Read the book: «Het Kindeken Jezus in Vlaanderen»
Felix Timmermans
Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403768
Inhoudsopgave
DE AANKONDIGING.
DE BEZOEKING.
DE VEROPENBARING AAN JOZEF.
HET HUWELIJK VAN MARIA EN JOZEF.
DE OPSCHRIJVING TE BETHLEHEM.
KERSTMIS.
DE OPDRACHT.
DE DRIE KONINGEN.
HERODES, EN DE MOORD DER ONNOOZELE KINDEREN.
DE VLUCHT.
DE WEDERKOMST NAAR NAZARETH.
DE AANKONDIGING.
Inhoudsopgave
Murmelend bad Maria in de late Zondagstilte:
„Hij kusse mij met den kusse zijns mondts; want uw borsten zijn beter dan wijn. Welriekende naar de alderbeste zalven; uitgestorte oly is uw naam, daarom hebben de jonge dochterkens u bemint….
„Ik ben een bloeme des veldts en eene lelie der dalen …
„Gelijk een appelboom onder de boomen der boschagen alzoo is mijn lief onder de zonen, onder zijne schaduw heb ik gezeten en zijn vrucht is zoet in mijn kele.
„Hij heeft mij geleidt in den wijnkelder, hij heeft de liefde in mij geschikt, onderzet mij met bloemen, omzet mij met appelen want ik quelle van liefde!….”
Maria zweeg en even opziende uit het zwaar getijdenboek, zag zij reeds de smalle sikkel van de maan in den perelmoeren hemel hangen.
De avond kwam, en in het proper tuintje stonden aangename geuren van boonen van genuchten, en ievers was een vogel die voor zijn eigen floot.
Zij duwde haren neus in de gele bloemen die zij in een blauw delftsch vaasje op de tafel had gezet, en zij zuchtte.
Het was van een week en zoet gevoel dat haar deed stil zijn en de oogen luiken. Het was het vrouwelijk verlangen om kinderen te hebben, zoete, zachte kinderen met blond haar en blozende gezichten; en die zij in hare kinderlijke verbeelding niet zag grooter worden, en haar zouden gegeven zijn lijk ’s avonds de dauw op de beemden zijgt.
Want Maria was zeer rein en zuiver van gepeinzen.
Zij verlangde zoo smachtend naar ’t bijzijn van een eigen kind! Ach, hoe dikwijls heeft zij niet gestaan met tranen in de oogen, te droomen naar de blijde kinderen die bij avonddaling, zingend uit de velden kwamen!
En nu in dezen Maartschen Zondagavond liep er haar hart van over en voelde zij daardoor een groote eenzaamheid.
Want zij was nog maar een maagdeken van achttien jaar.
Zij woonde in het witte huisje, met geel en zwart geruite vloeren, alleen sedert hare goede moeder Anna in de geur van heiligheid gestorven was.
Daar aan den witten muur hong moeders beeltenis, geschilderd door den monnik Lucas, een man die heilige boeken verluchtte en ’t leven der aartsvaders en eremieten kunstig op ’t glas wist neer te malen en te bakken.
De schemering die om de eenvoudige dingen waarde, zooals er daar waren koperen kandelaars en gebloemde tellooren en zilveren glazen vazen met wassen bloemen in, liet nog alleen zien het bleeke hoofd der eerbiedwaardige moeder Anna.

Met die profetelijk bijeengehouden lippen, de perelzwarte oogen en het haar zorgelijk over de ooren gekamd, zoo leefde ze steeds helder voort in de verbeelding van haar eenig kind. Zoo zag Maria haar nog de boterhammen snijden, de avondgebeden zeggen en ’s Zondags uit de beste kamer komen, gereed om naar de kerk te gaan; hare zwarte kleederen ruischten dan, een kerkboek stak onder den arm en een witte trekmuts verhelderde haar hoofd.
De moeder bracht haar kind op in de vreeze Gods, en toen ze kalm en gelaten haar ongerepte ziel, door Onzen Lieven Heer liet afplukken lijk een bloem, kwam er een lach op hare lippen en begon haar lichaam naar kostelijk fruit te rieken.
Maria, die toen nog maar zestien jaren was, en zag hoe hare moeder kalm sterven kon, hield een grooten troost over, en met de goede herinnering harer, leefde zij het eenvoudige, witte leven voort.
De dag kwam en de nacht, het wierd winter en weer zomer en Maria at zuinig den schaarschen kruimel brood dien zij verdiende over het kantkussen gebogen. Dit had ze nog geleerd toen zij met haar ouders op de heuvelen van Zuid-Vlaanderen woonde—en haar genot was leven in den Heer en bidden in het boek door Lucas rijkelijk met kleurige printen en guldene versiersels opgeluisterd.
Maar nu in dezen Zondagavond was zij stil van weemoed en vol van moederlijk verlangen.
Toen kwamen er trage stappen aan. ’t Was de korte, dikke parochie-paap, die al wandelend in zijn brevier aan ’t lezen was.
Hij wandelde nevens de haag, zag Maria aan het open venster zitten en riep haar welgezind een goeden avond toe, en dan kwam hij door het tuinpoortje over den blonden wegel naar haar.
Hij bleef buiten aan het venster staan, lachte haar eens vaderlijk toe, en toen Maria, die recht gestaan was, hem zijnen zegen vroeg, gaf hij hem haar met lui gebaar, en zei daarna, dat het een schoone avond was, maar dat er morgen wel zou kunnen regen komen.
Bedeesd en vol van eerbied voor den dienaar Gods gaf zij karig bescheid en liet de avondstilte heerschen.
Het hoofd van dezen paap was groot, rood en vetblinkend tegen de avondlucht.
„Ja, ja, het is goe weer,” zei hij nogmaals. Want hoe hij ook vol iever was voor ’t zielenheil zijner schapen, toch kon hij niet den geest van God in zijne woorden leggen. Hij bezag Maria, die niets op haar gemak in den boek aan ’t blaren ging. Hij zag maar al te duidelijk hoe dit meisje vrouw aan ’t worden was, en hoe zij haar borsten wegdrukte in het spannende, zwaarplooiend blauwe kleed. En vol bekommernisse om haar zielezuiverheid zocht hij naar woorden om haar zijn onrust dietsch te maken. Want hij wist maar al te wel hoe gevaarlijk de duivel zoekt en vindt, bijzonder in den maagdekenstijd. En hij zei: „Ge zoudt nonneken moeten worden.”
