Read the book: «De Belgische omwenteling»
H. T. Colenbrander
De Belgische omwenteling

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401689
Inhoudsopgave
INLEIDING.
EERSTE HOOFDSTUK.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DERDE HOOFDSTUK.
VIERDE HOOFDSTUK.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
Nimmer zal ik den indruk vergeten, dien, jaren geleden, het eerste bezoek aan België op mij achterliet.
In dien kring van studiegenooten der Gentsche hoogeschool, aan dien disch waar scherts de—Nederlandsche!—taal kruidde, onder het luisteren naar die zangstem die aanhief van „die nachtegael die sanc een liet,” zangstem die aan den schrijver van „De Nederduitsche geschriften van Marnix van St. Aldegonde” behoorde,—was de Leidsche student in den vreemde?
Wij van onze Leidsche tafel plachten toen een hoog woord te voeren—hooger dan ons toekwam, meen ik natuurlijk thans betamelijkerwijs—over kunst en literatuur. Hoe geleidelijk konden wij daarmee voortgaan te Gent. Zij hadden Couperus en van Deyssel gelezen, wij Buysse's pas verschenen „Recht van den Sterkste”.
Maar de reis ging verder België in, en wij bemerkten meer en meer hetgeen ons reeds te Gent niet verborgen was gebleven: dat „'t Zal wel gaan” een kleine minderheid vertegenwoordigde. Brussel, zijn schouwburgen en eethuizen waren Fransch. De dagbladpers, Fransch, en wat meer zegt, aan al wat Parijs betrof een onevenredige plaats inruimend, als ware Brussel geen centrum, maar provincie.
Wat viel er, buiten den kleinen kring van „'t Zal”, in België als Nederlandsch op? De taal der aflaatbeloften, waarmede de kerkwanden als overdekt waren, de schreeuwende aanprijzingen der wonderdoende kracht van dezen en gindschen heilige, patronen tegen buik- en kiespijn, de rijke sorteering in katholieke stuiversliteratuur achter de ongewasschen vensterglazen van boekwinkels van den vierden rang. De Belgische samenleving scheen van boven verfranscht en van onderen verroomscht. En welk een Roomschheid! In geen katholieke kerk in het Noorden—gloednieuwe gebouwen voor het meerendeel—verwacht of vindt men zóó gestelde aanplakbrieven.
Nederlandsch was er voor de opmerkingsgaaf van ons alledaagsche reizigers ook nog iets anders. Er moesten blijkbaar zoo iets als wetten bestaan ter bescherming van de rechten onzer taal in dit tusschenland. Allerlei mededeelingen aan het publiek, van heel of half ambtelijk karakter, waren in beide talen gesteld. Maar ons overstapje heette een „overeenstemmingskaart,” en, op de terugreis, konden wij aan den ingang van het Leopoldspark te Antwerpen de waarschuwing lezen: „verboden hier paarden in te sleepen.” Wij waren echter niet te paard. Doch stel u, ruiter-landgenoot, gerust. Komt gij ooit op uw bruin voor het hek, de andere helft van het bord, met zijn „défense d'entraîner des chevaux”, zal u de bedoeling volkomen duidelijk maken.
Een land van veel beloften en meer teleurstellingen;—met dezen indruk keerden wij naar huis.
Wij kenden echter België niet. Welke wartaal is niet, door eenweeksreizigers, over ons eigen Holland uitgeslagen?
Als wij later België bezochten, waren het andere zaken die wij zien wilden. En of die er zijn! Wat ben ik aan u, primitievenzaal van het Antwerpsch museum, verplicht; wat aan u, betooverde Brugsche grachten! Aan u allen, steden van het Vlaamsche land! De Hollander, die werk maakt van de geschiedenis van zijn eigen volk, kan u niet genoeg bezoeken. Uit Vlaanderen, of door Vlaanderen, is een groot deel van onze beschaving tot ons gekomen, en die zien wil, vindt in dit land van her- en doorkomst nog heden daarvan de sporen. En België is daarbij geen dood land, maar een dat in zijn heden ons in veel opzichten tot voorbeeld strekt. Zijn optreden op het wereldtooneel kan ons dikwijls beschamen. De kloekheid en het goed gevolg, waarmede dit volk zijn materieele belangen weet voor te staan in verre landen, blijven bij ons niet onopgemerkt; wij, die ons geboren kooplieden noemen, mogen de Belgen hun consulaatwezen benijden. De haven van Antwerpen leidt een zoo krachtig leven als één der onze, terwijl onze nijverheid bij de hunne niet in vergelijking komt. En dit bloeiend stoffelijk leven wordt geadeld door nieuwe werken van het oude kunstgenie. Zoo onze Israëls naam heeft, hoe staart de wereld bewonderend op Meunier! Hoe dun blijkt ook, bij beter kennismaking, het Fransche vernis over het Belgische karakter gespreid. Rodenbach en Maeterlinck, zij mogen dan naar Parijs zijn gegaan, zijn geen Franschen en schrijven niet als Franschen. En dan stegen, juist in de laatste jaren, uit de diepten van het Vlaamsche volksgemoed klanken voor ons op van zegevierende schoonheid. Jaren lang, onverstaan en ongeëerd, had daar in een hoek van West-Vlaanderen Guido Gezelle gedicht. Wie kende tien jaren geleden zijn naam? En thans mogen wij ons schier afvragen, of onze gansche, rinkelende „beweging van '80” iets heeft voortgebracht, dat niet door het werk van dezen eenzame wordt overschenen. Een eenzame? Bloem en dier, zon en kind kenden hem. En aan de zijne verwant is de loutere ziel van dien anderen grooten Vlaming, Edgar Tinel.
Wij Hollanders moeten weten wat dit wonderbare land is. Leeren wij de Belgen, zij ons niet kennen, licht zullen wij, bij de eerstvolgende nauwe aanraking, elkander kwaad doen in plaats van goed.
Er moet wel veel tusschen ons zijn, dat het ons zooveel moeite kost, elkander te vinden. Zóóveel punten waarop verstandhouding mogelijk schijnt, en toch nog zoo weinig vruchtdragende samenwerking. Ieder van ons blijft, in zich gesloten, zoo klein;—hoe zou het onzen gedachtenkring verruimen, indien wij ons aanwennen wilden, van weerszijden wat aanhoudender en wat scherper over de grens te zien. Het komt, bij eenig nadenken, toch waarlijk ongehoord voor, dat bij ons de aardrijkskunde van België, en ginder die van Nederland, onderwezen worden als die van een geheel vreemd land. Met de geschiedenis is het alleen in zooverre beter, dat de lotgevallen van het eene deel in de vijftiende en zestiende eeuw, en in de periode van '15 tot '30, niet verhaald kunnen worden zonder eenige vermelding van die der andere helft. Doch hoe staat het bij ons met de kennis van België's geschiedenis sedert den val van Antwerpen tot het Weener Congres, of van België's geschiedenis sedert 1830?
Ik zou het een goed denkbeeld, en mij dunkt uitvoerbaar achten, aan een Noordnederlandsche hoogeschool een leerstoel voor Zuidnederlandsche geschiedenis, aan een Zuidnederlandsche een leerstoel voor de geschiedenis van het Noorden op te richten. En mochten dan de titularissen vooral de geschiedenis na 1830 niet vergeten. Hun werkzaamheid zou kunnen en moeten opwekken tot kennismaking met het levende zusterland.
Doch ik kwam hier tot een praktisch voorstel, en dit is voorshands mijn doel niet. Ik wil, naar aanleiding van dit onafhankelijkheidsfeest, mij verdiepen in ons gezamenlijk verleden. De vroegere vereeniging, onder de Bourgondiërs, zal ik niet voorbijgaan, doch mij bepaaldelijk met de latere onder Willem I bemoeien. Met de oorzaken der scheiding, en met de omwenteling zelf, die nog altijd zoo verschillend en veelal met zoo weinig kennis van zaken beoordeeld wordt. Daarna zal ik trachten uit te drukken wat naar mijne meening ieder van ons thans is, en onderstellenderwijs spreken over hetgeen wij voor elkander zouden kunnen worden.
EERSTE HOOFDSTUK.
Inhoudsopgave
België en Nederland vóór de Vereeniging.
België vormt, ondanks zijn tweetaligheid, in veel hooger mate een eenheid dan men het zich dikwijls voorstelt. Om die eenheid te begrijpen moet men de geschiedenis van België raadplegen.
De oudste geschiedenis van België, waar die te vinden? Langen tijd heeft men haar inderdaad niet weten voor te stellen, en de oudste geschiedenis der Belgische gewesten voor geschiedenis van België gegeven. Tot Pirenne het meesterlijk boek schreef, waarvan de voltooiing voor Noord en Zuid beide van zooveel gewicht zijn kan. Een goede geschiedenis van België toch zal ons helpen, onze eigene beter te verstaan.
België geeft moeilijkheden genoeg. Half Waalsch, half Dietsch; half leen der Fransche kroon, half Rijksleen. Een horizontale linguistische, een vertikale politieke scheidslijn. En toch moet dit België een nationale geschiedenis hebben gehad, aangezien het eene natie is geworden.
De naam wijst tot Caesar's tijden terug. Toen waren de Belgen de noordelijkste Kelten op het vasteland, ongeveer van de Marne en de Moezel tot het eiland der Bataven wonend. Hun geheele gebied werd ingelijfd in het Romeinsche rijk; het vormde er het uiterste grensland van, dat het eerst weder verloren is gegaan. Ten gevolge der aanhoudende oorlogen met de volken van over den Rijn raakte het Noorden van het tegenwoordige België, tot den grooten heerweg van Keulen over Maastricht en Tongeren naar Doornik en Boulogne, nagenoeg geheel ontvolkt en werd door Germanen ingenomen. Ten Zuiden van de lijn Maastricht–Boulogne handhaafde zich de Keltoromeinsche bevolking in zoodanige dichtheid, dat de ook hier als enkele individuen, niet meer als volksmassa gevestigde Germanen, de taal der Keltoromeinen overnamen. Deze taalgrens in België, ontstaan omstreeks het jaar 430, heeft zich tot den huidigen dag zeer weinig verschoven.
