Read the book: «Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java»

Font::

Franz Wilhelm Junghuhn

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402808

Inhoudsopgave

VOORREDE.

VERHALEN EN GESPREKKEN UIT DE BINNENLANDEN VAN JAVA.

1.

VERHALEN EN GESPREKKEN UIT DE BINNENLANDEN VAN JAVA.

2.

I. Het Evangelie van Nacht.

GETROKKEN UIT HET „Vraagboekje tot Onderwijzing in de Christelijke leer.”

II. Het Evangelie van Dag.

KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER. OF GELOOFSBELIJDENIS van den Regtzinnig Geloovigen Mensch.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16.

17.

18.

19.

20.

21.

22.

23.

24.

25.

VERKLARING.

VERHALEN EN GESPREKKEN UIT DE BINNENLANDEN VAN JAVA.

3.

Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.

Geloofsbekentenis van broeder Morgenrood.

Zinstoorende Drukfouten in Nr. 1–3.

VOORREDE.

Inhoudsopgave

Ik ben kortelings met mijn broeder Nacht uit de binnenlanden van Java alhier aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier te lande het lot aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in gehuchten, dorpen, steden en in de wildernissen bij het wachtvuur, zoo menig jaar hebben doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds hebben behandeld, worden hier overwogen door staatsmannen, ministers, leden der tweede kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van de theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen, het voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen, door genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit alles zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig hield en het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken—al dragen zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn zij niet gevoerd door mannen, ervaren in het staatsregt, de staathuishoudkunde, dogmatiek, christologie en in de hoogere en lagere politiek, maar toch, zoo als ik met bescheidenheid vermeen te durven hopen, met een weinig gezond verstand onder den groenen boom des levens ter neêr gesteld,—niet geheel onwaardig mogen beschouwd worden, om onder het oog van het publiek te worden gebragt.

Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb bijgevoegd, naar aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa vernam en ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht.

Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken goedgunstig door den lezer mogen worden ontvangen.

Mijn broeder Nacht is reeds sedert lang door den dageraad verlicht geworden. Hij wenscht echter onbekend te blijven en heeft zijn naam veranderd. De Correspondenten van onze voormalige firma worden derhalve verzocht zich voortaan uitsluitend te wenden tot dengene, die van het navolgende is

S.... Februarij, 1854. DE MEDEDEELER.

VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.
1.

Inhoudsopgave

Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en dalen, waren wij te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige reisbehoeften hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg om ze, met eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het hoofd te dragen. Maar de Koeli’s, die zich daarmede hadden belast—een tiental Javanen uit het dorp, dat wij des morgens hadden verlaten—waren achter gebleven. Twee uren vóór onze afreis uit Gnoetnig waren zij van daar vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze onderweg, in de schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op den grond liggen. Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze koffertjes, die daartoe juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens; anderen, die reeds uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn gesneden tabak en Djagongbladeren.—„Saja banjak tjapé, Toean!” (Ik ben dood moede, heer) zeide de een; „Terlaloe panas, korang koewat” (’t is ondragelijk heet, ik kan niet meer) voegde een ander mij toe, en „Sakit prot” (ik heb pijn in ’t lijf) was de jeremiade van een derde. Wij lieten eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden onzen togt voort, nadat wij een der koffers hadden geopend om wat sigaren te krijgen en die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder van hen een halven gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf hadden betaald), benevens Koewé koewé (suikergebak) met Kopi (koffij) tot eene versnapering, indien zij zorg droegen vóór het vallen van den avond te Gnoerag te zijn. „Ja wel, beste heer!” riepen zij allen verheugd als uit eenen mond; „wat een goede heer is hij toch”—voegden anderen er bij. Hunne wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo vrolijk bijeen! Hun goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid als het ware te lezen stond,—want zij waren zoo blij, zoo zonder zorgen,—hielden ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner cigaren; zij schenen aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog dan het eerste menschenpaar in het Paradijs; een beekje murmelde in hunne nabijheid en Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze van bord voor hunnen medegevoerden rijstmaaltijd hadden opgeleverd, namelijk, Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak van het kristallijnen vocht der beek.

Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden, maar mijn broeder Nacht zeide „ze zullen wel achter aan komen” en wij gingen vooruit met een Loerah (een dorpshoofd), drie van onze bedienden en een paar andere Javanen, die onze instrumenten en jagtgeweren droegen.—Eindelijk werd het tijd naar een nachtkwartier om te zien en nog waren zij niet aangekomen.

De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de oostelijke dalhelling; weldra verlichtte zij nog slechts haren bovensten rand, deze heldere strook werd allengs smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen (Kalong’s) togen reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij hunne nachtelijke feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in de naburige wouden klonk al luider en luider in ons oor, toen wij het eenzame dorpje naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal hutten bestond. De donkere schaduwen, die op het breede dal waren nedergedaald, hadden ook het kleine dorp met zijne vruchtboomen reeds verzwolgen. Zoo even hadden de vrouwen op de houten blokken (Lĕsoeng) rijst voor het avondeten gestampt en reeds een kwartieruur vroeger had de regelmatige, heldere klank der neêrvallende stampers ons oor getroffen, toen wij ons nog op een verren afstand van hier bevonden.—Naauwelijks echter hadden zij ons in het oog gekregen of zij wierpen hare stampers (Aloe’s) neder en vloden ijlings binnen hare hutten. Huilend werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden verscholen zich onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk het geval is, aan de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren gebouwd. Uit die schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie, fortissimo, hooren en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder plaatse reeds sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten zelven werd niet de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in bevonden, hielden zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar liet zich een half gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door eene reet der Bamboeswanden gluurde.

Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een stampblok (Lĕsoeng), dat voor de hutten stond en benoemden den Loerah tot onzen ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den waarschijnlijk levenden inhoud der geslotene vestingen—niet zoo als Prins Menzikoff met de Verheven Porte—neen, vriendschappelijk te onderhandelen.

Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne smart te kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen sluiten—en ter naauwernood had hij zijne sierlijke rede geëindigd of eerst werd eene, vervolgens eene tweede en weldra eene derde deur geopend, waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar buiten traden met rijst en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah verklaard had tegen goed geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons eenvoudig avondmaal, dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De honden kropen uit hunne schuilhoeken te voorschijn en kwamen al kwispelstaartend naar ons toe; weldra verschenen enkele rimpelige sybillen op het tooneel, die op eenigen afstand bleven staan en ons met luide, krijschende stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke gebaren, een „welkom te Gnoerag!” toeriepen. Het duurde niet lang of eenige jongere vrouwen, met hare kinderen op den arm, traden op ons toe, ja, zelfs de jonge meisjes slopen de eene na de andere in den kring. Anderen verwijderden zich weder en bragten ons ongevraagd eenige lekkernijen, die zij in hunne hutten hadden bewaard. Deze bood ons een kleinen pot aan, gevuld met Sambal gòreng, gene bragt de helft van een gebraden hoen (Ajam panggang) te voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een ander gaf ons een paar gedroogde schildpadeijeren, of een stukje Dendeng; een vierde spreidde eene mat (Tikar), van Pandanbladeren gevlochten, op den Lĕsoeng uit en eindelijk—toen de overtuiging zich algemeen had gevestigd, dat wij geene zeeroovers waren,—zagen wij ons vertrouwelijk omringd door ouden en jongen, door mannen, vrouwen en kinderen, met al hun huisgedierte, in één woord, door al wat in het dorp leven ontvangen had.

NACHT. Ziet ge wel, dat de Javanen beste menschen zijn?

IK. Ziet ge wel, dat men goed en gastvrij zijn kan, zonder Christen te zijn? Maar ziet ge ook wel, dat onze Koeli’s niet komen?

NACHT. Hebt slechts geduld; het is nog niet volkomen avond en buitendien wij hebben maneschijn. Zij zullen wel komen.

Intusschen hadden onze „jongens” (spreek uit: Javasche bedienden, die somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis gemaakt met de bewoners van het dorp en slaapplaatsen voor ons uitgezocht. Het laatste overblijfsel van het vooroordeel, dat de dorpelingen tegen ons „menschen met blanke gezigten” nog koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn jongen Sidin komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar kind op den arm heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf aan en wil ten onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek nemen.—Waar is dan uw man? „Ach, heer” gaf zij ten antwoord, „acht dagen geleden heeft een tijger hem opgegeten.” Dit zeide zij met een lagchend gezigt als of zij een grap verhaalde. Op grond hiervan beelde de lezer zich niet in, dat de Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn; dat is volstrekt niet het geval. De zaak is deze: in alle wisselingen van hun lot gedragen zij zich als geboren philosophen en weten zich spoedig naar alles te schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is toevertrouwd, al heeft men den overledene bij zijn leven nog zoo lief gehad, dan wordt er niet meer om getreurd. „Het treuren helpt toch niet, en gedane zaken nemen daardoor geen keer! Waartoe zal men iemand lang beweenen, daar men elken dag zelf sterven kan?”—Op die wijze ongeveer beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend snelle ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is, zoodra het leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid in alle verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene afwisseling van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen als iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij voortdurend zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt hen onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan.

Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van de overigen, tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De rosse gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een flaauw licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten Bamboes vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De vloer rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den grond: de bank, die met eenige Tikar’s was belegd en ons tot rustplaats moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes.

Wij verlangden zeer naar een bad;—wij wenschten ons te ontdoen van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven met stof en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De Koeli’s, die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een sigaar, een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu ook genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het kostuum van Adam rond te wandelen?—Al hetgeen de goede luitjes hier in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond uit een paar Sĕlendang’s (lange, smalle omslagdoeken) en Sarong’s (een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een vrouwenrok), werd ons ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of wij ons in het Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te beelden, dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene zuivere, zachte, geurige lucht in?—strekte zich hoog boven onze hoofden niet de schoonste blaauwe hemel uit?—stond hier nevens onze hutten niet de Musa „uit het Paradijs” (gelijk Linnaeus haar heeft genoemd), met hare reusachtige, reeds aanrijpende trosvormige vruchten?—blonken ginds niet goudkleurige Mangga’s, roode Djamboe’s, Doeren’s en Nangka’s, beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele andere schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof der boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?—verhief zich niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste, bloemrijke wouden?—geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen het in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter ons, in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan het kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van een bad?—Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 à 6 voet afdaalde en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad (Pantòran) op den badende neder. Wij droogden ons in de lucht, sloegen den Sarong om onze lendenen en den Sĕlendang over de schouders en begaven ons naar den nabij gelegen rand der kloof, van waar wij den ganschen, zooveel lager gelegenen bodem van het dal konden overzien. Aldaar vleiden wij ons neder in het gras onder het geboomte en lieten onzen geest ten speelbal van de indrukken, te weeg gebragt door de omringende schoone natuur, die zich meer en meer in haar schemerend avondkleed hulde.

Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der westelijke dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten rand een zacht glooijend plat vormt en vervolgens steil in den eigenlijken bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons bevonden, verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte des dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van den westelijken rand welligt 1½ à 2 Javasche palen1 verwijderd was. Op den voorsprong lagen hier en daar kleine, drooge rijstvelden (Tipar en Oema) verstrooid in eene wildernis van Alang-alanggras, welke laatstgenoemde zelf de plaats weder had ingenomen van velden, in voormaligen tijd bebouwd. De bodem van het dal daarentegen, benevens de steile hellingen, die het ter wederzijde insloten, waren bedekt met een majestueus oorspronkelijk woud, met boomen wier zuilvormige stammen zich 100, ja, 120 voet hoog verhieven, alvorens zij hunne rondachtige loofkroonen vormden. Als wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven zij hunne kruinen de eene boven de andere aan den steilen dalwand en slechts enkele gedeelten, die volkomen loodregt oprezen, vielen hier en daar als kale plekjes tusschen het geboomte in het oog.2

Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het dal overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht der maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht was zoo helder, dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen waarnemen, toen de dagtoorts3 werd uitgebluscht. In het azuren uitspansel liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het zintuig van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon was gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had te weeg gebragt,—de zonnestralen, welke er op neêrschoten,—stegen niet langer luchtstroomen loodregt opwaarts en werd de zijwaartsche voortplanting van het geluid niet meer verhinderd. De branding van de meer dan 20 palen van ons verwijderde zuider kust liet zich allengs duidelijker vernemen en het bruischen van den stroom, die, in zijn langen loop uit het binnenste van het hooggebergte tot aan de kust, zich al kronkelend door den bodem van het dal slingert, trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze algemeene, doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke mate verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en kinderen, die zich met haar tam gedierte—hoenders, honden, geiten, een paar buffels en paarden—in dit dal had nedergezet en mijlen ver door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij lagen nu allen op hunne Balé balé’s in de hutten uitgestrekt, waar zij zich, ieder in den kring van zijn gezin, geheel en al overgaven aan het zalige gevoel van een volkomen onbezorgd gemoed. Uit eenige hutten klonken ons nog de langgerekte toonen van een gezang te gemoet, dat noch eene bepaalde melodie, noch woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen wordt geïmproviseerd en gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen en zich gelukkig gevoelen. Ook dit eentoonige gezang hield allengs op; onze bedienden, die zich in gezelschap van eenige dorpelingen achter ons in het gras hadden nedergelegd, slopen de een voor en de andere na in stilte weg, om ook voor zich eene nachtelijke rustplaats op te zoeken; de eene deur werd na de andere gesloten; de lampjes, waarvan het schijnsel door de reten der wanden schemerde, werden de eene na de andere gebluscht; het geluid der huisdieren liet zich allengs zeldzamer hooren, en eindelijk verkondigde niets meer de nabijheid der menschelijke wezens, die met al hunne levende have, met al hun geluk en ongeluk, zich in onze onmiddellijke nabijheid bevonden en nu in diepen slaap verzonken waren.

Wij alléén nog zaten daar—en langen tijd zwijgend—nevens elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu eens vestigden wij mijmerend de blikken op den tegenover gelegen dalwand, waarvan hier eene bogt, met donkere schaduwen bedekt, in een geheimzinnig duister verdween, terwijl elders eene voorwaarts springende rotspunt of de reusachtige zuil eens boomstams door het volle licht der maan werd beschenen;—dan weder rustten zij op het bladerengewelf, waarmede het woud den bodem van het diep beneden ons liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke duisternis liet zich hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als zagen wij door eene spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse waar in de diepe, met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog volkomen onzigtbaar, maar door den donder harer schuimende golven luid hoorbaar de Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok, van rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop voort naar de kust. Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds, vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen, waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen van den avond, de echo’s van alle bergwanden had doen ontwaken, maar die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte zaten.—Van tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons voorbij; somtijds vloog een krassende uil langs de helling van het dal, doch dit was de eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde en verre lag de natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe geruisch van den snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het regelmatig geklep van een Caprimulgus,4 dat als kletterende hamerslagen op een aanbeeld alom door het dal klonk, en slechts zelden vernamen wij uit het woud beneden ons een geluid als van loeijende buffels, maar fijner, meer schor en wilder van toon; het waren rhinocerossen, die zich slechts in den speeltijd laten hooren. Overigens was de dierlijke schepping dood stil en nergens was eenige beweging zigtbaar.—Maar met welke nachtelijke schoonheid was het omringende landschap getooid! welk een tooverachtigen schijn gaf daaraan de maan, die het als door een floers, door een zilverkleurig, half doorschijnend glas bescheen! Waar vind ik woorden om zoo veel schoonheid te beschrijven,—of kleuren om haar naar waarde af te malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo iets laat zich slechts gevoelen, waarnemen.

NACHT. Beste broeder Dag; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van het liefelijke maanlicht daar voor ons ligt, wanneer ik daarbij denk aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar, in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken worden,—wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het Evangelie, de zegeningen des Christendoms nog niet deelachtig zijn geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel, zoo schromelijk wordt verwaarloosd!

DAG. Beste Nacht, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik den wensch kan koesteren om de „Javanen tot Christenen te bekeeren,” gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst leeren inzien, dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid bevat, dat de kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene zegening zij te beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij hiervan nog niet de overtuiging kunnen verschaffen.

NACHT. Hoe is het toch mogelijk, dat ge zoo kunt spreken! Bedenk eens tot welk een hoogen graad van beschaving, wij Christenvolken zijn opgeklommen; overweeg eens hoezeer wij Christenen door de meerdere ontwikkeling onzer verstandelijke vermogens, in handel en nijverheid, in het staatkundige en door onze zedelijke overmagt, boven alle niet-Christennatiën verheven zijn; denk toch aan het licht der wetenschappen dat zijne heldere stralen over Europa verspreidt, de hooge vlugt welke het geestesleven bij ons heeft genomen, de verbazende ontwikkeling aan alle nuttige kunsten, aan alle takken van nijverheid gegeven, waarin geen enkel niet-Christenvolk zich met ons meten kan,—waaraan hebben wij dat alles te danken? dan juist aan het Christendom, ’t welk wij belijden, aan onze heilige Kerk, aan de leer des bijbels, zoo overvloeijende van menschenliefde, aan de zegeningen der geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en Verlosser ons heeft geschonken?

DAG. In geenen deele, broeder Nacht. Gij verkeert in dwaling, waarin trouwens eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn vervallen. Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren, dat gij het spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim achttien eeuwen verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer verkondigde en ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop die leer onder de Germaansche volkstammen, in het hart van Europa gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een hoogeren trap hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde Heidensche volken staan, als de Japannezen, Chinezen, Hindoes?—Zij dagteekent ter naauwernood van vóór 200 jaren, en wat betreft de tegenwoordige hooge vlugt, de buitengewone vooruitgang, die in alle takken van nijverheid wordt waargenomen—het heldere licht, verspreid door de ontdekkingen, op het gebied der natuurlijke wetenschappen gemaakt, waardoor het leven en het verkeer der volken eene gansch andere, nieuwe, vroeger niet mogelijk geachte gedaante heeft verkregen, eene vlugt die nog dagelijks als met arendsvleugelen hooger stijgt,—deze dagteekent nog niet van vóór een honderd jaren! En op welken trap van intellectuele en industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?

De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag als een dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf à twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling des geestes; het geloof aan de openbaringen des bijbels, aan de onfeilbaarheid der kerkelijke orakelspreuken, verstikte alle zelfstandigheid van denken, weêrstreefde elk onderzoek der natuur en stelde wonderen in de plaats der natuurwet, verbreidde duisternis, waar het licht had moeten aanbrengen. Ge zult mij toch wel niet tegenspreken, dat de oude Grieken en Romeinen, lang vóór de geboorte van Christus, een veel hoogeren graad van beschaving bezaten, dan den Christenvolken gedurende de middeleeuwen eigen was?—En wee! die zeldzame mannen, die het durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te willen werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog in de 17de eeuw door de priesters van Christus als ketter te worden vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en verdedigde, welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,—moest hij niet, nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te gelooven, dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het midden 18de eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters verbrand, heksen op de pijnbank der inquisitie gefolterd werden?—ja, wat zeg ik, heeft men niet nog vóór korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw, gezien dat deze priesters „van Christus,” gelijk zij zich noemen, van Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid predikte—den vloek, den banvloek! uitspraken en menschen, die den bijbel hadden gelezen, tot de galeien doemden?—Ik wil hopen, dat Jesus niet andermaal zal geboren worden; want indien dit geschiedde en hij optrad tegen deze priesters, die zich naar zijnen naam noemen—en zeker zou hij zulks doen, gelijk hij reeds eenmaal te velde trok tegen de huichelarij der Joodsche priesters, der Pharizeën—dan zouden zij hem als een valschen Messias aanklagen, veroordeelen, en ten tweeden male kruisigen!

NACHT. Het is zeer wel mogelijk. Ge weet, dat ik, wel is waar, in het Katholieke geloof ben opgevoed, echter geenszins behoor tot de vereerders der hierarchie, sedert ik zelfstandig heb leeren denken. Gij spreekt van de gruwelen door het Pausdom veroorzaakt, van de huichelende priesterschaar, die heerschen wil en gaarne in troebel water vischt; maar al hetgeen door u is aangevoerd strekt eigenlijk toch slechts ter verheerlijking van het Christendom! Want ge zult toch met mij bekennen, dat het licht der gezuiverde Christelijke leer, sedert den tijd dat Luther in 1520 de Pausselijke bul verbrandde, op eene zegevierende wijze al deze nevelen voor zich uit heeft gedreven en thans een groot gedeelte der oude en nieuwe wereld met zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en weldadige warmte kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en krachtdadigste ontwikkeling zijn gekomen?

DAG. Broeder Nacht, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde gevolgtrekking. Het Christendom heeft niets gemeens met dezen bloei der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding en aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het navorschen van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en bovenal voorschrijft te gelooven aan wonderen, vast te gelooven aan het onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met alle ervaring, met alle bekende wetten der natuur.—Het is waar, de zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig, moet hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het kwade te onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt medelijden jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is de menschelijke natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan, en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in de laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd aan de natuurlijke wetenschappen, aan de geniale en grondige studie der natuurwetten en der werken van den verheven Schepper,—aan de steeds in zekerheid toenemende kennis van hetgeen wij daar boven aan den hemel, hier beneden op de aarde ontwaren, en is bovenal in ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, gedaan op het gebied der geologie, der sterre- en scheikunde, der physica en physiologie; hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den dag gebragt en alom verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof steeds binnen engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de Christelijke priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel gevoeld en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting der hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot op den huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, de vatbaarheid daarvoor—door hunne wijze van onderrigt—in het kinderlijk gemoed te verstikken, den natuuronderzoeker in zijne navorschingen te breidelen of hem er om te vervolgen; want de natuurkundigen zijn het, die vijandig tegen hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke de priesterrok rondom zich werpt, door een steeds grooter wordend tal van lichtstralen in helderen dag dreigen te herscheppen. Zij, de obscuranten, leven en bewegen zich met welbehagen alleen in die met nevelen der onwetendheid bezwangerde lucht, waarin geen ander licht kan doordringen dan hetgeen door wonderen en bijgeloof, als door beschilderde vensterglazen, is verdonkerd en gebroken. Het is de pligt van den natuuronderzoeker tegenover hun geloof aan wonderen de natuurwet—de duidelijke verklaring—te stellen. Hij zou met zich zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei- of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien hij aan wonderen geloofde, indien hij in staat was zijn eerste axioma—zijn evangelie: de eeuwige onveranderlijkheid en regelmatigheid der natuurwetten, te verloochenen. Alle wetenschap houdt op, zoodra de mogelijkheid van het tegendeel wordt aangenomen.