„Ja?” vroeg Maria verschietend.
„Ja,” zei de paap.
Weer kwam de stilte tusschen hen, de avond groeide en een ster kwam hen bezien. Eindelijk zei de man dat hij naar ’t lof moest gaan, wenschte haar een goeden nacht en zette zijn lezende wandeling langs een smalle wegel door de velden voort, in de richting van een spits kerktorentje.
Maria was daarna zeer aangedaan. Nonneken worden!
Medeen zag zij het klooster der witte nonnekens, waar het proper en helder was en waar de zoete fijne geur van wierook in de lange gangen hing.
Het was haar steeds een aangename stond als zij bij de zusterkens haar kant kwam leveren. Zij konden toch zoo gemakkelijk lachen, waren steeds opgeruimd, pratend en vlug, en zoolang het seizoen duurde vulden zij het biezen korfken van Maria met de schoonste, sappigste appelen. ’t Moest er plezierig zijn. Maar dan zou ze nooit meer door de verre velden kunnen wandelen, geen kruid en waterlelies meer kunnen plukken langs het water van de Nethe, de leeuwerikken niet meer naar den hemel zien klimmen en niet meer de goedheid van den avond voelen nijgen op haar hart! De velden met hun sneeuw en hun zon, met hun bloemen en patattenvuren, och ’t was er toch heerlijk! en zoo aangenaam om te bidden!
En Maria zag over het land en voelde tranen in de oogen komen.
De hemel was blauwer geworden, maar een ijl groen licht bleef hangen, daar waar de zon was heengegaan; daartegen stonden de bottende boomen fluweelig zwart, en er was een verre stilte over het land. Een vledermuisken fladderde voorbij de mane-sikkel, en door het berkenboomen-dreefken stuurde een manke herder zijn schapen naar den stal.
Toen bromde de klok voor ’t avondlof en in de verte wierd er een lichtje aangestoken.
Maria ging met een zucht van ’t venster weg. Zij wierp haren blauwen katoenen kapmantel om, nam haar kerkboek van de schouw en ging naar ’t lof.
Zij stapte door het dreefken, hare kleederen ruischten in de stilte en heur hart woog zwaar van weemoed.
En toen gebeurde het.
Er waaide een zoete muziek door de fijne takken der boomen. Maria zag bevreesd omhoog en toen ze weer voor zich keek, stond er daar, geweven uit avonddamp en maneschijn, een overschoone engel met kers-roode kazuivel om, en leliënbloemen in zijn hand.
Hij was doorlicht van een hemelsch vuur en blonk als een kerkraam in de zon. Met zijn ruischende pauwsteertenvlerken hief hij zich boven den grond, en een bedwelmende reuk van violen en kruidnagelen walmde van hem uit.
Het was alsof Maria ineens dat zag, wat ze steeds had verlangd, maar nooit had kunnen bepalen, en zonder vrees, maar overloopend van eerbied en ootmoedigheid, dierf zij den engel niet bezien en knielde neer in de madeliefkes van den weg.
En met een wonderzoet geluid, nooit van een mensch gehoord, lijk een orgel, zong het uit den schoonen engel zijn mond, dat zij begroet was en den Heer bezat, en zij gebenedijd was onder alle vrouwen, alsmede de heilige vrucht haars lichaams.
Maria dierf niet vragen hoe dit gebeuren zou, maar de engel zong: „De Heilige Geest zal over U nederdalen en de kracht des Allerhoogsten zal U overlommeren.”
Er kwam toen een stilte waarin Maria sprak vol overgave en bevend van verheuging: „Ziehier het dienstmaagdeken des Heeren, mij geschiedde naar uw woord!” en als Maria weder opzag om den engel met haar oogen te bedanken, dreef het muziek uit de boomen, was het weer stil en avondeenzaamheid, en trage nevelen bedekten de velden….
Als Maria weder binnenkwam, vergat zij de lamp aan te steken, en weenend viel zij op tafel. Zij weende van overgroot geluk en van wondere begenadiging, dat de tranen op de gele bloemen leekten.
Buiten stond de lucht vol sterren.
DE BEZOEKING.
Inhoudsopgave
Een bloeiende lentedag had de wereld omhangen met verheuging.
En Maria stapte langs de Nethedijk, dragende in een toegeknoopten handdoek, wat kleederen, een paar boterhammen en een sneedje gebakken spek. Want zij had de vrucht haars lichaams in haar voelen opspringen, en dit blijde nieuws wilde zij gaan melden aan hare nicht Elizabeth, alsook aan haren bruidegom Jozef, den timmerman.
Dezen Jozef aan wien zij was verloofd van in haar jonkheid (een oud gebruik in die dagen), niet opdat hij haar als gewone man zou dienen, maar als een die over haar zou waken, en in tijd van nood een toevlucht zoude zijn, dezen Jozef had zij maar éens gezien, toen haar vader in laten ouderdom stierf en Jozef er de doodkist voor maakte.
Zij stelde hem zich steeds voor; een klein, krachtig oud man met korenkleurigen stoppelbaard, gezondroos van wezen als een kind, en de goede, vrome, doch heldere oogen, diep onder het zware voorhoofd. Hij was nog een verre afstammeling van een koning die zich David noemde, en groot en vroom in de geschiedenis der volkeren is geweest.

Vernuftige schrijvers hielden dezen machtigen heerscher over de rijke landen van het oosten voor een dichter van ongemeene zeldzaamheid, en menige zijner souterliedekens kende Maria van buiten.
Och! wat zouden hare nicht en deze Jozef blijde zijn, als zij vernamen de groote zegening die Maria was gegeven!
En Maria, voortstappende, hommelde een lieken in haar mond. Want nu zij God in zich droeg, was Maria uitermate geestelijk verheugd, zoo bedwelmd en weggesmolten in zalige zielsgewaarwordingen, dat ze voor niets anders nog gedachten had.
Eindelijk ging zij moeder zijn! Moeder zijn, wat zij toch reeds zoo lang had betracht en verwacht.
