Read the book: «Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg»

Font::

Gustav Nieritz, F. Lohr

Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066340179

Inhoudsopgave

EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND.

DE GANZENKOOPMAN VAN NEURENBERG.

DE HERSTELDE ZIEKE.

LEVE DE KONINGIN.

NAAR GUSTAV NIERITZ.

Door den Schrijver der „Lentejaren” enz.


HAARLEM,

I. DE HAAN.

EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND.

Inhoudsopgave

Meester Liebel stond aan het venster van zijn bovenkamertje, en was bezig zich voor een klein spiegeltje, dat tegen het venster hing, te scheren. Hiermede bezig zijnde, hield hij de volgende alleenspraak: „Als ik de laatste mode volgde, dan liet ik mijn baard ongehinderd groeien, totdat hij op mijn borst hing. Brrr! ik herinner mij nog zeer goed hoe bang ik in mijn jeugd voor de Poolsche Joden was, als zij, op weg naar de Leipziger mis, onze stad doortrokken. Er waren moeders, die, als haar kinderen niet gehoorzaam wilden wezen, dreigden: „als je niet zoet zijt, geef ik je aan een Poolsche Jood!” Nu is het reeds zoover gekomen, dat zelfs schoolmeesters knevels en lange baarden dragen, en het zal niet lang meer duren, of zelfs de geestelijken laten hun baarden groeien. Dat had de intendant Zittman eens moeten beleven! Bij hem durfde men niet anders verschijnen, dan gekleed in zwarten rok, korte broek met kuitgespen en zwarte zijden kousen, een driekanten steek op het hoofd, met een witgepoederde staartpruik en natuurlijk eerbiedig binnenkomende met den steek in de hand. Nu verschijnt men zelfs bij de hoogst geplaatste personen in rijgewaad, met hooge laarzen en sporen, en tooit zich zoo op, dat men geen deftig man van een hansworst kan onderscheiden..... Wie klopt daar?”

De kamerdeur werd geopend en een paar kinderen traden binnen; een jongen van acht en een meisje van zeven jaren. De eerste had een blad in de handen, waarop een koffiekannetje, suikerpot en kopje stonden. Het schenkblad was met bloemen versierd. Het meisje torschte twee potten met bloemen: een Basilicum en een roode Balsemine.

„Goeden morgen, meester!” riepen de kinderen tegelijk op vriendelijken toon, „wij wenschen u geluk.”

„Wat beteekent dat?” vroeg de meester verrast, „wat bedoelt gij?”

„Het is immers heden uw geboortedag,” antwoordde de knaap.

„De zestigste,” viel het meisje in de reden.

„Wij wenschen u geluk,” riep de knaap, „en hopen dat gij dezen dag nog veel gezond en opgeruimd beleven mag.”

„Nog veel?” antwoordde Liebel lachende, „men kan zijn geboortedag toch slechts éénmaal in 't jaar vieren.”

„Ik heb dat wel meer in het dagblad gelezen,” verontschuldigde zich de knaap.

„Het is toch niet goed uitgedrukt, het is niet taalkundig,” vervolgde Liebel. „Het is beter als men zegt: dikwerf. Maar dat doet er niet toe! Kinderen, ik dank u en uwe lieve ouders hartelijk voor de betoonde liefde en belangstelling. Ik had wezenlijk nog niet om mijn verjaardag gedacht, die toch belangrijk genoeg is, omdat er weder een tiental jaren voorbij zijn. Wat ruiken die Basilicums lekker! Hoe is het mogelijk dat die groene blaadjes zoo'n aangename geur verspreiden kunnen? Er zijn juist nog twee ledige plaatsjes in mijn bloementuin, die nu door deze potten kunnen ingenomen worden.”

„Wij hebben de planten zelf opgekweekt,” sprak de knaap op trotschen toon.

„Dan hebt gij er goed slag van,” antwoordde Liebel, „en nu vind ik het geschenk nog veel aardiger. Nogmaals hartelijk dank en de groete aan uw brave ouders.”

De kinderen vertrokken.

De meester ging aan tafel zitten en gebruikte zijn eenvoudig ontbijt. „Die arme menschen,” prevelde hij, „zijn gewoonlijk dankbaarder dan de rijken en voornamen, die zich verbeelden hun plicht gedaan te hebben, als zij voor het onderwijs, dat hun kinderen genieten, den meester betaald hebben. Omdat ik de kinderen van mijn huisbaas kosteloos voorthelp met lezen en schrijven, geven zij mij dagelijks, zonder er iets voor te rekenen, mijn ontbijt en bewijzen mij allerlei lieve oplettendheden. Maar komaan, laat ik nu mijn geschenken een plaats geven.” Hij opende het venster, waarvoor reeds op een smal plankje, drie bloeiende planten stonden. „Welk een heerlijke morgenlucht,” riep Liebel, „wat schijnt die zon heerlijk aan den blauwen hemel; alles groeit en bloeit, de natuur is prachtig. O, de mensch, die opmerkzaam is, kan gelukkig zijn. Gevoel ik mij niet even gelukkig als wanneer de grootste tuin met lanen, bloembedden, rustbanken en tuinbeelden mijn eigendom waren? Ik heb nergens een cent voor uit te geven, en mij niet te beklagen over onwillige of luie daglooners. Er wordt alweder geklopt. Zou er weder iemand zijn om mij geluk te wenschen?—Binnen!”