NACHT. Maar dewijl gij toch met mij gelooft, dat God almagtig is,—waarom zou hij dan niet ééne enkele maal de werking van eenige zijner natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te maken?

DAG. Beste broeder, vergeef het mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn mond niet uitspreken, kan mijn verstand niet bevatten.

Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 zoogenaamde kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon wentelen en die gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De zon zelve is slechts een van de duizende, insgelijks veel grootere zonnen, die—ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde vaste sterren zigtbaar—aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch niet aannemen, dat van al die duizende zonnen slechts om deze ééne—om de onze, die niet tot de grootsten behoort—planeten zich wentelen, en nog veel minder, dat onder al die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere zonnen behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen, met geest- en denkvermogen begaafd?—Zou het niet hoogst ongerijmd zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten en trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn geroepen om den wille der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven en dat deze schaar van zoo onvolkomene wezens,—gelijk de menschen inderdaad zijn, die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich op niets met zoo veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te vermoorden, te kwellen en te plunderen,—dat zij in het oog van den Schepper des heelals zoo hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille van hen en om hen alléén die verbazende menigte veel grootere hemelligchamen heeft geschapen, welke wij in de onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden ontdekken, tot waar ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij moeten derhalve noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat ook op al deze andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke, welke geschikt zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond) levende, met verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten dat zij welligt eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.

Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der hemelen komen, en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat de overige 705 millioen menschen betreft—Joden, Mohammedanen en zoogenaamde Heidenen,—die behalve de zoo even genoemden op de aarde wonen, hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in Jezus bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters (die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke magt van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer „der alleen zaligmakende heilige kerk,” geen haar breed beter gesteld dan met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen (Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.—En wat zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden van planeten en zonnen, welke in het heelal zweven en zich in elliptische banen bewegen?—dat kan niemand bepalen, indien zij, namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn gevormd dan wij—of indien zij geene Christenen zijn,—indien de zoon Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,—niet den oneindig langen togt door het heelal heeft ondernomen,—indien hij niet van trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen naar melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk zijns vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te herstellen en te verbeteren!—Waarachtig, broeder Nacht, wat zou ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat hebben van den alwijzen Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen kon gelooven,—indien ik zoo iets dacht van den oneindigen, eeuwigen Maker van het heelal, die niets onvolkomen heeft daargesteld, die het kleinste wormpje, het onbeduidendste plantje en hoe veel te meer niet den mensch! van den aanvang af zoodanig heeft gevormd, dat, door de krachten waarmede Hij hem heeft begiftigd en die Hij aan eeuwig onveranderlijke, onverbreekbare wetten onderwierp, alles wat leeft en zich beweegt en door zijnen adem wordt bezield, door zich zelven en uit zich zelven zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke bestemming onfeilbaar te gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de wetten, de eenmaal in het leven geroepen krachten, herstelling of verbetering behoeven.—En, aangenomen dat zulks denkbaar, dat zulks mogelijk was, dan vraag ik u: wat heeft dan dat buitengewone gezantschap van God op aarde uitgerigt? Wat heeft het geholpen?—zoudt ge durven beweren, dat de menschen sedert dien tijd beter en gelukkiger zijn geworden?

Wend uwe blikken om u heen, sla Europa gade! Wat ziet ge? Ellende, armoede, hongersnood, gevangenissen en andere dergelijke strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, die onder de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt gedreven; diefstal, moord,—ontevredenheid door de volken gevoed jegens hunne regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers voor hunne volken,—oorlog!—schepen en vestingen laat men in de lucht springen en duizenden van menschen vallen in één enkelen oogenblik als een offer des doods; hier ontwaart gij wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen de onderscheidene Christensekten, ginds aanmatiging der priesters, kuiperijen der Jesuïten; van godsdienst vindt gij buiten de kerken zelfs geen spoor, in de kerken veel huichelarij en schijnheiligheid.

Werp uwe blikken achter u. Daar ontwaart gij een vreesselijk schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De aanbidders der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; bloedig vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels besluiten het, waarop Christenen Christenen—tot vreugde van Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het ijzingwekkende cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en bloedige kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. Langzaam ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij niets dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der middeleeuwen, zoo vol gruwelen;—te vergeefs tracht gij eenig schemerlicht van geestesleven te ontdekken;—dikke wolken verduisteren den hemel, zij rusten op de aarde, het schrikbewind der hierarchie bespiedt der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan den oogenblik van zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden gekluisterd;—het vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder alle volken van Europa en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, die in hen sluimeren, wordt zorgvuldig onderdrukt;—rijke kloosters zweven bij duizenden aan uwe blikken voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in het zweet zijns aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne poorten neder, en, onder de bescherming des kruises, worden zij door weelderige monniken en nonnen verbrasd;—processiën trekken voorbij met reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer wordt bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen kan, de knieën ootmoedig buigt;—hier hoort gij het aflaatgeld, betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven, in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch geëxcommuniceerd of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk drukt; zelfs de lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot der aarde worden toevertrouwd;—maar eensklaps wordt de stikdonkere duisternis door een helder licht vervangen, de hooge hemel is met een rooden gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich boven den horizon, Auto da Fé’s worden gehouden! en—een en dertig duizend menschen, beschuldigd of slechts verdacht van af te zijn geweken van het eenig ware geloof der Pausselijke kerk, worden de een na den anderen, somtijds een half dozijn te gelijk, levend voor uwe oogen verbrand!—Welk somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd, en welke jammertoonen treffen van daar uw oor?—Het zijn de kerkers, casa santa, der inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren, die het voorvaderlijk geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen doen rammelen;—uit gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van onschuldige heksen op, die door de priesters van Christus verdacht zijn geworden, dat zij met booze geesten in betrekking stonden; zij worden gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu hun gekerm, dat te vergeefs om „erbarming” smeekt, uw oor doorklieft en uw hart doet bloeden!—en zie hier—een schavot is opgerigt en ge ontwaart zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd van getwijfeld te hebben aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de hand der „heilige Christelijke beulsknechten” levend worden geradbraakt!—Het panorama ontrolt zich verder; zal het dan nimmer eenige verblijdende, eenige lichttooneelen opleveren?—Een koene monnik staat daar te Wittenberg; hij heeft zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk aangeplakt en werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter vervloekt en in den ban doet, in het flikkerende vuur;—maar dit vuur verbreidt zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en dorpen staan in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, dertig jaren lang, in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!—De heerschzucht van Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het licht der Hervorming;—de schoonste gewesten van Duitschland worden verwoest, ontvolkt;—in de Nederlanden neemt een Hertog van Alba het ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 bewoners vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd gedurende den Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met afgrijzen; uwe haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome staat de „Stedehouder van Christus”; hij viert een plegtig Te Deum en schrijft een jubileum uit voor den welgelukten moord van 35000 Hugenooten!—Maar nog is de schilderij vol jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt eindeloos te zijn en ontplooit zich voortdurend verder en verder voor uwe blikken;—in Spanje zet het „heilig officie” zijn woeden voort;—in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken en aldaar worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk geloof (dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, verbrand!

Eindelijk,—eindelijk schijnt het eenigzins rustiger, lichter te willen worden op het tooneel waar ’t Christelijk treurspel wordt vertoond. In de plaats van het blind gelooven begint een meer bevruchtend weten te treden, en de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden allengs zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het geval was, geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;—ja, in plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen—voor het papendom ware banstralen—meer en meer naar alle zijden heen; de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder vooruit gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de hierarchie zich zoo gaarne bediende tot „bekeering of uitroeijing” van degenen, die zij „ketters” noemde, ’t geen meestal slechts geschiedde uit gouddorst, uit heersch- of hebzucht, wordt met elken dag meer en meer onmogelijk;—maar in plaats van hel en vagevuur, in plaats van interdikt, vergift, dolk, kerker, pijnbank, galg, rad en brandstapel sluipen nu Jezuïten rond, Jezuïten!—die overal en nergens zijn, die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de lucht vliegen, dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond heenwroeten, maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig zijn om het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden, zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne BRON te verstoppen, het kinderlijk gemoed zoodanig te verstompen, dat het de vatbaarheid verliest voor de indrukken van waarheid en licht, den geest in de kiem te verstikken:—zich het onderrigt der jeugd in de handen te spelen!—Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag geheel en al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die den naam er van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, zwart als de raven, die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn achtergebleven; want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij allen, ALLEN, die trouw hebben gezworen aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong zijne woorden te herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.

Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het voor uwe blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich allengs ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar 1853 de verzuchtingen nog hooren van twee „ketters”, die door de inquisitie tot levenslange kerkering waren gedoemd!

Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke geloofsleer tot heden slechts onwetendheid en bijgeloof heeft bevorderd, slechts misleiding des geestes, tot heersch- en hebzuchtige doeleinden, heeft begunstigd, niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, oorlog en vervolgingzucht, met alle gruwelen, waartoe hardvochtige priesters in staat zijn, heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk sedert een of anderhalf honderd jaar in den nacht van waangeloof en bedrog—doch in verre na nog niet algemeen genoeg—is begonnen te gloren, zijn oorsprong is verschuldigd aan de beoefening der natuurlijke wetenschappen.

NACHT. Gij hebt in uwe rede bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke kerk gedoeld....

DAG. Eenvoudig hierom: de gevolgen, welke uit het geloof aan wonderen voortspruiten, laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen; daarenboven bevat zij in haren schoot de groote meerderheid der Christenen, want met inbegrip der Grieksch-Katholieken telt zij, volgens de laatste berekeningen, 185 millioen zielen, en de gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen slechts ongeveer 60 millioen.

NACHT. Maar gij zijt toch niet onbillijk genoeg om de misbruiken en gruwelen, die gij hebt opgesomd, aan de Christelijke leer te willen wijten; gij zult toch de schuld van al de jammeren, welke eene sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht over de Christenwereld heeft uitgestort, niet op Hem willen werpen, die de zuiverste menschenliefde predikte, die om onzentwille den marteldood aan het kruishout stierf,—namelijk, op Jezus Christus van Nazareth?