En van wien? Van Hem die Hemel en aarde geschapen heeft, die de sterren doet muziek maken in de duisternissen, die zich kleedt met het licht, en de wereld op zijn asem draagt! die zingt in de harten der menschen en lacht in de droppelen dauw! Ja, zij was de uitverkorene van wie gezegd wierd in de oudheid: „Eene maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal zijn naam heeten: Emmanuel, dat is: God met ons.”
En als opgeheven van zoetigheid en overweldigd van geluk, knielde ze voor een wit veldkapelleken neer en zong met luider stemme: „Mijn ziel verheft den Heer!”
Opgewekt huppelde ze voort. Nog nooit had ze de velden, de aarde en de lucht zoo heerlijk en zoo schoon gezien, nooit was er zooveel licht en waren er zooveel blijde koleuren.
Zij zag de wereld door haar geluk en alles juichte in haar.
Onder een warmblauwen hemel, met muziekwolken doorvlokt, stonden al de hoven en boogaards in witten en rozen bloei. De groene beemden lagen vol plassen goud van de boterbloemen, duiven toerden rond de roode nokken der daken, de merel zong, de nachtegaal zong en al de vogelen zongen hun blijde talen.
Een zilveren windeken spoelde door de lucht, en rolde en wimpelde de zoetste reuken uiteen, en de molens sloegen kruisen van blijdschap naar de zon, die speelde met de schaduwwerpende wolken.
En zie! wat was er toch voor wonders te zien aan haar gering wezentje!
Zij, ongekend en eenzaam in haar woonste, zag hoe bij haar aankomst de boeren op het veld hun ploeg stil hielden en haar een goeden dag toeknikten, en hoe de paarden hunne koppen naar haar omkeerden. Een zeilschip dreef voorbij, en de schipper en zijn vrouw bogen eerbiedig het hoofd. En zie! een manke herder in oud soldatenpak, knielde neer in ’t gras tusschen zijn schapen en ontblootte zijn kalen schedel, murmelend: „Wees gegroet, Maria!”
Waarom vlogen de zwaluwen rond haar hoofd en begosten de vogelen met luider kelen te zingen als zij voorbij de boomen kwam? Waarom sprongen de zilveren visschen telkens boven het water? En stegen t’allenkanten zooveel leeuwerikken op?
’t Was al om den Heer dien zij in zich droeg, ’t was om haar te groeten en te loven, haar, de uitverkorene boven die duizenden, haar, de begenadigde! En zij hief hare olijfgroene oogen naar den hemel, en weer viel het juichend van hare roode lippen: „mijn ziel, mijn ziel verheft den Heer!….”
Zoo kwam Maria op de Grobbendonksche heuvelen en de sparrebosschen, waar er konijntjes naar haar kwamen zien.
En toen zij de ruischende bosschen vol opbeurende terpentijnreuk was doorgestapt, zag zij ginder het dorp liggen, met zijn hupsch kerktorentje, waaruit het luidde voor den noen.
Een blonde wegeling huppelde van de heuvelen naar het witgekaleide huisje van den koster Zachaar, die met hare nicht Elizabeth gehuwd was.
Maria zag hare nicht in den bloeienden boogaard waschgoed te drogen hangen; en om zich te verhaasten bij Elizabeth te zijn, ging Maria langs achter, waar een scheef lattenpoortje in de doornenhaag was gemaakt.
Het was alsof nicht Elizabeth haar gewaar wierd, want zij liet het waschgoed vallen en zag met de hand boven de oogen naar Maria toe.
Een blijde kreet ontsnapte haar keel en zij liep haar jonger nichtje tegemoet.
„Elizabeth! nicht Elizabeth!” riep Maria vol verheuging.
Elizabeth wierd bij dien roep als met licht vervuld, zij ijlde naar Maria toe en viel weenend om haar hals.
„O Maria zoete nicht!” riep ze in vervoering.
„Boven alle vrouwen zijt gij gezegend en alsook de vrucht van uwen schoot!” Zij juichte dat de moeder van God zelf tot haar kwam, en vertelde verder, dat zoo haast zij Maria gehoord had, het kind in haren schoot van vreugde opgesprongen was. En hier bloosde zij van voldoening. „Ja eindelijk heeft God onze gebeden verhoord.”
Nieuwe tranen vulden haar oogen. „O zoete nicht, zalig zijt gij, want alles zal gebeuren zooals de engel tot u gesproken heeft!”
Toen liep Maria haar hart over, de woorden die zij dezen morgen niet had kunnen vinden om haar geluk te uiten, borrelden nu, als een lang-gesloten bron, uit haren mond. „Mijn ziel verheft den Heer! mijn geest heeft gejuicht in God die mijn redder is, hij heeft neergezien op zijn klein dienstmaagdeken, en van nu af aan zullen alle geslachten mij zalig noemen…”
Terwijl Maria verder haren schoonen lofzang zong, was Zachaar bijgekomen en stond verwonderd naar de vrouwen te zien, en omdat hij, arme man, voelde dat er groote dingen om hem gebeurden, en hij niet spreken kon door een verlamming op de tong, barstte hij ook in weenen uit en kuste knielend Maria’s kleine handjes.
Terwijl zij voor het huis gingen, vertelde Elizabeth, hoe Zachaar in de kerk ineens stom en doof geworden was, omdat hij de woorden van een engel, die hem de eindelijke geboorte van een kind kwam melden, niet gelooven kon; en dit moest zoo nog duren tot de bevalling.
Maria zag hem medelijdend aan, maar hij schudde zijn mager, met witte haren omkranst hoofd, als wilde hij zeggen: „’t Is niets, ’t niets, ik heb het verdiend en ’t zal wel overgaan.”
En hij liep hen voor om in den kelder een potteken bier te tappen.
Elizabeth bracht Maria op de kelderkamer, het was de beste kamer, die slechts gebruikt werd als Zachaar den parochiepaap met een fleschken wijn trakteerde.
Hier zou Maria slapen.