Gelijk de taal, was ook de godsdienst van het laat-Romeinsche rijk uit het Noorden van België verdwenen. Niettegenstaande de bekeering van hun koning Clovis, bleven de Salische Franken heidensch in het land waar zij de eigenlijke bevolking van uitmaakten: aan den benedenloop van Schelde en Maas. Deze streken moesten later voor het Christendom worden teruggewonnen. Het is betrekkelijk laat geschied: de stichting van de eerste kerk, op de plaats waar later Gent verrees, door St. Amand is van 610, en dit was eerst het begin. De christianiseering van het geheele gebied van het huidige België was eerst omstreeks een eeuw later voltooid. Een feit van niet te onderschatten beteekenis nu voor de vorming der Belgische nationaliteit is het geweest, dat in het Germaansche Noorden geen zelfstandig bisdom ontstond. De noordelijkste bisdommen, welke voor den val van het Romeinsche rijk bestaan hadden, reconstitueerden zich eenvoudig en namen elk hun moot van het inmiddels Germaansch geworden Noorden terug: Tongeren (Maastricht, Luik) het land tot de Dijle, Kamerijk (Atrecht) dat tusschen Dijle en Schelde, Noyon (Doornik) dat van de Schelde tot het Zwin en de Noordzee, Terwaan het dal van de Yser. M. a. w. de bisdommen, die in hun traditiën teruggingen tot den Romeinschen tijd, zochten de grenzen op der oude Romeinsche provinciën en civitates: Tongeren besloeg het gebied van de gewezen civitas der Tungri en ressorteerde, als weleer die civitas, onder de provincie Germania inferior, m. a. w. onder Keulen;—Kamerijk, Noyon1) en Terwaan vertegenwoordigden elk een van drie vroeger bestaan hebbende civitates der provincie Belgica secunda (die der Nervii, Menapii en Morini) en ressorteerden onder het aartsbisdom dier provincie: Reims. De kerkelijke indeeling weerspiegelde dus, tot 1559 toe, die van den Romeinschen tijd, hoewel de oude stammen, wier grenzen de Romeinsche indeeling gevolgd had, lang verdwenen waren. Nu lagen al deze vier bisschopszetels bezuiden de taalgrens: m. a. w. de hoofdsteden van de aanvankelijke beschaving der gezamenlijke Zuidnederlanders lagen in Franschsprekend gebied. Dáár verrezen hun kathedraalkerken, dáár werd hun geestelijkheid opgevoed, dáár bevonden zich de grootste abdijen2). Elke diocees, van uit Waalsch gebied bestuurd, had zoowel Dietschers als Walen onder hare geloovigen. Hierdoor werden de Dietsche Belgen als uit de Germaansche volkerengemeenschap afgescheiden en met hun aangezicht naar het Zuiden getrokken, of liever, zij werden in die laatste houding, welke zij op het oogenblik der christianisatie, als uit het Noorden gekomen veroveraars, uit den aard der zaak innamen, voor goed in de geschiedenis vastgelegd. Geheel anders is het uitgangspunt der geestelijke ontwikkeling van het Noorden geweest. Daar ontbrak de mogelijkheid, bij overleveringen uit den Romeinschen tijd aan te knoopen, en vormde Utrecht een locaal en tegelijkertijd nationaal middelpunt.
Wij hebben hier met een inderdaad gewichtig verschil tusschen de ontwikkeling van Noord en Zuid te doen, een verschil dat uit oude, grootendeels aardrijkskundige oorzaken is te verklaren.
De 's-Heerenbergsche, Veluwsche en Nijmeegsche hoogten vervullen in de geschiedenis van Groot-Nederland een belangrijke rol. Zij noodzaken Maas en Rijn die richting naar het Westen te nemen, die beider delta doet samenvallen met die der Schelde, en aldus het geheel van Noord-Nederland tegen het Zuiden door breede wateren afsluit. Hadden Maas en Rijn hun oorspronkelijke richting behouden, ware alzoo de Maas bij Emmerik in den Rijn, de Rijn, zonder delta te vormen, bij het Vlie in zee geloopen, er zou wel geen afzonderlijke Noordnederlandsche geschiedenis bestaan hebben. Groot-Nederland zou ten tijde van Caesar Keltisch zijn geweest, en na hem Romeinsch. De natuur heeft echter deze streken tot verbrokkeling en verscheidenheid voorbeschikt. De Germanen, die ten tijde der Merovingers het grootste deel van de gezamenlijke bevolking der latere zeventien provinciën uitmaakten, waren deels op oud-Romeisch, deels op oud-Germaansch gebied gezeten, en een groot stroomstelsel scheidde beide helften vaneen. Terwijl de noordelijke helft zich geheel als Germaansch gebied ontwikkelen kon, zag het Zuiden zich door de historie tot taak gesteld, uit verschillende bevolkings- en beschavings-elementen een harmonie op te bouwen.
Dit Zuiden, land van overgang tusschen de Romaansche en de Germaansche nationaliteit, werd het tegelijk tusschen twee politieke werelden. De Neustrisch-Austrasische grens, die meer naar het Zuiden in hoofdzaak met de taalgrens samenviel, sneed deze laatste in België rechthoekig, zoodat de diocesen van Kamerijk, Noyon en Terwaan, m. a. w. België bewesten de Dijle, aan Neustrië bleven. Een grens die herleefde na Karel den Groote, met deze wijziging, dat ditmaal het land tusschen Dijle en Schelde aan Lotharingen kwam, zoodat alleen Vlaanderen en Artois tot het Westfrankische rijk bleven behooren. Maar ook deze tweede, naar het Westen verlegde, staatkundige grens sneed de onveranderd gebleven taalgrens rechthoekig. Zoowel de Vlaamsche als de Lotharingische helft van België hadden dus een gemengd Waalsch-Dietsche bevolking. Van de territoriale staten, die in de middeleeuwen op Belgischen bodem ontstonden, waren de gewichtigste: Vlaanderen, Brabant, Luik, alle in hetzelfde geval.
Ware nu België gebleven in de positie die het ten tijde der Romeinen innam: van uitersten voorpost eener beschaving die in het Zuiden haar middelpunt had, van grensland dus tegen een noordoostelijk barbarendom, de zuidelijke beschavingselementen zouden het land geheel aan zich onderworpen en de ingedrongen bevolking van Dietschen stam onvermijdelijk opnieuw geromaniseerd hebben. Doch dit is verhinderd door de Karolingen, die de grens van Europa van den Rijn naar de Elbe hebben verlegd. Van grensland tegen de barbaren werd België overgangsland tusschen twee beschavingsgebieden. Zijn cultuur is hierdoor tegelijk een zeer bizondere en een zeer Europeesche geworden. Hadde het onverbrokkeld voortbestaan van het rijk van Karel den Groote tot de mogelijkheden behoord, het land van Keulen tot Luik zou een centrale positie hebben ingenomen: de blijkbare voorkeur van Karel voor Aken wijst daarheen, en reeds begon tijdens zijn regeering de Luiksche school een Europeesche vermaardheid te verkrijgen. Het vreemdelingenverkeer, de handelsbeweging namen in deze voor korten tijd nog als half barbaarsch geldende streken zeer snel toe. De oude heerweg van het zeestrand naar Keulen wemelde van volk uit alle oorden der Christenheid. Het Friesche laken werd een wereldartikel. Naar die van Dorestat zijn de oudste munten van Zweden en van Polen gevolgd. Een bloei die dien der zestiende eeuw als voorspelt, wanneer, onder Karel V, een gedeelte der politieke voorwaarden, die onder Karel den Groote de snelle ontwikkeling dezer landen mogelijk maakten, weder vervuld zijn. Hoe kort dan ook deze eerste tijd van opbloei geduurd moge hebben, hij blijft een teeken tot welke rol aardrijkskundige ligging en bevolkingsmenging deze landen als aanwezen. Het Karolingisch, universeel karakter dezer oud-Nederlandsche beschaving is, hoe ook verduisterd, nimmer geheel te gronde gegaan3).
De eerstvolgende tijd was nagenoeg geheel de negatie van den Karolingischen. De Noormannen verwoestten de beschaving, de eenheid des rijks ging verloren, de groote trek van Karels tijd schijnt geheel uit de geschiedenis te verdwijnen. Het is de geboorte der territoriale staten, die thans om onze aandacht vraagt.
In het Westfrankische deel van België ontstaat één machtige leenstaat: Vlaanderen. Het is een groote dwaling, op den naam „Vlaamsche beweging” af, dezen staat als een oorspronkelijk Dietschen te beschouwen. Hij was tweetalig: van het Zwin tot de Canche (bezuiden Boulogne) uitgestrekt, is het zeer de vraag, of hij oorspronkelijk meer Dietsche dan Waalsche bevolking geteld heeft, en het Waalsche Zuiden was eeuwen lang het hooger ontwikkelde deel. In Lotharingen, waar de proefneming met een het gansche gebied omvattend hertogdom mislukt (navolging van de groote Duitsche hertogdommen, maar niet als deze in de historie geworteld), is het woord aan de bisschoppen en aan de locale wereldlijke dynasten. Aanvankelijk is de Duitsche staatkundige invloed op het tot Duitschland gerekende deel oneindig sterker, dan die der Capetingers op Vlaanderen, en geniet dus deze laatste staat een veel grooter zelfstandigheid, dan de naburen van over de Schelde. Later zijn deze verhoudingen omgekeerd. Het Duitsche koningschap krimpt in tot een naam, het Fransche wordt een krachtige werkelijkheid. Brabant, Luik, Henegouwen, Holland ontwikkelen zich in een vrijheid, die slechts door de verhouding van nabuurschap waarin zij tot elkander en tot Vlaanderen staan, is beperkt: Vlaanderen staat bloot aan de volle macht van den Franschen koning.
Het is in de dertiende eeuw, van den slag bij Bouvines tot dien der Gulden Sporen, dat deze zich het krachtigst gelden laat. Artois wordt van het graafschap afgerukt. In gansch België, ook in de helft die in naam tot het Duitsche Rijk behoort, heeft het huis Capet zijn betrekkingen. Het wordt op een inlijving toegelegd, en Philips IV de Schoone komt dit doel zeer nabij. In het jaar 1300 scheen de wereld Vlaanderens ondergang te beleven. Het land, in zichzelf ten heftigste verdeeld, viel zonder eer en haast zonder strijd. De graaf gaf zich gevangen, zijn leen werd aan de kroon vervallen verklaard en door een luitenant des konings bestuurd. Tegelijkertijd erfde het met Frankrijk eng verbonden huis van Avesnes, dat in Henegouwen regeerde, Holland en Zeeland. Uitbreiding van Frankrijk noordwaarts tot den Rijn scheen in de naaste toekomst te wachten.
Doch dit was buiten de Vlaamsche poorters gerekend, die in den Sporenslag Vlaanderen en daarmede België hebben gered. Om over den graaf te zegevieren, had Philips een verbond moeten sluiten met de stedelijke aristocratie. De Fransche overwinning deed zich derhalve in de Vlaamsche steden, die in den loop der dertiende eeuw het krachtigste element in den staat waren geworden, als een gebeurtenis voor van maatschappelijke strekking, waartegen de arbeidende bevolking zich verhief. Philips de Schoone schijnt, bij zijn bezoek aan Gent in 1301, het gevaar van deze verhouding te hebben ingezien, doch een verbond met de stedelijke democratie streed tegen de gansche overlevering der koninklijk-Fransche staatskunst. De verblinding van den koninklijken stadhouder deed het overige. Een opstand verdrijft hem uit het land, de graaf wordt teruggeroepen; bij Kortrijk verslaat het Vlaamsche volk den Franschen adel. Een woedende krijg volgt, die niet ten onrechte bij de oorlogen der Fransche omwenteling is vergeleken, waarin eveneens een volksmassa, met opofferingen waartoe geen gevestigde regeering in staat is een nieuwe vechtwijze toepassend, in den aan een verouderde organisatie vasthoudenden tegenstander tegelijk een maatschappelijke macht uit het eigen land overwint. Slechts Waalsch-Vlaanderen bleef in het bezit des konings; de rest van het graafschap herwon zijn onafhankelijk bestaan.
Het was tegelijk de mogelijkheid eener zelfstandige Belgische beschaving, die bij Kortrijk werd gered. Het universeel karakter, dat België van den Karolingischen tijd af eigen was, had zich, verzwakt, toch nog altijd gehandhaafd, en bij de groote Europeesche onderneming der middeneeuwen, de kruistochten, had het land van zijn nut voor Europa een schitterende proef kunnen afleggen. Het is voorzeker geen toeval, dat Lotharingische edelen bij de tochten naar het Heilige Land zulk een groote rol gespeeld hebben. Godfried van Bouillon, de tijdgenoot vermeldt het uitdrukkelijk, werd aan het hoofd van den eersten kruistocht gesteld, omdat hij opgevoed was aan de grens der Romaansche en der Duitsche volken, en beider talen sprak. Onder bisschop Notker (972–1008) en nog lang daarna was Luik het middelpunt der Europeesche geleerdheid. Beroemde bisschoppen van Salzburg, van Verdun, van Utrecht hebben daar hun vorming gehad; vermaarde onderwijskrachten der Luiksche school hebben college gegeven te Mainz, te Brescia, te Parijs. Een van de eerste schrijvers en wellicht de beste geschiedschrijver der 11de eeuw is een Belg: Sigebert van Gembloux. De kloosterhervorming van Cluny, en de treuga Dei, zijn door België heen aan Duitschland bekend geworden. In omgekeerde richting drong de stijl der groote Romaansche bouwwerken aan den Rijn door Lotharingen, waar Sint-Servaas en Onze Lieve Vrouw van Maastricht, Onze Lieve Vrouw van Roermond, drie Luiksche kerken tot deze periode behooren, tot Doornik door, en werd daar onder plaatselijke en zuidelijke invloeden tot een gewijzigd Rijnsch-Romaanschen stijl, die weder een groote verbreiding in Noord-Frankrijk heeft gehad.
Deze bedrijvigheid echter van Lotharingen hing ten nauwste samen met den bloei en de kracht van het Oostfrankische, Duitsche, Rijk, waarin zich de Karolingische traditie veel zuiverder scheen te handhaven dan in het aan de feodaliteit vervallen Westfrankische. Het waren met name de bisschoppen die in Lotharingen het keizerlijk gezag en tevens het daarbij behoorend ideaal van op het universeele gerichte beschaving vertegenwoordigden. Doch de toekomst behoorde niet aan dit nieuwe, op oud-Rome geïnspireerde universalisme, zij behoorde aan de nationaliteiten, die thans bezig waren zich, in haar ware karakter nog weinig opgemerkt, uit de wereld der feodaliteit te kristalliseeren. Ook in Lotharingen was, als in Duitschland over het geheel, ten leste de feodaliteit meester geworden, en in den strijd tegen haar en tegen de Kerk ging het oude keizerlijk gezags- en beschavingsideaal nagenoeg geheel te gronde. De bisschoppen worden, in stede van keizerlijke ministers, feodale heeren, uit den omliggenden adel voortgekomen en van gelijke beweging als hij;—de hertogstitel van de wereldlijke vertegenwoordigers der keizerlijke macht in Neder-Lotharingen wordt een twistappel tusschen twee inheemsche gravenhuizen, en verliest ten slotte elke beteekenis dan die van ornament. Daarentegen komt in Frankrijk de eerste modern-Europeesche natie op, en in het Fransche koningschap de eerste moderne centralisatie van staatkundige macht. De 12de eeuw reeds ziet den overwegend Duitschen invloed in België door een overwegend Franschen vervangen; in de 13de eeuw heerscht de Fransche invloed schier onbeperkt. De Lotharingische feodale heeren vergeten dat zij tot het Rijk behooren; de Keizer is hun een legende, de nabijzijnde koning van Frankrijk een geduchte werkelijkheid. De staatkundige grenslijn die België van Noord naar Zuid deelde had geen beteekenis meer. Of de andere grens, die van West naar Oost, de taalgrens, zich zou kunnen handhaven? Het Vlaamsche hof van Philips van den Elzas en van de Dampierre's is geheel verfranscht, Fransch is de taal van de ridderlijke beschaving die uit het Zuiden doordringt en de Belgische aristocratie geheel aan zich onderwerpt. Sint-Omaars ging in de 13de eeuw voor het Dietsche taalgebied verloren, tijdelijk zelfs Yperen. Onder het patriciaat van Gent en Brugge nam het Fransch over de hand toe, eveneens aan het hertogelijk hof van Brabant. Nieuwe monniksorden, uit het Zuiden gekomen, werken aan de verbreiding van het Fransch mede. De rol van Luik als wetenschappelijk centrum is uitgespeeld. Het licht komt van Parijs. België zou geheel gefranciseerd zijn geworden, indien niet de gunstige geographische ligging intusschen ook de Dietsche bevolking tot grooter activiteit gewekt en daarmede haar weerstandsvermogen verhoogd had.
Na de invallen der Noormannen, die, met Dorestat, Witlam en Sluis, den oud-Nederlandschen handel verwoestten, was aanvankelijk de landbouw het eenig middel van bestaan geweest. Doch het kon niet anders, of een land gelegen als België moest den Europeeschen handel, zoodra hij weder ontstond, tot zich trekken. Voor de opkomst van Brugge in het bijzonder werd de verovering van Engeland door de Normandiërs van veel gewicht, die door een groote emigratie van het vasteland naar het eiland gevolgd werd. Brugge, door zijn ligging daartoe aangewezen, werd de plaats vanwaar de wijnen, de Schelde af uit Frankrijk, den Rijn af uit Duitschland gekomen, naar Engeland werden overgescheept. Uitvoer van producten des lands, als Doorniksche gehouwen steen, Vlaamsch linnen en laken, was spoedig het gevolg. Het laken vooral, waarvan de bereiding sedert de dagen der Morini in het wolrijke Vlaanderen inheemsch was, werd spoedig weder een artikel voor de Europeesche markt, zoozeer, dat men aan den voorraad eigen wol niet genoeg had, en deze uit naburige landen, ook over zee, moest worden aangevuld. Naast de klasse der kooplieden scheidde zich uit de massa der bevolking een afzonderlijke klasse van wolwevers af, die zich ophoopten op zoodanige plaatsen waar zij hun product het snelst en voordeeligst van de hand konden zetten. Ook andere locale industrieën, als de metaalbewerking van Hoei en Dinant, werden door de gunstige voorwaarden, welke de nabijheid der groote handelscentra aanbood, tot ontwikkeling gebracht. Langer heeft het geduurd, eer ook het tusschen de waterwegen in gelegen Brabant in deze beweging werd opgenomen; het bleef tot in de 12de eeuw bij uitsluiting een land van akkerbouw. Toen echter eenmaal het verkeer van den Rijn naar Brugge zulk een omvang had aangenomen dat het aan den waterweg niet meer genoeg had, maar zich bovendien van den overlandweg (Keulen–Maastricht–Leuven–Brussel–Aalst–Gent) begon te bedienen, brak ook voor Brabant een nieuwe tijd aan. Het verkeer van Keulen naar Brugge overland ging weldra het verkeer langs den waterweg verre te boven, een feit dat gelijkelijk den snellen aanwas der Brabantsche steden en van Gent, en het verval van Tiel en het achterblijven van Holland verklaart.
De groote vlucht die de lakennijverheid nam, bepaalde zich aanvankelijk volstrekt niet tot het Dietsche gedeelte van Vlaanderen. De lakens van Atrecht, van Rijsel, van Douai waren even beroemd als die van Yperen of Gent, en behalve naar Brugge, werden de producten der nijverheid ook in groote hoeveelheden naar de jaarmarkten van de Champagne uitgevoerd, voor welken handel de zuidelijke fabriekssteden het gunstigst lagen. Doch gaandeweg verliepen deze jaarmarkten en kwamen de vreemde kooplieden uitsluitend te Brugge zich van lakens voorzien. Er had zich namelijk een directe scheepvaart zoowel van Noord- als van Zuid-Europa naar de Brugsche haven ontwikkeld, die meer en meer het karakter verkreeg van een wereld-entrepôt. De oorspronkelijke eigen scheepvaart verviel, maar daarentegen werden de handelsoperatiën zoozeer te Brugge geconcentreerd, dat de naastbijgelegen fabriekssteden de verder afgelegene overvleugelden. Eindelijk werd, door de inlijving van Waalsch-Vlaanderen bij Frankrijk, de nijverheid der Waalsche steden zoowel van haar uitvoerhaven als van haar grondstof, de Engelsche wol, verstoken. In het Dietsche Noorden bloeide zij voortaan des te meer.
Natuurlijk is deze toenemende bloei van Dietsch-Vlaanderen van invloed geweest op het behoud en de ontwikkeling der Dietsche taal. De kleine klasse der „ledichgangers” mocht verfranschen, de groote massa der nijvere bevolking bleef Dietsch. Hoe zou het anders? Het was geen ingevoerde, het was een overoude, ter plaatse zelf ontstane nijverheid waarmede zij haar brood verdiende. De taal, met de maatschappelijke ontwikkeling medegegroeid, voldeed aan de eischen van leven en bedrijf; er was geen tijd, geen noodzaak om een vreemde cultuur aan te nemen. Een geheel burgerlijk, geheel wereldlijk beschavingsideaal nam het hart in. Het vervult den eersten dichter dien deze maatschappij voortgebracht heeft.
Al heeft een sot op thoeft gescoren
Ene breede crune toten oren
Hines te vroeder niet een saet.
En elders, in den Eersten Martijn, het thema:
Edelheit begint noch heden.
Na zijn overwinning van 1302 neemt de Vlaamsche burgerman de geheele breedte van het tooneel in, of tracht het althans te doen. De Gentsche republiek verduistert het graafschap, Artevelde den landsheer. Maar het zijn slechts gemeentebelangen, die hem bewegen. Zoodra zijn dictatuur gevestigd en hij voor het landsbestuur aansprakelijk geworden is, heeft hij niets dringenders te verrichten dan ten bate van Gent de lakenweverij van Dendermonde te vernietigen. Onder den kreet van „heer ende wet” staan die van Oudenaarde tegen hem op. Niet eenmaal in de eigen stad weet hij zijn gezag te handhaven: de wevers, met wier hulp hij machtig geworden is, bezorgen hem, in de persoon van hun deken, een mededinger. Met Eduard III meent hij te handelen als met een gelijke, maar Gent is oneindig meer afhankelijk van den invoer der Engelsche wol, dan Engeland van den vrijen afzet van slechts één van haar producten. De val van Artevelde bewijst, dat het Vlaamsch-burgerlijk belang zichzelven in de wereld niet voldoende kon beschermen. De toekomst was aan de eenige waarlijk representatieve macht: aan den landsheer.
Is voor de nieuwere historische kritiek de heldenfiguur, die de romantiek van Artevelde gemaakt heeft, niet bestaanbaar gebleken, zeer heeft zij den roem verhoogd van den veelgesmaden Lodewijk van Male. Geen held doopt zij hem, maar een zeer helderziend en zeer bekwaam vorst, voorlooper der Bourgondiërs. De economische belangen van het land vinden in hem een zoo goed verdediger, dat hij de stedelijke aristocratie, vroeger de grootste vijandin der grafelijke macht, voor zich wint; in ruil verzekert hij haar bewind tegen de aanslagen van den arbeidenden stand. De naijver der steden tegen elkander neemt, althans bij de regeerende klasse, sterk af. Tegenover de gedurig zwaarder wordende mededinging der Engelsche nijverheid hebben de Vlaamsche steden behoefte aan den steun der landsheerlijke macht. Onder 's vorsten bescherming wordt de lakenindustrie ook in een aantal dorpen gevestigd; de wol- en lakenhandelaars, die voor een goed deel de stedelijke aristocratie uitmaken, ondervinden daar geen nadeel van, wel de arbeidende klasse in de groote steden. Naast de „drie leden van Vlaanderen”, Gent, Brugge, en Yperen, doet Lodewijk van Male als vierde vertegenwoordigend lid het zuiver landbouwende Vrije van Brugge opnemen. In zijn „audiencie” schept hij een centraal orgaan voor regeering en rechtspraak, gelijk later de Bourgondiërs zouden doen in andere provinciën. En al is deze instelling van Franschen oorsprong, zij werkt er in de toepassing niet minder nationaal om. De leden van het college zijn landskinderen; van de 690 acten, in het eerste deel van het Cartulaire de Louis de Male gedrukt, zijn er 9 in het Latijn, 264 in het Fransch en 417 in het Vlaamsch. Gelijkelijk steun zoekend bij de gegoede burgers, den adel en den landbouwenden stand, is zijn staatkunde vooral op het bedwingen der arbeidersklasse gericht, wier politieke invloed gebleken was de maatschappij als geheel niet te kunnen leiden. Een laatste geweldige opstand beslist tusschen de monarchie en het stands- en stadsparticularisme; de algemeene deelneming van Europa bewijst, hoe groot gewicht ook voor anderen de afloop van dezen strijd werd geacht te zullen hebben. Het is minder een stad dan wel een enkele klasse van haar bevolking die den strijd voert. Te Brugge vereenigen zich allen tegen het eene weversambacht, dat daar bij lange na zoo talrijk niet is als te Gent, en brengen de stad onder de gehoorzaamheid van den graaf terug. Nu wordt het gansch Vlaanderen tegen de Gentsche wevers. Zij houden Gent twee jaar lang en verrassen zelfs weder Brugge, waar op de gegoede burgers een bloedige wraak genomen wordt. Op Dendermonde en Oudenaarde na, maakt Gent zich meester van het geheele graafschap; de landsheer moet een Fransch leger te hulp roepen, om zijn stad te kunnen overwinnen. Bij Roosebeke ontmoeten de legers elkander, maar de geest van Kortrijk was niet vaardig meer over de Vlamingen. Een groot deel van hun gepreste krijgsmacht diende de Gentenaars onwillig, en verliet hen bij het aangaan van den slag, die in een nederlaag der witte kaproenen eindigde. Maar de stad zelf hield zich overeind, nog drie jaar lang, en Lodewijk van Male stierf eer hij haar ten onder gebracht had. Zijn schoonzoon en opvolger, Philips de Stoute van Bourgondië, zag zich tot onderhandelen genoopt, wilde hij niet met zijn graafschap een oorlog beërven. Tot den prijs eener volledige amnestie en van bevestiging der stadsprivilegiën onderwierp zich Gent op den 18den December 1385. Met dien datum eindigen voor Vlaanderen de middeleeuwen, die voor gansch België ten einde spoedden.
Lodewijk van Male was, behalve op bevestiging van zijn gezag in het graafschap, ten zeerste op versterking zijner huismacht uit geweest, doch hij had geen zoons, en werkte dus voor anderen. Hij had, ten nadeele van de zuster zijner vrouw, de hertogin van Brabant, zijn gebied met Mechelen en Antwerpen vergroot, en beheerschte dus den geheelen loop der Schelde. Voorts was zijn doel om Artois, door Philips August, en Waalsch-Vlaanderen, door Philips den Schoone aan Vlaanderen ontrukt, weder met zijn graafschap te vereenigen. Het eerste middel dat hij hiertoe bij de hand greep, was de verloving van zijn eenige dochter Margaretha met Philips van Rouvre, hertog en graaf van Bourgondië, graaf van Artois. Een huwelijk dat twee van de drie groote dynastieën, die in Frankrijk nog nevens de koninklijke bestonden: die van Vlaanderen, Bourgondië en Bretagne, vereenigen moest, en wel juist de twee wier landen zich het best er toe leenden om de basis uit te maken van een geduchte, tusschen Frankrijk en Duitschland ingeschoven territoriale macht. Maar vijf jaar na de verloving stierf Philips van Rouvre. Artois en het graafschap Bourgondië vielen aan diens moei, de moeder van Lodewijk van Male ten deel; het hertogdom Bourgondië kwam aan de Fransche kroon. Koning Jan beleende er zijn derden zoon mede, Philips den Stoute. Diens broeder, koning Karel V, bevorderde, om Vlaanderen buiten verbond met zijn Engelschen vijand te houden, zelf het huwelijk van Philips met de dochter van Lodewijk van Male, en gaf zelfs bij deze gelegenheid Rijsel, Douai en Orchies aan Vlaanderen terug (1369). In 1384, bij den dood van Lodewijk van Male, zag dus Philips Vlaanderen met Mechelen en Antwerpen, Artois, Nevers, Réthel, Bourgondië en het graafschap Bourgondië in zijn bezit vereenigd. Oom van Karel VI van Frankrijk en diens invloedrijkste raadsman, kon hij over de gansche hulpmiddelen van het koninkrijk ter bevordering zijner bizondere oogmerken beschikken. Hij had daarmede een reusachtigen voorsprong op de beide andere huizen die hem het bezit der Nederlanden wellicht zouden kunnen betwisten: het Beiersche en het Luxemburgsche.
Ongetwijfeld heeft Karel V, toen hij den jongeren tak van zijn huis den weg naar het Noorden wees, gemeend zoodoende het „Vlaamsche gevaar” het best te zullen bezweren. Philips de Stoute heeft zich dan ook nog wel degelijk Franschman gevoeld, maar sedert de Bourgondiërs in de Nederlanden grooter gezag verkregen, konden zij bezwaarlijk Franschman blijven: daartoe waren de Nederlanden te zeer een wereld op zich zelf. Al dadelijk was Philips, door zijn bezit van Rijks-Vlaanderen en van Franche Comté, leenman van het Rijk zoo goed als van de Fransche kroon; hij was ook erfgenaam van al de betrekkingen en belangen van het Vlaamsche graafschap, die voor een groot deel over de Henegouwsche, Brabantsche, Hollandsche grens wezen. Nauwelijks een jaar na den dood van Lodewijk van Male gelukte hem een meesterlijke zet, waarbij de belangen der Fransche kroon weder evenzeer schenen te zijn gebaat, als de persoonlijke belangen van Philips zelf. Engeland bereidde, om in Holland een vergoeding te vinden voor wat het in Vlaanderen op het vasteland verloren had, een huwelijk voor van den zoon van hertog Albrecht van Beieren met de dochter van den hertog van Lancaster. Het gold nu, het huis Wittelsbach, door aanbieding van grooter voordeelen, aan de Fransche zijde te trekken. Hiertoe werden drie huwelijken tegelijk voorgeslagen: van Jan (zonder Vrees), zoon van Philips den Stoute, met Margaretha, dochter van Albrecht; van Margaretha, dochter van Philips, met Albrechts zoon Willem; eindelijk van Elisabeth (Isabeau) van Beieren met den jongen koning van Frankrijk, Karel VI, zelf. Deze huwelijken kwamen alle drie in 1385 tot stand. Zij bezorgden het huis Bourgondië een overwegenden invloed in de Beiersche bezittingen en in de gansche Nederlanden. In 1390 stond de oude hertogin van Brabant, Johanna (met verscheuring van een vroeger verdrag, dat de opvolging toegezegd had aan het geslacht van haar thans overleden Luxemburgschen gemaal) haar hertogdom, onder beding van vruchtgebruik en uitoefening der heerschappij tot haar dood voor zichzelve, aan Philips, echtgenoot van hare nicht Margaretha van Vlaanderen, af. Hiermede werd niet slechts de val van het Luxemburgsche huis in de Nederlanden bezegeld, maar ook de feitelijk sinds lang bestaande vervreemding der oud-Lotharingische Nederlanden van het Duitsche Rijk. Johanna toch had over haar hertogdom beschikt als over allodiaal goed. Deze beschikking werd genomen met goedvinden van de Staten van Brabant, tegenover welke Philips dezelfde tegemoetkomende houding aannam als in 1385 tegenover de stad Gent. Had hij toen alle privilegiën bevestigd en toegezegd dat de Fransche kanselarij zich in brieven aan de stad van de Vlaamsche taal zou bedienen, thans had hij de hereeniging van Antwerpen en Mechelen met Brabant beloofd, en tevens dat Brabant zijn bijzonderen vorst zou behouden. Zijn tweede zoon Antonie zou in Brabant en Limburg regeeren. Deze is Johanna van Brabant opgevolgd bij haar dood in 1406.
Niettegenstaande den schijn, die hem als den bewusten grondlegger eener Nederlandsche macht kan doen voorkomen, is Philips de Stoute echter bovenal Fransch prins van den bloede geweest. Zijn hoofddoel was, zich en zijn nakomelingen het overwicht te verschaffen over de factie van zijn neef, den hertog van Orleans, en zijn vergrooting in de Nederlanden was hem een middel om dit doel te bereiken. Gewoonlijk verbleef hij òf aan het Fransche koningshof, òf in het verre Bourgondië. Vlaamsch heeft hij niet gekend. Maar zijn werk, het moge aaneenhangen van huwelijken en onderhandelingen tusschen vorsten, was niet ondernomen zonder rekening te houden met de neigingen der bevolking zelve. Geen oogenblik heeft, na Johanna's dood, Brabant er over gedacht, aan de reclamatiën van Ruprecht van de Palts, die het hertogdom aan het Rijk vervallen verklaarde, gehoor te verleenen. En meer dan reclameeren kon de Duitsche Keizer niet.
Philips' groote tegenstander, de hertog van Orleans, trachtte hem na te volgen en ook in de Nederlanden vasten voet te verkrijgen. Hij sloeg het oog op Luxemburg en op Gelder; pogingen, die mede Jan zonder Vrees er toe zullen gedreven hebben hem te doen vermoorden (1407). Twee jaar later sneed het huwelijk van Antonie van Bourgondië met Elisabeth van Görlitz, hertogin van Luxemburg, aan hernieuwing van dergelijke pogingen den pas af. Gelijk deze echt de Luxemburgsche, moest die van Antonie's zoon Jan met Jacoba van Beieren (1418) de Beiersche erfenis in de Nederlanden aan het Bourgondische huis verzekeren. Een jaar na dit laatste huwelijk had een gebeurtenis plaats, die in de positie van het huis van Bourgondië een groote verandering te weeg bracht: de moord van Jan zonder Vrees op de brug bij Montereau.
De misdaad, waaraan Jan zich in 1407 had schuldig gemaakt, had hem het gouvernement van het koninkrijk niet in handen geleverd. In 1411 was de hevige burgeroorlog der Bourguignons en Armagnacs uitgebroken, waarin beide partijen Engeland op hun hand zochten te krijgen, en waarin de dauphijn, zoon van Karel VI, de zijde der Armagnacs hield. Het was na een mondgesprek met den dauphijn, dat Jan zonder Vrees werd vermoord. Voortaan is de Bourgondische macht zonder terughouding aan de koninklijk-Fransche vijandig; de dubbelzinnige verhouding, waartoe Philips de Stoute den grond gelegd had, heeft tot een geweldige ontknooping geleid, die geen verzoening meer toelaat. Aanstonds verbindt zich Jans opvolger openlijk met den landsvijand; bij het verdrag van Troyes erkent hij Hendrik V van Engeland als koning van Frankrijk. Hij breekt met de houding van vazal; weldra zal hij voor zijn gezanten rang eischen onmiddellijk na dien der koningen.
De Fransche geschiedschrijving stelt in den regel het gansche gedrag van Philips den Goede als een gevolg van wraakzucht over den moord zijns vaders voor. De moord was evenwel niet meer dan de laatste aanleiding tot een beslissing, die toch niet uit zou hebben kunnen blijven. De jonge Philips was reeds meer te Gent dan te Parijs opgevoed; aanhoudend meer vorderden de Nederlandsche zaken, waarmede de Bourgondiërs zich zoo diep hadden ingelaten, de aandacht van een geheelen mensch. Bij den dood van Hendrik V weigert Philips de waardigheid van regent van Frankrijk, die hij aan den hertog van Bedford overlaat (1422). Terwijl Engelschen en Franschen hun zaak uitvechten, verwerft Philips zich Henegouwen, Holland en Zeeland (regeering in 1428, titel in 1433), Brabant en Limburg (1430, dood van Philips van St. Pol, tweeden en laatsten zoon van Antonie van Bourgondië). In 1421 had hij de opvolging in Namen gekocht, dat hem acht jaar later dan ook toeviel; te Utrecht was zijn invloed overwegend; in Gelder had hij een partij; over de bisdommen Kamerijk en Doornik beschikte hij naar welgevallen. In Luxemburg nam de oude hertogin Elisabeth hem voor momber aan (1441); na haar dood in 1451 volgt hijzelf op. Buiten het Bourgondisch gezag blijven voorshands nog alleen de noordoostelijkste Nederlanden. De grondslag voor een nieuwen Europeeschen staat, met Brussel tot hoofdstad, schijnt gelegd. In 1435 sluit Philips vrede met Karel VII, maar als met een buitenlandsche macht. Hij zal den koning voor de Fransche leenen die hij bezit of bij het verdrag verkrijgt, geen hulde behoeven te doen, en de door den koning uitgeschreven belastingen zullen niet geheven worden in de landen van Philips. Deze afval van het verdrag van Troyes berokkent hem een oorlog met Engeland, dat wel Calais tegen hem behoudt, maar geen vasten voet in Philips' eigen bezittingen weet te verkrijgen. In 1439 wordt de vrede gesloten. In 1440 eindelijk begint de regeering van een Keizer, die, anders dan de Luxemburger Sigismund, tegen de usurpatie der Nederlandsche rijksleenen door Bourgondië zich niet langer met machtelooze protesten verzet. Europa heeft, uitdrukkelijk of feitelijk, de nieuwe macht erkend. In 1447 onderhandelt Philips met Frederik III over de oprichting van een koninkrijk. De zaak gelukt niet, maar ieder weet dat de hertog van Bourgondië in aanzien menig koning der Christenheid overtreft.
Terwijl Bourgondië zich aldus zelfstandig maakt, wordt de staatkunde der Fransche kroon in de eerste plaats anti-Bourgondisch. Doch zij wordt verlamd door de oneenigheid tusschen Karel VII en zijn zoon Lodewijk, die de vlucht neemt naar zijn Bourgondischen verwant, en daar 's konings dood verbeidt. Het schijnt een oogenblik of de vroegere dubbelzinnige toestand nog eenmaal zal kunnen intreden, wanneer met Lodewijk XI een creatuur van den hertog van Bourgondië den Franschen troon bestijgen zal. Doch Lodewijk, eenmaal koning, heeft dergelijke verwachtingen te schande gemaakt. Valois en Bourgondië vertegenwoordigden voortaan onherroepelijk verschillende landen met verschillende belangen.
De Bourgondische bezittingen waren rijk genoeg, om Karel den Stoute in staat te stellen zich tegenover Frankrijk te handhaven, en zelfs om naar de Rijkszijde zijn gebied verder uit te breiden. Het gedeelte zijner rustelooze werkzaamheid, dat, als de bemoeiingen in Luik en in Gelder, als de uitvoering van het program zijns vaders kan worden beschouwd, heeft dan ook zeker zijn val niet veroorzaakt. Maar Karel ging, in dolzinnige haast, de grenzen eener aan een opkomende dynastie geoorloofde eerzucht ver te buiten. De Bourgondiërs konden twee dingen doen. Zij konden hun Nederlandsche bezittingen afronden; zij konden ook, door het toe te leggen op de verwerving van Lotharingen, Bourgondië met de Nederlanden in onmiddellijke verbinding zoeken te brengen. Het eerste doel was volkomen bereikbaar, het tweede reeds uitermate moeilijk, en het was zeer de vraag, of op die wijze een levensvatbare staat kon ontstaan: Frankrijk drong, met Ile de France en de Champagne, provinciën die het onmogelijk was ooit aan de Fransche kroon te ontnemen, te ver naar het Oosten in. Een dergelijke groot-Bourgondische staat, gezwegen er van, dat hij bezwaarlijk ooit de belichaming eener nationaliteit zou zijn geworden, zou naar te veel zijden tegelijk defensief hebben moeten optreden, en in zijn smalle verbindingslid steeds een zeer kwetsbare plek hebben gehouden. Om dit verbindingslid een behoorlijke breedte te geven, bleef niets over dan het veroveren der Rijngrens van Bazel tot Kleef, een pogen dat half Duitschland tegen den Bourgondiër in de wapenen zou brengen, zooals de geschiedenis van het beleg van Nuis kwam bewijzen. De plannen echter van Karel den Stoute gingen echter nog boven dit groot-Bourgondisch program uit. Beurtelings stelde hij zich voor de Fransche monarchie in zes of zeven kleine staten op te lossen, de Habsburgers tot zijne cliënten en zichzelf tot Keizer te maken, zijn nog niet eenmaal bestaand rijk uit te breiden tot de Middellandsche Zee, ja zelfs voet te vatten in Italië. Op zijn dood is een geweldige reactie gevolgd, die te nauwernood de voornaamste resultaten van het werk van zijn vader in wezen liet.
Wèl moest een schepping aan wezenlijke behoeften beantwoorden, die zich staande hield onder zoo ongunstige omstandigheden als de regeering van Maria en Maximiliaan opleverde. In één opzicht werd zij zelfs zeer versterkt: het terugvallen van het hertogdom Bourgondië aan de Fransche kroon, nekslag aan de groot-Bourgondische gedachte, bepaalde de krachten van het huis, voor eenigen tijd althans, tot zijn taak in de Nederlanden, die scherp belijnd, en die uitvoerbaar was.
Philips de Goede reeds, de conditor Belgii, had verwonderlijk veel bereikt. Eigenlijk niet verwonderlijk, als men bedenkt hoe reeds de veertiende eeuw op Nederlandschen bodem de leer van Philips van Leyden, en de practijk van Lodewijk van Male had voortgebracht. Het gemeene recht won veld op de privilegiën, die opgehouden hadden noodzakelijk en dus aangevangen hadden schadelijk te zijn. De gesloten klassen der middeleeuwsche maatschappij houden zich niet meer in stand. De geleerdheid is niet meer het deel der geestelijkheid alleen, de adel is niet meer de militaire kaste bij uitnemendheid, de voorrechten, aan steden en corporatiën verleend, zijn niet meer de eenige waarborgen der vreedzame verrichting van bepaalde maatschappelijke functiën. De vorst wordt de natuurlijke toevlucht van allen die geen deel hebben aan de privilegiën, en evenzeer van allen die er deel aan hebben, want geen geprivilegieerde of hij wordt door eens anders privilegie in zijn belangen geschaad en in zijn vrijheid beperkt. De betrekkingen van allen met allen zijn te levendig geworden, dan dat de oude scheidsmuren overeind kunnen blijven staan, en de vorst is de eenige die de bouwvallen kan opruimen.
Zeer duidelijk is nu, in elk der gewesten die in het bezit der Bourgondiërs geraken, een versnelde ontwikkeling in de reeds overal ingeslagen richting naar egalisatie, centralisatie, monarchie. Daarnevens worden de eerste grondslagen gelegd eener algemeen-Nederlandsche regeering en vertegenwoordiging.
Van de hervorming der instellingen eener bepaalde provincie levert Vlaanderen een sprekend beeld. De „audiencie” van Lodewijk van Male hield zes of zeven zittingen per jaar, en was een omgaand hof. De raad die Philips de Stoute in 1386 te Rijsel instelt (voor Vlaanderen met Antwerpen en Mechelen inbegrepen, Rijsel, Douai en Orchies, Artois, Nevers en Réthel) zit elken dag en is gebonden aan een bepaalde plaats. De leden moeten afzien van elke andere betrekking of bezigheid, leven uitsluitend van hun wedde, mogen niet het burgerrecht behouden eener bizondere stad of het lidmaatschap eener bepaalde corporatie: zij vormen het eerste volkomen uit de maatschappij geïsoleerde ambtenaren-college dat de Nederlanden gekend hebben. De raad is behalve regeeringsraad en gerechtshof tevens rekenkamer; hij waakt over de rechten en bezittingen van den heer, die inderdaad zijn, en met elk jaar meer worden, de rechten en bezittingen van het publiek. De raad sprak Fransch. Hiertegen, en tegen de omstandigheid dat het graafschap geen afzonderlijk ressort meer vormde, maar met andere gewesten aan eenzelfde college onderworpen was geworden, brachten de Vlamingen aanhoudend klachten in. Jan zonder Vrees splitste daarom het college in een rekenkamer, die te Rijsel bleef, en in een gerechtshof, dat te Oudenaarde gevestigd werd (1405) en twee jaar later te Gent, waar het, met korte tusschenpoozen in de 15de eeuw4), tot de Fransche omwenteling toe is gebleven (de Raad van Vlaanderen). Onderwijl werd het gebied der rekenkamer te Rijsel nog met Namen en Henegouwen vergroot. Zij bleef zich bij uitsluiting van het Fransch bedienen. Voor den Raad van Vlaanderen werd aanstonds in 1405 ten aanzien der taal een andere regeling getroffen, waarbij werd voortgebouwd op de regelen bij de Audiencie van Lodewijk van Male in gebruik, waar de rechters gewoon waren geweest hun vonnissen te vellen in de taal die partijen gebruikt hadden. „Toutes enquestes quy se feront par lesdicts conseillers ou autres commis de par eulx, où les escriptures des parties sont en flameng, se feront en flameng.” Voorts werd bepaald „qu' à l'huys ouvert chascune des parties et poursuyvans puyssent parler à tel langage qu'ilz veuillent, et qu'on leur responde en langage flameng. Et s'ilz sont en débatz, le Flameng aura l'option de playder en flameng s'il luy plaist”5). Dit taalbesluit van Jan zonder Vrees is van kracht geweest zoolang de Raad van Vlaanderen gestaan heeft: tot de Fransche omwenteling toe. Het is dan ook zeer verkeerd, in de Bourgondische vorsten voorvechters te zien van het gebruik der Fransche taal. Zij eerbiedigden te dezen aanzien de bestaande toestanden. In België gold de taalgrens voor het lagere volk, maar waren de hoogere standen feitelijk tweetalig geworden, lang voor de komst van den eersten Bourgondiër in de Nederlanden. Benoorden den Moerdijk, waar het Fransch niet doorgedrongen was, hebben zij ook niet de geringste poging gedaan om het in te voeren. Nauwelijks minder verbreid dan de kennis van het Fransch in Vlaamsch-, was die van het Vlaamsch in Waalsch-België. Philips de Goede en Karel de Stoute konden Vlaamsch spreken; zij wisten te goed, zegt de kroniekschrijver Molinet, „que leur puissance estoit trop plus flamande que wallonne.” Froissart kende Vlaamsch. Een groote menigte Fransche uitdrukkingen drongen in het Vlaamsch, een niet minder groote menigte Vlaamsche woorden drongen in het Luikerwaalsch door. Sedert het verval van de jaarmarkten in de Champagne was het gebruik van het Vlaamsch in den handel zeer toegenomen, en dank zij de verbetering van het onderwijs nam in de 15de eeuw het officieel gebruik der landstaal in het binnenlandsch bestuur der Dietsche streken geheel en al de overhand op Latijn en Fransch beide. Van weerszijden der taalgrens noodigde men elkander uit tot het vogelschieten en tot de landjuweelen. Het onderscheid in taal verdeelde België in geenen deele in twee vijandige kampen. Waar echter het Vlaamsch zich bedreigd voelde, wist het zich te verdedigen, als in 1477 tegenover Vrouw Maria, na het drijven van Karel den Stoute, den eenigen vorst die de wijze gematigdheid van zijn huis ten opzichte der taalkwestie niet volkomen gehandhaafd, en in Vlaamsch land ambtenaren aangesteld heeft, die de taal der bevolking niet verstonden, volstrekt niet uit stelselmatige vijandschap tegen het Vlaamsch evenwel, maar als een gevolg zijner ook in andere opzichten niets ontziende willekeur.
De voor Vlaanderen ontworpen binnenlandsche bestuursinrichting werd, naar 's lands gelegenheid verbrabantscht of verhollandscht, elders nagevolgd. In 1406 werden te Vilvoorde een Rekenkamer en een Raad van Brabant opgericht. Het eerste lichaam is blijven bestaan en zag later Luxemburg aan zijn gebied toegevoegd6), tegen den Raad evenwel kwam het land in verzet, en in 1422 kwam een geheel ander college tot stand, dat niet uit vorstelijke ambtenaren, maar uit gedelegeerden van adel en steden bestond. Eerst Philips de Goede heeft na 1430 het plan van zijn oom Antonie weer kunnen opnemen, en een Hof van Brabant ingesteld naar het model van den Raad van Vlaanderen. In Holland dagteekent het Hof uit denzelfden tijd. In de economisch en staatkundig minder ontwikkelde gewesten, als Henegouwen en Luxemburg, werd met eenvoudiger, minder kostbare inrichtingen volstaan, die evenwel dezelfde strekking tot egalisatie en centralisatie hadden.
Al deze inrichtingen, de meer samengestelde en de meer eenvoudige, hebben zich spoedig geacclimatiseerd, en den storm van 1477 zeer wel doorstaan. Zij hebben aan de administratie der afzonderlijke gewesten een strenger monarchaal karakter gegeven, zonder evenwel ergens de organen der volksvertegenwoordiging te vernietigen of te verminken. Alom hebben de Staten des lands het recht behouden de bede te bewilligen, en haar rol is in beteekenis toegenomen naarmate de vorsten vaker in de gelegenheid kwamen die bewilliging in te roepen.
Veel langzamer en behoedzamer dan de hervorming van het provinciaal bestuur, is de schepping van een algemeen landsbestuur in zijn werk gegaan. De Bourgondiërs konden hierbij niet voortbouwen op reeds gelegde grondslagen: van eene bovengewestelijke bestuursinrichting kon eerst sprake wezen, nadat de veelheid der dynastieën voor een eenheid had plaats gemaakt. Gelijk het vorstenhuis zelf, komen de instellingen der centrale regeering uit den vreemde. Zij kunnen niet aan Nederlanders in handen gegeven worden, omdat er in dezen zuiver staatkundigen zin nog geen Nederlanders zijn, doch slechts Vlamingen of Brabanders. Bourgondiërs en Picardiërs leverden het personeel, en het Fransch was bij uitsluiting de taal der bovengewestelijke regeering.
Toen Philips de Stoute Vlaanderen en Artois erfde, was hij sedert twintig jaren hertog van Bourgondië geweest, en had als alle vorsten, zijn raad gehad, waarvan de leden hem omringden en bijstonden in de regeering. Maar Philips, toentertijd een man van groot gezag bij zijn neef koning Karel VI, bepaalde zijn aandacht niet tot het hertogdom. Hij verbleef meest te Parijs, en zoo veranderde de oorspronkelijk locaal-Bourgondische raad van karakter en werd een orgaan der uitgebreider staatkundige werkzaamheid van zijn heer. De eerste in rang behoudt den titel van kanselier van Bourgondië, maar onder hem staan lieden van uitgelezen bekwaamheid en van velerhande herkomst, edelen, geestelijken, leden van den derden stand. Een nieuwe vassaliteit, waarbij de wedde in de plaats gekomen is van het leen, en staatkundige diensten in de plaats van den krijgsdienst7): de Croy's, Lalaing's, Hugonet's, Humbercourt's, Hagenbach's komen uit hun rijen voort. De meester weet hun trouw koninklijk te beloonen en straft hun ontrouw zonder genade. Sommigen van hen houden zich gestadig in zijn nabijheid, anderen gaan in zending uit, besturen een provincie, bevelen in een vesting. De gansche regeering, voor zoover zij buiten het terrein ligt dat door de bezworen privilegiën wordt bestreken, gaat door hun handen: buitenlandsche zaken, gewestelijk opperbestuur, rechtszaken aan den vorst voorbehouden, gratiën en remissiën, domeinbestuur, zorg voor leger en vloot. In al deze zaken geldt het souverein bevel van den vorst, „ainsi nous plaist-il et voulons estre faict”. Tot midden onder de regeering van Philips den Goede heeft deze „Groote Raad” geen vaststaand ledental en geen vaste residentie gehad. Een ordonnantie van 1446 bracht hierin verandering, en bepaalde tevens dat alle beslissingen van den vorst genomen zouden worden na advies en beraadslaging van den Grooten Raad, en dat alle requesten, mondelinge en schriftelijke, aan den Raad zouden worden gerenvoyeerd. Rechterlijke en bestuursfunctiën bleven echter nog in één lichaam vereenigd; in 1454 evenwel werd een afzonderlijke justitiekamer bij den Raad ingericht. Karel de Stoute splitste den Raad in tweeën: een politiek en een rechterlijk lichaam, welk laatste te Mechelen werd gevestigd en tevens beroepshof werd voor alle Nederlanden (1473). Dit was meer dan het particularisme der gewesten voorshands kon verdragen: in 1477 kwam de Groote Raad van Mechelen te vervallen, en werd eerst in 1504 door Philips den Schoone weder opgericht. Een andere hervorming van Karel den Stoute, de vervanging der rekenkamers van Rijsel en Brussel door één enkele kamer te Mechelen, werd eveneens in 1477 ongedaan gemaakt. Rijsel, Brussel en den Haag kregen hunne bizondere kamers terug.
De strenge administratie der financiën, door deze rekenkamers gewaarborgd, toonde waartoe bij eenheid in beheer de hulpmiddelen der Nederlanden reeds in staat waren. De inkomsten van Philips den Goede beliepen in 1455 het vierdubbele van die van de republiek Florence, het driedubbele van die van Napels, het dubbele van die van den Paus en van den hertog van Milaan, en bijna zooveel als die van de republiek Venetië. En deze inkomsten werden verkregen zonder de hulpmiddelen zelve ook maar eenigszins uit te putten.
Evenwel is het algemeen bestuur niet populair geweest: het was te zeer het bestuur van den vorst, te weinig dat van het land. Doch hierin bracht de vorstelijke staatkunde zelf een begin, of liever een mogelijkheid, van verandering. Als een middel om het particularisme der provinciën te gemakkelijker te breken, riep Philips de Staten zijner landen in gezamenlijke vergadering bijeen. Zesmaal zijn zij tusschen 1463 en 1477 zoo vergaderd geweest. De provinciën zagen aanvankelijk zulk een bijeenroeping zeer ongaarne: zij werden liever aangesproken „in den haren”, zooals tal van oude privilegiën het geboden. Doch gaandeweg kwamen zij tot het inzicht, dat de gezamenlijke vergadering hen ook sterken kon tegenover den landsheer. De laatste vergadering die onder Karel den Stoute gehouden is, die van Gent in 1476, verwierp de bede, en bij het Groot-Privilegie werd het recht bedongen dat de Staten-Generaal zouden mogen bijeenkomen zoo dikwijls zij zelf het verkozen, en dat geen oorlog zou worden ondernomen zonder hun bewilliging. Een recht dat niet constitutioneel geworden is, maar toch bewijst hoe grooten voortgang de eenheidsidee in de provinciën zelve had gemaakt, juist ten gevolge van het strenge absolutisme van Karel den Stoute, dat hen niet als afzonderlijke landen, maar als massa aan zijn wil had zoeken te onderwerpen. Het feit van 1477 bleef in de geschiedenis staan als een voorspook en waarschuwing. Zoodra het absolutisme antinationaal van strekking wordt, herleeft de unie-idee der afzonderlijke provinciën: zoo in 1558 bij gelegenheid der novennale bede, zoo in 1576 na Requesens' dood.
Is, in het Bourgondische tijdvak, Nederland als staat nog slechts in de eerste wording, Nederland als beschavingseenheid manifesteert zich reeds in onmiskenbare uitingen. Het karakter van tusschenland tusschen de Romaansche en de Germaansche wereld handhaaft zich hierbij en teekent zich gedurig weder in nieuwe lijnen af. Doch het is een tusschenland geworden in hoogere beteekenis dan vroeger, geen doorvoerstation als bij het overbrengen van den Rijnschen bouwstijl naar Doornik of van den Franschen ridderroman naar Duitschland, maar een land van zelfstandige voortbrenging. Op dezen gunstig gelegen bodem, reeds eeuwen lang in onmiddellijk verkeer met onderscheiden landen en beschavingen der Christenheid, is een volk ontstaan van buitengewone begaafdheid, dat elementen van Germaansche en van Romaansche kultuur weet te versmelten tot een eenheid die tegelijk voor gansch Europa verstaanbaar en onmiskenbaar Nederlandsch is. De Nederlandsche nationaliteit (in den ruimen zin genomen die Zuid en Noord omvat) ontsnapt aan alle annexatie, van Frankrijk of Duitschland uit ondernomen, aan de staatkundige niet alleen, maar ook en zelfs vooral aan de geestelijke. Vandaar dat de Duitsche geschiedschrijving, zoo dikwijls zij Noord-Nederland als Duitsch, de Fransche, zoo dikwijls zij België als Fransch beschavingsgebied opvat, van onze geschiedenis niet meer dan een karikatuur weten te leveren. Nederland is zichzelf, en tegelijkertijd bij uitnemendheid het land der open deur: geen bespottelijker en misdadiger, dan een Nederlandsch jingoïsme zou zijn. Wij nemen gaarne op, maar verwerken zelfstandig, en Europa is er te rijker om. Onze beschaving is ons eigenste bezit, onze staat slechts de noodschuur, die is opgericht om haar te kunnen behouden.
Opmerkelijk is, bij het beschouwen van de oorsprongen der Nederlandsche samenleving van den nieuweren tijd, de afwisselende rol, die aan de enkele gewesten in haar geschiedenis is toegevallen. Overweegt in de gansche oude en middeleeuwsche geschiedenis het belang van het Zuiden, dit belang is in de onderscheiden tijdperken niet gelijkelijk over de verschillende streken verdeeld geweest. In de Romeinsche periode is kennelijk de provincie Germania inferior, die onmiddellijk den invloed van het groote centrum Keulen ondergaat, de draagster der beschaving, en dit Oosten handhaaft zijn overwicht in de dagen van Karel den Groote en nog daarna, in den tijd van den grooten wetenschappelijken bloei van Luik. Vervolgens evenwel neemt merkbaar Vlaanderen de overhand, zoowel door de ontwikkeling van het handelsverkeer en van de nijverheid, als door zijn nauwere betrekking tot de nieuwe leidende beschavingsmacht, Frankrijk.
Op het hooge standpunt nu waarop wij Vlaanderen in de 13de en nog in de 14de eeuw aantreffen, heeft het zich als Bourgondische provincie niet kunnen handhaven. Zoodra de gewichtigste Nederlanden in één hand kwamen, maakte Vlaanderen's ligging het voor zetel van het algemeen bestuur minder geschikt. Afgezien nog van het zeer bizonder karakter van de ontwikkeling der Vlaamsche steden, was Brussel reeds om aardrijkskundige redenen de aangewezen residentie. Doch er waren nog veel krachtiger werkende oorzaken dan de verplaatsing van het hof, die Vlaanderens beteekenis deden afnemen. Zijn handel en nijverheid handhaafden zich niet op de oude hoogte.
Sedert Eduard III van de Vlaamsche troebelen van het midden der 14de eeuw gebruik had gemaakt, om een aanzienlijk aantal Vlaamsche wevers naar Engeland te lokken, was in het wolland zelf de lakennijverheid tot grooter volmaking gebracht, ja tegen het einde der eeuw reeds werd de Engelsche mededinging zoo scherp, dat men in Vlaanderen om bescherming riep. Het Zwin werd ontzegd aan schepen met Engelsche lakens aan boord, maar de maatregel had een niet bedoeld gevolg: de Hanze verliet Brugge voor Dordrecht, en om haar kantoor terug te bekomen moest men het verbod intrekken. De Engelsche wol werd zoo zeldzaam in Vlaanderen dat men er toe over moest gaan, de minder in tel zijnde Spaansche te gebruiken. Weldra kwam de Engelsche wol hooger in prijs, dan de gefabriceerde Engelsche lakens. Een der hoofdsteden van de Vlaamsche draperie, die namelijk welke buiten dit eene geen noemenswaardige middelen van bestaan had, Yperen, verviel in den loop der 15de eeuw geheel en al. Het werd een stad van bouwvallen en bedelaars. De lakennijverheid trok zich op het platteland terug, waar de loonen lager en het ambacht vrijer waren, en waar men zich toelegde op het vervaardigen van een goedkoop artikel voor den minderen man. Daarnevens ontstond, mede hoofdzakelijk op het platteland, een belangrijke linnennijverheid. In de 16de eeuw is het Vlaamsche linnen een voornaam uitvoerartikel voor de Europeesche markt geworden. Eveneens begon de tapijtweverij tot grooten bloei te komen. Maar dit alles vergoedde het verlies van de oude hoofdindustrie toch niet geheel; ook deelde Vlaanderen de linnenfabricage met Holland, de tapijtweverij met Brabant.
Ook in den handel nam men opkomst waar naast verval, maar het verval was dat van de Vlaamsche, de opkomst die van een buiten-Vlaamsche haven. Brugge spreidde in den Bourgondischen tijd een ongekende weelde ten toon, maar zijn beteekenis in het handelsverkeer nam af. Niet op eenmaal echter; zelfs waren er betrekkingen, als die met Spanje en Portugal, die in den loop der 15de eeuw drukker onderhouden werden dan ooit te voren. Doch Brugge had zijn opkomst te danken aan den daar gepleegden ruilhandel tusschen Noord- en Zuid-Europa, en de Hanze, die er Noord-Europa vertegenwoordigde, werd in de 15de eeuw door de Hollanders en de Engelschen overvleugeld. En evenals de Hanze zelf, was Brugge in den handel aartsconservatief; de jongere natiën, door de verouderde handelsgebruiken afgeschrikt, verlieten de stad voor het concurreerende Antwerpen. Sedert 1407 hebben de Merchant Adventurers daar een huis, in 1442 vestigen zij er zich in massa. Nog eenigen tijd houdt Brugge beteekenis door de daar gevestigde agenturen der groote Italiaansche geldkantoren, maar eindelijk komt de genadeslag: de hopelooze verzanding van het Zwin. In 1494 staan er vier, vijfduizend huizen leeg; in het begin der 16de eeuw reeds is het verval der stad bijna zoo groot als dat van Yperen.
Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het middeleeuwsche wereldverkeer8) van eenige beteekenis geworden: zij was vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland, maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende, belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is gebleven9). En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij, het burgerrecht wordt met groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen, de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het Vlaamsche linnen enhet koren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen daarentegen wordt een achterhoek.
Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer, met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te vervullen.
Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden. Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar dit was niet altijd zoo geweest.
De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht, ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidener schaal, een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat, wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek, waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch een landsheerlijke macht, noch een politiek machtige stad ontwikkelde, vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf, ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.
De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend, had zich, naarmate de Salische Franken zuidwaarts drongen, over de landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed wortel heeft kunnen schieten.
Het Hollandsche gravenhuis komt uit Kennemerland, op de grens der zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat een zoo gelegen en onder zulke invloeden zich ontwikkelende macht de beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken, Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche” Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooals von Löher gedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen gefranciseerden vader (die in Parijs zijn hôtel de Hollande had zoo goed als Jan zonder Vrees zijn hôtel d'Artois), weduwe van een dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij ooit zou zijn geworden. Hoe weinig Waalsch de overheersching van Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu nog zijn: een verwante, doch andere taal. „Die seind all de partibus inferioribus Rheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht versten muegen,” heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling bijwonen, blijft al zeer weinig over.
Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie, Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook. Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische verscheen.
Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog te moeten varen was het hertogdom Gelderland. Het naderde veel meer tot het normale type van den Nederduitschen territorialen staat dan Holland ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tothet uitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant, Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423 komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap op te vatten”10). Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat. Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan. Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.
Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig centrum van handel en scheepvaart opwerkte tegen de Hanze in. De merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.
Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland, en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.
Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende eeuw geldt, velen misschien paradoxaal zal lijken.
Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea, en aan de daarmede samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang is erkend.
De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen tot St. Jans en Memling als tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen en Memling opmerkt, al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen. De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger bestaand verschil hebben verscherpt.
Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken11).
Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.
Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoe natuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”. Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve. Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen, van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd schilderwerk bewaard is te Dijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan, dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad een lange ontwikkeling gehad.
De gansche 14de eeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die eeuw op een dood punt geraakt. In de 13de eeuw daarentegen had zij heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de kunst in de 13de eeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren trap dan die van elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche koningen te St. Denis, uit het eerste begin der 14de eeuw. Wellicht de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander, Jehan Pepin van Hoei, „imaigier” van de gravin van Artois; het stelt haar zoon, Robert het Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche kunstenaars in Frankrijk. André Beauneveu van Valenciennes, Jean Hennequin van Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning Karel V; dezelfde Beauneveu, Jacquemart van Hesdin, Paul van Limburg in dienst van hertog Jan van Berry; de Brabander Henri Bellechose, en Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij bedoelen Beauneveu en Paul van Limburg. Beauneveu genoot reeds in zijn eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde. Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest. Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V te St. Denis laten in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche kunst der 15de eeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de „Très riches heures” van den hertog van Berry (te Chantilly), waar op enkele bladen, als dat waarop het bezaaien van den akker is voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der zegepralen is van de kunst der 15de eeuw, zoo goed gelukt schijnt als nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche getijden aantreffen.
Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster van Champmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In 1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs „imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem arbeidde Claes12) Sluter, die in een der teksten voorkomt met den bijnaam „de Orlandes”. Onder Jean de Marville, die in 1389 stierf, schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina. Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg, waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvan alleen het voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven. De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat, vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van Mozes, David, Jesaja, Jeremia,Zacharia en Daniël zijn aangebracht. Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden, dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij dit beeld treft het traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die van hoofd en handen.
Is Sluter een Hollander geweest? De bijvoeging „de Orlandes”, voorkomende in de acte waarbij het kapittel van de St. Stevensabdij te Dijon hem in 1404 zekere voorrechten verleent, wordt gemeenlijk niet anders verklaard. Een van de verdere gronden die Busken Huet tot staving van Sluters Hollanderschap meent te kunnen aanvoeren13), heeft dunkt mij al zeer weinig vastheid. In een Hollandsche grafelijkheidsrekening van 1396, waarin Heer Garbrand van der Coulster, proost van Bergen in Henegouwen, en Jorghel mijns heeren kamerling, verantwoording doen „van tgeen sij ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Hollant, toter reyze behoef van Oistvrieslant,” wordt een som vermeld als „ghegeven Dirc die Sluter, om al rande provanci mede te copen van bussen, van crude, van steen, van schutte...., des men behoeven soude in die grote scepe, die in de Lauwers varen souden.” Huet nu trekt hieruit het gevolg „dat er in Holland of Zeeland in de tweede helft der 14de eeuw eene slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen vervaardigen.... Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van iemand met beeldhouwersgenie.” Deze gissing noemt hij „gerechtvaardigd in zoover wij ons nauwelijks kunnen denken, dat zelfs een geboren kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren, zoo hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich gevormd had in eene goede school.” De rekeningspost, het eenige waarvan men kan uitgaan, kan echter het gestel van Huet's redeneering niet dragen. Waar staat dat de som aan Dirc wordt ter hand gesteld om van hem gekochte bussen enz. daarmede te betalen? Er staat duidelijk dat de som hem gegeven is om er bussen voor te koopen. Dirc is niet de fabrikant, maar de opkooper van het verlangde oorlogstuig.
The free sample has ended.