DAG. Verre van daar. Hij was ontwijfelbaar een best mensch en zijn handel en wandel was overeenkomstig met de voorschriften zijner leer. Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door zijne aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als „regtstreeksche hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, opstanding uit den doode ten derden dage, hemelvaart” en andere wonderen, door nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, wij zouden welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove verbastering des Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de aanbidding van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele secten, van de vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de Christelijke leer het geloof aan wonderen, aan het onmogelijke en onnatuurlijke op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met een wonder en wel het allergrootste wonder begint, waarop het gansche gebouw steunt en rust—de „bevruchting door een heiligen geest” en de geboorte eener „Godheid uit eene sterfelijke vrouw”,—zoo kan het Christendom, gelijk wij het hier voor ons zien, aan de menschheid nimmer geluk of vrede aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de eerste grondslag, waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan één wonder, dan kunt gij even gemakkelijk honderd, ja, honderd duizend wonderen als mogelijk aannemen, dan is niets meer onmogelijk. Het eene wonder brengt het andere voort. Ieder geloovige kiest uit de massa dat wonder of dogma tot zijn palladium, hetwelk hij het meest gepast acht voor zijne bijzondere behoeften, of dat het meest overeenkomt met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar dit is eene ware bron van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in verschillende, van elkander afwijkende meeningen en dit is de eigenlijke oorzaak van de verdeeling der Kerk in verschillende sekten. Het duurt vervolgens niet lang of sektegeest wordt in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid, welke allengs ontaardt in haat, nijd en vervolgingszucht.

Dewijl toch een wonder geene waarheid is en voor de juistheid van een blind gelooven geen bewijs kan worden gegeven, missen de aanhangers der godsdienstige secten (belijdenissen) die kalme, rustige gelatenheid des geestes, welke alleen kan geboren worden uit de overtuiging van de waarheid, uit een helder inzigt in de natuurwet. Bewijzen, welke mystieke godgeleerden willen ontleenen uit zoogenaamde „openbaringen en goddelijke ingevingen”, welke mannen uit den Joodschen volksstam voor meer dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in de zoogenaamde „heilige schriften” moeten geboekstaafd zijn, deze zal geen natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn in lijnregte tegenspraak met alles, dat in de groote schepping Gods leeft en zich beweegt. In de natuur alleen openbaart God zich aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij, tot een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen eindelijk tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen krenkt de ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo gaarne als onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is, komt laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere den spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat zij,—in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne leer is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk te koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch die zij uit het oog hebben verloren,—dat zij zich steeds verder van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen elkander voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te dwingen, ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 jaren is dáár om zulks te bewijzen, en nog op den huidigen dag kan men daarvan de treurigste ondervinding opdoen. Het geloof aan wonderen werd gezaaid, en het onkruid schoot op als eene duizendhoofdige hydra, waarvan elke afgehouwen kop telkens op nieuw door een anderen wordt vervangen. Maar zelfs dan, wanneer de Christelijke leer van al dat onkruid,—het geloof aan wonderen, aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken des bijbels, en andere dergelijke zaken,—werd gezuiverd, wanneer al de nadeelige vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het nog voortdurend tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden verbannen, weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der Christelijke leer, hare schoone, verhevene, hare lichtzijde,—ik heb hierbij het oog op hare zedeleer—van menige overdrijving ontdaan worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in de kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords, in het maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.

NACHT. Gij spreekt toch niet in ernst? O! ongeloovige Dag; zoudt gij het wagen, zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het overige gedeelte van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong verraadt, namelijk, zijne voorschriften omtrent de menschenliefde, de liefde tot den naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken of het als onverdedigbaar willen doen voorkomen?

DAG. Zoo iets komt niet, ja, kan niet in mij opkomen. De liefde tot onze natuurgenooten, het sympathetische gevoel, dat zich voor het geluk of ongeluk van anderen van ons meester maakt, het medelijden, hetwelk wij ondervinden met behoeftigen en lijdenden, de zucht die zulks bij ons doet ontwaken om te helpen en wel te doen, ik koester daarvoor de grootste vereering, ik beschouw zulks als de schoonste bloem in den tuin van ons gemoed geplant, die meer en meer aangekweekt, uitgebreid en op alle mogelijke wijze verdient te worden veredeld. Ik zal u echter bewijzen, dat de menschenliefde, gelijk Jezus die leerde6 in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij anderen alles, zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan worden gebragt, dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de persoonlijke regten, de waarde van het eigene ik, er door worden miskend.

De bijbel leert: „Hebt uwen naaste lief gelijk u zelven.” Dat doet niemand en kan niemand doen, dewijl het volstrekt onmogelijk is. De aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt ieder om zich zelven iets meer lief te hebben dan anderen. Om die reden behoorde het voorschrift aldus vervat te zijn: indien hongersnood u en anderen aangrijnst en gij kunt u voedsel verschaffen, nuttig er dan zoo veel van als noodig is om niet van honger te sterven; blijft er dan nog iets over, geef dit aan de anderen en behoudt het niet voor u zelven; spaar het uwe niet, wanneer anderen gebrek hebben; help anderen, wanneer gij u zelven niet in gevaar stelt er door om te komen.

Er staat geschreven: „Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor hen, die u geweld doen en u vervolgen.” Dat klinkt alles zeer verheven, goddelijk, en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar niet dan engelen wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet verbrand of gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de maatschappij, waarin wij leven, op te volgen.—Zij, die zich priesters „van Christus” noemen, van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg in 1854, hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt meesterlijke wijze vervloekt, geradbraakt en verbrand. De hemel behoede mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet vertrapt, niet naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als grondregel aan: tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd heeft gehandeld, beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo mogelijk tot vriend te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden zien, en houd hem op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort aanslagen tegen u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk in gevaar gebragt, neem dan de wapenen ter hand en verdelg hem.

Op eene andere plaats wordt gelezen: „Indien iemand u op de regterwang slaat, keer hem ook de andere toe.” Neen zeg ik; indien gij niet voor een dwaas, een lafaard of een gek wilt doorgaan, geef hem dan een ferme klap terug.

De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van zinnelijke begeerte, het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij zondig noemt; gij zult u losmaken van al wat aardsch is en het vleesch verloochenen, opdat „uwe onsterfelijke ziel aan God meer gelijk worde, tot den Vader in den hemel opklimme en de eeuwige zaligheid beërve.”—God echter heeft den mensch, gelijk alle andere levende wezens, tot genot geschapen en alle organen en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste doelmatigheid zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van spijs en drank, maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij dienen, met een aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen genieten dagelijks en duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige bedoelingen des Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn; maar anatomici en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen, de wet aan, waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.—De Schepper heeft aan het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle andere schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog behaagt, het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam niet in die schoone gedaante, opdat het onopgemerkt zou blijven, de organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich van alle genot zou onthouden!—Het is niet mogelijk het vleesch te verloochenen. Maar het Christendom eischt verloochening, kastijding des vleesches, onderdrukking der zinnelijke lusten, eene liefde tot zijn naaste als tot zich zelven, onbeperkte weldadigheid, mededeeling van hetgeen men bezit aan hen, die minder met aardsche goederen gezegend zijn (naar grondstellingen van het echte communismus); het schrijft voor zijne vijanden te vergeven, voor zijnen beleediger en vervolger te bidden, hen wel te doen, en wanneer men op de eene wang geslagen wordt, ook de andere toe te keeren,—al te maal leerstellingen, die men elken zondag met veel zalving van den kansel in alle kerken hoort verkondigen, maar die, daar buiten, door niemand kunnen betracht en uitgeoefend worden. Welke zijn nu de gevolgen, die uit dezen valschen toestand, uit deze onevenredigheid tusschen godsdienstleer en de physieke mogelijkheid, de betrachting er van, noodzakelijkerwijze voortspruiten?—: HUICHELARIJ, SCHIJNHEILIGHEID, welke ondeugden bij de belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene buitengewone mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de Christenen het geval is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, huichelarij,—op zich zelf beschouwd reeds diep te verachten, gelijk alle leugen en bedrog—is een verdoovend, langzaam werkend vergift, waardoor de mensch zich in zijn eigen oogen verlaagt, zijn karakter bedorven en de grond wordt gelegd tot velerlei kwaad in de maatschappij, die daardoor ten deele geheel ontzedelijkt wordt. Al ware het slechts om den wille der huichelarij, dat noodzakelijke gevolg van het aankleven der Christelijke leer, dit alleen zou mij reeds nopen het Christendom, zoo als het thans is, te verwerpen.

Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken der Christelijke volkszeden onder de aandacht breng, welke als het gevolg mogen worden beschouwd van den valschen toestand, waarin de belijders tegenover deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn geplaatst. In vele oorden van ons vaderland is het, zoo als ge weet, gebruikelijk in de huisgezinnen een jaar lang over een gestorvene rouw te dragen, zich een jaar lang van alle gezellige vreugde te onthouden, geen concert bij te wonen, geen schouwburg te bezoeken en gedurende dien tijd op geene openbare plaats van vermaak te komen. Gij zult mij toch wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat men zich gedurende datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen de vier muren zijner woning, niet onthoudt van het genot, dat men aldaar smaken kan; wat is nu die eenjarige rouw anders dan eene gehuichelde rouw, eene ceremonieuse pralerij met de smart, die men veinst gedurende een geheel jaar te gevoelen, en al dien tijd schijnheilig in het openbaar vertoont?—Zoudt gij vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare hut heeft afgestaan en ons heden avond verhaalde, dat haar man acht dagen geleden door een tijger was opgevreten, geen smart daarover gevoelt, nu zij met haar kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld doet zulks haar leed, maar zij kent de Christelijke huichelarij nog niet. Ja, wat meer zegt, indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i., in het gevoel bestond, indien het gemoed zóó lang met smart ware vervuld, ik zou mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen, zulks te meer laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn onverstandig, onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het geluk zoo der bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.

Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij gelegenheid van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der drie academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door langdurige oefening in staat is te bereiken, insgelijks zoogenaamde tableaux vivants werden gegeven. De voorstellingen waren, wat betreft de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer der Grieken en Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen ten voorbeeld genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij moesten bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij werden voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java nooit gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen van het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en houding op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het gracieuse behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid der vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor in de theologie en vooral geene dames. Men zei den ondernemer, dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde) L...sche dames den mensch, zoo als God hem levend heeft geschapen, en zoo als de beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit marmer beitelden, voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden en dat de kleermaker komen en hem „fatsoenlijk” moest maken.—De kleermaker kwam; de bloote tricotkleeding der levende standbeelden werd met lintjes, doeken en andere gewaden omhangen en—wat gebeurt er!—de oude goden en godinnen van Griekenland verschenen, geheel onverwacht, met hoeden, mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons, geduchte schorten! en omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van iedereen, te L....n op het tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier kwam een gedeelte van eene naakte knie onder het schort eener Venus te voorschijn en ginds werd een vleeschkleurigen schouder onder een opgeslagen tip van den groenen sjaal der Psyche zigtbaar.—„Foei, foei!” zeiden de Christelijke dames en—gingen heen. De heeren echter, die een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden van Kr.... vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu insgelijks weg; want zijden omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers in elken modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en—de ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder Nacht, dat is het gevolg van uwe Christelijke leer, die u voorschrijft den ouden Adam, welke in u is, te desavoueren, het zondige vleesch te verloochenen en uwe onsterfelijke ziel niet met aardsche lusten te bevlekken, neen, haar voortdurend te louteren en tot den smaak van de eeuwige zaligheid te dresseren. Deze leer heeft den goeden, aardschen smaak bedorven en de menschen tot huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de oogen af te wenden van dat beeld, hetwelk God als de schoonste bloem uit het beste gedeelte van het paradijs nam en als zijn meesterstuk op deze aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants niet wilden zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben toch vijf zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen slechts in het geheim, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen, o! hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving, hoe vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke lust veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer zoo als de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig op nieuw weder aangroeit).

Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan alle menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten aanbevelen: welk kwaad moet in de Christen-maatschappij als de oorzaak worden beschouwd van die kindermoorden, die zich in ons vaderland op zulk eene schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks, jaar in jaar uit, de treurigste berigten daarvan in de couranten worden medegedeeld?!—Hebt gij gedurende het verloop van meer dan een tiental jaren wel van een enkelen kindermoord! onder de Javanen (die geen Christenen zijn) hooren spreken?

NACHT. Het is inderdaad zoo als gij zegt.—Wat nu het overige betreft, uwe aantijgingen tegen het Christendom zijn zeer talrijk en in verscheidene opzigten, ik moet zulks bekennen, maar al te gegrond; anderen zal ik later, zoo ik hoop, bondig wederleggen. Voorshands zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover uwe beschuldigingen nogmaals die groote waarheid te stellen, die ik reeds vroeger heb aangevoerd, en waarvan de kracht nog in geenen deele door u is ontzenuwd. Wij zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van vervlogen eeuwen, maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat ons de mate van beschaving, welke bij de Christennatiën thans wordt opgemerkt, vergelijken met die, welke andere volken des aardbols in dat opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten duidelijkste blijken, dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap van beschaving staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de dwalingen en misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in lateren tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, buitengewoon verheffends moet gelegen zijn!—Het is waar, gij hebt dat vroeger tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende wijze aan te toonen welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden hebben te weeg gebragt, en zoo lang gij daartoe niet in staat zijt, moet ik het Christendom, in spijt van al de beschuldigingen, welke gij er op hebt geworpen, blijven beschouwen als den grondslag, als de bron, waaruit de hoogere Europesche beschaving is voortgevloeid. Gij zult toch wel toestemmen, dat het thans juist de Christelijke natiën zijn, die zich door hare beschaving het meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de eenigen zijn, die door hunne intellectuele, industriële en politieke ontwikkeling boven alle andere volken uitblinken en alle anderen de wet voorschrijven?!—Dat is toch een onloochenbaar feit!

DAG. Ongetwijfeld. Maar de grondslag daarvan ligt niet in het Christendom. In tegendeel; ik heb reeds vroeger met een woord gezegd, dat het Christendom, verre van zulks te bevorderen, daaraan de hand te leenen, zulks te bespoedigen, die hoogere ontwikkeling heeft tegengehouden en vertraagd. Wat zeg ik, tegengehouden heeft? Neen, het Christendom gelijk het thans bestaat,—en hiermede bedoel ik niet uitsluitend de Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle andere Christelijke kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne duistere, geheimzinnige dogma’s van het eene geslacht op het andere overplanten (hoewel deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de eerstgenoemde),—het Christendom gaat nog op den huidigen dag voort de vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen of te stremmen, blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven der eenvoudigste, maar groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs het geval in landen, die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, indien, namelijk, deze waarheden met het overgeërfde, blinde geloof of met de woorden des bijbels in strijd zijn. Het zou mij gemakkelijk vallen duizenden van voorbeelden, uit den tegenwoordigen tijd ontleend, tot staving van mijn gezegde aan te voeren; dit zal wel niet noodig zijn, dewijl zij u even goed als mij voor den geest moeten staan. De hoogere beschaving der Europesche volkstammen is uit eene gansch andere bron voortgevloeid.

Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, waartoe de volken behooren, die den aardbol bewonen. Een groot natuuronderzoeker heeft, wel is waar, gezegd, dat het niet zeer „verblijdend” mag worden genoemd te beweren, dat het eene ras, ten opzigte van zijne werktuigelijke zamenstelling, aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling, boven anderen is bevoorregt; ik stem dit in zoo verre toe, als zij allen gelijke regten hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw het bewijs als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den slavenhandel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of minder volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar van de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm en de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken dragen van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren—en niet ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat opzigt minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden dan de Papoea’s, de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Amerikaansche wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk ooit tot een hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij thans hebben bereikt. Alle volken echter, die de leer van het Christendom belijden, enkele uitzonderingen hier en daar niet medegerekend, behooren tot het Kaukasische menschenras.

De hooge trap van beschaving, de bloei der wetenschappen, de uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van nijverheid gegeven, gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles moet als een natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: als de eerste komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch te warme, noch te koude klimaat des lands, dat zij bewonen, hetwelk eene jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en winter, van lente en herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een zeer opwekkenden, verheffenden, bezielenden invloed uit op ’s menschen geest;—ten tweede de geographische ligging van Europa, in welk opzigt het boven andere werelddeelen verre is bevoorregt, dewijl het, verdeeld in zoo vele verschillende deelen of leden, doorsneden door uitgestrekte binnenzeeën, in het bezit zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen, eene veel gunstiger gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en scheepvaart als eenig ander land ter wereld, en—ten derde de betere physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om tot eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op te klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende menschenrassen.—Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de hoogere ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende vermeerdering der bevolking, welke laatste weldra in overbevolking ontaardde, zoodat de bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van onderhoud moesten omzien, de bestaande meer en meer verbeteren, en zich eindelijk gedwongen zagen naar andere oorden heen te trekken, kolonien of nieuwe rijken aan gene zijde des oceaans te stichten, waar de landverhuizers de reeds verkregen beschaving overplantten. Diezelfde mate van beschaving zou echter in het moederland reeds veel vroeger zijn verkregen geworden, indien het Christendom daarop zijn nadeeligen invloed niet had uitgeoefend.

NACHT. Uwe wijze van beschouwing kan ik, in al hare deelen, niet de mijne noemen. Ik wil voor den oogenblik toegeven, dat het Christendom misvormd, miskend, en door duizenden van menschen is misbruikt geworden tot het bereiken van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel en al vreemd zijn, waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard; maar aan de andere zijde moet niet uit het oog worden verloren, dat er door alle eeuwen heen duizend anderen werden gevonden, die de leer der menschenliefde in al hare zuiverheid hebben betracht. Dit moest natuurlijkerwijze een weldadigen invloed uitoefenen op den toestand der maatschappij in het algemeen. De vroegere ruwheid van zeden, de barbaarschheid moest langzamerhand plaats maken voor zachtere wetten; hierdoor moest het gemoed veredeld, de veiligheid van personen en goederen beter gewaarborgd en de snelle aanwas der bevolking begunstigd worden, welke laatste, gelijk gij vroeger reeds en te regt hebt aangemerkt, steeds gepaard gaat met de hoogere vlugt zoowel der industriële als intellectuele ontwikkeling.

DAG. Zeer zeker. Maar ook des te grooter waren de verwoestingen door het Christendom op andere tijden en in andere oorden aangerigt, terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat het allerwege den vooruitgang tegenhield, dewijl het den geest aan banden legt. In vergelijking van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige invloed, uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering, ja, hoogst onbeduidend te heeten.—En deze menschenliefde, deze belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat het menschdom is verschuldigd aan het Christendom? Is zij eene deugd, welke slechts Christenen bezitten? Het is waar, luid en heerlijk is zij door Jezus van Nazareth ter beoefening aangeprezen,—maar zij bestaat sedert de mensch deze aarde bewoont; bij alle volken, bij de belijders der verschillendste godsdiensten, bij Mohammedanen en bij zoogenaamde Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken, overal zult gij dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een ruwen, ginds in een meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan weder onzuiver, ja, zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk geheel verstikt,—maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in alle deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken, dat de beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van niemand geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te kennen. Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier onder de bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen zijn? Het is zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant, op aarde wordt gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en het kwade, de liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds bij de schepping des menschen werd de kiem van dit gevoel door den Almagtigen zelven in ’s menschen borst geplant.

Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk het bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig weefsel vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? werd hun dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet bij hunne schepping toebedeeld?—in wiens borst echter heeft zich het gevoel van menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate geopenbaard, dan juist in de borst dier priesters des Christendoms, die de leer van Jezus predikten, maar godsdienst- en verdelgingsoorlogen aanstookten en honderd duizenden hunner medemenschen op de pijnbank folterden, naar galg en rad verwezen of levend in de vlammen van den brandstapel wierpen, dewijl—deze honderd duizenden niet blindelings wilden of konden gelooven, hetgeen heersch- en hebzucht hadden voorschreven.

NACHT. De gruwelen dier dagen zijn lang voorbij. Verlies toch het goede niet uit het oog, dat de tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet erkennen, dat de Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet naar de letter kan worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent op het karakter der menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?—Ga eens na welk een groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn daargesteld, alwaar onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele genootschappen ter ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt, als vondelingshuizen, armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze Hollandsche hofjes,—in een woord, aan de menigte inrigtingen van weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van het Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten van den boom der Christelijke liefde?

DAG. Zeg dan liever menschenliefde. Ik geloof echter niet, dat loutere menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen van weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij melding hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware het niet, dat de ijzeren noodzakelijkheid allengs luider aan de deur had geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking en van het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des lands, hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen beantwoorden. Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio in elk land van Europa. Willen de rijken zich zelven niet laten verslinden door degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets anders te eten geven en hen verzorgen.—Wat nu betreft de veredeling des menschen door de Christelijke zedeleer, gij hebt toch even als ik in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten, Joden en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en zoogenaamde Heidenen, vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks hebben bespeurd, dat het geloof dier verschillende volken niet den geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en handelen; wijders dat onder een gelijk aantal Christenen even vele slechte menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, dat de zedelijk goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer dikwijls geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt van hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel van hen te behalen.

NACHT. Hoedanig ik over uwe anti-christelijke beschouwingen oordeel, zal ik u later mededeelen; ik wensch zulks uit te stellen, totdat wij onze reis door Java afgelegd en vermogende, zoowel als behoeftige inlanders zullen bezocht hebben. Alsdan zal ik meer ervaring hebben opgedaan en beter in staat zijn om eene vergelijking te maken tusschen de inboorlingen van dit eiland en de Christenen in Europa.—Maar zeg mij eens, indien gij volstrekt niet gelooft noch aan wonderen, noch aan eene hoogere openbaring in den innerlijken mensch, dan kunt gij immers ook geene bevrediging, geen troost vinden in de beloften, vervat in den bijbel waarop, als zijnde Gods heilig woord, zoo vele millioenen menschen hunne hoop bouwen en—hoe verklaart gij dan den oorsprong der wereld en de verschijnselen in de natuur?