Het was er ruim en koel, en op de hooge eiken glazen kast vol porcelein, staken winterperen hun steertje naar omhoog. Maria zag verblijdend rond, want de heilige printen aan de muren, de geraniums voor ’t venster, de ronde mahoniehouten tafel op de ronde strooien mat, de wassen bloemen onder glazen stolpen op de schouw, en het groote bed met breede, witten gordijnen er over, ’t was allemaal in den geest harer familie en de traditie van hun geslacht, en dat werkte vertrouwend op Maria, zoodat zij zich hier aanstonds thuis gevoelde.
Zij lei haar mantel af, verfrischte zich en deed malsche sloefkens aan haar voeten.
In de keuken was vóór Maria’s komst de tafel reeds gezet voor twee menschen, maar Elizabeth nam gauw de aarden tellooren weg, en haalde er porceleinen met bloemen en vogelen beschilderd, zij zocht de zilveren lepels en vorken, bij hun vijf-en-twintigjarig huwelijk hun geschenk gedaan, en als al het eetgerief schitterend en feestelijk op een wit en rood gewafeld anmelaken stond, schepte zij met veel beslag de kervelsoep in. Terwijl na een kort gebedeken Maria en Zachaar reeds aten, ging Elizabeth voort met eten te bereiden, went zij had maar een poover noenmaal gereed gemaakt; soep, patatten met gebruinden ajuin, daar het in de vasten was, en Maria moest feestelijk onthaald worden!
Onder het mes vielen dikke schellen heerlijke geurige hesp, die zij bakte met geklutste eieren; gedroogde pruimen lagen weldra in hun sap te pruttelen, en een versch gegoten kaneelpudding stond in den koelen kelder te verharden.
Onder het eten vertelden ze van de reis, van het weer, van nichten en kozijnen, en Zachaar schudde steeds met zijn glimlachend hoofd als teeken van goedkeuring…
Als de tafel afgeruimd was, moest de man naar de kerk, om alles in gereedheid te brengen voor het hoogfeest van Paschen.
Hij klopte zijn pijpken uit, en met een arm vol wassen keersen verliet hij, steeds vriendelijk knikkend, de twee vrouwen.
Het wierd toen stil in de witte keuken.
De store was neergelaten, en de deur stond open op den hof en de heuvelen, en de zon die vierkantte op den rooden tichelvloer, lei een stralenden weerslag in de koperen marmittekens.
Terwijl er buiten een kieken kakelde, de horlogiekast eentonig tiktakte, en de moor op de stoof een liedje piepte, zat Elizabeth, een kous afbreiend, te luisteren naar Maria, die, in den leunstoel gezeten, met de witte kat op haren schoot, vertelde hoe het groote wonder haar was overkomen.
Elizabeth luisterde verwonderd en hield op met breien. Zij was reeds oud, deze vrouw, maar in haar glimmend aangezicht waren geen rimpels en nog een frissche meiskesblos leefde op de juksbeenderen. Haar mond alleen was wat weggetrokken, wat slechts een teeken was van haar blijden toestand.
Zoo geleek ze veel op Anna, Maria’s moeder, doch de levende oogen, de smalle lippen en de spitse neus gaven haar meer een burgerlijk voorkomen, minder ingetogen. Ze was de deftige huisvrouw die een wijselijk beleid en klaar beraad in huiselijke zaken en menschen had.
Naderhand, met het voorhoofd gefronst, aanhoorde ze Maria’s zangerige woorden, en na een stilte zei ze zwaarwichtig met de wijsvinger op den duim: „Maria, ge moet nu met Jozef trouwen.”
Als eenig antwoord begon Maria te weenen.
Trouwen! Ach, daar had ze nog nooit aan gepeinsd, daar had ze met haar zuivere gedachten nooit aan dùrven peinzen.
Doch als Elizabeth gewaar wierd waarom Maria daar verdriet in vond, dan wist ze haar gerust te stellen, dat ze niet vreezen moest van Jozef om hem als man te nemen, want dat hij was een heilig man, en die haar reinheid en haar maagdom zou eerbiedigen, dat hij steeds verlangde om wettig in haar bijzijn te mogen wonen, maar haar niet bezocht om geen opspraak te verwekken, en ten leste dat Maria huwen moest ter wille van haar en Jozefs eerbaarheid voor ’t aanschijn van de menschen.
Als Elizabeth dit betoog door vele herhalende woorden Maria had te verstaan gegeven, stond deze op, liet een groote zucht van blijdschap en verlichting, veegde de traantjes uit haar oogen en viel nicht Elizabeth om den hals.
De wolk, die een schaduw over haar hagelwit zielken was komen werpen, was gevlucht, en weer juichte haar hert in haar lichaam.
„Had mijn heilig moederken dit eens mogen beleven!” snikte Maria op Elisabeth’s schouders.
„Uwe moeder ziet het van uit den Hemel, zoete nicht,” troostte Elizabeth, en zij klopte moederlijk zoete kloppekes op Maria’s rug.
„En,” voegde ze er nadien bij, „gij zult Jozef gelukkig maken; te naaste maand komt hij weer naar hier om hout te koopen, hij doet dit ongeveer alle maanden, dan zult gij hem zien en gij zult zijn hart vol verheuging zetten! Kom, zoete nicht, troost U, het huwelijk is een zegen.”
„Ja, ja,” zei Maria, glimlachend achter heur tranen, „ik geloof het.”
En zij begosten de koffie gereed te maken. Weldra kriepte en sjirpte de koffiemolen, en terwijl Maria de gemaalde boontjes met kokend water begoot, sneed nicht Elizabeth de lange tarweboterhammen.
De aangename koffiereuk vermengde zich in het deurgat met den reuk van den bloeienden boomgaard. De zon scheen over de heuvelen, en Maria dacht dat haar leven nu voortaan niets anders meer zou zijn dan blijheid, zielsgenot en zonneschijn.
Ach arme!
DE VEROPENBARING AAN JOZEF.
Inhoudsopgave
Op het bol van een reeds lang gevelden beuk, met de volle zon op zijn kalen schedel en afgegaan-rood slaaplijf, zat Jozef te peinzen, altijd maar te peinzen aan hetzelfde ding, hoe het kwam dat Maria zwanger was, en wat hij nu als bruidegom moest doen; zijn handen speelden zenuwachtig met een korenaar.
Rondom over het wijde, rijpe koren kookte het licht en in de nanoenstilte gonsde er ergens een zeisen….
Traagzaam, met den zwaren tikkenhaan en den spitsen neus juist boven het gele koren, kwam de lange magere pastoor ginder aangewandeld.
Jozef zag hem, en wilde henengaan om den pastoor te mijden. Hij vreesde iets; maar hij vermande zich, bleef zitten, en trok een nieuwe korenaar tot zich.
Zijn hart klopte van angstige verwachting.
Daar was de pastoor. Hij deed alsof hij verschoot, schoof zijn bril wat verder op zijn neus, en pimpelde met de kleine, goede grijze oogskes, en liet in een vriendelijken lach een mond van zwart berookte tanden zien.
„Dag Jozef, beste vriend!”
„Dag menheer Pastoor,” groette Jozef onderdanig.
„Zit ge weer te dubben vriendje. Kom zeg mij eens rechtuit wat voor een zwaar pak gij op uw geweten draagt?” Daarmee veranderde het gezicht van den pastoor; hij trok de wenkbrauwen zonder haar in zijn voorhoofd, en zag daarbij Jozef uitvorschend aan.
Maar zonder antwoord af te wachten van den bedeesden man, klopte hij hem op den schouder en zei met groot gewicht: „Jozef, jongen, ik weet alles!” en daarmee zette hij zich nevens hem op den neergevelden beuk.
Jozef was bijna rood geworden lijk vleesch, draaide met zijn oogen verlegen overentweer, en zijn onderste lip en zijn handen begosten te beven.
„Ge weet,” zei de pastoor met plechtigheid, „dat er veel over u gesproken wordt. Nu, zulk geval kon niet verborgen blijven, dat loopt lijk een vuurken rond, en ieder weet er ’t zijne over te zeggen. De menschen spreken er effenaf schande van, maar gij weet zoo goed als ik, dat ze van een pink een arm kunnen maken; en daarom zei ik bij me zelven, daar vraag ik Jozef zelf eens naar…. En nu heb ik u vast jongen, en ik laat u niet meer los! Nu gaat gij, als goede vriend, mij eens zonder latijn en zonder omwegen uiteendoen hoe de zaak gestaan is en gelegen. Want dat een rechtveerdig man leek gij, zijn zwangere bruid zoo maar om de schoonigheid zou laten loopen, dat kan ik niet slikken. Ik luister.”
In afwachting nam de pastoor kalm en zeker van zijn stuk, zijn zilveren snuifdoos, waaruit hij op zijn duim een greepken nam, dat hij met gulzig gesnuffel in zijn neus verdwijnen deed. Jozef begon te zweeten, slikte zijn speeksel in, en zei toen aarzelend: „Ja mijnheer Pastoor, ’t is waar… maar…” Jozef kon niet voort en wist niet hoe zich uit te drukken. In de stilte die er tusschen hen was, vloog er een grijs vogeltje op een korenaar, en op en nederwiegend bleef het hen met schuinsch koppeken bestaren.
„Maar?” vroeg de pastoor als iemand met veel geduld.
„Luistert,” sprak toen Jozef kort, „ik heb er geen schuld aan!” De pastoor trok zijne brauwen naar omlaag, en al sprekend knikte hij langen tijd met zijn hoofd, lijk er zekere aarden beeldekens doen, waar de kinderen mede spelen.
„Dus zou Maria, die ik steeds voor een onschuldig lammeken heb aanzien, en waarvan ik met mijn eigen ooren heb hooren profeteeren door een heilig man, toen men ze opdroeg in den tempel—ik was daarbij—(en hier wees hij met zijn langen vinger naar zijn eigen) dat zij een lelie was der dalen, nu zou zelfs Maria…”
„Neen! neen!” haastte Jozef van te zeggen. „Maria is zuiver lijk de sneeuw! en witter als de zon! Daar durf ik op zweren op mijn zielezaligheid!”
„Maar ge weet toch dat ze zwanger is, en dat er een kindeken te verwachten valt?” vroeg de pastoor koel.
„Ja,” zuchtte Jozef, „met eigen oogen heb ik dat gezien,” en mismoedig viel zijn hoofd op zijne borst.
Een windeke liep door de zon, zette zich wat te spelen in de korenaren, toen sprong het er weer uit, aaide eens in de dunne, weinige haren van den pastoor en liep verloren in de lucht.
„En hebt ge toen met Maria over dit geval gesproken?”
Jozef richtte weer het hoofd omhoog, zijne zwarte perelen-oogen glommen en als begeesterd sprak hij: „Dat kon ik niet menheer Pastoor, dat kon ik niet van groot geluk. Als ik daar kwam en Maria pas ontwaarde, zoo viel er over mij een fijne zoetigheid, ’t was lijk zoete wijn in den mond, en rozen na den regen om mijn hoofd.
Het scheen mij heel natuurlijk dat zij zwanger was, of beter nog gezegd, ik dacht er zelfs niet aan, alhoewel ik het pirmentelijk voor mijn oogen zag.
Ik zag haar maar alleen, en ’k voelde iets uit haar over mij gaan dat schooner was en beter dan in elk ander mensch.
Ja, iets beter dan zij zelve, ’k geloof dat ik haar zielken zag; in elk geval ’t gebeurde daar iets wonderlijks. Menheer Pastoor, ge moet het niet gelooven als ge wilt, maar ge weet niet hoe zalig het is haar te bezien, het is alsof men in den hemel komt.”
En droomend met een blijden glimlach in den baard, staarde Jozef in de gele korenverte.
De Pastoor zat daar als uit de wolken gevallen, en wist niet wat te denken; hij zat Jozef te bezien met verbazing in de oogen. O, kon hij ook zoo maar eens in de kerk tot de menschen spreken, lijk Jozef daar zoo heerlijk nu gesproken had, hij ware al lang ievers Pastoor geweest in eene groote stad. „Die heeft nog iet van zijn voorouder David op de tong,” peinsde hij.
Maar ’n brommende hommel deed hem het hoofd achteruit trekken en joeg die naijverige gedachten weg.
„En dan heeft Maria u gezegd,” zei de pastoor inleidend.
„Ze zag er ook zoo blij en smiltend van genoegen uit dat ze zeker vergeten is er over te spreken!”
De pastoor liet een peerdezucht en krabde met een vinger in zijn haar.
„En wat gaat ge nu doen?”
Jozef wrong zijn handen en met een van tranen doorweekte stem en haperend van vertwijfeling sprak hij: „Zie, menheer Pastoor, ik weet het niet. En dat is juist mijn groot verdriet. Ik verga lijk sneeuw in de zon. Wat moet ik doen? Wat zoudt gij doen als g’in mijn plaas waart? Ik lig er heele dagen op te peinzen en te duizeneeren, en kan maar niet t’accoord geraken. Ik ben er van buiten en van binnen van beroerd, het eten smaakt mij niet en ’s nachts kan ik geen oog toe doen.
Ge weet niet wat ik afzie! ’t Is een tempteering als van duizend duivels! Ga het maar eens na wat ik moet doen! Volgens de wetten zou ik Maria moeten huwen, maar volgens mijn geweten niet en zou ik haar zelfs voor ’t gerecht moeten brengen daar zij mijn naam in schande brengt, maar zooiets wil ik niet doen! En toch, en toch, en dat zweer ik op mijn ziel en op mijn plaatsken in den Hemel, blijf ik erbij dat Maria zuiver is en zonder zonde. Maar wat ik nu moet doen weet ik niet. Ik zelf ben er niet slim genoeg voor! Och! menheer Pastoor, als ge wist wat ik doe om te weten wat ik moet doen, uw haren zouden er van omhoog komen!
’k Lig gansche dagen en nachten te bidden en te lezen voor de heiligenbeelden, ’k heb al de kerken en kapellen waar er maar wat heiligdom bestaat op mijn bloote voeten beeweg afgedaan; ’k doe boete, verstervingen die te zwaar zijn voor éen mensch, en toch doe ik ze gaarne, en ’t weinige geld dat ik door hard werken heb bijeengekregen, heb ik aan keerzen verbrand en in de offerblokken gestoken. En toch, menheer Pastoor, toch komt er niets van den hemel noch van de aarde dat een handje uitsteekt om er in mijn hart wat licht te brengen! Och ik ben zoo ongelukkig, ik ben zoo ongelukkig!”
De pastoor zag toen uit Jozefs grijzen baard tranen op de bruine handen lekken, en hij wierd verteederd als een vrouw, nam Jozefs bevende hand heel vertrouwelijk en zei goedig: „Weet ge wat ge doet Jozef, ga gij morgen naar Maria, vriend, en spreek er met haar eens over, want al dat peinzen en dubben is al boter aan de galg.”
Maar Jozef schudde vastberaden van „neen”.
„Daar ga ik niet heen,” zei hij beslist, „dat zou Maria kwetsen zijn, en ’k weet z’is zuiverder dan het zuiverste wat er ooit geweest is of ooit zal zijn. Nogeens, er gebeurt hier iets wonders, maar ’k weet niet wat.”
De pastoor trok ongeduldig en medelijdend zijne smalle schouders op. „Luister eens beste vriend,” zei hij, „’k ben wel niet diep geleerd in de heilige boeken en de geschriften van het testament; mijne ouders waren maar kleine boerenmenschen en die konden zooveel kosten niet doen; ’k ben maar een pastoor van een gering dorpken en wil mijn vernuft en kennis over Goddelijke zaken niet meten met die beroemde klerken der stad Leuven. Neen, maar ik neem de dingen lijk zij zijn, en mijn klein verstand zegt mij klaar als pompwater, dat gij in dees geval uw eigen moet in handen pakken; of wel trouwen ofwel niet trouwen, maar dan ook iedereen laten weten waarom niet. Ge moogt u niet nutteloos op de tong laten rijden.
Wel ik geef u een gouden raad, ga gij morgen in de vroegte naar Maria en vraag uitleg… ja uitleg en dan weet ge aan wat u te houden. Schudt niet neen, Jozef, ik zeg het voor uw goed, ge wordt mager lijk een rietje en ziet er uit lijk d’Heilig’ aarde.
Ge gaat er van kapot! Ewel doe het jongen, luister als ’t u belieft naar mij, en ge zult er mij om bedanken. Zie eens hoe ge nu met dubben en denken uwen tijd zit te vermorsen dien ge anders zoo schoon aan uw werk kon gebruiken… maar à propos, het valt mij in, hoe staat het met ’t beeld van profeet Jonas? Ik hoor u daar zoo niets meer over zeggen. Is ’t bijna af?”
Jozef had zich daar niet aan verwacht; hij had in een mollenpijp willen kruipen, bezag smeekend den pastoor en zei bangerig: „Ik heb… er nog niets aan gedaan, ’k heb den moed niet om een hamer vast te nemen.”
„Jozef, Jozef,” vermaande de pastoor, terwijl hij opstond en van verbauwereering zijn lange armen vallen liet. „En ’t moet te naaste week terug aan het gestoelte in de kerk staan!” Hij was rood geworden van kwaadheid, maar als hij Jozef daar zoo droevig zitten zag, kwam er medelijden en ontroering in zijn stem. „Ziet ge wel, beste vriend, dat ge uw eigen verneukt en den dieperik te gemoet gaat! Als het zoo voort gaat ligt ge te naaste maand op het kerkhof (de wijzende hand van den pastoor beefde) ginder op het kerkhof! En ik wil dat niet, Jozef! Dezen zandwegel heeft God mij laten opgaan om u te redden, ewel ik zal er gebruik van maken, en als gij morgen naar Maria niet gaat, dan ga ik in eigen persoon! Van thuis blijven is geen kwestie!” En de pastoor bleef het uitwerksel zijner woorden nazien, en tot zijn groote voldoening antwoordde de arme man: „Menheer Pastoor laat er mij toch nog eens op slapen?”
„Bravo Jozef, we zijn op goede wegen! En nu ga ik voort met vrede in mijn hert, alles zal nu wel goed komen! En nu zult ge weer aan ’t werk kunnen gaan met een lieken op lippen! Want ’k zou niet geren hebben dat met mijn jubilé van vijfentwintig jaar pastoor dezer parochie, Jonas niet aan ’t gestoelte stond. En niet te duur, hè jongen, want de kerk is maar arm! Allo, couragie, en tot morgen als ’t God belieft!” En weg was de pastoor, eerst ging hij wat rapper, maar dan weer op een lijzen wandelstap; hij sloeg zijn boek open, en Jozef zag hem biddend voortwandelen, door het wilgenlaantje den langen, smallen heuvel op.
Het dorp zat op den heuvel…
Jozef voelde zich nog holler dan daarstraks, maar was toch blij dat hij den pastoor niets had beloofd. Zijn hoofd draaide van al dat klappen en overpeinzen; hij zou maar liever naar zijn huisken gaan, daar kwam geen pastoor of niemand hem storen, en zou er wat probeeren te slapen.
Hij wachtte om den pastoor niet in te halen, en zag swenst naar de roode en blauwe bloemen die in ’t gele koren fonkelden, naar een snellen, groenen kever, en teekende met een wisse een vogel in het zand. Als de pastoor nu reeds heel verre ging, zuchtte Jozef diep, stond op en slenterde het wilgenlaantje in. Het was een heerlijk weer met leeuwerikken in de blauwe lucht en maaiers in de beemden. Aan den horizont lagen witte wolken, als sneeuwbergen gevlijd. Maar hij zag het slechts met zijn oogen en voelde het genot er niet van aan zijn hert komen.
Hoe kon hij anders hier, van op de hoogte, het verre landschap met geluk beschouwen.
’t Was een aangenaam gezicht, boven de weelde van koren, weiden en bruine velden, de mastbosschen te zien afdonkeren, met daarboven weer een zonnige, blonde streep van verre heideduinen, waarop een draaiend moleken. Na etenstijd kwam hij hier dikwijls in de zon zitten droomen. Hij zag er den uitkoom als het zaad opspringt in de aarde, en den witten winter als de jongens op het ijs schaverdijnden. En hoe opwekkend was het niet, ’s Zondags de duiven, die van de prijskampen terugkwamen in de verte snel te ontwaren.
Maar nu kon hij van het landschap niet genieten; zijn hart woog te zwaar van tranen en verdriet, en al die schoonheid bleven doode dingen voor hem.
Onwillekeurig zag hij zijwaarts, waar rond het bruine kerktorentje de dooden lagen met een zwart kruisken boven hunnen kop en een hofken van simpele bloemen boven hun lichaam. Zij lagen er vergeten en in diepe rust, en hunne zielen zaten misschien in het licht van den guldenen hemel.
Och! dat Jozef in zijn oude dagen zulk wreed verdriet en beproeving moest doorstaan! hij hadde willen slapen en nooit meer wakker worden, en vergaan in vergeten- en verlatenheid.
Maar hij dreef die sombere gedachten weg. Dat was de wanhoop die in zijn hert sloop, de zonde, en ’t kwam allemaal van den duivel.
Met een schietgebed verjoeg hij dit matte, donkere verlangen, en snuffelde naar den goeden geur van den vierurenkoffie die uit de leemen huttekens wandelde. Maar hij zou weeral niet kunnen eten.
Met een zucht zag hij eens naar ’t koperen haantje van den toren en trad zijn huizeken binnen.
In de schemerige keuken zat Jozef te weenen met het hoofd op de tafel, en een brandend keersken, dat in een guldene vlek der ondergaande zon verbleekte, stond hem van op den hoek der schouw pimpeloogend te bezien. En anders was het stil alsof er niets en niemand was. Jozef dacht weer aan den pastoor en aan de dreigende woorden, dat hij zelf naar Maria zou gaan, en aan de vermaning om het beeld van den profeet Jonas.
Die pastoor toch! die hem tusschen de beenen kwam loopen en heel het geval met messen wilde ontwarren. En ’t was juist die ontwarring waar Jozef zulken schrik van had. En als een bedreiging spookte hem in de gedachten het einde van de naaste week, de dag waarop hij het beeld afgewerkt moest leveren. Hij zag eens met de rood-bekreten oogen zijn laag werkplaatsken in, en voelde medeen een rilling van werklust in hem opgaan, en een verlangen om te hameren, te beitelen en te kappen dat de stukken tot in de geburen vlogen.
Maar als hij er kwam stond hij weer met slappe armen nevens zijn lijf en zag met leede oogen naar het beeld van Jonas, dat daar stond in een donkeren hoek, tusschen latten en palen, krollen en bestoft gerief. Het was inderdaad de profeet Jonas, die met den wijsvinger tegen een kapotten neus, en de baard gedoken in de zware plooien van zijn toga, met slaperige oogen staarde naar een spartelend walvischken aan zijn voet.
Hij moest gerepareerd worden aan de linkerhand en aan de knokige knieën, en boven het hoofd moest bijgevoegd een mandeke met fruit waarop er vogels zongen.
Want Jozef was ook kunstig aangelegd buiten het nederig schrijnwerkersbedrijf, en zeer ervaren in steek- en snijwerk; en hij deed het goedkoop, wat de parochiepaap het meest waardeerde.
En Jozef dacht aan ’t leven van dien kolossalen profeet, en in een opwelling van verdriet en geloof sprak hij tot het beeld: „O Jonas, ’k zou nu met Maria moeten trouwen daar zij is mijne bruid en zich in gezegenden toestand bevindt, en ’k doe ’t niet gaarne, daar het mijne schuld niet is. Wat moet ik nu doen? Och! gij die ook niet gehoorzaamd hebt toen God u zei van naar Ninieve te gaan, en er toch zijt naar toe gebracht in de maag van een walvisch, zeg eens, zal er bij mij ook een oplossing van hierboven komen?”

Maar het beeld antwoordde niet, en vernietigd sleepte Jozef terug zijn stappen naar de keuken, als er in hem plotseling openknalde een aangenaam gedacht.
„Doen lijk Jonas en er in stilte van ondertrekken!”
Het verraste hem zoo weldadig dat hij er een hooge roode kleur van kreeg en begon te lachen.
„Doen lijk Jonas en er in stilte van ondertrekken!”