Het was een agent van politie, die op ruwen toon den meester aansprak: „Mijnheer, gij hebt daar voor uw venster bloempotten staan, die niet door een ijzeren hek beschut zijn. Dit is overtreding van de politieverordening en ze moeten dus verwijderd worden.”

„Ziet eens hier, beste vriend,” antwoordde Liebel, „ik heb iederen pot met een sterk touw vastgebonden, waardoor het onmogelijk is dat er een vallen kan.”

„IJzeren stangen, luidt de politiewet,” antwoordde de agent, „touw is breekbaar, en als gij niet zorgt dat de potten met een ijzeren stang omgeven worden, zijt gij strafbaar en het kost u vijf thaler boete; ik verleen geen gratie.”

„Wat ziet die politie toch scherp,” antwoordde Liebel eenigzins toornig. „Zij bemoeien zich zelfs met mijn dakkamertje, dat vijf verdiepingen hoog is, maar daarentegen zien zij somwijlen niets van wat er op de straat voorvalt. Bij voorbeeld, gisteren avond, toen het duister was, ben ik over een steenen paal gevallen, die voor het huis van den geheimraad Hänel geplaatst is, en dat is toch ook iets dat door de politieverordening verboden is.”

„Hoort eens,” viel de agent hem in de rede, „ik stoor mij niet aan praatjes; gij hebt recht om een aanklacht in te dienen tegen den steenen paal van den geheimraad, mogelijk wordt hij dan verwijderd. Als er niet geklaagd wordt, wordt er ook niet gehandeld.”

„Dus, men heeft mijn bloempotten aangeklaagd?” vroeg Liebel, „wie heeft dat gedaan, vertel mij dat als het u belieft.”

„Dat mag ik niet,” antwoordde de agent, „gij weet nu waar het op staat; goeden morgen.”

„Arme kinderen van Flora,” sprak Liebel, terwijl hij de touwen lossneed en de planten in de kamer bracht. „Het is nog niet genoeg dat gij in nauwe potten gesloten zijt, maar nu ontneemt men u ook nog lucht, licht en zonneschijn. Waar moet ik nu met u henen? Het spijt mij dat ik geen bloementafel bezit. Mijn vreugde over mijn geboortedag is van korten duur geweest. Maar laat ik mij niet door wereldsche zaken uit mijn humeur laten brengen; alle lief heeft zijn leed, zegt de groote dichter. Ik ben toch nog rijker dan Diogenes.”

Dit zeggende liep hij naar het geopende venster en zong:

Reeds zestig jaren zijt gij oud,

En hebt veel storm beleefd;

en, zich zelven moed insprekende, liet hij er op volgen: „De boodschap van den agent is nog niet eens een storm, het is slechts een rukwindje.”

Liebel gaf op twee scholen onderwijs in de latijnsche taal. Toen hij des middags te twaalf uur uit de scholen huiswaarts keerde, stond de huisknecht van den rijken bankier hem op te wachten.

„Meester,” zeide hij, „mijnheer wenscht u te spreken.”

Liebel begaf zich terstond naar den bankier, die in hetzelfde huis de benedenverdiepingen bewoonde. Het verschil tusschen de rijk gemeubeleerde vertrekken hier en het dakkamertje boven was groot.

De bankier zat voor een prachtigen mahoniehouten schrijftafel, en stond niet op toen Liebel binnentrad, maar keerde het hoofd slechts even om, terwijl hij op onaangenamen toon hem aldus aansprak:

„Mijnheer, ik ben over u zeer ontevreden, gij hebt mij beleedigd; ik zeg u de huur van uw woning op.”

„Lieve hemel!” antwoordde de schoolmeester, „wat heb ik misdaan; ik heb u in geruimen tijd niet gezien of gesproken; waarmede heb ik u beleedigd?”

„Toen ik heden morgen in den tuin liep,” vervolgde de bankier op brommenden toon, „hebt gij op spottenden toon mij toegezongen:

„Reeds dertig jaren zijt gij oud,

En hebt nog niets beleefd.””