DAG. De bijbel bevat menig schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen, waarvan de lezing niet slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij is echter zoodanig doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat het hoogst gevaarlijk is den bijbel als iets anders te beschouwen, dan als een boek, geschreven door zwakke, feilbare menschen, of hem te willen doen doorgaan als het „onmiddellijk woord van God,” als eene „uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen van Christus.”—Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- en taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den oorsprong van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin het is te boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde Apostelen zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden en derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar na Christus, in den vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, wier namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, welke destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op die wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de meest onbevooroordeelde, de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn het, die tot dit laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog lateren tijd werden de verschillende gedeelten en brieven bijeengevoegd tot dat geheel, hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe Testament te noemen. Het is derhalve niet eens mogelijk, om uit te maken of Jezus van Nazareth, al hetgeen in dit Nieuwe Testament staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft en of hij het zoo, gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.

Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, gelijk vele godgeleerden („Christelijke schriftgeleerden en pharizeën”) doen, indien men groote waarheden der natuur wil bestrijden met de woorden van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar volksverhalen en zulks in een tijd, toen nog geen Kopernicus en Galileï, nog geen Newton en Francklin geleefd hadden, toen nog geene enkele der gewigtige sterrekundige en physiek-chemische ontdekkingen was gedaan, waaraan onze eeuw haar licht, hare hooge vlugt moet dank wijten,—in een tijd toen men de magnetische kracht, de electriciteit niet kende, niet wist wat de bliksem was; toen men nog waande, dat de aarde in het hemelruim stil stond, en men zon, maan, benevens alle sterren, nog dagelijks om dezen kleinen aardbol liet ronddraaijen!—Waren de verschillende gedeelten des bijbels naar hoogere ingeving ter neder gesteld geworden, dan zou men toch billijkerwijze mogen verwachten, dat hier of daar eene natuurkundige waarheid, eene juiste verklaring van verschijnselen in de natuur er in werd aangetroffen; zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament zult gij niet alleen te vergeefs er naar zoeken, maar allerwege het tegendeel vinden.

Er is slechts eene openbaring, en dat is de natuur; slechts eene waarheid, namelijk die, welke geput wordt uit de grondige studie dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al hetgeen in het heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze verklaren uit de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren kennen en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven- en ondermaansche verschijnselen, eene enkele uitgezonderd:—het innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de geest, die haar bezielt, benevens de millioenen van verschillende gestalten, waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en te verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij in den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch gelijk in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid, alwijsheid en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende wezens zijn geschapen, is: genot en geluk. Al moge het mij nu niet gegeven zijn dit wezen der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die alles onderhoudt, te bevatten,—ik gevoel zijn aanwezen, ik gevoel, dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in vereering en in aanbidding noem ik hem—God.

Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: „er is geen God dan God”, zoo zeg ik: er is geen wonder dan Hij. Want terwijl alles bestaat en zich beweegt naar wetten, terwijl alles uit wetten kan worden verklaard, waarvan nog nimmer, sedert duizenden van jaren, sedert de mensch die wetten navorscht, het geringste uit zijne baan is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs om Hem te begrijpen, die voor ons verstand onbegrijpelijk is, dewijl ook wij een deel uitmaken van hetgeen door hem is geschapen. Gij zult mij gereedelijk moeten toestemmen, dat gij met al uwe godgeleerde kennis niet meer er van begrijpt dan ik, en dat van den anderen kant de goede Javanen er juist even veel van weten als wij beide, maar ook niets minder; want ook zij en zelfs die, welke niet tot de Mohammedanen behooren of dit slechts in naam zijn, gelooven aan God en aan dien naam verbinden zij, even als wij, diezelfde eigenschappen van alwijsheid en algoedheid. Dit geloof behoort, even als het gevoel van liefde tot den naaste, onafscheidbaar tot den mensch; bij zijne schepping werd hem dit ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd dit geloof luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben het uit geene andere bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste, in een woord, bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten geest, aan een almagtigen Schepper aller dingen.

NACHT. Maar bij de meeste wilde volken is het begrip van God zoo onduidelijk, zoo onbepaald,—de zwakke lichtstraal des geloofs aan een hoogsten geest is bij hen achter zoo vele bijgeloovigheden, vooroordeelen en geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware God wordt bij deze volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene groote menigte ondergeschikte geesten, Sétan’s, Dewa’s, Begoe’s, enz., enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond gesteld, als het ware verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog slechts een flaauw spoor van te ontdekken is?!

DAG. Broeder Nacht, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan den eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,—te midden der allerchristelijkste staten,—niet veel beter gesteld is, dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken; ik gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar in een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat, waar alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan geene kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf ook ik voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de eenige aanhanger er van ware.

Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch Mohammedaan, noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, Roomsch- of Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, Puriteinsch, Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, Wederdoopend, Kwakend of Afgescheiden Christen, maar behoor tot de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de kerk der regtzinnige natuurkundigen, die GOD aanbidden, die Hem in zijne werken en in de krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen.

Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, waar Hij of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij bijna onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche kerk. Wat aanschouwt gij daar?—Op den achtergrond ziet gij een kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth; de priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge gebaren en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem liggen biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield; ginds worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen aangebeden en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch zich nedergezet op den troon van God, om (tegen betaling)—bedreven zonden te vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt gij dan? Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser, Zaligmaker, Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige moeder, Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen van de kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen u menigmaal te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden, heilige biecht, aflaat en vagevuur,—maar van God, den alwijzen, algoeden, die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven gaf en geeft, van Hem zult gij daar niet veel te zien of te hooren krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan in de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mĕsigit’s op Java, den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.

En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze goede menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?

NACHT. Reeds vroeger heb ik u gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks in het Katholieke geloof ben opgevoed, maar, even min als gij, mijn gemoed gesloten heb gehouden voor beter licht, in tegendeel steeds geneigd ben geweest deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan te hooren. Daar gij het gezuiverde, door de Hervorming gelouterde Christendom reeds vroeger hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet spreken en bovendien mijn oordeel over de vraag nopens de invoering des Christendoms onder de Javanen opschorten tot tijd en wijle dat wij onze reize door Java hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan daaromtrent ook zal mogen koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik het nimmer zou durven wagen, dergelijke beschouwingen als de uwe, omtrent de Christelijke leer en kerk, althans niet in Europa, openlijk te verkondigen.—Zij zouden ons in den ban doen, excommuniceren!

DAG. Laten zij het doen. Gij behoeft niet in hunne kerken te gaan, waar van den waren God toch niet veel te vinden is. Van hen behoeft gij geen troost te ontvangen.—Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van waar de zon, de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring u te gemoet schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt: God, Alwijze, Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in de bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het lot, dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd; ik heb afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb mijnen naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel in mijn vermogen is,—dan bezit gij de ware godsdienst, dan hebt gij hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten; dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder opstaan van uwe legerstede, want God is met u. De waarheid, het regt, hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk maken tegen alle wederpartijders.

NACHT. Hetgeen gij daar zegt, heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De vrees echter, die ik koester om mij openlijk te verklaren tegen de leerbegrippen der gevestigde kerk, kunt gij niet weg redeneren. Ik kan dit niet zoo ligt tillen als gij. Hierop zal ik welligt later nogmaals terugkomen. Maar nu wenschte ik wel van u te vernemen,—dewijl gij de invoering van het Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt: wat wilt gij dan de Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder eenig onderrigt, blijven zoo als zij zijn?

DAG. Het is beter, dat zij blijven, ’t geen zij zijn, dan dat er Christenen van hen worden gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet, om hen te laten blijven, zoo als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne denkbeelden mededeel omtrent de wijze, waarop de Javanen behooren onderwezen te worden, wil ik nogmaals met korte woorden herhalen, hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en hetgeen ik ten allen tijde bereid ben uitvoeriger en grondiger te bewijzen, namelijk: 1o. dat de hoogere trap van maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet het gevolg is der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel dat het Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen heeft tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover staat;—2o. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van de beoefening der natuurlijke wetenschappen, welke langzamerhand licht en kennis in den langen nacht van het Christendom verbreidden, en dat de hoogere vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de oorspronkelijk grootere geschiktheid, welke de volken van het Kaukasische ras voor geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen hersengestel en in hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, waarbij vooral niet over het hoofd mag worden gezien de opwekkende invloed, uitgeoefend door het gematigde luchtgestel en de bij uitnemendheid gunstige geographische ligging;—3o. dat het Christendom de menschheid geen duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan wonderen aankweekt;—4o. dat zelfs de lichtzijde van het Christendom, de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde tot den naaste, de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding van aardsch genot—in die mate als dit wordt geleerd, niet betracht kan worden, wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve gemeenlijk slechts huichelarij en schijnheiligheid doet rijpen;—5o. dat het geloof aan eenen grooten, algoeden God alreeds in het gemoed der Javanen levendig is;—en 6o. dat zij menschenliefde bezitten en beoefenen, ja, beter en met zuiverder bedoelingen beoefenen dan duizenden dier Christenpriesters in Europa gedaan hebben.

De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve geene waarheid leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, dat zij niet reeds bezitten. En nu vraag ik: waarom wilt gij het Christendom invoeren onder deze goede, nog onbedorven menschen?—Wilt gij tweedragt onder hen zaaijen, het onvermijdelijk gevolg eener godsdienst, welke met het geloof aan een wonder aanvangt en met wonderen eindigt; wilt gij sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te houden over dogmatische spitsvindigheden?—Wilt gij hen dan volstrekt onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame hutten, velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol en Gòlok wegwerpen en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen naar razende kerkvergaderingen,—opdat onder dezen zoo gelukkigen, Oost-Indischen hemel het eerste bedrijf van gindsche geschiedenis des Christendoms op nieuw worde aangevangen,—opdat hier op Java dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten tooneele worde gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang voorbereide bedrijf in Europa nog niet vertoond is geworden?

Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u zelven, niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, wilt gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter aankweeking der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen reeds meer, bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; leer hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper en onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen de gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden regen doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur, maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit hen zelven moet opwellen,—dat zij de goddelijke kiem, die in hen ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren (niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als hun schoonste erfdeel moeten beschouwen,—maar, kwel hen niet met evangeliën en dogma’s, hoe één is drie en drie is één, met de leer van gemeenschap en transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën, wierookvaten en andere dergelijke „heilige” gereedschappen; voer de biecht, de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java (waar het buitendien reeds heet genoeg is);—laat toch den priesterrok weg en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil, het schrikkelijke—kruis! niet op hunne vreedzame bergen,—verspreid geene wondersproken, geene bijbels onder hen!—want dergelijk zaad zou onvermijdelijk, hetzij vroeger of later, een monster doen opwassen, dat zijne woede tegen zich zelven zou keeren en u allen zou verslinden.

Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste geruststelling omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, die bij mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn zal de Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.—Het verlossingsproces des menschen van de zonden en de verzoening met God door het zenden en opofferen „van den levenden God, zijnen zoon, dien Maria van den Heiligen geest heeft ontvangen” (!) of, gelijk anderen zeggen van den „Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest door het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken, gevoelen, willen en handelen in God,” (!) enz., de opstandings- en hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en dergelijke fraaijigheden meer,—dit alles hebben de meest ervaren, diepzinnigste godgeleerden in Europa nimmer kunnen begrijpen, om welke reden zij het juist gelooven (dat is, hun verstand tegen wil en dank opdringen) moesten; het eenvoudige gezond verstand der Javanen zal het nog veel minder begrijpen; op het vernemen van dergelijke leerstellingen, zullen zij elkander verwonderd aanzien en het hoofd schudden. Stel voor den oogenblik, dat het u gelukt zij den Javanen dit geloof op te dringen, wat zult gij daarmede gewonnen hebben?—Vroeger heb ik de tallooze en schrikbarende onheilen opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft berokkend. Het geringste van al die onheilen was, dat het de menschen tot schijnheiligen en huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java niet blijven. De inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in vele deelen en residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche priesters een grooten invloed uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een gedeelte van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; anderen zouden Mohammedanen blijven—en daardoor zoudt gij al dadelijk en van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile zwangere tweedragt gezaaid en de kloof tusschen andersdenkenden gedolven hebben, die zich allengs verwijdt en met haat gevuld wordt,—daargelaten de kiem van oneenigheid, welke de Christelijke leer (gelijk elke leer, die het geloof aan wonderen voorschrijft) in zich zelve bevat.

NACHT. Mag er niet worden gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor de gevolgen van de invoering van het Christendom, van het geloof aan wonderen, gelijk gij het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft tot eenige overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze zoo goede, zoo zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan om den wille van geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden zijn daarom krijg te voeren?—Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en gehoorzaamheid, ja, de vredelievendheid in eigen persoon?

DAG. Och, broeder Nacht, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet kent. Gij zult het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot wilt blijven vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de lagchende vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de eenzame hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam’s en Kraton’s hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat, waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om hen in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en—geef acht op de uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen, indien gij, voor wij onze reis door de binnenlanden hebben afgelegd, niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen zijn. Op gelijke wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen arbeid, van het volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, waar omtrent gij reeds op den huidigen dag eene niet onaardige ervaring, hoewel nog slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!

Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende geschiktheid tot velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor alle kunsten en handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij beminnen den vrede en de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult tevens de vonk, die de hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe geringer de zedelijke en intellectuele ontwikkeling van een volk is, hoe minder het zich door beschaving boven den oorspronkelijken, eenvoudigen natuurstaat heeft verheven, des te gevaarlijker zijn zijne hartstogten, wanneer zij ontvlammen. Wacht u daarvoor—zie toe, dat gij den slapenden leeuw niet wekt. Denk aan het Amok en de woede, die zich van hen meester maakt, wanneer zij later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn bedrogen geworden. Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen dergelijk gebak te eten, dat even als Koewé koewé, met Kĕtjoeboeng aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat zij vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen zij zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u allen verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de Klok:—”jedoch das Schrecklichste der Schrecken, das ist der Mensch in seinem Wahn!”.7

NACHT. Nog nimmer heb ik hen door drift vervoerd gezien en zou......

„Toean, toean!—Lakas, lakas! Matjan, matjan!”- - - Onder het uiten dezer noodkreten ijlde een onzer jongens naar ons toe en deed ons verschrikt opspringen van de plaats, waar wij digt bij den rand der kloof op ons gemak lagen te praten. Het middernachtsuur was nabij. Achter Sidin kwamen twee andere Javanen aanstormen, die met knuppels en een brandend stuk hout woedend in het rond zwaaiden. „Een tijger, een tijger!—Holla, ho! Val aan, val aan, een tijger!”—Deze noodkreten deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik ontwaken en in één oogenblik was alles op de been;—in de hutten hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw aan,—de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden zij naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken, hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit, die hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter, dat hij door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op eenigen afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van onze kogels, die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat hij op den grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong en andermaal over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op hem, zoodat een paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren, het eindelijk durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en hem—door hunne pieken zoo diep in zijn lijf te steken, dat hij, als ware het aan den grond werd vastgespiest—voor goed te dooden. Deze pieken waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris) de eenige wapenen in het gansche dorp.

De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar het dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan de klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander zij zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen, had hen uit den slaap gewekt.

De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den dalwand genaderd en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine rigting, al sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar haar licht scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te kunnen zien, dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. Het was een koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, maar slanker dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de scherp en dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk gebit, de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog teekende, boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, eene schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken, waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid was bezoedeld, niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en kinderen scheen de angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode dier niet dan op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe alleen, voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings nader en hield vlak voor den tijger stil.—Haar lang, zwart haar had zich ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste vrouwen, die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood verschrikt van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar bovenlijf was, zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den Sarong, welke om de lendenen was geslagen en van daar in breede plooijen hare verdere ledematen bedekte.—De jeugdige weduwe stond daar met opgeheven armen, voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt hoofd en staarde met fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der wildernis, die daar voor haar lag. „Dat is de tijger, die mijn armen man heeft verscheurd en nu ook mijne geit heeft geroofd!” riep zij op snerpend luiden, huilenden toon en wierp zich met eene soort van gebrul op het doode dier. Zij wroette met beide handen in zijne wonden, verwde zich met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg hem op de oogen, beet hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen bloed op, sprong tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich andermaal onder het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op den tijger, dien zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde hare onstuimige drift zich mede aan de overige vrouwen, de ééne verdrong de andere, ja, zelfs de kinderen kwamen eindelijk toesnellen om den tijger te schoppen, te slaan, uiteen te rukken of althans hunne voeten in des tijgers bloed te baden. De mannen hielden zich stiller, bedaarder; maar naauwelijks ontstond er eene opening tusschen de vrouwen en kinderen, kwam er eene vrije plaats, en kregen zij de gelegenheid om het dier te naderen, dan staken zij hunne lange dolken (Kris) tot aan het hecht in zijn lijf,—herhaalden dit met onmiskenbaren wellust zoo vele honderde malen en doorsneden en doorboorden den dooden tijger zoodanig, dat hij eindelijk eene zeef geleek;—daar lag nu het Koninklijke roofdier uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den dolk in de hand op hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne voeten in zijn bloed—en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf, met heur loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt, dreigend en huilend daarbij—in groepen, waarop het wegstervend licht der maan nog eenige laatste stralen wierp.

Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder Nacht eenigzins achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij Javanen in drift ontstoken gezien en het scheen, dat hij op dezen oogenblik grooter vrees koesterde voor deze menschen dan vroeger voor den levenden tijger. En toch was deze vrees geheel en al ongegrond; wij hadden hen immers volstrekt geen leed gedaan; wij hadden hunne rust, hunnen vrede niet gestoord, hun stil geluk niet verwoest!—Langzamerhand scheen hunne wraaklust zich te bekoelen; zij hadden uitgewoed en kwamen tot bedaring. De maan ging onder en de een na den anderen verliet den kring, keerde naar zijne hut terug, waarvan de deur zorgvuldig van binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog slechts een paar mannen over, die op hunne knieën naast den tijger lagen en zich oefenden in het gebruik van de Kris. Door woorden en gebaren gaf de weduwe ons nu te kennen, dat het haar „goed deed aan het hart, wraak te hebben kunnen nemen aan den tijger, dat wij beste heeren waren, dat zij ons ten zeerste bedankte, want wij hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden zegen in haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als ons eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven als wij wenschten, hetgeen haar hoogst aangenaam zou zijn.”—„Banjak tabé, toean! Slamat tidor, toean!” (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)

Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, waarbij twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar, zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten uit alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé balé), die van nevens elkander gelegde strooken gespleten Bamboes vervaardigd was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie gevuld, was uitgebrand en slechts het schijnsel der wachtvuren, dat door de reten der gevlochten Bamboeswanden binnen drong, verlichtte eenigzins het kleine vertrek.

Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want al was de temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° Fahrenheit gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den loop des daags aan een veel hoogeren hittegraad,—van 85 à 90° en in den zonneschijn nog veel meer,—waren blootgesteld geweest. Maar onze Koeli’s waren niet aangekomen, en nu konden wij hen ook niet meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven reizen door wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.—Wij vouwden onze reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot een hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Sĕlendang, bedekten ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid zijnde, zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.

(Vervolg hierna.)

1 Een Javasche paal heeft eene lengte van 4800 Rijnl. voet (4637,6 voet oude Fransche maat) of 1506,0 Ned. el; drie palen worden gewoonlijk op een uur gaans gerekend.↑

2 Overal waar in dit door zijne groeikracht zoo weelderige land geen woud wordt gevonden, mag men zeker zijn bebouwde velden, of Alang-alangwildernissen aan te treffen, die de plaats van voormalige akkers hebben vervangen. Dit is de reden waarom een vreemdeling op Java, in zeer bebouwde bergachtige streken zich bevindende, het voor hem zoo verrassende schouwspel ontwaart van hoogstammige wouden op de allersteilste bergwanden en in de diepste kloven te zien—dewijl zij in al de overige, toegankelijke streken van het gebergte geveld zijn.↑

3 De eenige benaming, welke de Maleiërs aan de zon geven, is Mata hari: oog des daags.↑

4 Een kleine nachtvogel (eene soort van Geitemelker).↑

5 In het Maleisch: Anak kambing wolanda.↑

6 Of die men Hem in den mond heeft gelegd; niemand toch kan bewijzen, dat hetgeen lang na zijn dood, naar luid van volksverhalen, is te boek gesteld en ons in het Nieuwe Testament wordt medegedeeld, letterlijk zijne leer bevat.↑

7

’t Gebrul des leeuws moge elk vervaren, ’t Vliede al des tijgers felle klaauw;

Maar o! van al wat schrik kan baren, Het schrikkelijkst is een toomloos graauw.

(van Lennep.)↑

VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.
2.

Inhoudsopgave

Ik droomde.

Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden gedost. En—hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte—tegenover hen zat een gelijk aantal dominé’s, die met hunne driekante hoeden en zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige engelen hem begeleiden.

Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis.

Een der oudste dominé’s stond van zijnen zetel op en sprak deze woorden: „Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd, die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen, als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten, in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur, dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift—in den bijbel—ons daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien, dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten, slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht, dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,—zijn het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.—Jezus Christus is Gods Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.—Gij acht het noodzakelijk ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft; wij insgelijks.—Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.—Gij houdt het omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen; wij insgelijks.—Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven, vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring—een paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.”

De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende woorden tot hem: „Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn, ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk, de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God—meer moet gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven, hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan laat het zich ’t gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed; want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren—al was het louter onzin, dwaling of bedrog—de vereering daarvan zal hem eene behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg, en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen eed te zweren. Benedicite!”

Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren; zijne krachtige toonen wekten de echo’s van het hooge gothische gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan, waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende dampwolken al hooger en hooger opstegen.