Dat was de oplossing! Waarom had hij daar niet eerder aan gedacht! Naar Holland trekken en de zaak laten draaien lijk ze draaide, alles zou dan wel eens met Gods hulp ten rechte komen. Alzoo schond hij niet Maria’s eer, en was tegenover haar rechtvaardig. Terwille van haar wilde hij gaarne den achterklap der menschen verdragen; van één ding had hij nu spijt, en dat was, dat hij aan den pastoor zijn onschuld had beleden; maar had hij haar tegelijkertijd ook niet verdedigd? En daarbij, de pastoor zou er niets van voortvertellen en de menschen in den waan laten.
Jozef bedankte al de engelen en heel den hemel om de klare ingeving, en ineens kwam er vlugheid en opgeruimdheid in hem, en begon hij zijn paksken te maken. Hij haalde van den zolder een zwarte houten kas met lederen draagband aan, zocht een hemd en een paar kousen, wat kleergoed en gerief, voedsel, als een half brood, een vierdeel boter, een achterhepsken, en zijne papieren en gebedenboeken. En als hij dit alles met moeite in de kas dichtgesloten had, wreef hij verheugd in de handen, en zou nu wachten tot het avonduur gekomen was, om in stilte, als de menschen sliepen, ongezien het dorp te verlaten.
Want vandaag nog wilde hij gaan, daar morgen reeds de pastoor tot Maria zou vertrekken. De uitslag van dit bezoek wilde hij volstrekt vermijden.
Hij wachtte naar den avond in zijn hofken.
Het zakte wat den heuvel af, en was omsloten met een palmenhaag, waar op elken hoek een haan, uit palmengroen gesneden, de wacht hield.
Het hofken was lijk een gebroken regenboog vol wonderfijne geuren. Van op een bank zat Jozef verjeugdigd en verjongd de avondweelde te genieten…
Het gerucht was uit de velden; er brandde ievers een lamp, en eene blauwe grijsheid groeide uit de lucht en uit den grond.
Een ooievaar wiekte lui naar de oostelijke verte.
In de gebuurte blaatte een geitje een keer of twee, en dan was het weer stil.
Er waren nog geen sterren, maar ginder in de avondgrauwheid kwam de matte, roode maan als een groot verwonderd gelaat boven de donkere bosschen gerezen.
Maar het geluk overstelpte hem, het maakte hem zoet lui, en de oogen, die hij in dagen niet had kunnen sluiten, sloten zich zonder wil, en Jozef sliep.
En hij droomde.
Hij beklom een hoogen berg met een ronden top. Moeilijk stapte hij langs de onbegaande wegen, door nijdige dorens en ruwen steen. Maar hij ging en hij ging. Hij was met de morgenstond begonnen, voelde heel den dag de zon op zijn rug branden, en de zon was eerder den berg over dan hij.
Hij wilde ze inhalen, verhaastte zijne stappen, en eerst als de schemering begon, betrad hij den ronden top. Daar duizelde hij bijna achterover van het heerlijk vergezicht dat zijne oogen genoten.
’t Was een wijde, vruchtbare verte, diep onder en voor hem, en klaar als op glas geschilderd.
Tusschen velden en bosschen, zaten de boerenhuizen verzaaid, en grijze en roode dorpen troppelden meerder huizen rond hun toren.
Bezijds stond een lichte witte stad, en nevens een rivierken, dat kronkelend het land dooraderde, rezen burchten en kasteelen. Molens draaiden en menschkens beploegden het land, plukten het fruit uit de boomen en reden met karren over de steenwegen.
En heel, heel ver, waar de perelmoeren lucht de aarde raakte, lag, in een kling van blonde duinen, een golf van de zee.
En Jozef vroeg zich af wat dit alles toch bedieden mocht.
Maar toen rees er aan den horizont een enorme gouden poort.
’t Was de zon die vergroeide tot gothieke torens en kanteelen, kunstig en fijn uitgebeiteld lijk de toren van Antwerpen.
In de nissen en beuken en bogen stonden al de menschen die eens heilig zouden worden in schoone gekleurde kleeren. In de open poort, waaruit kostelijk zilver straalde, groeide er een groote, sneeuwwitte roos, die hare blaren openlei en waarin troonde het zoete beeld van Maria.
Ze was in ’t blauw gekleed en nedrig als voorhenen.
Ongekende geuren vielen over het landschap, er was geruisch van vleugelen rond het gouden kasteel, en van daar binnen uit kwam er zoet geluid van duizend orgels en hoog, lenig gezang van: „Ave Maria, Ave Maria!”
De menschen op het land hielden hunnen ploeg stil en zagen naar omhoog, deuren en vensters gingen open in dorpen en stad, en iedereen, groot en klein, kwam met bewonderend geroep naar buiten geloopen.
Regenbogen draaiden in de lucht, en een roodglanzend kruis overspande heel den hemel.
Jozef voelde dat er het grootste op de wereld gebeurde, en hij knielde neer in ’t gers van den berg, en luisterde naar de schoone stem van een gevleugeld licht. „Jozef, zoon van David, vrees niet Maria uwe vrouw tot u te nemen, want wat in haar is geboren is van den Heiligen Geest, zij zal baren een zoon dien gij zult Jezus noemen, want Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden.”
Jozefs hart sprong op van verheuging, en de andere woorden kon hij niet nagaan van loutere blijdschap, en heeft ze zich slechts nadien herinnerd.
Een davering schudde de wereld, en Jozef ontwaakte uit zijn diepen slaap.
Hei! zie! hij zat nog in zijn hofken, was nat van den dauw en aan de oosterkimme, door een wolkenscheur rees de zon terug over de wereld!
’t Was morgend en een nieuwe dag!
Jozef kreet het uit van geluk!
God zelf had hem nu alles veropenbaard. Maria was rein, Maria was heilig!
Hij meende op zijn knieën te vallen om vergiffenis te vragen nopens zijn voornemen, maar het beroerde hem zoo, dat hij in tranen uitbarstte en in zijn handen zat te weenen.
„O Maria!” riep hij nadien, „’k heb aan u nooit getwijfeld! en dat verblijdt mij uitermaten!”
En nog den eigensten stond kletste hij wat water over zijn gezicht, deed zijn beste kleederen aan, en een schoonen foulard om den hals.
En met een boterham in de eene en een mispelaar in de andere hand begaf hij zich, geestelijk verheugd, door de frissche, besmoorde morgenvelden naar Maria!
Van al de dorpen luidden de klokken.
The free sample has ended.