„Mijnheer!” antwoordde de meester, „ik verzeker u als eerlijk man,” dit zeggende sloeg hij met de hand op de borst, „dat ik niet dertig, maar zestig jaren gezongen heb, en daarmede mij zelven bedoelde, omdat ik heden zestig jaar oud geworden ben, en, zooals ik gezongen heb, menigen storm beleefd heb. Nu heb ik heden wel geen storm, maar toch een rukwindje doorleefd, omdat ik een ontmoeting met een politieagent gehad heb, die mij bedreigd heeft met vijf thaler boete, omdat mijn bloempotten met touwtjes zijn vastgebonden, terwijl zij door een ijzeren hek moeten afgesloten worden.”

„Welnu, als dat het geval is,” zeide de bankier, die nu tevreden gesteld was, „dan neem ik mijn woord terug, maar raad u aan in het vervolg niet weer zoo luid voor het open raam te staan zingen. Ik zal onder mijn rommel nog wel een ijzeren hekje hebben; mijn smid zal dat voor het venster vastmaken.”

„Gij maakt mij gelukkig, mijnheer Meier,” sprak de meester, „zoo wordt op mijn geboortedag mijn liefste wensch vervuld.”

„Het is goed,” antwoordde de bankier. „Apropos! Ik heb gehoord dat gij de beide kinderen van den huisbewaarder les geeft in lezen en schrijven; zoudt gij lust en gelegenheid hebben om nog een kleine scholier onder uwe bescherming te nemen? Uit medelijden heb ik een ouderloos kind van een mijner bloedverwanten in huis genomen; het is zoo mismaakt, dat het de openbare school niet kan bezoeken. Ik verzwijg u niet, dat het kind zoo eigenzinnig en onhandelbaar is, dat het met de grootste strengheid behandeld moet worden. Als gij den moed hebt om dat karakter te buigen, wees dan zoo goed er dagelijks een uur aan te besteden.”

„Ik zal trachten aan uw verlangen te voldoen,” antwoordde Liebel.

De bankier schelde en gebood den binnentredenden bediende mijnheer de meester bij de kleine Theodoor te brengen.

Liebel volgde den bediende, die eenige kamers voorbij liep, totdat zij eindelijk aan een klein vertrek kwamen, dat zeer eenvoudig gemeubeleerd was, en geen ander uitzicht had dan tegen een kalen muur.

Er was hier geen toegang voor een enkelen zonnestraal, een benauwde lucht kwam de meester tegen.

Voor een der twee vensters zat een bejaarde vrouw, de oppasseres en gezelschapsjuffrouw van het kind 't welk aan een tafel zat, die midden op den vloer stond, met looden soldaatjes te spelen. Het kind kon zes of zeven jaar oud zijn, zag er bleek en mager uit, had dunne armpjes en beentjes, daarentegen dikke knokkels en een opgezet lijf.

„Dat is Theodoor,” zeide de bediende tot Liebel, „ziet dat gij iets van hem maken kan, maar gij zult er niet veel eer mede inleggen.” Dit zeggende verliet hij het vertrek.

„Lieve jongen,” zoo sprak Liebel den knaap aan, „gij schijnt u te vervelen, mag ik met u spelen?” Theodoor gaf geen antwoord, maar keek onverschillig voor zich.

„Kijk mij eens goed aan,” vervolgde Liebel, „en geef mij eens een hand, ik meen het goed met u.” Hij boog het hoofd nog lager, verborg de linker hand onder tafel en wierp met de rechter de soldaten om.

„Mijnheer,” zeide de vrouw, die aan het venster zat, „vermoei u toch niet met dat onhandelbare stijfhoofd. Als hij niet goed wil, zijn geen tien menschen in staat hem tot reden te brengen.”

Liebel wierp een medelijdenden blik op het geestige maar innig kranke kind. Hij zette een stoel bij de tafel, ging tegenover den knaap zitten, en begon van eenige speelkaarten, die op tafel lagen, een huis te bouwen. Hij deed alsof er niemand in de kamer was en sprak tegen zich zelven.

„Dat is mijn huis,” zei Liebel, „nu nog een benedenverdieping,—nu maak ik er een hek om heen,—nu nog een verdieping er boven op,—nog een..... o jé!”

Met opzet liet de meester het geheele gebouw instorten, waarbij hij opmerkte, dat Theodoor eerst nieuwsgierig het spel had gade geslagen en bij het omvallen zelfs gelachen had.

„Nu zal ik voor den koning een prachtig slot bouwen,” vervolgde de meester. „Zie zoo, daar staat het,—daar moeten nu schildwachten voor staan.”

Theodoor verzette er zich niet tegen, dat Liebel eenige soldaten voor hem weg nam en die voor het koninklijk slot plaatste.

„De koning komt uit het slot,” vervolgde de meester, terwijl hij een looden generaal voor het kaartenhuis plaatste, „nu moet de wacht voor hem difileeren.” Hij plaatste eenige soldaten in gelederen, de muziek en de tamboers voorop; met den mond bootste hij het geluid van muziek en trom na, terwijl hij tegelijk kommandeerde.