De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm vasthield en mij toefluisterde: „Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil; wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden, is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg, dat gindsche nis bedekt, dan zou het u ’t leven kunnen kosten! Ik bid u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van hier vlieden.” Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld om dat beeld in de nis te ontsluijeren,—ik trad nader en rukte het gordijn weg.

Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf, verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen, pastoors en dominé’s vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste verwarring uit de kerk.—En wat zag ik nu?—Wat geschiedde aldaar?

De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen, zij werd levend en—voor mij stond een mensch,—een man met joodsche gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,—met een bleek, door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig, grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik, dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik opgezwollene lidteekenen.

Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde mensch!—ja, mensch.—En toch boeide mij die verschijning, stond ik als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde, die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;—hij bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, deed zijne lippen trillen,—hij strekte de hand naar mij uit en—ik viel neder op mijne knieën om haar te kussen.

Nu sprak hij: „Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij eerst mishandeld en gekruisigd,—druk mijne handen niet zoo sterk, de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,—duizend anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;—later moest ik mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene redelijke ziel;—maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat alles gaven zij nu uit voor „het geopenbaarde woord Gods.” Niet altijd hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van ’t geen ik hen geleerd had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu werd dit doode woord als „heilige schrift of bijbel,” onveranderlijk van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,—het weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk verstand—mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,—voor Gods woord uitgaven.—Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige, Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke, van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken, opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn.”

Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.—Ja, ik erken u, gij zijt het—Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen, om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst hunner medebroederen,—ik wil mij scharen aan de zijde dergenen, die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd, opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan.

Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht eenig voorwerp achter mij,—ik keerde mij om en zag twee pastoors en drie dominé’s, die teruggekeerd waren,—zij hadden hunne ronde en driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd, vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van Jezus heen;—ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,—daar klonk het geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen.

Daar buiten in het dorp werd de Gamĕlan gespeeld, waarvan het geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,—hij sliep nog nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.—Het oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen, terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamĕlan gerangschikt was.

Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet wat eene Gamĕlan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamĕlan verstaan de Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten, voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong’s) deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang’s en Kĕnong’s) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bĕdoeg), vervolgens een aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden (Gĕndèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen, die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien, een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te bespelen en eene of twee Ronggeng’s, d. i. dans- of zangeressen. De Ronggeng’s zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java uit den voormohammedaanschen tijd—den tijd der Hindoerijken, der Brahma- en Boedhagodsdienst—zijn overgebleven; deze treden echter alleen bij plegtige gelegenheden op.

Eene dergelijke Gamĕlan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen, als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon zou verschijnen,—het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,—om hunne instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord, bim, bam, bim, en—boem klonk de zware basstem van den grooten Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamĕlan en onze koffers gewaar werd.—Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner jongens gisteren de Koeli’s begeleid en reeds vóór het vallen van den avond hier had moeten zijn. Hij hinkte—en maakte een erbarmelijk figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon nu met een „Banjak tabé Toean, djangan mara Toean” een en ander tot zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli’s liepen zoo snel als mogelijk was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die beet mij in mijn linkerbeen.

NACHT. Eene slang, gebeten?

LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.—Mas Poetri heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag (bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij) medegebragt. Toen de Koeli’s dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist bruiloft gehouden en de Gameĕlan gespeeld, er waren Ronggeng’s en ons werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli’s, dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pĕndopo en wat wij ook deden, wat wij hiertegen inbragten—wij baden, wij dreigden hen, wij stompten er op—maar ’t was alles te vergeefs, eenigen vlijden zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamĕlan, anderen tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng’s en al onze pogingen waren vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend, dat het beter was de gansche Gamĕlan maar mede te brengen. Ik weet immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel, dat het mijne schuld niet is.

NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli’s hebt gegeven, zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met de Ronggeng’s getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt, hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in den nacht de Gamĕlan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar gij zult zelf de kosten er van dragen.

LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam sĕpoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.

NACHT. (lagchend) ’t Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat gij weg komt en breng koffij voor ons beiden.

Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten, hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang, die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: „Ja, mijn Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt, indien gij de slang op spiritus wilt zetten.”

IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft, door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden?

MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht op die wijze doorbrengen?

IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel, achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan.

NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen zijn?

DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen, bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of onverschilligheid bij hen bemerken;—welk eene kracht ontwikkelen zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.—Wenscht gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften, dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland echter,—en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,—heeft de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte, dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten, waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland, onmiskenbaar toegenomen.

NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch iets leeren!

DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis—van de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling verband der verschijnselen—voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware, natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken; want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest.

Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt (benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),—toen de morgen aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe!

Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt; gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als de speeken van een wiel, opwaarts,—eenige dezer stralen, namelijk die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen, blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons, als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;—geen enkel wolkje is aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw, en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,—alles is vochtig en het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,—daar gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het gebladerte een nieuw leven te gemoet;—de paauwen verlaten den tak, waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden, verwarmenden straal der zon te begroeten en—de mensch?—De Javanen zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,—want ik strekte mijne armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter: de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja, met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen, beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de wolken gehoorzaamt u en gij gebiedt den donder.—Slechts éénen nacht waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig bekoeld, dat al het water, ’t welk gisteren, door de warmte opgelost, als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen, begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw beginnen te bewegen,—gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee zal niet in die mate worden verwarmd als het land,—ten gevolge hiervan zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen, de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;—te gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt nedergeploft tot mist en nevel,—wolken zullen dan worden gevormd; deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen van de rotswanden vallen en Bandjĕr’s met onweerstaanbare kracht door de bergkloven bruisen—en van dit alles, van deze herscheppingen des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn, gij blinkende, zoo rustig stralende zon!—En zou uw straal, die met eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben, die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,—zou uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding, geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;—wel weet ik niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog, maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn zonder oor en zonder oogen,—zou deze ziel ook niet om iets anders geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan?

Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken, dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;—er was een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;—gedurende langen tijd wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen, met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen zij gaat;—uit mijzelven ontstond ik niet;—in de natuur schiep ik niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in verband en wederkeerige werking staat;—een draad kan het slechts zijn van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven, mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,—die de natuur schiep en onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid, doelmatigheid en goedheid!—Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,—tot U sta ik in betrekking!—eeuwige en onvergankelijke God!

Een dergelijk „morgengebed” zal wel zijn opgeweld in den boezem van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten, de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper.

Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven, toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen, ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die nooit gedronken.

Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan, ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken, alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier, in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde Koeli’s op te zoeken en te huren.

Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling, in te roepen,—ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten, waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was dit tot regel aangenomen.

Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt: „Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli’s vinden; de Koeli’s, die te Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden, uitgenomen de vrouwen en een paar knapen.”

Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen, op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: „mijn man is op den Oema” (het drooge rijstveld), „mijn man is gaan visschen, mijn man zoekt Rotan in het woud,”—de meesten echter hielden zich in hunne hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige Javanen—wel is waar, schoorvoetend en langzaam—buiten hunne hutten traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De een spoorde den anderen aan en zei: „Kom! gaat gij mede; de Heer kan toch zelf zijn koffers niet dragen;”—de aangesprokene moedigde weder een derde aan om mede te gaan,—de derde een vierde en ieder van hen had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond, maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als de tweede, de derde of de vierde.—Onder de Gamĕlanspelers was er een, die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu aan dezen, dan weder aan den anderen kant;—zij beviel hem uitmuntend, gaarne had hij ze behouden, maar—daaraan zijn gemak op te offeren, zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op het heetste van den dag!—neen, dat was te veel gevergd. Hij trok een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend, den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en—kaauwde Siri.

Eindelijk naderden eenige knapen: „ik, mijn Heer! ik wil meê!” en een derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen te zijn, zeide: „indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê.” Maar wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen, naderde nu en zeide: „Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, zoo lang gij verkiest,—morgen of overmorgen zullen er wel Koeli’s te vinden zijn;—wij blijven immers voortdurend hier!”—en stellig houd ik mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven, zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest zijn. Maar—een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten, daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden zij hun gemak en—bleven arm, gelijk zij waren, te huis.

Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli’s toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van ’t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2½ gulden, waarvan wij er 1½ vooruit moesten geven, te brengen naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.—Van eene voldoende hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en schellen van den Pisangstam was gepakt—onze brief had hij behoorlijk in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Pĕnang-) palm gewikkeld, ten einde hem voor nat worden te bewaren,—stapte onze bode, met den Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, omstreeks negen ure het dorp uit.

Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten, en bevalen den kok—dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen—om voor een goeden maaltijd zorg te dragen.—Welgemoed behoort men zich te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw plan voor datgene, ’t welk den bodem was ingeslagen en besloten om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer, eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig „zulk een hoogen berg” niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl moeten een bitter kruid is, zoo—verschaften zij ons het genoegen van hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren.

Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe, terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen—de alledaagsche kost der tijgers—sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan, waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken) groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de graswildernis verstrooid lagen.

Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende, verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen, Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel vormen der Kĕri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf; het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,—de kolossale stengels dezer grassoort,—die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten (Mĕndjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij sprak hen op de volgende wijze toe: „wij moeten nimmer eenig dier mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, mogen wij - - -” paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin, die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen, mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid: wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is.

Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.—Langzamerhand verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich groepen fijn gebladerde acacia’s (Djoendjingboomen); hun in de breedte uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende, over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond.

Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen, en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel; in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen, struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven, aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen, en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera) en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, ’t welk zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-, Ki tĕrong-, Bĕngang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud heenvlogen. Eindelijk—wij naderden nu den top des bergs—ontwaarden wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd; een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen, die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn broeder Nacht er niet weinig van verrast stond.

NACHT. Hoe wonderbaar toch!—Op onzen korten togt van het dorp tot aan deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé), welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang, dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels (buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen, dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.

DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen, is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder, gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak—de afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst—duizend andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land, Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen die gras eten, benevens Bioel’s die op wormen en insekten azen, welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;—later hebt ge acacia’s aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.—Overal waarheen gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij brengt in tegendeel overal overeenkomstige—verwante en analoge—vormen voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna 4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk, dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk van het onze in Holland.

Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een naauw pad gevolgd, ’t welk wij hadden beschouwd als een weg, door houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten top bereikten, zagen wij met verwondering een Pĕndopo voor ons, dat is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele nog niet geheel verwelkte bloemen.

Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze overpeinzing,—wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal, dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich verder uitbreidende wolken.—Wij bevonden ons te midden van eene onweêrswolk.—Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel, maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij verstomd ter aarde zonken,—terwijl tevens de regen in ontzaggelijk groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, ratelend en oorverdoovend te gelijk,—terwijl de nagalm van den donder weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts—en onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,—daar doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,—een dof geschrei werd ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,—wij namen hem in ons midden, wreven hem,—maar tot in het binnenste der ziel geschokt door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot met hem te deelen,—terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde, die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen.

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
481 p. 2 illustrations
ISBN:
4064066402808
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books