder de hoop om vrij te worden, twijfel ik niet of ik zou mijzelven gedood hebben, of iets gedaan hebben, waarvoor ik moest gedood worden. Terwijl ik in deze gemoedsstemming verkeerde, was ik gretig om over de slavernij te hooren spreken. Ik was altijd gereed om te luisteren. Telkens hoorde ik iets van de abolitionisten. Het duurde eenigen tijd eer ik ontdekte, wat dit woord beteekende. Het werd altijd in zulk een verband gebruikt, dat het voor mij een belangwekkend woord moest wezen. Als er een slaaf wegliep en het hem gelukte te ontkomen, of als een slaaf zijn meester doodde, of eene schuur in brand stak, of iets deed, dat in de oogen van een slavenhouder erg kwaad was, werd het een gevolg der abolition genoemd. Dit woord dikwijls in zulk een verband hoorende, begon ik te onderzoeken wat het beteekende. De dictionnaire gaf mij weinig of geene hulp. Ik vond het was „the act of abolishing” (de daad van afschaffen), maar nu wist ik nog niet, wat er afgeschaft moest worden. Hier stond ik verlegen. Ik durfde niemand naar de beteekenis van het woord vragen, want ik begreep wel, dat het iets was, waarvan men niet verlangde, dat ik iets weten zou. Na lang geduldig gewacht te hebben, kreeg ik een dagblad in handen, waarin verslag werd gegeven van een aantal verzoekschriften uit het Noorden, aandringende op de afschaffing der slavernij in het district van Columbia en van den slavenhandel tusschen de Staten. Van dien tijd af, verstond ik de woorden abolition en abolitionist, en kwam altijd digter bij wanneer zij werden uitgesproken, in de hoop van iets van belang voor mij zelven en mijne medeslaven te hooren. Langzamerhand kreeg ik meer licht. Ik ging eens naar de werf van Mr. Waters, en toen ik twee Ieren steenen zag uitladen, ging ik ongevraagd naar hen toe en hielp hen. Toen wij gedaan hadden, vroeg mij een van hen of ik een slaaf was. Ik antwoordde, ja. Hij vroeg: „Moet gij uw leven lang slaaf blijven?” Ik antwoordde wederom, ja. De goede Ier scheen daardoor diep getroffen. Hij zeide tegen den ander, dat het jammer was, dat zulk een knappe jongen als ik voor geheel zijn leven een slaaf zou zijn. Hij zeide dat het schande was mij zoo te houden. Zij raadden mij beiden om weg te loopen naar het Noorden; dat ik daar vrienden zou vinden en vrij zou zijn. Ik veinsde geen belang te stellen in hetgeen zij zeiden, en deed alsof ik hen niet verstond, want ik vreesde, dat zij verraders mogten zijn. Het is bekend, dat blanken somtijds slaven aanmoedigen om te vlugten, en hen dan, om de belooning te krijgen, opvangen en naar hunne meesters terugbrengen. Ik was bevreesd, dat deze schijnbaar goede lieden mij zoo mogten behandelen; maar ik onthield toch hunnen raad, en van dien tijd af besloot ik weg te loopen. Ik verlangde naar den tijd, dat ik veilig zou kunnen vlugten. Ik was te jong om er aan te kunnen denken dit terstond te doen; bovendien wenschte ik te kunnen schrijven, daar het misschien noodig zou zijn mijn eigen pas te schrijven. Ik troostte mij met de hoop, dat ik eens wel eene goede kans zou vinden. Ondertusschen wilde ik leeren schrijven.
Het denkbeeld van eene manier om te leeren schrijven werd bij mij opgewekt door dikwijls op de scheepstimmerwerf aan Durgin en Bailey te zien, hoe de timmerlieden, wanneer zij een stuk hout gereed gemaakt hadden, daarop schreven voor welk gedeelte van het schip het bestemd was. Als een stuk hout voor de larboard (bakboord) zijde was bestemd, werd het gemerkt—L. Als een stuk hout voor de starboard (stuurboord) zijde was bestemd, werd het gemerkt—S. Een stuk voor de bakboord zijde naar voren (forward) werd gemerkt—L. F. Een stuk voor de bakboord zijde naar achteren (aft) werd gemerkt—L. A. Voor de stuurboord zijde naar voren werd het gemerkt—S. F. en naar achteren—S. A. Spoedig leerde ik de namen van die letters, en waartoe zij dienen moesten, als zij op een stuk hout op de werf werden gezet. Ik begon terstond ze na te schrijven, en binnen kort was ik in staat om de vier genoemde letters te maken. Wanneer ik daarna een jongen ontmoette, van wien ik wist dat hij schrijven kon, zeide ik hem dat ik even goed schrijven kon als hij. Het antwoord was dan: „dat geloof ik niet. Laat ik het u zien proberen.” Dan maakte ik de letters, die ik zoo gelukkig was geweest van te leeren en daagde hem uit om dat te verbeteren. Op deze manier kreeg ik een goed aantal schrijflessen, die het wel mogelijk is dat ik nooit op eene andere manier zou gekregen hebben. Gedurende dien tijd waren de schutting, de muur en het straatplaveisel mijne schrijfboeken, en was een stuk krijt mijne pen. Daarmede leerde ik voornamelijk schrijven. Toen begon ik de cursief-letters in Webster’s spelboek na te schrijven en ging daarmede voort, tot ik ze allen kon maken zonder naar het boek te zien. Tegen dien tijd was mijn kleine meester Thomas naar school gegaan en leerde schrijven; en hij had een aantal schrijfboeken volgeschreven. Deze werden te huis gebragt, aan eenigen van onze naaste buren vertoond en dan weggelegd. Mijne meesteres plagt elken maandag namiddag naar de „class-meeting” in het meeting-house in Wilk-street te gaan, en liet mij dan op het huis passen. Als ik zoo alleen gelaten was, plagt ik mijn tijd te besteden met in de witte tusschenruimten der schrijfboeken van den jongen heer Thomas te schrijven, volgende wat hij geschreven had. Dit bleef ik doen, tot ik eene hand schrijven kon, welke zeer veel op die van den jongen heer Thomas geleek. Aldus gelukte het mij, na eene jaren lange inspanning, eindelijk te leeren schrijven.
De aangehaalde bijzonderheden zullen bewijzen, dat het voorbeeld van George Harris lang niet zoo buitengewoon is als men zou kunnen denken.
Laat de lezer nog eens het verhaal doorzien, dat George Harris van het verkoopen zijner moeder met hare kinderen geeft, en dan het volgende berigt lezen, medegedeeld door den Eerw. Heer Josiah Henson, tegenwoordig leeraar der zendelings-vestiging te Dawn in Canada.
Na den dood van zijnen meester, zegt hij, werden de slaven der plantaadje allen bij opbod verkocht.
Mijne broeders en zusters werden allen een voor een toegeslagen, terwijl mijne moeder, mij bij de hand houdende, stond toe te zien met eene zielesmart, waarvan ik de reden in het eerst maar flaauw begreep, maar die mij toen de verkooping voortging met vreeselijke duidelijkheid voor den geest kwam. Mijne moeder werd toen van mij gescheiden en op hare beurt opgezet. Zij werd gekocht door een man, Isaac R. geheeten, in Montgomery County (Maryland) woonachtig, en toen werd ik geveild. Mijne moeder, half waanzinnig van smart over deze scheiding van al hare kinderen, drong door de menigte, terwijl er op mij geboden werd, naar de plaats waar R. stond. Zij viel voor zijne voeten, omklemde zijne knieën, en smeekte hem, op eenen toon gelijk eene moeder alleen kan, om ook haar „kleinste” te koopen en haar ten minste een van hare kinderen te laten. Zal men, kàn men het gelooven, dat deze man, aldus gebeden, in staat was, niet alleen om voor haar smeeken de ooren te sluiten, maar om zich met zulke geweldige stompen en schoppen van haar los te maken, dat hij haar noodzaakte om buiten zijn bereik te kruipen, en een gekerm van ligchamelijke pijn met de snikken van een brekend hart te vermengen?
Nu zijn al de hier opgegevene omstandigheden werkelijk omstandigheden der slavernij, verhaald door hen die weten wat de slavernij is, door de beste van alle proeven—de ondervinding; en zij zijn medegedeeld door mannen, die in vrijheid eenen naam hebben verworven, welke hun woord even geloofwaardig maakt als het woord van iemand op de wereld.
Het geval van Lewis Clark zou harder kunnen genoemd worden dan gewoonlijk. Het geval van Douglass is waarschijnlijk een onpartijdig voorbeeld van den gewonen toestand.
De schrijfster heeft voorheen met een groot aantal bevrijde slaven gesproken, waaronder velen verklaarden dat hun eigen lot bij vergelijking zacht was geweest; maar zij heeft nooit met iemand van hen gesproken, die niet nu of dan melding maakte van een of ander voorval, dat hij had bijgewoond, van een of ander tooneel, waarvan hij getuige was geweest, en dat een of ander gruwelijk misbruik van het stelsel deed blijken; en wat het treffendste daarvan was, de verhaler zelf beschouwde dit dikwijls blijkbaar zoo zeer als eene gewone zaak, dat hij er slechts toevallig en zonder eenige buitengewone aandoening melding van maakte.
Velen veronderstellen, dat het groote geschreeuw van hen, die vijanden der slavernij zijn, ontstaat uit het lezen van ongewaarborgde berigten in de abolitie-bladen opgemaakt, enz. Dit denkbeeld is zeer verkeerd. De berigten, die het slavenstelsel moeten doen veroordeelen, zijn ontleend uit de aanhoudende levende getuigenis der arme slaven zelven, dikwijls uit die van de vlugtelingen uit slavernij, die gedurig door onze noordelijke steden komen.
Als een voorbeeld van sommige der aldus aan het licht gebragte voorvallen, wordt de volgende onlangs gebeurde geschiedenis medegedeeld, aan de schrijfster door eene dame te Boston verhaald. Deze dame, die veel gewoon was de armen te bezoeken, werd eenige maanden geleden verzocht om naar eene mulattin te komen zien, die pas in een kosthuis voor kleurlingen was gekomen, en ten uiterste neêrslagtig scheen te zijn. Na een kort gesprek bleek het dat zij eene vlugtelinge was. Hare geschiedenis was de volgende. Zij en haar broeder waren, gelijk dikwijls het geval is, beide kinderen en slaven van hunnen meester. Bij zijnen dood werden zij aan zijne dochter gelaten, bleven als bedienden bij haar, en werden met zooveel toegeeflijkheid behandeld, als men verwachten kon dat eene zeer gewone soort van menschen diegenen zou bewijzen, die geheel en in alle opzigten onder hunne magt waren.
De vrouw van haren broeder liep weg en ontkwam naar Canada; en dewijl er van gesproken werd dat zij en haar kind, ten gevolge van geldelijke ongelegenheden, verkocht zouden worden, besloot haar broeder, een schrander en moedig jongman, haar insgelijks naar een vrij land te helpen vlugten. Hij verborg haar eenigen tijd in het achtergedeelte eener geringe woning in de stad, tot hij gelegenheid kon vinden om haar weg te zenden. Terwijl zij zich in deze schuilplaats bevond, was hij onvermoeid in zijne oplettendheid voor haar, bragt haar dikwijls vruchten en bloemen, en deed al wat hij kon om het vervelende harer gevangenschap te verzachten.
Eindelijk bood de hofmeester van een schip, aan wien hij diensten had bewezen, hem aan om hem aan boord van het schip te verbergen en aldus gelegenheid te geven om te ontkomen. De edelaardige man, hoewel uitgelokt door een aanbod, dat hem in staat zou stellen om terstond zijne vrouw te hervinden, aan welke hij teeder gehecht was, wilde deze gelegenheid liever voor zijne zuster overlaten, en bij afwezigheid van den kapitein van het schip, werden zij en haar kind aan boord gebragt en verborgen.
Toen de kapitein terugkwam en vernam wat men gedaan had, was hij zeer verstoord, daar de zaak, indien zij ontdekt werd, hem in ernstige moeijelijkheden kon wikkelen. Hij zeide eerst dat hij de vrouw naar de gevangenis in de stad wilde zenden; maar door haar smeeken en den aandrang des hofmeesters liet hij zich bewegen om tot des avonds te wachten, en haren broeder eene boodschap te zenden om haar terug te komen halen. Na den donker kwam de broeder aan boord, en in plaats van zijne zuster mede te nemen, deed hij in de aandoenlijkste bewoordingen een beroep op de menschlievendheid des kapiteins. Hij verhaalde de geschiedenis zijner zuster en zijne eigene, en pleitte welsprekend voor hare vrijheid. De kapitein had zich voorgenomen om verhard te blijven, maar, helaas! hij was slechts een mensch. Misschien had hij zelf vrouw en kind—misschien gevoelde hij, dat hij, indien hij in het geval van dien jongman was, voor zijne zuster hetzelfde zou doen. Dit zij gelijk het wil, hij werd eindelijk vermurwd. Hij zeide tot den jongman: „ik moet u van mijn schip wegzenden. Ik zal de boot uitzetten, en u er in zien gaan, en gij moet wegroeijen en mij nooit weêr uwe gezigten laten zien; en als gij dan toch mogt terugkomen en aan boord blijven, zal het uwe schuld zijn en niet de mijne.”
Zoo werden dan in regen en duisternis, de jongman, zijne zuster en haar kind over het boord afgelaten en roeiden zij heen. Na eene poos ligtte het schip het anker, maar eer het Boston bereikte, ontdekte men dat de vrouw en het kind toch aan boord waren.
De dame, aan wie deze geschiedenis werd verhaald, werd verzocht om in zekere bewoordingen eenen brief te schrijven aan iemand in de stad, waaruit de vlugtelinge gekomen was, om haren broeder hare behoudene aankomst te doen weten.
De vlugtelinge werd van werk voorzien, waardoor zij zichzelve en haar kind kon onderhouden, en eenige weken lang zorgde de dame voor hare behoeften.
Op eenen ochtend kwam zij met ontroering binnen, uitroepende: „O, mevrouw, hij is gekomen! George is gekomen!” En kort daarop kwam de jongman zelf.
De dame, die dit verhaalde, behoort tot de aanzienlijkste kringen van Boston; en zij zegt dat nooit de manieren van een „gentleman” gunstiger indruk op haar maakten, dan die van den broeder der vlugtelinge. Zoo zeer had hij het voorkomen van een „gentleman,” dat het voor haar gevoel onmogelijk was hem met die gemeenzaamheid, waarmede men personen van zijnen stand gewoonlijk aanspreekt, naar de omstandigheden zijner vlugt te vragen; en niet voor dat hij haar verzocht om een brief voor hem te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, was zij in staat om zich te verbeelden, dat deze beschaafde man al zijn leven een slaaf geweest was.
Het overige dezer geschiedenis is niet minder romanesk. De dame had een vriend te Montreal, waarheen de vrouw van George zich begeven had; en na hem met geld voor hunne reiskosten voorzien te hebben, gaf zij hem eenen brief aan dezen heer, waarin hij verzocht werd den jongman te helpen om zijne vrouw te vinden. Toen zij te Montreal aankwamen, trad George aan land en toonde zijnen brief aan den eersten persoon dien hij zag, vragende of hij dengenen kende, aan wien hij geadresseerd was. Deze heer bleek juist de bedoelde persoon zelf te wezen. Hij kende George’s vrouw, en bragt hem zonder vertoef bij haar, zoodat de dame met den teruggaanden post het genoegen had den gelukkigen afloop van het avontuur te vernemen.
Dit is slechts een voorbeeld van de geschiedenissen, die men gedurig hoort; zoodat diegenen, die over de slavernij spreken kunnen zeggen: „wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben.”
Doch men zal zeggen dat al de slaven een logenachtig geslacht zijn, en dat het logens zijn, die zij ons vertellen. Er zijn echter sommige dingen aan die slaven, die niet kunnen liegen. Die diepe trekken van geduldige smart op het gezigt, die houding van kruipend nederige onderdanigheid; die treurige, blijvende uitdrukking van vertraagde hoop in de oogen, zouden hunne geschiedenis verhalen, al zou de slaaf nooit spreken.
Het is niet lang geleden dat de schrijfster gezigten heeft gezien, die iemand weken lang in zijn droom konden verontrusten.
Men verbeelde zich eene arme, afgeleefde moeder, oud, zwak en ziekelijk—met handen, tot op het gebeente versleten door harden, onbeloonden arbeid—wier negen kinderen aan den slavenhandelaar verkocht zijn, en wier tiende spoedig zal verkocht worden, indien zij niet door haren arbeid als waschvrouw negenhonderd dollars kan bijeenbrengen! Zulke gevallen komen iemand gedurig ter kennis; zulke getuigen zijn het die ons niet willen laten slapen.
Men heeft het betwijfeld of zoo iets als eene advertentie voor een man „dood of levend” gelijk de advertentie voor George Harris, ooit in de zuidelijke Staten gepubliceerd was. De gebeurtenissen van het verhaal, waarin dit voorkomt, worden verondersteld eenige jaren geleden te zijn, in den tijd, toen de „zwarte wetten” van Ohio werden afgekondigd. Dat in dien tijd zulke advertentiën in de nieuwsbladen gewoon waren, kan overvloedig bewezen worden. Dat zij thans minder gewoon zijn, is iets dat men hopen en waarover men zich verblijden mag.
In het jaar 1839 heeft Mr. Theodore D. Weld eene poging gedaan om de statistiek der slavernij te verzamelen en te rangschikken. Een massa van statistieke opgaven, welker echtheid met de grootste naauwkeurigheid onderzocht was, werd bijeengebragt. Sommigen van de „duizend getuigen,” die hij laat spreken, waren geestelijken, regtsgeleerden, kooplieden en menschen van verschillende andere beroepen, die of in de slavenstaten geboren waren, of vele jaren daar hadden gewoond. Velen van hen waren slavenhouders. Anderen van de getuigen waren slavendrijvers of officieren van kustvaartuigen tot den slavenhandel gebezigd, of waren dit geweest.
Een ander gedeelte zijner bewijzen werd verzameld uit openbare redevoeringen in het Congres, in wetgevende vergaderingen van Staten en elders: maar het meeste werd uit nieuwspapieren van den jongsten tijd ontleend.
De papieren, waaruit deze feiten waren afgeschreven, werden bewaard en op eene openbare plaats ter lezing gelegd, waar zij eenige jaren lang zijn gebleven en door belangstellenden konden nagezien worden. Nadat het werk van Mr. Weld voltooid was, werd een exemplaar daarvan, met den post aan ieder uitgever gezonden, uit wiens blad zulke advertentiën genomen waren, en aan ieder persoon van wien eenige opgaven waren medegedeeld, terwijl de plaatsen welke hen betroffen, in die exemplaren gemerkt waren.
Het is zeer wel mogelijk dat dit eenigen invloed mag gehad hebben om zulke advertentiën minder gewoon te doen worden. Menschen van verstand doen dikwijls iets, dat zeer ongerijmd, of zelfs onmenschelijk is, alleen omdat men het vóór hen altijd gedaan heeft, en zij volgen zonder veel nadenken het algemeene gebruik. Wanneer echter hunne aandacht daarop gevestigd wordt door een vreemdeling, die de zaak uit een ander oogpunt beziet, gevoelen zij terstond het onvoegzame van zulk een gebruik en zien zij daarvan af. De lezer zal echter met smart moeten opmerken, wanneer hij aan dat gedeelte van dit werk komt, hetwelk de wettelijke verordeningen behandelt, dat in het jaar 1850, zelfs in de grootste steden onzer slavenstaten, deze barbaarschheid nog niet geheel in onbruik was gekomen.
De lijst van advertentiën in het boek van Mr. Weld wordt hier ingevoegd, niet om den lezer met de pijnlijke bijzonderheden daarvan te vermoeijen, maar opdat hij, door het oog over de dagteekeningen der aangehaalde bladen en de plaatsen der uitgaaf te laten gaan, eene juiste schatting zou kunnen vormen van de veelvuldigheid, waarmede deze barbaarschheid openlijk gepleegd werd.
De Wilmington Advertiser (Noord Carolina) van 13 Julij 1838 bevat de volgende advertentiën:
Honderd dollars zullen betaald worden aan ieder die zal vatten en veilig in eenige gevangenis van dezen Staat opsluiten, zekeren Neger, genoemd Alfred. En dezelfde belooning zal betaald worden, indien voldoend bewijs wordt gegeven, dat hij gedood is. Hij heeft een of meer lidteekens aan een van zijne handen, daardoor veroorzaakt dat er op hem geschoten is.
De burgers van Onslow.
Richlands, Onslow Co. 18 Mei 1838.
In dezelfde kolom en vlak onder het bovenstaande, is het volgende:
Weggeloopen mijn negerknecht Richard. Eene belooning van 25 dollars zal gegeven worden voor zijn aanhouden, dood of levend. Voldoend bewijs zal gevorderd worden, dat hij gedood is. Hij heeft waarschijnlijk zijne vrouw, Eliza, bij zich, die weggeloopen is van kol. Thompson, thans woonachtig in Alabama, tegen den tijd dat hij zijne reis naar dien Staat aanvaardde.
Durant H. Rhodes.
In de Macon Telegraph (Georgia) van 28 Mei staat het volgende:
Omstreeks den 1sten Maart heeft de Neger Ransom mij verlaten zonder de minste aanleiding hoegenaamd; ik zal eene belooning van twintig dollars geven voor dezen Neger, indien hij gevat wordt, dood of levend—en als hij in eenigen misdadigen aanslag gedood wordt, zal er eene verhooging van vijf dollars betaald worden.
Bryant Johnson.
Crawford Co. Georgia.
Zie de Newbern Spectator (Noord Carolina) van 5 Januarij 1838, voor het volgende.
Weggeloopen van den ondergeteekende een Neger, genaamd Sampson. Vijftig dollars zal gegeven worden voor de overlevering van hem aan mij, of zijne verzekering in eenige gevangenis, zoodat ik hem krijg; en indien hij tegenstand mogt bieden, zoodat er geweld noodig is om hem te vatten, zal ik niemand aansprakelijk houden voor schadevergoeding, indien de slaaf mogt gedood worden.
Enoch Foy.
Jones, Co. N. C.
Uit den Charleston Courier (Zuid Carolina) 20 Febr. 1836.
300 dollars belooning.—Weggeloopen van den ondergeteekende, in November laatstleden, zijne twee negerslaven, genaamd Billy en Pompey.
Billy is 25 jaren oud, en is sedert vele jaren bekend als patroon van mijne boot; naar alle waarschijnlijkheid zal hij tegenstand bieden; in dat geval zullen 50 dollars betaald worden voor zijn hoofd.
Hoofdstuk V.
Eliza.
Inhoudsopgave
De schrijfster heeft in haar boek gemeld, dat Eliza een portret naar het leven was. Het voorval dat het origineel onder hare aandacht bragt kan zeer kort verhaald worden.
Terwijl de schrijfster vele jaren geleden in Kentucky reisde, bezocht zij de kerk in eene kleine landstad. Daar zijnde werd hare aandacht getrokken door een schoon quadronsch meisje, dat in een hoek der kerk zat en eenige kinderen onder haar opzigt scheen te hebben. De beschrijving van Eliza kan dienen tot eene beschrijving van haar. Toen de schrijfster uit de kerk terugkwam, vroeg zij naar dat meisje, en haar werd gezegd, dat zij even goed en beminnelijk was als schoon; dat zij een godvreezend meisje was en lid van de kerk; en eindelijk dat zij het eigendom was van Mr. ***. Het denkbeeld dat dit meisje eene slavin was deed haar ijzen, en zij zeide: „O, ik hoop dat zij haar goed behandelen.”
„O zeker,” was het antwoord, „zij maken even veel werk van haar als van hunne eigene kinderen.”
„Ik hoop dat zij haar nooit zullen verkoopen,” zeide iemand in het gezelschap.
„Zeker zullen zij niet. Een heer uit het Zuiden heeft niet lang geleden haar meester duizend dollars voor haar geboden; maar hij zeide hem, dat zij te goed was om zijne vrouw te zijn, en dat hij haar zeker niet tot bijzit zou hebben.”
Dit is alles wat de schrijfster van dit meisje weet.
Wat de bijzonderheid betreft, dat Eliza de rivier op het ijs over komt—daar men de mogelijkheid hiervan heeft betwist—geeft de schrijfster de volgende omstandigheid ter bevestiging.
In de vorige lente, terwijl de schrijfster te Nieuw-York was, kwam een Presbyteriaansch geestelijke uit Ohio bij haar en zeide: „ik hoor dat men de daadzaak betwist dat die vrouw de rivier is overgekomen. Nu weet ik alles daarvan, want ik hoorde het geval van den man, die haar den kant heeft opgeholpen.”
Men heeft beweerd, dat het tooneel waarin Haley, Marks en Loker het plan maken om Eliza op te vangen en tot eigen voordeel te verkoopen, eene grove overdrijving van den staat der zaken in Ohio bevat.
In hoeverre de schrijfster bekend is geweest met het gemak, hetwelk sommige vrederegters, onder de oude wet op voortvlugtige slaven, aan den menschenroof plagten te geven, kan opgemaakt worden uit eene vergelijking der beschrijving in haar boek met eenige omstandigheden, waarvan zij persoonlijk kennis draagt.
„Gij weet,” zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch omroerende, „wij hebben regters overal langs de kust, die klaar staan, om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende laarzen, en dat alles, als er gezworen moet worden. Gij moet eens zien,” vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, „hoe ik mij dan houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; den anderen kom ik zoo van mijne plantaadje aan de Paarlrivier, waar ik vijfhonderd slaven heb; dan weder ben ik een verre neef van Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden; maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk af. Maar Heere, als er iemand in het land is, die beter op alles kan zweren, en beter alle omstandigheden bij elkander brengen, en een strakker gezigt daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens willen zien—meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, al keken de regters wat naauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik haast dat zij wat naauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger zijn, als zij dat deden, weet ge!”
In het jaar 1839 kreeg de schrijfster een meisje uit Kentucky als dienstbode in hare familie. Zij was slavin geweest bij eene van de laagste en ruwe huishoudens, waarmede zij, in eenen staat van halve barbaarschheid, in eene houten hut was opgegroeid. Bij de poging om haar godsdienstig onderrigt te geven, hoorde de schrijfster voor het eerst van haar leven eene vraag, welke zij niet mogelijk had geacht, dat in Amerika gedaan kon worden: „Wie is Jezus Christus dan toch?”
Toen de schrijfster haar de geschiedenis verhaalde van de liefde en het leven en den dood van Christus, scheen het meisje geheel overstelpt; tranen stroomden over hare wangen, en zij riep jammerend uit: „waarom heeft niemand mij dat vroeger gezegd?”
„Maar,” zeide de schrijfster tot haar, „hebt gij dan nooit een bijbel gezien?”
„Ja, ik heb er de meesteres somtijds in zien lezen, maar, och heer, dat had zij wel kunnen laten; ik geloof niet dat het haar iets goeds deed.”
Zij zeide dat zij in haar leven naar een paar veldpredikatiën (camp-meetings) was geweest, maar „niet veel bijzonders had opgemerkt.”
In allen gevalle, de geschiedenis maakte zeker grooten indruk op haar, en had zulk eene verbetering in haar gedrag ten gevolge, dat de schrijfster groote hoop van haar koesterde.
Naar hare geschiedenis vernemende, werd het ontdekt, dat zij volgens de wetten van Ohio wettig regt had op hare vrijheid, dewijl zij in den Staat gebragt, en daar met toestemming harer meesteres tijdelijk gebleven was. Toen deze omstandigheden voor de bevoegde overheid behoorlijk gestaafd waren, werden er getuigschriften van hare vrijheid opgemaakt, en nu meende men dat alle gevaar van vervolging voorbij was. Nadat zij eenige maanden in de familie was geweest, werd Professor Stowe van verschillende kanten onderrigt, dat de jonge meester van het meisje was overgekomen en naar haar zocht, en dat zij, indien men niet oppaste, weder in slavernij zou gevoerd worden.
Professor Stowe ging naar den magistraatspersoon, die hare papieren had bekrachtigd, en vroeg of deze niet voldoende waren om haar te beschermen. Het antwoord was: „dat zijn zij zeker volgens de wet, indien zij onpartijdig gehoor kan bekomen; maar zij zullen in den nacht naar uw huis komen, met een officier en eene volmagt, zij zullen haar voor regter D*** brengen, en op haar zweren. Hij is de man, die al deze soort van zaken doet, en hij zal haar overgeven, en daarmede zal het gedaan zijn.”
Mr. Stowe vroeg hem toen, wat er kon gedaan worden, en ontving den raad om haar naar eene of andere plaats van veiligheid te brengen, tot de navraag naar haar voorbij was. Dien ten gevolge bewezen de broeder der schrijfster en Professor Stowe haar dien nacht de dienst, welke de senator verhaald wordt aan Eliza bewezen te hebben. Zij bragten haar met een rijtuig omtrent tien mijlen ver langs een eenzamen weg, reden op eene waadbare maar zeer gevaarlijke plaats eene kreek door, en kwamen te middernacht aan het huis van John van Zandt, een edelaardig Kentuckiër, die de goede daad verrigtte, welke de schrijfster in haar verhaal aan van Tromp toeschrijft.
Na eenigen tijd aan de deur geklopt te hebben, kwam de brave eigenaar van het huis te voorschijn, met de kaars in de hand, gelijk verhaald is.
„Zijt gij de man die een arm gekleurd meisje voor menschenroovers zoudt willen bewaren?” was de eerste vraag.
„Dat denk ik nog al,” was het vaardige antwoord. „Waar is zij?”
„Wel, zij is hier.”
„Maar hoe zijt gij gekomen?”
„Ik heb de kreek doorgereden.”
„Wel dan heeft de Heer u geholpen,” zeide hij. „Ik zou die zelf in den nacht niet durven doorrijden. Een man, zijne vrouw en vijf kinderen zijn daar kort geleden verdronken.”
De lezer zal misschien eenig belang stellen in het berigt, dat het arme meisje niet werd opgespoord, dat zij te Cincinnati goed is getrouwd, eene zeer achtenswaardige vrouw en moeder van een aantal kinderen is.
Hoofdstuk VI.
Oom Tom.
Inhoudsopgave
Men heeft tegen het karakter van Oom Tom ingebragt, dat het onwaarschijnlijk was; en toch heeft de schrijfster meer bevestigingen van dat karakter ontvangen, en wel van meer verschillende zijden, dan van eenig ander in haar werk.
Velen hebben haar gezegd: „ik heb in dien en dien zuidelijken staat een Oom Tom gekend.” Al de geschiedenissen van dezen aard, die haar verhaald zijn, zouden, indien zij verzameld werden, op zichzelven een klein boekdeel uitmaken. De schrijfster zal eenigen daarvan mededeelen.
Toen zij in gezelschap eener vriendin eene afgelegene stad van Maine bezocht, kwam het gesprek toevallig op dit onderwerp, en de heer, in wiens familie zij logeerde, verhaalde het volgende. Hij zeide dat hij, eenige jaren geleden op een bezoek bij zijnen broeder te New-Orleans, een negerdienaar in diens bezit had gevonden, van zoo bijzondere regtschapenheid en eerlijkheid, dat zijn broeder hem letterlijk alles vertrouwde wat hij had. Hij had hem dikwijls eene handvol bankbriefjes zien nemen, zonder ze na te zien, en ze aan zijnen dienaar overgeven, met last om te gaan koopen wat er voor de familie noodig was en hem het overschot terug te brengen. Hij bragt zijnen broeder deze onvoorzigtigheid onder het oog; maar deze antwoordde, dat hij zulke bewijzen had van de onwankelbare regtschapenheid van dien man, dat hij hem gerust kon vertrouwen, met hoe veel het ook wezen mogt.
De geschiedenis van dezen slaaf was de volgende. Hij behoorde aan iemand in Baltimore, die, daar hij een algemeen vooroordeel tegen alle godsdienstoefeningen van slaven had, alles deed wat hij kon, om hem geen tijd tot het waarnemen van godsdienstpligten te laten, en hem gestreng verbood den Bijbel te lezen en te bidden, hetzij alleen of met andere slaven; en omdat hij, gelijk de man uit den ouden tijd, Daniël geheeten, dit onchristelijk bevel gedurig ongehoorzaam was, verwees zijn meester hem tot die straf, welke een meester altijd kan opleggen—hij verkocht hem in levenslange ballingschap van vrouw en kinderen naar New-Orleans.
De heer die de schrijfster deze berigten gaf, zegt dat hij, hoewel in dien tijd geen godsdienstig mensch, zoodanig door de vroomheid van dien man getroffen was, dat hij tot zijnen broeder zeide: „ik hoop dat gij nooit iets doen zult om dezen man van zijne godsdienstige voorregten te berooven, want ik denk dat er een oordeel over u komen zal als gij dat doet.” Hierop antwoordde zijn broeder, dat het zeer dwaas van hem zou zijn, indien hij dit deed, daar hij begreep, dat de godsdienst van dien man de wortel was zijner buitengewone goede eigenschappen.
Eenigen tijd geleden ontving de schrijfster uit het Zuiden, met den post, een boekje, getiteld: „Schetsen van Oud-Virginische huisbedienden,” met eene voorrede van Bisschop Meade. Dit boek bevat berigten van de volgende slaven: Afrikaansche Bella, Oude Milly, Blinde Lucy, Tante Betty, Springfield Bob, Mammy Chris, Diana Washington, Tante Margaret, Rachel Parker, Nelly Jackson, My Own Mammy, Tante Beek.
Het volgende gedeelte der voorrede van Bisschop Meade zal niet zonder belangstelling gelezen worden:
De volgende schetsen werden mij ter hand gesteld met verzoek om te oordeelen in hoe verre zij ter uitgave geschikt waren.
Na ze gelezen te hebben, kon ik niet anders denken, dan dat zij zoo wel onderhoudend als stichtelijk zouden zijn. Zeer vele zulke voorbeelden van trouw en godsvrucht zouden er nog uit Oud-Virginische familiën kunnen bijgevoegd worden. Deze zullen als voorbeelden voldoende zijn, en strekken om te bewijzen hoe belangwekkend de betrekking tusschen meester en dienaar dikwijls is.
Velen zullen zonder twijfel verwonderd zijn te zien, dat er zoo veel verstand zoo wel als godsvrucht bij sommige der oude slaven van Virginië bestond, en dat zij de Heilige Schrift hadden leeren lezen, zoodat zij op deze wijze onder hunne mededienaren nuttig konden zijn. Het is ten aanzien der slaven in de zuidelijke Staten waar, en altijd waar geweest, dat, hoe wel openbare scholen voor hen verboden mogen geweest zijn, men het echter niet heeft gepoogd te verhinderen, wanneer eigenaren verkozen hunne slaven te onderrigten of hun toelieten om in stilte Gods woord te leeren lezen. Dien ten gevolge zijn er altijd eenigen geweest die dit geleerd hadden. In de meer zuidelijke Staten is het aantal van deze het grootst geweest. Hiervan werd ik omtrent dertig jaren geleden wel verzekerd, toen ik de Atlantische Staten bezocht, met het oogmerk om hulp-kolonisatie-genootschappen te stichten, en de eerste kolonisten voor Afrika uit te kiezen. In de stad Charleston, in Zuid-Carolina, vond ik meer verstand en karakter onder de vrije gekleurde bevolking dan ergens elders. Hetzelfde was waar van sommigen in slavernij. Een aanzienlijk getal van hen kon men in zekere gedeelten der Episcopaalsche kerken zien, die hunne gebedenboeken gebruikten en met de antwoorden instemden.
Deze aanmoediging van geestbeschaving bij de slaven door den eigenaar, was in vele opzigten bevorderlijk tot gemak en gastvrijheid.
Toen ik vele jaren geleden met eene zieke vrouw en twee vrouwelijke bloedverwanten van Charleston naar Virginië reisde, in eenen tijd van het jaar wanneer vele familiën zich gezondheidshalve van het land naar de stad begeven, werden wij vriendelijk gedrongen om op het landgoed van eene der eerste familiën in Zuid-Carolina te komen; en een brief werd ons gegeven van de meesteres, toen in de stad, aan hare slavin, die bij de afwezigheid der familie het huis bewaarde. Toen wij daar kwamen en den brief aan eene zeer fatsoenlijke dienstbode overgaven, welke dien terstond las, werden wij vriendelijk verwelkomd en twee dagen zoo rijkelijk onthaald alsof de eigenares aanwezig was geweest. Wij vernamen dat het in Zuid-Carolina niets ongewoons was, dat reizigers aldus bij de afwezigheid der eigenaren door de bedienden werden onthaald, wanneer deze brieven van hunne meesters kregen.
Voorbeelden van eene vertrouwelijke en welwillende betrekking tusschen slaven en hunne meesters en meesteressen, gelijk in de volgende schetsen wordt medegedeeld, zijn nog in al de slavenhoudende Staten te vinden. Ik zal er een vermelden, dat ik zelf heb waargenomen. De nu overledene regter Upshur van Virginië had een getrouw huisbediende, (thans bij zijn testament vrij verklaard) met wien hij over zaken plagt te corresponderen, wanneer hij op reis was. Ik was eenige jaren geleden in zijn huis ter maaltijd met een aantal anderen, terwijl hij zelf afwezig was, wanneer het gesprek op de presidents-verkiezing kwam, die toen in de Vereenigde Staten plaats had, en waarvan men met vurige belangstelling den uitslag verwachtte, toen zijn bediende ons onderrigtte, dat hij dien dag een brief van zijnen meester, op dien tijd aan de westelijke kust, had ontvangen, waarin deze schreef, dat de vrienden van generaal Harrison van alle ongerustheid ontheven mogten zijn, daar de reeds ontvangene opgaven zijne verkiezing volkomen zeker maakten.
Men moet natuurlijk niet meenen, dat wij willen doen denken dat deze voorbeelden talrijk zijn, daar de aard der betrekking dit verbiedt; maar wij willen nadrukkelijk verzekeren, dat er veel meer vriendschappelijk en Christelijk verkeer bestaat, dan velen in de verte willen gelooven. Dat er een groot en treurig gebrek aan Christelijk onderwijs bestaat, ondanks de jongste pogingen tot mededeeling daarvan, moeten wij met droefheid bekennen.
Bisschop Meade voegt er bij, dat deze schetsen worden uitgegeven met de hoop, dat zij de aandacht van geestelijken en hoofden van huisgezinnen met meer ernst zullen vestigen op den pligt om voor de zielen hunner slaven te zorgen.
Wat den slaaf van regter Upshur aangaat, van wien in het medegedeelde van Bisschop Meade gesproken wordt, heeft zijn meester in zijn uitersten wil de volgende merkwaardige getuigenis van zijne waarde en het uitmuntende van zijn karakter nagelaten.
Ik emancipeer en bevrijd mijn dienaar David Rice en gelast mijne executeuren om hem honderd dollars te geven. Ik beveel hem ten sterkste aan in de achting en het vertrouwen van elke maatschappij, waarin hij voortaan mag leven. Hij is vierentwintig jaren lang mijn slaaf geweest, gedurende welken tijd ik hem in de volste mate en in alle opzigten heb vertrouwd. Mijn vertrouwen in hem is onbeperkt geweest; zijne betrekking tot mij en mijne familie is altijd zoodanig geweest, dat hem daardoor dagelijks gelegenheid verschaft werd om ons te bedriegen en te benadeelen, evenwel is hij nooit betrapt op eenige ernstige fout, zelfs niet op eene onvoorbedachte overtreding van hetgeen voor zijnen stand voegzaam was. Zijn verstand is van eenen hoogen rang, zijne eerlijkheid boven alle verdenking, en zijn gevoel voor regt en welvoegelijkheid zuiver, ja zelfs fijn. Ik gevoel, dat hij regtmatige aanspraak heeft om deze getuigenis van mij mede te nemen in de nieuwe betrekkingen welke hij nu moet vormen; dit ben ik verpligt aan zijne lange en allergetrouwste diensten, en aan de opregte en standvastige vriendschap, welke ik hem toedraag. In den onafgebrokenen, vertrouwelijken omgang van vier en twintig jaren, heb ik hem nooit een onaangenaam woord gegeven, of aanleiding gehad om hem dat te geven. Ik ken niemand, die minder gebreken en meer uitmuntende eigenschappen heeft dan hij.
In de vrije Staten zijn eenige voorbeelden geweest van zulke buitengewone godsvrucht onder de Negers, dat hunne levensgeschiedenis en gezegden in godsdienstige tractaatjes zijn verzameld en tot algemeen onderrigt openbaar gemaakt.
Een van deze was, voor zijne bekeering, een tuchteling in de staatsgevangenis te New-York, en ontving daar, misschien, het eerste godsdienstige onderwijs, dat hem ooit werd medegedeeld. Hij werd zulk een uitstekend voorbeeld van nederigheid, geloof en vooral van vurige liefde, dat zijne tegenwoordigheid in de buurt een zegen voor de kerk werd geacht. Eene dame heeft de schrijfster de manier beschreven, waarop hij in de godsdienstige bijeenkomsten opstond en tot het gebed vermaande, en dan met schreijende oogen en de diepste nederigheid, hen als zijne meesters en meesteressen aansprekende, evenwel godsdienstige vermaningen uitstortte, die voor de meest beschaafden stichtelijk waren.
In de stad Brunswick, in Maine, waar de schrijfster woonde terwijl zij: „de Negerhut” schreef, kan men tegenwoordig het graf zien van eene bejaarde gekleurde vrouw, Phebe geheeten, die zoo zeer uitmuntte door hare godsvrucht en het beminnelijke van haar karakter, dat de schrijfster nooit anders haren naam hoorde noemen, dan met dat eerbiedig ontzag, hetwelk men zou kunnen meenen aan eene heilige verschuldigd te zijn. Het hutje waar zij woonde wordt nog als een soort van heiligdom beschouwd en bezocht, als de plaats waar de oude Phebe leefde en bad. Hare gebeden en vrome vermaningen werden voor de oorzaak gehouden der bekeering van vele jonge lieden in de stad. In weerwil van dat onchristelijk gevoel van „caste,” dat in Maine even sterk heerscht als ergens elders in Nieuw-Engeland, en hoewel de Neger in het algemeen gesproken een voorwerp van afkeer en verachting is, was echter de invloed van hare vroomheid en haar beminnelijk karakter zoo groot, dat zij door alle klassen van menschen steeds met de grootste achting en onderscheiding werd behandeld. De beschaafdste en verstandigste dames der stad achtten het een voorregt hare hut te bezoeken; en toen zij oud en hulpeloos was, werd er met de teederste zorg in hare behoeften voorzien. Toen het nieuws van haren dood zich door de stad verspreidde, wekte dit een algemeen en zeer teeder gevoel van leedwezen op. „Wij hebben Phebe’s gebeden verloren,” was het gezegde, dat men naderhand dikwijls van leden der kerk hoorde, als zij elkander ontmoetten. Bij hare begrafenis waren de ex-gouverneur van den Staat en de professoren van het college dragers van het rouwkleed, en werd er eene leerrede gehouden, waarin de vele uitmuntende eigenschappen van haar Christelijk karakter als een voorbeeld voor het algemeen werden aangeprezen. Een godsdienstig tractaatje, een verhaal van haar leven bevattende, door eene dame van Brunswick geschreven, werd door het Amerikaansche tractaat-genootschap uitgegeven. De schrijfster herinnert zich, dat er, toen zij, voor het eerst te Brunswick komende, dit tractaatje las, een twijfel bij haar opkwam of het niet eenigzins overdreven was. Eenigen tijd later hoorde zij eenige jongelieden over dit tractaatje spreken, en zeggen dat zij niet dachten dat het eigenlijk een regt denkbeeld van Phebe gaf. „Waarom?” vroeg de schrijfster. „Is het te hoog gekleurd?”—„O neen, waarlijk niet,” was het ernstige antwoord. „Het geeft er niet het minste denkbeeld van, hoe goed zij was.”
Zulke voorbeelden strekken tot toelichting van de woorden des Apostels: „Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren opdat hij de wijzen beschamen zou, en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren opdat hij het sterke zou beschamen.”
John Bunyan zegt, dat hoewel de vallei der vernedering onaantrekkelijk is voor de oogen van de menschen dezer wereld, echter de allerliefelijkste bloemen daar groeijen. Zoo is het met den staat der geringen en armen in deze wereld. God heeft dikwijls, altijd inderdaad, eene bijzondere aandacht daarvoor getoond, met uit die klasse de vaten zijner genade uit te kiezen. Men bedenke, dat toen Jezus Christus kwam, om de Christelijke bedeeling te stichten, hij zijne apostelen niet koos uit de overpriesters en schriftgeleerden, kundig in de wet en hoog in de kerk; ook verkoos hij hen niet uit de wijsgeeren en dichters, wier ontwikkeld en beschaafd verstand men had kunnen meenen dat best in staat zou zijn, om zijne groote ontwerpen te waarderen; maar hij verkoos twaalf eenvoudige, arme visschers, die onkundig waren en gevoelden, dat zij onkundig waren, en die daarom gewillig waren om zich met alle eenvoudigheid aan zijn bestuur over te geven. Wat God van de ziel, meer dan iets anders, vraagt, is geloof en eenvoudigheid, de genegenheid en het vertrouwen van het kleine kind. Zelfs deze twaalf verbeelden zich nog te zeer dat zij wijs waren, en Jezus was verpligt om een klein kind in het midden van hen te plaatsen, als een meer volmaakt leeraar.
Het negergeslacht is, dit erkent men, eenvoudiger, meer gedwee, meer kinderlijk, meer vatbaar voor liefde, dan andere geslachten: en daarom vinden de goddelijke genadegaven van liefde en geloof, wanneer zij door den Heiligen Geest worden ingeblazen, in hun natuurlijk karakter een gunstiger atmospheer dan elders.
Een laatste voorbeeld, met dat van Oom Tom overeenstemmende, is te vinden in de gedenkschriften, door den eerwaardigen Josiah Henson uitgegeven, die thans, gelijk wij gezegd hebben, een geestelijke in Canada is. Hij werd in den Staat Maryland „opgebragt.” Zijne eerste herinneringen waren, dat hij zijnen vader verminkt en met bloed bedekt zag, daar hij de straf had ondergaan, door de wet bepaald op de misdaad van hem, die de hand tegen eenen blanke opheft—die blanke was de opzigter, die beproefd had aan zijne moeder geweld te plegen. Deze straf deed zijnen vader stuursch en gevaarlijk worden, en hij werd daarna naar het Zuiden verkocht, en aldus voor altijd van vrouw en kinderen gescheiden. Henson groeide in eenen staat van heidensche onkunde op, zonder eenig godsdienstig onderrigt, tot hij in eene veldpredikatie voor het eerst den naam van Jezus Christus hoorde, en diep getroffen werd door het groote nieuws, dat Hij voor alle menschen, slaven zoowel als vrijen, den dood had ondergaan. Deze tijding bragt eene onmiddellijke bekeering voort, gelijk die, waarvan wij in de Handelingen der Apostelen lezen, waar de kamerling, na één gesprek, de geschiedenis des kruises gehoord hebbende, terstond gelooft en gedoopt wordt. Henson werd niet alleen terstond een Christen, maar begon ook het nieuws aan anderen mede te deelen; en daar hij een man van buitengemeen natuurlijke kracht van geest en karakter was, slaagde hij zoo gelukkig in zijne ernstige pogingen, om zijne heidensche broeders te verlichten, dat hij langzamerhand den post van neger-prediker op zich nam; en hoewel hij geen woord van den Bijbel of het gezangboek kon lezen, was zijn arbeid in dezen kring zeer voorspoedig. Hij werd terstond een zeer kostbare slaaf voor zijnen meester, en door dezen met het opzigt over het geheele goed vertrouwd, dat hij met veel oordeel en voorzigtigheid beheerde. Zijn meester schijnt in alle opzigten een zeer alledaagsch mensch te zijn geweest, geheel buiten staat om hem uit een ander oogpunt te beschouwen, dan als een zeer kostbaar eigendom, zoodat zijn buitengewone trouw geen ander gevoel bij hem opwekte, dan het verlangen om zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. Toen zijne zaken achteruit gingen, werd hij geraden om al zijne Negers naar Kentucky te vervoeren, en hij vertrouwde het bewerkstelligen daarvan geheel aan zijnen opzigter toe. Henson zou hen alleen, zonder eenig ander geleide, uit Maryland naar Kentucky brengen, eenen afstand van eenige duizend mijlen, en gaf alleen zijne belofte als een Christen, dat hij deze taak getrouw zou verrigten. Op weg daarheen kwamen zij door een gedeelte van Ohio, en daar werd Henson onderrigt, dat hij nu zijne eigene vrijheid en die van al zijne makkers kon verzekeren, en werd hij sterk gedrongen om dit te doen. Hij kwam in zware verzoeking en beproeving, maar zijne Christelijke beginselen bleven onwankelbaar. Niets kon hem bewegen om te denken, dat het een Christen geoorloofd was, eene plegtig gegevene belofte te schenden, en zijn invloed op den geheelen troep was zoo groot, dat hij hen allen mede naar Kentucky bragt. Die casuïsten onder ons, die in den jongsten tijd schijnen te denken en te leeren, dat het ons geoorloofd is de duidelijke geboden van God te schenden, wanneer daardoor een groot algemeen goed kan bewerkt worden, mogten wel eens nadenken over de onwankelbare beginselen van dezen armen slaaf, die, zonder een woord van den Bijbel te kunnen lezen, toch in staat was tot deze verhevene daad van zelfverloochening uit gehoorzaamheid aan de geboden des Bijbels. Vervolgens werd zijn meester, in een oogenblik van weekhartigheid, door eenen vriend overgehaald, om hem voor vier honderd dollars zijne vrijheid te verkoopen; maar toen zijne aandoening bedaard was, speet het hem, dat hij zulk een kostbaar stuk eigendom voor zulk eene geringe vergoeding uit zijne handen had gegeven. Hij maakte dus door eene onwaardige kunstgreep de vrijbrieven van zijnen dienaar in zijn bezit te krijgen, en bleef hem toch in hopelooze slavernij houden. Toen naderhand zijne zaken nog meer achteruit gingen, zond hij zijnen zoon de rivier af met eene schuit met vee en veldgewas, voor de markt van New-Orleans bevracht, en belastte hem Henson mede te nemen, en dezen, nadat hij het vee en de schuit verkocht had, insgelijks te verkoopen. Des Negers geheele ziel kwam tegen dit gruwelijke blijk van ondankbaarheid, onregtvaardigheid en wreedheid in opstand, en terwijl hij voor het uitwendige kalm bleef, streed hij innerlijk met de bitterste verzoekingen, welke hij, daar hij den Bijbel niet lezen kon, alleen door de herinnering van deszelfs heilige waarheden en ernstige gebeden kon bekampen. Toen hij de markt van New-Orleans naderde, zegt hij, dat deze ziele-stuiptrekkingen toenamen, vooral toen hij eenigen zijner oude makkers uit Kentucky ontmoette, wier wanhopige gezigten en vermagerde gestalten van zwaar werk en ongenoegzaam voedsel spraken, en het ergste, dat hij van het lage land gevreesd had, bevestigden. In zijne vlagen van wanhoop, drong de verzoeking hem nog sterker, om zijnen jongen meester en den anderen op de schuit in hunnen slaap te vermoorden, zich zoo van de boot meester te maken en te ontvlugten. Hij verhaalt aldus het tooneel, toen hij bijna tot de volvoering van deze daad werd gedreven:
In eenen donkeren, regenachtigen nacht, op weinige dagen afstands van New-Orleans, scheen mijn uur gekomen te zijn. Ik was alleen op het dek; Mr. Amos en de anderen waren allen beneden in slaap, en ik kroop stil naar omlaag, nam eene bijl, trad de kajuit binnen, en daar met hulp van het flaauwe licht naar mijne slagtoffers zoekende, vielen mijne oogen op Mr. Amos, die het digtst bij mij was; mijne hand gleed langs de steel der bijl, ik hief haar op, om den noodlottigen slag te doen, toen de gedachte mij inviel: „Wat, moord plegen! En gij een Christen?” Ik had het te voren geen moord genoemd. Het was slechts zelfverdediging—het was anderen te verhinderen, om mij te vermoorden—het was verschoonbaar, het was zelfs prijzenswaardig. Maar nu op eens overstelpte mij de waarheid, dat het eene misdaad was. Ik wilde eenen jongman dooden, die niets gedaan had om mij te benadeelen, maar bevelen gehoorzaamde, die hij niet kon wederstaan; ik was op het punt om de vrucht van al mijne pogingen tot zelfverbetering te verliezen, den goeden naam, dien ik verworven had, en de gemoedsrust, die mij nooit had verlaten. Dit alles kwam mij oogenblikkelijk te binnen, en met eene duidelijkheid, die mij bijna deed denken, dat het mij in het oor werd gefluisterd; en ik geloof dat ik zelfs mijn hoofd omkeerde, om te luisteren. Ik deinsde terug, legde de bijl neêr, kroop weder naar het dek, en dankte God, gelijk ik sedert dagelijks gedaan heb, dat ik geen moord had gepleegd.
Mijn gemoed was nog bewogen, maar het was eene beweging van geheel anderen aard. Schaamte en berouw over het oogmerk, dat ik gekoesterd had, vervulden mij, en daarbij kwam de vrees, dat mijne makkers dit op mijn gezigt zouden lezen, of dat een onbedacht woord mijne misdadige gedachten zou verraden. Ik bleef den geheelen nacht op het dek, in plaats van een der lieden te wekken, om mij af te lossen; en niets bragt mijn gemoed tot bedaren, dan het plegtige besluit dat ik opvatte, om in den wil van God te berusten, en met dankbaarheid, indien ik kon, of toch met onderwerping aan te nemen, wat Hij beslissen mogt, dat mijn lot moest wezen. Ik bedacht dat ik, indien mijn leven verkort werd, des te minder te lijden zou hebben, en dat het beter was met de hoop eens Christens en een gerust geweten te sterven, dan te leven met de onophoudelijke herinnering eener misdaad, die de waarde des levens zou vernietigen, en onder den druk van een geheim, dat alle genoegen zou smoren, hetwelk ik van de vrijheid en alle andere zegeningen verwachten kon.
Vervolgens werd zijn jonge meester zwaar ziek aan de rivierkoorts, en zoo hulpeloos als een kind. Hij smeekte Henson met hartstogtelijke aandoening, om hem niet te verlaten, maar voor het verkoopen der schuit en der goederen te zorgen, en hem aan boord der stoomboot te brengen, en hem levend of dood niet te verlaten, voordat hij hem weder bij zijnen vader had gebragt.
De jonge meester werd in de armen van zijnen trouwen dienaar naar de stoomboot gedragen, en daar, gedurende de reis op de rivier, met onvermoeide oplettendheid door hem opgepast; ook verliet Henson hem niet, eer hij hem in de armen van zijnen vader had gebragt.
Onze liefde voor de menschheid doet er ons met smart bijvoegen, dat al deze belangloosheid en goedheid alleen met ijdele loftuitingen, gelijk men aan een zeer fraaijen hond geven zou, werden beloond. Henson besloot met verontwaardiging, om zich niet langer aan het onregt te onderwerpen. Met eene mate van voorzigtigheid, moed en beleid, waarvan men in de geschiedenis bezwaarlijk een voorbeeld zou vinden, wist hij met zijne vrouw en twee kinderen naar Canada te ontkomen. Hier leerde hij lezen, en door zijne talenten en geschiktheid tot het beheer van zaken, legde hij den grondslag tot de volkplanting van vlugtelingen te Dawn, welke men verneemt dat eene der welvarendste in Canada is.
Het zou voor de meest beschaafden onder ons nuttig zijn te vragen, of onze tien talenten ten opzigte van godsdienstige kennis ons in staat hebben gesteld, om zooveel vrucht ter eere van God voort te brengen, om zoo geduldig verzoekingen te wederstaan, om zoo belangeloos kwaad met goed te vergelden, als deze arme, onkundige slaaf. Een schrijver in Engeland heeft smalend aangemerkt, dat zulk een man als Oom Tom, wel zendeling mogt worden, om de meest beschaafden in Engeland of in Amerika den waren aard der godsdienst te leeren. Deze voorbeelden bewijzen dat datgene wat zoo smalend is gezegd, in ernst de waarheid is; en het behoorde nooit vergeten te worden, dat uit dit geslacht, door de menschen veracht, dikwijls door God ware boden zijner genade en tempelen tot woonstede van Zijnen Geest zijn gekozen.
„Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van eenen verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.”
Het visioen aan Oom Tom toegeschreven, brengt ons tot een bijzonder zielkundig verschijnsel bij het negergeslacht, eene eigenaardigheid die veel afdoet om te bewijzen hoezeer zij van den stam der blanken verschillen. Zij bezitten een bijzonder prikkelbaar en ligt aandoenlijk zenuwgestel. Hunne gewaarwordingen en aandoeningen zijn zeer levendig, hunne verbeelding wordt ligt opgewonden. In dit opzigt heeft deze stam een oostersch karakter, en verraadt zijnen tropischen oorsprong. Gelijk de oude Hebreërs en de oostersche volken van den tegenwoordigen tijd, gevoelen zij en ontboezemen zij hunne aandoeningen met de grootste levendigheid van uitdrukking, en geheel hun ligchaamsgestel neemt deel aan de beweging van hun gemoed. Wanneer zij bedroefd zijn, heffen zij in den eigenlijken zin hunne stem op om te schreijen, en „schreeuwen met een grooten en bitteren schreeuw gansch zeer.” Wanneer zij schrikken, worden zij dikwijls als verlamd en geheel hulpeloos. Hunne godsdienstige oefeningen worden allen door dit buitengemeen gevoelige en levendige temperament gekleurd. Gelijk de oostersche volken, zijn zij zeer genegen tot uitwendige vertooningen, heftige gebaren en ontroerde ligchaamsbewegingen. Somtijds springen zij in hunne godsdienstige bijeenkomsten verscheidene malen achtereen van den grond op, met eene kracht en snelheid, die werkelijk verbazend zijn. Zij lagchen, schreijen, omhelzen elkander hartstogtelijk, en krijgen somtijds stuiptrekkingen of vlagen van verlamming. Een geestelijke uit het Noorden, berispte een uit het Zuiden, dat hij zulke buitensporigheden in zijne gemeente toe liet. Het antwoord van den prediker uit het Zuiden, was hoofdzakelijk dit: „mijnheer, ik ben overtuigd dat de stammen zoo wezenlijk verschillend zijn, dat zij niet volgens dezelfde regelen kunnen bestuurd worden. In het eerst dacht ik even als gij; en hoewel ik zag dat er opregte bekeeringen plaats hadden, met al deze vertooningen, hinderden zij mij toch zoodanig, dat ik ze onder mijne negers verbood, tot dat ik mij overtuigde dat het onderdrukken daarvan eene ernstige belemmering was voor het ware godsdienstige gevoel; en toen werd ik overtuigd, dat alle menschen in hunne godsdienstige oefeningen niet aan éénen regel kunnen gebonden worden. Ik ben zeker, dat bekeeringen, met deze bijzaken tot stand gekomen, evenzeer echt kunnen zijn, en even veel invloed op het hart en leven kunnen uitoefenen, als die op eenige andere wijze volbragt worden.” De zaak is, dat de Anglo-Saksische stam,—koel, redenerend en practisch—nog verdraagzaamheid voor de eigenaardigheden van andere stammen moet leeren; en misschien was het met een voorzigt van hun eigenaardig karakter, en hunne heerschende stelling op de aarde, dat God hun den Bijbel gaf in de vurige taal en met de gloeijende beelden der meer aandoenlijke en hartstogtelijke oostersche geslachten.
Magnetiseurs hebben bevonden, dat de negers bijzonder vatbaar zijn voor al die invloeden, welke zinverdooving, magnetischen slaap en verschijnselen van gedeeltelijke clair-voyance voortbrengen.
De Afrikanen gelooven in hun eigen klimaat aan betooveringen, aan „fetish en obi,” aan het booze oog, en andere zonderlinge werkingen, waarvan waarschijnlijk de reden in de eigenaardigheid van hun gestel is te zoeken. De toovenaars in de bijbelsche geschiedenis waren Afrikanen, en de zoogenoemde magische kunsten worden nog in Egypte en andere deelen van Afrika uitgeoefend, met eene bekwaamheid en een gevolg, welke alleen verklaard kunnen worden door het veronderstellen van eigenaardigheden in het zenuwstelsel, geheel verschillend van die der blanken. Deze kenmerkende trekken der stammen overwegende, is het niet te verwonderen, wanneer men in hunne godsdienstige aandoeningen, als hun gemoed door den krachtigen prikkel der Christelijke godsdienst wordt aangedaan, zeer eigenaardige verschijnselen vindt. Het bevreemdt ons niet in de verhalen hunner godsdienstige bevindingen te hooren, van hemelsche stemmen, van geheime sympathieën en overstortingen van kennis van het eene hart in het andere, zonder tusschenkomst der zinnen, of van wat de kwakers noemen, „gedoopt te worden in den geest van afwezigen.”
Gevallen van dien aard komen in hunne geschiedenissen gedurig voor. De jongman wiens geschiedenis aan de dame van Boston werd verhaald, en in het hoofdstuk over George Harris is medegedeeld, verhaalde met betrekking tot zijne bevrijding, de volgende omstandigheid: dat hij na het vertrek zijner vrouw en zuster, langen tijd en zeer ernstig eene gelegenheid zocht, om te ontsnappen, maar dat elke uitweg voor hem gesloten scheen. Eindelijk ging hij in wanhoop naar zijne kamer en wierp zich op zijn bed, met voornemen om van de onderneming af te zien, toen hij, juist daar hij in slaap viel, gewekt werd door eene stem, die hem in het oor zeide: „waarom slaapt gij nu? Sta op, als gij ooit vrij denkt te zijn!” Hij sprong op, ging terstond uit, en ontdekte in den tijd van een paar uren het middel ter ontkoming, dat hij gebruikte.
Eene dame wier geschiedenis aan de schrijfster bekend is, woonde eenen tijd lang op eene zuidelijke plantaadje, en was gewoon den slaven godsdienstig onderwijs mede te deelen. Eens kwam eene vrouw van eene afgelegene plantaadje haar aan hare woning opzoeken en vroeg naar haar. De dame zeide verwonderd: „hoe wist gij van mij?” Het antwoord der oude vrouw was, dat zij lang beangst over hare ziel was geweest; maar dat, eenige nachten geleden, iemand haar in haren droom was verschenen en haar gezegd had, naar deze plantaadje te gaan en naar de vreemde dame daar te vragen, en dat zij haar de weg naar den hemel zou leeren.
Een ander voorbeeld van denzelfden aard werd aan de schrijfster verhaald door eene slavin, welke de geheele smartelijke ondervinding van een slavenleven had doorgegaan. Zij was eens een jong meisje van bevallig voorkomen en zachten aard geweest, zorgvuldig opgebragt als naaister en oppaster bij de kinderen eener familie in Virginia, en met al de warmte van haar ligt aandoenlijk hart, aan die kinderen gehecht. Hoewel eene van de teederste moeders, toen de schrijfster haar kende, verzekerde zij deze echter, dat zij nooit een van hare eigene kinderen zoo lief had gehad, als het dierbare jonge meesteresje dat hare bijzondere zorg was. Waarschijnlijk ten gevolge van geldelijke ongelegenheden der familie, werd dit meisje, dat wij Louisa willen noemen, naar eene zuidelijke plantaadje verkocht. Zij heeft dikwijls het tooneel beschreven toen zij met geweld in een rijtuig werd gezet, en hare lieve jonge meesteres uit het venster zag leunen, hare armpjes naar haar uitsteken, met al de heftigheid van kinderlijke smart gillende en haren naam roepende. Zij werd in eenen troep vervoerd en als keukenmeid op eene zuidelijke plantaadje verkocht. Met den grootsten ernst van taal heeft zij de schrijfster haar geheele verlatenheid en de wanhopige droefheid van haar hart in dezen toestand beschreven, voor altijd gescheiden van alles wat haar op aarde dierbaar was, buiten de mogelijkheid zelfs om brieven of boodschappen te zenden, omringd door menschen die niet het minste belang in haar stelden, en gedwongen tot eenen arbeid, waarvoor hare teedere opvoeding haar geheel ongeschikt gemaakt had. Onder deze omstandigheden begon zij te gelooven dat het om eene of andere schrikkelijke zonde was, dat zij zoo bezocht werd. De geschiedenis van haar gemoed daarna, met hare eigene eenvoudige woorden verhaald, is deze:
„Daarna begon ik mij ontzettend goddeloos te voelen—o, zoo goddeloos, dat gij er geen denkbeeld van hebt! Ik voelde mij zoo goddeloos, dat mijne zonden als een last op mij schenen, en ik ging zoo zwaar den ganschen dag. Ik voelde mij zoo goddeloos, dat ik niet waardig was om in huis te bidden, en ik plagt heel ver weg te gaan in het veld, om te bidden. Eindelijk toen ik eens bad, kwam de Heer en sprak tegen mij.”
„De Heer sprak tegen u?” zeide de schrijfster. „Wat meent gij, Louisa?”
Met een gezigt vol van den grootsten ernst, antwoordde zij: „Wel mevrouw, de Heer Jezus kwam en sprak tegen mij, weet ge; en nooit, tot op den laatsten dag van mijn leven, zal ik vergeten wat Hij tegen mij zeide.”
„Wat was het dan?” zeide de schrijfster.
„Hij zeide: „Vrees niet, mijne kleine; uwe zonden zijn u vergeven.”” En zij voegde hierbij eenige verzen, welke de schrijfster als regels uit een Methodistisch lied herkende.
Nieuwsgierig zijnde om dit verschijnsel nader te onderzoeken, zeide de schrijfster:
„Gij meent, dat gij dit gedroomd hebt, Louisa?”
Met een blik alsof haar gevoel daardoor gekwetst was en met grooten ernst, antwoordde zij:
„O neen, Mrs. Stowe; dat was geen droom, dat zult ge mij nooit doen gelooven.”
Terstond kwam de gedachte bij de schrijfster op: „Indien de Heer Jezus inderdaad overal tegenwoordig is, en indien hij zoo teêrhartig en medelijdend is als Hij op aarde was—en wij weten dat Hij dit is—moet Hij dan somtijds niet verlangen tot den armen wanhopigen slaaf te spreken, wanneer Hij weet dat geene andere stem dan de Zijne zijne ziel kan troosten en genezen?”
Dit voorbeeld van Louisa stemt zoo zeer overeen met een ander geval, hetwelk de schrijfster uit eene geloofwaardige bron vernam, dat zij verlokt wordt om de twee naast elkander te plaatsen.
Onder de slaven, die naar de Nieuw-Engelsche Staten gebragt werden, in den tijd toen de slavernij heerschte, was eene vrouw, die terstond nadat men haar de geschiedenis der liefde van Jezus Christus had verhaald, uitriep: „Hij is het. Dit is wat ik verlangde.”
Daar deze taal verwondering baarde, werd er naar hare geschiedenis vernomen. Zij was kortelijk deze:—Terwijl zij in hare eenvoudige hut in Afrika woonde, overvielen de menschenroovers eens haar gezin, en voerden haren man en hare kinderen weg naar het slavenschip, terwijl zij in de bosschen ontkwam. Toen zij naar hare eenzame woning terugkeerde, treurde zij met de bitterheid van „Rachel om hare kinderen schreijende.” Vele dagen lang was haar hart door eenen last van smart ter neer gedrukt, en alle voedsel weigerende, zwierf zij door het eenzame bosch op en neer.
Eindelijk, zegt zij, overviel haar een sterke aandrang om te knielen en haar leed uit te storten in het oor van een onbekend Wezen, hetwelk zij zich verbeeldde dat boven haar in de lucht was.
Zij deed zulks, en tot hare verwondering kreeg zij een onuitsprekelijk gevoel van verligting. Daarna was het hare gewoonte dagelijks naar dezelfde plek te gaan en tot dien onbekenden Vriend te smeeken. Vervolgens werd zij zelve gevat en naar Amerika overgevoerd; en toen de geschiedenis van Jezus en zijne liefde haar verhaald werden, gevoelde zij terstond in hare ziel, dat deze Jezus de vriend was, die haar smachtend gemoed in het ver verwijderde Afrikaansche bosch had toegesproken.
Vergelijk nu deze bevindingen met de ernstige en schoone taal van Paulus: „Hij heeft uit eenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren verordend, en de bepalingen van hunne woning, opdat zij den Heer zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mogten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.”
Is dit niet waarlijk naar God tasten en Hem vinden? En mogen wij niet hopen, dat het smachtend, onrustig, hulpeloos menschelijk hart, gedrukt door de duldelooze smart van dit korte leven, of vermoeid door de geheele ijdelheid daarvan, nooit vruchteloos de onschuldig smeekende handen tot God opheft? Is niet de sluijer, die ons van eenen almagtigen, albarmhartigen Vader afscheidt, veel dunner, dan wij, in den trots onzer philosophie, genegen zijn ons te verbeelden? en is het niet de waardigste voorstelling van Hem, te denken, dat hoe meer volslagen hulpeloos en onkundig het menschelijke wezen is, dat Zijne hulp zoekt, Zijne gemeenschap met die ziel des te teederder en meer nederbuigend zal zijn?
Indien eene moeder onder hare kinderen er een had, dat door ziekte blind, doof of stom geworden was, onbekwaam om door de gewone middelen van mededeeling kennis te verkrijgen, zou zij dan niet zoeken zijnen verduisterden geest te bereiken door wijzen van mededeeling, teerder en inniger dan die, welke zij met hare sterkere en meer begunstigde kinderen gebruikt? Hoe kan de liefde eener moeder met de oneindige liefde van Jezus vergeleken worden? Heeft Hij zichzelven niet beschreven als de goede herder, die de geheele kudde van veiligen en wel onderwezenen verlaat, om over de bergen der onkunde het ééne verdwaalde schaap te volgen, en wanneer Hij het gevonden heeft, zich meer daarover verheugt dan over de negen en negentig, die niet verdwaald waren? Heeft Hij ons niet gezegd dat elk dezer kleinen eenen beschermengel heeft, die altijd het aangezigt ziet van zijnen Vader die in den hemel is? En is het niet troostrijk voor ons te denken, dat Zijne liefde en zorg geëvenredigd zullen zijn aan de onkunde en de behoeften Zijner uitverkorenen?
Sedert het bovenstaande voor de drukpers werd gereed gemaakt, ontving de schrijfster het volgende uittreksel van eenen brief, door iemand in Missouri aan den uitgever van de Oberlin Evangelist (Ohio) geschreven:
Ik dacht werkelijk, terwijl ik „Uncle Tom’s Cabin” las, dat de schrijfster, toen zij het karakter van Tom beschreef, een slaaf voor den geest had gehad, met wien ik eenige jaren geleden in den Staat Mississippi kennis maakte, Oom Jacob geheeten. Ik vertoefde een paar dagen bij een planter, en toen ik in den avond op de werf was, hoorde ik in een der kwartieren een welbekend godsdienstig lied zingen en daarna eene biddende stem: en o, zulk een gebed! Welk een vuur, welk eene zalving—ja, die man bad wel waarlijk; en toen ik van Oom Tom las, hoe „niets de treffende eenvoudigheid, den kinderlijken ernst van zijn gebed kon overtreffen, in de taal der Heilige Schrift gekleed, die hem zoo geheel doordrongen scheen te hebben, dat zij als het ware een gedeelte van zijn eigen wezen was geworden,” werd de herinnering aan dat avondgebed buitengemeen levendig bij mij. Toen ik weder in huis ging en sprak van wat ik gehoord had, antwoordde zijn meester: „O mijnheer, als ik iets in de wereld benijd, is het de godsdienst van Oom Jacob. Als er een braaf man op aarde is, is hij er zekerlijk een.” Hij zeide dat Oom Jacob „regulator” op de plantaadje was; en dat een woord of blik van hem, tot de jongere slaven gerigt, meer indruk maakte dan een slag van den opzigter.
Den volgenden morgen onderrigtte Oom Jacob mij, dat hij uit Kentucky, tegenover Cincinnati, was; dat hij veel gelegenheid had gehad om de godsdienstoefening bij te wonen; dat hij op den ouderdom van ongeveer veertig jaren naar het Zuiden was verkocht en aan het katoenplukken gezet; hij kon, al deed hij zijn best, de hem gestelde taak niet plukken; werd gegeeseld en gegeeseld, hij kon met geene mogelijkheid zeggen hoe dikwijls; was van gedachte, dat de opzigter eindelijk tot het begrip kwam, dat met geeselen geen pond meer van hem te krijgen was, want hij zette hem aan het drijven van een wagenspan. Voor dit en ander werk was hij zoo goed als een ander. Hij had drie of viermalen van eigenaar verwisseld. Hij verklaarde zich zoo wel tevreden met zijnen tegenwoordigen toestand als hij verwachtte in het Zuiden te zullen zijn, maar verlangde zeer tot zijne vroegere betrekkingen in Kentucky terug te keeren.
Hoofdstuk VII.
Miss Ophelia.
Inhoudsopgave
Miss Ophelia is de vertegenwoordigster eener talrijke klasse der besten onder de bevolking van het Noorden; tot welke misschien onze Heer, indien Hij weder eenen brief aan zijne kerken mogt rigten, gelijk hij aan die van den ouden tijd deed, dezelfde woorden als toen zou bezigen: „Ik weet uwe werken en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; en gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden. Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten.”
Er bestaat in deze klasse van menschen werkzaamheid, ijver, onverzettelijke trouw aan hun geweten, heldere onderscheiding tusschen waarheid en dwaling, groote juistheid van redenering en zuiverheid van leer; maar er is gebrek aan dien geest der liefde, zonder welken in de oogen van Christus het volmaaktste karakter even gebrekkig is als eene van was gemaakte bloem—die geen leven en geene geur heeft.
Evenwel is dit gezegende beginsel niet dood in hunne harten, maar het slaapt slechts; en zoo groot is de wezenlijke en echte goedheid, dat wanneer de ware magneet der goddelijke liefde wordt aangewend, zij altijd aan zijne kracht gehoor zal geven.
Wanneer dus de zachtaardige Eva, die eene voorstelling der liefde van Christus in kinderlijke gedaante is, door een gezegend instinct terstond het vraagstuk oplost, hetwelk Ophelia in langen tijd en met de grootste moeite en inspanning niet heeft kunnen oplossen, bemerkt en erkent zij met haar goed en opregt hart dadelijk haren misslag en is zij gewillig om zelfs van een klein kind te leeren.
Miss Ophelia vertegenwoordigt wederom eene groote zonde, waaraan Amerikaansche Christenen, zonder het te weten, zich hebben laten schuldig worden. Zonder het te weten moet het zijn, want nergens heerscht het geweten zoo zeer als onder deze klasse, en nergens wordt opregter gestreefd om elke gedachte onder de gehoorzaamheid van Christus te brengen.
Eene der eerste en meest openlijk verklaarde bedoelingen van het evangelie is geweest, al die onredelijke scheidsmuren en vooroordeelen neer te werpen, welke de menschelijke broederschap in afgezonderde en oorlogende stammen verdeelen. Paulus zegt: „in Christus is niet Jood en Griek, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije.” De Joden waren in dien tijd door eenen onoverkomelijken muur van vooroordeelen van de Heidenen gescheiden. Zij konden niet te zamen eten en drinken, niet te zamen bidden. Doch de apostelen arbeidden zeer ernstig om hen het zondige van dit vooroordeel te doen inzien. Paulus zegt tot de Ephesiërs, van deze vroegere verdeeldheid sprekende: „Hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels tusschen ons gebroken heeft.”
Het is zeer gemakkelijk te zien dat, hoewel de slavernij in de Staten van Nieuw-Engeland is afgeschaft, zij echter de noodlottigste eigenschap van het stelsel heeft nagelaten—datgene wat de Amerikaansche erger dan de Romeinsche slavernij maakt—het vooroordeel van caste en kleur. In de Staten van Nieuw-Engeland wordt de Neger behandeld alsof hij tot een lager geslacht van wezens behoorde; genoodzaakt om op de plaats van godsvereering afzonderlijk te zitten; zijne kinderen van de scholen uitgesloten; hij zelf uitgesloten van den spoorwagen en den omnibus; en de eigenaardigheden van zijnen stam worden tot voorwerpen van bittere verachting en spotternij gemaakt.
Men heeft deze handelwijs geregtvaardigd door te zeggen, dat zij een verlaagd geslacht zijn. Maar hoe kwamen zij verlaagd? Neem welke klasse van menschen gij wilt, en ontzeg hun de middelen van opvoeding, ontneem hun hoop en gevoel van eigenwaarde, sluit voor hen alle paden van regtmatige eerzucht, en gij zult hen tot juist zulk een geslacht maken als de Negers onder ons geweest zijn.
Zoo zonderling en zoo treurig is de heerschappij van het vooroordeel over het menschelijk gemoed, dat belijders des Christendoms in onze Nieuw-Engelsche Staten dikwijls, met zeer gewigtige opoffering en zelfverloochening, het Evangelie gezonden hebben tot heidenen even donker van kleur als de Afrikanen, terwijl in hunne nabijheid personen van donkere kleur waren, aan welke om die kleur verboden was hunne kinderen ter school te zenden, terwijl zij zelven werden afgeschrikt om de kerken binnen te treden. Het gevolg daarvan is geweest, dat het geslacht verlaagd werd en verbasterde; en toen heeft men juist deze verlaging en verbastering als eene reden aangevoerd om in deze handelwijs te volharden.
Niet lang geleden bezocht de schrijfster eene menschlievende dame, en kwam bij dit bezoek het gesprek op de omstandigheden van eenen brand, die den vorigen nacht in de nabijheid had plaats gehad. Een ledig staand huis was tot aan den grond toe afgebrand. De dame zeide, dat men vermoedde dat het in brand was gestoken. „Welke reden kon iemand hebben, om het in brand te steken?” zeide de schrijfster.
„Wel,” antwoordde de dame, „men meende dat eene familie van kleurlingen het stond te betrekken, en men dacht dat de buurt dit niet wilde toelaten. En dus vermoedde men dat dit de reden was.”
Dit werd met alle eenvoudigheid en zeer onverschillig gezegd.
De schrijfster vroeg: „Heeft dat huishouden een slechten naam?”
„Neen, niet bijzonder, zoo ver ik weet,” antwoordde de dame. „Maar het zijn Negers, weet ge!”
Nu is deze dame eene zeer godvreezende vrouw. Waarschijnlijk zou zij zichzelve verloocheningen willen opleggen, om het Evangelie aan de heidenen te zenden; en indien zij er ooit aan gedacht had om deze familie als eene heidensche te beschouwen, zou zij de grootste belangstelling voor hun welzijn hebben gevoeld, omdat zij wat haren pligt jegens de heidenen betrof dikwijls onderrigt van den predikstoel had ontvangen, en haar geweten en godsdienstig gevoel in dit opzigt wakker waren. Waarschijnlijk had zij nooit eene preek gehoord, waarin de groote waarheid verkondigd werd: „dat in Christus geen Jood of Griek, barbaar, Scyth, dienstknecht of vrije is.”
Indien onze Heer nog op aarde was, gelijk Hij eens geweest is, hoe zou Hij dan waarschijnlijk handelen, ten opzigte van dit onchristelijk vooroordeel van kleur?
Er was eene klasse van menschen in die dagen, evenzeer veracht bij de Joden als de Negers bij ons; en tegen Christus werd de klagt ingebragt, dat Hij een vriend van tollenaren en zondaren was. En indien Christus bij eene avondmaalsbediening eene plaats van godsvereering binnentrad, en den kleurling achteraf alleen zag zitten, zou het dan niet juist in zijnen geest wezen om daar bij hem te gaan zitten, liever dan eene plaats onder zijne rijkere en meer welvarende broederen te nemen?
Het is echter niet meer dan billijk van onze noordelijke Christenen te zeggen, dat zij de zonde in onkunde en ongeloof begaan hebben, en dat sedert eenige jaren teekenen van eenen veel beteren geest zich beginnen te vertoonen. In sommige plaatsen zijn onlangs de deuren der schoolhuizen voor de kinderen geopend, en menige goede Miss Ophelia heeft de oogen verbaasd opgeslagen, toen zij vernam, dat er, terwijl zij getrouw de Missionary Herald las, en zich boter op haar brood en suiker in hare thee ontzeide om het Evangelie naar de Sandwichs Eilanden te helpen zenden, te huis in hare eigene buurt eene zeer bloeijende kolonie van heidenen bestond; en getrouw aan eigen goed en opregt hart, heeft zij besloten om hare gebeden en pogingen voor de heidenen buiten ’s lands niet te staken, maar daarbij nog haren arbeid te voegen voor de heidenen te huis.
Onze veiligheid en hoop in dit opzigt bestaan hierin, dat er in al onze kerken zeer velen zijn, die waarlijk en opregtelijk Christus liefhebben, en die, zoodra een weinig nadenken hen hunnen pligt te dezen aanzien zal hebben doen kennen, dien met allen ernst zullen vervullen.
Het is waar dat zij, indien zij dit doen, misschien Abolitionisten zullen genoemd worden; maar de echte Miss Ophelia is niet bang voor eenen leelijken naam in eene goede zaak en heeft veeleer geleerd, „de smaadheid van Christus eenen grooteren schat te achten dan de rijkdommen van Egypte.”
Dat er reeds veel door Christenen kan gedaan worden, om het zedelijke gevoel der maatschappij in dit opzigt wakker te maken, zal blijken wanneer men bedenkt, dat zulk een wel opgevoed en fatsoenlijk man als Frederick Douglass onlangs, terwijl hij in zwakke gezondheid verkeerde, genoodzaakt was om den nacht op het dek eener stoomboot door te brengen, omdat dit onzinnige vooroordeel hem van eene plaats in de kajuit beroofde; en dat een zeer werkzaam en nuttig geestelijke, Dr. Pennington van New-York, in den laatsten tijd zijne gezondheid dikwijls aan ernstig gevaar heeft moeten blootstellen door onder eene brandende zon te voet door zijn zeer uitgebreid kerspel te moeten rondgaan, om zijn herderlijk werk te verrigten, omdat hem het gewone gemak van den omnibus niet kon toegestaan worden, die alle klassen van blanken, van de beschaafdsten tot de laagsten en walgelijksten, vervoert.
Laten wij nu bedenken hoe groot het aantal belijders der godsdienst van Christus te New-York is, en ook bedenken, dat zij, door hunne belijdenis zelve, Dr. Pennington voor den broeder van hunnen Heer, en even als elk hunner voor een lid van het ligchaam van Christus houden.
Nu zijn deze Christenen aanzienlijk, rijk en magtig; zij kunnen de publieke meening dwingen in ieder opzigt dat zij van bijzonder belang achten, en zij belijden, volgens hunne godsdienst, „dat indien een lid lijdt, al de leden medelijden.”
Het is eene ernstige vraag, of zulk eene in het oog vallende smaadheid, Christus en zijne prediking, in den persoon van eenen gekleurden broeder, zonder eenige tegenspraak van hunne zijde aangedaan, niet tot een algemeen gevoelen zal leiden, dat al wat de Bijbel over de vereeniging der Christenen zegt slechts een ijdele klank is en niets beteekent.
Zij die verlangend zijn om regtstreeks iets te doen ten einde den toestand der slaven te verbeteren, kunnen dit op geene andere wijs beter doen, dan door den staat der vrije kleurlingen om hen heen te verheffen, en alle moeite te doen om hun gelijke regten en privilegiën te verschaffen.
Dit onchristelijke vooroordeel heeft ongetwijfeld de emancipatie van honderden van slaven verhinderd. De slavenhouder, die het kwaad der slavernij gevoelt en erkent, is naar het Noorden gekomen, en heeft de blijken dezer liefdelooze en onchristelijke gezindheid jegens den slaaf gezien, en bij zichzelven aldus geredeneerd:
„Indien ik mijnen slaaf in het Zuiden houd, is hij, wel is waar, onder de heerschappij eener zeer gestrenge wet; maar hij geniet toch ook de voordeelen van mijne vriendschap en hulp, en krijgt door zijne betrekking tot mij en mijne familie, zekere soort van positie in de maatschappij. Als mijn bediende wordt hem eene plaats in den spoorwagen en aan de tafel toegestaan. Maar als ik hem emancipeer en naar het Noorden zond, zal hij wat het wezen der zaak betreft al de nadeelen der slavernij ondervinden, zonder meester om hem te beschermen.”
Deze wijs van redeneren heeft menigeen tot verschooning gediend om zijne slaven in eenen toestand te houden, dien hij bekennen moet, dat slecht is; en men zal wel terstond begrijpen dat, indien de toestand van den Neger in onze noordelijke Staten in het oogloopend veranderd werd, zulks van grooten invloed zou zijn op het emanciperen van slaven. Zij die dit vooroordeel in stand houden, kunnen dus in zekeren zin gezegd worden slavenhouders te zijn.
Hiermede wordt niet bedoeld, dat alle onderscheidingen in de maatschappij moesten afgeschaft worden, en dat men verpligt zou wezen, zijnen vertrouwelijken omgang te kiezen uit eene klasse, door opvoeding en gewoonte daartoe ongeschikt.
De Neger moest niet boven zijnen kring verheven worden, omdat hij een Neger is; maar hij moest in zijnen kring met Christelijke beleefdheid behandeld worden. In den spoorwagen, in den omnibus en op de stoomboot, plaatsen alle rangen en klassen van blanken zich met onbelemmerde vrijheid naast elkander; en de Christelijkheid eischt den Neger hetzelfde voorregt te geven.
Dat de morsigste en onbeschaafdste vreemdeling of Amerikaan, met een adem die naar jenever ruikt, met vuile en havelooze kleeren, een onbetwijfeld regt zou hebben om in den spoorwagen en op de stoomboot naast iedereen plaats te nemen, en dat de fatsoenlijke, beschaafde, welgekleede Neger hiervan uitgesloten zou zijn, alleen omdat hij een Neger is, kan niet anders dan voor iets onredelijks en onchristelijks gehouden worden; en ieder Christen, die zoo iets in zijn bijzijn zonder tegenspraak en het aanwenden van zijnen Christelijken invloed, laat geschieden, zal zeker zijne dwaling diep gevoelen, wanneer hij eindelijk tot een persoonlijk onderhoud met zijnen Heer komt.
Er is in dit opzigt niets te hopen, indien de liefde van Christus niet krachtig genoeg is, en indien het niet ten aanzien der twee stammen kan gezegd worden: Hij is onze vrede, die beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels tusschen ons verbroken heeft.
De tijd nadert snel, wanneer de hoogste klassen der maatschappij moeten leeren, dat hunne opvoeding, rijkdom en beschaving niet hun uitsluitend eigendom zijn; dat zij geen regt hebben om die tot hun eigen baatzuchtig voordeel te gebruiken; maar dat zij die veel eer, gelijk Fenelon het uitdrukt, een „ministerie” moeten achten, een rentmeesterschap, dat hun ten behoeve hunner armere broederen is toevertrouwd.
In sommigen der hoogste kringen van Engeland en Amerika, beginnen wij schitterende voorbeelden te zien van het begin van zulk eenen staat van zaken.
Een der vorstelijke kooplieden van Boston, wiens lijkplegtigheid onlangs in onze stad gevierd is, gaf in zijn leven een schoon voorbeeld van deze waarheid. Zijn rijkdom was de rijkdom van duizenden. Hij was de rentmeester van weduw en wees. Zijn kapitaal was eene spaarbank, waarin de hulpbronnen der armen bewaard werden; en de rouwdragers bij zijne begrafenis waren de leerlingen der scholen die hij gesticht had, de beambten der letterkundige instellingen, die zijne mildheid had begiftigd, de weezen en weduwen, die hij raad en hulp had verleend, en de mannen, van allen rang en stand, die hij door zijne weldadigheid had doen gevoelen dat zijn rijkdom hun rijkdom was. Moge God vele mannen in Boston verwekken om in den geest en den arbeid van Amos Lawrence te treden!
Dit is het ware socialisme, dat uit den geest van Christus spruit, en zonder de bestaande rangen der maatschappij om te werpen, door liefde het eigendom en de bezittingen der hoogere klasse tot het eigendom der lagere maakt.
De menschen zoeken altijd hunne hervormingen met het uitwendige en stoffelijke te beginnen. Christus begint zijne hervormingen in het hart. De menschen zouden alle rangen der maatschappij willen afbreken, en alle eigendom in een algemeenen voorraad werpen; maar Christus wil de hoogere klasse met dien Goddelijken Geest vervullen, door welke alle rijkdommen, middelen en voordeelen van hunnen stand ten nutte van de lagere gebruikt worden.
Wij zien ook in de hoogste aristocratie van Engeland voorbeelden van dezelfde rigting.
Onder den oudsten adel van dat land beginnen verhandelaars voor handwerkslieden en voorstanders van havelooze scholen op te staan; en men zegt dat zelfs op den troon van Engeland eene vrouw is, die wekelijks hare klasse van zondagscholieren, uit de kinderen in den omtrek van haar landverblijf, onderwijst.
Op deze wijze, en niet door eene uitwendige, stoffelijke verdeeling van eigendom zal men alle dingen gemeen hebben. En wanneer de blanke stam zijne meerderheid boven den gekleurde alleen als een talent zal beschouwen, hem ten behoeve van zijnen zwakkeren broeder toevertrouwd, dan zal het vooroordeel van caste in het licht des Christendoms verdwijnen.
Hoofdstuk VIII.
Marie St. Clare.
Inhoudsopgave
Marie St. Clare is de type eener klasse van vrouwen, die niet bijzonder aan eenig gewest of eenigen maatschappelijken toestand eigen zijn. Zij kan in Engeland en in Amerika gevonden worden. In de noordelijke Staten hebben wij vele Marie St. Clares, meer of minder volkomen ontwikkeld.
Wanneer zij op eene noordelijke breedte wordt aangetroffen, is zij altijd ontevreden over hare huiselijke omstandigheden. Hare bedienden doen nooit iets goeds. Vreemd genoeg, zij zijn niet volmaakt, en dit houdt zij voor zeer schandelijk. Zij is ten volle overtuigd, dat zij alle zedelijke en Christelijke deugden in hare keuken behoorde te hebben voor wat minder dan het gewone loon; en wanneer hare keukenmeid haar verlaat, omdat zij in een naburig huishouden beter loon voor minder werk kan bekomen, vindt zij dit gedrag ontzettend baatzuchtig en slecht. Zij is van meening, dat bedienden volmaakt belangloos behoorden te zijn; dat zij gewillig behoorden te wezen om de slechtste kamers in het huis met zeer matig loon en bijna slecht voedsel voor lief te nemen, wanneer zij het elders beter kunnen krijgen, alleen om haar genoegen te doen. Zij heeft gaarne vreemde dienstboden, die onze manieren nog niet hebben geleerd, die gewoon zijn voor gering loon te werken en bijna met alles tevreden zijn; maar dikwijls hoort men haar klagen, dat zij spoedig bedorven worden, en zooveel voorregten willen hebben als iemand anders, Marie wenscht dikwijls, dat zij slaven kon houden, of ergens woonde, waar de lagere klasse omlaag wordt gehouden, en men dienstboden hunne plaats leert kennen. Zij maakt altijd jagt op goedkoope naaisters, en zal u als een geheim vertellen, dat zij eene vrouw heeft ontdekt, die heerlijk linnen hemden naait, de hals- en mouwboorden dubbel stikt, en dat alles voor zeven en dertig cents, terwijl vele naaisters er een dollar voor krijgen; zij zegt dat zij het doet, omdat zij arm is en geene betrekkingen heeft; maar zij denkt dat gij moet oppassen als gij met haar spreekt, en haar niet laten merken wat de prijzen zijn, of anders zal zij bedorven worden—die naaisters zijn zoo inhalig. Als Marie St. Clare het ongeluk heeft van in een vrijen Staat te wonen, is er geen eind aan hare rampen. Hare keukenmeid gaat telkens heen om beter loon en een gemakkelijker dienst te zoeken; hare werkmeid, vreemd genoeg, heeft geen zin om voor half loon werkmeid en naaister te gelijk te zijn, en deserteert dus. Marie’s keukenkabinet is dus altijd in een staat van revolutie, en dikwijls verklaart zij, met aandoenlijken ernst, dat de dienstboden de kwelling van haar leven zijn. Indien haar echtgenoot bedenkingen wil maken of eene andere manier van behandeling aanraden, is hij een hardvochtig, gevoelloos man, hij houdt niet van haar en hij heeft nooit van haar gehouden; en zoo wordt hij afgescheept.
Doch wanneer Marie onder een stelsel van wetten komt, dat haar eene volstrekte magt over hare afhangelingen geeft, dat haar in staat stelt om hen naar haar believen van hunne dierbaarste betrekkingen te scheiden, of hun de schandelijkste en pijnlijkste straffen op te leggen, zelfs zonder dat bedwang, hetwelk het zien der uitvoering daarvan mogelijk zou kunnen te weeg brengen—dan is het, dat dit karakter tot volle rijpheid komt. De natuur van den mensch is in het Zuiden niet erger dan in het Noorden; maar de wet in het Zuiden beschermt en vergemakkelijkt de ergste verkeerdheden, waaraan die natuur onderhevig is.
Dikwijls veronderstelt men, dat de huiselijke dienstbaarheid in de slavenstaten eene soort van paradijs is; dat huisbedienden altijd verwende gunstelingen zijn; dat jonge meesteressen altijd veel van hare „mammies” houden, en dat jonge meesters altijd even goedhartig en inschikkelijk als welgemaakt zijn.
Laat iedereen in Oud-Engeland of Nieuw-Engeland onder zijne onmiddellijke bekenden rondzien, en vragen hoe velen er zijn, die een volstrekte despotieke magt in een huisgezin zachtzinnig zouden gebruiken, vooral over eene klasse, door dienstbaarheid verlaagd, onkundig, traag, bedriegelijk, onbeschaamd, gelijk slaven bijna noodwendig zijn en altijd moeten zijn.
Laat hij in zijn eigen hart zien en zichzelven vragen of hij zich met zulk eene magt zou durven vertrouwen. Vindt hij in zichzelven geene verzoeking om onbillijk te zijn voor zijne minderen en afhangelingen? Vindt hij zichzelven niet genegen om heftig en wrevelig te worden, wanneer de dienst in zijn huis achteloos wordt verrigt? En indien hij de magt had om wreede straften aan te doen, of te doen aandoen door den schuldige naar eene plaats van tuchtiging te zenden, zou hij dan niet in verzoeking komen om van die vrijheid gebruik te maken?
Wat die vernederende straffen aangaat, welke aan vrouwen opgelegd worden, door haar naar geeselaars van beroep te zenden, of zulke lieden aan huis te laten komen—gelijk John Caphart getuigt, dat te Baltimore met hem dikwijls het geval was—wat kan er gezegd worden van haren invloed, zoowel op de hoogere als op de lagere klasse? Het is inderdaad pijnlijk, dit onderwerp te beschouwen. Het gemoed deinst onwillekeurig er voor terug; maar het is toch eene zeer ernstige vraag of het niet onze pligt is dat pijnlijke door te staan, ten einde ons medelijden tot levendiger werkzaamheid op te wekken. Om deze reden deelen wij hier de getuigenis van eenen heer mede, wiens naauwkeurigheid niet zal betwijfeld worden, en die zichzelven aan de pijniging onderwierp van in de „calaboose” te Nieuw-Orleans van zulk een tooneel getuige te zijn. Gelijk de lezer uit het verhaal zal zien, was het een zoo dikwijls voorkomend tooneel, dat het geene bijzondere aandacht trok, of eenige uitdrukking van medelijden uitlokte bij menschen van denzelfden staat en dezelfde kleur als de lijderes.
Toen onze zendelingen voor het eerst naar Indië gingen, werd het onder de Christenvolken een pligt geacht zich bekend te maken met de wreedheden en gruwelen der afgodendienst, als een middel ter verlevendiging van onzen ijver om hun het Evangelie te zenden.
Indien het gezegd wordt, dat wij in de vrije Staten geen zoodanig belang bij de slavernij hebben, daar wij die niet ondersteunen en wij geene magt hebben om die te verhinderen, is het antwoord, dat de slavernij bestaat in het district Columbia, hetwelk aan de geheele Vereenigde Staten behoort; en dat de vrije Staten voor God schuldig zijn aan de misdaad van haar daar te laten bestaan, indien zij niet opregtelijk doen wat in hun vermogen is om haar uit te roeijen.
Het onderstaande berigt is geschreven door den menschlievenden Dr. Howe, wiens arbeid ten behoeve der blinden zijnen naam aan de menschheid dierbaar hebben gemaakt, en werd in eenen brief aan Mr. Charles Sumner gezonden. Indien iemand denkt, dat het te pijnlijk is om te lezen, dan vrage hij zichzelven, of God hen schuldeloos zal houden, die een stelsel laten bestaan, waarvan de bijzonderheden zelfs niet gelezen kunnen worden. Dat hier een in de calaboose gewoon tooneel beschreven wordt, zullen wij straks door andere getuigen laten bewijzen:
Ik heb tien dagen te New-Orleans besteed, niet nutteloos vertrouw ik, aan het bezigtigen der openbare inrigtingen—der scholen, asylums, gasthuizen, gevangenissen, enz. Met uitzondering van de eersten is er weinig beterschap te hopen. Ik weet niet hoeveel verdienste er in hun stelsel mag wezen; maar dit weet ik, dat er in de uitvoering van het strafwetboek verfoeiselen zijn, welke het lot van Sodom over de stad moesten brengen. Indien Howard of Mrs. Fry ooit zulk een slecht beheerd dieven-hol ontdekten als de gevangenis te New-Orleans, zij hebben het ten minste nooit beschreven. In de Neger-afdeeling zag ik veel om mij te doen blozen, dat ik een blanke was, en dat voor een oogenblik een boozen geest in mijne dierlijke natuur wekte. Toen ik op een groot bestraat binnenplein kwam, waar omheen galerijen liepen, gevuld met slaven van verschillenden ouderdom, sekse en kleur, hoorde ik het kletsen eener zweep, waarvan elke slag als een knallend pistoolschot klonk. Ik draaide mijn hoofd om en zag een tooneel, dat mij letterlijk tot in het gebeente deed koud worden, en mij voor de eerste maal in mijn leven het gevoel gaf, dat mijne haren te berge rezen. Daar lag een zwart meisje plat voorover op eene plank, hare twee duimen zamen gebonden en aan het eene einde vastgemaakt, hare voeten insgelijks gebonden en strak naar het andere einde getrokken, terwijl een riem, over haren rug gaande en om de plank bevestigd, haar vast daartegen aandrukte. Beneden den riem was zij geheel naakt. Naast haar, op eenen afstand van zes voet, stond een reusachtige Neger, met eene lange zweep, welke hij met schrikkelijke kracht en verbazende juistheid aanwendde. Elke slag nam eene streep vel mede, die aan de zweep vastkleefde of lillend op de steenen viel, terwijl het bloed daarop volgde. Het arme schepsel kromp en gilde, en met eene stem, die te gelijk hare vrees voor den dood en hare schrikkelijke pijn deed blijken, schreeuwde zij tot haren meester, die bij haar hoofd stond: „O, spaar mijn leven! Sla mij de ziel niet uit!” Maar de zweep bleef neêrdalen; streep op streep werd van hare huid afgestroopt; kerf op kerf werd in het levende vleesch gesneden, tot het een wankleurige, bloederige klomp raauwe, lillende spieren werd. Het was met de grootste moeite, dat ik mij weêrhield van op den pijniger toe te springen en zijne zweep te stuiten; maar helaas! wat kon ik anders doen dan mij omkeeren, om mijne tranen voor de lijderes en mijne schaamte over het menschdom te verbergen? Dit was in eene openbare, geregeld georganiseerde gevangenis; de straf was eene zoodanige, die door de wet erkend en toegelaten was. Maar denkt gij, dat de rampzalige een gruwelijk misdrijf had gepleegd, daarvan overtuigd en tot de zweep veroordeeld was? Geenszins. Zij was door haren meester gebragt om door den gemeenen beul gegeeseld te worden, zonder proces, regter of jury, alleen op zijn wenk of knik, voor een of ander wezenlijk of vermeend misdrijf, of om zijne grilligheid of boosaardigheid te voldoen. En hij mag haar, zonder eenige reden op te geven, dag aan dag daar brengen, en zooveel slagen laten geven als hij verkiest, beneden de vijf en twintig, indien hij het loon maar betaalt. Of indien hem dit belieft, kan hij aan zijn eigen huis eene geeselplank houden, en zich daar tot een barbaar maken. Eene stuitende bijzonderheid dezer gruwelijke strafoefening was de openbaarheid daarvan, gelijk ik gezegd heb. Het gebeurde op een binnenplein, met galerijen omringd, die met kleurlingen van verschillende seksen waren gevuld: weggeloopene slaven, aangeklaagde misdadigers en slaven, die te koop waren. Men zou natuurlijk denken, dat zij naar voren drongen en met ontzetting het barbaarsche schouwspel beneden aanzagen; maar dit deden zij niet; velen van hun merkten het naauwelijks op, en velen waren er geheel onverschillig voor. Zij gingen voort met hunne kinderachtige tijdkortingen, en sommigen op een afgelegen gedeelte der galerijen lachten luidkeels. Zoo laag kan de mensch, naar Gods beeld geschapen, in barbaarschheid verzinken!
Hoofdstuk IX.
St. Clare.
Inhoudsopgave
Het is met genoegen, dat wij ons van het zoo even opgehangene donkere tafereel, naar het karakter van den grootmoedigen, edelaardigen St. Clare wenden, die het schoonste portret van onzen zuidelijken broeder aanbiedt.
Het is het oogmerk der schrijfster geweest, zoo veel mogelijk, zorgvuldig het stelsel van de menschen te onderscheiden. Zij gelooft opregtelijk, dat, terwijl de onverantwoordelijke magt der slavernij van zoodanigen aard is, dat geen menschelijk wezen haar behoorde te bezitten, die magt waarschijnlijk nooit zachter werd uitgeoefend, dan in vele gevallen in de zuidelijke Staten. Het heeft haar verbaasd te zien, hoe onder al de nadeelen, welke het vroegtijdig bezit van willekeurige magt vergezellen, met al de verzoekingen, welke uit het bezit dier magt in verschillende vormen moeten ontstaan, dikwijls zulke schoone en belangwekkende karaktertrekken worden ontwikkeld. Te zeggen, dat zulke gevallen gewoon zijn, is, helaas! niet in ons vermogen. Men kent de menschelijke natuur te wel, om ons te gelooven, indien wij dit wilden zeggen. Doch hoe schrikkelijker het kwaad is, dat bestreden moet worden, des te zorgvuldiger moeten wij zijn om billijk te oordeelen, en den afschuw, welken zekere misbruiken ons natuurlijk moeten inboezemen, te bekampen door het overwegen der goede en edele trekken, welke dikwijls in personen, die met het stelsel verbonden zijn, gevonden worden.
De tweelingbroeders Alfred en Augustine St. Clare vertegenwoordigen twee klassen van menschen, die in alle landen gevonden worden. Zij zijn de geborene aristocraten en democraten. De aristocraat van stand, is niet altijd een aristocraat van nature, en omgekeerd; maar de aristocraat van natuur, hij moge hooger of lager in de maatschappij geplaatst wezen, is hij, die, hoewel hij regtvaardig, edelmoedig en menschelijk mag zijn voor hen, die hij als zijns gelijken beschouwt, geheel ongevoelig is voor de behoeften, het lijden en de gemeenschappelijke menschelijkheid van hen, die hij als de lagere klassen beschouwt. Het leed eener gravin zou hem doen schreijen, het leed eener naaister is geheel iets anders.
Aan den anderen kant wordt de democraat dikwijls in den hoogsten levensstand gevonden. Voor dezen man is meerderheid boven zijnen broeder iets, dat hij nooit zonder geheime smart openlijk kan doen gelden. In den laagsten en nederigsten levensstand, erkent hij het heilige eener gemeenschappelijke menschelijkheid, en hoe verlaagd, volgens de meeningen en instellingen der maatschappij, eene bijzondere klasse mag wezen, is er een instinctmatig gevoel in zijne ziel, hetwelk hem leert, dat zij menschen zijn van gelijke gemoedsbewegingen als hij zelf. Zulke lieden hebben eene scherpzigtigheid, welke hun terstond door al den valschen schijn van uitwendige gebruiken doet heenzien, die den eenen mensch zoo ongelijk aan den anderen maken, en hen daaronder die groote menschelijke vatbaarheden, smarten, behoeften en zwakheden doet ontwaren, waarin alle mannen en vrouwen gelijk zijn; en het is onmogelijk hen te doen begrijpen, dat eene klasse van menschelijke wezens een erfelijk regt over eene andere zou hebben, of dat de tranen en het leed der eene niet even veel waardig zijn als die der andere klasse.
Dat er zulke mannen onder de slavenmeesters in het Zuiden gevonden worden, dat zij, zelfs wanneer zij slavenhouders zijn, zich niet kunnen en willen laten verblinden door de drogredenen, waarmede men de slavernij verdedigt, dat zij deze als een overblijfsel uit eene barbaarsche eeuw beschouwen, en al de voorstanders daarvan verachten en verfoeijen, kunnen wij overvloedig doen blijken. Velen van de doorluchtigste zuidelijke mannen der revolutie behoorden tot deze klasse, en vele mannen van uitstekenden rang in later tijd hebben dezelfde gevoelens gekoesterd.
Ten getuige hiervan strekke de volgende brief van Patrick Henry, waarvan de gevoelens zoo zeer met die van St. Clare overeenstemmen, dat de lezer zou kunnen meenen, dat de een eene kopie van den ander was.
BRIEF VAN PATRICK HENRY.
Hannover, 18 Januarij 1773.
Waarde Heer!
Ik neem deze gelegenheid waar, om u de ontvangst van Anthony Benezet’s boek tegen de slavernij te berigten. Ik dank u daarvoor. Is het niet een weinig te verwonderen, dat belijders des Christendoms, dat vooral bestemd is om het menschelijk hart te verzachten en deszelfs fijner gevoel aan te kweeken en te zuiveren, een gebruik aanmoedigen, zoo volkomen strijdig met de eerste denkbeelden van regt en onregt? Wat de verwondering vergroot, is, dat dit gebruik in de meest verlichte eeuwen is ingevoerd. Tijden, die regt schijnen te hebben, om zich op groote vorderingen in kunsten en wetenschappen te beroemen, hebben eene soort van geweld en dwingelandij in gebruik gebragt en met vele wetten bevestigd, welke onze meer ruwe en barbaarsche, maar meer eerlijke voorvaderen verfoeiden. Is het niet verbazend, dat in eenen tijd, nu de regten der menschheid met juistheid zijn bepaald en begrepen worden, in een land, dat boven alle andere aan de vrijheid gehecht is—dat wij in zulk eene eeuw en zulk een land menschen vinden, die de zachtste, menschelijkste, en edelmoedigste Godsdienst belijden, en toch zulk een beginsel aannemen, even strijdig met de menschenliefde als onbestaanbaar met den Bijbel en noodlottig voor de vrijheid? Ieder nadenkend eerlijk man verwerpt het in bespiegeling. Hoe kan in de praktijk zijn geweten hem vrijspreken!
Zou iemand gelooven, dat ik meester ben van slaven, die ik zelf heb gekocht? Ik word medegesleept door het ongemakkelijke van hier zonder hen te leven. Ik wil, ik kan het niet regtvaardigen. Hoe misdadig mijn gedrag mag zijn, wil ik toch in zooverre mijne hulde aan de deugd bewijzen, dat ik hare schoonheid en het regtmatige harer voorschriften erken, en mijn gebrek aan overeenkomstigheid daarmede bejammer.
Ik geloof, dat er een tijd zal komen, wanneer zich eene gelegenheid zal opdoen, om dit jammerlijke kwaad af te schaffen. Alles wat wij doen kunnen, is daarvan gebruik te maken, indien zij in onzen tijd voorkomt; zoo niet, laten wij dan aan onze afstammelingen, tegelijk met onze slaven, medelijden met hun ongelukkig lot en afschuw van de slavernij doen erven. Indien wij deze gewenschte hervorming niet ten uitvoer kunnen brengen, laten wij dan de ongelukkige slagtoffers met zachtheid behandelen. Dit is het eenige dat wij doen kunnen, om de regtvaardigheid eenigzins naderbij te komen. Het is eene schuld, die wij aan de zuiverheid onzer Godsdienst te kwijten hebben, te toonen, dat zij in strijd is met de wet, welke de slavernij goedkeurt.
Ik weet niet waar op te houden. Ik zou nog veel kunnen zeggen over het onderwerp, waarvan eene ernstige beschouwing een duister vooruitzigt in toekomstige tijden geeft.
Hoe treurig is het, dat zulke menschen een roemloos leven leiden, medegesleept door den algemeenen stroom der maatschappij, terwijl zij hare herscheppers konden zijn! Heeft God hen voor niet met zulk eene edele grootheid van ziel, met zulk eene helderheid van oordeel begaafd? Moesten zij, aan wie verheven vermogens van inzigt en gevoel gegeven zijn, leven gelijk iedereen leeft?
Zuidelijke mannen uit deze klasse zijn dikwijls opgestaan, om de mannen uit het Noorden te bestraffen, wanneer deze zich tot eene verdediging van het stelsel der slavernij lieten verlokken. Zoo gebruikte bij zekere gelegenheid een afgevaardigde uit een der noordelijke Staten, iemand, die thans den hoogsten rang als ambtenaar bekleedt, in het congres de volgende taal:
De groote betrekking der slavernij, in eenen of anderen vorm, met meer of minder afwijking van de theoretische gelijkheid der menschen, is onafscheidelijk van onze natuur. Huiselijke slavernij moet, naar mijn oordeel, geene onzedelijke of ongodsdienstige betrekking genoemd worden. De slaven van dit land worden beter gekleed en gevoed, dan de boerenstand in sommigen der meest welvarende Staten van Europa.
Hij werd door Mr. Mitchell, van Tennessee, met de volgende woorden beantwoord:
Mijnheer! ik ga niet zoo ver als de heer uit Massachusetts, om te denken, dat het bestaan der slavernij in dit land bijna een zegen is. Integendeel, ik ben onwankelbaar in het gevoelen, dat zij een groote vloek is—een van de grootste, die in ons stelsel konden zijn ingeweven. Ik, mijnheer de president, ben een van hen, die deze rampzaligen meesters noemen. Ik werk hen niet af; ik voed en kleed hen wel; maar toch, helaas! zijn zij slaven, en de slavernij is een vloek in elke gedaante. Het is ontwijfelbaar de waarheid, dat er in Europa menschen zijn, veel meer verlaagd dan onze slaven, slechter gevoed, slechter gekleed, enz.; maar dit, mijnheer! is nog ver van te bewijzen, dat onze negers slaven behooren te zijn.
De vermaarde John Randolphe, van Roanoke, zeide in het congres bij zekere gelegenheid:
Mijnheer! ik benijd noch het hart noch het hoofd van den man uit het Noorden, die hier opstaat, om de slavernij, volgens beginselen, te verdedigen.
De volgende regelen uit het testament van dezen zonderlingen man, toonen, dat zijn helder begrip van regt, hetwelk een gaaf van verhevene karakters is, eindelijk in de praktijk eenige daarmede overeenkomstige vruchten voorbragt:
Ik geef mijne slaven de vrijheid, waarop mijn geweten mij zegt, dat zij regtmatig aanspraak hebben. Het is lang eene reden van het diepste leedwezen voor mij geweest, dat de omstandigheden, waaronder ik hen erfde, en de belemmeringen, mij door de wetten des lands in den weg geworpen, mij verhinderd hebben, om hen bij mijn leven te emanciperen, hetgeen nog mijn vast voornemen is, in geval ik het volvoeren kan.
De invloed, welke door die soort van godgeleerdheid, welke op de meeste kansels in het Zuiden heerscht, en die de slavernij regtstreeks uit den Bijbel regtvaardigt, wordt uitgeoefend, kan niet genoeg beklaagd worden. Het ergert zulke menschen, dat hunne leeraars minder geweten hebben dan zij; en indien het gelukt, hen door bewijsplaatsen uit den Bijbel te verbijsteren, brengt dit eene twijfelzucht, ten aanzien van den Bijbel zelven te weeg. Professor Stowe verklaart, dat hij, gedurende zijn verblijf in Ohio, het huis van eenen heer bezocht, die eens een Virginisch planter was geweest, en gedurende de eerste jaren van zijn leven een openbaar twijfelaar was. Hij verklaarde, dat zijn scepticisme alleen aan deze oorzaak was toe te schrijven—dat zijn predikant een Bijbelsch bewijs ter verdediging der slavernij had opgesteld, hetwelk hij buiten staat was te beantwoorden, en dat zijn zedelijk gevoel zoodanig gekwetst werd, door de gedachte, dat de Bijbel zulk een gruwelijk stelsel verdedigde, dat hij een volslagen ongeloovige werd, en dit bleef, tot hij onder de bediening van eenen geestelijken in Ohio kwam, wien het gelukte, hem het ware Bijbelsche begrip van dit onderwerp voor te stellen. Hij verwierp terstond zijn scepticisme, en werd lid eener Christelijke kerk.
Wij hooren de „Baltimore Sun,” een blad uit een slavenstaat, en geenszins verdacht van naar het abolitionisme over te hellen, aldus met verachting over het Bijbelsche bewijs spreken:
De Heeren Burgess, Taylor en Comp., Sun Iron Building, zenden ons een exemplaar van een werk, dat een indrukwekkend uiterlijk heeft, een fraai boek van bijna zes honderd bladzijden; uit de pen van den Eerw. Josiah Priest, en uitgegeven door den Eerw. W. S. Brown, te Glasgow, in Kentucky, terwijl het voor ons liggende exemplaar de verzekering geeft, dat het de „vijfde, gestereotypeerde editie” is. Wij twijfelen er niet aan, of het is zoo; en de vijftigste editie mag uitgegeven worden, maar dit zal niets uitmaken, want er is niets in. Het boek bevat de gewoonlijk aangehaalde teksten aangaande de geschiedenis der slavernij, gelijk die in den bijbel is opgeteekend, vergezeld met de gevoelens en argumenten van een ander man, daartoe betrekkelijk. En met die soort van dingen kan men voortgaan, tot aan het einde van allen tijd. Het kan niets afdoen op de voortduring der slavernij. Het bock is getiteld: „Bijbelsche Verdediging der Slavernij; en Oorsprong, Lotgevallen en Geschiedenis van het Negergeslacht.” Bijbelsche verdediging der slavernij! Er is heden ten dage geene Bijbelsche verdediging der slavernij meer mogelijk. De slavernij in de Vereenigde Staten is eene maatschappelijke instelling, gesproten uit de gemakzucht en begeerlijkheid onzer voorouderen, volgens staatswetten bestaande, en in zekere mate—tot herneming van slaven-eigendom—door de constitutie erkend. En niemand zou willen beweren, dat, indien het ongemakkelijk of onvoordeelig voor eenig persoon of eenigen staat was om slaven te blijven houden, zij verpligt zouden zijn om dit te doen, op grond eener „Bijbelsche verdediging” daarvan. De slavernij wordt in den Bijbel vermeld en goedgekeurd, met vele vernederende kenmerken. De oorlog wordt in den Bijbel vermeld en goedgekeurd, met hetgeen ons voorkomt het uiterste van wreedheid te zijn. Doch moeten slavernij en oorlog altijd voortduren, omdat wij ze in den Bijbel vinden? Of moeten zij op eens en voor altijd ophouden, omdat de Bijbel vrede en broederschap leert?
Het boek vóór ons geeft blijk van veel onderzoek, maar is aan scherpe kritiek onderhevig, uithoofde van de willekeurig aangenomene stellingen, die het bevat. De schrijver neemt gedurig dit, en dat en nog meer aan. In een werk van dezen aard kan een „ongetwijfeld” dit, en een „voorzeker” dat, en een „zoo gelooven wij” ten aanzien van gewigtige stellingen, niet door den denkenden lezer worden goedgekeurd. Velen der aangenomene stellingen zijn bespottelijk; en de verbeelding des schrijvers, die hem de oud-vaders woorden en gezegden in den mond doet leggen, afgeleid uit de korte aanteekeningen der schriftuurlijke geschiedenis, loopt in het overdrevene. De redenering over den vloek van Cham is het papier niet waard, waarop zij geschreven is. Zij staat volkomen gelijk met die in „Blackwood’s Magazine” welke wij ons herinneren eenige jaren geleden beoordeeld te hebben, over de toelating van Rothschild in het Parlement. De schrijver beweerde de godsdienstige verpligting van het Christelijke publiek om de politieke onbevoegdheid der Joden te handhaven, omdat het een verzet tegen den Goddelijken wil zou zijn deze op te heffen, met het oog op den „vloek”, dien gemelde Phariseër begreep tegen de zonen van Abraham te zijn uitgesproken. Toegevende dat God beide het Joodsche geslacht en de nakomelingen van Cham vervloekt heeft, zoo is Hij magtig om zijn oogmerk te volvoeren, hoewel het „overige van het menschdom” in alle opzigten mogt handelen naar de menschlievende voorschriften der „Goddelijke wet.” De mensch kan geheel veilig de hoogste beginselen der Christelijke bedeeling in beoefening brengen, en het aan God overlaten om de vervulling van zijnen vloek uit te werken.
Volgens hetzelfde boek en dezelfde logica zou, daar het geheele menschdom onder eenen „vloek” is, niemand van ons eenige verligting voor ons zelven mogen zoeken, en dus plegen wij eene gruwelijke zonde door den stoom te gebruiken om handenarbeid te verrigten, door koren te maaijen met Mac Cormick’s diablerie, en den bliksem op te vangen, om hem onze boodschappen te laten doen, in plaats van zelven daarmede te loopen, gelijk onze vader Adam deed. Met een weinig meer gewoon gezond verstand, en veel minder van de ongewone soort, zouden wij de Schrift beter verstaan, zoo wel als de instellingen waaronder wij leven, de verschillende regten onzer medeburgers in al de afdeelingen van ons land, en de goede, gezonde, practicale maatschappelijke betrekkingen, welke oneindig meer dan zij tegenwoordig doen tot het geluk der menschheid behoorden bij te dragen.
Indien de lezer verlangt te weten, welke soort van prediken het is, die St. Clare bedoelt, wanneer hij zegt, dat hij evenveel goeds van de Picayune kan leeren, en dat zulke schriftuurlijke uitleggingen van hunne eigenaardige betrekkingen hem niet zeer stichten, wordt hij verwezen naar het volgende uittreksel eener leerrede, te New-Orleans door den Eerw. Theophilus Clapp gehouden. Laat de lezer zich nu verbeelden dat hij St. Clare in de voorste bank ziet zitten, en schalkachtig aanteekening houden van de volgende proeven van zedekunde en menschelijkheid.
Laten alle Christelijke leeraren onze bedienden het gewigt onder het oog brengen van onderdanigheid, gehoorzaamheid, naarstigheid en getrouwheid in de belangen hunner meesters. Laten hunne gemoederen vervuld worden met blijde verwachtingen der eeuwige rust aan gene zijde des grafs. Laten zij gewend worden om hunnen blik te rigten op die bekoorlijke en heerlijke toekomst, waar de zonden, smarten en bezwaren der aarde zullen beschouwd worden als middelen onmisbaar voor onzen eeuwigdurenden vooruitgang in kennis, deugd en geluk. Ik zou tot elken slaaf in de Vereenigde Staten willen zeggen: „Gij moet u voorstellen, dat eene wijze, goede en genadige Voorzienigheid u voor uwe staat in het leven heeft bestemd; en dat gij, alle dingen in aanmerking genomen, geen meer verkieselijken toestand kondt hebben. De last van uwe zorg, arbeid en verantwoordelijkheid is veel ligter, dan dien God uwen meester heeft opgelegd. De meest verlichte philanthroop, met onbeperkte middelen, zou u niet in eenen toestand kunnen plaatsen gunstiger voor uw tegenwoordig en eeuwig welzijn, dan die, waarin gij u nu bevindt. Gij hebt uwe bezwaren; die heeft iedereen. Bedenk hoe vlugtig de vermaken en genoegens des menschelijken levens zijn.”
Doch daar Mr. Clapp niet voor een vertegenwoordiger der orthodoxie zal gehouden worden, dan veronderstelle men, dat St. Clare luistert naar de volgende verklaringen van den Eerw. James Smylie, een geestelijke van grooten invloed in de Presbyteriaansche kerk, in een tractaatje over de slavernij, hetwelk hij verklaart geschreven te zijn, met het opzettelijk doel om de gemoedsbezwaren van godsdienstige menschen in Mississippi en Louisiana, ten aanzien van hare geoorloofdheid, op te heffen.
Indien ik geloofde of van gevoelen was, dat het de wettige strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen, hoe zou ik dan eenen man naderen, die zoo vele slaven had als Abraham, en hem zeggen, dat ik zijn verlof wenschte te bekomen om voor zijne slaven te prediken?
Men veronderstelle dien man onkundig van het Evangelie, dat hij mij vroeg wat mijn oogmerk was, dan zou ik hem opregtelijk zeggen (en ieder dienaar van het Evangelie behoort opregt te zijn) dat ik het Evangelie wenschte te prediken, omdat deszelfs wettige strekking is, zijne slaven eerlijk en getrouw te doen worden; niet dienende „met oogendienst, als menschenbehagers, niet stelende, maar alle goede trouw bewijzende.”—„En dit is,” zou hij vragen, „werkelijk de strekking van het Evangelie?” Ik zou antwoorden: „Ja!” Dan zou ik mogen verwachten, dat een man die duizend slaven had, indien hij mij geloofde, mij niet alleen veroorloven zou voor zijne slaven te prediken, maar dat hij meer zou doen. Dat hij gewillig zou zijn om een huis voor mij te bouwen, mij een tuin en ruimen voorraad tot onderhoud te bezorgen; omdat hij besluiten zou, dat voorwaar deze prediker meer voor hem waardig zou zijn dan twaalf opzigters. Maar onderstel, dat hij mij zeggen zou vernomen te hebben, dat de strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen, en mij vroeg of dit zoo was. Ha, daar zit de knoop. Nu heeft hij mij in de klem. Wat zal ik zeggen? Zal ik als een oneerlijk man, verbloemen en verdraaijen, en mij keeren en wringen om een antwoord te vermijden? Neen, ik moet als een Kentuckiër, er plomp voor uitkomen, en hem zeggen dat abolitie, de strekking van het Evangelie is. Waarop moet ik nu rekenen? Ik heb den man gezegd, dat de strekking van het Evangelie is, hem zoo arm te maken, dat hij genoodzaakt zal zijn, zelf te graven en hout te hakken; dat hij zijn eigen paard moet opvangen, roskammen en zadelen; dat hij zijne eigene brogans moet poetsen (want hij zal niet in staat zijn om laarzen te koopen). Zijne vrouw moet zelve aan de waschtobbe staan, den bezem aanvatten, de potten wasschen en alles koken wat zij en haar houthakker zullen eten.
Vraag.—Is het te verwachten, dat een meester tot nog toe onkundig van het Evangelie, zoo smoorlijk daarop verliefd zou raken, door eene kennis van deszelfs strekking, dat hij het prediken daarvan onder zijne slaven zou aanmoedigen? Waarlijk, Neen.
Maar onderstel, wanneer hij die laatste vraag naar deszelfs strekking aan mij doet, dat ik hem, zonder uitvlugt of draaijerij, duidelijk en opregt, kon en wilde zeggen, dat het eene lastering van het Evangelie was, te zeggen dat emancipatie of abolitie deszelfs wettige strekking was. Ik zou hem zeggen dat de geboden van sommige menschen, en niet de geboden van God, de slavernij tot zonde maken.—Smylie on Slavery, p. 71.
Men kan zich verbeelden met welk een gezigt St. Clare zulke uitleggingen van het Evangelie zou ontvangen. Het moet nog opgemerkt worden, dat dit tractaatje niet slechts het gevoelen van een enkel man bevat, maar dat het in een aanhangsel eenen brief geeft van twee kerkelijke ligchamen der Presbyteriaansche kerk, waarin deze gevoelens, wat de hoofdzaak betreft, worden bekrachtigd.
Kan iemand zich verwonderen dat een man gelijk St. Clare vragen zou doen als deze:
„Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst, wat minder billijk, minder edelmoedig, minder regtvaardig, minder meedoogend voor den mensch is, dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is.”
Het karakter van St. Clare werd door de schrijfster met geestvervoering en met hoop geteekend. Zal deze hoop nimmer verwezenlijkt worden? Zullen die mannen in het Zuiden, wie God het vermogen heeft gegeven om het onuitsprekelijke kwaad en onregt der slavernij in te zien en een hart om het te gevoelen, altijd zwijgend en werkeloos blijven? Wat edeler eerzucht voor een man in het Zuiden, dan om zijn land van deze schande te verlossen? Uit het Zuiden moet de verlosser opstaan. Hoe lang zal hij vertoeven? Er is eene kroon heerlijker dan eenige aardsche eerzucht ooit gedragen heeft—er is een lauwerkrans die nooit zal verwelken; hij is gevlochten voor dien held, die in het Zuiden voor de vrijheid zal opstaan, en dat schoone land van den druk en de schande der slavernij bevrijden.
Hoofdstuk X.
Legree.
Inhoudsopgave
Gelijk St. Clare en de Shelby’s vertegenwoordigers eener klasse van meesters zijn, zoo is Legree de vertegenwoordiger eener andere; en gelijk niet alle goede meesters even verlicht, edelmoedig en weldenkend zijn als St. Clare en Mr. Shelby, of even zorgvuldig en gelukkig aan de godsdienstige opleiding hunner slaven arbeiden als Mrs. Shelby, zoo vereenigen niet alle slechte meesters de uitwendige afschuwelijkheid, de gemeenheid en profaniteit van Legree.
Legree is afgeschilderd niet om de meesters als eene klasse te schandvlekken, maar om aan de achtenswaardige mannen in het Zuiden, die meesters zijn, een zeer gewigtigen trek van het stelsel der slavernij onder de aandacht te brengen, waarover zij misschien nog nooit hebben nagedacht. Het is deze: dat geene wet in het Zuiden eenige proeve van het karakter vordert van den man, wien de absolute magt van meester wordt toegestaan.
In het tweede gedeelte van dit boek zal aangetoond worden, dat de wettige magt des meesters zich uitstrekt tot eene volstrekte dwingelandij over ligchaam en ziel; dat het leven en de leden van den slaaf, zijne familiebetrekkingen, zijn geweten, ja nog meer, zijne eeuwige belangen, door niets beschermd kunnen worden, dan door het karakter van zijnen meester.
De Eerw. Charles C. Jones, van Georgia, zegt, in zijne aanspraak aan meesters, dat zij de magt hebben om het koningrijk des hemels voor hunne slaven te openen of te sluiten; (Religious instruction of the Negroes, p. 158), en een Zuid-Caroliniër, in een artikel onlangs in het Frazer’s Magazine geplaatst, erkent, naar het schijnt in eenen zeer ernstigen geest, aldus het feit dezer geduchte magt: „ja, wij zouden het geheele Zuiden willen doen gevoelen, dat de ziel van den slaaf in zekeren zin in de hoede van zijnen meester is, en hiernamaals tot zijne verantwoording zal gesteld worden.”
Nu wordt het eerbiedig onder de aandacht gebragt dier hooggeplaatste mannen, die de wetmakers zijn, of deze geduchte magt om te binden en los te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te sluiten, aan ieder man in de maatschappij behoorde toevertrouwd te worden, zonder eenige andere bevoegdheid dan het vermogen om te koopen. Laat die heer uit Zuid-Carolina zijne oogen in de wereld laten rondgaan. Laat hij eene week door eenig gewest, hetzij in het Noorden of het Zuiden reizen, en dan zichzelven vragen, hoe velen van de menschen die hij ontmoet geschikt zijn om met deze magt vertrouwd te worden—hoe velen geschikt zijn om met hunne eigene zielen, veel minder met die van anderen, vertrouwd te worden.
Nu staat in de geheele theorie van regering, gelijk zij in dit land bestaat, tot de uitgebreidheid der magt de stiptheid in evenredigheid, waarmede de waarborg voor de behoorlijke uitoefening daarvan wordt gevorderd. De geneeskundige mag zich niet met het ligchaam bemoeijen, om voor deszelfs kwalen middelen voor te schrijven, zonder een certificaat, dat hij daartoe behoorlijk bevoegd is. De regter mag niet wettig beslissen over zaken, die het eigendom betreffen, zonder eene langdurige opleiding en voorbereiding. Het is alleen deze post van meester, welke de magt verleent om te binden en los te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te sluiten, en verantwoordelijk stelt voor de ziel zoowel als voor het ligchaam, die aan iedereen en zonder onderzoek naar iemands karakter wordt verleend. Iemand mag al zijn geld door zeeroof hebben gewonnen, gelijk wij in het geval van Legree hebben voorgesteld, en er is geene wet hoegenaamd om hem te verhinderen dit geld zoodanig te beleggen, dat hij daardoor eene onbeperkte magt verkrijgt over de zielen en ligchamen zijner medemenschen. Aan den half razenden dronkaard, aan den man befaamd door hardvochtigheid en wreedheid, aan den man geheel beneden de publieke opinie gezonken, aan den bitteren ongeloovige en godslasteraar, vertrouwt de wet deze magt even ruimschoots als aan den achtenswaardigsten en godsdienstigsten man op aarde. En toch denken de menschen, die deze wetten maken en in stand houden, dat zij schuldeloos zijn voor God, omdat zij niet persoonlijk het onregt plegen, dat zij anderen toelaten te plegen.
Aan den zeeroover Legree geeft de wet eene magt, tot welker uitoefening geen man uit eene vrouw geboren, Een uitgezonderd, ooit goed genoeg was.
Zijn er veel zulke menschen als Legree? Laat iemand in de achterbuurten en holen van New-York gaan, of in sommige stegen en gangen van Londen, en zullen zij daar niet vele Legrees zien? Neen, neem het zuiverste district van Nieuw-Engeland, en laat men zijn geheugen raadplegen, en zien of daar niet vele menschen zijn geweest, hardvochtig, gemeen, gevoelloos, barbaarsch, die, indien zij de volstrekte magt van Legree hadden bezeten, haar op dezelfde wijs zouden gebruikt hebben; en dat er in de zuidelijke Staten vele Legrees moeten zijn, is niets anders gezegd dan dat de menschelijke natuur daar dezelfde is als elders. Het eenige verschil is dit, dat in vrije Staten Legree door de wet geboeid en bedwongen wordt; in de slavenstaten maakt de wet hem tot eenen absoluten, onverantwoordelijken despoot.
Het is eene stuitende taak, dit gedeelte van het verhaal der schrijfster met feiten te staven. Men mag die taak wel met vreezen en beven naderen. Het is treurig te denken, dat de mensch, naar Gods beeld geschapen, en door zijne menschelijke geboorte een broeder van Jezus Christus, zoo laag kan zinken en zulke dingen kan doen, dat de ziel bij het beschouwen daarvan siddert; en te denken, dat de man, die zoo verzinkt, onze broeder is, vatbaar, gelijk wij, voor de vernieuwing door den Geest der genade, door welke hij naar het beeld van Christus herschapen en aan de Engelen gelijk gemaakt kon worden. Zij, die de wetten in stand houden, welke deze geduchte magt verleenen, hebben nog eene andere zware verantwoordelijkheid, waarvan zij weinig droomen. Hoe vele zielen van meesters zijn daardoor verloren gegaan! Hoe veel goddeloosheid heeft dit onbeperkte gezag uitgelokt en ontwikkeld, die misschien anders gesmoord zou zijn geworden! Hoe velen zijn in het eeuwige verderf gestort over dit struikelblok van onverantwoordelijke magt!
Welke feiten brengen regtsgedingen in de slavenhoudende Staten somtijds aan den dag! Welke gruwelijke verhalen bevlekken de bladen der processtukken, ongehoorde martelingen beschrijvende, gepleegd in deze negentiende eeuw der Christelijke jaartelling, door den onverantwoordelijken despoot, die eigenaar is van ligchaam en ziel! Laat iemand, indien hij kan, de drie en negentigste bladzijde lezen van Weld’s „Slavernij gelijk zij is,” waar de Eerw. Mr. Dickey berigt geeft van eene teregtstelling in Kentucky voor een bedrijf van bloedige barbaarschheid, te stuitend voor de menschelijkheid om hier beschreven te worden. De schuldige werd overtuigd en ter dood veroordeeld. Mr. Dickey’s verslag van den afloop luidt aldus:
Het Hof zat—Isham werd in de zaak van George aan eene halsmisdaad schuldig verklaard. Hij zou te Salem gehangen worden. De dag was bepaald. Mijn goede oude vader bezocht hem in de gevangenis—sprak en bad twee- of driemaal met hem; ik bezocht hem eens zelf. Wij hoopten, vertrouwelijk, dat hij opregt boetvaardig was. Eer de dag der teregtstelling kwam, werd Isham vermist. Hij was door een of ander middel weggekomen, hoe heb ik nooit geweten. Omtrent twee jaren later vernamen wij, dat hij naar Natchez was gegaan en met eene vrome dame van eenige beschaving getrouwd was. Ik zag hare brieven aan hare zusters, die waardige leden waren van de kerk, waarvan ik leeraar was. De laatste brief meldde zijnen dood. Hij was in het leger van Jackson, en sneuvelde in het vermaarde gevecht van New-Orleans.
Ik ben, mijnheer, uw vriend,
Wm. Dickey.
Doch de lezer zal maar al te veel reden hebben, om de mogelijkheid van het bestaan zulker lieden als Legree niet te betwijfelen, wanneer hij in het tweede gedeelte de verslagen van regtsgedingen en regterlijke uitspraken leest.
Laat het zuidelijke land niet gesmaad worden als het eenige land op de wereld, dat zulke menschen voortbrengt; laten wij met smart en nederigheid toestemmen, dat zulke menschen overal gevonden worden; maar laat het zuidelijke land de geduchte beschuldiging niet ontkennen, dat het zulke menschen met eene volstrekte, onverantwoordelijke magt bekleedt, over beide ligchaam en ziel.
Wat betreft het afgrijselijke stelsel om menschen in een gegeven tijd op te werken, hetwelk Legree gezegd wordt op zijne plantaadje te volgen, is er ongelukkig maar al te veel reden om te weten, dat het is aangewend en nog aangewend wordt.
In het boek van Mr. Weld, „De Slavernij gelijk zij is,” onder het hoofdstuk van den „Arbeid,” pag. 39, worden verscheidene uittrekselen van verschillende documenten gegeven, om te toonen, dat dit stelsel op sommige plantaadjes in zulk eene mate werd gevolgd, dat het leven der slavenbevolking daardoor verkort en haar aanwas verhinderd werd, zoodat zij, indien zij niet jaarlijks werd vernieuwd, van zelf zou uitsterven. Van deze stukken deelen wij het volgende mede:
De Landbouw-Maatschappij van Baton Rouge, La., geeft in haar verslag van 1829 eene uitgewerkte begrooting van het bedrag der onkosten gevorderd voor het onderhouden eener „welgeregelde suikerplantaadje.” In deze begrooting wordt het jaarlijksche verlies van slaven, boven de vermeerdering door voortplanting, op twee en een half percent bepaald! Wijlen Josiah S. Johnson, lid van het Congres voor Louisiana, rigtte in 1830 eenen brief aan den secretaris van de Tresorie der Vereenigde Staten, welke eene dergelijke begrooting bevatte, die naar het scheen met groote zorg was vervaardigd en tot in kleine bijzonderheden ging. Vele posten dezer begrooting verschillen van de vorige; maar de schatting der jaarlijksche afneming van de slaven op eene plantaadje was dezelfde—twee en een half percent!
In September 1834 had de schrijver een onderhoud met Mr. James G. Birney, die toen in Kentucky woonde, daar hij het jaar te voren met zijne familie uit Alabama verhuisd was. Eenige uren vóór dat onderhoud, en in den ochtend van denzelfden dag, had Mr. Birney een paar uren met Mr. Henry Clay, op zijn buitengoed bij Lexington, gesleten. Mr. Birney merkte aan, dat Mr. Clay hem verhaald had, dat hij onlangs reden had gevonden om zekere schattingen van de toeneming der slavenbevolking in het verre zuidwesten te wantrouwen—schattingen, welke hij, naar ik meen, in eene rede voor de Kolonisatie-Maatschappij had medegedeeld. Hij geloofde nu, dat de geboorten onder de slaven in die streken niet tegen de sterfgevallen opwogen; en dat dus natuurlijk de slavenbevolking, ongerekend den invoer uit de slaven verkoopende staten, zichzelve niet onderhield.
Onder andere daadzaken, door Mr. Clay gemeld, was de volgende, welke wij woordelijk afschrijven van eene aanteekening, in der tijd door Mr. Birney gemaakt, en welke hij ons vriendelijk heeft verschaft.
„16 Sept. 1834.—Mr. H. Clay onderrigtte mij, in een gesprek aan zijn eigen huis over het onderwerp der slavernij, dat Mr. Outerbridge Horsey—voorheen senator in het Congres uit den staat Delaware en eigenaar eener suikerplantaadje in Louisiana—hem verklaarde dat zijn opzigter zijne arbeiders zoo strikt liet werken, dat eene der vrouwen een kind ter wereld bragt, terwijl zij op het veld aan den arbeid was.
„Insgelijks, dat hij eenige jaren geleden in eene steenbakkerij in den omtrek van New-Orleans was, waarin 100 arbeiders werden gebezigd; daaronder waren van twintig tot dertig jonge vrouwen in het best van het leven. De eigenaar zeide hem, dat er onder deze in de laatste twee of drie jaren geen kind geboren was, hoewel zij ieder een man hadden.”
Wijlen Mr. Samuel Blackwell, een hoog geacht burger van Jersey City, tegenover de stad New-York, en lid van de Presbyteriaansche kerk, bezocht eenige jaren geleden vele suikerplantaadjes in Louisiana; en daar hij vele jaren lang eigenaar eener groote suikerraffineerderij in Engeland en naderhand in dit land was geweest, werden hem door de planters niet alleen alle gemakken verschaft om den arbeid van het suikermaken in allen deele te bezigtigen, maar ontving hij ook van hen de openhartigste mededeelingen ten aanzien van de behandeling hunner slaven. Na zijne terugkomst, gaf de heer B. aan heeren van zijne kennis dikwijls de volgende verklaring:—Dat de planters hem algemeen verklaard hadden, dat zij genoodzaakt waren om hunne slaven in het saizoen van het suikermaken (van acht tot tien weken lang) zoodanig te overwerken, dat zij hen in zeven of acht jaren opgebruikten. Want, zeiden zij, nadat het werk begonnen is, moet het zonder ophouden nacht en dag worden voortgezet, en wij kunnen het niet bekostigen een genoegzaam aantal slaven te houden om het extra werk in den tijd van het suikermaken te doen, daar wij hen het overige van het jaar niet voordeelig konden gebruiken.
Dr. Demming, een zeer achtenswaardig persoon, te Ashland, Richland County, Ohio wonende, verklaarde aan professor Wright van New-York:
Dat hij onlangs op eene reis naar het Zuiden, terwijl hij met de stoomboot „Fame” de Ohio-rivier opvoer, gelegenheid had om met Mr. Dickinson, een inwoner van Pittsburg, te spreken, in gezelschap met een aantal katoenplanters en slavenhandelaren van Louisiana, Alabama en Mississippi. Mr. Dickinson verklaarde het voor eene daadzaak, dat de suikerplanters op de suikerkust in Louisiana ondervonden hadden dat, daar het gewoonlijk noodig was om gedurende den kooktijd tweemaal zoo veel arbeiders te gebruiken, als in den groeitijd vereischt werden, zij door geweldig drijven nacht en dag, gedurende den kooktijd, in staat waren om het werk met een troep arbeiders te verrigten. Door deze handelwijs te volgen, konden zij het bekostigen eens in de zeven jaren een troep arbeiders op te offeren! Hij verklaarde verder dat dit afgrijselijke stelsel thans door een aanmerkelijk getal van planters werd aangewend! De juistheid dezer opgave werd in de hoofdzaak door de slavenhouders aan boord toegestemd.
De volgende getuigenis van den eerw. Dr. Channing, van Boston, die eenigen tijd in Virginië woonde, bewijst dat het overwerken van slaven in zulk eene mate dat het leven daardoor verkort wordt en eene afname van bevolking ontstaat, niet tot het verre zuiden en zuidwesten beperkt is.
„Ik hoorde van eene plantaadje door een persoon beheerd, die voor bijzonder voorspoedig werd gehouden, en die in staat was om de slaven te regeren zonder de zweep te gebruiken. Ik was verlangend om hem te zien, en vertrouwde dat ik eene voor de menschheid gunstige ontdekking had gedaan. Ik vroeg hem hoe hij in staat was om ligchamelijke straf achterwege te laten. Hij antwoordde mij met een zeer strakken blik: „De slaven weten dat het werk moet gedaan worden, en dat het beter is het zonder straf te doen dan met straf.” Met andere woorden, de zekerheid van en de vrees voor straf waren hun zoodanig ingeprent, dat zij zich nooit daaraan blootstelden.
„Toen bevond ik dat de slaven dezer welbestuurde plantaadje in getal afnamen. Ik vroeg naar de oorzaak. Hij antwoordde met volkomene rondborstigheid: „De troep is niet groot genoeg voor het goed.” Met andere woorden zij waren niet berekend voor het werk op de plantaadje, en toch moesten zij het doen, hoewel met de zekerheid van hun leven te verkorten.
„Op deze plantaadje waren de hutten buitengemeen gemakkelijk. Er bestond een ongewoon voorkomen van netheid. Een oppervlakkig opmerker zou de slaven gelukkig genoemd hebben. En toch leefden zij onder eene strenge, drukkende tucht en werden zoodanig overwerkt, dat dit hun leven verkortte.”—Channing on Slavery, pag. 162, first edition.
Een vriend der schrijfster, de Eerw. Mr. Barrows, thans geplaatst als onderwijzer in het Hebreeuwsch in het Andover Theological Seminary, verklaarde, in een gesprek met haar, het volgende:—dat hij, terwijl hij, eenigen tijd geleden, te New-Orleans was, door eenen planter werd uitgenoodigd om zijn goed te bezoeken, daar hij dit voor een model hield. Hij vond goede woningen voor de slaven, overvloedige levensmiddelen aan hen uitgedeeld, alle wreede straffen door redelijke en billijke vervangen, en wekelijks een halven dag aan de negers toegestaan om hunne eigene gronden te bebouwen. Er was ook voor hun zedelijk en godsdienstig onderwijs gezorgd. Mr. Barrow vroeg toen den planter:
„Houdt gij uwe plantaadje voor eene proef van den algemeenen toestand?”—De planter antwoordde: „er worden twee stelsels onder ons gevolgd. Het eene is, in eenige jaren alles uit een neger te halen, wat wij kunnen, en dan een ander in zijne plaats te koopen; het andere is, hem te behandelen gelijk ik doe. Mijn buurman op de naaste plantaadje volgt het tegenovergestelde stelsel. Zijne slaven moeten zwaar werken en worden karig gevoed; en zij zijn wel bij mij gekomen en hebben mij op hunne knieën gebeden om hen te koopen.”
Mr. Barrow zegt, dat hij vervolgens die plantaadje voorbij kwam, en dat het jammerlijke, neerslagtige voorkomen der arbeiders dit berigt ten volle bevestigde. Hij zegt ook, dat de heer, die zoo menschlievend handelde, hem zeide: „Ik trek niet veel geld uit mijne slaven.”
Het zal gemakkelijk zijn aan te toonen, dat dit de aard der slavernij is, en dat de verzoekingen der meesters zoo groot zijn, dat zulke welgeregelde plantaadjes slechts uitzonderingen moeten wezen.
De Eerw. Charles C. Jones, een man van het edelst menschelijk gevoel, en vele jaren lang ijverig werkzaam ten behoeve der slaven, zelf eigenaar eener plantaadje en daarom wel bevoegd om volgens ondervinding en waarneming te oordeelen, zegt, nadat hij over de groote onachtzaamheid der negers, door de slavernij voortgebragt, gesproken heeft:
„En voor eens en altijd, moet ik hier zeggen, dat de verliezen van dit stelsel zoo groot zijn, waarbij de wisselvalligheid der prijzen van de voornaamste artikelen op de markt komt, dat het moeijelijk, ja onmogelijk is, groote onkosten aan plantaadjes te besteden, en ze op den duur voordeel te doen geven.”—Religious Instruction, p. 116.
Indien zelfs de godsdienstige en menschlievende meester de moeijelijkheid gevoelt van groote zorg voor het welzijn van den slaaf met voorzigtigheid en spaarzaamheid te vereenigen, hoe gemakkelijk moet het zedelijke vraagstuk dan worden opgelost door gemoederen van die ruwe denkwijs, welke wij bij Legree ondersteld hebben.
„Ik plagt, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven, om ze wat langer te doen uithouden—met hun medicijnen te geven als zij ziek waren en kleeren en dekens en wat niet al, om hen zoo als men zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden. Maar och Heere! het baatte niet: ik legde er geld bij toe en had nog veel moeite bovendien. Nu, ziet ge, zet ik hen maar aan, ziek of gezond. Als de eene Neger dood is, koop ik een ander; en ik vind dat dit in alle opzigten goedkooper en gemakkelijker uitkomt.”
Hierbij komt, dat de arbeid op de suikerplantaadjes van zoodanigen bijzonderen aard is, dat de meester in zekeren tijd van het jaar zijne slaven moet overwerken, of hij moet gezind zijn een groot financiëel verlies te beloopen. In die zeer sierlijk geschrevene verdediging der slavernij, Professor Ingraham’s „Reizen in het Zuidwesten,” wordt de volgende beschrijving van het suikerbereiden gegeven. Wij halen hem aan bij voorkeur boven iemand anders, omdat hij als lofredenaar spreekt, en de zaak met de sierlijkheid van een Mr. Skimpole beschrijft.
Wanneer het malen eens begonnen is, wordt het werk niet gestaakt, voor dat het is afgedaan. Van het begin tot het einde ziet men hetzelfde drukke, vrolijke tooneel. De negers „wier zware taak den zondag niet van de week afscheidt,” werken van achttien tot twintig uren, „en maken den nacht medearbeider met den dag” hoewel, om den last zoo veel mogelijk te verligten, de troep in twee wachten wordt verdeeld, waarvan de eene het eerste, de andere het laatste gedeelte van den nacht neemt; en in weerwil van dezen aanhoudenden arbeid, verbetert het voorkomen der Negers en schijnen zij vet en frisch. Zij drinken vrijelijk van het suikersap, en de ziekelijken onder hen herleven en worden sterk en gezond.
Nadat het malen is afgedaan, hebben de Negers verscheidene feestdagen, wanneer zij volle vrijheid hebben om te dansen en zich vrolijk te maken, zoo veel zij verkiezen; en het rietlied—dat door een van den troep wordt geïmproviseerd, terwijl de anderen in een lang en onverstaanbaar koor invallen—klinkt nacht en dag in de ooren, met „muzikale en zwaarmoedige” toonen.
Het bovenstaande wordt medegedeeld als een voorbeeld hoe gemakkelijk de gruwelijkste omstandigheden in de aardigste en zachtste bewoordingen kunnen verhaald worden. In een werk, getiteld „Reizen in Louisiana in 1802,” is het volgende uittreksel (zie Weld’s Slavery as It is, p. 134) waaruit blijkt, dat deze vrolijke manier van nacht en dag te werken drie maanden duurt.
„Bij het persen der suiker, een tijdperk van twee tot drie maanden, werken zij (de slaven in Louisiana) nacht en dag. Hun slaap wordt zoodanig verkort, dat zij gedurende dien geheelen tijd naauwelijks te rust gaan.”
Laat nu iemand eens de bijzondere geschiedenis schrijven van zeven honderd zwarten—mannen en vrouwen—genoodzaakt om drie maanden lang nacht en dag onder de zweep des drijvers te werken.
Mogelijk, indien de heer die het berigt schreef, zelf met zijne vrouw en kinderen in dit „vrolijke tooneel” van arbeid gebezigd werd—indien hij de vrouw die hij beminde, de dochter die zijne ziel dierbaar was, gedwongen zag om met den grooten troep te deelen in het werk, „dat den zondag niet van de week afscheidt, en den nacht mede-arbeider van den dag maakt,” zou hij eene andere meening van de vrolijkheid daarvan hebben; en het zou zeer heilzaam kunnen zijn, indien elk verdediger der slavernij voor een saizoen dit voorregt genoot, vooral daar Mr. Ingraham zoo zorgvuldig is om ons te zeggen, dat de werking daarvan op de algemeene gezondheid zoo uitmuntend is, dat het voorkomen der Negers verbeterd, en zij vet en frisch schijnen, en dat de ziekelijken onder hen herleven en sterk en gezond worden. Men zou het bijna verwonderlijk vinden, dat, indien het werkelijk zulke heilzame gevolgen heeft, wanneer men de slaven nacht en dag laat werken en suikersap te drinken geeft, dit gebruik niet het geheele jaar door wordt voortgezet; hoewel misschien in dat geval de Negers zoo vet zouden worden, dat zij daardoor buiten staat zouden zijn om te werken. Misschien is het ook dewijl die gezonde arbeid niet langer wordt voortgezet, dat de Landbouw-maatschappijen van Louisiana genoodzaakt zijn om het jaarlijksche verlies van slaven op de suikerplantaadjes op twee en een half percent te schatten. Philantropen moesten eens daarover denken. Misschien zou het kwaad verholpen kunnen worden, door hen zes maanden lang des nachts te laten werken, in plaats van drie.
Deze tijdelijke drang van arbeid is echter niet tot de suikerbereiding beperkt. Er is ook eene drukte in het katoen-saizoen, gelijk iedereen kan opmerken, die de zuidelijke nieuwsbladen leest. In zekeren tijd van het jaar wordt de geheele belangstelling van het publiek op de inzameling van den katoenoogst gevestigd. Dienaangaande zegt Mr. Weld (Slavery as It is, p. 34):
In de katoen- en suikergewesten wordt een roekeloos wedspel gespeeld, waarbij, hoewel er schijnbaar slechts eene verbeurte van geld wordt gewaagd, eigenlijk menschenlevens op het spel staan. De hoogte, waartoe deze wedijver in het Zuiden en Zuidwesten gedreven wordt, de menigte van planters, die daaraan deelnemen, en de onverschilligheid voor het menschelijk leven, waarmede bij dit moorddadige spel wordt gehandeld, kan iemand, die niet in het midden daarvan geleefd heeft, zich niet wel verbeelden. De winzucht is slechts eene der beweegredenen, die hen aansporen; de éclat van met een gegeven aantal arbeiders den grootsten oogst verkregen te hebben, is insgelijks een krachtige prikkel; de zuidelijke nieuwsbladen doen in den oogsttijd zorgvuldig verslag van den „katoen-bluf,” het „puik van katoen plukken,” het „voorbeeldeloos drijven” enz. Zelfs de uitgevers van zoogenaamd godsdienstige bladen moedigen de melée aan, en zingen den lof des overwinnaars. Daaronder herinneren wij ons den Eerw. J. N. Maffit, redacteur van een godsdienstig blad te Natchez, Mississippi, waarin hij zorg droeg „DEN KATOEN-BLUF” eene in het oog loopende plaats in kapitale letters te geven.
Als een voorbeeld van dezen wedijver uit den jongsten tijd, deelen wij het volgende mede uit den „Fairfield Herald,” Winsboro’ S. C. 4 November 1852.
KATOEN-PLUKKEN.
Wij vinden op vele van onze zuidelijke en westelijke beurzen aankondigingen van het bedrag van katoen door arbeiders geplukt, en van de hoeveelheid door elken arbeider; en daar wij zulk eene opgaaf hebben ontvangen, welke wij, wat de hoeveelheid door één arbeider geplukt, nooit overtroffen hebben gezien, plaatsen wij met genoegen het berigt, met de aanmerking dat het van een burger van dit district is, die opzigter is voor Majoor H. W. Parr.
Broad River, 10 October 1852.
Heeren redacteurs!
„Ten einde iets tot uwe verscheidenheid bij te dragen, (mits het uwe goedkeuring ontmoete) zend ik u de opgaaf van een dag katoenplukken, niet door uitgelezene arbeiders maar door het uitschot van eenen troep op eene plantaadje, daar de gezonde (able bodied) arbeiders tot ander werk zijn uitgezonden. Nu de uitslag van een dag plukkens, van zonsopgang tot zonsondergang, door twee en twintig plukkers—vrouwen, jongens en twee mannen:—4880 pond schoon geplukt katoen van den stengel.
„Het hoogste, 350 pond, door verscheidene, het laagste 115 pond. Een van het aantal heeft in de laatste zeven en een halven dag (zondag uitgezonderd) elf uren daags, 1900 pond schoon katoen geplukt. Wanneer iemand van mijne landbouwkundige vrienden dit overtreft, in denzelfden tijd en onder zonneschijn, zal ik nog eens beproeven.
James Steward.”
Het schijnt dat deze landbouwkundige verklaart dezen buitengewonen uitslag te hebben verkregen, met wat hij het uitschot van een troep noemt; en om zijnen roem daarop des te hooger te verheffen, berigt hij het publiek omstandig, dat er geene „able bodied” arbeiders gebezigd werden; dat deze geheele triomf behaald werd met vrouwen en kinderen en twee zieke mannen; met andere woorden, hij roemt er op dat hij uit vrouwen, kinderen, zwakken en zieken 4880 pond schoon geplukt katoen op eenen dag heeft gehaald; en dat hij een van deze arbeiders 1900 pond schoon katoen in eene week heeft doen plukken! en voegt er met zelfvoldoening bij, dat wanneer een zijner landbouwkundige vrienden dit overtreft, in denzelfden tijd en onder zonneschijn, hij „nog eens zal beproeven.”
Zal nu een onzer lezers het opgebruiken der arbeiders op de plantaadje van Legree nog voor eene overdrijving houden? En zie met hoe veel voldoening dit verslag door den redacteur wordt aangekondigd, als iets zeer prijselijks en lofwaardigs.
„Ziet het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sabaôth.”
Dat de beschrijvingen van het huis, de manier van huishouden en kortom het geheele leven op de plantaadje van Legree, geene fabelachtige verdichtselen of overdrevene schilderingen van slechts bij uitzondering voorkomende gevallen zijn, daarvan heeft de wereld overvloedige getuigenissen, en heeft deze reeds een aantal jaren gehad. Laat de lezer de volgende getuigenis aangaande de woningen der Negers overwegen, welke de wereld in het werk van Mr. Weld eenige jaren onder de oogen heeft gehad. Daaruit blijkt de staat van zaken in dit opzigt, ten minste tot aan het jaar 1838.
Mr. Stephen E. Maltby, inspecteur van levensmiddelen, Skaneateles, New-York, die in Alabama heeft gewoond.—„De hutten, waarin de slaven sliepen, hadden doorgaans maar een vertrek, en dat zonder vloer.”
Mr. George A. Avery, ouderling van de vierde Presbyteriaansche kerk, Rochester, New-York, die vier jaren in Virginia heeft gewoond.—„Onder al de negerhutten, die ik in Virginia zag, kan ik er mij niet een herinneren, waarin een andere vloer was dan de aarde, of iets, dat een noordelijk arbeider of handwerksman, blank of gekleurd, een bed zou noemen, of eene enkele afschutting tot afzondering der seksen.”
Mr. William Ladd, Minot, Maine, president van het Amerikaansche Vrede-genootschap, voorheen slavenhouder in Florida.—„De woningen der slaven waren hutten, door hen zelven van palen en staken gebouwd en met palmbladeren gedekt. De deur, als zij er een hadden, was van dezelfde stoffen, somtijds van planken op den oever gevonden. Zij hadden geene vloeren, geene afzonderlijke vertrekken; behalve dat de Guinesche Negers somtijds eene kleine afsluiting voor hunne „god-huizen” hadden. Deze hutten bouwden de slaven zelven, na hunne taak en op Zondag.”
De Eerw. Joseph M. Sadd, leeraar der Presbyteriaansche kerk, Castile, Greene County, New-York, die voor 1837 vijf jaren in Missouri leefde.—„De slaven leven algemeen in ellendige hutten, die zonder vloeren zijn, en hebben slechts een enkel vertrek, waarin beide seksen door elkander opeengepakt zijn.”
Mr. George W. Westgate, lid der Congregationale kerk, Quincy, Illinois, die een aantal jaren in de slavenstaten heeft doorgebragt.—„Op oude plantaadjes zijn de negerkwartieren van latten en planken gemaakt, die zelden eene genoegzame beschutting voor wind of regen geven; hunne grootte verschilt van acht bij tien, tot tien bij twaalf voet, en zes of acht voet hoogte; somtijds is er een gat voor een venster uitgezaagd, maar nooit zag ik er raam of glas in. In het nieuwe land en in de bosschen zijn de kwartieren doorgaans van boomstammen gebouwd en van dezelfde afmetingen.”
Mr. Cornelius Johnson, lid der Christelijke kerk te Farmington, Ohio, die in 1837–38 in Mississippi woonde.—„Hunne huizen waren gewoonlijk van boomstammen gebouwd; somtijds hadden zij ramen, dikwijls geen vloer; sommigen hebben twee vertrekken, doch gewoonlijk maar een; elk van deze vertrekken bevatte een huisgezin. Somtijds bestonden deze huisgezinnen uit man, vrouw en kinderen, terwijl in andere gevallen personen van beide seksen bij elkander gestopt werden, zonder op familiebetrekking acht te geven.”
De „Western Medical Reformer” spreekt in een artikel over de „Cachexia Africana” door een geneesheer uit Kentucky, aldus over de hutten der slaven: „Zij zijn bij elkander gedrongen in eene kleine hut, die somtijds een onvolkomenen, somtijds geen vloer heeft, zelden boven den grond verheven, zonder versche lucht en omringd met vuilnis.”
Mr. William Leftwich, een inboorling van Virginië, maar die het grootste gedeelte van zijn leven in Madison County, Alabama, heeft gewoond.—„De woningen der slaven zijn hutten van boomstammen, van tien tot twaalf voet in het vierkant, dikwijls zonder vensters, deuren of vloeren; zij hebben stoelen, tafel noch bedstede.”
Reuben L. Macy, van Hudson, New-York, lid van de Godsdienstige Societeit der Vrienden. Hij woonde in Zuid-Carolina in 1818–19.—„De huizen voor de veldslaven waren omtrent veertien voet in het vierkant, op de ruwste wijze gebouwd, met eene kamer zonder schoorsteen of vloer, met een gat in het dak om den rook uit te laten.”
Mr. Samuel Sapington, van Lancaster, Pennsylvania, geboortig van Maryland, voorheen een slavenhouder.—„De beschrijvingen doorgaans van negerkwartieren gegeven zijn juist; de kwartieren zijn zonder vloer, en niet voldoende om de guurheid van het weder af te weren; zij zijn „uncomfortable” zoowel des zomers als des winters.”
De Eerw. John Rankin, inboorling van Tennessee.—„Wanneer zij des nachts naar hunne ellendige hutten terugkeeren, vinden zij daar geen middel tot gemakkelijke rust, maar moeten zonder deksel op den kouden grond liggen en huiveren terwijl zij slapen.”
Philemon Bliss, van Elyria, Ohio, die in 1835 in Ohio woonde: „De woningen der slaven zijn gewoonlijk kleine, opene hutten van boomstammen, met slechts een vertrek en zeer algemeen zonder vloer.”—Slavery as It is, p. 43.
De Eerw. C. C. Jones, van wien wij reeds gesproken hebben, neemt, wanneer hij den toestand der Negers als een veld voor den zendelingsarbeid beschouwt, al de omstandigheden van hun uiterlijk leven in aanmerking. Hij spreekt van een gedeelte van Georgia, waar men zooveel aandacht voor het welzijn der Negers heeft gehad als in eenig gedeelte der Vereenigde Staten. Hij geeft het volgende tafereel:
Hunne manier van leven is over het algemeen ruw en gemeen. Vele negerhuizen zijn klein, laag bij den grond, zwart berookt, dikwijls met vloeren van vuilnis, en huisraad van de geringste soort. Op sommige goederen hebben de huizen ramen, en zijn zij net gewit, groot genoeg en in alle opzigten gerijfelijk. De verbetering in de grootte, de bouwstoffen en den bouw der negerhuizen breidt zich uit. Nu en dan vindt men er een van baksteen gebouwd. Religious Instruction of the Negroes, p. 116.
Een vriend der schrijfster, in de vorige maand in Georgia reizende, schrijft aldus:
Op de lange rij van rijst- en katoenplantaadjes, die zich langs den spoorweg van Savannah naar deze stad uitstrekt, bevatten de neger-kwartieren naauwelijks eene enkele hut, welke een noordelijk landman geschikt tot schuilplaats voor zijn vee zou achten. Zij zijn allen van staken gebouwd, zoo weinig sluitende, dat zij bijna overal open zijn, zonder een enkel glas-venster, en met slechts een enkelen leemen schoorsteen voor elke groep van vier tot acht hutten. En toch weidden onze medereizigers op hun gemak uit over het vreemde, dat de Negers zoo slecht in staat zijn om koud weder te verdragen.
Men vergelijke dit tafereel uit den tegenwoordigen tijd met het berigt, door den Eerw. Horace Moulton gegeven, die tusschen 1817 en 1824 vijf jaren in Georgia doorbragt, en men zal zien, dat er in dezen Staat ten minste eenige gelijkenis bestaat tusschen het oudere en het nieuwere gebruik:
De hutten der slaven zijn meestal van de armoedigste soort. Zij zijn niet zoo goed als die tijdelijke lootsen, die bij spoorwegen worden opgeslagen. Zij worden van palen en planken gebouwd, met weinig of geen balkwerk er aan. Zij hebben geene kagchels of schoorsteenen; sommigen hebben aan het eene einde iets dat naar eene stookplaats gelijkt, en aan dien kant zijn dan een paar planken uit den wand of van het dak genomen, om den rook uit te laten. Deze gebouwen hebben maar één vertrek; de plaats waar men in en uitgaat, dient tot deur en venster tegelijk; de wanden en het dak zijn met ruwe, in vele gevallen oude afgekeurde planken gedekt. Bij warm weder, vooral in de lente, houden de slaven den geheelen nacht rookend vuur aan, om de muggen en moskieten te verdrijven, die in het geheele lage land van het Zuiden zeer lastig zijn; zoo zeer dat de blanken onder stellaadjes slapen met netten er over, zoo fijn geknoopt dat de moskieten er niet door kunnen vliegen.—(Slavery as It is, p. 19).
Dezelfde Mr. Moulton geeft het volgende berigt van het voedsel der slaven, en de wijze van handelen op de plantaadje, waarop hij werkzaam was. Het moet hier gemeld worden, dat hij in den tijd toen hij zich in het Zuiden bevond, in zekere handelsbetrekkingen was, welke hem gelegenheid gaven om dikwijls verschillende plantaadjes te bezoeken en velen der slaven onder zijn gezag te hebben. Zijne gelegenheden tot waarneming waren dus zeer gunstig. Er is eene eenvoudigheid en droogheid in zijnen stijl, welke de gedachte verwijdert, dat hij uit zijne verbeelding zou schetsen:
Het was een algemeen gebruik, overal waar ik geweest ben, dat de meesters elk hunner slaven, mannen en vrouwen, een „peck” koren in de week tot voedsel gaf. Dit tegen vijftig cents per bushel—en het was niet meer waardig zoolang ik daar was—zou voor den kost op twaalf en een halven cent per hoofd in de week komen.
Mij kostte mijne tafel toen ik in het Zuiden was, door elkander genomen, een dollar daags;—den prijs van veertien bushels koren in de week. Dit zou mijn kost in prijs gelijk doen staan met den kost van zesenveertig slaven! Dit is alles wat goede of slechte meesters op de plantaadjes in den omtrek van Savannah hunne slaven toestaan. Een peck koren moet elken slaaf eens in de week worden uitgemeten. Een man met wien ik werkte, echter verlangend zijnde om van zijne arbeiders (omtrent vijftig in getal) eer ik vertrok, zoo veel werk gedaan te krijgen als mogelijk was, kocht voor hen elke week, of tweemaal in de week, een ossenkop op de markt. Hiervan maakten zij eene soep in een grooten ijzeren ketel, waarom heen de arbeiders op etenstijd kwamen, en de soep uitscheppende, mengden zij die met hun meel, en aten het alsof het een feestmaal was. Deze man vergunde zijne slaven tweemaal daags te eten, terwijl ik eene karrewei voor hem deed. Hij beloofde mij een kastoren hoed en zulk een goed pak kleeren als er in de stad gekocht kon worden, als ik zoo veel voor hem wilde afmaken eer ik naar het Noorden terugkeerde, en gaf mij daartoe volle magt over zijne slaven. Zoo kan men zien, welke verzoekingen opzigters somtijds hebben, om zoo veel werk als zij kunnen uit de arme slaven te halen. Het bovenstaande is eene uitzondering op den algemeenen regel van voeding; want op alle andere plaatsen, waar ik werkte en die ik bezocht, kregen de slaven niets van hunne meesters dan het koren, of eene daarmede gelijk staande hoeveelheid rijst of aardappelen; en daarvan mogten zij slechts eenmaal daags gaan eten. De gewoonte was des morgens vroeg op den horen te blazen, als een sein voor de arbeiders om op te staan en naar het werk te gaan. Eens begonnen bleven zij werken tot omtrent elf uur, wanneer, op het sein, allen ophielden en naar de hutten gingen, hunne vuren aanlegden, hun meel tot koek maakten, aten, en dan weder op het sein van den horen naar hun werk gingen, en bleven doorwerken tot aan den nacht, of tot dat hunne taak gedaan was. Sommigen maakten hun ontbijt op het veld onder het werk gereed. Ieder slaaf moet met een handmolen zijn eigen koren malen, nadat hij des avonds zijn werk gedaan heeft. Doorgaans is er op elke plantaadje één handmolen ten gebruike der slaven.
Sommige planters hebben geen koren, andere komen dikwijls te kort. In plaats daarvan geven zij dan rijst of zoete aardappelen, die geen van beiden zoo goed voor de slaven zijn als koren. Zij klagen meer over flaauwheid, wanneer zij met rijst of aardappelen, dan wanneer zij met koren gevoed worden. Ik was eenige weken bij een man, die mij zijne arbeiders gaf om eene karrewei te doen, en om den tijd te besparen, kookte een voor al de anderen. Hierbij werd op de volgende wijs gehandeld: Twee gevorkte stokken werden in den grond gestoken, en een korten staak over de vorken gelegd hebbende, hingen zij een ketel daaraan; dan maakten zij vuur onder den ketel en kookten den brij; wanneer deze gereed was, werden zij om den ketel geroepen met hunne houten borden en lepels. Zij schepten uit en aten, om den ketel staande, of op den grond zittende, gelijk hun best gelegen kwam. Als zij aardappelen hadden, haalden zij die met hunne handen er uit en aten ze zoo.—Slavery as It is, p. 18.
Mr. Thomas Clay, een slavenhouder van Georgia en een zeer menschlievend man, die met zeer goed gevolg is werkzaam geweest om de verbetering der Negers te bevorderen, zegt in zijne rede voor het Georgia Presbytery 1833, van hun voedsel: „De hoeveelheid volgens gebruik toegestaan, is een peck koren in de week.”
De Maryland Journal and Baltimore Advertiser, 30 Mei 1788, zegt: „Een enkel peck koren, of dezelfde maat rijst, is het gewone rantsoen voor eenen zwaar werkenden slaaf, waarbij nu en dan, hoewel zelden, eene kleine hoeveelheid vleesch gevoegd wordt.”
Kapitein William Ladd, van Minot, Maine, voorheen een slavenhouder in Florida, zegt: „Het gewone rantsoen was een quart koren daags aan een slaaf, die volle taak werkte, met eenig zout: goedertierene meesters gaven een peck koren in de week.”
De wet van Noord-Carolina bepaalt, dat de meester zijnen slaaf een quart koren daags zal geven, hetwelk in de week een quart minder is dan een peck.—Haywood’s Manual, 525; Slavery as It is, p. 29. De meester, die een peck in de week gaf, zou dus denken, dat hij boven de wet ging, en een quart uit edelmoedigheid gaf.
Deze staat van zaken zal veel waarschijnlijker voorkomen in dat gedeelte des lands, waar de geschiedenis geplaatst is. Dit is in de zuidwestelijke Staten, waar geene levensbehoeften op de goederen worden geteeld, maar al de voorraad voor de slaven uit de meer noordelijk gelegene Staten wordt gekocht.
Laat de lezer zich nu de verschillende verzoekingen verbeelden, die onder deze omstandigheden kunnen ontstaan om het rantsoen der slaven te verkorten;—schaarschte van geld, financieele ongelegenheden, hooge prijs van levensmiddelen en verschillende andere oorzaken van dien aard hebben eenen grooten invloed op den meester of opzigter.
In den tijd toen er over gehandeld werd of de Staat Missouri als een slavenstaat zou worden toegelaten, werd deze maatregel, gelijk alle maatregelen ter bevordering van dit gruwelijke stelsel, verdedigd onder het goede oude voorwendsel van menschelijkheid voor de Negers. Zoo zegt Mr. Alexander Smyth in zijne rede over de slavernij questie, 21 Januarij, 1820:
Door de slaven tot de zuidelijke Staten te beperken, waar producten voor den uitvoer worden verbouwd, en brood en vleesch gekocht worden, veroordeelt gij hen tot schaarschte en hongersnood. Het wordt voorgesteld om de zwarten op te sluiten, waar zij slecht gevoed worden.—(Slavery as It is, pag. 28.)
Dit is eene duidelijke erkentenis van den staat van zaken waarvan wij gesproken hebben. Met dezelfde strekking zegt Mr. Asa A. Stone, een theologisch student, die in 1835 bij Natchez, Mississippi, woonde:
Op bijna elke plantaadje lijden de arbeiders in sommige saizoenen van bijna ieder jaar meer of minder honger. Er wordt altijd veel honger geleden. Op vele plantaadjes, inzonderheid in Louisiana, zijn de slaven gedurende een groot gedeelte van het jaar in eenen toestand van bijna volslagen hongersnood.—Slavery as It is, p. 28.
Mr. Tobias Baudinot, St. Albans, Ohio, lid der Methodistische kerk, die eenige jaren lang schipper op de Mississippi was, zegt:
De slaven beneden langs de Mississippi zijn half uitgehongerd, Wanneer de schuiten des nachts stil liggen, komen er gedurig slaven aan boord, die om iets te eten bedelen.—Ibid.
„Wat kunt gij met zoo veel tabak doen?” zeide een heer die mij de omstandigheid verhaalde, toen hij hoorde, dat een planter, wien hij bezocht, zijn voerman last gaf om twee okshoofden tabak van de „landing” naar de plantaadje te halen.
„Ik koop die voor mijne Negers; het is een onschuldig genot, en het doet mij genoegen hun dat te verschaffen.”
„Waarom doet gij de moeite en kosten om ledekanten met hooge stijlen voor uwe Negers te laten maken?” zeide een heer uit het Noorden, toen hij door het fraaije „kwartier” of slavendorp wandelde, dat toen op eene plantaadje in Natchez werd gebouwd—tot den eigenaar.
„Om hunne gordijnen aan te hangen, opdat zij niet door moskieten geplaagd worden.”
„Meester, wilt ge mij, als het u belieft, een stukje galerij voor mijn huis laten maken!”
„Waartoe, Peter?”
„Omdat, meester, de zon te heet is aan dien kant (eene zonderlinge reden om door een Neger gegeven te worden,) en als het regent kunnen wij de deur niet open houden.”
„Wel, als de timmerman wat tijd over heeft, zult gij er een krijgen.”
„Eenige weken daarna was ik op de plantaadje, en op een zondag ochtend het kwartier voorbij rijdende, zag ik Peter, met zijne vrouw en kinderen, en zijn ouden vader, onder de nieuwe galerij in den zonneschijn zitten.”
„Missus, gij hebt mij een kerspresent beloofd.”
„Wel Jane, daar hebt gij een nieuwen chitsen japon.”
„Dat heel mooi, Missus,” zeide Jane, den japon op een afstand bekijkende zonder er aan te raken; „maar ik heb liever mouseline, als het u belieft. Mouseline is de mode dezen kersmis.”
„Wel nu goed, Jane, kom morgen maar terug, dan zult ge mousseline hebben.”
De schrijfster zou er niet aan willen denken om de waarheid dezer anecdoten tegen te spreken. Elke waarschijnlijke hoeveelheid van ledekanten met hooge stijlen en moskietengordijnen, van uitgedeelden tabak, en van veranda’s door leegloopende timmerlieden en ten gemakke van weelderige Negers gemaakt, kan toegegeven worden; zij benadeelen in geenen deele de waarheid der andere feiten. Wanneer de lezer bedenkt, dat de „troep” van sommige rijke eigenaren tusschen de 500 en 700 arbeiders beloopt, behalve de kinderen, kan hij oordeelen met welke ruimte deze gerijfelijkheden waarschijnlijk verschaft zullen worden. Laat men ze gerust op de rekening stellen voor wat ze waardig zijn.
In allen gevalle is het een genoegen zulk een onaangenaam hoofdstuk met eenige meer aangename schilderingen te kunnen besluiten.
Hoofdstuk XI.
Een proefje van wat er in den wettigen handel voorkomt.
Inhoudsopgave
In dit hoofdstuk van „Uncle Tom’s Cabin” werden eenigen der ijselijkste en aandoenlijkste tooneelen van den slavenhandel beschreven. Het zal dienstig zijn voor eenigen daarvan bewijzen aan te voeren.
Een van de eerste schetsen is het verhaal der scheiding eener oude, zwakkelijke negerin van haren jongen zoon bij eene openbare verkooping. Het is de schrijfster leed te moeten zeggen dat hare verbeelding, wat dit tooneel betreft, geene de minste eer toekomt. Zij vond deze beschrijving, bijna juist gelijk zij daar staat, in het uitgegeven dagboek van een jongen Zuidlander, verhaald als een tooneel, waarvan hij ooggetuige was. De eenige omstandigheid, welke zij in haar verhaal heeft overgeslagen, was eene bijkomende onmenschelijkheid, die door hem was aangeteekend. Hij zegt dat de knaap door eenen planter gekocht werd, die zijne handen kluisterde en hem een touw om den hals deed, dat hij om den hals van zijn paard bond, aldus het kind dwingende om naast hem te draven. Deze bijzonderheid alleen werd door de schrijfster verzwegen.
Een ander tooneel van bedrog en wreedheid wordt in hetzelfde hoofdstuk beschreven als het bedrijf van een slavenmeester in Kentucky, die eene vrouw aan eenen handelaar verkoopt en haar beweegt om met hem te gaan door de bedriegelijke verzekering, dat zij een kort eind ver de rivier afgebragt zal worden, om met haar man in hetzelfde hôtel te gaan werken. Dit was een voorval, hetwelk door de schrijfster zelve werd bijgewoond, toen zij eenige jaren geleden de Ohio afvoer. De vrouw was zeer fatsoenlijk van uitzigt en kleeding. De schrijfster brengt zich haar nog duidelijk voor den geest, zeer net gekleed met een wit jasje, hare kleederen en haren met blijkbare zorgvuldigheid geschikt, en met een aardig gekleed knaapje van omtrent zeven jaren bij haar. Zij had ook ene koffer met kleeren, die bewees dat zij zorgvuldig en fatsoenlijk opgebragt was. Men zal zien, dat dit voorval eenigzins gewijzigd is, overeenkomstig de strekking van het verhaal, dewijl de vrouw daar wordt gezegd een nog zeer jong kind bij zich te hebben.
De gewoonte van zonder eenige omstandigheden het kind van de moeder te scheiden, wanneer de laatste van eene noordelijke naar eene zuidelijke markt zal gebragt worden, is eene dagelijksche, algemeen bekende zaak in den handel. Het wordt niet nu en dan en somtijds gedaan, maar altijd wanneer daartoe aanleiding is; en de smart der moeder wordt evenmin ontzien, als die eener koe, wanneer haar kalf van haar gescheiden wordt.
De reden hiervan is, dat het verzorgen en opbrengen van kinderen geen gedeelte van het oogmerk eener zuidelijke plantaadje uitmaakt. Zij zijn tot last; zij verminderen de waarde der moeder als veldarbeidster, en het komt duurder uit ze op te brengen, dan ze opgebragt te koopen; zij worden dus achtergelaten als er een troep voor de markt bijeengebragt wordt. Niet langer geleden dan verleden jaar zomer, sprak de schrijfster met Thomas Strother, een slaaf, bedienaar van het Evangelie te St. Louis, voor wiens emancipatie zij moeite deed. Toevallig maakte hij tegen haar melding van een tooneel, dat hij kort geleden had bijgewoond, hoe namelijk eene jonge vrouw van zijne kennis bijna in eenen toestand van waanzinnigheid bij hem kwam en hem zeide, dat zij verkocht was om met een handelaar naar het Zuiden te gaan en haren zuigeling moest achterlaten.
In het verhaal van Lewis Clark vermeldt hij, dat een meester in zijne streek eene vrouw met haar kind aan eenen handelaar verkocht, met beding dat hij het kind niet van de moeder mogt verkoopen. Deze man verhandelde echter het kind reeds in de naaste stad, ter betaling zijner herbergrekening.
De volgende getuigenis is van eenen heer, die uit New-Orleans aan de National Era schrijft.
Deze schrijver zegt:
Terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne waardin eens tot mij: „Daar komt een geketende troep slaven aan.” Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen beter te kunnen waarnemen, hield ik den blanke vooraan tegen, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of die slaven te koop waren. Ik telde hen en lette tegelijk op hunne gesteldheid. Zij waren door drie wagens met een paard verdeeld, in elk waarvan een koopmansknecht zat, zoo overlegd, dat zij den geheelen troep konden regeren. Sommigen waren ongeketend; zestig waren in twee afdeelingen geketend, dertig in ieder, de regterhand van den een aan de linkerhand van een ander, dus vijftien aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan alle handen waren vastgemaakt en die zij zoo genoodzaakt waren op te houden—mannen en vrouwen onder elkander en omtrent in gelijke evenredigheid—allen jonge lieden. Geene kinderen er bij, behalve eenige weinigen in een wagen achter aan, welke de eenige kinderen waren bij de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in het huis: „Is het waar dat de negerhandelaars de moeders van hare zuigelingen nemen?”—„Massa, het is waar, want verleden week werd hier die meid (haar noemende) die omtrent een mijl van hier woonde, na den eten weggebragt—zij wist er des morgens niets van—verkocht, in den troep gestoken en haar kindje aan een buurvrouw gegeven. Zij was eene sterke jonge vrouw en bragt een goeden prijs op.”
Men behoeft geen acht te slaan op de jammerlijke logen, die zegt, dat deze ongelukkige vaders en moeders, echtgenooten en vrouwen het niet voelen, wanneer de heiligste banden aldus losgerukt worden. Elken dag en ieder uur draagt levende getuigenis van het valsche van dezen laster, des te valscher omdat zij verspreid wordt van een geslacht dat bijzonder vatbaar voor genegenheid, en sterk, levendig en heftig van aandoeningen is.
Het door de schrijfster onderstelde geval van de vrouw, die zich over boord wierp, is in geenen deele iets zonderlings. Getuige daarvan het volgende onlangs gebeurde voorval, waarvan berigt werd gegeven onder het opschrift van:
NOG EEN PROEFJE VOOR UNCLE TOM’S CABIN.
De corresponderende redacteur van de Oneida Telegraph (N. Y.) van eene stoomboot op de Mississippi schrijvende, geeft het volgende treurige verhaal:
Te Louisville nam een heer plaats, die eene familie van zwarten bij zich had—man, vrouw en kinderen. De meester wilde naar Memphis, Tennessee, waar hij voornemens was allen, behalve den man, aan land te zetten. De laatste was gekluisterd, en hoewel de meester niets van zijn voornemen zeide, hield de Neger, uit den schijn van alles, zoo wel als uit de aanmerkingen om hen heen, zich overtuigd dat hij voor de zuidelijke markt bestemd was. Wij kwamen in den nacht te Memphis, en terwijl wij in het gezigt van de stad waren, juist voor het landen, liet de Neger zijne vrouw hun goed verdeelen, alsof hij in de beslotene scheiding berustte, en toen een oogenblik waarnemende, dat zijn meester hem den rug toekeerde, liep hij naar voren en sprong in de rivier. Natuurlijk zonk hij, en zijn meester was verscheidene honderd dollars armer dan een oogenblik te voren. Dat was alles; ten minste bijna niemand sprak er den volgenden morgen van. Ik was verpligt van de arbeiders op het dek inlichtingen te bekomen, en hoorde in de kajuit geene aanmerking er over. Om den meester regt te doen, moet ik zeggen, dat hij na het gebeurde alle voornemen ontkende, om hen te scheiden. De schijn evenwel was geheel tegen hem, als ik wel onderrigt ben. Deze treurige zaak heeft geene toelichtingen noodig. Zij is echter een argument, dat ik van daag met eenigen indruk had kunnen aanwenden, toen ik met een zeer kundig Zuidlander over het kwaad der slavernij sprak. Hij had Uncle Tom’s Cabin gelezen, en sprak er van als een roman, die gelijk andere romans wel berekend was, om het gevoel op te wekken, door het verhaal van hartroerende gebeurtenissen, die nooit bestaan hadden, behalve in de verbeelding des schrijvers.
Er zijn voorbeelden van moeders, die, toen hare kinderen van haar verkocht zouden worden, in hare wanhoop haar eigen kroost hebben vermoord, om hen te bewaren voor eene scheiding, waardoor zij erger dan weezen werden. Een geval van dezen aard is onlangs in de Vereenigde Staten voor de regtbank gekomen, en werd een paar weken geleden door Mr. Giddings, in zijne rede in het congres, aangehaald.
Een Amerikaan in Italië, klagende over den indruk van „Uncle Tom’s Cabin” op het gemoed der Italianen, zegt dat vaders, die van hunne huisgezinnen worden weggesleept, om in slavernij verkocht te worden, zuigelingen, die van de borst der schreijende moeders worden gerukt, in de gedachten des volks tooneelen zijn, die in Amerika dagelijks voorkomen. De schrijfster kan niet anders dan met droefheid zeggen, dat het alleen de waarheid is, die men zich aldus voorstelt.
Deze dingen zijn dagelijks een bestanddeel van een der voordeeligste soorten van handel, die in Amerika worden gedreven. Het eenige verschil tusschen ons en vreemde volken is, dat wij er aan gewoon zijn geworden en zij niet. De zaak is, dag aan dag en jaar op jaar, gedaan en weder gedaan, en is op allerlei manieren ten toon gesteld en bejammerd, maar zij gaat op den dag van heden nog voort, met meer levendigheid dan ooit te voren, en zulke tooneelen als wij beschreven hebben, komen veelvuldiger voor, gelijk de schrijfster bewijzen zal, wanneer zij aan het hoofdstuk van den binnenlandschen slavenhandel komt.
De anecdote in hetzelfde hoofdstuk, welke het tooneel beschrijft, waar de vrouw van het ongelukkige stuk koopwaar, op de lijst gezet als „John oud 30,” de boot komt opstuiven, en jammerende en kermende hare armen om hem heen slaat, is eene ware anecdote. De heer, die dit voorval verhaalde, werd door het gezigt daarvan zoodanig geroerd en in vuur gebragt, dat hij den handelaar dezelfde woorden toevoegde, welke de schrijfster in haar verhaal den jongen geestelijke in den mond legt:
„Mijn vriend! hoe kunt gij, hoe durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier ben ik, mij verheugende in mijn hart, dat ik naar huis ga, naar mijne vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal u daarvoor in het oordeel brengen.”
Indien deze heer het werk heeft gelezen—gelijk hij misschien reeds gedaan heeft—zal hij waarschijnlijk zijne eigene woorden herkend hebben. Eene treffende omstandigheid in het verhaal, gelijk zij werkelijk is voorgevallen, moet nog vermeld worden. De vrouw jammerde hartstogtelijk over het lot van haren man, die voor altijd zou gescheiden worden van al wat hem dierbaar was, om tot het harde lot op eene zuidelijke plantaadje verkocht te worden. De man bezigde tot antwoord de zeer eenvoudige, maar verhevene uitdrukking, welke de schrijfster in dergelijke omstandigheden aan Oom Tom in den mond heeft gelegd: „Daar zal dezelfde God wezen, die hier is.”
Eene andere anecdote in „Uncle Tom’s Cabin” vermeld, kan misschien even goed hier als op eene andere plaats gestaafd worden.
Het geval der oude Prue werd door een broeder en eene zuster der schrijfster verhaald, als volgt:—Zij was de vrouw, die beschuitjes en dergelijke dingen bragt in het huis, waar zij logeerde. Haar voorkomen, karakter en manieren waren juist gelijk beschreven is. Eens kwam eene andere slavin in hare plaats, om de beschuitjes te brengen. De zuster der schrijfster vroeg waar Prue gebleven was. Zij scheen eene poos niet te willen antwoorden, maar zeide eindelijk, dat men haar in den kelder gebragt en geslagen had, en dat de vliegen bij haar gekomen waren en dat zij dood was.
Het is wel bekend, dat er geene eigenlijk gezegde kelders in New-Orleans zijn, daar de aard van den grond het graven verhindert. De slavin, die het woord gebruikte, was waarschijnlijk uit een Staat gekomen, waar kelders in gebruik waren, en paste dit woord toe op de plaats, die voor de gewone einden van eenen kelder werd gebezigd. Eene keukenmeid, die in de familie der schrijfster gewoond heeft, en het grootste gedeelte van haar leven op eene plantaadje had doorgebragt, gebruikte de bewoordingen, die men op eene plantaadje bezigt, om de zeer bekrompene afdeelingen en de huishouding van een zeer eenvoudig huis met een stukje gronds aan te duiden.
Diezelfde dame werd, terwijl zij op dezelfde plaats woonde, dikwijls tot medelijden bewogen, door het geschrei te hooren van een ziekelijk klein kind in het naaste huis, en gelijktijdig het schelden en uitvaren van een kwaadaardig man-wijf tegen de moeder. Eens kreeg zij gelegenheid om de moeder te spreken, die zeer treurig en neerslagtig scheen, en vroeg toen wat het kind scheelde. Haar antwoord was, dat zij de koorts had gehad en hare melk opgedroogd was, en dat hare meesteres een hekel aan haar kind had en er geene melk voor wilde koopen. Zij had beproefd het met haar eigen groven kost te voeden, maar het verkwijnde en schreide gedurig; en ten getuige hiervan bragt zij haar het kind. Het was tot een geraamte vermagerd. De dame bragt de kleine bij eene vriendin van haar in huis, die kort geleden bevallen was en geplaagd werd door een te grooten overvloed van melk, en verzocht haar het te zogen. Het jammerlijke gezigt van het verhongerde, uitgeteerde wichtje roerde de moeder zoodanig, dat zij alle andere bedenkingen smoorde en het aan hare borst legde, waarop het scheen te herleven en voedsel tot zich nam met eene gretigheid, die bewees hoeveel honger het geleden had. Doch het kind was zoo vervallen, dat dit slechts eene kortstondige verligting bleek te zijn. Daarna was het bijna onmogelijk de vrouw te zien te krijgen, en het heftige karakter harer meesteres maakte het moeijelijk in de zaak tusschenbeiden te komen. De dame verschafte haar heimelijk zoo veel hulp als zij kon, hoewel, gelijk zij bekent, met zekere angstvalligheid, dat het eene wreedheid was den kleinen lijder uit de schuilplaats des grafs terug te houden; en het was eene verligting voor haar, toen het geschrei eindelijk ophield, en het arme wicht daarheen ging, waar de vermoeiden rust hebben. Dit is een van die gevallen, welke bewijzen dat het belang des eigenaars den slaaf niet altijd eene menschelijke behandeling waarborgt.
Er is nog eene anecdote, welke de schrijfster heeft ingevlochten in de geschiedenis der mulattin, welke door Legree voor zijne plantaadje werd gekocht. De lezer zal zich herinneren dat zij hare geschiedenis aan Emmeline verhalende, zegt:
„Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien.”
„Was hij goed voor u?”
„Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen dat hij niemand nacht of dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk, dat niemand iets naar zijn zin kon doen. Hij werd met elken dag ongemakkelijker: hield mij ’s nachts op, tot ik niet langer wakker kon blijven: en omdat ik eens op een nacht in slaap viel, o Heere! sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide, dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden kon, en dan beloofde hij mij weêr mijne vrijheid, als hij stierf.”
Een voorval van dezen aard werd de schrijfster op de volgende wijs bekend. Eene slavenfamilie van quadronen, door het testament des meesters vrij gemaakt, vestigde zich op Walnut Hills, bij hare woonplaats, en de kinderen werden in hare familieschool toegelaten en in haar huis onderwezen. In deze familie was een kleine jongen, een quadron, van vier of vijf jaren, van een treurig, neerslagtig uitzigt, die hare belangstelling opwekte.
De geschiedenis van dit kind, door zijne vrienden verhaald, was eenvoudig deze. Zijne moeder was de onvermoeide oppaster van haren meester geweest, gedurende eene pijnlijke, slepende ziekte, waaraan hij eindelijk stierf. Zij had al het vermoeijende dier oppassing, zoowel bij nacht als over dag, gedragen, ondersteund door de belofte, dat zij daarvoor bij zijnen dood met hare vrijheid zou beloond worden. Door afmatting overweldigd, viel zij op eenen nacht in slaap, en was hij niet in staat om haar te wekken. Den volgenden dag veranderde hij, na haar de heftigste verwijten te hebben gedaan, de bepalingen van zijn testament, en verkocht haar aan eenen man, die in den geheelen omtrek als een wreed meester bekend was, welke verkoop terstond na zijnen dood, die kort daarop plaats had, gevolg had. De eenige verzachting van haar vonnis was, dat haar kind niet met haar in dat geduchte lot behoefde te deelen, maar aan deze quadronenfamilie werd gegeven, om het naar een vrijen Staat te brengen.
De schrijfster herinnert zich zeer wel, dat zij deze geschiedenis onder eene groep vrijgelatene Negers hoorde verhalen, en hunne aanmerkingen daarover. Een bijzondere vorm van ernstige ironie kenteekent dikwijls de gezegden dezer klasse. Het is eene gewoonte, uit de slavernij ontstaan, om over bedrijven van dezen aard te spreken in eene taal, schijnbaar eerbiedig voor hen, die ze gepleegd hebben, en welke men alleen door zekere eigenaardigheid van uitdrukking, die moeijelijk te beschrijven is, voor ironie kan herkennen. Toen na het verhaal dezer geschiedenis de schrijfster in geene gematigde bewoordingen hare verontwaardiging te kennen gaf, merkte een der oudsten van den zwarten kring ernstig aan:
„Hij was een magtig groot Christen, evenwel.”
Toen de schrijfster dit begrip met warmte tegensprak, voegde een ander van den kring er bij:
„Ging toch zeker naar de heerlijkheid.”
En een derde vervolgde:
„Hij had een heel goeden tijd, toen hij lag te sterven; hij zeide dat hij regt naar den hemel ging.”
En toen de schrijfster zeide, dat vele menschen zoo dachten, die er nooit kwamen, ging er een sombere glimlach van goedkeuring in den kring rond, maar er werden geene verdere aanmerkingen gemaakt. Dit voorval is de schrijfster dikwijls voor den geest gekomen als een bewijs, hoe gevaarlijk het bezit van volstrekte magt voor de ziel des meesters is. Iemand, die in gezondheid regtvaardig en menschelijk is, komt in ziekte dikwijls in verzoeking om onregtvaardig, onbillijk en onredelijk te worden. Wanneer hij onder zulke omstandigheden door afhangelingen is omringd, aan welke de wet en de publieke opinie alle gewone menschenregten hebben ontnomen, hoezeer wordt hij dan verzocht, om zijne meest despotieke hartstogten bot te vieren, en gelijk deze ongelukkige de wereld te verlaten met de zwaarte dezer geduchte woorden op zijn hoofd: „Maar indien gij den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven.”
Hoofdstuk XII.
Topsy.
Inhoudsopgave
Topsy is de vertegenwoordigster eener groote klasse van kinderen, die onder het stelsel der slavernij opgroeijen—levendig, vlug, slim en schrander, schijnbaar verstoken van alle geweten en zedelijk gevoel, scherpzigtig, door een instinct, dat in het kinderlijke gemoed bestaat, voor de vernedering van hunnen toestand en de volslagene hopeloosheid om zich daarboven te verheffen; gevoelende dat hunne zwarte huid, gelijk het teeken van Kaïn, een kenmerk van verworpenheid en schande is, en door zekere geheime wanhoop aangedreven om „hunne roeping en verkiezing” in de zonde „zeker te maken.”
Christelijke menschen zijn dikwijls zeer verbaasd en ontmoedigd geworden, even als miss Ophelia was, bij de poging om zulke kinderen zedelijk en Christelijk op te voeden, onder eenen staat van zaken, welke elken prikkel wegneemt, dien God bedoelde, dat heilzaam op het menschelijk gemoed zou werken.
Wij spreken nu niet alleen van de zuidelijke Staten, maar ook van de Nieuw-Engelsche Stalen; want, hoe vreemd het moge klinken, de slavernij is in de vrije Staten van het Noorden nog niet geheel afgeschaft. Het onchristelijkste gedeelte daarvan, dat hetwelk haar alle bitterheid en scherpte geeft, is grootendeels niet herroepen; namelijk het daadwerkelijke onthouden van de regten der menschelijke broederschap aan den Neger. Ten gevolgen daarvan is Topsy een karakter, dat men zoo wel in het Noorden als in het Zuiden vinden kan.
Bij de besturen der opvoeding van gekleurde kinderen, negers, mulatten en quadronen, heeft de schrijfster dikwijls deze omstandigheden opgemerkt:—dat zij voor zekeren tijd en tot op zekeren ouderdom, gelijk bleven met de blanke kinderen, met welke zij werden onderwezen, of deze zelfs vooruit kwamen; maar dat er een tijd kwam, waarop zij onverschillig voor het leeren werden en geene verdere vorderingen maakten. Dit gebeurde altijd op dien ouderdom, wanneer zij oud genoeg waren om over het leven na te denken en te bemerken, dat de maatschappij hun geene plaats had aan te bieden, waarop meer zou vereischt worden, dan de ruwste en eerste beginselen van kennis.
Laten wij bedenken hoe het met onze eigene kinderen gelegen is; hoe weinigen van hen uit enkele zucht om te leeren ooit aanmerkelijke kundigheden of talenten zouden verkrijgen.
Onder den arbeid, noodzakelijk om eene fraaije hand te leeren schrijven, om zich eigenaardigheden eener taal eigen te maken, of de moeijelijkheden van wiskundige studiën te overwinnen, hoe dikwijls verflaauwt dan de volharding van een kind, en moet het door ouders en meesters worden aangespoord met zulke bedenkingen als deze: „Het zal in zulken of zulken levensstand voor u noodig zijn, die kundigheid of dat talent te bezitten. Hoe zoudt gij ooit koopman kunnen worden zonder het rekenen te verstaan? Hoe zoudt gij aan een vak van geleerdheid kunnen beginnen, zonder talen te kennen? Als gij onkundig en lomp zijt, kunt gij in de maatschappij niet den rang van gentleman innemen.”
Weet niet iedereen dat, zonder den prikkel dien ouders en meesters aldus gedurig aanwenden, eene menigte van kinderen nooit zelfs maar tamelijke vorderingen zou maken? En is het niet het gebrek van al zulke prikkels, die het negerkind belet eveneens vooruit te gaan?
Het is het geslacht der Negers dikwijls te last gelegd, dat zij ligtzinnig en ijdel zijn, hartstogtelijk op praal en pronk gesteld, en alleen in beuzelingen belang stellen. En wie is voor dat alles te laken? Ontneem eene klasse alle hoogere uitzigten, alle edele eerzucht, en wat blijft haar over om belang in te stellen dan beuzelingen?
De tegenwoordige Procureur-Generaal van Liberia, Mr. Lewis, is een man die door zijne talenten en bedrevenheid in zijn vak de hoogste achting heeft verworven; en toch zegt men dat hij, terwijl hij in Amerika was, gelijk vele andere jonge kleurlingen, zich alleen door ligtzinnigheid en zucht voor opschik onderscheidde. Wat bragt die verandering in Lewis te weeg, nadat hij zich naar Liberia had begeven? Wie ziet het antwoord niet? Verlangt iemand te weten, wat er geschreven is op het zegel, dat den grooten steen bewaart boven het graf van den Afrikaanschen geest? Het is dit—wat de arme Topsy met zooveel waarheid zeide:—„Niets anders dan een neger.”
Het is dit, in de ziel gebrand door het brandijzer eener wreede, onchristelijke verachting, dat eene diepere en ergere wonde is, dan al de ligchamelijke onheilen der slavernij te zamen.
Nooit was er een slaaf, die dit niet gevoelde. Diep, diep omlaag in de donkere, stille wateren zijner ziel is de overtuiging, zwaarder en bitterder dan iets anders, dat hij niet voor een mensch wordt gehouden. In dit opzigt kan de getuigenis worden aangevoerd van iemand, die door bittere ondervinding de gal en den alsem der slavernij heeft gekend. De volgende brief is van Dr. Pennington ontvangen, tot antwoord op eenige vragen der schrijfster:
New-York, Laurens-street, No. 50, 30 Nov. 1852.
Hooggeachte Mevrouw!
Ik heb uwen vriendelijken brief, tot antwoord op den mijnen van den 15den dezer, wel ontvangen, waarin gij zegt, „dat gij brandend nieuwsgierig zijt om te weten, in hoe verre gij het hart van den slaaf wel hebt geraden.” Gij geeft mij uw denkbeeld in deze woorden: „Er ligt in het hart van den schijnbaar onverschilligen en dommen slaaf eene bloedende plek begraven, die bloedt en steekt, hoewel hij naauwelijks zou kunnen zeggen waarom, en deze pijnlijke plek is het vernederende van zijnen toestand.”
Nadat ik van de plantaadje van Dr. Tilghman, in Washington County, Md. ontsnapte, waar ik als slaaf gehouden werd en als hoefsmid werkte, kwam ik naar den Staat Pennsylvania, en nadat ik hier eenige lotwisselingen had ondergaan, waarvan in mijn gedrukt verhaal gesproken is, ging ik naar den Staat New-York, in mijn gemoed zeker onbeschrijfelijk gevoel van rampzaligheid mede nemende. Men plagt op het goed van Dr. Tilghman van mij te zeggen: „Die smid Jemmy is een schrandere kerel; stille wateren zijn diep.” Maar ik beken, dat de smid Jemmy niet schrander genoeg was, om de oorzaak van zijne eigene rampzaligheid te begrijpen. De stroom van het stille water mag diep zijn geweest, maar hij reikte toch niet tot die geduchte bedding van lava.
Somtijds dacht ik, dat dit gevoel veroorzaakt werd door eene nog schuilende vrees van verraden te worden. Er was geene Waakzaamheids-commissie in dien tijd—er waren slechts anti-slavernijgezinden. Ik was naar het Noorden gekomen met mijn geheim in mijne eigene borst. Ik had eene vrouw getrouwd, en haar niet gezegd dat ik een vlugteling was. Niemand van mijne vrienden wist het. Ik kende de middelen tot beveiliging niet, en was dus in gedurige vrees van iemand te ontmoeten, die mij verraden zou.
Het duurde twee volle jaren, eer ik mijn hoofd kon ophouden; maar nog droeg ik dat gevoel met mij om. Toen ik in 1846 mijn gemoed als vlugteling voor Mr. John Hooker had geopend, vond ik eene groote verligting in de gedachte: „God dank, er is een medemensch in het harde, oude Connecticut, die mijnen nood kent.”
Toen ik kort daarop naar het eiland Jamaïca overvoer, en daar aan land stappende, kleurlingen zag in al die rangen van het burgerlijke en gezellige leven, waar ik in dit land blanken had gezien, kreeg dat gevoel van rampzaligheid eene aanmerkelijke verligting, alsof juist de regte soort van balsem op eene pijnlijke zweer was gelegd. Daar had ik de getuigenis voor mijne oogen, dat de kleurling meer dan „een Neger” was. Ik ging naar het „House of Assembly” in Spanish Town, waar vijftien van de vijf en veertig leden kleurlingen waren. Ik ging naar de geregtshoven, waar ik in de bank der gezworenen kleurlingen en blanken bij elkander, en voor de balie gekleurde en blanke advokaten zag. Ik ging naar den Gemeenteraad van Kingston; daar vond ik mannen van verschillende kleur. Zoo in al de koopmanskantoren, enz. enz.
Doch er bleef nog dit bezwaar. Iemand zegt: „Dit is niets anders dan een neger-eiland.” Nu is dus mijn oud verdriet teruggekomen, „een Neger onder Negers, is nog maar een Neger.”
In 1849, toen ik mijn tweede bezoek van Groot-Brittanje ondernam, besloot ik mijne reis en mijnen omgang met de beste klasse van menschen te verlengen en voort te zetten, om te beproeven of ik dat oude, lastige spooksel geheel uit mijn gemoed kon verbannen. In Engeland, Schotland, Wallis, Frankrijk, Duitschland, België en Pruissen, heb ik al mijne krachten met inspanning op dit eene doel gerigt: „Ik wil een mensch wezen, en dezen vijand dooden, die mij langer dan twintig jaren heeft vervolgd.” Ik geloof dat mij dit grootendeels gelukt is; ten minste ik heb nu geene moeite meer, om mij met blanken als mensch op gelijken rang te plaatsen. Mijne Europesche reis was zeker nuttig, omdat ik op een onpartijdige en vereerende proef werd gesteld. Ik had over niets te klagen. Ik kreeg wat men eenen mensch verschuldigd was, en men verwachtte dat ik doen zou, wat de mensch aan den mensch verschuldigd is. Ik zocht niet als een lievelings-diertje behandeld te worden. Ik spande mij in het gareel en arbeidde mannelijk op de eerste predikstoelen en op de tribunes van vrede-congressen, vergaderingen, feesten enz.,” en met al deze oefeningen kwam dat oude, roestige ijzer uit mijne ziel, en bleef er uit.
Gij zegt dat gij nooit een slaaf hebt gezien, hoe onbezorgd en vrolijk ook, die deze pijnlijke plek niet had, en niet huiverde of kwaad werd, als daarop een vinger werd gelegd. Ik zie dat gij het neger-karakter naauwkeurig hebt waargenomen.
Zoo ver ik uw denkbeeld begrijp, gevoel ik dat gij volkomen gelijk hebt.
O, Mrs. Stowe! de slavernij is een geducht stelsel! Het neemt den mensch, gelijk God hem geschapen heeft, het vergruist hem en herschept hem dan tot een wanschepsel!
U gezondheid wenschende en voorspoed in uw moeijelijk werk, ben ik met hoogachting de uwe,
J. W. C. Pennington.
Menschen van verstand, die het opzigt over slaven hebben gehad, hebben dikwijls tegen de schrijfster aangemerkt: „Zij zijn een zonderling, grillig volk; gij kunt veel meer met hen doen, door sommigen van hunne vooroordeelen te vleijen, dan door hun de gewigtigste wezenlijke gunsten te bewijzen.” Op de vraag, welke vooroordeelen dit waren, was dan het antwoord: „Zij hebben gaarne, dat hunne bruiloften met pracht gevierd worden, en dat men veel werk maakt van hunne begrafenissen, en zij gaan gaarne naar gezelschappen, gekleed als blanken, om zich daar geheel als blanken te houden; en zij willen dikwijls ligchamelijke ongemakken voor lief nemen en zeer zwaar werken, als men hun in deze opzigten hunnen zin geeft.”
Kan iemand zonder medelijden hieraan denken? Arme zielen, gewillig om zooveel te dragen, alleen voor deze geringe erkentenis hunner gemeenschappelijke menschheid. Hunne bruiloften en begrafenissen te vereeren, is in zekere mate te erkennen, dat zij menschen zijn, en daarom stellen zij prijs daarop. Hier zien wij de reden der hartstogtelijke gehechtheid, welke een getrouwe slaaf dikwijls voor een goed meester toont. Het is als het ware een overgeven zijner persoonlijkheid aan den meester. Eene strenge wet en eene onchristelijke publieke opinie hebben zijn geboorteregt van menschelijkheid weggenomen, zijn naam op de lijst der menschen doorgehaald en hem tot een basterdschepsel gemaakt—noch mensch noch beest. Wanneer een goed meester zijne menschelijkheid erkent, en hem als een nederig medgezel en vriend behandelt, is de dankbare gehechtheid, welke hij daardoor opwekt, eindeloos. Hij is voor den slaaf een verlosser van den vloek, die op geheel zijn ongelukkig geslacht rust. Beroofd van alle wettige regten en vrijheden, van alle gelegenheid of hoop van persoonlijke verheffing of eer, stort hij als het ware geheel zijn aanzijn in dat van zijnen meester over, en eigent zich zoo zijne regten, zijnen stand, zijne eer toe; en aldus geniet hij zeker teruggekaatst gevoel van wat het wezen zou, zelf een mensch te zijn. Van daar dat men zich zelden vruchteloos op de edelmoedige zijde van het negerkarakter beroept.
Eene bekende der schrijfster was met een heer in Louisiana getrouwd, die eigenaar van over de acht honderd slaven was. Natuurlijk had hij een grooten stoet van huisbedienden. Toen zij hare taak zou aanvaarden, werd haar gewaarschuwd, dat de bedienden allen zoo diefachtig waren, dat zij, even als alle andere huishoudsters, verpligt zou zijn om alles achter slot te houden. Zij gaf echter haar voornemen te kennen, om hare bedienden zoodanig te behandelen, dat dit onnoodig was. Men lachte om hare hersenschimmige gedachten, maar zij besloot toch die ten uitvoer te brengen. Hare handelwijs was de volgende:—Zij riep al de huisbedienden bijeen, zeide hun, dat het een groote last voor haar zou zijn, als zij genoodzaakt was, om alles voor hen weggesloten te houden; dat zij gehoord had, dat zij niet allen te vertrouwen waren, maar dat zij niet nalaten kon te hopen, dat zij veel beter waren, dan men hen aan haar had voorgesteld. Verder zeide zij hun, dat zij overvloedig in al hunne behoeften zou voorzien, en dat zij hare provisie ongesloten zou laten en op hunne eer vertrouwen.
Het denkbeeld, dat men hen in staat achtte om eer te hebben, roerde eene nieuwe snaar in ieders hart. De bedienden schenen zeer dankbaar voor dit vertrouwen, en de opgewektheid onder hen was groot en algemeen; de oudsten en ernstigsten gaven zich moeite, om over de kinderen te waken, opdat er niets gedaan mogt worden, dat dezen nieuw gevonden schat van eer weder deed verloren gaan.
Eindelijk ontdekte de dame evenwel, dat er door het jeugdige gedeelte van het huishouden roof van haren koek werd gepleegd; zij liet dus al de bedienden weder bijeenkomen, en deelde hun deze omstandigheid mede. Zij merkte aan, dat het niet om de waarde van den koek was, maar dat het haar speet, daar zij wel gevoelen moesten, dat het haar niet aangenaam zou zijn, wanneer die door dezen en genen betast en beduimeld werd, en dat zij daarom een stuk koek op eene tafel of andere gelegene plaats zou zetten, en iedereen, die trek daarin had, zou verzoeken om daar te gaan en zich er van te bedienen, en het overige onaangeroerd in de kast laten blijven. Zij verklaart, dat de koek op de tafel bleef staan en verdroogde, zonder dat er een brokje van genomen werd, en dat zij naderhand nooit eenigen last in dit opzigt had.
Eenigen tijd later werd er een nieuw rijtuig gekocht, en op een nacht werd de lederen koffer vermist. Eer haar echtgenoot tijd had, om te dien aanzien eenigen maatregel te nemen, hadden de huisbedienden onder elkander eene vergadering belegd en naar het misdrijf onderzoek gedaan. De koffer werd gevonden en spoedig teruggebragt, hoewel zij aan hunnen meester en meesteres den naam des schuldigen niet wilden openbaren.
Eene andere anecdote, door deze dame verhaald, geeft een voorbeeld van die bijzondere gehechtheid van eenen slaaf aan eenen goeden meester, waarvan boven melding is gemaakt. Haar echtgenoot kwam door een plotseling ongelukkig toeval aan zijnen dood. Hij had een persoonlijk vertrouwd bediende, die van zijne kindschheid af met hem was opgegroeid. Deze bediende was zoo zeer door smart overstelpt, dat hij bijna versuft was. Op den dag der begrafenis vroeg hem de broeder van zijnen overleden meester, of hij zekere boodschap voor zijne meesteres had verrigt. De bediende antwoordde, dat hij het vergeten had. Niet bemerkende wat de man op het oogenblik gevoelde, zeide de heer: „Het verwondert mij, dat gij een bevel van uwe meesteres verzuimt, nu zij in zulke droefheid is.”
Dit gezegde was de laatste droppel in den vollen kelk. De arme man zonk geheel bewusteloos op den grond neer, en men moest bijna twee uren lang alle mogelijke middelen aanwenden om hem tot het leven terug te brengen. De geneesheer verklaarde zijnen toestand door te zeggen, dat al het bloed in zijn ligchaam zoodanig naar het hart was gestroomd, dat dit orgaan werkelijk in gevaar was geweest van te barsten—hij zou dan letterlijk aan een gebroken hart gestorven zijn.
Miss Ophelia’s gemoedelijke maar mislukte pogingen ter opvoeding van Topsy kunnen aanleiding tot eenige overwegingen geven.
De maatschappij heeft nog groote behoefte aan veel verlichting ten aanzien van de middelen om ondeugenden en bedorvenen tot de deugd terug te brengen.
Men heeft verkeerdelijk ondersteld, dat bij verbasterde en verdierlijkte karakters alleen grove en geweldige middelen konden baten; en toch hebben zij, die in dit opzigt de meeste ervaring bezitten, bevonden, dat het slagen hunner pogingen onder deze klasse der maatschappij in juiste evenredigheid heeft gestaan met de kieschheid en vriendelijkheid hunner behandeling.
Lord Shaftesbury, die zulk eene eervolle vermaardheid heeft verworven door zijne menschlievende belangstelling in de pogingen tot verbetering der verbasterde lagere klassen van zijn eigen land, zegt in eenen brief, dien de schrijfster onlangs van hem ontvangen heeft:
Wat Topsy aangaat hebt gij gelijk; onze havelooze scholen kunnen u vele voorbeelden leveren van kinderen, verhard door kwade behandeling en verwaarloozing, die door het eerste woord van vriendelijkheid tot tranen bewogen en gezeggelijk gemaakt werden. Zulk een woord schept nieuwe aandoeningen, ontwikkelt als het ware eene nieuwe natuur, en brengt den rampzaligen balling tot het geslacht der menschen terug.”
Pogingen welke onlangs onder ongelukkige vrouwen in de ergste wijken van New-York zijn aangewend, toonen hetzelfde. Wat is het dat het diepste in de borst eener gevallene vrouw kankert, dat haar zoo hopeloos en onverbeterlijk maakt? Het is het brandende gevoel van vernedering, dat ondragelijker is dan koude of honger, en haar doet huiveren voor het gezigt van eenen zendeling of philantroop. Zij die deze verblijven van wanhoop en ellende hebben bezocht, hebben geleerd, dat zij de gebrokene harp der menschelijke ziel zacht moeten behandelen, als zij haar weder tot hemelsche muziek willen besnaren; dat zij gevoel van eigenwaarde en hoop moeten opwekken, of de banden des doods kunnen nooit verbroken worden.
Laten wij het Evangelie van Christus onderzoeken en zien door welke middelen het ons noodigt en dringt. Van welken aard zijn de beweegredenen, die ons hart vermurwd en onzen wil vernieuwd hebben? Zijn zij geene opwekkingen der beste en edelste aandoeningen van ons gemoed? Hooren wij niet, van Eenen, schooner dan de zonen der menschen—van Eenen, heerschende in onsterfelijkheid, die ons zoo lief had, dat hij smart, gebrek en schande, ja zelfs den dood om onzentwil dragen kon?
Wanneer Christus tot de ziel spreekt, smoort hij dan een van hare edelste vermogens? Verwijt hij ons smalend onze vernedering, onze eigenliefde, de bekrompenheid onzer begrippen, de zwakheid van ons verstand, met de zijne vergeleken? Is het niet waar, dat hij ons niet alleen van onze zonden verlost, maar ons ook verlost op de bedachtzaamste, teederste, ons gevoel en leed meest verschoonende wijze? Zegt de Bijbel ons niet, dat hij, om zijne taak van Verlosser des te volkomener te vervullen, den staat der menschheid op zich nam en de smarten, behoeften en verzoekingen van een sterfelijk aanzijn verdroeg, opdat hij voor ons een verschoonend vriend zou zijn, „die medelijden kon hebben met onze zwakheden,” en ons vriendelijk aanmoedigt op den moeijelijken weg om tot de deugd terug te keeren?
O, wanneer zullen wij, die zoo veel van Jezus Christus ontvangen hebben, leeren dit te vergelden met daden van liefde voor onze arme broederen! Wanneer zullen wij Christelijk worden en niet menschelijk, in onze pogingen om gevallenen en afgedwaalden teregt te brengen!
Hoofdstuk XIII.
De Kwakers.
Inhoudsopgave
De schets, welke de schrijfster van deze klasse heeft geteekend, is naar persoonlijke waarneming gevolgd. Er zijn verscheidene vestigingen dezer lieden in Ohio, en hunne levenswijze, gemoedsstemming en gezindheid, gelijk zij in haar boek worden voorgesteld, zijn volstrekt niet overdreven.
Deze vestigingen zijn altijd toevlugtsoorden voor den verdrukten en vervolgden slaaf geweest. Het karakter van Rachel Halliday is uit de werkelijkheid ontleend, maar zij is heengegaan om hare belooning te ontvangen. Simeon Halliday, zich met gelijkmoedigheid aan boete en gevangenis bloot stellende voor zijne liefde tot God en menschen, heeft in dit land vele navolgers onder zijne gezindte.
De schrijfster had in den tijd van haar schrijven de omstandigheden voor den geest van de teregtstelling van Thomas Garret, van Wilmington, Delaware, voor de misdaad van eene huurkoets te hebben gehuurd, om eene moeder met vijf kinderen uit de gevangenis van Newcastle naar Wilmington te brengen, vijf mijlen ver.
De schrijfster vernam de omstandigheden van dit geval in eenen brief van John Garret zelven, waaruit zij eenige uittreksels zal mededeelen.
Wilmington, Delaware, 18de der 1ste maand, 1853.
Waarde vriendin Harriët Beecher Stowe!
Ik heb heden een verzoek ontvangen van Charles K. Whipple, van Boston, om u een juist en omstandig verhaal te geven van de ongelegenheden en verliezen, welke mijzelven en anderen van mijne vrienden berokkend zijn door de hulp, die wij aan voortvlugtige slaven hadden gegeven, ten einde, indien gij dit van genoegzaam belang acht, medegedeeld te worden in een werk, dat gij nu voor de drukpers gereed maakt.
Ik wil nu pogen u een verslag te geven van wat John Hunn en ik zelf geleden hebben door eenige jaren geleden eene familie van slaven te helpen. Ik zal u de omstandigheden geven, gelijk zij voorvielen, en gij moogt verkorten en zoo veel in uw werk openbaar maken als gij nuttig moogt vinden, en niet meer.
In de 12de maand van het jaar 1846 kwam eene familie, bestaande uit Samuel Hawkins, een vrij man, zijne vrouw Emmeline en zes kinderen, die naderhand bewezen weder slaven te zijn, aan het huis van eenen vriend, genoemd John Hunn, bij Middeltown, in dezen Staat, in den avond tegen zonsondergang, om voedsel en huisvesting voor den nacht te vragen. Zij werden daar gezien door eenige van Hunn’s pro-slavernij geburen, die spoedig met een constable kwamen, en hen voor een regter lieten brengen. Hunn had de slaven in zijne keuken gelaten, terwijl hij naar het dorp Middeltown ging, eene halve mijl ver. Toen de officier met de volmagt kwam, ontmoette hij Hunn bij de keukendeur en vroeg naar de zwarten; Hunn zeide naar waarheid, dat hij niet wist waar zij waren. Hunn’s vrouw, denkende dat zij daar veiliger zouden zijn, had hen gedurende zijne afwezigheid naar boven gezonden, waar zij gevonden werden. Hunn bood geenen tegenstand, en zij werden voor den regter gebragt en van zijn kantoor regtstreeks naar de gevangenis van Newcastle, waar zij omstreeks één uur van den 7den dag des morgens aankwamen.
De sheriff en zijne dochter, goede, menschelijke lieden zijnde, vroegen Hawkins en zijne vrouw de omstandigheden van hun geval, en zijne dochter schreef aan eene dame hier, om mij te verzoeken naar Newcastle te gaan en naar de zaak te vernemen, daar haar vader en zij werkelijk geloofden, dat de meesten van hen, zoo niet allen, regt hadden op hunne vrijheid. Den volgenden morgen ging ik naar Newcastle, liet de familie van kleurlingen in de spreekkamer brengen, en de sheriff en ik kwamen tot het besluit, dat de ouders en de vier jongste kinderen volgens de wet regt hadden op hunne vrijheid. Ik bewoog den sheriff om mij het bevel ter aanhouding te laten zien, hetwelk ik bevond, dat gebrekkig en niet in behoorlijken vorm volgens de wet was. Ik verschafte mij een afschrift en gaf dit aan een procureur. Hij verklaarde dat het stuk onregelmatig was, en beloofde den volgenden morgen naar Newcastle te gaan en de geheele familie volgens habeas corpus voor regter Booth, opperregter van den Staat, te laten brengen, als wanneer Samuel Hawkins en zijne vrouw deze verklaring gaven:—Zij stemden toe, dat de twee oudste knapen door zekeren Charles Glandin, van Queen Anna County, Maryland, als slaven werden gehouden; dat na de geboorte dezer twee kinderen, Elizabeth Turner, insgelijks van Queen Anne, de meesteres hunner moeder, deze had vrij gelaten, en haar veroorloofd had met haren man te gaan leven, bijna twintig mijlen van hare woonplaats, waarna de vier jongste kinderen werden geboren; dat hare meesteres gedurende al dien tijd, elf tot twaalf jaren, nooit een dollar tot hun onderhoud had bijgedragen, of hen was komen zien. Na het bevel tot aanhouding te hebben gezien en met mijn procureur te hebben geraadpleegd, stelde de regter de geheele familie in vrijheid. De dag was koud en vochtig; een van de kinderen, drie jaren oud, was kreupel van witte zwelling, en kon geen stap gaan; een ander, elf maanden oud, was aan de borst, en daar de ouders verlangend waren om naar Wilmington te komen, vijf mijlen ver, vroeg ik den regter of het eenigzins gevaarlijk of onbehoorlijk zou zijn, indien ik voor de moeder en de vier jonge kinderen een rijtuig naar Wilmington huurde. Zijn antwoord in het bijzijn van den sheriff en mijn procureur, was, dat het dit niet wezen zou. Ik verzocht toen den sheriff eene huurkoets te bezorgen, om hen naar Wilmington te brengen.
De geheele familie ontkwam. John Hunn en John Garret werden teregtgesteld, omdat zij de les van Christus gevolgd hadden: „Ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd; ik was ziek en in de gevangenis, en gij hebt mij bezocht.” Voor John Hunn’s aandeel in deze misdaad werd hij met twee duizend vijf honderd dollars beboet, en John Garret met vijf duizend vier honderd. Drie duizend vijf honderd hiervan was de boete voor het huren der koets, en duizend negen honderd werd van hem geëischt als de waarde der slaven! Onze Europesche vrienden kunnen hieruit opmaken, dat het zoowel in Amerika als in Europa iets kost, Christus te gehoorzamen.
Op het einde van John Garret’s regtsgeding, en toen het zware vonnis tegen hem gegeven was, stond hij in de geregtzaal met bedaardheid op en verzocht verlof om het hof en het gehoor aan te spreken.
Toen dit verlof gegeven was, sprak hij als volgt:
Ik heb eenige weinige woorden, welke ik wenschte te doen hooren aan het hof, de jury en de eischers, in de verschillende vorderingen, die gedurende de zittingen van het hof tegen mij zijn ingebragt, om het bedrag der boete te bepalen, die ik betalen moet voor het doen van datgene, waartoe mijn gevoel mij dreef als een geoorloofd en verdienstelijk bedrijf, een eenvoudig bewijs van menschelijkheid en regtvaardigheid, naar ik geloofde, aan acht van dat verdrukte geslacht, de kleurlingen, die ik in de 12de maand van 1840 in de gevangenis van Newcastle vond. Ik wil nu pogen de omstandigheden van het gebeurde op te geven, tot uwe overweging wanneer gij naar uwe huisgezinnen en vrienden zijt teruggekeerd. Gij zult dan tijd hebben om te peinzen over hetgeen er sedert de zitting van dit hof gebleken is, en ik geloof, dat uwe uitspraak dan eenstemmig zal wezen, dat de wet der Vereenigde Staten, gelijk die door onzen eerwaardigen regter is verklaard, wreed on drukkend is, en hervorming behoeft.
Hier volgt een zeer kort en duidelijk verslag van de omstandigheden der zaak, waarvan de lezer reeds kennis draagt.
Na overtuigend te hebben aangetoond, dat hij geene reden had om te denken, dat deze familie uit slaven bestond, en dat zij allen door den regter ontslagen werden, vervolgt hij manhaftig met de volgende edele woorden:
Indien ik geloofd had, dat zij allen slaven waren, zou ik toch hetzelfde hebben gedaan. Ik had mijne overtuiging van pligt geweld moeten doen, indien ik niet van alle geoorloofde middelen, die in mijn vermogen waren, gebruik had gemaakt om deze lieden te bevrijden, en hen te helpen om mannen en vrouwen te worden, in plaats van hen in den staat van persoonlijke roerende goederen te laten.
Ik word een abolitionist genoemd, eens een naam van smaad, maar dien ik altijd trotsch ben geweest om waardig geacht te worden. Gedurende de laatste vijf en twintig jaren ben ik werkzaam geweest in de zaak van dit verachte en mishandelde geslacht, en ik acht hunne zaak waardig om er voor te lijden; maar het is aan de menigvuldigheid van andere werkzaamheden te wijten, dat ik niet zoo veel van mijnen tijd en mijn gemoed aan hunne zaak kon wijden als ik anders zou gedaan hebben.
De onderdrukkingen en vervolgingen, tegen deze niemand beleedigende en onschuldige broeders uitgeoefend, zijn tot een ondragelijk uiterste gekomen. Ik ben thans in eenen toestand geplaatst, waarin ik niet zoo veel heb dat mijne aandacht vordert als vroeger; en ik verbind mij nu in tegenwoordigheid dezer vergadering, om alle geoorloofde en eerlijke middelen te gebruiken, om den last van deze verdrukte lieden te verligten, en te pogen, naar de mij verleende bekwaamheid, om hunne ketenen te verbreken en hen in vrijheid te stellen; niet verflaauwende in mijne pogingen ten hunne behoeve, zoolang ik met gezondheid ben gezegend en er een slaaf over blijft om den grond te betreden van den Staat mijner inwoning—Delaware.
Na rijp overleg, kan ik deze vergadering verzekeren, dat het mijn gevoelen is, dat de vonnissen, die gij voor de eischers tegen John Hunn en mij gegeven hebt, eene strekking zullen hebben om een geest van onderzoek door de geheele lengte en breedte van het land te doen ontwaken, aangaande dit monsterachtige kwaad (de slavernij), in vele gemoederen, die tot nog toe de zaak niet onderzocht hebben. De verslagen van deze vonnissen zullen in de dagbladen van Maine tot Texas en het verre Westen worden geplaatst, en wat moet het gevolg daarvan wezen? Dit zal, zonder twijfel, honderden, ja misschien duizenden voegen bij de snel toenemende schaar der abolitionisten. Het onheil is groot voor ons, die onmiddellijk door uw vonnis lijden; maar ik geloof dat de uitspraken, die gij in de laatste dagen tegen ons gegeven hebt, een krachtigen invloed zullen hebben om de afschaffing der slavernij in dit land te weeg te brengen—dit land van geroemde vrijheid, waar niet alleen de slaaf in het Zuiden door zijnen heerschzuchtigen meester is gekluisterd, maar ook de blanke in het Noorden als in ketenen is gebonden om den wil van zijne zuidelijke meesters te doen.
In zijnen brief aan de schrijfster voegt John Garret er bij, dat na deze rede, een jongman, die onder de jury was geweest de zaal doorkwam, hem bij de hand vatte en zeide:
„Oude heer, ik geloof dat alles juist zoo is als gij gezegd hebt. Ik kwam van huis met vooroordeelen tegen u, en nu erken ik, dat ik geholpen heb om u onregt te doen.”
Met zoo veel kalmte en eenvoudigheid beleed deze Kwaker Christus voor de menschen, volgens hetgeen van ouds van hen geschreven is: „Hij heeft de smaadheid van Christus grooter rijkdom geacht dan al de schatten van Egypte.”
Christus heeft gezegd: „Wie zich voor mij en mijne woorden zal schamen, voor hem zal zich de Zoon des Menschen schamen.” In onze dagen is men niet gewoon zich voor Christus persoonlijk te schamen, maar voor zijne woorden schamen zich velen. Doch wanneer zij Hem in het oordeel ontmoeten, zullen zij reden hebben om die te gedenken; want hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar zijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Een ander geval van dezelfde soort is van meer aandoenlijken aard.
Richard Dillingham was de zoon eener fatsoenlijke Kwaker-familie in Morrow County, Ohio. Zijne vrome moeder voedde hem op in een vast geloof aan de leer van Johannes, dat de liefde voor God en de liefde voor de menschen onafscheidbaar zijn. Hij werd vlijtig onderwezen in zulke godsdienstige begrippen als aangeduid zijn in plaatsen gelijk deze: „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons gesteld heeft: en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.”—„Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek lijden, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?”—„Mijne kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en in waarheid.”
Volgens deze voorschriften zag men Richard Dillingham, toen hij den mannelijken leeftijd pas was ingetreden, in Cincinatti de kleurlingen onderwijzen, hen in de gevangenissen bezoeken en doen wat in hem was om in de daad en in waarheid lief te hebben.
Eenige ongelukkige familiën onder de kleurlingen hadden dierbare vrienden, die te Nashville, Tennessee, slaven waren. Richard stelde zooveel belang in hun lot, dat hij naar Tennessee ging, en op de daad betrapt werd, terwijl hij zekere arme lieden hielp om naar hunne vrienden te vlugten.
Hij werd gevat en in de gevangenis gezet. In de taal der wereld werd hij als een „neger-steler” vastgehouden. Zijn eigen verslag wordt in den volgenden brief aan zijne ouders gegeven:
Gevangenis van Nashville, 15en der 12e md. 1849.
Waarde Ouders!
Ik vermeen, dat gij wel van mijne arrestatie en opsluiting in de gevangenis van Nashville zult gehoord hebben, onder beschuldiging van behulpzaam te zijn geweest tot eene ondernomene vlugt van slaven uit de stad Nashville op den 5den dezer. Ik werd gearresteerd door M. D. Maddox (district constable), geholpen door Frederick Marshal, waker in de Nashville Inn, en den brugbewaarder aan de brug over de Cumberland-rivier. Toen zij mij arresteerden was ik te paard naar de brug gereden en had den tol betaald voor mijzelven en de huurkoets, waarin drie kleurlingen, welke gezegd werden slaven te zijn, werden gevonden door de mannen, die mij arresteerden. De voerman der huurkoets (die een vrije kleurling van deze stad is) en de personen in de koets werden ook gearresteerd; en nadat wij naar de herberg gevoerd en gevisiteerd waren, werden wij allen naar de gevangenis gebragt. Mijne arrestatie had omstreeks elf uur in den nacht plaats.
In eenen anderen brief zegt hij:
Bij de brug zeide Maddox tot mij: „Gij zijt juist de man dien wij wilden hebben. Wij willen een voorbeeld van u maken.” Zoodra wij behouden in de buffetkamer der herberg waren, nam Maddox eene kaars en keek mij in het gezigt, om te zien of hij mijn gelaat kon herkennen; en nadat hij mij eene poos strak had aangekeken, zeide hij: „Wel, gij zijt een jongen, die er al te goed uitziet om in zulk een geval betrokken te wezen.” De omstanders deden mij verscheidene vragen, waarop ik zeide, dat ik onder de tegenwoordige omstandigheden liever verschoond wilde wezen van eenige vragen naar mijn geval te beantwoorden; waarop zij zich van verdere vragen onthielden. Eenige bedreigingen en boosaardige wenschen werden tegen mij geuit door het ruwste en gemeenste gedeelte der verzameling, die uit ongeveer vijf en twintig personen bestond. Ik werd in eene cel gezet, waarin zes personen waren, en ik kan u verzekeren, dat zij ver van aangename medgezellen voor mij waren, hoewel zij vriendelijk waren. Maar gij weet, dat ik geen smaak heb in vloeken en zweren, en het ergst van alles, in walgelijke en vuile lastertaal; en van dien aard was grootendeels het gesprek mijner gevangenis-makkers, toen ik daar eerst gezet werd. De cipiers zijn vriendelijk genoeg voor mij, maar de gevangenis is zoo gebouwd, dat zij niet verwarmd kan worden, en wij moeten ons verwarmen door in onze cel op en neer te gaan, die twaalf bij vijftien voet groot is, of door in bed te blijven liggen. Ik ging uit tot mijne teregtstelling den 16den der vorige maand, en stelde haar uit tot de volgende zitting van het geregtshof, die op den tweeden der volgende vierde maand zal beginnen. Ik stelde haar uit op grond van opgewondenheid.
Waarde broeder, ik heb geene hoop om er af te komen zonder overtuigd en tot het Penitentiary veroordeeld te worden; maar denk niet, dat ik zonder troost in mijne droefenis ben, want ik kan u verzekeren, dat ik vele overdenkingen heb, die mij zoete vertroosting geven, te midden van mijn verdriet. Ik heb een gerust geweten voor mijnen God, hetwelk mijn grootste troost en steun is in al mijne bezwaren en droefenissen. Een goedkeurend geweten kan niemand kennen, dan zij die het genieten. Het sterkt ons in het uur van beproeving, om ons lijden met standvastigheid, en zelfs met blijmoedigheid te dragen. De grootste droefheid, die ik heb, is de gedachte aan het leed en den angst, die mijne vrienden om mijnentwil moeten verduren. Maar ik kan u verzekeren, broeder, dat ik, met uitzondering van deze gedachte, er ver, zeer ver van af ben om de ellendigste der menschen te zijn. Neen, integendeel, ik ben niet ontzet over het uitzigt dat ik voor mij heb, hoewel ik er over bedroefd ben; maar iedereen heeft genoeg reden tot droefheid in deze onvriendelijke woestenij van zonde en wee. Mijne hoop is niet op deze wereld gevestigd, en daarom heb ik eene bron van troost, die mij nooit zal falen, zoo lang ik de aanbiedingen van genade, troost en vrede niet versmaad, waarmede mijn gezegende Verlosser mij gestadig bevoorregt.
Eene bron van bijna gedurige kwelling voor mijn gevoel is de profaniteit en gemeenheid, en het slechte, onaangename humeur van twee of drie medegevangenen in mijne cel. Zij bewijzen mij aanmerkelijke vriendelijkheid en achting; maar zij kunnen niet anders doen, wanneer zij met de beleefdheid en vriendelijkheid behandeld worden, waarmede ik hen behandel. Indien het mijn lot is, voor acht of tien jaren naar het Penitentiary te gaan, kan ik, geloof ik, mijn vonnis dragen zonder een traan te storten. Ik heb nog geen traan gestort, hoewel er nog velen voor mij bewaard kunnen zijn. Mijn borgtogt werd op zeven duizend dollars bepaald. Indien ik op borgtogt ontslagen werd, zou ik terugkomen om teregtgesteld te worden, ten zij mijn borg rijk was en niet verlangde dat ik terugkwam; want ik ben Richard nog, hoewel ik in de gevangenis van mijnen vijand ben, en zal niet terugdeinzen voor wat ik voor regt en eerlijk houd. Deze zijn de beginselen, waarvan het opvolgen mij hier gebragt heeft; en er was een tijd bij mijne arrestatie, toen ik naar alle waarschijnlijkheid de politie had kunnen ontsnappen, maar dit zou hen, die met mij gearresteerd waren, aan straf, misschien aan den dood hebben blootgesteld, om te ontdekken waar ik was; en indien zij niet meer gezegd hadden dan zij in waarheid konden doen, zouden zij waarschijnlijk zonder genade gestraft zijn geworden; en ik ben vast voornemens, dat niemand voor mij lijden zal. Ik ben nu een gevangene; maar zij, die met mij gearresteerd werden, zijn allen in vrijheid, en ik geloof zonder geeseling. Ik sta nu alleen voor het gemeenebest van Tennessee, om de zaak te verantwoorden. Zeg mijne vrienden, dat ik hier in het midden van vertroosting ben.
Richard was met eene jonge dame van een beminnelijk karakter en edele geestbegaafdheden geëngageerd.
Aan haar schrijft hij aldus:
O dierbaarste! kunt gij mij verwijtingen doen? Kunt gij het eene misdaad noemen? Zoudt gij het eene misdaad noemen, of kondt gij het mij verwijten, als ik uw vader, moeder, of broeder en zuster, of zelfs vrienden, had gered, of gepoogd te redden, uit eene gevangenschap onder een wreed geslacht van verdrukkers? O, kondt gij slechts zien wat ik gezien heb, en hooren wat ik gehoord heb, van de treurige, kwellende, vernederende en zielbedroevende toestand van zulke edele geesten als ooit de Anglo-Saksische stam bezat, vruchteloos smachtende naar die algemeene, hemelsche weldaad der vrijheid, welke een alwijs en weldadig Schepper voor allen bestemd heeft, dan zoudt gij niet kunnen berispen, maar met mijn gevoel moeten instemmen! Neem al deze dingen in overweging, en de duizenden van arme stervelingen, die een veel ellendiger leven voortslepen dan het mijne ooit wezen zal, zelfs met tien jaren in het Penitentiary, en gij zult mijn lot niet met zooveel afgrijzen beschouwen, als gij in het eerst zoudt gedacht hebben.
In eenen anderen brief voegt hij er bij:
Ik heb gelukkige uren hier, en ik zou niet neerslagtig wezen, als ik maar weten kon, dat gij te huis niet om mij bedroefd waart. Het zou mij meer genoegen doen dan iets anders, te hooren, dat gij geen verdriet over mij hebt.
Des te nader ik mij houd aan de vervulling van het gebod „Heb uwen naasten lief als u zelven,” des te meer genot heb ik van dit leven. Niemand kan de genietingen kennen, die uit het gevoel van welwillendheid voor onze medemenschen, beide vrienden en vijanden, voortspruiten, dan zij, die dit gevoel aankweeken. Zelfs in mijne kerkercel kan ik gelukkig zijn, indien ik wil. Want de troost des Christens kan niet door vijanden of ijzeren deuren van hem worden afgesloten.
In eenen anderen brief aan de bovengemelde dame zegt hij:
Naar hetgeen ik in staat ben te vernemen, geloof ik, dat uw „Richard” niet onbeklaagd gevallen is, en het genoegen, dat dit mij geeft, is voldoende om mijn gevangenisleven aangenamer en begeerlijker te maken dan een leven van vrijheid zonder de achting mijner vrienden. Doch het geeft bitterheid aan den kelk mijner droefenis, te denken, dat mijne dierbare vrienden en betrekkingen zooveel smart en verdriet voor mij hebben te lijden.
Al ware nog zulk eene hevige vervolging mijn lot, toch wil ik mijne verontwaardiging niet toelaten zich ooit tot wraak tegen mijne bitterste vijanden te rijpen; want er zal een tijd komen, wanneer alle dingen moeten geopenbaard worden voor Hem, die gezegd heeft: „Mijne is de wraak, Ik zal vergelden.” Ja, mijn hart zal altijd gloeijen van liefde voor mijne arme medestervelingen, die snel voorthaasten naar hunne laatste bestemming—het akelige graf en het geduchte oordeel.
Misschien zal het u eenigen troost over mij geven, als ik u zeg, dat ik geloof, dat er zeer veel medelijden bestaat bij sommigen van het beste gedeelte der burgers hier, hetgeen mij van eenig voordeel kan zijn. Maar alles wat ten mijnen behoeve kan gedaan worden, zal mijn staat toch nog zeer droevig laten. Denk echter niet, dat alles verlies voor mij is; want door mijne ramp heb ik vele goede en nuttige lessen geleerd, die ik hoop, dat tijdelijke en geestelijke zegeningen voor mij zullen blijken. „Achter eene donkere voorzienigheid verbergt Hij een vriendelijk aangezigt.” Daarom hoop ik, dat gij en mijne dierbare bedroefde ouders eenigzins over mij getroost zullen wezen, want ik weet, dat gij mijn geestelijk welzijn hooger dan iets anders acht.
In zijnen volgenden brief aan dezelfde vriendin zegt hij:
Sedert ik mijnen laatsten schreef, heb ik eenen zwaren, zedelijken strijd gehad, waarin, gelijk ik hoop, het regte overwonnen en geheel de overhand bekomen heeft. De zaak was deze:—een man, met wien ik sedert mijne gevangenschap bekend ben geworden, bood aan, om voor mij borg te stellen, en mij dan van mijne teregtstelling te laten wegblijven en den borgtogt te betalen, en was zeer begeerig om dit te doen. (Hier vermeldt hij, dat de gelden, bij dezen persoon gereed, aan hem in handen waren gesteld door iemand, die ze door oneerlijke middelen bekomen had.) Maar toen ik de bovenstaande omstandigheden vernomen had, welke hij mij in vertrouwen mededeelde, bedankte ik voor zijn aanbod en zeide hem onbewimpeld mijne redenen. De zaak blijft tusschen hem, mijne advokaten en mij. Mijne advokaten weten niet wie hij is; maar met zijn verlof heb ik hen in vertrouwen van den aard der zaak onderrigt, nadat ik tot eene beslissing was gekomen en besloten had om het aanbod niet aan te nemen, hetgeen door hen werd goed gekeurd. Ik kreeg ook een aanbod van ijzeren zagen, vijlen en ander gereedschap om uit te breken; maar ik weigerde dit ook, daar ik niet verlang mij van eenige zulke slinksche middelen te bedienen, om mij uit mijne tegenwoordige moeijelijkheden te redden; want wanneer ik Tennessee verlaat—indien ik dat ooit doe—ben ik vast voornemens het als een vrij man te verlaten. Gij behoeft niet te vreezen, dat ik mij ooit tot onteerende middelen zal vernederen om het strenge lot, dat mij boven het hoofd hangt, te vermijden. Wanneer ik u weder ontmoet, wil ik u met een zuiver geweten ontmoeten, en met eenen naam onbevlekt door schande.
Op eene andere plaats zegt hij, met het oog op zijne aanstaande teregtstelling:
O dierbare ouders! De beginselen van liefde voor mijne medemenschen, die gij mijn gemoed hebt ingeprent, behooren tot de grootste vertroostingen, die ik in mijne gevangenschap heb, en zij geven mij berusting, om te dragen wat mij aangedaan mag worden, zonder eenige boosheid of bitterheid tegen mijne ijverige vervolgers te gevoelen. Indien zij mij genade bewijzen, zal ik die met dankbaarheid aannemen; maar indien zij dit niet doen, zal ik pogen wat zij mij opleggen met Christelijke standvastigheid en berusting te dragen, en niet tegen mijn lot te morren; maar het is moeijelijk het gebod te gehoorzamen: „Hebt uwe vijanden lief!”
De dag zijner teregtstelling kwam eindelijk.
Zijne jeugd, innemende manieren, rondborstige taal en zachtzinnige vriendelijkheid voor allen, die hem naderden, hadden hem vele vrienden verworven, en het regtsgeding wekte veel belangstelling op.
Zijne moeder en haar broeder, Asa Williams, gingen een afstand van 750 mijlen, om zijne teregtstelling bij te wonen. Zij bragten een getuigschrift van zijn karakter mede, door Dr. Brisbane opgesteld, door eene menigte zijner vrienden en bekenden onderteekend en door burgerlijke beambten gewaarmerkt. Dit was op raad van zijnen advokaat gedaan, en werd door hen in het Hof vertoond. Toen hij voor de balie gebragt werd, zegt men, dat zijne houding kalm, deftig en mannelijk was. Zijne moeder zat naast hem. De advokaat voor de vervolging zag van het pleiten af, en liet Richard’s advokaten het veld vrij. Hunne verdediging was welsprekend en aandoenlijk. Nadat zij gesproken hadden, stond Richard op, en sprak op eenen kalmen en deftigen toon voor de vuist aldus:
„Volgens de vriendelijke vergunning van het Hof, waarvoor ik opregtelijk dankbaar ben, maak ik gebruik van de vrijheid, om eenige woorden te voegen bij de aanmerkingen, reeds door mijne advokaten gemaakt. En hoewel ik, volgens mijne eigene bekentenis, een misdadiger ben in het oog uwer geschondene wetten, gevoel ik mij toch overtuigd, dat ik menschen aanspreek, die harten hebben, om te gevoelen, en in het afmeten der straf, die ik zal lijden, hoop ik, dat gij zachtmoedig zult zijn; want het is een nieuwe toestand, waarin ik geplaatst ben. Nooit voorheen in den loop van geheel mijn leven, is mij een oneerlijk bedrijf te last gelegd. En van mijne kindschheid af hebben goede ouders, wier namen ik ten hoogste vereer, mijn gemoed eene begeerte ingeprent, om deugdzaam en eerlijk te zijn, en het is altijd mijn doel geweest mij zoo te gedragen, dat ik de achting en het vertrouwen mijner medemenschen verdiende. Maar, heeren, ik heb uwe wetten geschonden. Deze overtreding heb ik begaan, en ik sta nu voor u, tot mijne smart en leedwezen, als een misdadiger. Doch ik werd er door een gevoel van menschelijkheid toe gedreven. Men heeft vermoed, gelijk ik onderrigt ben, dat ik verbonden ben met eene broederschap, die zich vereenigd heeft met het oogmerk om zulke overtredingen te begaan als die, waarvan ik beschuldigd ben. Maar, heeren, die meening is valsch. Ik alleen ben schuldig—ik alleen heb de overtreding begaan—en ik alleen moet de straf lijden. Mijne ouders, mijne vrienden, mijne betrekkingen zijn even onschuldig aan eenige deelneming aan of kennis van mijne overtreding als een ongeboren kind. Mijne ouders zijn nog in leven1, hoewel op jaren gevorderd, en volgens den loop der natuur zullen nog weinige jaren hun leven op aarde besluiten. In hunnen ouderdom en zwakheid zullen zij steun en bescherming noodig hebben; en indien het met uwe denkbeelden van regtvaardigheid bestaanbaar is mijn tijd van gevangenschap kort te maken, zult gij de duurzame dankbaarheid ontvangen van eenen zoon, die zijne ouders eerbiedigt, en de gebeden en zegeningen van een bejaarden vader en moeder, die hun kind liefhebben.”
Groote aandoening vertoonde zich nu in de geregtszaal, en de meesten der gezworenen schreiden, naar men zegt. Zij verwijderden zich voor eene korte poos en gaven eene uitspraak voor drie jaren hechtenis in het Penitentiary.
De „Nashville Daily Gazette” van 13 April 1849 bevat het volgende berigt:
DE ZAAK VAN MENSCHENDIEVERIJ.
Richard Dillingham, die op den 5den December laatstleden werd gearresteerd, in zijn bezit hebbende drie slaven, welke hij voornemens was naar eenen vrijen staat mede te nemen, werd gisteren voor het Criminele Hof teregtgesteld. De gevangene bekende zijne schuld en hield eene korte rede ter vergoelijking van zijn misdrijf. Hij beleed, dat het bedrijf door hem alleen ondernomen was, zonder opstoking aan eenige zijde, en dat hij alleen verantwoordelijk was voor de dwaling, waartoe zijne opvoeding hem vervoerd had. Hij had, zeide hij, geene andere beweegreden dan het welzijn der slaven, en dacht niet eenig voordeel te behalen door hen te bevrijden. Hij werd veroordeeld tot drie jaren gevangenis in het Penitentiary, de kortste tijd, welke de wet voor het gepleegde misdrijf toelaat. Mr. Dillingham is een Kwaker van Ohio, en is in dien Staat onderwijzer geweest. Hij behoort tot eene fatsoenlijke familie, en is niet onbeklaagd door hen, die de teregtstelling bijwoonden. Het was eene roekelooze onderneming, en duur heeft hij zijne roekeloosheid bekocht.
Zijne moeder bezocht, eer zij Nashville verliet, den gouverneur, en had een onderhoud met hem over een pardon voor haren zoon. Hij gaf haar eenige aanmoediging, maar meende, dat zij haar verzoekschrift voor het oogenblik liever moest uitstellen. Na verloop van verscheidene maanden schreef zij hem daarover, maar hij scheen van gezindheid veranderd te zijn, gelijk de volgende brief zal toonen:
Nashville, 29 Augustus 1849.
Waarde Mevrouw
Uw brief van den 6den der 7e maand is ontvangen, en zou vroeger beantwoord zijn, indien ik niet van huis was geweest. Uwe bekommering voor uwen zoon is natuurlijk, en het zou streelend wezen die te beloonen door hem los te laten, indien dit in mijne magt was. Maar het misdrijf, waarvoor hij boet, is te duidelijk gebleken, en de strekking daarvan is zeer schadelijk voor onze regten en onze rust als volk. Hij is veroordeeld tot den kortsten tijd in onze wet bepaald. En in allen gevalle zou ik in zijne zaak niet kunnen tusschen beiden komen dan over eenigen tijd, en om openhartig met u te zijn, ik zie niet hoe het mogelijk is zijnen tijd te verkorten. Doch mijn tijd van dienst zal spoedig om zijn, en de verkozene gouverneur, generaal William Trousdale, zal mij vervangen. Tot hem kunt gij u verder vervoegen.
Uwe, enz.
N. L. Brown.
De directeur van het Penitentiary, John Mc. Intosh, was zeer tegen hem bevooroordeeld. Hij achtte het vonnis te ligt, en daar hij van eenen barschen aard was, had Richard niet veel van zijne goedheid te wachten. Doch de echte regtschapenheid en openhartigheid, die onder alle omstandigheden zijn gedrag kenteekenden, bewerkten spoedig eene verandering in het gemoed zijner bewakers en zijner vijanden in het algemeen. Hij werd een gunsteling van Mc. Intosh en eenigen der wacht. Volgens de regels der gevangenis mogt hij niet meer dan eens in de drie maanden schrijven, en wat hij schreef moest natuurlijk door den gouverneur worden nagezien.
Hij werd eerst aan het zagen en schuren van steen gezet, maar daar zijn zwak gestel hem voor zulken arbeid ongeschikt maakte, en de vlekkelooze heiligheid van zijnen wandel hem den eerbied zijns cipiers deed verwerven, werd hij spoedig bevorderd tot hofmeester van het gevangenis-hospitaal. In eenen brief aan eenen vriend geeft hij aldus berigt van deze verandering in zijnen toestand:
Ik veronderstel, dat gij reeds onderrigt zijt van de verandering in mijnen toestand, daar ik in het hospitaal aan het Penitentiary als hofmeester ben geplaatst.—Ik gevoel mij maar weinig bevoegd voor den post, dien men mij heeft aangewezen, maar ik zal beproeven om mijn best te doen. Ik geniet de aangenaamheid van een goed vuur en eene warme kamer, en mag des avonds blijven opzitten en lezen, hetgeen ik een groot voorregt acht.—Ik ben nu bijna negen maanden hier geweest, en moet er nog zeven en twintig blijven. Dit schijnt mij in het vooruitzigt een lange tijd. Ik tracht zoo geduldig te zijn als ik kan, maar somtijds word ik neerslagtig. Ik werp de gedachten aan mijn ouderlijk huis en mijne vrienden zooveel mogelijk van mij af; want als ik mij daaraan overgeef vergrooten zij slechts mijne zwaarmoedigheid. En wat mijn gevoel het meeste pijnigt is de gedachte aan het verdriet en den angst, die gij allen om mij lijdt. Houdt op met bedroefd over mij te zijn, want ik ben dat onwaardig; en het veroorzaakt u maar leed zonder mij iets te baten.—Gelijk altijd, de uwe in de banden der genegenheid.
R. D.
Hij was weinig langer dan een jaar in de gevangenis geweest toen de cholera Nashville bereikte en onder de gevangenen uitbrak. Richard was nacht en dag bezig om de zieken te verzorgen; zijn belangloos en medelijdend gemoed dreef hem tot eenen arbeid, waarvoor zijn teeder gestel, door gevangenschap ondermijnd, niet berekend was. Uitgeput door dezen arbeid, zonk de zachtmoedige, geduldige beminnaar van God en zijnen broeder eindelijk te rust en ging vreedzaam heen naar eene wereld, waar allen liefdewaardig zijn en liefhebben.
Hoewel zijne briefwisseling met haar, die hij het meeste liefhad, werd afgebroken, daar hij onwillig was om zijne brieven aan het toezigt des directeurs te onderwerpen, bereikte haar toch een briefje, haar overgebragt door de hand van een gevangene, wiens tijd om was. In dezen brief, de laatste dien eenig vriend op aarde van hem ontving, zegt hij:
„Ik denk dikwijls, ja altijd aan u; als ik dat niet deed, zou ik ophouden te bestaan.”
Welk een stelsel moet het wezen, dat het noodzakelijk maakt om zulk een man met veroordeelde misdadigers op te sluiten, omdat hij zijnen medebroeder meer liefheeft dan wel verstandig is?
1 R. D’s vader overleefde hem slechts weinige maanden.
Hoofdstuk XIV.
De geest van St. Clare.
Inhoudsopgave
De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van „Uncle Tom’s Cabin” luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs „eigenaardige instellingen” te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.
De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.
De Jefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:
UNCLE TOM’S CABIN.
Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eene door de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit—gelijk uit de voorrede blijkt—in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijk wel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.
Thomas Jefferson.
Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:
UNCLE TOM’S CABIN.
Wij hebben, even als een goed gedeelte van „de wereld en het overige des menschdoms,” het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.
Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als „een bederf voor het zedelijk gevoel” en als een grof „schotschrift tegen een gedeelte van ons volk.” De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het „leven in het Zuiden gelijk het is,” (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, „die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is.” Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.
Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.
Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van „Uncle Tom’s Cabin” en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.
De redacteur van de St. Louis Battery (Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:
Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten—hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht—dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.
Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.
Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.
Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot het zeventigste duizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in „Uncle Tom’s Cabin” een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden van het zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.
De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan den New-York Evening Post:
LICHT IN HET ZUIDEN.
De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.
„Ik heb juist „Uncle Tom’s Cabin, or Scenes in Lowly Life” door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: „O ja, alles van die dame wil ik lezen,” anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.
„De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingen van meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.
„Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.
„Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.
„Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtige lieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.
„Ik hoor, dat er een antwoord op „Uncle Tom’s Cabin” zal gegeven worden, getiteld: „Uncle Tom’s Cabin as it is.” Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.
„Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een
„Republikein.”
De volgende feiten doen de verdichting van „Uncle Tom’s Cabin” bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit den New-York Evangelist.
UNCLE TOMS CABIN.
Mijnheer de Redacteur!
Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezen van woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, en naar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey—de ondeugende jongen—werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om het meisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.
Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog—schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen om den slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.
Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalf nuchtere mannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.
Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachting
James L. Hill.
Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.
„Het gevoelen van een Zuidlander,” hieronder medegedeeld, verscheen in de National Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.
De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.—Red. van de Era.
HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.
Aan den redacteur der National Era.
Ik heb juist in den New-York Observer van 12 Augustus, een artikel uit de Southern Free Press gelezen, met eene inleiding aan de redactie van den Observer, onder de leus van „Vooruitgang aan den regten kant!”
De redacteur van de New-York Observer zegt, dat de Southern Free Press een bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. De Observer voegt er bij: „Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf.” Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana—want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken—zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.
The free sample has ended.