Theodoor was oplettender geworden en nu en dan zweefde er een lachje om zijn lippen. Van tijd tot tijd staakte de meester het spel, en eindelijk stond hij op, reikte het kind een hand en vroeg: „mag ik nog eens terug komen?”

Theodoor zweeg, keek den meester aan, greep zijn rechter hand en drukte die vast in de zijne en bleef zoo eenigen tijd zitten. Liebel bleef een poosje sprakeloos voor hem staan; eindelijk herhaalde hij zijne vraag, terwijl zijn hand nog in die van den knaap rustte, „mag ik nog eens terug komen?”

Theodoor knikte eenigzins met het hoofd, terwijl hij zijn hand uit die van den meester verwijderde. Liebel vertrok en werd door de vrouw uitgeleid.

„Gij zijt een duivelskunstenaar,” zeide zij, „gij kunt meer dan eten; als gij den jongen tot spreken krijgt, verricht gij een wonder.”

Liebel verliet de woning van den bankier. De goede man liep in gepeins verzonken over de straat. „Arme jongen,” prevelde hij, „men heeft u altijd verkeerd begrepen; ach, wat hebt gij veel verzorging noodig, en wat wordt er weinig gedaan tot heil van uw ziel en lichaam. De bankier is een onhandelbaar man, hij wil altijd zijn eigen zin volgen, met hem kan ik dus niet over de opvoeding van Theodoor spreken. Ik zal zelfstandig handelen en zijn toestemming niet vragen. Tot levensdoel stel ik mij voor, den knaap uit zijn ziekelijken toestand en uit zijn staat van verdooving te redden; met Gods hulp zal ik mijn doel bereiken.”

Den volgenden dag herhaalde Liebel zijn bezoek en het spel. Ook had hij drie groote witte dobbelsteenen medegebracht; deze liet hij over de tafel rollen en telde overluid de oogen. Hij deed dit alles zonder zich met den knaap te bemoeien. Eindelijk deed Theodoor uit eigen beweging hetzelfde wat Liebel deed; zijn ijver ontwaakte, hij speelde lustig mede en lachte somwijlen hartelijk. Eindelijk leerde hij de achttien oogen van de dobbelsteenen tellen, kreeg lust om nu te tellen hoeveel soldaten hij bezat, wilde weten hoe de kleedingstukken en de wapenen der soldaten genoemd werden, enz. Later werden de dobbelsteenen en soldaten vervangen door een groote verscheidenheid van bont gekleurde boonen, waardoor hij al spelende de beginselen der rekenkunde leerde. Toen kwam het lezen aan de beurt. Hiertoe bezigde Liebel eenige groote letters, die op strookjes bordpapier geplakt waren, en vertelde hem bij iedere letter een klein sprookje, waardoor hij Theodoor onderhoudend wist bezig te houden. Nadat de eerste moeielijkheden overwonnen waren, werd Theodoor hoe langer hoe bevattelijker en Liebel zag zijn moeite rijkelijk beloond.

De bankier bemoeide zich volstrekt niet met hem, en vroeg nooit aan den meester of Theodoor al of niet leerde.

Op zekeren dag ontmoette Liebel, toen hij het huis van den bankier wilde verlaten, mevrouw Meier in den gang. Na haar vriendelijk goeden dag gezegd te hebben, vroeg hij haar wat de reden was dat Theodoor nimmer van de buitenlucht mocht genieten, daar dit zoo wenschelijk zou zijn voor het herstel van zijn gezondheid.

Mevrouw scheen met deze vraag verlegen te zijn. Eindelijk antwoordde zij: „Mijnheer Liebel, ik weet niet of gij met het karakter van mijn man bekend zijt; zoo niet, dan zal ik beginnen met u te zeggen, dat hij over eenige zaken vreemde denkbeelden heeft; gij weet, wij zijn kinderloos, en het blijkt uit deze zaak, dat de bankier volstrekt geen slag heeft van kinderen op te voeden. Toen wij Theodoor in huis namen, was hij ziekelijk en nog is hij gebrekkig; hij kon bijna niet loopen, en daarom heeft mijn man een gezelschapsjuffrouw genomen om Theodoor bezig te houden, maar heeft haar bepaald verboden het kind buiten de kamer te laten. Het zou verkeerd zijn, hem het vreemde van deze opvoeding aan het verstand te brengen; heeft hij eenmaal een plan gevormd, dan moet het uitgevoerd worden; ik zou u daarom bepaald ontraden ooit over deze zaak met mijn man te spreken.”

Not available
This book is not sold in your country. If you have VPN enabled, please disable it
Age restriction:
0+
Release date on Litres:
17 January 2025
Volume:
61 p. 2 illustrations
ISBN:
4064066340179
Publishers:
Translator:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format: