Read the book: «De drie steden: Lourdes»

Font::

Émile Zola

De drie steden: Lourdes


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066403553

Inhoudsopgave

INLEIDING

EERSTE DAG

I.

II.

III.

IV.

V.

TWEEDE DAG

I.

II.

III.

IV.

V.

DERDE DAG

I.

II.

III.

IV.

V.

VIERDE DAG

I.

II.

III.

IV.

V.

VIJFDE DAG

I.

II.

III.

IV.

V.


DE DRIE STEDEN

LOURDES

DOOR

EMILE ZOLA

VERTALING VAN

W. J. A. ROLDANUS Jr.

Met een korte inleiding van Is. Querido

UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF

TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88

INLEIDING

Inhoudsopgave

De heer J. M. Meulenhoff verzoekt mij een kort woord ter inleiding te schrijven voor Zola’s bekende serie: Lourdes, Rome, Parijs. Ik kan in deze beknopte inleiding over de literaire en dramatisch-psychologische waarde van zijn drie romans, als nawerk op de “Rougeon-Macquart”-serie, niet uitwijden. De simpele bedoeling is vooral er op te wijzen dat hier in ons land, naar mijn weten voor het éérst een volledige en onverminkte vertaling verschijnt van deze drie groote Zola-boeken. Dát feit verkondig ik met vreugde; nogmaals gansch en al afgescheiden van de scheppende waarde welke ik zelf deze latere producten in de rij van Zola’s overige werken, toeken. Tegenover dezen “realist” is men in Holland, vooral in den jongsten tijd, op een waarlijk schandelijke en weerzinwekkende wijze opgetreden. Men heeft in vele gevallen zijn arbeid voor het allergrootste deel als pornographische prikkel-literatuur met kabaal en handelsreclame onder de massa geworpen. Men heeft het vuile, smerige, zwoele, alleen-sensueele en dierlijk-menschelijke opgezocht, aangedikt en vaak geheel los van alle psychologisch karakter-verband naar voren gebracht. Men heeft met schunnige bijbedoelingen de groote scheppingen van Zola onbekommerd verknoeid, ze geheel naar willekeur en grof handelsbelang besnoeid, verminkt, saâmgelapt en beduimeld. Men heeft ermee omgesprongen als met een verachtelijke waar, slechts geschikt voor de bevrediging der gemeenste zinnedriften. Nu eindelijk verschijnen de “Drie steden” in een verzorgde vertaling, met piëteit volbracht tegenover een groot schrijver; een vertaling waarin geen regel van het oorspronkelijke wierd weggelaten.

Het is misschien goed er aan te herinneren, dat dit boek in Frankrijk, in de orthodox-katholieke kringen, een krijtende woede heeft uitgelokt, maar dat men later is gaan inzien hoezeer Zola van zijn standpunt het “wonder” van geloofsgenezingen verklaarde gelijk de geheele school van Nancy en Parijs dit met het probleem der suggestie en hypnose reeds lang deed op physiologische en psychologische gronden. Ook nu weer zal “Lourdes” in de rechtzinnige kringen verzet wekken en tegenspraak ontmoeten. Doch nu is het psychiatrisch materiaal veel rijker aanwezig. Opmerkelijk mag het heeten, dat Emile Zola in den tegenwoordigen tijd door de allerjongste jongeren en snobs weer met even groote minachting, met even fellen afschuw en huivering besproken wordt als bij zijn intrede in de Fransche letterkunde. Léon Bloy vooral in zijn hysterisch-felle, uitbrakende scheldrazernij en verachting voor den “slechten” schrijver en “gebrekkigen” woordkunstenaar Zola, gaf den toon aan. Na dezen genialen woesteling en overdadigen dwepeling zijn er tallooze Léon Blaffertjes gekomen die den Franschen Meester hebben gehoond en gesmaad op de meest walgelijke en tartende wijze. Het waren inzonderheid de sensationeele persmuskieten, de ellendige futlooze prutsers en schaamtelooze lawaai-journalistjes die in partij-haat en valsche dweepzucht den grooten romanticus naamloos krenkten en beleedigden. Ik behoef gelukkig slechts tegenover den geniaal-scheldenden, doch uiterst-beperkten Léon Bloy te plaatsen de dikwijls uitgesproken bewondering van den veel grooteren Gustave Flaubert. Telkens kunt gij in Flaubert’s “Correspondance” iets lezen van vurigen lof op Zola… “Ik voleindig zoo even juist uw boek. Ik duizel er nog van. Het is zeer machtig.” “Je viens de finir votre atroce et beau livre! J’en suis encore étourdi. C’est fort! Très fort!” (Correspondance van Gustave Flaubert, dl. IV, pag. 164). Ook noemt Flaubert elders Zola’s werk zeer sterk, vurig en gezond. Wel van een hartstochtelijke wildheid en bewogenheid, doch meestal van groote waarneming en groote diepte. Zeer bewondert Flaubert Martha in de “Conquête des Plassans”. Het slot noemt hij “een wonder”. “Quant à elle (Marthe), je ne saurais vous dire combien elle me semble réussie, et l’art que je trouve au développement de son caractère, ou plutôt de sa maladie. J’ai surtout remarqué les pages 194, 215 et 217, 261, 264, 267. Son état hystérique, son aveu final (p. 350 et 19) est une merveille.” (Correspondance, dl. IV, pag. 213). En over “Mes haines” schrijft Flaubert: “La préface de vos “Haines” m’a ravi, mon cher Zola. Voilà tout ce que j’ai à vous dire. Je ne la connaissais pas et j’en suis féru! Bravo! Voilà comme il faut parler.” (Correspondance, dl. IV, pag. 383). Over den fielterig- en gemeen-uitgescholden roman “Nana” zegt de geweldige Gustave Flaubert: “Ik heb gisteren heel den dag tot middernacht met het lezen van uw “Nana” doorgebracht. Ik sliep er niet van… Ik sta verstomd… De karakters zijn wonderen van waarheid…” “à la fin, la mort de Nana est Michelangelesque!” Un livre énorme…! Page 415. Plein de de grandeur, épique, sublime!… Page 483. Très grand, très grand!… Pages 489–90. Comme c’est vrai et intense!… Page 504. Rien de plus haut. Page XIV. Au-dessus de tout!—Oui! … n… de De…! sans pareil.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409). Verder spreekt Flaubert van… “Mignon! avec ses fils! ineffable de beauté!… Tout ce qui regarde Fontan parfait… La paternité de tous ces messieurs, adorable… Nana tourne au mythe, sans cesser d’être réelle.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409).

Ik zou ook nog kunnen spreken over de afgodische vereering hier in ons land, die eens Van Deyssel voor Zola uitsprak; over de groote bewondering van Johan De Meester, Frans Coenen, mr. Erens, Henriëtte Roland-Holst en vele anderen. Want bijna altijd is Zola het meest gehavend geworden door de klein-krenkende, onbeduidende, anonieme dagblad-criticasters, die in hun vinnige jaloerschheid den reus te lijf gingen als een gonzende zwerm angellooze horzeltjes. Ook de titanische Balzac wierd schromelijk toegetakeld door de journalisten van het allermiddelmatigste slag. Balzac zelf verachtte en bespotte hen. Toch waren er zeer sluwe rakkers onder die hem sarden en beleedigden. Ik behoef slechts te wijzen op Eugène Poitou, die als een echte schelm Balzac’s grootheid heeft aangerand en eindelijk zoo verrukkelijk-hooghartig is afgestraft door Barbey d’Aurévilly. Ik behoef slechts te wijzen op de artikelen-reeks van Henri Duvernois die indertijd heeft aangetoond op welk een grove en duldelooze wijze Balzac’s werk in dommen haat en boosaardigheid is neergehaald. Zola was nu even reusachtig van episch gebaar als Balzac, al klonk de Pantagruellische lach van den “Comédie humaine”-schepper soms guller en soms satanischer. Le Lucifer de la literature, zooals Anatole France Balzac noemde, had zich door Gosselin een wandelstok laten snijden, “la ridicule canne”, de monsterlijk-zware tambour-majoor-rotting, poenig opgepronkt met allerlei steenen, waarmee hij van zich afranselde, op pedante collega’s en afgunstige vijanden. Reeds vroeger schreef ik hoezeer Balzac het mikpunt is gebleven van laffen, oneerlijken spot, van karikatuur en giftigen hoon. Gozlan en Mme Hanska doen ons gevoelen hoe driest Balzac wierd afgemaakt en neergehaald door de nietigste journalisten-keffertjes, drollige snaakjes; door bijna alle dagbladen van zijn tijd en hoe allerlei blufferige dwergjes met catapult’s tegen den reus uittrokken. Balzac zelf had een afschuw van deze soort journalisten. Zie o. a. “Un grand homme de Province à Paris” en beluister Balzac’s spot-woord naar Lireux: “Encore une fois, pardon, monsieur Lireux, mais j’en ai fini depuis longtemps et fini pour toujours avec les journalistes; c’est entre nous une guerre de sauvages: ils veulent me scalper à la manière des Mohicans, et moi je veux boire dans leur crâne à la manière des Muscoculges”.

Ook Zola stond in dezelfde houding tegenover zijn vernietigende critici die hij nog veelvuldiger vond in Frankrijk dan Balzac, omdat deze althans was en bleef “bon catholique” en Zola aarts-atheïst en anarchist wierd gescholden. Ook in Lourdes is Zola, in zijn romantiek en in zijn ten deele evangelisch, mystiek profetisme, allicht dieper religieuze natuur dan vele zoogenaamde rechtzinnigen in de leer die hem verdoemen en de hel invloeken, om zijn aanranding van het godsbegrip. Nogmaals, ik onthoud mij van iedere literaire carakteristiek dezer “Drie steden”-serie. Slechts wijs ik op hare groote belangrijkheid als sociale uiting en wellicht is in geen zijner werken zoo sterk Zola’s eigen maatschappijen levensbeschouwing uitgesproken als in deze romans.

Dat onder de groote modernen in Zola’s eigen land ook nog vurige bewonderaars leven van zijn genie, bleek mij onlangs opnieuw, uit een gesprek met den buitengewonen Franschen schilder Le Fauconnier, die met groote geestdrift en warmte Zola huldigde en ook gretige bewondering te kennen gaf voor zijn kunst-critischen arbeid.

Het is voor mij nu reeds een zekerheid, dat ná de beschimpings-periode van onfrissche modernelingen, snobs en kwasi-vergeestelijkten, er een tijd zal komen dat ook Zola weer, bij al zijn fouten en gebreken, in volle grootheid zal worden genoemd, hoe gansch anders men in wezen ook mag staan tegenover zijn kunst-opvattingen, zijn maatschappij-critiek en zijn moraal.

Is. Querido.

EERSTE DAG

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Toen in den rijdenden trein de pelgrims en de zieken, die op de harde banken van den wagon 3de klasse opeengehoopt zaten, het Ave Maris Stella, dat zij bij het verlaten van de Gare d’Orleans aangeheven hadden, ten einde zongen, zag Marie, die zich, door een koortsachtig ongeduld aangegrepen, half opgericht had van haar ziekbed, de vestingwerken.

“Ha, de vestingwerken!” riep zij, ondanks haar pijn, op vroolijken toon. “Nu zijn we tenminste Parijs uit!”

Haar vader, mijnheer de Guersaint, die tegenover haar zat, lachte over haar blijdschap, terwijl abbé Pierre Froment, die haar met broederlijke liefde aankeek, in zijn medelijdende bezorgdheid zeide:

“Ja, en nu zitten we tot morgenochtend in den trein, want we zijn pas om 3.40 in Lourdes. Meer dan twee-en-twintig uur reizen!”

Het was half zes, de zon was stralend opgegaan over een prachtig-helderen ochtend. Het was een Vrijdag, 19 Augustus. Doch reeds kondigden aan den horizont kleine dikke wolkjes een verschrikkelijk warmen, van onweer zwangeren dag aan. Schuin vielen de zonnestralen door de compartimenten van den wagon en vulden die met een stof van dansend goud.

Marie, die weer in haar angst teruggevallen was, fluisterde:

“Ja, twee-en-twintig. Lieve God, wat is dat nog lang!”

Haar vader legde haar weer wat makkelijker in haar nauwe kist, een soort dakgoot, waarin zij sedert zeven jaar leefde. Bij uitzondering had men toegestaan de twee paar wielen, die afgenomen en aangebracht konden worden, in den bagagewagen te vervoeren. Ingesloten tusschen de planken van die rollende kist, nam zij drie plaatsen in op de bank; rustig bleef zij een oogenblik liggen met haar gesloten oogen, met haar uitgeteerd, vaalbleek gezicht, dat ondanks haar drie-en-twintig jaar nog een kinderlijke teerheid behouden had; ondanks alles zag zij er nog bekoorlijk uit met haar prachtige blonde haren, haren als van een koningin, die door de ziekte verschoond waren. Eenvoudig gekleed in een zwartwollen japon, had zij om haar hals haar kaart met haar naam en haar volgnummer. Zelf had zij dezen armelijken eenvoud gewenscht, daar zij haar familie, die van lieverlede in moeilijke omstandigheden gekomen was, niets kosten wilde. Zoo kwam het, dat zij hier in die derde klasse van den witten trein lag, den trein voor de ergste zieken, den droevigsten der veertien dien dag naar Lourdes vertrekkende treinen, dien, waarin behalve de vijfhonderd pelgrims, bijna driehonderd door zwakheid uitgeputte en door pijnen gekwelde zieken samengedrongen waren, die in volle vaart van het eene eind van Frankrijk naar het andere vervoerd werden.

Ontstemd haar bedroefd gemaakt te hebben, bleef Pierre haar met zijn liefdevollen blik van een ouderen broer aankijken. Hij was even dertig jaar, bleek, mager en had een breed voorhoofd. Nadat hij de reis tot in de kleinste bijzonderheden geregeld had, hield hij het voor zijn plicht mede te gaan en had zich daarom opgegeven als helper van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut; hij droeg onder zijn soutane het roode, met oranje afgezette kruis der baardragers. Mijnheer de Guersaint had op zijn grijslaken jas het scharlakenrood pelgrimskruis. Hij scheen het reizen prettig te vinden, telkens en telkens weer keek hij naar buiten en kon zijn vriendelijk en afgetrokken gezicht, dat er, hoewel hij reeds een goede vijftig was, er nog jong uitzag, niet stil houden.

In de afdeeling ernaast was ondanks het hevige schudden, dat Marie deed gillen van pijn, zuster Hyacinthe, die gezien had, dat het jonge meisje in de volle zon lag, opgestaan.

“Ach, mijnheer de abbé, laat het gordijntje wat neer… Kom, kom! Wij zullen het ons zoo makkelijk mogelijk maken en trachten het een beetje gezellig in te richten!”

In haar zwart kleed van ordezuster, dat opgevroolijkt werd door het witte kapje, den witten sluier en de groote witte schort, glimlachte zuster Hyacinthe dapper en moedig. Haar jeugd sprak duidelijk uit haar klein, frisch mondje, uit de diepte van haar mooie, blauwe, altijd liefdevol blikkende oogen. Zij was misschien niet knap, maar prettig om naar te kijken, teer, slank, met de borst van een jongen onder de hooge schort, van een flinken jongen met een blanken tint, overvloeiend van gezondheid, vroolijkheid en onschuld.

“Maar die lieve zon laat ons bijna smelten. Mevrouw, wees zoo goed ook een gordijntje neer te halen!”

In den hoek, naast de zuster zat madame de Jonquière nog steeds met haar koffertje op haar schoot. Langzaam trok zij het gordijntje naar beneden. Zij was een flinke brunette en zag er nog knap uit, niettegenstaande zij reeds een dochter van vier-en-twintig had, Raymonde, die zij met twee andere vrijwillige verpleegsters, madame Désagneaux en madame Volmar, eerste klasse reizen liet. Zij zelf, directrice van een zaal in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te Lourdes, verliet haar zieken niet; en buiten aan het deurtje van het compartiment hing het voorgeschreven bordje, waarop onder haar eigen naam die van de twee zusters van Maria Hemelvaart stonden, welke haar waren toegevoegd. Als weduwe van een geruïneerd man leefde zij met haar dochter bescheiden van vier à vijf duizend francs rente in de rue Vaneau; zij gaf al haar tijd aan het werk van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, waarvan zij het roode kruis op haar popelinen Karmelietenkleed droeg en zij een der vurigste ijveraarsters was. Eenigszins trotsch aangelegd en graag gevleid en gefêteerd, verlangde zij steeds naar die jaarlijksche reis, welke zoowel haar trots als haar hart bevredigde.

“U hebt gelijk, zuster, we zullen het ons wat makkelijk maken. Ik weet zelf niet, waarom ik dat koffertje zoo op mijn schoot houd.”

Zij zette het naast zich neer onder de bank.

“Wacht,” zeide zuster Hyacinthe; “die waterkan staat precies tusschen uw beenen. Die hindert u natuurlijk!”

“Wel neen, heusch niet! Laat maar. Hij moet toch ergens staan.”

Toen voegde zij het woord bij de daad en richtte zich zoo makkelijk mogelijk in voor een dag en een nacht met haar zieken. Het was jammer, dat zij Marie niet in haar compartiment had kunnen nemen, daar deze er beslist op gestaan had bij haar vader en Pierre te blijven, maar ze konden tenminste over het lage beschot nu en dan eens een buurpraatje met haar houden. Trouwens de geheele wagon met zijn vijf compartimenten van tien plaatsen, vormde één rijdende, gemeenschappelijke kamer, die men met één blik overzien kon. Met de kale, gele houten beschotten en het wit geschilderde plafond deed het denken aan een echte ziekenzaal, of in zijn wanorde en het door elkaar heen staan van alles eerder op een geïmproviseerd veldlazaret. Half verborgen lagen onder de bank kruiken, kommen, bezems, sponsen. Daar de trein geen bagagewagen had, hoopten zich overal en nergens valiezen, witte houten kisten, hoedendoozen, koffertjes op, een jammerlijke opeenstapeling van oude, versleten met touw dichtgemaakte dingen; verder hingen allerlei kleedingstukken, pakjes en manden aan koperen haken te slingeren. En te midden van dien ouden rommel werden de zwaar-zieken, die op hun kleine matrassen verscheidene plaatsen innamen, door het geschok der wielen heen en weer geschud, terwijl zij, die zitten konden, met hun bleeke gezichten tegen kussens leunden. Volgens het voorschrift moest er voor ieder compartement een diakones zijn. Aan het andere einde bevond zich een tweede zuster van Maria Hemelvaart, zuster Claire des Anges. Gezonde pelgrims stonden reeds op en begonnen te eten en te drinken. Achterin was een geheel compartiment voor vrouwen, oude en jonge, dicht tegen elkaar gedrukt, allen even jammerlijk- en droevig-leelijk. Daar men om de teringlijdsters, die er zich onder bevonden, de raampjes niet durfde openzetten, begon er een drukkende hitte en een benauwende stank te heerschen.

Te Juvisy hadden de pelgrims de rozenkrans afgebeden. Toen men om zes uur in volle vaart het station Bretigny doorvloog, stond zuster Hyacinthe op, die de geestelijke oefeningen leidde, welke de meeste pelgrims in een klein boekje met blauwen omslag volgden.

“Het Angelus, kinderen,” zeide zij met haar moederlijk glimlachje, dat haar jeugd zoo bekoorlijk en zacht maakte.

Weer volgden de Ave’s elkaar op. Toen het klaar was, keken Pierre en Marie vol deelneming naar twee vrouwen, die de twee andere hoeken van hun compartiment innamen. De eene, die aan het voeteneinde van Marie’s matras lag, was een tengere blondine, een ruim dertigjarige, voor haar tijd verwelkte burgervrouw. Zij hield zich bescheiden op den achtergrond en nam bijna geen plaats in. Zij had een donkere japon aan, haar haar was verkleurd, haar gezicht lang en pijnlijk vertrokken en drukte een grenzenlooze verlatenheid en eindelooze droefgeestigheid uit. De andere, die op dezelfde bank als Pierre zat, een ongeveer even oude arbeidersvrouw met een zwart mutsje en een door ellende en zorgen verwoest gezicht, had een meisje van zeven jaar op haar schoot, zoo bleek en zoo minnetjes, dat men het geen vier gegeven zou hebben. Het kind met haar spits neusje, haar blauw-omkringde, gesloten oogjes en haar wasbleek gezichtje, kon nog niet praten; het kreunde en steunde slechts, wat telkens weer het hart van de over haar kleine gebogen vrouw verscheurde.

“Zou ze misschien een paar druiven lusten?” vroeg bedeesd de burgervrouw, die tot dat oogenblik gezwegen had. “Ik heb er in mijn mandje.”

“Dank u, madame,” antwoordde de arbeidersvrouw. “Ze drinkt alleen maar melk, en dan moet u nog niet vragen hoe… Ik heb een flesch meegenomen.”

En toegevend aan de behoefte, die ongelukkigen steeds hebben om te praten, vertelde zij haar geschiedenis. Zij heette madame Vincent en had haar man, die vergulder van beroep geweest was, aan de tering verloren. Alleen achtergebleven met haar kleine Rose, die zij aanbad, had zij dag en nacht genaaid, om het kind op te voeden. Maar het kind was ziek geworden. Nu al veertien maanden lang hield zij het kind, dat steeds pijn had en altijd maar achteruitging en afviel, in haar armen. Toen was zij, die anders nooit naar de mis ging, uit wanhoop een kerk binnengeloopen, om de genezing van het kind af te smeeken: daar had zij een stem gehoord, die haar zeide, dat zij met het kind naar Lourdes gaan moest, waar de Heilige Maagd zich over de kleine erbarmen zou. Daar zij niemand kende en niet wist, hoe die bedevaarten werden ingericht, had zij maar één gedachte gehad: werken, reisgeld sparen, een kaartje nemen, met de dertig sous, die zij nog over had, de reis aanvaarden en slechts een flesch melk voor het kind meenemen, zonder zelfs maar te denken voor zichzelf een stuk brood te koopen.

“Wat scheelt het lieve kind eigenlijk?”

“O, madame, het is een buikverharding. Maar de dokters hebben er hun eigen naam voor… Eerst heeft ze gewoon buikpijn gehad. Maar toen is de buik gaan opzetten en heeft ze een pijn gehad, dat je er gewoon bij stond te huilen. Nu is die opzetting heelemaal weg; maar het kind leeft nu, om zoo te zeggen niet meer, ze heeft geen beenen meer, zoo mager is ze; en door dat eeuwige transpireeren neemt ze nog meer af…”

Maar Rose had even gekreund en haar oogleden opengeslagen; angstig en bleek wordend boog de moeder zich over haar heen.

“Mijn schatje, mijn lieveling, wat is er?… Wil je wat drinken?”

Maar het kind had haar leege, mat-blauwe oogen al weer gesloten; het antwoordde zelfs niet meer, was weer teruggezonken in haar apathie, heelemaal wit in haar wit jurkje, een laatste coquetterie der moeder, die deze onnoodige uitgave gedaan had in de hoop, dat de Maagd genadiger zijn zou voor het zieke wichtje, als het netjes in het wit gekleed was.

Na een kort stilzwijgen begon madame Vincent weer:

“En u, madame, u gaat zeker voor u zelf naar Lourdes?… Het is u wel aan te zien, dat u ziek is.”

Maar de burgervrouw trok zich angstig-verschrikt in haar hoekje terug en prevelde:

“Neen, neen, ik ben niet ziek… Was ik het maar, dan zou ik minder lijden!”

Zij heette madame Maze en had een ongeneeslijk verdriet in haar hart. Na uit liefde getrouwd te zijn met een flinken, levenslustigen jongen man, was zij na een jaar van wittebroodsweken door hem in den steek gelaten. Haar man, die als handelsreiziger bijna altijd van huis was en veel geld verdiende, bleef dikwijls maanden lang weg, bedroog haar van het eene einde van Frankrijk tot het andere, ja nam zelfs maîtressen mee. Zij aanbad hem en leed er zoo onder, dat zij zich in de armen van den godsdienst geworpen had. Eindelijk was zij besloten naar Lourdes te gaan, om de Heilige Maagd te smeeken haar man te bekeeren en hem aan haar terug te geven.

Zonder het precies te begrijpen, voelde madame Vincent toch, dat haar reisgenoote zedelijk veel leed. Ze bleven elkaar aankijken, de verlaten vrouw, die door haar hartstochtelijke liefde verteerd werd, en de moeder, die ten gronde ging, omdat zij haar kind sterven zag.

Nu mengde Pierre, die evenals Marie met groote deelneming geluisterd had, zich in het gesprek, het verwonderde hem, dat de arbeidersvrouw haar kind niet in het ziekenhuis had laten opnemen. De Association de Notre-Dame de Salut was na den oorlog door de Augustijnen opgericht met het doel, om door gemeenschappelijk gebed en door het uitoefenen van weldadigheid werkzaam te zijn voor het heil van Frankrijk en de verdediging der Kerk; ook hadden zij de bedevaarten in het leven geroepen en met name de nationale bedevaart, die jaarlijks tegen het einde van Augustus naar Lourdes ondernomen werd, georganiseerd en steeds meer uitgebreid. Zoo had zich langzamerhand een uitstekende organisatie ontwikkeld; uit de geheele wereld werden giften gezonden, in iedere parochie zieken op de lijsten gebracht, met de spoorwegmaatschappijen speciale regelingen getroffen, ongerekend nog de krachtdadige hulp der zusters van Maria Hemelvaart en de stichting van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, een uitgebreide vereeniging van alle liefdadigheidsgenootschappen, waarin mannen en vrouwen, grootendeels tot de voornamere kringen behoorend, onder toezicht van den leider der bedevaarten, de zieken verpleegden, droegen en voor het handhaven der orde zorgden. De zieken moesten een schriftelijk verzoek indienen, om in die Hospitalité opgenomen te worden, waardoor zij alle reis- en verblijfkosten vrij hadden; ze werden thuis gehaald en weer gebracht, ze behoefden dus slechts eenige levensmiddelen voor de reis mede te nemen. Maar het grootste gedeelte kwam van aanbevelingen van geestelijken of van liefdadige personen, die bij de inschrijvingen zorg droegen voor de noodzakelijke identiteitsbewijzen en de geneeskundige certificaten. Was dit geschied, dan behoefden de zieken zich met niets meer te bemoeien, waren zij in de zorgende handen der barmhartige broeders en zusters niets meer dan het armzalige object voor lijden en wonderen.

“U hadt,” legde Pierre haar uit, “u slechts behoeven te wenden tot den pastoor van uw parochie. Dat arme kind verdient ons aller medelijden. Het zou dadelijk opgenomen zijn.”

“Ik wist het niet, mijnheer de abbé.”

“Maar hoe hebt u het dan klaar gespeeld?”

“Ik heb een biljet gekocht op een plaats, die een buurvrouw, die de courant leest, mij genoemd heeft.”

Zij sprak over biljetten, welke tegen zeer verminderde prijzen onder de pelgrims, die betalen konden, werden verdeeld. Onder het luisteren werd Marie door een groot medelijden en ook door schaamte aangegrepen: haar ontbrak het toch niet aan middelen, en zij was er met behulp van Pierre in geslaagd, zich in de Hospitalité te laten opnemen, terwijl die moeder en haar ongelukkig kind, na haar armzalige spaarduitje gegeven te hebben, zonder een sou bleven.

Maar een heftige schok van den wagon ontrukte haar een gil van pijn.

“Licht me wat op, vader. Ik kan niet langer zoo op mijn rug blijven liggen.”

Toen haar vader haar in een zittende houding had opgericht, zuchtte zij diep. Ze waren nauwelijks Etampes, anderhalf uur van Parijs voorbij, en reeds begonnen in de gloeiende zon, het stof en het lawaai, de vermoeidheid en de uitputting zich te doen gelden.

Madame de Jonquière sprak over het beschot het jonge meisje met een paar vriendelijke woorden moed in. Ook zuster Hyacinthe was weer opgestaan en klapte vroolijk in haar handen, om zich door den geheelen wagon verstaanbaar te maken.

“Kom, kom! Laten we niet aan onze pijntjes denken! Laten we bidden en zingen, de Heilige Maagd zal met ons zijn.”

Zij hief den Rozenkrans aan volgens de woorden van Notre-Dame de Lourdes, en alle zieken en pelgrims volgden haar voorbeeld. Het was de eerste rozenkrans, de vijf blijde mysteriën, Maria Boodschap, de Visitatie, de Geboorte, Maria Lichtmis, de wedergevonden Jezus. Dan hieven allen het lied aan: “Aanschouwen wij den hemelschen aartsengel…” De stemmen gingen verloren in het geratel der wielen, men hoorde slechts het doffe gegons van den troep, die in den gesloten, eindeloos voortrollenden wagen half stikte.

Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij zijn godsdienstige plichten trouw vervulde, nooit een lied tot het einde toe mede zingen. Hij stond telkens op, om dan dadelijk weer te gaan zitten. Eindelijk bleef hij over het beschot heen leunen en ging hij praten met een zieke, die in het compartiment ernaast tegen hetzelfde beschot zat. Mijnheer Sabathier was een dikke, kale vijftiger met een groot, goedig hoofd. De laatste vijftien jaren leed hij aan ataxie, pijn had hij slechts bij tusschenpoozen, maar zijn beenen waren geheel verlamd; zijn vrouw, die hem vergezelde, legde ze, als waren het doode beenen, van de eene plaats op de andere, wanneer ze hem ten slotte zoo zwaar werden als stukken lood.

“Ja, mijnheer, vroeger was ik leeraar in de vijfde klasse van het lycée Charlemagne. In den beginne dacht ik, dat het gewone heupjicht was. Doch daarna heb ik vreeselijke pijnen gekregen, zooiets alsof er gloeiende degens in mijn spieren gestoken werden. De laatste tien jaar echter is mijn heele lichaam er door aangetast, ik heb alle mogelijke doktoren geraadpleegd, ik heb alle mogelijke en onmogelijke badplaatsen bezocht; en nu heb ik tegenwoordig wel minder pijn, maar ik kan niet meer van mijn stoel opstaan… Ik had mijn leven lang niets aan godsdienst gedaan, maar nu ben ik weer tot God teruggebracht door de gedachte, dat ik te ongelukkig was en dat onze Lieve Vrouwe van Lourdes medelijden met mij hebben zou.”

Pierre was ook over het beschot komen leunen en luisterde aandachtig.

“Lijden brengt de ziel weer terug tot God, niet waar, mijnheer de abbé? Dit is nu al het zevende jaar, dat ik naar Lourdes ga, maar ik twijfel geen oogenblik aan mijn genezing. Dit jaar zal de Heilige Maagd mij genezen, dat weet ik zeker. Ja, ik reken er vast op weer te kunnen loopen; ik leef nog slechts in die hoop.”

Mijnheer Sabathier hield even op, om zijn vrouw zijn beenen wat meer naar links te laten leggen. Pierre nam hem eens goed op; het verwonderde hem een zoo hardnekkig geloof te vinden bij een intellectueel, een van die geleerden, die gewoonlijk zoo Voltairiaansch gezind zijn. Hoe had het vertrouwen in het wonder in dit brein wortel kunnen schieten en opbloeien? Het was werkelijk zooals hij zelf zeide: heftige smarten en pijnen alleen konden deze behoefte aan illusie, den bloeitijd der eeuwige troosteresse verklaren.

“Zooals u ziet, zijn mijn vrouw en ik gekleed als armen, want ik wilde dit jaar niet meer zijn dan een arme; uit deemoed heb ik mij in de Hospitalité doen opnemen, opdat de Heilige Maagd mij zou rekenen tot de arme ongelukkigen, haar kinderen… Maar, omdat ik niet de plaats van een echten arme heb willen innemen, heb ik vijftig francs bij de Hospitalité gestort, wat, zooals u natuurlijk weet, het recht geeft een zieke op de bedevaart mede te nemen… Ik ken mijn zieke zelfs. Zooeven heeft men hem mij op het station voorgesteld. Het schijnt een teringlijder te zijn, die al ver, heel ver weg is…”

Weer volgde een stilte.

“Moge de Heilige Maagd, die alles kan, ook hem redden. Ik zou gelukkig zijn, als zij mij met haar weldaden overstroomde.”

De drie mannen bleven nog wat doorpraten, eerst over geneeskunde, dan over Romaansche bouwkunst, toen zij op een heuvel een klokketoren zagen, waarvoor alle pelgrims het teeken des kruises gemaakt hadden. Te midden van die arme zieken, te midden van die door hun ellende stompzinnig geworden armen van geest, lieten de jonge priester en zijn twee reisgenooten zich even door hun beschaving medesleepen. Een uur verliep, er waren nog twee liederen gezongen, zij hadden de stations van Toury en les Aubrais achter den rug, toen zij eindelijk bij Beaugency hun gesprek staakten en zuster Hyacinthe in haar handen klapte en met haar heldere, klankrijke stem begon:

“Parce, Domine, parce populo tuo…”1

En het zingen begon opnieuw, aller stemmen vereenigden zich, wederom steeg een vloed van gebeden omhoog, die de pijn verminderde, de hoop opnieuw deed opleven, langzamerhand zich meester maakte van het geheele wezen, dat uitgeput was door het onophoudelijke denken aan de genade en de genezingen, die men zoo ver zoeken ging.

Toen Pierre weer ging zitten, zag hij, dat Marie heel bleek was en haar oogen dicht had; toch begreep hij uit het pijnlijk samentrekken van haar gezicht, dat zij niet sliep.

“Heb je weer meer pijn?” vroeg hij.

“Ja, verschrikkelijk. Ik houd het nooit tot het einde uit. Dat voortdurende schokken…”

Zij kreunde, deed haar oogen weer open. Bijna in zwijm vallend bleef zij naar de andere zieken zitten kijken. In het compartiment ernaast had tegenover mijnheer Sabathier la Grivotte, die tot dat oogenblik roerloos als een doode op haar matras gelegen had, zich opgericht. Het was een groot meisje van een goede dertig, lam en vreemd, met een rond, door pijn vertrokken gezicht, dat echter door haar kroeshaar en haar vurige oogen bijna mooi was. Zij was in hoogen mate teringachtig.

“Wat zou het heerlijk zijn, mademoiselle,” zeide zij, zich met haar heesche, nauwlijks verstaanbare stem tot Marie wendend; “als we eens een klein dutje konden doen. Maar het is niet mogelijk met dat eeuwige gedreun der wielen.”

Niettegenstaande het spreken haar groote inspanning kostte, begon zij het een en ander van zichzelf te vertellen. Zij was matrassenmaakster geweest en had met haar tante te Bercy, van de eene boerenplaats naar de andere trekkend, veel matrassen gemaakt; aan die vergiftige wol, die zij in haar jeugd zelf gekaard had, schreef zij haar kwaal toe. De laatste vijf jaar had zij in verschillende Parijsche ziekenhuizen gelegen. Zij sprak dan ook heel familiaar over de meest bekende doktoren. De zusters van Lariboisière, die gezien hadden, hoe zij geheel in godsdienstige plechtigheden opging, hadden haar geheel bekeerd en haar tot de overtuiging gebracht, dat de Heilige Maagd van Lourdes slechts op haar wachtte, om haar te genezen.

“En dat mag ook wel, want de dokters zeggen, dat ik al één long kwijt ben en dat het met de andere ook zoo heel lang niet meer duren zal. Het zit hem in de holten van de longen, weet u… In den beginne had ik alleen maar pijn tusschen mijn schouders en gaf ik bij het hoesten slijm op. Thans ben ik zoo mager geworden, dat de tranen je erbij in de oogen kwamen. Nou zweet ik maar altijd door en hoesten, verschrikkelijk, maar opgeven gaat niet meer, daar is de slijm te dik voor. En zooals u ziet, staan kan ik niet meer en eten ook niet.”

Een hoestaanval belette haar verder te gaan; haar gezicht werd lijkkleurig.

“Enfin,” ging zij dan weer voort, “ik steek nog liever in mijn vel dan in dat van den broer, die in het compartiment hiernaast zit. Hij heeft precies hetzelfde als ik, maar hij is nog verder weg.”

Zij vergiste zich. Wel lag in de afdeeling achter Marie op een matras een jonge zendeling, broeder Isidore, dien men echter niet zag, daar hij zich geen vinger breed oprichten kon, maar hij was geen teringlijder, doch leed aan een leverontsteking, die hij in Senegal gekregen had. Het was een lange, magere jonge man met een geel, ingevallen, als perkament zoo gerimpeld gezicht. Het abces, dat zich aan den lever gevormd had, was van buiten opengebroken, en de ettering, die met een voortdurende koorts, brakingen en ijlen gepaard ging, putte al zijn krachten uit. Alleen zijn oogen leefden nog, oogen vol onuitbluschbare liefde, wier warme glans zijn gezicht, dat aan den aan het kruis stervenden Christus denken deed, deed stralen, zijn gewoon boerengezicht, dat door zijn hartstochtelijk geloof bij tijden geadeld werd. Hij kwam uit Bretagne en was het laatste, ziekelijke kind van een te talrijke familie; het kleine beetje land had hij aan zijn oudere broers overgelaten. Een van zijn zusters begeleidde hem, Marthe, twee jaar ouder dan hij, en die als dienstmeisje naar Parijs gekomen was; zij hield zooveel van haar jongeren broer, dat zij haar betrekking opgegeven had, om met hem mede te kunnen gaan, ook al gingen daar al haar spaarduitjes mede heen.

“Ik stond op het perron, toen zij hem in den wagon droegen. Vier mannen…”

Maar zij kon niet verder; weer kreeg zij een hoestbui, die haar dwong te gaan liggen. Zij stikte bijna, de roode plekjes op haar wangen werden blauw. Onmiddellijk steunde zuster Hyacinthe haar hoofd en veegde haar lippen af met een doekje, dat zich dadelijk rood kleurde. Op hetzelfde oogenblik wijdde madame Jonquière haar zorgen aan de zieke, die tegenover haar zat. Zij heette madame Vêtu en was de vrouw van een klein horlogemakertje in het quartier Mouffetard, die zijn winkel niet had kunnen sluiten, om met haar mee naar Lourdes te gaan. Om zeker te zijn, dat zij goed verzorgd zou worden, had zij zich in de Hospitalité laten opnemen. Angst voor den dood bracht haar terug naar de kerk, waarin zij sedert haar eerste communie geen voet gezet had. Zij wist, dat zij onherroepelijk ten doode opgeschreven was, weggeknaagd als zij werd door maagkanker; reeds had zij het verwilderde en gele uiterlijk van kankerlijders en gaf zij zwarte fluimen op, alsof zij roet spuwde. De geheele reis door had zij nog geen woord gezegd, haar lippen waren vast op elkaar geklemd, zij leed onuitstaanbare pijnen. Daarna had zij brakingen gekregen en het bewustzijn verloren. Zoodra zij haar mond opende, ademde zij een verschrikkelijken, verpestenden stank uit, die de omzittenden misselijk maakte.

“Dat is niet uit te houden,” mompelde madame de Jonquière, die zich een onmacht nabij gevoelde; “er moet wat gelucht worden.”

Intusschen had zuster Hyacinthe la Grivotte weer op haar kussen gelegd.

“Zeker, we kunnen best een raampje open zetten. Maar niet aan dezen kant, anders krijgt zij daar dadelijk weer een hoestbui… Zet het aan den anderen kant open.”

De hitte werd steeds erger, men stikte bijna in die bedompte, walgelijk-vieze atmosfeer; het was een opluchting, toen er een tochtje binnenkwam. Er was nu weer voor wat anders te zorgen: de zuster maakte de schalen en kommen, waarvan zij den inhoud uit het raampje wierp, schoon, terwijl de diakones den vloer, die door het dreunen hevig schokte, reinigde. Dan weer een andere zorg: de vierde zieke, die zich nog niet verroerd had, een mager meisje, wier gezicht met een zwarte doek omwikkeld was, zeide, dat zij honger had.

“Overhaast u maar niet, zuster,” zeide madame de Jonquière, die reeds naar de zieke toeging. “Ik zal haar brood wel in kleine stukjes snijden.”

In haar behoefte naar afleiding had Marie al een paar malen aandachtig gekeken naar dat door dien zwarten sluier verborgen gelaat. Zij vermoedde, dat zij een open wond in haar gezicht had. Men had haar alleen gezegd, dat het een bonne was. De ongelukkige, Elise Rouquet uit Picardië, had haar betrekking moeten verlaten en woonde te Parijs bij een zuster, die haar slecht behandelde; daar zij verder niet ziek was, had geen enkel ziekenhuis haar willen opnemen. Vroom van natuur had zij reeds maanden lang de vurige begeerte gekoesterd naar Lourdes te gaan. In angstige spanning wachtte Marie, dat de sluier weggenomen zou worden.

“Zijn ze zoo klein genoeg,” vroeg madame de Jonquière op moederlijken toon. “Zou je ze zoo in je mond kunnen krijgen?”

“Ja zeker, madame!” bromde onder den zwarten sluier een heesche stem.

Eindelijk werd de sluier weggenomen; Marie rilde van afschuw. Het was een lupus, die, langzamerhand steeds grooter geworden, den neus en den mond aangetast had, een zweer die zich onder de korsten steeds uitbreidde en de slijmvliezen wegvrat. Het hoofd, dat zich in den vorm van een hondensnuit uitgerekt had, was met het borstelig haar en de groote, ronde oogen verschrikkelijk om aan te zien. Reeds was het kaakbeen van den neus bijna geheel weggevreten, de mond was ingevallen en werd door de opgezwollen bovenlip naar links getrokken als een schuine, vormlooze, onreine spleet. Een bloedig, met etter vermengd slijm vloeide uit de groote, blauw-zwarte wonde.

“Kijk toch eens Pierre!” fluisterde Marie rillend.

Den priester doortrilde eveneens een huivering, toen hij Elise Rouquet voorzichtig de kleine stukjes brood zag steken in de bloedige opening, die als mond dienst deed. De geheele wagon was bij dien vreeselijken aanblik bleek geworden. En dezelfde gedachte steeg op in die met hoop vervulde zielen: O, Heilige Maagd, machtige Maagd, welk een wonder, indien zulk een kwaal genas!

“Kinderen, laten we niet aan ons zelf denken, als we ons goed willen voelen,” zeide zuster Hyacinthe weer.

En zij liet den tweeden rozenkrans bidden, de vijf smartelijke mysteriën: Jezus op den Olijfberg, de geeseling van Jezus, Jezus met doornen gekroond, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Dan volgde het lied: “Ik stel mijn vertrouwen in uw hulp, o Maagd…”

Na een reis van drie uur reden zij nu door Blois. Marie wendde haar blikken af van Elise Rouquet en liet ze nu op een man rusten, die in een hoek van het compartiment, waarin ook broeder Isidore lag, zat. Reeds een paar maal had zij hem opgemerkt; hij was nog jong en heel armoedig gekleed en had een dunne, reeds grijzende baard; klein en mager, met een uitgeteerd en met zweet bedekt gezicht scheen hij veel pijn te lijden. Toch bleef hij onbeweeglijk in zijn hoekje zitten; hij sprak met niemand en staarde met zijn groote, wijd geopende oogen strak voor zich uit. Plotseling zag zij dat zijn oogen dichtvielen en hij bewusteloos werd.

Zij riep zuster Hyacinthe.

“Zuster, ik geloof, dat het met dien mijnheer heelemaal niet goed is.”

“Welken heer, kindlief?”

“Die daar met zijn hoofd achterover.”

Het gaf een heele opschudding, alle gezonde pelgrims stonden op om te kijken. Madame de Jonquière kwam op het denkbeeld Marthe, de zuster van Isidore, toe te roepen, dat zij den man op zijn hand moest slaan.

“Vraag hem, of hij pijn heeft!”

Marthe schudde hem zacht heen en weer en vroeg het hem. Maar de man antwoordde niet; hij rochelde slechts en zijn oogen bleven vast gesloten.

Een verschrikte stem riep:

“Ik geloof, dat hij sterven zal.”

De angst werd grooter; men riep door elkaar, aan alle kanten van den wagen weerklonken raadgevingen. Niemand kende den man. Hij had zich in geen geval in de Hospitalité op laten nemen, want hij had niet de kaart met de witte kleur van den trein om zijn hals. Een vertelde, dat hij hem drie minuten voor het vertrek had zien aankomen; hij sleepte zich toen met groote moeite voort en had zich dadelijk laten neervallen in den hoek, waarin hij nu met een uitdrukking van oneindige moeheid lag te sterven. Daarna had hij zich niet meer bewogen. Men zag zijn plaatskaartje in het lint van zijn ouden hoed, die naast hem hing.

Doch zuster Hyacinthe uitte een kreet van vreugde.

“Hij haalt weer adem. Vraag hoe hij heet!”

Opnieuw door Marthe naar zijn naam gevraagd, liet de jonge man slechts een gekreun hooren, een nauwlijks verstaanbaren zucht:

“Ik heb zoo’n pijn!”

En van dat oogenblik af gaf hij slechts dat antwoord. Op alles wat men wilde weten, wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij mankeerde, waarmede men hem kon helpen, antwoordde hij niet, doch stiet steeds weer denzelfden zucht uit:

“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”

Zuster Hyacinthe werd eenigszins ongeduldig. Als zij maar in hetzelfde compartement geweest was! Zij nam zich voor van plaats te veranderen. Maar de trein zou pas in Poitiers stoppen. De toestand werd steeds erger, te meer daar het hoofd van den man weer achterover gevallen was.

“Hij sterft… hij sterft!” riep dezelfde stem weer.

Lieve God, wat moest men beginnen? De zuster wist, dat een pater van Maria Hemelvaart, pater Massias, zich met het Heilige Oliesel in den trein bevond en steeds gereed was om de stervenden te bedienen, want jaarlijks stierven er op de reis pelgrims. Maar zij durfde niet aan de noodrem te trekken. Ook was in den cantinewagen, die door zuster Saint-François bestuurd werd, een dokter met een kleine apotheek. Indien de zieke Poitiers, waar een half uur rust gehouden zou worden, haalde, zou hem alle mogelijke hulp verleend kunnen worden. Verschrikkelijk zou het zijn, als hij vóór Poitiers stierf. Doch de kalmte keerde eenigszins terug. De man ademde wat rustiger en hij scheen te slapen.

“Te sterven voor je er was,” mompelde Marie rillend, “te sterven vóór het beloofde land…”

En toen haar vader haar gerust stelde:

“Ik heb ook zoo’n pijn, ik heb ook zoo’n pijn!”

“Heb maar vertrouwen,” zeide Pierre, “de Heilige Maagd waakt over je!”

Zij kon niet meer blijven zitten, men moest haar weer in haar nauwe kist leggen. Haar vader en de priester moesten daarbij met de grootste omzichtigheid te werk gaan, want de minste schok ontlokte haar een kreet van pijn. Zij lag er nu zonder te ademen, als een doode, met haar doodsbleek gezichtje, omgolfd door haar koninklijke lokkenpracht. Al vier uur lang reden zij nu reeds. Dat de wagon zoo onbarmhartig heen en weer geschud en geslingerd werd, was een gevolg van het feit, dat deze zich achter in den trein bevond: de koppelstangen knarsten, de wielen rammelden vreeselijk. Door de raampjes, die men genoodzaakt was half open te laten staan, drong het stof scherp en gloeiend binnen; vooral de hitte werd verschrikkelijk, een verstikkende onweershitte onder een rosige lucht, die bedekt was met dikke, roerlooze wolken. Op oververhitte ovens geleken de compartimenten, die rollende hutten, waarin men at en dronk, waarin de zieken in de bedorven lucht, te midden van het oorverdoovende lawaai van weeklachten, gebeden en gezangen, al hun behoeften bevredigden.

Marie was niet de eenige, die zich zieker voelde; ook de anderen leden door de reis. Op den schoot van haar wanhopige moeder, die met haar groote, door tranen verduisterde oogen naar haar keek, lag de kleine Rose roerloos en met zoo’n bleek gezicht, dat madame Maze zich tweemaal over haar heen gebogen had, om haar handjes te voelen, met de vrees die koud te zullen vinden. Ieder oogenblik moest madame Sabathier de beenen van haar man verleggen, zij waren zoo zwaar, zeide hij, dat zijn heupen er pijn van deden. Broeder Isidore had in zijn bewusteloosheid kreten van pijn uitgestooten; zijn zuster had hem alleen verlichting kunnen geven door hem iets op te richten en in haar armen te houden. La Grivotte scheen te slapen, maar een hardnekkige hik liet haar niet met rust, een dun straaltje bloed sijpelde uit haar mond. Madame Vêtu had weer een zwarte, de lucht verpestende fluim opgegeven. Elise Rouquet dacht er niet meer aan de afschuwelijke open wond in haar gezicht te verbergen. De man in het andere compartiment bleef rochelen, alsof hij iedere seconde zou sterven. Tevergeefs spanden madame Jonquière en zuster Hyacinthe al haar krachten in, zooveel kwalen tegelijk konden zij niet verlichten en verzachten. Het was een hel, die wagon van ellende en pijn, die in volle vaart voortsnelde en geschokt werd door het slingeren, dat de bagage, de oude opgehangen kleeren, de versleten, met touwen vastgebonden manden heen en weer deed schudden, terwijl in de achterste afdeeling de tien vrouwelijke pelgrims, de oude en de jonge, allen even leelijk, zonder ophouden in scherpe, jammerende en valsche tonen zongen.

Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen, den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En hij dacht aan de andere treinen nog, die denzelfden dag uit Orleans, uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa, ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.

Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden, de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.

En Pierre’s hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en hulpeloozen mensch verteren.

Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.

Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het “wees gegroet” als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte in een extatischen slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting van het wonder.

II.

Inhoudsopgave

Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in slaap wiegende, langzame deinen van de zee.

Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde, het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder, zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen had. Hij, een “nakomertje”, was geboren, toen zijn vader reeds bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een deemoedige vrouw, onderworpen aan haar man, dien zij hartstochtelijk had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op, de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden, den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon, hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond, was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien, er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.

Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect, die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste, ofschoon ook heel vroom, toch ook van spel en vroolijkheid hield in haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen, onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag, zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen, haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen, haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning; en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed, dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld; zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar, onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen nog steeds in zich voelde leven.

Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel, die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken uit het onzienlijke.

Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op, ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank, had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen, was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren; vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen, zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen, hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven, de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld was met een doodsche stilte.

Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote, eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien op twintigjarigen leeftijd. Zijn droom was echter niet duidelijk meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik, dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking, die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder, de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die, zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om diploma’s te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.

Plotseling kwam Pierre een duidelijk beeld voor den geest, dat zich uit die massa verwarde, half vergeten feiten losmaakte. Het was gedurende een vacantie, die hij voor zijn gezondheid had moeten nemen. Hij was toen vier-en-twintig jaar, maar in zijn studie wat achter, daar hij pas de vier laagste geestelijke ordeningen ontvangen had; na zijn terugkeer zou hij onmiddellijk het sub-diaconaat krijgen, wat hem voor altijd door een onverbreekbaren eed binden zou. Heel duidelijk voor oogen stond hem het tooneel in den kleinen tuin van de Guersaints te Neuilly, waarin hij vroeger zoo dikwijls gespeeld had. De ruststoel van Marie was onder de hooge boomen dicht bij de haag gerold; zij waren alleen te midden van den droefgeestig stemmenden vrede van den herfstmiddag, hij zag Marie in zwaren rouw half uitgestrekt met haar verlamde beenen liggen, terwijl hij, ook in het zwart, reeds in soutane, op een leunstoel naast haar zat. Al vijf jaar lang was zij nu reeds lijdende. Nu, op haar achttiende jaar, zag zij er bleek en mager uit, zonder dat zij echter opgehouden had aanbiddelijk te zijn met haar koninklijke lokkenpracht, die de ziekte spaarde. Hij meende reeds te weten, dat zij altijd verlamd blijven zou, dat zij veroordeeld was nooit vrouw te worden, daar haar geslachtsleven door dien val gestoord was. De geneesheeren, die het onderling niet eens waren, hadden haar opgegeven. In ieder geval vertelde zij hem alles op dien droeven namiddag, toen de verdorde bladeren op hen neervielen. Maar haar woorden herinnerde hij zich niet, wel echter haar droevig glimlachje, haar jong, nog zoo bekoorlijk gezichtje, dat echter reeds de bittere trekken had van hen, die het leven opgegeven hebben. Toen had hij begrepen, dat zij dacht aan den reeds zoo ver achter hen liggenden dag, dat zij op deze zelfde plaats achter de met zonnestralen doorplekte haag afscheid genomen hadden, aan hun tranen, aan hun kussen, aan hun belofte om elkaar eens in de zekerheid van hun geluk terug te zullen vinden. Zij vonden elkaar terug, maar waartoe diende dat nu? Zij toch was reeds als dood en hij zou straks afsterven van het leven van deze wereld. Nu de geneesheeren verklaard hadden, dat zij nooit vrouw zou zijn, nooit echtgenoote, nooit moeder, nu kon hij er ook wel afstand van doen man te zijn, geheel opgaan in God, aan wien zijn moeder hem gewijd had. En hij voelde nog de zoete bitterheid van deze laatste ontmoeting, Marie pijnlijk glimlachend over hun vroegere hinderpalen, hem sprekend over het geluk, dat hij zeker vinden zou in den dienst van God, zoo ontroerd bij die gedachte, dat zij hem had doen beloven haar uit te noodigen, om er getuige van te zijn, als hij zijn eerste mis las.

Bij het station Sainte-Maure rukte een lawaai in den wagon Pierre weer even uit zijn overpeinzingen. Hij dacht aan een ongeluk, aan een nieuwe bezwijming. Maar de smartelijke gezichten, die hij zag, waren nog dezelfde, toonden dezelfde pijnlijke uitdrukking, hetzelfde angstige wachten op de goddelijke hulp, die zoo langzaam kwam. Mijnheer Sabathier trachtte vergeefs zijn beenen in een makkelijke houding te brengen, broeder Isidore kreunde aan één stuk door zachtjes als een stervend kind, terwijl madame Vêtu, ten prooi aan een hevigen aanval, ineenkromp van pijn en, haar lippen op elkaar geklemd en haar gezicht vertrokken, zelfs geen adem meer haalde. Het lawaai was veroorzaakt door madame de Jonquière, die bij het schoonmaken van een kom, de waterkan had laten vallen. En ondanks haar martelende pijnen had dit de zieken aan het lachen gemaakt evenals eenvoudige zielen, die door het lijden kindsch worden. Onmiddellijk liet zuster Hyacinthe, die ze met het grootste recht haar kinderen noemde, kinderen, die zij met één enkel woord gehoorzamen deed, hen weer den Rozenkrans afbidden, in afwachting van het Angelus, dat volgens het vastgestelde programma te Châtellerault gebeden zou worden. De Ave’s volgden elkaar op, het was nog slechts een dof gemurmel, dat verloren ging in het knarsen der koppelstangen en het lawaai der wielen.

Pierre was zes-en-twintig en priester. Enkele dagen vóór zijn wijding waren nog laat bedenkingen bij hem opgekomen, het heimelijke bewustzijn, dat hij zich verbond zonder nauwkeurig zelf-onderzoek. Maar hij had het met opzet nagelaten, hij leefde in de verdooving van zijn beslissing, daar hij meende met één bijlslag al wat in hem aan den mensch herinnerde, gedood te hebben. Zijn vleesch was afgestorven met zijn onschuldigen jeugdroman, dat blanke jonge meisje met haar goudblonde haren, dat hij nog slechts voor zich zag op haar ziekbed, het vleesch afgestorven als het zijne. Vervolgens had hij zijn gezond verstand ten offer gebracht, wat hij toen voor heel makkelijk hield, daar hij hoopte, dat het voldoende zou zijn te willen, om niet meer te denken. Ook was het te laat, hij kon op het laatste oogenblik niet terug; en ook al voelde hij zich in het uur, dat hij den laatsten plechtigen eed uitsprak, bevangen door een geheime vrees, door een onbestemde, smartelijke spijt, toch had hij alles vergeten, was hij goddelijk beloond voor zijn offer, toen hij zijn moeder de zoo lang verwachte groote vreugde gaf haar zijn eerste mis te hooren lezen. Hij zag haar nog, zijn arme moeder in de kleine kerk te Neuilly, die zij zelf gekozen had, de kerk, waarin de uitvaartdiensten voor zijn vader gehouden waren, hij zag haar nog, zooals zij op dien kouden Novemberochtend bijna alleen in de sombere kapel met haar gelaat in haar handen geknield lag en lang weende, terwijl hij de hostie ophief. Daar had zij haar laatste geluk gekend, want zij leefde eenzaam en alleen: haar oudsten zoon, die, andere denkbeelden toegedaan, alle betrekkingen met zijn familie had afgebroken, sedert zijn broer besloten had priester te worden, zag zij niet meer. Men vertelde, dat Guillaume, evenals zijn vader een talentvol scheikundige, maar beneden zijn stand geraakt en opgaande in revolutionnaire droombeelden, een klein huisje in de buitenwijken van Parijs bewoonde, waar hij zich geheel wijdde aan gevaarlijke studiën van springmiddelen; terwijl men er ook nog bij wist te vertellen, wat iederen band tusschen hem en zijn zoo vrome moeder verbroken had, dat hij in vrije liefde leefde met een vrouw, die hij ergens “opgeduikeld” had. In geen drie jaar had Pierre, die in zijn jonge jaren van Guillaume als van een vaderlijken, goeden en vroolijken vriend gehouden had, hem meer gezien.

Dan voelde hij zijn hart pijnlijk samenkrimpen: hij zag zijne moeder dood terug. Ook hier een plotseling sterven, een ziekte van nauwlijks drie dagen, een plotselinge dood, zooals bij madame de Guersaint. Op een avond, toen hij als een krankzinnige rondgeloopen had, om een dokter te vinden, had hij haar bij zijn terugkomst dood, onbeweeglijk, bleek gevonden; op zijn lippen voelde hij nog steeds de ijskoude aanraking van haar lippen. Van de rest herinnerde hij zich niets meer, niets van het waken bij de doode, niets van de voorbereidselen, niets van de begrafenis. Dat alles was verdwenen in het duister van zijn wezenloosheid, een zoo woest verdriet, dat hij er bijna aan gestorven was. Na den terugkeer van het kerkhof rilde hij van de koorts, een slijmkoorts, die hem drie weken lang tusschen leven en dood had doen zweven.

Zijn broeder was hem komen verplegen; daarna had Guillaume zich bezig gehouden met de regeling van de erfenis, hem het huis en een kleine rente overlatend, terwijl hij zelf zijn deel in contanten nam; vervolgens was hij, toen hij zag, dat zijn broer buiten gevaar was, weer weggegaan en naar zijn verborgen hoek teruggekeerd. Maar welk een langzaam herstel in dat eenzame verlaten huis! Pierre had niets gedaan, om Guillaume terug te houden, want hij begreep, dat er een afgrond tusschen hen gaapte. In den beginne had hij onder die eenzaamheid geleden. Doch later was zij hem lief geworden in de groote stilte der kamer, die niet door geluiden van buiten gestoord werd, en onder de vredige schaduw van den kleinen tuin, waarin hij geheele dagen zitten kon, zonder een levende ziel te zien. Zijn geliefkoosd toevluchtsoord was het oude laboratorium, de werkkamer van zijn vader, dat zijn moeder twintig jaar lang zorgvuldig gesloten gehouden had, als om er het verleden van ongeloof en verdoemenis in op te sluiten. Misschien zou zij, ondanks haar zachtmoedigheid en haar eerbiedige vereering voor den doode, er ten slotte toch toe zijn overgegaan, om de boeken en de papieren te vernietigen, indien de dood haar niet was komen overvallen. Pierre had de kamer goed laten luchten, het bureau en de boekenkast laten afstoffen, had den grooten lederen fauteuil tot den zijne gemaakt en bracht er heerlijke uren in door; door zijn ziekte als wedergeboren en zich opnieuw in zijn jeugd teruggebracht voelend, genoot hij van het lezen der boeken, die hem in handen kwamen, als van een zeldzaam intellectueel genot.

Gedurende die twaalf maanden van langzaam herstel, had hij, voor zoover hij zich herinneren kon, niemand ontvangen dan dr. Chassaigne, een oud vriend van zijn vader, een werkelijk knap geneesheer, die zich bescheiden hield bij zijn taak om te praktiseeren, wiens eenige eerzucht was zijn patiënten te genezen. Madame Froment had hij niet van den dood kunnen redden; maar hij beroemde er zich op den jongen priester genezen te hebben van een ernstige ziekte; van tijd tot tijd kwam hij, om hem wat afleiding te bezorgen, nog eens met hem praten en sprak dan voornamelijk over Pierre’s vader, den grooten scheikundige; hij was onuitputtelijk in allerlei anecdoten over den doode, in allerlei bijzonderheden, waarin nog altijd zijn warme vriendschap doorstraalde. Op die wijze had gedurende zijn langzaam herstel de zoon zich van zijn vader langzamerhand een beeld van beminlijken eenvoud, van goedheid en gulle hartelijkheid gevormd. Dat was zijn vader, zooals hij werkelijk was, en niet de man van strenge wetenschap, zooals hij hem zich vroeger, naar wat zijn moeder altijd vertelde, voorgesteld had. Zeker, zij had hem nooit iets anders geleerd dan een eerbiedig opzien tegen den dierbaren doode; maar was hij niet de ongeloovige, de godloochenaar, die de engelen deed weenen, de medewerker aan de goddeloosheid, die zich tegen het werk van God richtte. Op die wijze was hij een schrikbeeld der duisternis gebleven, de verdoemde, die als een spook door het huis zwierf, terwijl hij er nu het vriendelijke, glimlachende licht van werd, een door vurigen waarheidsdrang bezield werker, die nooit iets anders nagejaagd had dan de liefde en het geluk van allen. Dr. Chassaigne, een zoon der Pyrenaeën, geboren in een dorp, waarin men nog aan tooverheksen geloofde, voelde zich eerder aangetrokken tot den godsdienst, ook al had hij in de veertig jaren, dat hij te Parijs woonde, geen voet in de kerk gezet. Maar van één ding was hij volkomen zeker: als er ergens een hemel was, dan zou Michel Froment daar zijn, en wel gezeten op een troon aan de rechterhand van God.

En nog eenmaal herleefde Pierre in enkele minuten de vreeselijke crisis, die gedurende twee maanden hem gemarteld had. Niet zoozeer, dat hij in de bibliotheek boeken van anti-religieuze strekking gevonden had of dat zijn vader, wiens papieren hij ordende, zich ooit buiten het gebied van zijn technische onderzoeking bewogen had, neen, er was langzamerhand, ondanks zijn wil, in hem een wetenschappelijke klaarheid gekomen, er had zich in hem een geheel van bewezen verschijnselen gevormd, die de dogma’s vernietigden en in hem niets overlieten van al die dingen, waaraan hij moest gelooven. Het was, alsof zijn ziekte hem een wedergeboorte had doen ondergaan, alsof hij opnieuw begon te leven en te leeren in den weldadig-aandoenden terugkeer van zijn krachten, die aan zijn verstand een zoo doordringende helderheid gaf. Op het seminarie had hij, op raad van zijn leeraren, zijn wetensdrang, zijn zucht tot onderzoek steeds beteugeld. Wat men hem leerde, verbaasde hem wel, maar hij had toen het offer van zijn verstand, dat men van zijn vroomheid eischte, gebracht. En nu stortte deze met zooveel zorg en inspanning opgebouwde stelling van het dogma ineen door een opstand van het souvereine verstand, dat zijn rechten opeischte, dat hij niet meer tot zwijgen dwingen kon. De waarheid borrelde op, brak zich met zoo’n onweerstaanbare kracht baan, dat hij begrepen had nooit meer de dwaling te kunnen laten zegevieren. Het was de volkome, de onherstelbare debacle van het geloof. Al had hij het vleesch in zich kunnen dooden door afstand te doen van zijn jeugdroman, al voelde hij zich zoozeer heer en meester over zijn zinnelijke lusten, dat hij eigenlijk opgehouden had man te zijn, hij wist nu, dat het offer van zijn verstand onmogelijk meer te brengen zou zijn. En hij vergiste zich niet, het was zijn vader, die diep in zijn binnenste herleefde, die in de overgeleverde twee-eenheid, waarin zijn moeder zoo lang als heerscheresse getroond had, de overwinning behaalde. Zijn recht, torenvormig voorhoofd scheen nog hooger geworden te zijn, terwijl zijn spitse kin en zijn week-teedere mond nog meer naar achteren sprongen. En toch leed hij er onder, was hij radeloos van smart niet meer te kunnen gelooven, van verlangen om het nog te willen, wanneer zijn goed hart, zijn behoefte aan liefde in de schemeruren weer in hem ontwaakten; dan moest eerst de lamp komen, moest hij eerst weer duidelijk om en in zich kunnen zien, om de energie en kalmte van zijn verstand, de kracht voor het martelaarschap, den wil om alles voor den vrede van zijn geweten op te offeren, terug te vinden.

Toen was de crisis uitgebroken. Hij was priester en geloofde niet meer. Als een bodemlooze afgrond gaapte dit plotseling voor zijn voeten. Wat was het einde van zijn leven, de ineenstorting van alles. Wat moest hij doen? Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane van zich te werpen en in de wereld terug te keeren? Maar hij had reeds zulke afvallige priesters gezien en ze veracht. Een getrouwde priester, dien hij kende, vervulde hem met walging. Ongetwijfeld was dat nog slechts een overblijfsel van zijn lange religieuze opvoeding: hij hield nog vast aan de gedachte van de onschendbaarheid van het priesterschap, de gedachte, dat hij, die zich eenmaal aan God gegeven had, zich niet meer vrij maken kon. Misschien ook voelde hij zich reeds te zeer gebrandmerkt, te zeer verschillend van de anderen, zoodat hij bang zijn moest onbeholpen en onwelkom te zullen wezen. En na lange dagen vol kwelling en strijd, waarin zijn verlangen naar geluk en de levenskracht van zijn teruggekeerde gezondheid worstelden, nam hij het heldhaftige besluit priester, en een eerlijk priester te blijven. Hij zou de kracht tot deze verzaking hebben. Nu hij, al was het hem dan niet gelukt zijn verstand het zwijgen op te leggen, het vleesch in zich gedood had, deed hij zichzelf de plechtige gelofte zijn eed van kuischheid te houden; dat was het onwankelbare, dat was het reine en rechtschapen leven, dat hij volkomen zeker was te zullen leiden. Wat kwam het overige erop aan, indien hij alleen maar behoefde te lijden, indien niemand ter wereld den uitgedoofden vulkaan in zijn hart, de nietswaardigheid van zijn geloof, den afgrijselijken leugen, waarin hij zich ten doode kwelde, vermoedde. Zijn krachtige steun zou zijn rechtschapenheid zijn, hij zou zijn priesterambt blijven vervullen als een eerlijk man, zonder een der geloften, die hij uitgesproken had, te verbreken, door volgens de kerkelijke voorschriften zijn plichten te blijven vervullen als dienaar van God, dien hij zou prediken, dien hij zou dienen aan het altaar, dien hij als brood des levens onder de geloovigen uitdeelen zou. Wie zou het hem dan als een misdaad aanrekenen, dat hij zijn geloof verloren had, gesteld dat dit groote ongeluk eens bekend worden zou? En wat kon men nog meer van hem vragen? Had hij niet zijn geheele leven geofferd aan zijn eed; had hij zijn priesterambt niet hoog gehouden; had hij niet alle goede werken der Christelijke liefde gedaan zonder eenige hoop op een toekomstige belooning? Zoo had hij langzamerhand de kalmte in zich doen wederkeeren, het hoofd nog omhoog, in die troostelooze verhevenheid van den priester, die zelf niet meer gelooft en blijft waken over het geloof van anderen. Hij stond ongetwijfeld niet alleen, hij voelde, dat hij broeders had, priesters, die, hoewel door twijfel en ongeloof gemarteld, toch op het altaar bleven als soldaten zonder vaderland, toch den moed hadden de goddelijke illusie te doen lichten over de neergeknielde scharen.

Na zijn volkomen herstel had Pierre zijn dienst in de kleine kerk te Neuilly weer hervat. Iederen ochtend las hij er de mis. Maar hij was vastbesloten iedere plaats, iedere bevordering te weigeren. Maanden, jaren verliepen: halsstarrig bleef hij bij zijn besluit een gewoon priester te zijn, de meest onbekende, de nederigste der priesters, die men in een parochie duldt, die komen en weer gaan, wanneer zij zich van hun plicht gekweten hebben. Iedere waardigheid, die hij erbij aanvaarden zou, zou hem een verergering van zijn leugen geschenen zijn, een roof tegenover hen, die het meer verdienden. En hij moest voor talrijke aanbiedingen bedanken, want zijn verdiensten konden niet onopgemerkt blijven: men verwonderde zich in het aartsbisschoppelijk paleis over die hardnekkige bescheidenheid, had van de kracht, die men in hem vermoedde, gebruik willen maken. Slechts hoogst zelden voelde hij een spijt in zich opkomen, dat hij niet nuttig kon zijn, dat hij zich niet met hart en ziel geven kon aan een grootsch en verheven werk, aan het weder brengen van vrede op aarde, aan het heil en het geluk der menschheid. Gelukkig had hij zijn dagen vrij en kon hij troost zoeken in een ware werkwoede; hij verslond alle boeken uit de bibliotheek van zijn vader, vatte zijn vroegere studiën en onderzoekingen weer op, hield zich vooral bezig met de geschiedenis der menschheid, verteerd als hij werd door de begeerte om het maatschappelijke en religieuze kwaad in zijn oorsprong na te gaan, om zich te vergewissen of er dan werkelijk niets aan te verhelpen was.

Op een ochtend, dat hij in een der groote schuifladen onder in de boekenkast zocht, had Pierre een dossier ontdekt over de verschijning te Lourdes. Er bevonden zich zeer volledige en belangrijke documenten in, afschriften van de verhooren van Bernadette, administratieve processen-verbaal, politierapporten, geneeskundige verklaringen en onderzoekingen, ongerekend nog particuliere en vertrouwelijke brieven, die van het grootste belang waren. Verbaasd over deze vondst, had hij er met dr. Chassaigne over gesproken, die zich herinnerde, dat zijn vriend Michel Froment indertijd het geval van Bernadette bestudeerd had; hij zelf, die in een dorpje dicht bij Lourdes geboren was, had zijn tusschenkomst verleend om den scheikundige een gedeelte van het dossier te bezorgen. Op zijn beurt had Pierre zich toen een maand lang met niets anders dan met dat geval beziggehouden, aangetrokken als hij zich gevoelde door de rechtschapen en reine figuur der helderziende, maar tevens in opstand komend tegen wat eruit voortgekomen was, tegen het fetichisme, het jammerlijk bijgeloof, de triompheerende simonie. In zijn worsteling met het ongeloof was deze geschiedenis uitermate geschikt om de ineenstorting van zijn geloof te verhaasten. Maar tevens had zij zijn weetgierigheid geprikkeld; hij zou een onderzoek hebben willen instellen, de onbetwistbare wetenschappelijke waarheid aan het licht brengen, aan het reine, zuivere Christendom den dienst bewijzen haar te bevrijden van die slak, van dit zoo roerend en kinderlijk tooversprookje. Dan had hij zijn studie moeten opgeven, daar hij te veel opzag tegen een reis naar de Grot en de groote moeilijkheden, waarmede hij te kampen zou hebben om de inlichtingen, die hem nog ontbraken, te verkrijgen; in hem bleef nog slechts voortleven een teeder gevoel voor Bernadette, aan wie hij niet denken kon zonder een wonder-mooi gevoel van bekoring en een eindeloos medelijden.

De dagen verstreken en Pierre’s leven werd hoe langer hoe eenzamer. In een aanval van doodelijke ongerustheid was dr. Chassaigne plotseling naar de Pyrenaeën vertrokken: hij had zijn praktijk in den steek gelaten en zijn zieke vrouw, die hij en zijn dochter, een knap jong meisje, dagelijks meer achteruit zagen gaan, naar Cauterets gebracht. Van af dat oogenblik was het in het kleine huisje te Neuilly akelig-stil geworden. Pierre’s eenige afleiding bestond in de bezoeken, welke hij nu en dan bij de Guersaints aflegde, die intusschen verhuisd waren, maar die hij in een kleine woning achter in een der armzaligste straten van de wijk teruggevonden had. En de herinnering aan zijn eerste bezoek daar stond hem nog zoo levendig voor den geest, dat hij nog een steek in zijn hart voelde, wanneer hij zich zijn ontroering bij het zien van die arme Marie herinnerde.

Hij ontwaakte uit zijn gepeins, keek om zich heen en zag Marie op de bank liggen, zooals hij haar toen teruggevonden had in die op een dakgoot gelijkende kist, waaraan wielen aangebracht konden worden, om haar voort te bewegen. Zij, vroeger zoo overvloeiend van levenslust, altijd bereid om rond te springen en te lachen, leed diep onder dat gedwongen niets doen, dat gedwongen stil liggen. Van vroeger had zij nog slechts haar lokken, die haar als een gouden mantel omhulden, zij was zoo mager, dat zij kleiner geworden scheen te zijn, weer het figuurtje van een kind gekregen scheen te hebben. Wat echter in dat bleeke gezicht het pijnlijkst was om aan te zien, dat waren die levenlooze starende blikken, die niets zagen, die een uitdrukking van wezenloosheid, van geheel opgaan in haar ziekte hadden. Toch merkte zij, dat hij haar aankeek, en zij wilde tegen hem glimlachen. Maar slechts een zucht ontsnapte haar lippen, en hoe pijnlijk was het glimlachje van dit arme, verlamde wezentje, dat overtuigd was te zullen sterven vóór het wonder! Hij werd er diep door ontroerd, hij hoorde nog slechts haar, zag nog slechts haar te midden van al het lijden, dat de wagon herbergde, ja alsof zij al dat lijden samengevat had in den langen doodsstrijd van haar schoonheid, haar opgewektheid en haar jeugd.

En langzamerhand keerde Pierre, zonder dat zijn oogen Marie loslieten, terug naar het verleden, doorleefde hij nog eens de uren vol bittere en droeve bekoring, die hij bij haar doorgemaakt had, wanneer hij haar in het kleine, armelijke woninkje gezelschap houden ging. Mijnheer de Guersaint had zich geheel en al geruïneerd door verbetering te willen brengen in de kerkelijke platen, wier middelmatigheid hem een doorn in het oog was. Zijn laatste sous waren verdwenen in het faillissement van een kleurendrukkerij; in zijn verstrooidheid en in zijn gebrek aan doorzicht had hij niets gemerkt van de verschrikkelijke armoede, die hij steeds grooter maakte; in de voortdurende illusie van zijn kinderlijke ziel verliet hij zich geheel op God en was al weer bezig met het probleem van een bestuurbaren luchtballon, zonder zelfs te zien, dat zijn oudste dochter Blanche zich bovenmenschelijk moest inspannen om tenminste in het levensonderhoud te voorzien van het kleine gezin, van haar twee kinderen, zooals zij haar vader en haar zuster noemde. Blanche was het ook, die het geld, dat de verpleging van Marie eischte, vond door van den vroegen ochtend tot den laten avond in modder en stof geheel Parijs af te draven, om taal- en pianolessen te geven. Marie was dikwijls de wanhoop nabij, barstte dan in tranen uit en verweet zichzelf, dat zij de hoofdoorzaak van den ondergang was, omdat men voor haar nu reeds zoovele jaren lang hooge doktersrekeningen betalen moest, haar alle denkbare badplaatsen, la Bourboule, Aix, Lamalou, Amélie-les-Bains had moeten laten bezoeken. Thans, na tien jaar van tegenstrijdige diagnosen en behandelingen, hadden de doktoren haar opgegeven; sommigen dachten, dat de groote ligamenten gebroken waren, anderen geloofden aan de aanwezigheid van een tumor, nog anderen weer aan een verlamming, die uit het ruggemerg voortkwam. En daar zij in haar maagdelijk schaamtegevoel ieder nader onderzoek weigerde en de doktoren zelf geen dieper op de kwestie ingaande vragen durfden doen, hield ieder zich aan zijn eigen diagnose en verklaarde, dat zij niet beter worden kon. Trouwens, streng vroom als zij na haar ziekte geworden was, rekende zij nog slechts op Gods hulp. Haar grootste verdriet was, dat zij niet meer naar de kerk kon gaan, en zij las iederen ochtend de mis. Haar verlamde beenen schenen afgestorven te zijn en bij tusschenpoozen was zij zoo zwak, dat haar zuster haar helpen moest met eten.

Op dat oogenblik kwam weer een andere herinnering bij Pierre boven. Het was op een avond, nog voor de lamp op was. Hij zat naast haar in het donker en plotseling had Marie hem gezegd, dat zij naar Lourdes wilde gaan, dat zij zeker was genezen terug te zullen komen. Hij had zich bij die woorden alles behalve op zijn gemak gevoeld, en, zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezend, uitgeroepen, dat het een dwaasheid was om aan dergelijke bakerpraatjes te gelooven. Nooit had hij met haar over godsdienst gesproken, steeds had hij geweigerd haar de biecht af te nemen, ja zelfs haar raad te geven bij de kleine gewetensbezwaren, die zij als strenggeloovige had. Een zeker schaamtegevoel en een zeker medelijden hadden hem daarvan afgehouden; want zou het hem eenerzijds zwaar gevallen zijn haar voor te liegen, anderzijds zou hij zich als een misdadiger beschouwd hebben, indien hij ook maar met één ademtocht dat mooie reine geloof, dat haar sterk maakte tegen het lijden, bezoedeld had. Hij nam het zich dan ook ten zeerste kwalijk, dat hij dien kreet niet had kunnen inhouden, en zijn verwarring werd nog grooter, toen hij gevoeld had, hoe de kleine, klamme hand der zieke de zijne vastgreep; en in de duisternis haar schroom overwinnend, had zij hem met stokkende stem durven zeggen, dat zij zijn geheim wist, dat zij zijn ongeluk kende, die voor een priester zoo afschuwelijke ellende, om niet meer te kunnen gelooven. In hun gesprekken had hij, ondanks zichzelf, alles gezegd, was zij met de fijne intuïtie van een zieke vriendin doorgedrongen tot in het diepst van zijn geweten. Zij maakte zich vreeselijk bezorgd over hem, beklaagde hem om zijn ongeneeslijke ziekte nog meer dan zichzelf. En toen hij, diep ontroerd, geen antwoord wist te vinden en door zijn zwijgen de waarheid bekende, was zij weer over Lourdes begonnen te praten, voegde zij er op zachten toon aan toe, dat zij ook hem wilde toevertrouwen aan de Heilige Maagd en haar smeeken, hem zijn geloof terug te geven. En van dien avond af had zij niet opgehouden telkens en telkens weer te herhalen, dat zij, als zij naar Lourdes ging, beter worden zou. Maar de geldquaestie, waarover zij met haar zuster zelfs niet had durven praten, was de groote hinderpaal. Twee maanden verliepen; zij werd met den dag zwakker, zij putte haar krachten uit in droomen, haar blikken steeds in de verte gericht op de stralende schittering van de Wondergrot.

Pierre maakte toen zware dagen door. In den beginne had hij Marie beslist geweigerd met haar mede te gaan. Doch later was dat vaste besluit aan het wankelen gebracht door het denkbeeld, dat hij, wanneer hij tot de reis besloot, die tevens dienstbaar maken kon aan zijn onderzoek over Bernadette, wier bekoorlijke figuur geen oogenblik uit zijn gedachten was. En eindelijk voelde hij een zacht gevoel, een hoop, die hij zichzelf niet bekennen wilde, hem doortrillen bij de gedachte, dat Marie misschien gelijk had, dat de Heilige Maagd zich ook over hem zou kunnen erbarmen door hem het blinde geloof, dat geloof van het kleine kind, dat lief heeft en niet redeneert, terug te geven. O, met hart en ziel te kunnen gelooven, geheel en al in het geloof te kunnen opgaan. Een ander geluk was ongetwijfeld niet meer mogelijk. Hij snakte naar het geloof met al de vreugde van zijn jeugd, wet al de liefde, die hij voor zijn moeder gehad had, met geheel het brandende verlangen om te ontsnappen aan de marteling om te willen weten en begrijpen, om voor altijd in te slapen in de schoot der goddelijke onwetendheid. Het was heerlijk en laf tegelijk, dat hoopvol verlangen om niets meer te zijn, niets meer te zijn dan een ding in Gods handen. En zoo kwam ook in hem de begeerte het uiterste middel te beproeven.

Een week later was tot de reis naar Lourdes besloten. Doch Pierre had een laatste consult van geneesheeren geëischt, om te weten of Marie werkelijk nog vervoerd kon worden; en dat was ook weer een tooneel, dat hem steeds levendig voor den geest stond, en waarvan hij sommige bijzonderheden duidelijk voor zich zag, terwijl andere daarentegen reeds uit zijn geheugen waren verdreven. Twee doktoren, die vroeger de zieke behandeld hadden en waarvan de een aan een breuk der groote ligamenten geloofde en de ander de ziekte weet aan een verlamming tengevolge van een beleediging van het ruggemerg, waren het ten slotte eens geworden over die verlamming in verband met verwondingen aan de groote ligamenten: alle symptomen wezen er op, het geval scheen hun zoo duidelijk, dat zij niet geaarzeld hadden een bijna gelijkluidend certificaat af te geven. Verder geloofden zij, dat de reis mogelijk, maar zeer pijnlijk zou zijn. Dat deed Pierre besluiten, want hij vond, dat de heeren zeer voorzichtig waren en zooveel mogelijk getracht hadden de waarheid te vinden. Hij had nog slechts een vage herinnering aan den derden geneesheer, Beauclair, een achterneef van hem, een nog jongen man met een helder inzicht, die nog weinig bekend was, en naar men beweerde, een zonderling. Nadat hij Marie langen tijd aangekeken en opgenomen had, had hij sterk geïnformeerd naar haar voorouders en met zeer veel belangstelling geluisterd naar wat men hem vertelde over mijnheer de Guersaint, den architect, die zich verbeeldde een uitvinder te zijn, met zijn zwak karakter en overdreven phantasie; daarna had hij het gezichtsveld van Marie willen weten en zich, door haar op bescheiden wijze te bekloppen, vergewist, dat de pijn zich ten slotte gelocaliseerd had in den linker eierstok, en dat de pijn, wanneer men op die plek drukte, als een dikke massa, die haar dreigde te doen stikken, naar haar keel scheen op te stijgen. De verlamming der beenen achtte hij blijkbaar van weinig of geen beteekenis. En op een hem op den man af gedane vraag had hij uitgeroepen, dat men haar naar Lourdes moest brengen, dat zij er ongetwijfeld zou genezen, als zij de vaste overtuiging bezat daar beter te zullen worden. Hij sprak ernstig over Lourdes; het geloof was voldoende, twee van zijn patiënten, zeer vrome dames, die hij er het vorige jaar heen gezonden had, waren stralend van gezondheid teruggekomen. Zelfs voorspelde hij, hoe het wonder geschieden zou: als bij tooverslag, bij een ontwaken, in een exaltatie van het geheele wezen, waarin de kwaal, die verschrikkelijke, duivelsche drukking, waaronder het jonge meisje bijna stikte, nog voor een laatste maal opstijgen en dan verdwijnen zou, alsof hij door haar mond ontsnapte. Maar hij weigerde beslist een certificaat af te geven. Hij was het niet eens met zijn twee collega’s, die hem zoo’n beetje uit de hoogte als een kwakzalver behandelden. Pierre had, al was het vaag, enkele gedeelten der discussie, die in zijn tegenwoordigheid gehouden was, en enkele brokstukken van de door Beauclair opgestelde diagnose onthouden: een ontwrichting van het orgaan met een lichte scheuring der ligamenten tengevolge van den val van het paard, vervolgens een langzaam herstel, waarbij alles weer op zijn juiste plaats gekomen was, waarop verschillende nerveuze aanvallen kort op elkaar gevolgd waren, zoodat de zieke verder slechts geleefd zou hebben onder de obsessie van haar eersten angst, al haar denken was thans geconcentreerd op het beleedigde punt, onbeweeglijk lag zij neer in toenemende pijnen, terwijl zij niet in staat was nieuwe voorstellingen in zich op te nemen, tenzij onder de krachtige inwerking van een hevige gemoedsaandoening. Overigens gaf hij toe, dat er bijkomende voedingsstoornissen konden zijn, doch deze waren nog te weinig onderzocht om het belang en den loop ervan te kunnen aangeven. Maar het denkbeeld, dat Marie’s kwaal ingebeeld kon zijn, dat de hevige pijnen, die haar martelden, afkomstig zouden kunnen zijn van een reeds lang geleden herstelde kwetsuur, was Pierre, toen hij haar daar zoo zag liggen met haar reeds afgestorven beenen, zoo paradoxaal voorgekomen, dat hij er niet verder bij was blijven stil staan, blij bovendien als hij was, dat de drie dokters eenstemmig de reis naar Lourdes toestonden. Het was voor hem voldoende, dat zij genezen kon; daarvoor zou hij met haar naar het eind der wereld gegaan zijn.

O, die laatste dagen te Parijs, in welk een drukte en opwinding had hij ze doorleefd! De nationale bedevaart stond op het punt te vertrekken, hij was op het denkbeeld gekomen Marie in de Hospitalité te laten opnemen, ten einde groote kosten te vermijden. Verder had hij zich allerlei bezoeken moeten getroosten, om zelf bij de Hospitalité de Notre-Dame de Salut geplaatst te worden. Mijnheer de Guersaint was in den zevenden hemel, want hij hield van de natuur en brandde van verlangen, om de Pyrenaeën te leeren kennen; hij bekommerde zich natuurlijk om niets, beschouwde het als een van zelf sprekend feit, dat de jonge priester de reis voor hem betaalde en in het hotel daarginds voor hem zorgde als voor een kind; en toen zijn dochter Blanche hem op het allerlaatste oogenblik een louis in zijn hand stopte, vond hij zich den koning te rijk. Die arme en heldhaftige Blanche bezat een geheimen schat, een spaarduitje van vijftig francs, die ze, om haar niet boos te maken, wel hadden moeten aannemen, want zij wilde ook medehelpen aan de genezing van haar zuster, al kon zij de reis niet medemaken, teruggehouden als zij werd door haar lessen te Parijs, dat zij in alle richtingen door bleef trekken, terwijl de haren daar ver weg neerknielden tusschen de verrukkingen der Grot. En zoo waren zij dan vertrokken en reden zij nu voort, reden zij steeds verder door.

Bij het station Châtellerault deed een plotseling geroezemoes van stemmen Pierre uit zijn overpeinzingen opschrikken. Wat! Waren zij reeds te Poitiers? Maar het was nauwlijks twaalf uur. Neen, zuster Hyacinthe liet het Angelus bidden, de drie driemaal herhaalde Ave’s. De stemmen stierven weg, een nieuw gezang, dat langzamerhand in een klaaglied veranderde, werd aangeheven. Nog vijf-en-dertig lange minuten voor ze te Poitiers waren, waar, zooals het scheen, het oponthoud van een half uur aller lijden zou verzachten. Allen voelden zich zoo onbehaaglijk, werden zoo onbarmhartig heen en weer geschud in dien verpesten, gloeiend-heeten wagon. De ellende was te groot, dikke tranen rolden over de wangen van madame Vincent, een gesmoorde vloek was ontsnapt aan de lippen van Mijnheer Sabathier, die anders zoo lijdzaam en geduldig was, terwijl broeder Isidore, la Grivotte en madame Vêtu niet meer schenen te leven en op wrakhout geleken, dat door den stroom werd medegevoerd. Marie had haar oogen gesloten en antwoordde niet meer; zij wilde ze niet meer open doen, vervolgd als zij werd door den vreeselijken aanblik van het gezicht van Elise Rouquet, dat half weggevreten, open hoofd, dat voor haar het beeld van den dood was. En terwijl de trein, die deze menschelijke troostelooze ellende met zich voerde onder den onweerzwangeren hemel, zijn vaart door de gloeiende velden versnelde, werden allen door een nieuwe schrik aangegrepen. De man ademde niet meer, een stem riep, dat hij gestorven was.

III.

Inhoudsopgave

Zoodra de trein te Poitiers stil stond, haastte zuster Hyacinthe zich uit te stappen, te midden van het gedrang der stationskruiers, die de portieren openden, en van de pelgrims, die zich naar buiten drongen.

“Wacht even, wacht even!” riep zij steeds. “Laat mij het eerst uitstappen; ik wil zien, of het werkelijk afgeloopen is.”

Toen zij in het andere compartiment weer ingestapt was, lichtte zij het hoofd van den man op; eerst geloofde zij ook, dat hij inderdaad gestorven was, toen zij hem daar zoo bleek en met wezenlooze oogen liggen zag.

“Neen, neen, hij ademt nog. Gauw, we moeten opschieten!”

En zich wendend tot de andere zuster, die achter in den wagon het toezicht hield: “Ach, zuster Claire des Anges, wees zoo goed en ga dadelijk pater Massias, die in het derde of vierde rijtuig zijn moet, halen. Zeg hem, dat wij een zieke hebben, die in levensgevaar verkeert, en dat hij dadelijk met het Heilig Oliesel komt.”

Zonder te antwoorden verdween de zuster in de drukte. Zij was klein, fijn gebouwd en teer, met een peinzend gelaat en sprookjesoogen, maar toch steeds in de weer.

Pierre, die staande in het andere compartiment het tooneel volgde, veroorloofde zich een opmerking.

“Zou het misschien niet gewenscht zijn ook den dokter te halen?”

“Zeker, daar dacht ik ook juist aan,” antwoordde zuster Hyacinthe. “O, mijnheer de abbé, als u de goedheid zoudt willen hebben zelf eens te gaan kijken.”

Pierre was juist van plan in den cantinewagen een kop bouillon te halen. De zieke, die zich wat verlicht gevoelde, nu zij niet meer heen en weer geschud werd, had haar oogen weer opengedaan en zich door haar vader in zittende houding laten oprichten. Zij zou in haar vurig verlangen naar frissche lucht wel graag gewild hebben, dat ze een oogenblik op het perron gezet was, maar zij voelde, dat dat te veel gevraagd zou zijn en het te veel moeite kosten zou, om haar straks weer in den wagon te krijgen. Mijnheer de Guersaint, die evenals de meeste pelgrims en zieken in den trein ontbeten had, bleef dicht bij het geopende portier een sigaret staan rooken, terwijl Pierre naar den cantinewagen liep, waarin zich eveneens de dienstdoende geneesheer met een kleine apotheek bevond.

In den wagon waren ook de andere zieken gebleven, die men met den besten wil van de wereld niet naar buiten kon brengen. La Grivotte had telkens benauwende hoestaanvallen en ijlde; zij belette ook madame de Jonquière weg te gaan, die met haar dochter Raymonde, madame Volmar en madame Désagneaux afgesproken had gezamenlijk in de wachtkamer te ontbijten. Maar hoe kon zij dat ongelukkige schepsel, dat ieder oogenblik den geest kon geven, alleen op die harde bank achterlaten? Marthe was ook gebleven bij haar broeder, den zendeling, die maar steeds door bleef kreunen. Aan zijn plaats als vastgenageld, wachtte mijnheer Sabathier op zijn vrouw, die een tros druiven voor hem was gaan halen. De anderen, die loopen konden, drongen naar de deur, om uit te stappen, ten einde een oogenblik den wagon vol jammer en ellende, waarin hun ledematen in de zeven lange uren, die de reis geduurd had, stijf geworden waren, te ontvluchten. Madame Maze had zich dadelijk van de anderen verwijderd en een eenzaam hoekje van het station gezocht, waar zij dadelijk weer in haar gewone melancholie terugviel. Versuft van smart had madame Vêtu, die met moeite eenige stappen gedaan had, zich neer laten vallen op een bank midden in de zon, waarvan zij het branden echter niet eens voelde, terwijl Elise Rouquet, die haar zwarte sluier weer omgedaan had, in haar verlangen naar frisch water overal naar een fonteintje zocht. Madame Vincent liep langzaam met de kleine Rose op haar arm heen en weer; zij glimlachte tegen de kleine en trachtte haar wat op te vroolijken door haar schreeuwend gekleurde platen aan te wijzen, waar het kind naar keek, zonder ze echter te zien.

Intusschen kostte het Pierre de grootste moeite zich een weg te banen door de dichte menigte, die het perron overstroomde. Men kon zich geen voorstelling maken van dien levenden stroom van gebrekkigen en gezonden, die den trein verlaten hadden, meer dan achthonderd personen liepen door elkaar heen en verdrongen elkaar. Iedere wagon had zijn ellende uitgestort als een ziekenhuiszaal, die men ontruimt; nu kon men zien, welk een schrikwekkend aantal kwalen deze verschrikkelijke witte trein met zich voerde. Hier sleepten zieken zich voort, anderen werden gedragen, de meesten echter bleven dicht bij elkaar op het trottoir staan. Hier hoorde men plotseling gillen en schreeuwen; daar haastte men zich naar de wachtkamer of de restauratie. Ieder wilde zoo spoedig mogelijk den inwendigen mensch versterken. Het was zoo kort, dit half uur oponthoud, het eenige, dat zij voor Lourdes zouden hebben. En het eenige vroolijke te midden van de zwarte soutanes, van de afgedragen en verschoten kleeren der armen, was het lachende wit der kleine zusters van Maria Hemelvaart, die in haar sneeuwige mutsjes, sluiers en schorten druk af en aan liepen.

Toen Pierre eindelijk bij den kantinewagen, die zich midden in den trein bevond, kwam, vond hij dien reeds belegerd. Er was daar een petroleumfornuis en een geheel volledige kleine keukeninstallatie. De bouillon, die van geconcentreerd vleeschnat gemaakt werd, stond te warmen in plaatijzeren ketels, de in doozen van één liter gecondenseerde melk werd slechts aangelengd en bruikbaar gemaakt, wanneer ze noodig was. Enkele andere artikelen, als beschuit, druiven en chocolade werden bewaard in een soort kast. Maar bij het zien van al die handen, welke zich begeerig naar haar uitstrekten, verloor zuster Saint-François, een korte en gezette vrouw van vijf-en-veertig jaar met een vriendelijk, frisch gezicht, die met de leiding belast was, eenigszins het hoofd. Terwijl zij naar Pierre, die den dokter riep, welke zich met zijn reisapotheek in een ander compartiment van den wagen bevond, luisterde, moest zij met uitdeelen doorgaan. Maar toen de jonge priester haar vertelde van den man, die op sterven lag, liet zij zich vervangen, daar zij zelf den ongelukkige wilde zien.

“O ja, zuster, ik kwam ook nog een kop bouillon voor een zieke halen.”

“Goed, mijnheer de abbé, ik zal hem meenemen. Gaat u maar voor!”

Onder het wisselen van vragen en antwoorden spoedden de twee mannen zich voort, gevolgd door zuster Saint-François, die temidden van de dringende en stootende menschenmassa voorzichtig den kop bouillon droeg. De dokter was een donkere, krachtige, knappe jonge man van nog geen dertig jaar met den kop van een Romeinschen krijger, zooals men die nog aantreft in de door de zon verzengde landen van Provence. Zoodra zuster Hyacinthe hem zag, riep zij in blijde verrassing uit:

“Wat, bent u het, mijnheer Ferrand?”

Beiden waren een oogenblik perplex over die ontmoeting. De zusters van Maria Hemelvaart hadden de zware taak de armen te verplegen, en wel alleen die armen, welke niet betalen kunnen en hun doodsstrijd strijden in dakkamertjes; zoo brengen zij haar geheele leven door met de behoeftigen; zij richten zich huiselijk in bij het armzalige ziekbed in het enge vertrek, bewijzen den zieken de meest intieme diensten, zorgen voor het eten en de huishouding, leven daar als dienstboden en bloedverwanten tot aan het herstel of tot aan den dood. Zoo was op een goeden dag zuster Hyacinthe, nog heel jong toen, met haar frisch, melkblank gezichtje, waarin haar blauwe oogen aan één stuk door lachten, gekomen bij dezen jongen man, die toen nog studeerde en zware typheuse koortsen had; hij was zoo arm, dat hij in de rue du Four op een soort zolder onder de dakpannen woonde, die men alleen met een ladder bereiken kon. Zij had hem niet meer verlaten, had hem met haar hartstocht, om slechts voor anderen te leven, van den dood gered, zij, die als klein kind bij de deur van een kerk gevonden was en geen andere familie had als die der lijdenden, waaraan zij zich wijdde met den vurigen drang om lief te hebben. En welk een heerlijke maand was daarop gevolgd, welk een prachtige kameraadschap in deze reine verbroedering van het lijden! Wanneer hij haar “lieve zuster” noemde, dan was het werkelijk met zijn zuster, dat hij sprak. Zij was tegelijk zijn moeder ook, die hem oprichtte en weer neerlegde als haar kind, zonder dat er een andere band tusschen hen ontstaan was dan het innigste medelijden, de goddelijke liefde der barmhartigheid. Altijd was zij vroolijk, zonder geslachtelijke opwinding, met geen anderen drang dan om leed te verzachten en te troosten; en hij vereerde haar, aanbad haar en had aan haar de reinste en geestdriftigste herinnering bewaard.

“Zuster Hyacinthe! Zuster Hyacinthe!” mompelde hij verrukt.

Een bloot toeval bracht hen weer samen, want Ferrand was geen geloovige; dat hij zich hier bevond kwam, omdat hij op het allerlaatste oogenblik, wel had willen inspringen voor een vriend, die plotseling verhinderd was mede te gaan. Sedert bijna een jaar was hij assistent in de Pitié. Deze reis naar Lourdes onder zoo bijzondere omstandigheden vond hij zeer interessant.

Maar de vreugde van het wederzien deed hem heelemaal den zieke vergeten. Zij dacht er het eerst weer aan.

“Kijk, mijnheer Ferrand, daar hebt u den armen kerel. Wij hebben een oogenblik gedacht, dat hij dood was… Van af Amboise hebben we ons erg ongerust gemaakt en dadelijk bij aankomst hier heb ik om den priester met het Heilige oliesel gestuurd. Vindt u hem ook zoo minnetjes? Kunt u hem niet wat opwekken?”

De jonge dokter was reeds met het onderzoek begonnen; de andere zieken, die in den wagon gebleven waren, keken belangstellend toe. Marie, aan wie zuster Saint-François den kop bouillon gegeven had, hield dien met een zoo beverige hand vast, dat Pierre hem van haar moest overnemen en trachtte haar te laten drinken, maar zij kon den bouillon niet doorkrijgen, haar oogen waren vol angstige verwachting strak gevestigd op dien man, alsof het om haar eigen leven ging.

“Hoe vindt u hem?” vroeg zuster Hyacinthe weer. “Welke ziekte heeft hij?”

“Welke ziekte?” fluisterde Ferrand. “Hij heeft ze allemaal.”

Dan haalde hij een fleschje uit zijn zak en trachtte een paar droppels tusschen de op elkaar geklemde tanden van den zieke te gieten. Deze stootte een zucht uit, lichtte zijn oogleden even op, doch om ze dadelijk weer dicht te laten vallen; dat was alles, geen ander levensteeken gaf hij.

Zuster Hyacinthe, die anders altijd zoo kalm was en nooit haar zelfbeheersching verloor, werd nu ongeduldig.

“Maar dat is verschrikkelijk! En zuster Claire des Anges komt maar niet terug. Ik heb haar toch goed den wagon van pater Massias uitgeduid… Lieve God, wat moeten we doen?”

Zuster Saint-François, die inzag, dat zij zich hier toch niet nuttig maken kon, ging weer naar haar kantinewagen terug, maar eerst vroeg zij nog, of de man misschien niet van honger alleen omkwam; want dat gebeurde meer en zij was alleen maar gekomen om haar voorraden aan te bieden. Toen zij werkelijk wegging, beloofde zij, als zij haar toevallig tegenkwam, zuster Claire des Anges tot spoed te zullen aanzetten; zij was nog geen twintig meter verder of zij draaide zich om en wees met een groot gebaar naar de zuster, die alleen terugkwam.

Uit het portier leunend, riep zuster Hyacinthe haar toe.

“Kom dan toch, kom dan toch… En waar is pater Massias?”

“Die is er niet.”

“Wat, is die er niet?”

“Neen. Het gaf niets al haastte ik me nog zoo, je kunt gewoon niet tusschen al die menschen door. Toen ik bij den wagon kwam, was pater Massias al uitgestapt en had hij ongetwijfeld het station al verlaten.”

Zij vertelde, dat de pater, naar men haar gezegd had een afspraak had met den pastoor van Sainte-Radegonde. Vorige jaren had de nationale bedevaart hier een oponthoud van vier-en-twintig uur: de zieken werden dan in het stedelijk ziekenhuis ondergebracht, terwijl de anderen zich in processie naar Sainte-Radegonde begaven. Maar dit jaar was dit onmogelijk, de trein moest onmiddellijk door; en de pater had zeker nu een onderhoud met den pastoor.

“Ze hebben me beloofd de boodschap, zoodra hij terugkwam, aan hem over te brengen en hem met het Heilig Oliesel hierheen te zenden.”

Het was een ware ramp voor zuster Hyacinthe. Nu de wetenschap niets meer vermocht, zou het Heilig Oliesel misschien den zieke verlichting gegeven hebben. Dat had zij reeds meermalen gezien.

“O, lieve zuster, wat spijt me dat vreeselijk… U weet niet, hoe lief het van u zou zijn, als u zelf ging kijken, of de pater terugkomt, om hem dadelijk hier te brengen.”

“Ik zal het doen, lieve zuster,” antwoordde zuster Claire des Anges gedwee en ging, terwijl zij met de lenigheid van een schim door de menigte gleed, weer met haar ernstig en geheimzinnig uiterlijk weg.

Diep bedroefd, dat hij zuster Hyacinthe het genoegen niet kon doen den man weer tot het bewustzijn terug te roepen, bleef Ferrand den zieke aankijken. En toen hij door een gebaar zijn onmacht te kennen gaf, vroeg zij hem op smeekenden toon:

“Blijf bij mij, mijnheer Ferrand, tot de pater er is… dan zal ik wat rustiger zijn.”

Hij bleef en hielp haar den man, die van de bank dreigde te vallen, weer wat oprichten. Dan nam zij een doek en veegde zijn gezicht af, dat telkens weer met een dik zweet bedekt werd. En het wachten duurde voort te midden van het onbehaaglijk gevoel van hen, die in den wagon gebleven waren, en van de nieuwsgierigheid der menschen, die zich langzamerhand voor den coupé verzamelden.

Een jong meisje baande zich vlug een weg door de menigte, stapte op de treeplank en vroeg aan madame de Jonquière:

“Waar blijft u toch, mama? De dames zitten aan het buffet op u te wachten.”

Het was Raymonde de Jonquière. Wat rijp reeds voor haar vijf-en-twintig jaar, leek zij met haar donkeren tint, haar krachtigen neus, haar grooten mond en haar vol, mollig figuur sprekend op haar moeder.

“Maar je ziet toch, kindlief, dat ik die arme vrouw niet in den steek kan laten.”

Zij wees op la Grivotte, die juist weer in een vreeselijke hoestbui lag te schokken.

“Hoe jammer, mama! Madame Désagneaux en madame Volmar hadden zich juist zooveel van dat déjeunertje met ons vieren voorgesteld!”

“Wat kan ik er aan doen, lieve kind?… Begin maar zonder mij en zeg aan de dames, dat ik zoo gauw als ik kan, komen zal.”

Dan plotseling een inval krijgend:

“Wacht, daar is de dokter! Ik zal zien, of ik hem de zorg van mijn zieke kan overdragen… Ga maar vooruit; ik kom dadelijk. Ik heb zoo’n vreeselijken trek.”

Raymonde ging vlug naar het buffet terug, terwijl madame de Jonquière aan Ferrand vroeg bij haar te komen, om te zien of hij la Grivotte misschien wat verlichting geven kon. Reeds had hij op verzoek van Marthe broeder Isidore, wiens steunen en kreunen maar niet ophield, onderzocht; en weer had hij met een gebaar van wanhoop zijn onmacht te kennen moeten geven. Hij richtte de teringlijdster wat op in de hoop daardoor de hoest wat tot bedaren te brengen, wat inderdaad eenigszins hielp. Vervolgens hielp hij madame de Jonquière de zieke een kalmeerend drankje in te gieten. Mijnheer Sabathier, die langzaam de druiven, welke zijn vrouw voor hem was gaan halen, op zat te eten, vroeg hem zelfs niets, daar hij het antwoord toch vooruit wist en de zaak moe was, nadat hij reeds, zooals hij zich uitdrukte, alle vorsten der wetenschap geraadpleegd had. Maar toch deed het hem goed, toen hij zag, hoe de dokter het arme meisje, wier nabijheid hem hinderde, oprichtte. Ook Marie keek met toenemende belangstelling naar hem, hoewel zij het niet durfde wagen hem voor zich zelf te roepen, zeker als zij was, dat hij haar toch niet helpen kon.

Op het perron werd het gedrang steeds grooter. Men had nog slechts een kwartier. Als ongevoelig, met wijdgeopende oogen, zonder nochtans iets te zien, verdoofde madame Vêtu haar pijnen in de gloeiende hitte der volle zon, terwijl madame Vincent nog steeds met denzelfden sussenden stap met de kleine Rose, licht als een ziek vogeltje, zoodat zij het gewicht niet eens op haar armen voelde, op en neer liep. Vele pelgrims haastten zich naar de fontein, om kannen, kruiken en flesschen te vullen. Madame Maze, die zeer op reinheid en zindelijkheid gesteld was, wilde er haar handen gaan wasschen; toen zij er echter bijkwam, vond zij er Elise Rouquet, die juist bezig was te drinken; verschrikt deinsde zij terug voor dit afschuwlijk wezen, die hondenkop met den uitgevreten bek, die de schuine spleet van haar mond uitstak, waaruit de tong slorpend neerhing; en allen beving met dezelfde huivering, dezelfde aarzeling om hun flesschen, kannen en kruiken te vullen uit dezelfde fontein, waaruit zij gedronken had. Een groot aantal pelgrims liep op het perron te eten. Men hoorde het rhythmische klepperen der krukken van een vrouw, die rusteloos door de verschillende groepen heen en weer liep. Op den grond schoof een man zonder beenen zich in zijn bak met moeite voort, om naar men wist niet wat te zoeken. Anderen zaten dicht bij elkaar op een hoop en bewogen zich niet meer. Het geheele voor een zoo korten tijd uitgestapte leger van zieken, dit rijdende hospitaal, dat voor een half uur ontruimd was, schepte te midden van het drukke, onophoudelijke heen en weer loopen der gezonden, in de volle brandende middagzon versche lucht.

Pierre verliet Marie niet meer, want mijnheer de Guersaint was, aangetrokken door het groene stukje land, dat men aan het einde van het station zag, verdwenen. De jonge priester, die vol bezorgdheid merkte, dat zij den bouillon niet naar binnen krijgen kon, trachtte glimlachend de snoeplust der zieke te prikkelen door haar aan te bieden een perzik voor haar te gaan halen; maar zij weigerde, zij had te veel pijn en nergens trek in. Zij keek hem aan met haar groote, droefgeestige oogen, heen en weer geslingerd tusschen haar ongeduld over dit oponthoud, dat haar mogelijke genezing uitstelde, en haar angst, om straks weer gedurende die eindelooze reis onbarmhartig door elkaar geschud te worden.

Een dikke mijnheer kwam naderbij en tikte Pierre op zijn arm. Hij was al grijs, droeg een vollen baard; zijn breed gezicht had een vaderlijk-bezorgde uitdrukking.

“Pardon, mijnheer de abbé, is er in dezen wagen niet een ongelukkige, die op sterven ligt?”

En toen de geestelijke bevestigend antwoordde, werd hij dadelijk vriendschappelijk en familiaar.

“Ik heet Vigneron en ben sous-chef over het ministerie van Financiën; ik heb een verlof gevraagd, om met mijn vrouw onzen zoon Gustave naar Lourdes te kunnen vergezellen… De arme jongen stelt al zijn hoop in de Heilige Maagd, wie wij dag en nacht voor hem bidden… Wij zitten in den wagon vóór den uwe, waar we een compartiment tweede klasse hebben.”

Dan keerde hij zich om en riep met een handgebaar zijn familie.

“Ja, het is hier. De ongelukkige man is er werkelijk heel slecht aan toe.”

Madame Vigneron was klein, haar gezicht lang en mager en wees op een groote bloedarmoede, die haar zoon Gustave in verschrikkelijke mate van haar scheen geërfd te hebben. De vijftienjarige jongen leek nog geen tien; hij was scheef, mager als een brandhout, door de bloedarmoede was zijn rechterbeen zoo weinig ontwikkeld, dat hij met een kruk loopen moest. Hij had een klein, fijn, eenigszins scheef gezichtje, waarvan men eigenlijk niets anders dan de oogen zag, oogen, waaruit een helder verstand straalde, die door verdriet gescherpt waren en daardoor zeker tot in het diepst der ziel zagen.

Een oude dame met gepoederd gezicht, die zich moeilijk bewoog, volgde hem; en mijnheer Vigneron, die zich nu herinnerde, dat hij haar vergeten had, wendde zich weer tot Pierre om haar voor te stellen.

“Madame Chaise, de oudste zuster van mijne vrouw, die met alle geweld Gustave, van wien zij veel houdt, heeft willen vergezellen.”

En zich over Pierre heen buigend, voegde hij er fluisterend en op vertrouwelijken toon aan toe:

“Madame Chaise, de weduwe van een zijdehandelaar en ontzaglijk rijk. Zij heeft een hartkwaal, waarover zij zich erg ongerust maakt.”

Dicht op elkaar staande, keek de heele familie met groote nieuwsgierigheid naar hetgeen er in den wagon voorviel. Nog steeds meer menschen kwamen erbij, en de vader hield zijn zoon een tijdje in zijn armen, om hem goed te kunnen laten zien, terwijl zijn tante zijn kruk zoo lang vasthield en zijn moeder op haar teenen ging staan.

In den wagon nog steeds hetzelfde schouwspel: de man zat stijf en roerloos in den hoek met zijn hoofd tegen het harde, eikenhouten beschot. Hij was doodelijk bleek, zijn oogen waren gesloten, zijn mond vertrokken door den doodsstrijd, zijn gezicht bedekt met koud zweet, dat zuster Hyacinthe van tijd tot tijd met een doek afveegde; zij sprak niet meer, was niet ongeduldig meer, had haar kalmte teruggekregen, vertrouwend op den hemel, slechts nu en dan een blik over het perron werpend, om te zien, of pater Massias nog niet kwam.

“Kijk goed, Gustave,” zeide mijnheer Vigneron tegen zijn zoon, “dat moet een teringlijder zijn.”

De jongen, die door klieren weggevreten werd, wiens heup reeds door een koud gezwel weggeteerd was en bij wien zich reeds symptomen van beenderversterf der ruggegraat vertoonden, scheen zich hartstochtelijk voor dien doodsstrijd te interesseeren. Hij was niet bang, lachte slechts met een oneindig droef glimlachje.

“Het is vreeselijk!” mompelde madame Chaise, bleek van angst voor den dood in haar voortdurende vrees, dat zij in een plotselingen aanval van hartkramp zou blijven.

“Wat zal ik je zeggen!” zeide mijnheer Vigneron philosophisch. “Ieder krijgt zijn beurt; we zijn allen sterfelijk!”

Het glimlachje van Gustave kreeg een uitdrukking van pijnlijken spot, alsof hij andere woorden gehoord had: de onbewuste wensch, dat de oude tante vóór hem sterven zou, dat hij de vijfhonderd duizend francs, die hem beloofd waren, erven zou en tevens dat hij zelf zijn familie niet langer meer tot last zou zijn.

“Zet hem neer,” zeide madame Vigneron tegen haar man; “je maakt hem zoo moe, als je hem aan zijn beenen vasthoudt.”

Dan zorgde zij er, evenals madame Chaise, zorgvuldig voor, dat het kind geen schok zou krijgen. De arme jongen moest zoo vreeselijk ontzien worden. Iedere minuut waren zij bang hem te zullen verliezen. De vader geloofde, dat het maar het beste zou zijn, als ze weer dadelijk in hun coupé gingen. En toen de twee vrouwen met het kind tusschen zich in weggingen, wendde hij zich vergenoegd tot Pierre en zeide met een diepe ontroering in zijn stem:

“O, mijnheer de abbé, als de goede God hem van ons wegnam, zou ons leven niets meer voor ons te beteekenen hebben. En ik zeg dat niet om het vermogen van zijn tante, dat dan naar andere neven gaan zou. Maar, nietwaar mijnheer de abbé, het zou heelemaal tegen de natuur in zijn, wanneer hij stierf vóór haar, vooral met het oog op haar gezondheid… Maar wat zullen wij er tegen doen, wij zijn allen in de handen der Voorzienigheid en wij vertrouwen op de Heilige Maagd, die zeker alles ten beste keeren zal.”

Eindelijk had madame de Jonquière, door dr. Ferrand gerustgesteld, la Grivotte alleen kunnen laten. Maar voor zij ging, had zij voor alle zekerheid tegen Pierre gezegd:

“Ik sterf van den honger, ik ga even naar het buffet… Maar wilt u mij dadelijk laten roepen, als het hoesten weer begint.”

Toen zij zich met groote moeite een weg gebaand had door de menigte op het perron, kwam zij weer in een nieuw gedrang. De pelgrims, die het betalen konden, hadden zich in een stormaanval van de tafeltjes meester gemaakt, vooral veel priesters liepen af en aan onder het lawaai van vorken, messen en borden. De drie of vier kellners konden onmogelijk voor de bestellingen zorgen, te meer daar een dichte menigte, die zich aan het buffet verdrong, om vruchten, broodjes en koud vleesch te koopen, hun den weg versperde. En daar, achter in de wachtkamer, zat Raymonde met madame Désagneaux en madame Volmar te dejeuneeren.

“Eindelijk, mama!” riep zij. “Ik wou u net weer komen halen. Ze moeten u toch laten eten!”

Zij lachte heel vroolijk, opgewonden als zij was over de reis, over dezen eenvoudigen maaltijd, dien ze haast-je-rep-je gebruiken moesten.

“Kijk, daar hebt u een portie forellen met peterseliesaus, die ik voor u bewaard heb, en daar staat een cotelette op u te wachten… Wij zijn al aan de artisjokken!”

Toen werd het een vroolijk hoekje, waar je met genoegen naar keek.

Vooral de jonge madame Désagneaux was zeer aantrekkelijk, een teere blondine met eigenzinnig, opvliegend, goudblond haar, een rond, melkblond gezichtje met aardige kuiltjes, opgewekt en goedhartig. Rijk getrouwd, liet zij nu al drie jaar achter elkaar midden in de maand Augustus dagen haar man in Trouville om als diacones de nationale bedevaart mede te maken: dat was haar grootste hartstocht, een innig medevoelen, een behoefte om zich gedurende vijf dagen geheel aan de zieken te geven, het was een waar zwelgen in volkomen toewijding, dat haar uitputte en gelukkig maakte tevens. Haar eenige verdriet was, dat zij nog geen kind had, en met een waarlijk komischen ernst gaf zij dikwijls haar spijt te kennen, dat zij haar roeping als pleegzuster miskend had.

“Kom kind!” zeide zij tegen Raymonde; “beklaag je moeder niet, dat zij zoo door haar zieken in beslag genomen wordt. Zij heeft tenminste wat te doen.”

En zich tot madame de Jonquière wendend:

“Als u eens wist, hoe lang ons de uren in onzen mooien eerste-klas-coupé vallen! Je mag zelfs geen klein handwerkje doen, dat is verboden… Ik had gevraagd, mij bij de zieken te plaatsen, doch alles was al vergeven, zoodat ik wel verplicht ben te probeeren vannacht in mijn hoekje te slapen.”

En lachend voegde zij er aan toe:

“Wij zullen wel slapen, niet waar madame Volmar, want het gesprek schijnt u te vermoeien?”

Madame Volmar, een brunette met een lang gezicht en fijne, vermoeide trekken, moest de dertig reeds gepasseerd zijn en had groote, prachtige oogen, die waren als gloeiende kolen, waarover nu en dan een sluier scheen te komen, die ze als het ware schenen uit te dooven. Zij was niet mooi bij den eersten aanblik; hoe langer men haar echter aankeek, des te bekoorlijker, overwinnender en begeerlijker zij werd. Verder trachtte zij zoo min mogelijk in het oog te vallen, zich op den achtergrond te houden, ging steeds in het zwart gekleed en droeg nooit sieraden, hoewel zij de vrouw van een handelaar in diamanten en parelen was.

“O,” mompelde zij, “als ik maar niet te veel door elkaar geschud word, ben ik al tevreden.”

Zij was reeds tweemaal als helpster mee naar Lourdes geweest, maar men zag haar daar bijna nooit in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, daar zij dadelijk na haar aankomst door zoo’n moeheid overvallen werd, dat zij, naar zij beweerde, genoodzaakt was haar kamer te houden.

Madame de Jonquière, de directrice der zaal, was zeer welwillend voor haar.

“Jullie hebt nu goed den tijd om uit te rusten. Slaapt maar goed, als je kunt, want, wanneer ik het niet meer volhouden kan, komen jullie aan de beurt.”

Dan richtte zij zich tot haar dochter:

“En jij, lieve kind, moet je niet te veel opwinden, als je je hoofd niet verliezen wilt.”

Maar Raymonde keek haar verwijtend aan en zeide glimlachend:

“Waarom zegt u dat, moeder?… Ben ik soms niet verstandig?”

Zij behoefde zich volstrekt nergens op te beroemen, want een krachtige wil en het vaste besluit zelf haar leven in te richten, spraken duidelijk uit haar grijze oogen, haar geheele jonge, onbezorgde wezen, dat één levensvreugde was.

“Het is zoo,” moest de moeder eenigszins verlegen bekennen; “het kind is soms verstandiger dan ik… Nou, geef me de côtelette maar even aan, die zal smaken. Lieve hemel, wat heb ik een honger!”

Opgevroolijkt door het voortdurende lachen van madame Désagneaux en Raymonde, dejeuneerde zij verder. Deze laatste leefde weer geheel op en haar gezicht, dat door het wachten op een huwelijk reeds eenigszins verlept was, kreeg den rosen tint van haar twintigste jaar terug. Ze namen nu dubbel groote happen, want ze hadden nog maar een tien minuten. In de geheele zaal heerschte nog een grooter lawaai dan zooeven, want men was bang geen tijd meer te zullen hebben voor de koffie.

Maar Pierre kwam: la Grivotte had weer een benauwende hoestbui gekregen; madame de Jonquière at gauw haar artisjok en ging dan naar haar wagon terug, na eerst haar dochter, die haar op gekscherenden toon goeden nacht wenschte, een zoen te hebben gegeven. Intusschen had de priester bij het zien van madame Volmar met het roode kruis der Hospitalité over haar zwarten corsage, een gebaar van verbazing niet kunnen onderdrukken. Hij kende haar, want hij bracht, al was het zelden, toch nog steeds nu en dan een bezoek aan de oude madame Volmar, de moeder van den diamanthandelaar, een oude vriendin van zijn eigen moeder; het was een verschrikkelijke vrouw, overdreven vroom en zoo streng, dat zij de jaloezieën gesloten hield, om haar schoondochter toch maar niet op straat te laten kijken. Hij kende de geschiedenis: sedert den dag van haar huwelijk leefde de jonge vrouw als een gevangene tusschen haar schoonmoeder, die haar tyranniseerde, en haar man, een afzichtelijk leelijk monster, die haar in zijn krankzinnige jaloerschheid zelfs sloeg, ofschoon hij zelf verscheidene meisjes mainteneerde. Zij lieten haar geen oogenblik uitgaan, dan om de mis bij te wonen. Pierre zelf had haar op een zekeren dag bij de Drievuldigheidskerk verrast, toen hij haar vlug enkele woorden had zien wisselen met een correct gekleed, gedistingeerd heer: de onvermijdelijke en zoo vergeeflijke val, de misstap in de armen van een vriend, die het geheim bewaarde, de verborgen en verterende hartstocht, dien men niet bevredigen kan en die toch zoo vreeselijk in je brandt, de afspraken, die men zoo moeilijk houden kan, dat men dikwijls weken lang wachten moet, en waarvan men, in een plotselinge opvlamming van begeerte, gulzig geniet.

Verlegen stak zij hem haar kleine, smalle, klamme hand toe.

“Hoe toevallig, mijnheer de abbé… Wat is het lang geleden, dat we elkaar gezien hebben!”

Zij vertelde hem, dat dit nu al het derde jaar was, dat zij naar Lourdes ging: haar schoonmoeder had haar gedwongen zich bij de Association de Notre-Dame de Salut aan te sluiten.

“Wonderlijk, dat u ze niet op het station gezien hebt. Ze brengt me naar den trein en komt me weer halen ook.”

Zij zeide het zeer eenvoudig, maar met zoo’n scherpe ironie, dat Pierre er het zijne van dacht. Hij wist, dat zij aan niets geloofde en slechts naar de kerk ging, om zich op die wijze van tijd tot tijd een vrij uur te verzekeren; en plotseling kreeg hij de ingeving, dat in Lourdes iemand op haar wachtte, dat zij met haar bescheiden en vurige manier van doen, met haar vlammende oogen, die zij onder den sluier van onverschilligheid verborg, haar hartstocht tegemoet snelde.

“Ik,” zeide hij op zijn beurt, “ik ben met een vriendin uit mijn jeugd, een arm ziek meisje… Ik beveel haar in uw zorgen aan, u moet haar verplegen…”

Toen bloosde zij even, en hij twijfelde niet langer. Raymonde keek de rekening na met de zelfverzekerheid van iemand, die met getallen om kan gaan; madame Désagneaux nam madame Volmar mede, de kellners verloren hun hoofd nog meer, de tafeltjes werden verlaten, allen stormden naar buiten, toen ze een bel hoorden gaan.

Ook Pierre haastte zich naar zijn wagon terug, toen hij weer staande gehouden werd.

“O, mijnheer de pastoor!” riep hij uit; “ik heb u bij het vertrek gezien, maar het was te laat, om u nog de hand te komen drukken.”

En hij stak de zijne uit naar den ouden priester, die hem glimlachend aankeek. Abbé Judaine was pastoor te Saligny, een kleine parochie in het departement Oise. Groot en krachtig van gestalte, had hij een breed, rood, door grijze haren omlokt gezicht; men voelde dadelijk, dat het een heilig man was, die nooit door zijn vleesch of door zijn verstand gekweld werd. Vroom als hij was, geloofde hij onvoorwaardelijk, zonder eenigen strijd, met het makkelijke geloof van een kind, dat nog geen hartstocht kent. Sedert de Heilige Maagd hem te Lourdes door een wonder, waarover men nu nog sprak, van een oogziekte genezen had, was zijn geloof nog blinder, nog inniger geworden, als ware het gedrenkt in dankbaarheid aan God.

“Ik ben blij, dat ik je bij ons zie, vriendlief,” zeide hij zacht, “want jonge priesters kunnen op zoo’n bedevaart heel wat leeren… Men heeft mij verzekerd, dat er onder hen nog al een geest van verzet heerscht. Nu, je zult al die arme drommels zien bidden; het is iets, dat je niet met droge oogen zult kunnen aanschouwen… En hoe is het mogelijk, dat men zich niet overgeeft aan God bij het zien van zooveel genezen of toch minstens verzacht lijden?”

Ook hij begeleidde een zieke. Hij wees hem een coupé eerste klasse, waaraan een kaart met de woorden: “Abbé Judaine, gereserveerd” bevestigd was. En fluisterend ging hij voort:

“Het is madame Dieulafay, je weet wel, de vrouw van den grooten bankier. Hun kasteel, een koninklijk domeingoed, behoort tot mijn parochie; en toen zij hoorde, dat de Heilige Maagd mij zoo’n buitengewone genade bewezen had, hebben zij mij gesmeekt de voorspraak van die arme vrouw te zijn. Ik heb al heel wat missen gelezen, en vurige geloften voor haar afgelegd… Kijk, daar is zij. Zij heeft met alle geweld er een oogenblik uit willen komen, ook al zal het straks weer veel moeite kosten, haar in de coupé te krijgen.”

Inderdaad lag op een schaduwrijk plekje van het perron in een soort rustbed een vrouw, wier knap, zuiver ovaal gezicht met prachtige oogen op een leeftijd van hoogstens zes-en-twintig wees. Zij was door een verschrikkelijke ziekte aangetast; het verdwijnen van de kalkhoudende zouten, wat een langzame verweeking en verwoesting van het beenderenstelsel ten gevolge had. Twee jaar geleden reeds, toen zij van een levenloos kind bevallen was, had zij pijn gevoeld in de wervelkolom. Langzamerhand waren de beenderen dunner geworden en van vorm veranderd, de wervelkolom werd krom, de beenderen van het bekken plat, terwijl die der beenen en armen verschrompelden; op die wijze was zij als het ware kleiner geworden, samengesmolten tot een armzalig stukje mensch, een fluïde, naamloos ding, dat men niet rechtop kan zetten, dat men met de grootste voorzichtigheid verplaatsen moest uit vrees, dat men het tusschen zijn vingers zou zien wegvloeien. Het hoofd, dat roerloos en met een stompzinnige, wezenlooze uitdrukking op het kussen lag, had zijn vroegere schoonheid behouden. Maar wat het hart, bij het zien van dat jammerlijk restje vrouw, nog meer toekneep, dat was de groote luxe, die haar omringde: het met blauwe zijde gecapitonneerde rustbed, de kostbare kanten, waarmede zij bedekt was, het kapje van Valenciennes-kant, dat zij droeg: een rijkdom, die zelfs nog in den doodsstrijd ten toon gespreid werd.

“Hoe treurig,” begon abbé Judaine weer fluisterend, “te moeten denken, dat zij nog zoo jong, zoo mooi, zoo schatrijk is. En als je eens wist, met hoeveel liefde zij nog omringd wordt… Die lange mijnheer naast haar is haar man, en die elegante dame daar haar zuster, madame Jousseur.”

Pierre herinnerde zich in de courant dikwijls den naam van madame Jousseur gezien te hebben, de vrouw van een diplomaat, die een voorname rol speelde in de hooge Katholieke kringen van Parijs. Zelfs had het verhaal van een hevigen, bestreden en overwonnen hartstocht de rondte gedaan. Zij was heel knap, uiterst eenvoudig gekleed en één en al toewijding voor haar arme zuster. De echtgenoot, die op vijf-en-dertigjarigen leeftijd het groote bankierskantoor van zijn vader geërfd had, was een knappe, uiterst correct gekleede man; maar in zijn oogen stonden tranen, want hij aanbad zijn vrouw; hij had zijn zaken in den steek gelaten, daar hij er op gestaan had zijn vrouw naar Lourdes te vergezellen; zijn laatste hoop was gevestigd op die aanroeping, der goddelijke barmhartigheid.

Pierre had zeker sedert het begin van den dag in dien aan smarten rijken, witten trein heel wat ontzettend lijden gezien, maar niets had zijn ziel zoo aangegrepen als dit jammerlijk vrouwenskelet, dat te midden van haar kant en van haar millioenen, zich als in een vloeistof oploste.

“De ongelukkige!” prevelde hij huiverend.

“De Maagd zal haar genezen, ik heb er zoo om gesmeekt!” antwoordde abbé Judaine vol oprecht gemeend vertrouwen.

Doch weer ging de bel, en ditmaal was het het teeken voor vertrek. Men had nog twee minuten. Een laatste dringen en duwen begon: menschen kwamen terug met in papier gewikkeld eten, met flesschen en kruiken, die zij in de fontein gevuld hadden. Velen liepen angstig heen en weer, konden hun wagon niet meer vinden, vlogen wanhopig van den eenen coupé naar den anderen, terwijl de zieken zich onder het rhythmisch klipklappen der krukken vlugger voortbewogen, en anderen, die moeilijk liepen, aan den arm van diakonessen hun pas trachtten te versnellen. Vier mannen hadden groote moeite om madame Dieulafay in haar coupé eerste klasse te krijgen. De Vignerons, die het niet beneden zich achtten tweede klasse te reizen, hadden zich reeds weer geïnstalleerd tusschen een groote menigte manden, kisten en koffers, die den armen Gustave nauwlijks veroorloofd hadden zijn arme, rudimentaire beenen uit te strekken. Dan kwamen zij allen weer terug: madame Maze sloop op haar stille manier den wagon binnen; madame Vincent lichtte haar dochtertje voorzichtig in de hoogte, steeds bang, dat zij zou gaan huilen; madame Vêtu moest binnengesleept worden, nadat men haar uit de verdooving van haar pijnen gewekt had; Elise Rouquet, die zich bij het gulzige drinken heelemaal nat gemaakt had en nog bezig was haar afzichtelijk gezicht af te vegen. En terwijl iedereen zijn plaats innam en de wagon weer vol werd, luisterde Marie naar haar vader, die verrukt was, dat hij tot aan het einde van het station gegaan was, tot het huisje van een wisselwachter, vanwaar men een mooi uitzicht op een werkelijk aardig landschap had.

“Willen we je dadelijk weer neerleggen?” vroeg Pierre, wanhopig over het angstige gezicht van de zieke.

“O neen, neen, strakjes!” antwoordde zij. “Ik heb nog tijd genoeg om die wielen in mijn hoofd te hooren ratelen, alsof zij mijn beenderen vermorzelen!”

Zuster Hyacinthe had Ferrand gesmeekt nog eens naar den man te kijken, vóór hij naar den kantinewagen ging. Verbaasd over het uitblijven van pater Massias, wachtte zij nog steeds op hem; zij was echter niet wanhopig, want zuster Claire des Anges was nog niet teruggekomen.

“Mijnheer Ferrand, zeg eens eerlijk of de ongelukkige werkelijk in onmiddellijk gevaar verkeert.”

Weer keek de jonge dokter hem aan, beluisterde en beklopte hem. Dan zeide hij met een wanhopig gebaar:

“Het is mijn vaste overtuiging, dat u hem niet levend naar Lourdes krijgen kunt.”

Men rekte angstig de halzen uit. Als ze nu nog maar wisten, hoe de man heette, waar hij vandaan kwam, wie hij was. Maar niemand kende den ongelukkige, uit wien men geen woord los kon krijgen, en die daar in den wagon zou sterven.

Toen kwam zuster Hyacinthe op het denkbeeld hem te fouilleeren. Daar kon onder de gegeven omstandigheden geen kwaad in steken.

“Mijnheer Ferrand, kijk eens in zijn zakken!”

Voorzichtig fouilleerde hij den man. Maar hij vond in de zakken niets dan een rozenkrans, een mes en drie sous. Nooit zou men iets meer van hem weten.

Daar riep iemand, dat zuster Claire des Anges en pater Massias kwamen. Deze laatste had in een wachtkamer zijn tijd verpraat met den pastoor van Sainte-Radegonde. Er ontstond een levendige ontroering, alles zou misschien nog terecht komen. Maar de trein stond op het punt te vertrekken, de conducteurs sloten de portieren reeds, het Laatste Oliesel moest inderhaast worden toegediend, als men niet een te lange vertraging wilde veroorzaken.

“Hier, eerwaarde vader!” riep zuster Hyacinthe. “Ja, ja, stap u in, de ongelukkige zieke ligt hier.”

Pater Massias, die, ofschoon vijf jaar ouder dan Pierre, tegelijk met dezen op het seminarie geweest was, had een groot, mager lichaam met het gezicht van een asceet, dat door een blonde baard omgeven was en waarin schitterende oogen fonkelden. Hij was noch de door twijfel gekwelde priester noch de priester met het blind geloof van een kind, maar een apostel vol gloeiende geestdrift, steeds gereed om voor den onbevlekten roem der Heilige Maagd te strijden en te overwinnen. Onder de zwarte pelerine met den grooten kap straalde hij van dien blijvenden strijdlust.

Onmiddellijk had hij het zilveren doosje met het Heilige Oliesel gehaald. En de plechtige handeling begon onder het toeslaan der laatste portieren en het haastige toesnellen der pelgrims, die zich verlaat hadden, terwijl de stationschef met onrustige blikken naar de stationsklok keek, daar hij wel inzag, dat hij nog eenige minuten zou moeten toestaan.

“Credo in unum Deum2…” mompelde de pater vlug.

“Amen,” vielen zuster Hyacinthe en de geheele wagon in.

Degenen, die ertoe in staat geweest waren, lagen op de banken neergeknield. De anderen vouwden hun handen, maakten herhaaldelijk het teeken des kruises, en toen op het prevelen der gebeden de litanieën van het rituaal volgden, verhieven zich de stemmen, rees met het Kyrie Eleison3 een vurige smeekbede op voor de vergeving der zonden en de lichamelijke en geestelijke genezing van den man. Dat geheel zijn leven, dat men niet kende, hem vergeven mocht worden en hij, onbekend en triompheerend, ingaan mocht in het koninkrijk Gods!

“Christe, exaudi nos.”4

“Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix.”5

Pater Massias had de zilveren naald, waaraan een droppel gewijde olie trilde, genomen. Bij de drukte en het wachten van den geheelen trein, waardoor de pelgrims hun hoofd uit de portieren staken, kon de geestelijke er niet aan denken de zalving, zooals die gewoonlijk geschiedde, te verrichten op de diverse zintuigsorganen, de poorten, die de zonde binnenlieten. Zooals het voorschrift voor dringende gevallen toestond, moest hij zich tevreden stellen met één zalving; hij verrichtte die op den mond, op dien bleeken, half geopenden mond, waaruit nog nauwlijks één ademtochtje kwam, terwijl het gezicht met de gesloten oogen reeds geheel verstijfd, tot het stof der aarde teruggekeerd scheen te zijn.

“Per istam sanctam unctionem, et suam piissimam misericordiam, indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum, tactum, deliquisti.”6

Het slot der plechtigheid ging in het lawaai van het vertrek verloren. De pater had nog nauwlijks tijd den droppel af te wisschen met het watje, dat zuster Hyacinthe voor hem gereed hield. Hij moest den wagon verlaten en zich naar den zijne haasten, terwijl de anderen het slotgebed uitspraken.

“Wij kunnen onmogelijk langer wachten!” herhaalde de stationschef in groote opwinding. “Opschieten!”

Eindelijk kon men vertrekken. Iedereen had zijn plaats ingenomen. Madame de Jonquière, die zich over den toestand van la Grivotte nog even ongerust maakte, was dichter bij haar gaan zitten tegenover mijnheer Sabathier, die berustend en zwijgend wachtte. Zuster Hyacinthe was niet in haar compartiment teruggekomen; zij wilde bij den man blijven, te meer daar zij dan ook tegelijk voor broeder Isidore kon zorgen, aan wien Marthe geen verlichting meer geven kon. Marie, bleek wordend, voelde reeds in haar lichaam de schokken van den trein, nog vóór deze onder de loodzwaar drukkende hitte zijn vaart opnieuw begonnen was met zijn lading zieken in de benauwende en verpestende atmospheer der over-verhitte wagons.

Een lang-aangehouden gefluit weerklonk, de locomotief begon te puffen, en zuster Hyacinthe stond op om te zeggen:

“Het Magnificat, kinderen!”

IV.

Inhoudsopgave

Toen de trein zich in beweging zette, ging het portier nogmaals open en duwde een conducteur een meisje van veertien jaar in het compartiment, waarin Marie en Pierre waren.

“Daar is nog een plaats. Schiet op!”

Reeds werden de gezichten langer, wilde men protesteeren. Maar zuster Hyacinthe riep uit:

“Wat ben jij het, Sophie. Ga je weer de Heilige Maagd bezoeken, die je verleden jaar genezen heeft?”

En madame de Jonquière zeide tegelijk:

“Dat is heel goed van je, beste Sophie, om dankbaar te zijn!”

“Zeker, lieve zuster; zeker, madame!” antwoordde het meisje vriendelijk.

Trouwens het portier was reeds gesloten en zij moesten dus deze nieuwe bedevaartgangster, die als uit den hemel gevallen was op het oogenblik, dat de trein, dien zij bijna gemist had, vertrok, wel aanvaarden. Zij was mager bovendien en zou dus niet veel plaats innemen. En dan kenden de dames haar; de oogen van alle zieken richtten zich op haar, toen zij hoorden, dat zij genezen was. Maar ze waren het station uit; de locomotief pufte in het steeds luider wordende geratel der wielen, en zuster Hyacinthe herhaalde, in haar handen klappend:

“Vooruit, vooruit, kinderen, het Magnificat!”

Terwijl de jubelzang te midden der schokken opsteeg, keek Pierre naar de kleine Sophie. Het was een boerinnetje, het dochtertje van een armen landbouwer uit de omstreken van Poitiers, dat haar ouders bedierven en als een jongejuffrouw behandelden, sedert zij door een wonder begenadigd, een uitverkorene was, die de geestelijken van het heele arrondissement kwamen bezoeken. Zij had een stroohoed met rose linten, een japonnetje van grijze wol, gegarneerd met een volant. Haar rond gezichtje was niet mooi, maar vriendelijk en frisch en werd opgevroolijkt door een paar heldere, sluwe oogen, die haar iets glimlachends en bescheidens gaven.

Toen het Magnificat uitgezongen was, kon Pierre geen weerstand bieden aan zijn verlangen Sophie te ondervragen. Een kind van dien leeftijd, dat er zoo oprecht uitzag en geen leugenaarster scheen te zijn, interesseerde hem ten zeerste.

“Je hadt bijna den trein gemist, niet lieve kind?”

“O, mijnheer de abbé, dat zou verschrikkelijk geweest zijn. Ik was gisteren al aan het station. Toen zag ik mijnheer den pastoor van Sainte-Radegonde, die mij heel goed kent, en mij riep, om me een zoen te geven; hij zeide, dat het heel lief van me was weer naar Lourdes te gaan… Toen ging ineens de trein weg, ik had nog net den tijd, om hard te loopen… He, wat heb ik gevlogen!”

Zij lachte, nog een beetje buiten adem, en het speet haar tegelijk ook, dat zij uit onbedachtzaamheid bijna een zonde begaan had.

“En hoe heet je, kindlief?”

“Sophie Couteau, mijnheer de abbé.”

“Je bent toch niet uit Poitiers zelf?”

“O, neen… wij zijn uit Vivonne, zeven kilometer van Poitiers. Mijn vader en mijn moeder hebben daar een klein boerderijtje, en het zou ons zoo slecht niet gaan, als we niet met ons achten thuis waren. Ik ben de vijfde. Gelukkig, dat de vier oudsten langzamerhand kunnen gaan medewerken.”

“En wat doe jij, kind?”

“Ik ben niet van heel veel nut, mijnheer de abbé… Sedert ik verleden jaar genezen thuis gekomen ben, heeft men mij geen oogenblik met rust gelaten, omdat ze, zooals u begrijpen kunt, naar mij zijn komen kijken; ook hebben ze mij meegenomen naar monseigneur en naar de kloosters en zoo wat overal naar toe… En voor dien tijd ben ik lang ziek geweest; ik kon niet loopen zonder stok, en bij iederen stap, dien ik deed, gilde ik het uit van de pijn aan mijn voet.”

“Dus heeft de Heilige Maagd je van die pijn aan je voet genezen?”

Sophie kreeg geen gelegenheid om te antwoorden. Zuster Hyacinthe, die naar het verhaal geluisterd had, mengde zich in het gesprek.

“Ja, van een beeneter in de linkerhiel, die al drie jaar oud was. De voet was opgezwollen en misvormd, terwijl er zich ook fistels gevormd hadden, die steeds door etterden.”

Plotseling waren alle zieken in den wagon één en al belangstelling. Zij hadden geen blik af van het wondermeisje, zij zochten in haar het mirakel. Zij, die staan konden, stonden op, om haar beter te kunnen zien; de anderen, de zieken, die op hun matrassen lagen, trachtten zich op te richten. In hun lijden, dat hen, angstig als zij opzagen tegen de vijftien uur, die zij nog hadden te rijden, bij het vertrek uit Poitiers opnieuw aangegrepen had, was de plotselinge komst van dit, door den hemel uitverkoren kind als een goddelijke troost, als een straal van hoop, waaruit zij de kracht zouden putten om de reis moedig vol te houden. Reeds hield het jammeren wat op, kwam er in de vurige begeerte om te gelooven, een ontspanning op aller gelaat.

Marie vooral was als door nieuwe krachten bezield; half opzittend vouwde zij haar bevende handen en vroeg fluisterend aan Pierre:

“Vraag haar meer, laat haar alles vertellen… Genezen, goede God! Genezen van een zoo afschuwlijke kwaal!”

Ontroerd had madame de Jonquière zich over het beschot gebogen, om het kind een zoen te geven.

“Zeker, ons klein vriendinnetje zal ons alles zeggen… Niet waar, schat, je wilt ons toch wel vertellen, wat de Heilige Maagd voor je gedaan heeft.”

“Natuurlijk, madame… Zooveel als u zelf maar wilt!”

Zij glimlachte vriendelijk en bescheiden, terwijl uit haar stralende oogen een helder verstand sprak. Onmiddellijk wilde zij reeds beginnen, stak haar rechterhand in de hoogte met een lief gebaar, dat aandacht scheen te vragen. Blijkbaar was zij er al heelemaal aan gewend in het openbaar te spreken.

Maar men kon haar niet overal in den wagon zien, waarom zuster Hyacinthe op het denkbeeld kwam te zeggen:

“Ga op de bank staan, Sophie, en spreek een beetje hard, anders kunnen ze je met dat lawaai niet verstaan.”

Daar had de kleine veel schik in; zij moest eerst weer ernstig worden, voor zij beginnen kon.

“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in een verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uit vloeide… Dokter Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn… En toen heb ik de Heilige Maagd vurig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen… En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”

Een gemompel van verrassing, verwondering en begeerte ontstond en plantte zich bij dit prachtige wonderverhaal, dat den wanhopigen zoo zoet in de ooren klonk, voort. Maar de kleine was nog niet klaar. Zij wachtte even en begon dan weer, nadat zij met een nieuw gebaar stilte verzocht had.

“Toen dokter Rivoire te Vivonne mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de goede God of de duivel is, die dit kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.””

Ditmaal volgde er gelach op haar woorden. Zij declameerde te veel, daar zij het verhaal al zoo dikwijls gedaan had, dat zij het uit haar hoofd leerde. De woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit; zij lachte, zeker als zij was, dat de anderen ook lachen zouden, er bij voorbaat zelf al om. Maar toch bleef zij naïef en ontroerend.

Toch scheen zij een bijzonderheid vergeten te hebben, want zuster Hyacinthe, die met een blik de toehoorders op het woord van den dokter opmerkzaam gemaakt had, fluisterde haar zachtjes in:

“En wat je tegen de gravin, de directrice van de zaal, gezegd hebt, Sophie?”

“O ja, dat is waar ook! Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.””

Weer volgde een blij gelach. Men vond haar zoo schattig, dat zij op die manier genezen was! Op een vraag van madame de Jonquière moest zij nog het verhaal doen van de schoenen, mooie, splinternieuwe schoenen, die mevrouw de gravin haar gegeven had en waarin zij, in haar zalige verrukking, dadelijk geloopen, gesprongen en gedanst had. Stel je voor, schoenen, zij, die in geen drie jaar een pantoffel aan had kunnen hebben!

Pierre, van wien zich een onbehaaglijk gevoel meester gemaakt had, was ernstig geworden en bleef haar aankijken. Hij deed haar nog een paar andere vragen. Het kind loog beslist niet, doch wel vermoedde hij, dat zij langzamerhand de waarheid een beetje gewijzigd had, een zeer begrijpelijke opsiering bij haar vreugde, dat zij genezen en daardoor een persoon van gewicht geworden was. Wie kon nu met zekerheid zeggen, of er voor het volkomen toetrekken van de wond, wat volgens haar beweren in enkele seconden geschied was, niet dagen noodig geweest waren. Waar waren de getuigen?

“Ik was erbij,” vertelde juist madame de Jonquière. “Zij behoorde niet tot mijn zaal, maar ik had haar dien ochtend nog gezien; zij hinkte…”

“Ah! Hebt u haar voet vóór en na de indompeling gezien?”

“Neen, dat niet, ik geloof niet, dat iemand dien heeft kunnen zien, want hij was heelemaal in verband… Zij heeft u toch zelf verteld, dat het verband in het water gevallen is.”

En zich tot het meisje wendend:

“Maar zij zal u haar voet laten zien, niet waar, Sophie?… Trek je laars uit.”

Sophie maakte haar schoen reeds los en trok haar kous uit met een handigheid en een gemak, die duidelijk bewezen, hoe gewend zij al was dat te doen. Zij stak haar heel zindelijken, blanken, ja zelfs gesoigneerden voet met de roze, zorgvuldig geknipte nagels uit en draaide hem met een zeker welbehagen om, opdat de jonge priester hem makkelijk zou kunnen onderzoeken. Boven den enkel was een groot litteeken, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad heel duidelijk bewees, hoe ernstig de ziekte geweest was.

“O, mijnheer de abbé, u kunt den hiel gerust in uw handen nemen en er met alle kracht op drukken: ik voel niets meer!”

Pierre maakte een gebaar met zijn hand, waaruit men zou kunnen opmaken, dat hij verrukt was over de macht der Heilige Maagd. Maar twijfel bleef hem kwellen. Welke onbekende kracht was hier werkzaam geweest? Of liever, welke verkeerde geneeskundige diagnose, welke samenloop van dwalingen en overdrijvingen hadden tot dit mooie sprookje geleid?

Maar de zieken wilden allen den wondervoet zien, dit zichtbaar bewijs van goddelijke genezing, die zij allen gingen zoeken. Marie, die nu geheel rechtop zat en al minder pijn voelde, raakte hem het eerst aan. Dan gaf madame Maze, uit haar melancholie weggerukt, hem over aan madame Vincent, die hem had willen kussen voor de hoop, die hij haar teruggaf. Mijnheer Sabathier had met een van geluk stralend gezicht geluisterd; madame Vêtu, la Grivotte, ja zelfs broeder Isidore sloegen hun oogen weer open en toonden belangstelling; het gezicht van Elise Roquet had door haar geloof en vertrouwen een wonderbare verandering ondergaan, was bijna mooi geworden: wanneer een wond zoo verdwenen was, zou dan haar wond zich ook niet sluiten, zou haar gezicht dan ook niet een klein litteeken behouden en niet als het gezicht van alle menschen worden? Sophie, nog steeds op de bank staande, moest zich aan een der ijzeren stangen vasthouden en haar voet op den rand van het beschot leggen, nu rechts, dan links; zij werd niet moede, integendeel zij was blij en trotsch over de uitroepen, die zij hoorde, over de sidderende bewondering, over den vromen eerbied, dien men bewees aan dat kleine stukje van haar persoon, aan dien kleinen voet, welke nu als gewijd en heilig was.

“Er is ongetwijfeld een groot geloof voor noodig,” dacht Marie hardop; “je moet er een volkomen reine ziel voor hebben…”

En zich tot mijnheer de Guersaint wendend:

“Vader, ik voel, dat ik genezen zou, als ik tien jaar was, als ik de volkomen reine ziel van een klein meisje had.”

“Maar je bent tien jaar, lieveling. Zeg zelf eens, Pierre, kunnen meisjes van tien jaar een reinere ziel hebben dan zij?”

Hij met zijn levendige verbeeldingskracht en zijn phantastischen geest, was dol op die wonderverhalen. En de priester, diep bewogen door de innige reinheid van het jonge meisje, ging er niet verder op in, liet haar zich geheel overgeven aan den ademtocht van de troostrijke illusie, die door den wagon ging.

Sedert het vertrek uit Poitiers was de temperatuur nog drukkender geworden; een onweer kwam op aan den koperkleurigen hemel; het was alsof de trein door een hoogoven reed. Droefgeestig en als uitgestorven onder de brandende zon, snelden de dorpen voorbij. Te Couhé-Verac werd de rozenkrans weer gebeden en een lied gezongen. Maar de geestelijke oefeningen verslapten eenigszins. Zuster Hyacinthe, die nog niet ontbeten had, was er eindelijk toe gekomen gauw een stukje brood en een paar vruchten te eten, zonder echter op te houden te letten op den man, wiens moeilijke ademhaling de laatste oogenblikken iets regelmatiger scheen te worden. En eerst te Ruffec, dat men om drie uur passeerde, werden de avondmetten van de Heilige Maagd gebeden.

“Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix.”

“Ut digni efficiamur promissionibus Christi”7.

Toen het gebed geëindigd was, zeide mijnheer Sabathier, die naar de kleine Sophie gekeken had, toen zij haar schoenen en kousen weer aantrok, tegen mijnheer de Guersaint:

“Het geval van dit kind is buiten eenigen twijfel zeer interessant. Maar het is eigenlijk nog niets, er zijn nog veel sterker gevallen… Kent u het verhaal van Pierre de Rudder, een Belgisch werkman?”

Allen waren weer gaan zitten om te luisteren.

“Die man had door een val zijn been gebroken. Na acht jaar waren de twee deelen van het been nog niet samengegroeid; je zag de beide einden diep in een open, steeds etterende wonde; het been hing slap en krachteloos en kon in alle richtingen gedraaid en gekeerd worden… Welnu, bij hem was het voldoende om een glas van het wonderdoende water te drinken en zijn been was plotseling genezen. Hij kon weer zonder krukken loopen en de dokter heeft tegen hem gezegd: “Je been is als dat van een pasgeboren kind!” Precies! Een heel nieuw been!”

Niemand sprak een woord; er werden slechts blikken van verrukking gewisseld.

“En zoo,” ging mijnheer Sabathier voort, “zoo is het ook met het verhaal van Louis Rouriette, een steenhouwer, een der eerste wonderen van Lourdes. Kennen jullie het niet?… Hij was bij een mijnontploffing gewond. Zijn rechteroog was heelemaal verloren, terwijl het linker ook die kans liep… Welnu, op een goeden dag laat hij zijn dochter een flesch van het modderige water uit de bron, die toen nog nauwlijks sprong, halen. Met dat modderige water waschte hij zijn oog en bad daarbij vurig. Hij stiet een gil uit, hij zag, mijnheer, hij zag even goed als u en ik… De dokter, die hem behandelde, heeft er een zeer uitvoerige verhandeling over geschreven, er is geen twijfel mogelijk.”

“Het is wonderbaar,” mompelde mijnheer de Guersaint in extase.

“Wilt u nog een ander voorbeeld, mijnheer? Ik bedoel dat heel bekende van François Macary, den schrijnwerker uit Lavaur. Achttien jaar lang had hij in het binnengedeelte van zijn linkerbeen een diep aderspatachtig gezwel met een belangrijke verstopping van het cellenweefsel. Hij kon zich niet meer bewegen, de wetenschap had hem geheel en al opgegeven… Daar sluit hij zich op een goeden avond op met een flesch water uit Lourdes. Hij neemt het verband weg, wascht zijn beide beenen en drinkt de rest van de flesch leeg. Dan gaat hij naar bed en valt in slaap; en wanneer hij wakker wordt, bevoelt hij zich, kijkt: niets meer! De aderspat, de gezwellen, alles verdwenen… De huid van de knie was zoo zacht en frisch geworden, als zij met twintig jaar zijn moet.”

Ditmaal volgde er een uitbarsting van verbazing en bewondering. De zieken en de pelgrims betraden het tooverland van het wonder, waar het onmogelijke bij iedere kromming van den weg zich voltrekt, waar men van wonder tot wonder schrijdt. En ieder van hen had een geschiedenis te vertellen, brandde van verlangen zijn bewijs te geven, zijn hoop te rechtvaardigen door een voorbeeld.

Madame Maze, die tot nog toe geen woord gezegd had, geraakte zoo in geestdrift, dat zij het eerst vertelde.

“Ik heb een vriendin, die de weduwe Rezan gekend heeft, de vrouw, wier genezing indertijd zooveel opzien gewekt heeft… Sedert vier-en-twintig jaar was haar geheele linkerzijde verlamd. Alles wat zij at, gaf zij weer terug, zij was niet veel meer dan een levenlooze massa, die je in haar bed omkeeren moest, en langzamerhand had het wrijven van de lakens haar huid afgescheurd… Op een avond zeide de dokter, dat zij den volgenden ochtend niet meer halen zou. Twee uur later ontwaakt zij uit haar verdooving en vraagt zij met een zwakke stem aan haar dochter, voor haar een glas water uit Lourdes bij een buurvrouw te gaan halen. Maar eerst den volgenden ochtend kon zij het krijgen en riep: “Lief kind, ik drink het leven! Wasch mijn gezicht, mijn arm, mijn been, mijn heele lichaam!” En naar mate het kind dat deed, zag zij de groote gezwellen slinken, de verlamde ledematen hun lenigheid en hun natuurlijk aanzien terugkrijgen… Dat is echter niet alles: madame Rezan riep, dat zij genezen was, dat zij honger had, dat zij brood en vleesch wilde, zij, die in geen vier-en-twintig jaar gegeten had. En zij stond op en kleedde zich aan, terwijl haar dochter aan de buurvrouwen, die, toen zij haar zoo van streek zagen, dachten, dat zij een wees was, riep: “Neen, neen, moeder is niet dood, moeder is weer opgestaan!””

Tranen waren madame Vincent in de oogen gekomen. Lieve God! Als zij ook Rose zoo kon zien opstaan en eten en loopen! Een ander geval van een jong meisje, dat zij te Parijs gehoord had en dat veel bijgedragen had tot haar besluit, om met de kleine zieke naar Lourdes te gaan, kwam weer bij haar op.

“Ik ken ook de geschiedenis van een verlamde, Lucie Druon, die in een weeshuis was en zelfs in haar jeugd al niet meer kon knielen. Haar ledematen waren tot hoepels vergroeid; haar rechterbeen was veel korter en had zich ten slotte over het linker gerold; en wanneer een van haar vriendinnetjes haar droeg, zag men haar voeten als dood in de lucht slingeren… En het mooie van het geval is, dat zij niet eens naar Lourdes geweest is. Zij heeft alleen een novene8 gehouden; maar zij heeft gedurende die negen dagen gevast en haar begeerte om beter te worden was zoo vurig, dat zij zelfs de nachten in gebed doorbracht… Toen zij eindelijk den negenden dag een weinig water uit Lourdes dronk, voelde zij eensklaps in haar beenen een hevigen schok. Zij stond op, viel neer, stond weer op en liep. Al haar vriendinnetjes riepen verbaasd, verschrikt bijna: “Lucie loopt! Lucie loopt!” En het was waar, haar beenen waren in enkele seconden recht, gezond en sterk geworden. Zij ging de binnenplaats over, toen naar de kapel, waar de geheele gemeente in dankbare geestdrift het Magnificat zong… Het lieve kind, wat zal zij gelukkig geweest zijn!”

Nu stroomden de tranen van haar wangen op het bleeke gezicht van haar dochtertje, dat zij met hartstochtelijke kussen bedekte.

De geestdrift nam nog steeds toe, de verrukte vreugde over deze mooie verhalen, waarin de hemel telkens weer over de menschelijke realiteit triompheerde, bracht die kinderzielen in zulk een extase, dat zelfs de ergste zieken zich op hun beurt oprichtten, om wat te vertellen. En achter ieder verhaal verborg zich het voortdurend bezig zijn met zijn eigen kwaal, het vertrouwen, dat die genezen zou, omdat een dergelijke ziekte door den goddelijken adem als een booze droom verdreven was.

“O,” stamelde madame Vêtu met een van pijn vertrokken mond; “er was er een, Antoinette Thardivail, wier maag evenals de mijne door kanker weggevreten werd. Je zoudt gedacht hebben, dat honden haar wegvraten en soms werd zij nog dikker dan een kinderhoofd. Gezwellen zoo groot als kippeneieren groeiden er in, zoodat zij acht maanden lang bloed gespuwd had… Zij was, omdat zij niets meer eten kon, gewoon vel over been, en zij was op het punt te sterven, toen zij water uit Lourdes dronk en zich daarmede de maagholte liet wasschen. Drie minuten later vond de dokter, die haar den vorigen avond stervend en bijna geen adem meer halend verlaten had, haar bij het vuur zitten, juist toen zij zich trakteerde op een malsch kippenvleugeltje. Zij had geen gezwellen meer, zij lachte als op haar twintigste jaar, haar gezicht had weer den stralenden glans der jeugd… O, te kunnen eten waar je trek in hebt, weer jong te worden en geen pijn meer!”

“En de genezing van zuster Julienne dan!” zeide la Grivotte, die zich op haar elleboog had opgericht en wier oogen gloeiden van koorts. “Net als bij mij was het bij haar met een zware kou begonnen; daarna is zij begonnen bloed te spuwen. Ieder half jaar stortte zij weer in en moest zij het bed houden. De laatste maal was het heel duidelijk te zien, dat zij niet meer op zou staan. Tevergeefs had zij allerlei middelen geprobeerd: jodium, trekpleisters, brandpiqures enz. Kort en goed, een echte teringlijdster, zooals trouwens zes doktoren verklaard hadden… Enfin, zij komt te Lourdes, maar God weet onder welke pijnen! Te Toulouse dacht men een oogenblik, dat zij sterven zou. De zusters droegen haar in haar armen. Bij den vijver wilden de dames der Hospitalité haar niet baden. Het was een doode… Maar ten slotte hebben zij haar toch uitgekleed en haar bewusteloos en met zweet bedekt ondergedompeld; zij haalden er haar zoo bleek uit, dat men haar dadelijk op den grond legde, zoo vast was men er van overtuigd, dat het nu werkelijk met haar gedaan was. Plotseling kwam er een kleur op haar wangen, haar oogen gingen open en zij haalde krachtig adem. Zij was genezen, zij heeft zich alleen aangekleed, en, na in de Grot de Heilige Maagd gedankt te hebben, flink gegeten. Nu, dat was toch een teringlijdster, en toch in een handomdraaien radicaal genezen!”

Toen wilde broeder Isidore wat vertellen, maar hij kon niet; met de grootste moeite zeide hij tegen zijn zuster:

“Marthe, vertel jij het verhaal van zuster Dorothée eens, dat de pastoor van Saint-Sauveur ons gedaan heeft.”

“Zuster Dorothée,” begon de boerin verlegen, “stond op een ochtend met een gezwollen been op; van af dat oogenblik kon zij het been, dat koud en zwaar als een steen werd, niet meer gebruiken. Bovendien had zij vreeselijke pijnen in haar rug. De dokters begrepen er niets van. Zij heeft er wel een stuk of zes om raad gevraagd, die met naalden diep in haar vleesch prikten en haar allerlei geneesmiddelen gaven. Maar zij hadden net zoo goed niets kunnen doen… Zuster Dorothée begreep heel goed, dat alleen de Heilige Maagd haar zou kunnen genezen, en dus gaat zij naar Lourdes en laat zich in den vijver onderdompelen. Eerst dacht zij te zullen sterven, zoo koud was het. Doch toen werd het zoo zacht, dat zij het lauwwarm begon te vinden en lekker als melk. Nooit had zij zoo iets heerlijks gevoeld; haar aderen gingen open en het water stroomde erin. U begrijpt, het leven keerde in haar terug van af het oogenblik, dat de Heilige Maagd zich over haar erbarmde… Zij had in het geheel geen pijn meer, wandelde, at ’s avonds een heele duif en sliep den heelen nacht als een roos. Lof aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid aan de machtige Moeder en haar goddelijken Zoon!”

Ook Elise Roquet had graag een wonder, dat zij kende, verteld, maar met haar misvormden mond sprak zij zoo slecht, dat zij nog niet aan de beurt had kunnen komen. Er volgde nu echter een stilte, waarvan zij gebruik maakte; zij schoof den sluier, die haar afzichtelijke wond verborg, wat ter zijde:

“O, wat ik weet is niet zoo zeer een ernstige ziekte, maar het is zoo grappig… Het betreft een zekere Célestine Dubois, die bij het inzeepen van de wasch een naald in haar hand gekregen had. Zeven jaar had zij dat ding er al in, geen dokter kon het eruit krijgen. Haar hand was heelemaal samengetrokken, zoodat zij die niet meer open kon maken… Zij gaat naar Lourdes en steekt haar hand in het water. Maar gillend trekt zij die er dadelijk weer uit. Met geweld doet men er die hand weer in, houdt die erin, terwijl zij maar blijft gillen en met zweet overdekt is. Driemaal dompelt men haar erin, en iederen keer zíet men de naald zich voortbewegen, tot hij door den duim naar buiten komt… Dat zij zoo gilde, kwam natuurlijk omdat die naald door het vleesch wandelde, alsof iemand eraan getrokken had, om hem eruit te halen… Célestine heeft nooit pijn meer gehad, alleen bleef er aan haar hand een klein litteeken, alleen om het werk der Heilige Maagd te kunnen laten zien.”

Deze anecdote had nog meer uitwerking dan de wonderen der groote genezingen. Een naald, die wandelde, alsof iemand hem voortgeduwd had. Dat bevolkte het onzienlijke, bewees, dat iedere zieke zijn eigen schutsengel achter zich had, bereid hem op een teeken des hemels te helpen. En dan, hoe aardig en kinderlijk was het, die naald, die, na zeven jaar te zijn blijven zitten, in het wonderwater wegging. En allen lachten van pleizier, straalden van geluk, dat voor den hemel niets onmogelijk was, dat zij allen, wanneer de hemel het wilde, weer gezond, jong en krachtig zouden worden. Geloof en vurige gebeden waren voldoende om de natuur het zwijgen op te leggen en het ongelooflijke werkelijkheid te doen worden. Ten slotte hing het dus eigenlijk van het geluk af, want de hemel scheen te kiezen.

“O, vader, wat is dat alles mooi!” fluisterde Marie, die tot nog toe stom van aandoening geluisterd had. “Herinnert u zich nog, wat u mij zelf verteld hebt van die Joachine Dehaut, die uit België gekomen was en met haar lam en met zweren bedekt been, dat zoo kwalijk riekte, dat niemand het uithouden kon, heel Frankrijk doorgeloopen had… Eerst werden de zweren genezen: je kon in haar knie knijpen, zonder dat ze iets voelde, er bleef alleen maar een roode vlek achter. Dan kwam de ontwrichting aan de beurt. In het water gilde zij, het scheen haar toe, alsof men haar beenderen brak, haar been afrukte; en te zelfder tijd zagen zij en de vrouw, die haar baadde, den misvormden voet zich weer recht uitstrekken met de regelmaat van een wijzer, die over een wijzerplaat loopt. Het been stond weer goed, de spieren ontspanden zich, de knie strekte zich weer, en dat alles onder zoo hevige pijnen, dat Joachine in zwijm gevallen was. Maar toen zij weer tot zichzelf kwam, sprong zij recht en flink op, om haar krukken naar de Grot te brengen.”

Ook mijnheer de Guersaint lachte verrukt over het wonder en bevestigde met een gebaar dit verhaal, dat hij van een pater van Maria Hemelvaart had gehoord. Hij zou, zeide hij, twintig dergelijke gevallen, het een al treffender en wonderbaarlijker dan het andere, kunnen vertellen. Hij riep daarbij Pierre tot getuige, en deze, die niet geloofde, schudde alleen maar zijn hoofd. In den beginne had hij, daar hij Marie geen verdriet wilde doen, getracht afleiding te zoeken door te kijken naar de landerijen, de boomen en de huizen, die voorbij vlogen. Zij waren nu Angoulême voorbij, weiden en lange rijen populieren gleden in razende vaart langs hem heen. Ongetwijfeld had men geen vertraging, want de trein, die met volle stoom reed, verslond onder het onweer in den in vuur staanden hemel den eenen kilometer na den anderen. En ondanks zichzelf hoorde Pierre telkens brokstukken van een verhaal en interesseerde hij zich voor die extravagante geschiedenissen, die de harde schokken der wielen in slaap wiegden, alsof de locomotief, aan zichzelf overgelaten, hen allen gevoerd had naar het goddelijke land der droomen. Ze rolden voort, rolden steeds maar voort, en ten slotte keek hij niet meer naar buiten, maar gaf hij zich geheel over aan den invloed van de zware, slaapwekkende atmosfeer in den wagon, waarin de extase, die ver weg was van de werkelijke wereld, die zij in zoo snelle vaart doorijlden, steeds grooter werd. Het met nieuw leven bezielde gezicht van Marie vervulde hem met groote vreugde. Hij liet zijn hand, die zij genomen had, om hem door een innigen druk al het vertrouwen, dat in haar herleefde, te zeggen, in de hare. Waarom zou hij, die toch haar genezing wilde, haar ontmoedigd hebben door zijn twijfel? Dan hield hij met eindelooze liefde de kleine klamme ziekenhand in de zijne; vervuld met broederlijk medelijden, wilde hij aan erbarming, aan een hoogere genade, die den radeloozen smarten bespaart, gelooven.

“O Pierre,” herhaalde zij, “wat is het mooi! En welk een glorie, als de Heilige Maagd zich verwaardigt zich over mij te ontfermen… Geloof je heusch, dat ik dat waardig ben?”

“Zeker,” riep hij uit, “jij bent de beste en de reinste, een sneeuwwitte ziel, zooals je vader daareven ook zeide, er zijn in het paradijs geen goede engelen genoeg, om je als eerewacht te dienen.”

Maar de verhalen waren nog niet ten einde. Zuster Hyacinthe en madame de Jonquière vertelden nu al de wonderen, die zij kenden, de lange reeks wonderen, die sedert meer dan dertig jaar te Lourdes opbloeiden als de ononderbroken rijkdom van rozen aan den mystieken rozenstruik. Men telde ze bij duizenden en ieder jaar ontloken er nieuwe in het weelderige groen van een wonderbaarlijken wasdom. De zieken, die in een toenemende koortsachtige opwinding naar die wonderen luisterden, waren de kleine kinderen, die, na het hooren van een mooi sprookje, er nog een willen, en nog een en nog een. Ja, nog meer, steeds meer verhalen, waarin de booze werkelijkheid bespot, de onrechtvaardige natuur afgeranseld wordt, waarin de goede God optreedt als de laatste en grootste genezer, die lacht om de wetenschap en naar zijn willekeur geluk geeft.

Eerst waren het de dooven en stommen, die weer hoorden en spraken: Aurélie Bruneau, die, daar haar trommelvlies gescheurd was, ongeneeslijk was, en plotseling verrukt werd door de hemelsche klanken van een harmonium; Louise Pourchet, die na vijf-en-twintig jaar stom geweest te zijn, plotseling, terwijl zij vóór de Grot bidt, uitroept: “Wees gegroet, Maria!”; en anderen, honderden anderen, die radicaal genezen werden, allen door een paar druppels water in hun oor of op hun tong te druppelen. Dan kwamen de blinden: pater Hermann, die voelde, hoe de zachte hand der Heilige Maagd den sluier, dien hij voor zijn oogen had, wegnam; mademoiselle de Pontbriant, die beide oogen zoo goed als verloren had en die, ten gevolge van een eenvoudig gebed een beter gezichtsvermogen dan ooit krijgt; een ander nog, een jongen van tien jaar, wiens pupillen op marmeren knikkers geleken, en die in drie seconden weer heldere en diepe oogen kreeg, waarin de engelen schenen te glimlachen. Maar het meest kwamen toch lammen voor, de ongelukkigen, die het gebruik van hun beide beenen moesten missen en op hun ziekbed lagen, en tegen wie de Heer zeide: “Sta op en wandel!” Delaunoy, kreupel, geschroeid, gebrand, vijftien maal opgenomen in de Parijsche hospitalen, waaruit hij de overeenstemmende diagnosen van twaalf doktoren medebrengt, voelt, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, een kracht in zich, die hem opricht, en begint met gezonde beenen de processie te volgen. De veertienjarige Marie-Louise Delpon, wier verlamming haar beenen stijf gemaakt, haar handen krampachtig samengetrokken, haar mond misvormd had, ziet haar ledematen zich ontspannen, de misvorming van haar mond verdwijnen, alsof een onzichtbare hand de verschrikkelijke banden, die haar misvormden, doorsneed. Marie Vachier, die zeventien jaar lang door paraplegie9 aan haar fauteuil gekluisterd, loopt en springt niet alleen, als zij uit den vijver komt, maar ziet zelfs geen spoor meer van de wonden, waarmede haar lichaam door het lange, onbeweeglijke liggen overdekt was. Georges Hanquet, die aan ruggemergverweeking leed en totaal gevoelloos was, wordt plotseling van een met den dood worstelende een gezond man. Léonie Charton, die aan dezelfde ziekte leed en wier wervels een grooten vooruitspringenden hoek vormden, voelt de verlamming van haar ruggegraat als bij tooverslag verdwijnen, terwijl haar beenen, nieuwe en krachtige beenen, zich weer recht strekken.

Dan kwamen nog allerlei andere kwalen aan de beurt. In de eerste plaats ziekten van klierachtigen aard, waarbij eveneens beenen, die hun dienst geweigerd hadden, tot nieuw leven gewekt worden. Marguérite Géhier, die zeventien jaar lang aan heupjicht geleden had, wier heup door de ziekte geheel was weggevreten en wier rechterknie verlamd was, valt plotseling op haar knieën, om de Heilige Maagd voor haar genezing te danken; Philomène Simonneau, een jong meisje uit de Vendée, wier linkerbeen drie verschrikkelijke open wonden had, waarin de aangevreten beenderen, die bloot lagen, splinters lieten vallen, zag plotseling haar beenderen, haar vleesch en haar huid als nieuw worden. Dan volgden de waterzuchtigen: madame Ancelin, wier voeten, handen en heele lichaam plotseling geslonken waren, zonder dat men wist waarheen dit water weggevloeid was; mademoiselle Montagnon, wie men meermalen twee-en-twintig liter water had afgetapt, en die, toen zij opnieuw opgezwollen was, weer slonk, door het aanbrengen van een in de wonderbron nat gemaakt compres, zonder dat men in het bed of op den grond water terugvond. Eveneens houdt geen enkele maagziekte stand, alle verdwijnen bij het eerste glas. Zoo kreeg Marie Souchet, die zwart bloed spuwde en die zoo uitteerde, dat zij ten slotte niet meer dan een geraamte was, in twee dagen haar vorig gewicht terug. Marie Jarland, die door het bij vergissing drinken van loog haar maag verbrand had, voelde de tumoren, die daar het gevolg van geweest waren, verdwijnen. Trouwens de grootste tumoren gaan in den vijver weg, zonder het minste spoor achter te laten. Maar wat nog wonderbaarlijker is: zweren, kankergezwellen, de meest afzichtelijke wonden worden door een ademtocht van boven genezen. Een Jood, een tooneelspeler, wiens hand door een zweer weggevreten werd, behoefde die slechts in het water te steken, om genezen te worden. Een jonge, schatrijke vreemdeling, aan wiens rechter polsgewricht zich een lupus, zoo groot als een kippenei, gevormd had, zag die verdwijnen. Rose Duval, die ten gevolge van een etterbuil in haar linkerelleboog een groot gat had, waarin men een noot kon leggen, zag het nieuwe vleesch, dat die wond heelde, aangroeien. De weduwe Fromond, wier lip half weggevreten was door een kankergezwel, behoefde zich slechts te laten afwasschen, en er was zelfs geen naad van het litteeken te zien. Marie Moreau, die vreeselijk leed door borstkanker, ging, nadat zij op de wond een in Lourdes-water gedrenkt compres gelegd had, slapen; en toen zij twee uur later wakker werd, was de pijn verdwenen, de wond toegetrokken.

Ten slotte vertelde zuster Hyacinthe de radicale genezingen van tering. Dat zette de kroon op het werk. De vreeselijke ziekte, die verwoestingen aanrichtte onder de menschheid, die de ongeloovigen de Heilige Maagd tartten om te genezen, genas zij toch, zeide men, door één enkele beweging van haar pink. Honderden gevallen, het eene al wonderbaarlijker dan het andere, volgden elkaar op. Marguerite Coupel, die drie jaar aan tering leed, en wier longtoppen door de tuberkels waren weggevreten, staat op en gaat, stralend van gezondheid, weg. Madame de la Rivière, die bloed spuwt, steeds met koud zweet overdekt is, en wier nagels reeds een blauwe kleur aangenomen hebben, behoeft, wanneer zij op het punt staat haar laatsten adem uit te blazen, slechts een lepel vol water, dat men haar tusschen de tanden giet, te drinken, en onmiddellijk houdt het rochelen op; zij gaat zitten, bidt de litanieën mede en vraagt om bouillon. Julie Jadot had vier lepels noodig, maar zij kon haar hoofd ook niet meer recht houden, terwijl zij bovendien zoo’n zwak gestel had, dat de ziekte haar opgelost scheen te hebben; binnen enkele dagen was zij heel dik. Anna Catry, die tering in den ergsten graad had en wier linkerlong reeds half weggeteerd was, wordt, tegen alle regelen der kunst in, vijfmaal ondergedompeld in het koude water, en zij is genezen, de long weer gezond. Een andere, een jonge teringlijdster, die door vijftien geneesheeren was opgegeven, was toevallig in de Grot neergeknield en ten hoogste verbaasd zoo door een gelukkig toeval genezen te zijn; zij was ongetwijfeld juist gekomen op het oogenblik, dat de Heilige Maagd in haar erbarming het wonder uit hare onzichtbare handen vallen laat.

Wonderen, wonderen, steeds meer! Als droombloemen regenen zij uit een helderen, zachten hemel. Er waren er treffende, er waren er kinderlijke onder. Een oude vrouw, die haar verlamde hand in geen dertig jaar had kunnen bewegen, wascht zich en maakte het teeken des kruises. Zuster Sophie, die blafte als een hond, springt in het water en komt er uit, terwijl zij met een heldere stem een loflied zingt. Mustapha, een Turk, roept de Witte Vrouw aan en krijgt het gebruik van zijn linkeroog terug door er een compres op te leggen. Een officier der Turco’s werd bij Sedan beschermd, een kurassier uit Reichshoffen zou gesneuveld zijn door een kogel in zijn hart, als die kogel, welke zijn portefeuille reeds doorboord had, niet afgestuit was op een beeltenis van Notre-Dame de Lourdes. En de kinderen, de arme kleinen, die lijden, vinden ook genade in haar oogen; een jongetje van vijf jaar, dat lam was, werd ontkleed en vijf minuten onder den kouden straal der fontein gehouden; hij staat op en loopt; een ander van vijftien jaar, die in zijn bed slechts dierlijke kreten uitstiet, springt uit den vijver en roept uit, dat hij genezen is; nog een ander van twee jaar, die nog nooit geloopen had, bleef een kwartier in het koude water, en doet dan vroolijk en glimlachend zijn eerste stappen. En allen, zoowel de grooten als de kleinen, leden hevige pijnen, terwijl het wonder zich voltrok, want het herstel kan niet geschieden zonder een geweldigen schok van de geheele menschelijke machine: de beenderen vernieuwden zich, het vleesch groeide aan, de kwaal werd in een laatste stuiptrekking uitgedreven. Maar welk een gevoel van welbehagen daarna! De geneesheeren geloofden hun oogen niet, de verwondering werd bij iedere genezing grooter, wanneer zij hun zieken zagen loopen, en met een waren geeuwhonger eten. Al die uitverkoren, al die genezen vrouwen liepen drie kilometer ver, zetten zich voor een kip aan tafel en sliepen dan twaalf uur aan één stuk door. Van een gewoon herstel geen sprake; het was een plotselinge sprong van den doodsstrijd in de volle gezondheid met nieuw gevormde ledematen, dichtgetrokken wonden, op hun plaats teruggebrachte organen, en dat alles met de snelheid van een bliksemstraal. Met de wetenschap werd gelachen, men nam zelfs de meest eenvoudige voorzichtigheidsmaatregelen niet in acht: vrouwen baadden in ieder gedeelte der maand, teringlijders werden, al waren zij met zweet bedekt, ondergedompeld in het ijskoude water, wonden liet men gewoon veretteren zonder eenige antiseptische behandeling. En welk een jubelgezang steeg op bij ieder wonder, welke kreten van dankbaarheid en liefde! De door het wonder geredde valt op haar knieën, alle omstanders weenen, bekeeringen vinden plaats, protestanten en joden omhelzen het Katholicisme, als nieuwe wonderen van het geloof, waarbij de hemel triompheert. De inwoners van het dorp wachtten in menigte de door het wonder geredde bij haar terugkomst op, terwijl de klokken haar jubeltoon doen hooren; en wanneer men haar lenig uit het rijtuig ziet springen, klinken luide vreugdekreten en vreugdesnikken, wordt het Magnificat aangeheven. Eer aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid en liefde aan de Moeder Gods!

Want van al die verwezenlijkte verwachtingen, van al die vurige dankzeggingen was de dankbaarheid jegens de zeer kuische Moeder, de bewonderenswaardige Moeder het voornaamste. Zij was de groote hartstocht van alle zieken, de genadige Maagd, de Spiegel der rechtvaardigheid, de Troon der wijsheid. Aller handen strekten zich uit naar haar, de mystieke Roos in de schaduw der kapellen, den ivoren Toren aan den horizont der droom, de Poort des hemels, die uitkomt in de eeuwigheid. Van af het aanbreken van iederen nieuwen dag straalt zij, als de heldere Ster van den morgen, blijde door jonge hoop. En is zij niet de Gezondheid der zieken, de Toevlucht der zondaren, de Troosteresse der bedroefden? Frankrijk was steeds haar lievelingsland geweest, waar men haar vurig vereerde als vrouw en moeder en zij zich zoo gaarne openbaarde aan jonge herderinnetjes. Zij was zoo lief voor de kleinen! Zij hield zich voortdurend met hen bezig, men wendde zich daarom zoo graag tot haar, omdat men wist, dat zij de bemiddelaarster tusschen hemel en aarde was. Iederen avond weende zij gouden tranen voor de voeten van haar goddelijken Zoon, om van hem genade te verwerven; dat waren de wonderen, die Hij haar toestond te wrochten, dat mooie, in bloei staande veld van wonderen, welriekend als de rozen van het paradijs, zoo heerlijk van kleurenpracht en geur.

De trein rolde voort. Ze waren nu—het was zes uur—Coutras voorbij. Zuster Hyacinthe stond op, klapte in de handen en riep:

“Het Angelus, kinderen!”

Nooit waren de Ave’s in een vuriger geloof, dat nog aangewakkerd werd door de brandende begeerte om door den hemel vertroost te worden, opgestegen. En toen kreeg Pierre plotseling het ware inzicht in deze bedevaarten, in deze treinen, die door de geheele wereld rolden, in al die samenstroomende menschenmassa’s, in Lourdes, dat daar in de verte straalde als het heil voor lichaam en ziel. O, de jammerlijke ongelukkigen, die hij nu sedert van ochtend zag reutelen en steunen van pijn, hun armzalige lichamen zag blootstellen aan de vermoeienis van zoo’n reis. Zij waren allen veroordeeld en opgegeven door de wetenschap, waren het moede nog langer geneesheeren te raadplegen en zich te laten kwellen door niets uitwerkende geneesmiddelen! En hoe begrijpelijk was het, dat zij in hun vurige begeerte om nog verder te leven en zich niet kunnende onderwerpen aan de onrechtvaardige en voor hun lijden onverschillige natuur, zich overgaven aan den droom van een bovenaardsche macht, van een almachtige godheid, die misschien in hun belang de vastgestelde wetten zou opheffen, den loop der sterren veranderen, terugkomen op zijn schepping. Hadden zij dan God niet, wanneer de aarde hen in den steek liet? De werkelijkheid was voor hen te vreeselijk, een oneindig verlangen naar illusie en leugen werd in hen wakker. O, te kunnen gelooven, dat er ergens een opperste gerechtsheer is, die de ongerechtigheden van menschen en dingen herstelt; te kunnen gelooven, dat er een verlosser bestaat, een trooster, die de heer en meester is, die de stroomen naar hun bron kan doen terugvloeien, jeugd kan teruggeven aan grijsaards, dooden kan opwekken! Te kunnen gelooven, wanneer je overdekt bent met wonden, je beenen verlamd zijn, je buik opgezwollen van tumoren, je longen door tuberkels weggevreten zijn, dan te kunnen gelooven, dat dat er niet op aan komt, dat dat alles kan verdwijnen en opnieuw ontstaan kan op een teeken der Heilige Maagd, en dat het voldoende is te bidden, haar te ontroeren, om van haar de genade te verkrijgen uitverkoren te worden. En dan, welk een hemelsche springbron van heerlijke verwachtingen, wanneer de wonderbare stroom begint te vloeien van die prachtige genezingsverhalen, van die bekoorlijke feeënsprookjes, die de koortsachtig opgewonden verbeeldingskracht van zieken en zwakken in slaap wiegen en bedwelmen. Hoe begreep men, sedert de kleine Sophie Couteau met haar blank, genezen voetje in dien wagon gekomen was en den grenzenloozen hemel van het goddelijke en bovennatuurlijke geopend had, hoe begreep men nu den ademtocht van wonderbare opstanding, die langzamerhand de meest radeloozen van hun jammerbed oprichtte, aller oogen deed stralen, daar het leven voor hen nog mogelijk was en zij het misschien opnieuw zouden beginnen!

Ja, zoo was het. Dat deze jammervolle trein voortrolde, steeds voortrolde, dat deze wagon vol was, dat de andere vol waren; dat Frankrijk en de wereld, van uit de verste hoeken der aarde, door dergelijke treinen doorstoomd werd; dat scharen van driehonderd duizend geloovigen, duizenden zieken met zich voerend, het eene jaar in, het andere uit zich in beweging zetten; dat alles geschiedde, omdat daar in de verte de Grot in haar glorie straalde als een vuurtoren van hoop en illusie, als de opstand en de triomf van het onmogelijk geachte over de onverbiddelijke materie. Nooit was een meer passionneerende roman geschreven om de zieken te verheffen boven den harden en wreeden levensstrijd. Dien droom te droomen was het groote, onuitsprekelijke geluk. De paters van Maria Hemelvaart hadden slechts daarom jaarlijks het succes van hun bedevaarten grooter zien worden, omdat zij aan de toegestroomde volkeren troost en leugen verkochten, dat heerlijke brood der hoop, waarnaar de lijdende menschheid eeuwig hongert, een honger, dien nooit iets stillen kan. En niet alleen de lichamelijke wonden, die om genezing riepen, neen het geheele moreele en intellectueele zijn schreeuwde zijn leed uit in een onverzadigbare dorst naar genezing. Gelukkig zijn, de zekerheid van zijn leven stellen in het geloof, tot aan zijn dood steunen op dien krachtigen en betrouwbaren reisstaf, dat was de wensch, die uit aller harten opsteeg, die alle moreele smarten deed nederknielen in een smeeken om voortzetting der genade, om bekeering der dierbaren, om het geestelijk heil van zichzelf en van hen, die men liefheeft. De luide kreet plantte zich voort, rees op, vulde de ruimte: gelukkig zijn voor eeuwig, in het leven en in den dood.

En Pierre had wel gezien, hoe al die lijdenden, die hem omringden, het schokken van de wielen niet meer voelden, hun krachten terugvonden bij iederen verslonden kilometer, die hen dichter bij het wonder bracht. Madame Maze zelfs werd spraakzaam in de zekerheid, dat de Heilige Maagd haar haar man zou teruggeven. Madame Vincent wiegde glimlachend de kleine Rose, die zij heel wat minder ziek vond dan die half doode kinderen, welke men in het ijskoude water dompelde en die dan speelden. Mijnheer Sabathier schertste met mijnheer de Guersaint en zeide, dat hij in October, wanneer hij zijn beenen weer zou kunnen gebruiken, naar Rome zou gaan, een reis, die hij al vijftien jaar uitgesteld had. Madame Vêtu, die eveneens kalmer geworden was, ook al deed haar maag nog wat pijn, dacht, dat zij honger had en vroeg aan madame de Jonquière een paar beschuitjes voor haar in een glas melk te doopen, terwijl Elise Rouquet, haar open wond vergetend, haar sluier weggeslagen had en een tros druiven at. La Grivotte, die op was gaan zitten, en broeder Isidore, die niet langer kreunde, waren ten gevolge van die mooie verhalen nog zoo opgewonden, dat zij in hun ongeduldig verlangen naar genezing zich over ieder uur uitstel ongerust maakten. Zelfs de onbekende keerde, al was het dan ook maar voor één minuut, tot het leven terug. Toen zuster Hyacinthe weer eens het koude zweet van zijn voorhoofd veegde, sloeg hij zijn oogen op, terwijl een glimlach zijn gelaat deed oplichten. Nog eenmaal had hij gehoopt.

Marie hield nog steeds in haar kleine klamme hand de hand van Pierre. Het was zeven uur, eerst om half acht zouden ze in Bordeaux zijn; en de trein, die te laat was, verhaastte, om de verloren minuten in te halen, meer en meer zijn vaart in een dolzinnige snelheid. Het onweer had uitgewoed, een zuivere, reine koelheid viel uit den wijden, helderen hemel.

“O, Pierre, wat is het mooi, wat is het mooi,” herhaalde Marie weer, terwijl zij vol teederheid en liefde zijn hand drukte.

En zich naar hem vooroverbuigend, fluisterde zij:

“Pierre, ik heb daareven de Heilige Maagd gezien en toen heb ik jouw genezing gevraagd en verkregen.”

De priester begreep haar en geraakte geheel van streek door de oogen vol goddelijk licht, die zij op de zijne richtte. Zij had zichzelf vergeten, zij had zijn bekeering gevraagd, en dit gebed om geloof, dat zoo rein uit dit lijdende en hem zoo dierbare wezen opgestegen was, roerde hem tot in het diepst van zijn ziel. De verstikkende hitte van den wagon had hem verdoofd, het zien van die daarin opgehoopte ellende deed zijn medelijdend hart bloeden. En de besmetting liet haar werking gevoelen; hij wist niet meer, waar het werkelijke en het mogelijke ophielden, was niet in staat te midden van die opeenhooping van verbijsterende feiten, de ware keuze te doen, sommige te verklaren, andere te verwerpen. Een oogenblik, juist toen weer een gezang hemelwaarts steeg, sleepte zijn obsessie hem mede, hij behoorde zichzelf niet meer toe, verbeeldde zich, in de duizelingwekkende vaart van dit onder vollen stoom rollende, steeds voortrollende hospitaal, weer geloovig te zijn.

V.

Inhoudsopgave

Na een oponthoud van enkele minuten, gedurende welke zij, die nog niet gegeten hadden, zich haastten om wat te koopen, verliet de trein Bordeaux. De zieken kregen telkens wat melk en hielden, evenals kleine kinderen, niet op steeds weer om melk te vragen. Zoodra de trein zich weer in beweging gezet had, klapte zuster Hyacinthe in haar handen.

“Kom, kinderen, voortgemaakt! Het avondgebed!”

Toen volgde bijna een kwartier lang een verward geprevel van Pater’s en Ave’s, een zelfonderzoek, een boetedoening, een algeheele overgave van zichzelf aan God, aan de Heilige Maagd en aan de Heiligen, een vurige dankzegging voor den gelukkig doorgebrachten dag, die met een gebed voor de levenden en gestorven geloovigen eindigde.

“In den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes… Amen!”

Het was tien minuten over achten, de avondschemering daalde reeds over het land, een uitgestrekte vlakte, die door de avondnevels nog grooter scheen en waarin in de verspreid staande huizen heldere vonkjes vriendelijk òplichtten. De pitten in den wagon flikkerden en wierpen een geel schijnsel op de stapels bagage en de pelgrims, die door de aanhoudende zigzagbeweging heen en weer geschud werden.

“Denkt eraan, kinderen,” begon zuster Hyacinthe, die was blijven staan, weer, “dat ik te Lamothe, ongeveer een uur verder, de nachtrust zal laten ingaan. Je hebt dus nog een uur om je aangenaam bezig te houden, maar weest verstandig en windt je niet te veel op. Maar goed begrepen, nietwaar? na Lamothe geen woord meer; ik wil, dat jullie allemaal slaapt.”

Zij moesten om die woorden lachen.

“Ja, dat is de regel, en jullie bent veel te verstandig, om niet te gehoorzamen!”

Werkelijk hadden zij vanaf den vroegen ochtend stipt het programma der godsdienstige oefeningen, die voor ieder uur vastgesteld waren, gevolgd. Nu alle gebeden opgezegd, de rozenkransen afgebeden, de liederen gezongen waren, was de dag geëindigd, bleef er nog een korte tijd van verpoozing voor de nachtrust. Maar zij wisten niet, wat zij doen moesten.

“Zuster,” zeide Marie, “zoudt u mijnheer den abbé niet willen toestaan ons wat voor te lezen. Hij leest prachtig, en ik heb toevallig een klein boekje bij mij, een mooi verhaal over Bernadette…”

Maar men liet haar niet uitspreken; allen schreeuwden door elkaar, onstuimig als kinderen, aan wie je belooft een mooi sprookje te vertellen.

“Hè ja, zuster! Hè ja, zuster!”

“Natuurlijk vind ik het goed,” zeide zuster Hyacinthe, “nu het een goed boek is.”

Pierre moest toestemmen, of hij wilde of niet. Maar hij wilde onder de lamp zitten en moest daarom van plaats omwisselen met mijnheer de Guersaint, die door de belofte van een verhaal al even verrukt was als de zieken. En toen de jonge priester eindelijk zat en het boekje opende, rekten aller halzen zich uit en spitsten zich aller ooren. Gelukkig had hij een duidelijke, heldere stem, kon hij boven het gedreun der wielen uitkomen, dat trouwens in deze eindelooze vlakte niet zoo hinderlijk meer was.

Maar alvorens te beginnen, keek Pierre het boekje in. Het was een van die kleine colportageboekjes, die door de Katholieke pers gedrukt en in grooten getale over de geheele Christenheid verspreid werden. Het was slecht gedrukt op goedkoop papier en had op den blauwen omslag een Notre-Dame de Lourdes, een naïef plaatje van stijve, onbeholpen gratie. Hij zou het, zonder zich te overhaasten, in een half uur kunnen uitlezen.

En Pierre begon met zijn mooie heldere stem, die een prettigen, doordringenden klank had:

“Het was te Lourdes, een klein stadje in de Pyrenaeën, op Donderdag 11 Februari 1858. Het weer was koud, de lucht lichtbewolkt. In het huis van den armen, maar fatsoenlijken molenaar François Soubirous hadden ze geen hout meer om het eten op te koken. Zijn vrouw Louise zeide tegen haar tweede dochter, Marie: “Ga wat hout halen aan den Gave of in het bosch.” De Gave is een bergriviertje, dat door Lourdes stroomt.

“Marie had een oudere zuster, Bernadette geheeten, die pas van het land teruggekomen was, waar zij als herderin bij brave boerenlieden gediend had. Het was een zwak, teer, heel onschuldig kind, wier geheele wetenschap hierin bestond, dat zij den rozenkrans af kon bidden. Louise was wegens de koude bang haar met haar zuster naar het bosch te zenden, maar op aandrang van Marie en een buurmeisje, Jeanne Abadie, liet zij haar toch gaan.

“De drie vriendinnetjes, die langs het beekje liepen, om dor hout te sprokkelen, kwamen bij een grot, die uitgehold was in een groote rots, die de bewoners van die streek Massabielle noemen…”

Hier gekomen hield Pierre op en liet het boekje op zijn knieën vallen. De kinderlijkheid van het verhaal, de conventioneele, nietszeggende zinnen hinderden hem, hem, die het volledige dossier van deze buitengewone geschiedenis in handen gehad, die hartstochtelijk de kleinste bijzonderheden ervan bestudeerd had, en die in zijn hart een innige liefde, een grenzenloos medelijden voor Bernadette koesterde. Hij had zooeven nog tegen zichzelf gezegd, dat hij de enquête, waarvoor hij vroeger zoo graag naar Lourdes had willen gaan, morgen aan den dag zou kunnen beginnen. Het was een van de redenen, die hem tot de reis hadden doen besluiten. En opnieuw ontwaakte zijn nieuwsgierigheid met betrekking tot de helderziende, die hij liefhad, omdat hij voelde, dat zij oprecht, waarheidlievend en ongelukkig was, maar wier geval hij had willen analyseeren en verklaren. Zeker, zij loog niet, zij had haar visioen gehad, zij had stemmen gehoord evenals Jeanne d’Arc, en evenals Jeanne d’Arc bevrijdde zij, volgens het zeggen der Katholieken, Frankrijk. Welke kracht was het nu, die haar en haar werk voortgebracht had? Hoe had het visioen bij dit ongelukkige kind kunnen ontstaan, hoe had zij alle geloovige zielen in zoo’n opwinding kunnen brengen, dat de wonderen der primitieve tijden zich hernieuwden en men bijna een nieuwen godsdienst stichtte in een heilige stad, plotseling met millioenen opgebouwd en overstroomd door menschenmassa’s, zóó in extase en zóó talrijk als men ze sedert de Kruistochten niet gezien had?

Toen hield hij op met lezen en vertelde hij, wat hij wist, wat hij geraden en opnieuw vastgesteld had van deze geschiedenis, nog altijd zoo duister ondanks de stroomen inkt, die zij reeds had doen vloeien. Hij kende het land, de zeden, de gewoonten door de lange gesprekken, die hij met zijn vriend, dr. Chassaigne gehad had. Hij bezat een prettige manier van vertellen, een heilige bezieling, opmerkelijke gaven van een gewijd redenaar, die hij in zijn seminarietijd al in zich gevoeld, maar nooit gebruikt had. Toen men in den wagon merkte, dat hij de geschiedenis heel wat beter en uitvoeriger kende dan het kleine boekje en dat hij haar op een zoo aandoenlijken en bezielden toon vertelde, steeg de aandacht nog meer, gaven die aan smart zoo rijke zielen zich, in haar honger naar geluk, geheel aan hem.

Eerst kwam de jeugd van Bernadette, te Bartrès, aan de beurt. Zij groeide daar op bij haar zoogmoeder, vrouw Lagües, die, toen zij een pas geboren kind verloren had, den armen Soubirous den dienst bewees hun kind te voeden en bij zich te houden. Dit gehucht van vierhonderd zielen lag, op ongeveer een mijl afstands van Lourdes, als in een woestijn, ver van alle verkeerswegen, verscholen tusschen het groen. De weg loopt steil naar beneden, de enkele huizen staan vrij ver uit elkaar op door hagen gescheiden grasvelden, die met note- en kastanjeboomen beplant zijn, terwijl heldere beekjes, die nooit zwijgen, de voetpaden der hellingen volgen; alleen de oude, kleine Romaansche kerk steekt omhoog op een heuveltje, dat verder door de graven van het kerkhof ingenomen wordt. Aan alle kanten rijzen boschrijke hellingen golvend op: het dorpje is als een gat in het heerlijke diep-groene grastapijt. Bernadette, die, sedert zij een groot meisje was, haar kostgeld verdiende met het hoeden van schapen, weidde haar dieren maanden lang in dat groen, waarin zij nooit een levende ziel ontmoette. Een enkele maal echter zag zij van den top van een helling in de verte de bergen, den Pic du Midi, den Pic de Viscos, stralende of donkere rotsmassa’s al naar de kleur, die het weer hun gaf, en waarachter zich verder in nevelen gehulde Pics verhieven, onduidelijke verschijningen, zooals men die in een droom pleegt te zien. Het huisje der Laqûes, waar haar wieg nog steeds stond, lag eenzaam en was het laatste van het dorp. Er voor strekte zich een weide uit, beplant met appel- en pereboomen en van het vrije veld slechts gescheiden door een smal beekje, waar je makkelijk overheen kon springen. In het lage huisje waren rechts en links van de houten trap, die naar den zolder leidde, slechts twee groote met steenen tegels bedekte vertrekken, in elk waarvan vier of vijf bedden stonden. De meisjes sliepen bij elkaar en sluimerden iederen avond in onder het kijken naar de mooie platen aan den muur, terwijl te midden der diepe stilte de groote klok in zijn kast van dennenhout de uren aangaf.

O, in welk een zalige heerlijkheid had Bernadette die jaren in Bartrès geleefd! Zij groeide slechts langzaam op, altijd ziek, lijdend aan een nerveus asthma, dat haar bij den minsten wind dreigde te doen stikken; toen zij twaalf jaar was, kon zij nog niet lezen of schrijven, sprak slechts het patois van die streken, was nog een echt kind gebleven, zoowel geestelijk als lichamelijk haar leeftijd ver ten achter. Het was een lief, zacht, gehoorzaam meisje, maar verder een kind als ieder ander kind, alleen niet erg spraakzaam: zij luisterde liever dan dat zij sprak. Hoewel zij weinig geleerd had, bewees zij nu en dan gezond verstand te bezitten, had zelfs dikwijls een goed antwoord bij de hand, een aardig, schertsend woord, waarom men moest lachen. Het kostte daarentegen weer veel moeite haar den rozenkrans te leeren. Toen zij hem eindelijk uit haar hoofd opzeggen kon, scheen zij daartoe haar geheele kennis te willen beperken; zij bad hem van den vroegen ochtend tot den laten avond, zoodat men haar ten slotte bij haar schapen nog slechts zag met den rozenkrans in haar handen, de Pater’s en Ave’s afbiddend. Hoeveel uren had zij daar zoo doorgebracht op de groene helling van den heuvel, gewiegd door het geheimzinnig ruischen der bladeren, terwijl zij bij oogenblikken niets van de wereld zag dan de toppen der verre bergen, ijl als een droom wegdoezelend in het licht. De dagen verliepen, en steeds vergezelde haar bij het rondzwerven die nauw-begrensde droom, het eenige gebed, dat zij telkens weer herhaalde en dat haar in die frissche, kinderlijk-naïeve eenzaamheid geen andere metgezelle en vriendin gaf dan de Heilige Maagd. En wat een heerlijke avonden bracht zij ’s winters door in het vertrek links, waar een groot vuur brandde! Haar zoogmoeder had een broer, die priester was en soms zulke prachtige verhalen voorlas, geschiedenissen van heilige mannen en vrouwen, wonder-heerlijke avonturen, die je deden beven van angst en pleizier, verschijningen uit het paradijs op de aarde, terwijl de half-geopende hemel den glans der engelen zien liet.

De boeken, die hij medebracht, stonden dikwijls vol mooie platen: den goeden God in zijn volle heerlijkheid en glorie, de zoo teere en vriendelijke gestalte van Jezus met zijn door licht omstraald gezicht, en vooral de Heilige Maagd, schitterend in het wit, azuur en goud gekleed en zoo liefderijk, dat zij haar dikwijls in haar droomen terugzag. Maar de Bijbel was toch het boek, dat men het meest las, een oude, door het gebruik vergeelde Bijbel, die reeds meer dan een eeuw in de familie was; iederen langen winteravond, dat er bezoek was, nam de pleegvader, de eenige, die had leeren lezen, een speld, stak die op goed geluk ergens in den Bijbel en begon dan boven aan de rechterbladzijde te lezen onder de diepe stilte van de vrouwen en de kinderen, die ten slotte den tekst van buiten kenden en, zonder zich in één woord te vergissen, door hadden kunnen gaan.

Bernadette gaf de voorkeur aan vrome boeken, waarin de Heilige Maagd met haar vriendelijk glimlachje voorkwam. Doch ook een ander verhaal vond zij erg mooi, de wonderlijke geschiedenis van de vier Heemskinderen. Op den gelen omslag van het kleine boekje, dat hier toevallig achter gelaten was door een rondreizend koopman, zag men op een kinderlijk plaatje de vier koene ridders, Reinoud en zijn broeders, alle vier op Bayard, hun beroemd strijdros dat de fee Orlanda hun ten geschenke gegeven had. Het waren die bloedige gevechten, belegeringen van vestingen, vreeselijke duels op den degen tusschen Roland en Reinoud, die ten slotte het Heilige Land ging bevrijden, den toovenaar Maugis met zijn wonderbaarlijke tooverkunsten niet te vergeten en prinses Clarisse, de zuster van den koning van Aquitanië, die mooier was dan de dag. Wanneer haar phantasie zoo opgewekt was, kon Bernadette ’s nachts den slaap niet vatten vooral niet na avonden, waarop niet voorgelezen werd, maar iemand uit het gezelschap een heksengeschiedenis verteld had. Zij was zeer bijgeloovig, nooit zou men haar na zonsondergang langs een toren gekregen hebben, die door den duivel bezocht werd. Trouwens de geheele streek was heel eenvoudig van geest, was als bevolkt met geheimzinnigheden; boomen, die zongen, steenen, waar bloed uit parelde, kruiswegen, waarbij je drie Pater’s en drie Ave’s moest bidden, als je het woeste beest met de zeven hoorns niet wilde tegenkomen, dat de meisjes in het verderf sleepte. En welk een rijkdom van schrikaanjagende sprookjes! Er waren er honderden, je zoudt er op één avond niet mee klaar komen om ze te vertellen.

In de eerste plaats kwamen de avonturen van weerwolven, welke ongelukkige menschen, die door den duivel gedwongen werden in de huid van een van de groote witte berghonden te kruipen: wanneer je op den hond schiet en de eerste kogel hem raakt, dan is de mensch verlost; doch wanneer de kogel slechts de schaduw raakt, sterft de mensch onmiddellijk.

Dan volgden in een eindelooze rij de toovenaars en tooverheksen. Een van die verhalen viel bijzonder in Bernadette’s smaak, dat van een griffier te Lourdes, die den duivel wilde zien en daarom op Goeden Vrijdag om middernacht door een heks naar een eenzaam veld gebracht werd. De duivel kwam, prachtig in het rood gekleed.

Onmiddellijk stelde hij den griffier voor zijn ziel te koopen, op welk voorstel deze schijnbaar inging. Toevallig had de duivel onder zijn arm het register, waarin de menschen uit de stad, die zich reeds verkocht hadden, hun handteekening hadden gezet. Maar de sluwe griffier haalde uit zijn zak een fleschje, waarin volgens zijn zeggen inkt was, doch waarin zich in werkelijkheid wijwater bevond; hij besprenkelde den duivel daarmede, die verschrikkelijk begon te gillen, terwijl hij zelf op de vlucht ging en het register meenam. Toen begon er een dolle jacht, die den heelen avond kon duren, door bergen en dalen, door bosschen en over bergstroomen.

“Geef me mijn register!”

“Neen, je krijgt het niet!”

En telkens begon het weer opnieuw:

“Geef me mijn register!”

“Neen, je krijgt het niet!”

De griffier, die reeds buiten adem was en op het punt stond neer te vallen, kreeg plotseling een ingeving: hij sprong op het kerkhof in gewijde aarde en lachte vandaar den duivel uit, terwijl hij spottend met het register heen en weer zwaaide; op die manier had hij de zielen van alle ongelukkigen, die geteekend hadden, gered.

Op zulke avonden bad Bernadette, voor zij slapen ging, een rozenkrans af, blij te zien, dat de hel zoo gehoond werd, maar toch rillend bij de gedachte, dat de duivel, zoodra men de lamp uitgeblazen had, zeker om haar zou komen rondsluipen.

Een heele winter lang hadden de gezellige avondbijeenkomsten in de kerk plaats. Pastoor Ader had er toestemming voor gegeven, en er kwamen veel families, om licht uit te sparen, terwijl je het bovendien veel warmer hadt, wanneer je met zoovelen bij elkaar zat. Men las uit den Bijbel voor en er werd gezamenlijk gebeden. De kinderen vielen er ten slotte bij in slaap. Alleen Bernadette streed er tot het einde tegen, gelukkig als ze zich gevoelde bij den goeden God te mogen zijn in het kleine schip der kerk, welks muren rood en blauw geverfd waren. Op den achtergrond verhief zich, eveneens geschilderd en verguld het altaar met zijn spiraalvormig gewonden zuilen en zijn altaarstukken, die Maria bij Anna en de onthoofding van den H. Johannes voorstelden. In de slaperigheid, die zich steeds meer van haar meester maakte, zag het kind het mystieke visioen van die schreeuwend gekleurde beelden oprijzen, het bloed uit de wonden vloeien, de aureolen stralen, de Heilige Maagd steeds weer terugkomen en haar aankijken met haar levende, hemelsblauwe oogen, terwijl het haar toescheen, alsof zij haar vermillioen-roode lippen wilde openen, om haar toe te spreken. Maandenlang bracht zij op die wijze haar avonden door, tegenover het half in schemer gehulde altaar, in dien halven slaap, waarin reeds de goddelijke droom begon, dien zij medenam naar huis, om hem in bed verder te droomen, terwijl zij rustig onder de bescherming van haar schutsengel sliep.

In diezelfde oude kerk, zoo nederig en zoo vol vurig geloof, ging Bernadette ter leering. Zij was toen bijna veertien jaar, zoodat het hoog tijd werd, dat zij haar eerste communie deed. Haar zoogmoeder, die voor gierig doorging, liet haar niet school gaan, maar haar van ’s morgens tot ’s avonds in het huishouden helpen. Mijnheer Barbet, de onderwijzer, zag haar nooit in zijn klas. Maar op een dag, dat hij in plaats van pastoor Ader, die ziek was, catechesatie gaf, viel zij hem dadelijk op door haar vroomheid en haar bescheidenheid. De priester hield veel van Bernadette en sprak dikwijls met den onderwijzer over haar en zeide dan, dat hij haar nooit kon aankijken zonder aan de kinderen van la Salette denken, want die kinderen moesten eenvoudig, goed en vroom geweest zijn als zij, anders zou de Heilige Maagd hun niet verschenen zijn.

Op een morgen, dat de beide mannen haar buiten het dorp in de verte met haar kudde tusschen de groote boomen zagen, keerde de priester zich meermalen om en zeide:

“Ik weet niet, wat het is in mij, maar iederen keer, dat ik het kind zie, denk ik Mélanie, het kleine herderinnetje, de metgezellin van den kleinen Maximin te zien.”

Ongetwijfeld was hij als het ware bezeten door deze gedachte, die later een voorspelling zou blijken te zijn. En had hij niet op een dag na de catechesatie, of misschien op een avondbijeenkomst in de kerk, het wonderbaarlijke, nu reeds twaalf jaar oude verhaal verteld van de in schitterend en verblindend wit gekleede Vrouw, die over het gras liep, zonder het plat te trappen, van de Heilige Maagd, die op den berg aan den oever van een beekje aan Mélanie en Maximin verschenen was, om hun een groot geheim toe te vertrouwen en hun de toorn van haar zoon aan te kondigen?

Van af dien dag genas een bron, die uit de tranen der Heilige Maagd ontstaan was, alle ziekten, terwijl het geheim, dat aan een met drie waszegels gesloten perkament toevertrouwd was, te Rome rustte. Zeker had Bernadette in koortsachtige opwinding met haar zwijgend gezichtje van wakend droomstertje naar dit wonderbare verhaal geluisterd en het medegenomen naar de eenzaamheid der bosschen, waarin zij haar dagen doorbracht, om het achter haar schapen nog eens te herlezen, terwijl de kralen van haar rozenkrans één voor één tusschen haar teere vingertjes gleden.

Zoo verstreek haar jeugd te Bartrès. Wat in die tengere en achterlijke Bernadette vooral verrukte, dat waren haar dweepzieke oogen, de mooie oogen van een helderziende, waarin de vlucht der droomen, als vogels in een helderen hemel, voorbij streek. Haar mond was groot en sterk ontwikkeld en wees op goedheid; haar vierkant hoofd met het rechte voorhoofd en de dikke zwarte haren zou zonder de uitdrukking van beminlijke eigenzinnigheid niets bijzonders gehad hebben. Maar wie haar niet in de oogen zag, merkte haar niet op; zij was dan niets meer dan een arm straatkind, dat lichamelijk en geestelijk achter was. En in die oogen had pastoor Ader ongetwijfeld alles gelezen, wat later in haar zou opbloeien: het lijden, dat haar arm lichaam in zijn ontwikkeling belemmeren zou, de eenzaamheid der bosschen, waarin zij opgegroeid was, de blatende zachtmoedigheid van haar lammeren, de engelengroet, dien zij op haar rondzwerving onder den vrijen hemel steeds weer herhaalde, de angstaanjagende verhalen, die zij bij haar zoogmoeder gehoord had, de avondbijeenkomsten, die zij voor de levende altaarstukken der kerk had medegemaakt, de geheele atmospheer van primitief geloof, die zij in dit verre, door bergen afgesloten land had ingeademd.

Den 7den Januari was Bernadette veertien geworden, en haar ouders, de Soubirous, die zagen, dat zij te Bartrès niets leerde, besloten haar weer voor goed thuis te Lourdes te nemen, waar zij de catechesatie geregeld volgen en zich ernstig voorbereiden moest voor haar eerste communie. En zoo was zij twee à drie weken te Lourdes, toen op 11 Febr. een Donderdag, bij koud weer en een bedekte lucht…

Maar hier moest Pierre ophouden, want zuster Hyacinthe was opgestaan en klapte hard in haar handen:

“Kinderen, het is al over negenen… Stilte! Stilte!”

Ze waren inderdaad Lamothe voorbij; de trein rolde met dof gesnor in een zee van donkerte door de eindelooze vlakten der Landes, die ondergedompeld lagen in den nacht. Eigenlijk had men de laatste tien minuten geen woord meer mogen hooren in den wagon, had men moeten slapen of rustig zijn pijnen verdragen. Maar toch kwam er verzet.

“Hè, lieve zuster!” riep Marie, wier oogen schitterden, uit; “een klein kwartiertje nog! We zijn nu juist bij het interessantste gedeelte.”

Tien, twintig stemmen vielen haar bij.

“Ja, als het u blieft, een kwartiertje nog!”

Allen wilden het vervolg hooren; zij brandden van nieuwsgierigheid, als hadden zij het verhaal nooit gehoord, zoo werden zij medegesleept door de bijzonderheden van ontroerende en vriendelijk glimlachende menschelijkheid, die Pierre gaf. Hun blikken waren niet van hem af; vreemd belicht door de walmende lampen, strekten hun hoofden zich naar hem uit. En het waren niet alleen de zieken, die in koortsachtige spanning luisterden, maar ook de tien vrouwen van het achterste compartiment wendden haar arme, leelijke gezichten, die mooi werden door het naïeve geloof, naar Pierre, om toch maar geen woord te verliezen.

“Neen, ik mag niet,” zeide eerst zuster Hyacinthe. “Het programma zegt het duidelijk. Er moet nu rust zijn.”

Maar toch aarzelde zij al, zelf had zij in zoo groote spanning geluisterd, dat zij haar hart onder haar witte schort voelde kloppen. Op smeekenden toon drong Marie nog eens aan, terwijl mijnheer de Guersaint, die eveneens met aandacht geluisterd had, beweerde, dat ze ziek zouden worden, wanneer de geestelijke niet verder vertelde; en toen ook madame de Jonquière toegevend glimlachte, gaf de zuster ten slotte toe.

“Nu goed dan, een kwartiertje nog, maar ook niet meer dan een klein kwartiertje! Anders zou ik me aan plichts-verzuim schuldig maken.”

Pierre had kalm gewacht, zonder tusschenbeide te komen. Dan ging hij voort op denzelfden doordringenden toon, waarin de twijfel verzacht werd door zijn medelijden met hen, die lijden en hopen.

Nu ging het verhaal verder te Lourdes in de rue des Petits-Fossés, een sombere, nauwe en kronkelende straat, die tusschen armoedige huizen en ruw bepleisterde muren loopt. Op den rez-de-chaussée van een van die droefgeestige huisjes aan het einde van een donkere gang bewoonden de Soubirous één enkele kamer, waarin zeven menschen, vader, moeder en zeven kinderen bij elkaar hokten. Je kon er nauwelijks zien, in het kleine en vochtige binnenplaatsje viel slechts een groenachtig schemerlicht. Ze sliepen daar bij elkaar, aten er, wanneer ze brood hadden. Sedert eenigen tijd n.l. kon de vader, die molenaar van beroep was, heel moeilijk werk vinden. En uit dit donkere gat, uit die diepe ellende was Bernadette, de oudste, op dien kouden Februaridag hout gaan zoeken met Marie, haar jonger zusje, en Jeanne, een buurmeisje.

Een langen tijd ging het mooie verhaal zoo verder: hoe de drie kleine meisjes den oever van den Gave afgeloopen hadden aan den anderen kant van het kasteel, hoe zij ten slotte op het eiland du Chalet gekomen, waar tegenover de rots Massabielle, waarvan zij alleen gescheiden waren door den smallen waterloop van den molen van Sâvy. Het was een woeste plek, waarheen de gemeenteherder dikwijls zijn varkens bracht, die bij plotselinge regenbuien een schuilplaats zochten onder de rots van Massabielle, aan den voet waarvan zich, onder wilde roze- en braamstruiken verborgen, een soort grot gevormd had. Er was niet veel droog hout te vinden geweest, zoodat Marie en Jeanne, toen zij aan den overkant een grooten hoop takken, dien de stroom daarheen had gebracht, zagen liggen, den waterloop overstaken, terwijl Bernadette, die veel teerder was en een beetje de jongejuffrouw speelde, voorloopig achterbleef, daar zij haar voeten niet nat durfde maken. Zij had wat uitslag aan haar hoofd, haar moeder had haar op het hart gedrukt toch vooral haar hoofddoek om te houden, een groote witte hoofddoek, die sterk vloekte tegen haar oud, zwartwollen jurkje. Toen zij zag, dat de twee anderen haar niet wilden helpen, vermande zij er zich eindelijk toe haar klompen en haar kousen uit te trekken. Het was ongeveer twaalf uur, de negen slagen van het Angelus zouden weldra van de kerk klinken en opstijgen naar den stillen, wijden winterhemel, die met een fijn wolkendons bedekt was.

Op dat oogenblik maakte een groote verwarrende opwinding zich van haar meester, in haar ooren suisde het met zoo’n stormgeweld, dat zij meende een orkaan, die van de bergen kwam, voorbij zich te hooren loeien; zij keek naar de boomen en was uiterst verbaasd, want geen blaadje verroerde zich. Dan dacht zij, dat zij zich vergist had, en zij wilde juist haar klompen oprapen, toen opnieuw een hevig suizen langs haar ging, doch ditmaal trof het niet haar ooren, maar haar oogen; zij zag de boomen niet meer, zij was verblind door een witten glans, een soort schel licht, dat zich boven de grot aan de rots scheen vast te hechten in een smalle, hooge spleet, die op den spitsboog van een kathedraal geleek.

Verschrikt viel zij op haar knieën. Wat was dat toch, mijn God? Soms, wanneer in slechte tijden haar asthma haar meer benauwde dan gewoonlijk, had zij dikwijls geheele nachten zware droomen, waarvan zij de angstaanjagende werking nog na het wakker worden voelde, ook al herinnerde zij zich van den droom zelf niets meer.

Vlammen omringden haar, de zon ging vlak langs haar gezicht voorbij. Had zij den afgeloopen nacht zoo zwaar gedroomd? Was het de voortzetting van een droom, dien zij zich niet meer herinnerde? Dan teekenden zich langzamerhand eenige omtrekken af, meende zij een gestalte te herkennen, die in het schelle licht geheel wit was. Uit angst, dat het de duivel zou kunnen zijn—zij werd dikwijls door zulke gedachten bezeten—was zij haar rozenkrans gaan bidden. En toen zij, nadat het licht langzaam uitgegaan was, den waterloop overging en zich weer bij Marie en Jeanne voegde, vond zij het heel vreemd, dat dezen bij het hout rapen vóór de grot, geen van beiden iets gezien hadden. Toen de drie meisjes naar Lourdes terugliepen, praatten zij erover: had zij dan wat gezien? Maar, onrustig en zich een weinig schamend, wilde zij niet antwoorden; eindelijk bekende zij, dat zij iets gezien had, dat in het wit gekleed was.

Van af dat oogenblik verspreidde het gerucht zich en werd daarbij overdreven. De Soubirous, die het ook hoorden, waren boos geworden over die kinderpraatjes en verboden hun dochter naar de rots van Massabielle terug te gaan. Maar al de kinderen uit de buurt vertelden elkaar het verhaal reeds en zoo moesten de ouders dan ten slotte toestaan, dat Bernadette ’s Zondags met een flesch wijwater naar de grot ging, om beslist te weten, of men niet met den duivel te doen had. Zij zag het licht weer, evenals de gestalte, die nu echter duidelijker was en glimlachte, zonder bang te zijn voor het wijwater. Den volgenden Donderdag ging zij met anderen er weer heen; eerst dien dag nam de gestalte den vorm van een vrouw aan, die tot haar zeide:

“Doe mij het genoegen veertien dagen lang hier te komen.”

Langzamerhand had de gestalte zich nog meer gepreciseerd en was een Vrouw geworden, mooier dan een koningin, zooals men ze slechts op platen ziet. In den beginne had Bernadette zich tegenover de vragen, waarmede men haar van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat overstelpte, wat terughoudend getoond, als was zij nog door twijfel bevangen. Daarna was het haar toegeschenen, alsof onder de suggestie van al die vragen, de gestalte nog steeds duidelijker vormen kreeg, alsof zij een werkelijk leven, lijnen en kleuren aannam, in de beschrijving waarvan het kind zich nooit tegensprak. De oogen waren blauw en heel zacht, de mond rose en glimlachend, het ovaal van het gezicht had tegelijk een jeugdige bekoring en iets moederlijks. Nauwlijks zag men onder den rand van den sluier, die het hoofd bedekte en tot aan de voeten afviel, het bewonderenswaardige blonde haar. Het sneeuwwitte, glanzende kleed moest van een op aarde onbekende stof zijn, die uit zonnestralen scheen te zijn geweven. De losjes geknoopte hemelsblauwe sjerp liet twee lange einden hangen, fladderend in den ochtendwind. De rozenkrans, die om den rechterarm geslagen was, had melkwitte kralen, terwijl de schakels en het kruis van goud waren. En op haar bloote voeten, op de aanbiddelijke voeten, die van een jonkvrouwelijke blankheid waren, bloeiden twee gouden rozen, de mystieke rozen van het onbevlekte lichaam der Godsmoeder.

Waar had Bernadette toch die Heilige Maagd gezien, wier eenvoudig uitzien zich door de overlevering voortplantte, zonder één sieraad, met de primitieve gratie van een nog in zijn kindsheid verkeerend volk? In welk boek van den broeder van haar zoogmoeder, den priester, die zoo mooi voorlezen kon? Op welk geschilderd raam der kerk, waarin zij opgegroeid was? En vooral, uit welken ridderroman, uit welke geschiedenis, door pastoor Ader op de catechesatie verteld, uit welken onbewusten droom, die zij op haar zwerftochten in de schaduw der bosschen van Bartrès gedroomd had, terwijl zij tot in het oneindige de tien verzen van den Engelengroet herhaalde, waaruit kwamen die gouden rozen op de bloote voeten, die heerlijke liefde-phantasie, die vrome opbloeiing van het vrouwenlichaam?

De stem van Pierre was nog ontroerender geworden, want al zeide hij al deze dingen niet aan de eenvoudigen van geest, die naar hem luisterden, toch verleende de menschelijke verklaring, die zijn twijfel diep in zijn ziel aan die wonderen trachtte te geven, aan zijn verhaal een huivering van broederlijk medegevoel. Hij hield van Bernadette nog meer om het bekoorlijke van haar hallucinatie, die zoo vriendelijk haar toesprekende Maagd, één en al beminnelijkheid bij haar verschijnen en verdwijnen.

Het groote licht liet zich eerst zien, dan vormde zich de verschijning, ging, kwam, boog zich, bewoog zich op een lichte, bijna onmerkbare wijze; wanneer zij verdween, bleef het licht nog eenigen tijd schijnen en ging dan uit als een ster, die sterft. Geen jonkvrouw dezer wereld kon een zoo blank en zoo rose gelaat hebben, dat zoo mooi was als de kinderlijke schoonheid van de plaatjes der eerste communie. De wilde rozestruik van de grot wondde zelfs haar bloote, aangebeden, met goud bebloeide voeten niet.

Pierre vertelde onmiddellijk de andere verschijning. De vierde of vijfde hadden Vrijdag of Zaterdag plaats; maar de door een stralenkrans omgeven Vrouwe, die haar naam nog niet genoemd had, vergenoegde zich met te glimlachen, zonder een woord te spreken. Zondag weende zij en zeide tegen Bernadette:

“Bid voor de zondaars.”

Maandag deed zij het kind het groote verdriet niet te verschijnen, zeker om haar te beproeven. Maar Dinsdag vertrouwde zij haar een geheim toe, dat nooit geopenbaard mocht worden; dan eindelijk deelde zij haar de zending mede, die zij haar opdroeg:

“Ga en zeg aan de priesters, dat zij hier een kapel moeten bouwen!”

Woensdag prevelde zij verscheidene malen het woord: “Boete, boete, boete!” dat het kind, terwijl het den grond kuste, herhaalde. Donderdag zeide zij:

“Ga drinken uit de bron en wasch je daarin en eet het gras, dat ernaast staat!” woorden, die Bernadette eerst begreep, toen er onder haar vingers achter in de grot een bron ontsprong; dat was het mirakel der wonderbron. Toen volgde de tweede week: Vrijdag verscheen zij niet, wel echter de volgende vijf dagen, haar bevelen herhalend, vriendelijk glimlachend neerziende op het nederige meisje, dat zij verkoren had en dat bij iedere verschijning den rozenkrans bad, den grond kuste en op haar knieën naar de bron kroop, om te drinken en zich te wasschen.

Eindelijk, den 4den Maart, den laatsten dag der mystieke samenkomsten, vroeg zij dringend om de kapel te bouwen, opdat uit alle deelen der aarde de volkeren zich er in processie heen zouden begeven. Intusschen had zij op alle vragen geweigerd te antwoorden wie zij was; eerst Donderdag 25 Maart, drie weken later dus, zeide de Vrouwe, haar blikken hemelwaarts heffend: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!” Nog tweemaal, met een tusschenruimte van meer dan drie maanden, 7 April en 16 Juli verscheen zij: de eerste maal voor het wonder der kaars, waarboven het kind uit onachtzaamheid langen tijd haar hand hield, zonder die te branden; de tweede maal, om afscheid te nemen, voor een laatsten glimlach en een laatsten vriendelijken groet. Dat maakte dus achttien verschijningen in het geheel; daarna liet zij zich nooit meer zien.

Pierre had zich als het ware in tweeën gedeeld. Terwijl hij zijn mooi sprookje, dat de ongelukkigen zoo lieflijk in de ooren klonk, vertelde, riep hij zich die beklagenswaardige en hem zoo dierbare Bernadette voor den geest, wier lijdensbloem zoo schoon gebloeid had. Volgens de brutaal-ruwe uitspraak van een geneesheer was dit veertienjarige meisje, dat in haar achterlijken wasdom door pijnen gekweld werd en reeds door een asthma ten gronde gericht was, niets meer dan een soort hysterica, een gedegenereerde, een kindsche. Dat zij geen heftige aanvallen had, dat er bij de kleinere aanvallen geen verstijving van spieren intrad, dat zij zich haar visioenen zoo goed en duidelijk herinnerde, was een gevolg van het feit, dat zij het merkwaardige bewijsstuk voor haar bijzonder geval zelf bracht; het onverklaarde vormt alleen het wonder, de wetenschap weet nog zoo weinig te midden van de eindelooze verscheidenheid der verschijnselen met betrekking tot de menschen.

Hoeveel herderinnetjes hadden reeds vóór Bernadette op dezelfde kinderlijke wijze de Heilige Maagd gezien? Was het niet altijd dezelfde geschiedenis: de in licht gekleede Jonkvrouw, het toevertrouwen van een geheim, het ontspringen van een bron, het vervullen van een zending, wonderen, wier betoovering de massa bekeeren moet? En altijd de droom van een arm kind, dezelfde kleurrijke beschrijving, het ideaal van traditioneele schoonheid, zachtheid en vriendelijkheid, dezelfde naïeve middelen en hetzelfde doel, de verlossing der volkeren, het bouwen van kerken, processies van geloovigen! Bovendien geleken ook al die uit den hemel gevallen wonderen op elkaar, aanmaningen tot boetedoening, beloften van goddelijke hulp; hier was nieuw de buitengewone verklaring: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!”, die klonk als de nuttige erkenning door de Heilige Maagd zelve van het dogma, dat drie jaar vroeger door Rome was afgekondigd. Het was niet de Onbevlekte Maagd, die verschenen was, maar de Onbevlekte Ontvangenis, de abstractie zelf, het ding, het dogma, zoodat men zich af kon vragen of de Heilige Maagd zoo gesproken kon hebben. De andere woorden had Bernadette mogelijk vroeger elders gehoord en onbewust in een hoekje van haar geheugen bewaard. Maar vanwaar kwam dat eene woord, vanwaar kwam het, om aan het nog betwiste dogma den wonderbaarlijken steun van de getuigenis der Moeder, die zonder zonde ontvangen was, te brengen?

Te Lourdes was de opwinding ontzaglijk; scharen stroomden toe, wonderen begonnen te geschieden, terwijl de onvermijdelijke vervolgingen, die den triomf van de nieuwe godsdiensten verzekeren, niet uitbleven. Abbé Peyramale, de pastoor van Lourdes, een geleerd, rechtschapen man met een goed gezond verstand, kon met het volste recht zeggen, dat hij dat kind niet kende, dat men het nog nooit op de catechesatie gezien had. Waar was dan de drijvende kracht, de geleerde les? Er was alleen maar haar te Bartrès doorgebrachte jeugd, het eerste onderricht van abbé Ader, gesprekken misschien, godsdienstige plechtigheden ter eere van het nieuwe dogma of alleen maar een van die medailles, welke men bij die gelegenheid in zoo grooten getale verspreid had. Nooit kon abbé Ader verschijnen, hij, die de zending van Bernadette voorspeld had. Hij zou buiten deze geschiedenis blijven, na de eerste geweest te zijn, die deze kleine ziel in zijn vrome handen had voelen ontbloeien.

Maar al de onbekende krachten van het afgelegen dorpje, van dat groene, bekrompen en bijgeloovige plekje gronds bleven werken, verwarden de zinnen en verbreidden de besmetting van het mysterie. Men herinnerde zich, dat een herder uit Argelès, toen hij over de rots van Massabielle sprak, voorspeld had, dat daar groote dingen gebeuren zouden. Andere kinderen geraakten in extase, waarbij hun oogen wijd geopend waren en hun ledematen door krampen geschokt werden; maar zij zagen den duivel.

Een roes van waanzin scheen de geheele streek aangegrepen te hebben. Op de Place du Porche te Lourdes verklaarde een oude vrouw, dat Bernadette maar een tooverheks was en dat zij in haar oog den poot van een pad gezien had. Voor de anderen, voor de duizenden toegesnelde pelgrims was zij een heilige, wier kleeren zij kusten. Luid klonken de snikken òp, een dolle razernij maakte zich van de zielen meester, wanneer zij met een brandende kaars in haar rechterhand en met haar linker de kralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden latend, voor de grot neerknielde. Zij was bleek, mooi; als verheerlijkt. Langzamerhand kwam er leven in haar trekken, kregen deze een uitdrukking van buitengewone gelukzaligheid, terwijl haar oogen zich vulden met een bovenaardschen glans en haar half-geopende mond zich bewoog, alsof zij woorden uitsprak, die men niet verstond. En het was wel zeker, dat zij geen eigen, vrijen wil had, dat haar droom geheel haar wezen vervulde, dat zij er in het bekrompen en bijzondere milieu, waarin zij leefde, zóó door bezeten werd, dat zij hem zelfs in wakenden toestand voortdroomde, dat zij hem aanvaardde als de eenige, onaanvechtbare werkelijkheid, bereid deze ten koste van haar bloed te belijden, haar steeds herhalend, er met alle onveranderlijke bijzonderheden aan vasthoudend. Zij loog niet, want zij wist niet anders, kon, wilde niets anders willen.

Pierre liet zich geheel gaan en ontwierp een behoorlijk beeld van het oude Lourdes, dat kleine, vrome, aan den voet der Pyrenaeën slapende stadje. Vroeger was het Kasteel, dat op een rots aan een kruispunt der zeven dalen van Lavedan lag, de sleutel der bergen. Maar thans ontmanteld, was het nu nog slechts een oud, in puinhoopen vallend bouwwerk aan den ingang van een doodloopend dal. Hier stootte het moderne leven tegen de formidabele wallen der hooge, besneeuwde bergpieken; alleen de trans-pyrenaeïsche spoorweg zou, als hij aangelegd was, eenige beweging gebracht hebben in het maatschappelijk leven van dit afgelegen hoekje, waarin het stilstond als het water in een poel.

Aldus vergeten dommelde Lourdes, gelukkig en traag, te midden van zijn eeuwenouden vrede met zijn nauwe straatjes, zijn met kiezelsteenen geplaveide wegen, zijn zwarte huizen met marmeren omramingen. De oude huizen groepeerden zich nog alle om den oostelijken voet van het kasteel; de straat naar de Grot, de rue du Bois, was slechts een verlaten, onberijdbare, ja bijna onbegaanbare weg; geen enkel huis stond aan den oever van den Gave, die toen zijn schuimende golfjes voortstuwde door een volmaakte eenzaamheid van wilgen en hooge grassen. Op de place du Marcadal zag men in de week maar zelden voorbijgangers, moeders, die haast hadden, of kleine renteniers, die hun vrijen tijd met wandelen doodden; men moest wachten tot Zondagen of tot kermisdagen, om op het gemeenteplein de bevolking in haar Zondagsche plunje te zien, de van hun veraf gelegen bergplateaux met hun kudden naar beneden gedaalde veefokkers.

Gedurende het badseizoen gaf het doortrekken der badgasten van Cauterets en van Bagnères nog eenig verkeer: tweemaal daags reden de diligences door het stadje; zij kwamen over een afschuwelijk slechten weg van Peau en moesten den Lapaca, die dikwijls buiten zijn oevers trad, doorwaden; dan ging het de steile helling van de rue Basse op en langs het terras der in de schaduw van groote olmen staande kerk. En welk een rust en vrede heerschten in die oude, half-Spaansche kerk, vol oude beeldhouwwerken, zuilen, altaarstukken en beelden, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde lichamen, die in den loop der tijden zoo verbleekt waren, dat men ze nog slechts zag als in het schemerlicht van mystieke lampen. De geheele bevolking ging geregeld ter kerke om zich te verdiepen in dien droom van het mysterie.

Er waren geen ongeloovigen, het volk had het primitief geloof behouden; iedere corporatie schaarde zich om de vaan van haar heilige, broederschappen van allerlei aard vereenigden op feesttochten de geheele stad tot één enkele Christelijke familie. Er heerschte dan ook, als een wonder-mooie bloem in een uitgelezen vaas, een groote reinheid van zeden. De jongens zouden zelfs geen huis van ontucht hebben kunnen vinden, om zich ten gronde te richten; alle meisjes groeiden op in den geur en de schoonheid der onschuld, onder de oogen der Heilige Maagd, Toren van ivoor en Troon van wijsheid.

Hoe begrijpelijk dus, dat Bernadette, een dochter van deze vrome streek, opgebloeid was als een natuurroos, ontloken op de rozestruiken langs den weg. Zij was de bloesem zelf van dit oude land van geloof en oudvaderlijke rechtschapenheid; zij zou zeker nergens anders gedijd hebben, zij kon slechts ontstaan en zich ontwikkelen bij dit achterlijke volk, te midden van den ingesluimerden vrede van een nog in zijn kindsheid staand volk, onder de moreele tucht van den godsdienst. En welk een liefde was dadelijk om haar opgevlamd! Welk blind geloof in haar zending, welk een grenzenlooze troost en hoop dadelijk bij de eerste wonderen! Eén lange jubelkreet van verlichting had de genezingen van den ouden Bourriette, die zijn gezichtsvermogen terugkreeg, en van den kleinen Justin Bouhohorts, die in het ijskoude water der bron herleefde, begroet. Ja, de Heilige Maagd kwam tusschenbeide ten gunste van de radeloozen, dwong de ontaarde natuur rechtvaardig en barmhartig te zijn.

Het was de nieuwe heerschappij der goddelijke almacht, die de natuurwetten ondersteboven werpt voor het geluk der lijdenden en der armen. De wonderen vermenigvuldigden zich, werden van dag tot dag buitengewoner, als de onloochenbare bewijzen van Bernadette’s waarheidlievendheid. Zij was de roos van den goddelijken bloementuin, wier werk een heerlijken geur verspreidt en die om zich alle andere bloemen der genade en des heils ontluiken ziet.

Pierre was tot zoover gekomen, wilde opnieuw de wonderen vertellen en beginnen met den wonderbaarlijken triomf der Grot, toen zuster Hyacinthe, plotseling ontwakend uit de betoovering, waarin het verhaal haar hield, met een schrik ging staan.

“Dat is toch waarlijk al te gek… Het zal dadelijk elf uur slaan!”

Het was zoo: zij waren Morcenx al voorbij en naderden Mont-de-Marsan.

“Stilte, kinderen, stilte!”

Ditmaal durfde men zich niet te verzetten, want zij had gelijk, het was eigenlijk te dwaas. Maar hoe verschrikkelijk, dat men het vervolg niet hooren kon, dat ze zoo midden in het verhaal bleven steken. De tien vrouwen in het achterste compartiment lieten zelfs een gemompel van teleurstelling hooren, terwijl de zieken met gezichten vol gespannen aandacht en hun oogen wijd geopend naar den straal van hoop, nog schenen te luisteren. Deze wonderen, die zonder ophouden terugkwamen, vervulden hen met een onmetelijke, bovenaardsche vreugde.

“En,” voegde zuster Hyacinthe er vroolijk aan toe, “laat ik nu geen woord meer hooren, anders moet ik straf uitdeelen!”

Madame de Jonquière glimlachte vriendelijk en zeide:

“Weest nu maar gehoorzaam, kinderen, en gaat goed slapen, om morgen de kracht te hebben met geheel je hart in de Grot te bidden.”

Pierre kon niet slapen. Naast hem snorkte mijnheer de Guersaint reeds zachtjes en glimlachte gelukkig ondanks de hardheid van de bank. Lang had de jonge priester de oogen van Marie nog wijd geopend gezien, vol van den glans der wonderen, die hij verteld had. Haar oogen rustten vurig op hem; dan had zij ze gesloten; en hij wist niet of zij sluimerde, of dat zij met gesloten oogleden het wonder nog eenmaal herleefde. Sommigen der zieken droomden hardop, nu eens lachten zij, dan weer schreeuwden zij onbewust. Misschien zagen zij, hoe de aartsengelen in hun lichaam sneden, om de kwaal eruit te rukken. Anderen, die den slaap niet konden vatten, lagen te woelen, onderdrukten een snik en staarden strak in de duisternis. En Pierre, huiverend van het mysterie, dat hij opgeroepen had, herkende zichzelf niet meer in dit dolle milieu van lijdende broeders, vervloekte zijn verstand, nam, zich in nauwe gemeenschap voelend met die nederigen van harte, het vaste besluit te gelooven als zij.

Waartoe diende die physiologische enquête over Bernadette, die zoo ingewikkeld en vol lacunes was? Waarom haar niet te aanvaarden als een boodschapster uit het hiernamaals, een uitverkorene van het goddelijke onbekende? De geneesheeren waren slechts ignoranten met ruwe handen, terwijl het zoo heerlijk zijn zou in te sluimeren in het geloof der kleine kinderen, in de toovertuinen van het onmogelijke! Eindelijk had hij een kostelijk oogenblik van algeheele overgave, trachtte hij niet meer zich iets te verklaren, aanvaardde hij de helderziende met haar rijk gevolg van wonderen, vertrouwde hij zich geheel aan God om voor hem te denken en te willen. Hij keek door het raampje, dat men ter wille van de teringlijdsters niet open durfde zetten, naar buiten en zag den diepen nacht, die zich over het land uitstrekte, waardoor de trein voortsuisde.

Blijkbaar had hier het onweer gewoed, de hemel had een bewonderenswaardige, nachtelijke reinheid, als was hij door groote waterstroomen schoon gewasschen. Heldere sterren fonkelden op dit donkere fluweel en verlichtten alleen met mysterieuzen glans de verkwikte en zwijgende velden, die tot in het oneindige de donkere eenzaamheid van hun slaap ontrolden. Door de heiden, door de dalen en door de heuvelen rolde de wagon van ellende en lijden, rolde steeds voort, over-verhit, verpest, beklagenswaardig, zacht kreunend, te midden van de reinheid van dien heerlijken, zoo mooien en zoo zachten nacht.

Om een uur ’s ochtends waren zij Riscle gepasseerd. Benauwend en als met hallucinaties bevolkt bleef de stilte heerschen te midden van de schokken. Om twee uur, bij Vic de Bigorre hoorde men dof gesteun: de slechte toestand van den weg schokte de zieken in een ondraaglijke schommeling. Eerst na Tarbes om half drie verbrak men eindelijk de stilte en zeide men, nog midden in den donkeren nacht, de morgengebeden. Het waren het Pater en het Ave en het Credo, het was een smeekbede aan God om het geluk van een glorierijken dag. O mijn God, geef mij de kracht om het kwaad te vermijden, het goede te werken, alle smarten en pijnen te dragen!

Nu zou men aan één stuk doorrijden tot Lourdes. Geen drie kwartier meer en Lourdes met zijn onmetelijke hoop zou opvlammen in dezen zoo wreeden en zoo langen nacht. Bij het ontwaken maakte zich te midden van een algemeen gevoel van onbehagen, nu het lijden weer begon, een koortsachtige opwinding van allen meester.

Zuster Hyacinthe maakte zich ernstig ongerust over den man, wiens gelaat, dat nog steeds met zweet bedekt was, zij den geheelen nacht door had afgewischt. Hij had tot nog toe geleefd, zij was bij hem gebleven, zonder een oogenblik haar oogen te sluiten, luisterend naar zijn ademhaling, vurig wenschend hem ten minste bij de Grot te kunnen brengen.

Plotseling werd zij angstig en vroeg aan madame de Jonquière:

“Ach, geef mij even de flesch vlugzout aan… Ik hoor hem niet meer ademhalen.”

Werkelijk had sedert een oogenblik het zachte ademhalen van den man opgehouden. Zijn oogen waren nog altijd gesloten, zijn mond half open; zijn kleur was echter niet toegenomen, hij was koud, zijn gelaat doodsbleek. En de wagon rolde voort met zijn lawaai van rommelend ijzer, de snelheid van den trein scheen grooter te worden.

“Ik zal zijn slapen wat wrijven,” zeide zuster Hyacinthe weer. “Wilt u mij even helpen.”

Bij een hevigen schok viel de man plotseling met zijn gezicht naar voren.

“Lieve God! help mij toch, om hem op te nemen.”

Zij namen hem op; hij was dood. Zij moesten hem met zijn rug tegen het beschot in zijn hoek zetten. Hij bleef rechtop zitten, zijn lichaam was reeds stijf geworden, alleen bewoog zijn hoofd bij iederen schok heen en weer. De trein bleef hem in hetzelfde donderend gerommel meevoeren, terwijl de locomotief, ongetwijfeld blij haar doel te bereiken, een scherp gefluit uitstiet, een oorverscheurende vreugdefanfare in den kalmen nacht

Een half uur, dat als het ware niet eindigen wilde, werd nog de reis met den doode voortgezet. Twee dikke tranen waren langs de wangen van zuster Hyacinthe gerold, dan vouwde zij haar handen en begon te bidden. De geheele wagon huiverde van ontzetting over dien verschrikkelijken reisgenoot, dien men te laat naar de Heilige Maagd bracht. Maar de hoop was krachtiger dan de smart; ook al mochten al de kwalen, die hier opgehoopt waren, weer ontwaken, toenemen en erger worden onder de uitputtende vermoeienis, toch klonk de jubelzang niet minder luid op bij het triomphantelijk betreden van het land des wonders. De zieken hadden het Ave maris stella10 aangeheven te midden van de tranen, die de pijn hun ontrukte; hun smartekreten namen toe, tot hun klagen zich oploste in een kreet van hoop.

Marie nam Pierre’s hand weer tusschen haar kleine, koortsachtige vingertjes.

“O, mijn God, die man is nu gestorven en ik was zoo bang te sterven voor wij het doel bereikt hadden!… En nu zijn we er, zijn we er eindelijk!”

De priester beefde van een grenzenlooze ontroering.

“Je moet genezen, Marie, en ik zelf zal ook genezen, als jij voor me bidt.”

De locomotief floot scheller in de blauwe duisternis. Ze naderden, de lichten van Lourdes vlamden aan den horizont en de geheele wagon zong nog een lied, de geschiedenis van Bernadette, het eindelooze klaaglied van zestig coupletten, waarin de Engelengroet steeds weer als een refrein terugkwam, een krankzinnig makend gezang, dat den hemel der extase opende.

1 Spaar, O Heer, spaar Uw volk…↑

2 Ik geloof in den eenigen God.↑

3 Heer, erbarm u…↑

4 Christus, verhoor ons.↑

5 Bid voor ons, heilige Moeder Gods.↑

6 Moge God u door deze heilige zalving en door zijn zeer heilige genade u vergeven al wat gij gezondigd hebt door uw gezicht, uw gehoor, uw reuk, uw smaak, uw aanraking.↑

7 Bid voor ons, heilige Moeder Gods, opdat wij de beloften van Christus waardig worden.↑

8 Negendaagsche godsdienstoefening om zekere genade te verkrijgen.↑

9 Verlamming van het onderste gedeelte van het lichaam.↑

10 Wees gegroet, ster der zee. Beginwoorden van een kerklied.↑

TWEEDE DAG

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

De stationsklok, waarvan de wijzerplaat door een reflector verlicht werd, wees drie uur twintig minuten aan. Onder de kap, die over het ongeveer honderd meter lange perron liep, drentelden in geduldige afwachting schimmen op en neer. In de verte, in de zwarte vlakte, zag men niets dan een rood seinlicht.

Twee van die heen-en-weer drentelende schimmen bleven staan. De grootste, een pater van Maria Hemelvaart, de eerwaarde pater Fourcade, directeur van de nationale bedevaart, een zestiger en een flinke verschijning in zijn zwarte pelerine met de lange kap, was den vorigen dag te Lourdes aangekomen. Zijn mooie kop met de heldere, gebiedende oogen en den dikken, grijzenden baard deed denken aan dien van een veldheer, welke vastbesloten is te overwinnen. Lijdend aan jicht, trok hij wat met zijn been en leunde op den schouder van dr. Bonamy, den aan het bureau voor het constateeren van wonderen verbonden geneesheer, een klein, ineengedrongen mannetje met een kaalgeschoren gezicht, doffe en verwaterde oogen, en grove, kalme trekken.

Pater Fourcade vroeg aan den stationschef, die uit zijn bureau kwam loopen:

“Mijnheer, is de witte trein veel te laat?”

“Neen, eerwaarde, hoogstens tien minuten. Om half vier is hij binnen… Ik maak me meer ongerust over den trein uit Bayonne, die al door moest zijn.”

Hij liep weg om een bevel te geven, kwam dan weer terug, mager en zenuwachtig, in de koortsachtige opgewondenheid, die hem tijdens de groote bedevaart dagen en nachten op den been hield. Dien ochtend verwachtte hij buiten den gewonen dienst, achttien extra-treinen met meer dan vijftien duizend reizigers. De grijze en de blauwe trein, die het eerst van Parijs vertrokken waren, waren op het vastgestelde uur binnen gekomen. Maar de vertraging van den witten trein was des te onaangenamer, omdat de expres uit Bayonne ook nog niet gemeld was, zoodat het te begrijpen was, dat het personeel iedere seconde op zijn qui-vive moest zijn.

“Over tien minuten, dus?”

“Ja, over tien minuten, wanneer we tenminste de lijn niet moeten afsluiten,” riep de chef, die zich naar de telegraaf spoedde.

Langzaam hervatten de geestelijke en de geneesheer hun wandeling. Het verbaasde hun, dat er te midden van al die koortsachtige drukte nooit een ernstig ongeluk gebeurd was. Vroeger vooral heerschte er een ongelooflijke wanorde. En onwillekeurig dacht de pater terug aan de eerste bedevaart, die hij in 1875 had georganiseerd en geleid: de verschrikkelijke, eindelooze reis, zonder kussens of matrassen, met half-doode zieken, die men niet wist hoe tot het leven terug te roepen; dan de aankomst te Lourdes, het ordelooze uitstappen, niet het minste transportmateriaal, geen draagbaren, geen brancards, geen rijtuigen. Thans echter was alles prachtig ingericht en georganiseerd; de hospitalen voor de zieken, die men nu niet meer op stroo in loodsen behoefde te leggen. Wat een ramp vroeger voor die ongelukkigen! Welk een wilskracht moest de geloovigen naar het wonder brengen. En de pater glimlachte zacht bij de gedachte aan het werk, dat hij gedaan had. Nog steeds op diens schouder leunend, vroeg hij aan den dokter:

“Hoeveel pelgrims hebt u verleden jaar gehad?”

“Ongeveer tweehonderd duizend. Dat is het gemiddelde, dat zich aardig blijft handhaven… Het jaar van de kroning der Heilige Maagd was het aantal vijfhonderd duizend. Maar dat was een uitzonderingsgeval en het gevolg van een groote propaganda. Zulke getallen bereik je niet meer.”

Er volgde een korte stilte, dan prevelde de pater:

“Ongetwijfeld… het werk wordt gezegend, neemt van dag tot dag in bloei toe. Dit jaar hebben we ongeveer tweehonderdvijftig duizend francs voor deze reis aan giften gekregen; en God zal met ons zijn, morgen zult u talrijke genezingen te constateeren hebben, daar ben ik vast van overtuigd.”

En zichzelf in de rede vallend:

“Is pater Dargelès er niet?”

Dr. Bonamy maakte een gebaar om te zeggen, dat hij het niet wist. Pater Dargelès was belast met de redactie van den Journal de la Grotte. Hij behoorde tot de orde van de paters der Onbevlekte Ontvangenis, die door den bisschop te Lourdes waren gevestigd en daar onbeperkt heer en meester waren. Doch wanneer de paters van Maria Hemelvaart met de nationale bedevaart uit Parijs kwamen, waarbij zich de geloovigen uit de steden Kamerijk, Atrecht, Chartres, Troyes, Reims, Sens, Orleans, Blois en Poitiers voegden, was het net, alsof zij geheel en al verdwenen waren: men zag ze niet bij de Grot, niet bij de Basilica; zij schenen met het afgeven der sleutels tevens de verantwoordelijkheid van zich te werpen. Zelfs hun overste, pater Capdebarthe, een groot, krachtig en grof gebouwd man, een soort boer, wiens verweerd gezicht den roodbruinen en droefgeestigen weerschijn van den grond behouden had, vertoonde zich niet. Alleen den kleinen en vriendelijken pater Dargelès vond men overal, op zoek naar berichten voor zijn courant. Maar al verdwenen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, toch voelde men hen achter dit groote decor als de verborgen en souvereine kracht, die overal geld uit slaat, die zonder ophouden werkt aan den bloei van het huis. Zelfs hun eigen nederigheid exploiteerden zij.

“Ik heb wel vroeg op moeten staan,” begon pater Fourcade het gesprek weer op vroolijken toon, “om twee uur al, maar ik wou hier zijn. Wat zouden mijn arme kinderen anders gezegd hebben?”

Zoo noemde hij de zieken, het vleesch voor de wonderen; en altijd was hij, welk uur het ook zijn mocht, tegenwoordig geweest bij de aankomst van den witten trein, dien jammervollen trein met de ernstige zieken.

“Vijf minuten voor half vier, nog vijf minuten,” zeide dr. Bonamy, die een geeuw onderdrukte, terwijl hij naar de klok keek, en ondanks zijn kruipend-onderdanige houding gruwlijk het land had, dat hij zoo vroeg uit zijn bed had moeten komen.

Op het perron, dat op een overdekten promenoir geleek, bleef te midden van de dichte duisternis, waarin de gaslantaarns geel plekten, het op-en-neer-drentelen voortduren. Niet duidelijk te onderscheiden menschen in kleine groepen, geestelijken, heeren in overjassen, een officier der dragonders liepen zacht fluisterend af en aan. Anderen zaten op de langs den muur staande banken eveneens te praten of staarden, strak voor zich uit kijkend, naar de donkere vlakte. In de schel verlichte bureaux en wachtkamers teekenden de donkere deuren zich duidelijk af, terwijl ook de restauratiezaal, waarin men de marmeren tafels en het met brood en vruchten, flesschen en glazen beladen buffet zag, haar volle verlichting reeds had aangestoken.

Maar vooral aan het achtereinde van de kap heerschte een verward gedrang van menschen. Aan dien kant bracht men de zieken naar buiten. Een groot aantal brancards en kleine rijtuigjes, een formeele barricade van kussens en matrassen versperde het breede trottoir. Ook waren daar drie ploegen brancarddragers, mannen uit alle standen, maar voornamelijk jongelui uit de hoogere kringen, die op hun jassen het roode, oranjekleurig gerand kruis en de geellederen draagband droegen. Velen hadden de baret op, de makkelijke hoofddracht uit die streken. Sommigen, als toegerust voor een verre expeditie, droegen mooie slobkousen, die tot aan de knieën reikten. Enkelen rookten, anderen hadden het zich makkelijk gemaakt in hun kleine rijtuigjes en sliepen of lazen bij het licht der gaslantaarns een courant. Afgezonderd van de anderen stond een groepje over de inrichting van den dienst te praten.

Plotseling groetten de brancarddragers. Een vriendelijk heer met grijze haren, een goedhartig, dik gezicht en met groote blauwe kinderoogen kwam aangeloopen. Het was baron de Suire, een der grootste kapitalisten van Toulouse en voorzitter van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut

“Waar is Berthaud?” vroeg hij druk doende aan iedereen. “Waar is Berthaud? Ik moet hem spreken.”

Iedereen antwoordde en ieder gaf een andere inlichting. Berthaud was de directeur der brancardafdeeling. Sommigen hadden den directeur zoo even nog met den eerwaarden pater Fourcade gezien, anderen beweerden, dat hij op de binnenplaats van het station de ambulancewagens inspecteerde.

“Als mijnheer de president wil, dat we den directeur halen…”

“Neen, neen, dank je wel. Ik zal hem zelf wel vinden.”

Intusschen zat Berthaud in afwachting van de aankomst van den trein aan het andere einde van het station op een bank te praten met zijn jongen vriend Gérard de Peyrelongue. Het was een veertiger met een knap, lang en regelmatig gezicht, die nog zijn welverzorgd magistraten-bakkebaardje had. Behoorende tot een militante legitimistische familie en zelf streng reactionnair, was hij sedert den 24sten Mei ambtenaar van het Openbaar Ministerie in een stad in het Zuiden, toen hij na de afkondiging der decreten tegen de congregaties op luidruchtige wijze zijn ontslag genomen had in een beleedigenden brief aan den minister van Justitie. Daarbij had hij het echter niet gelaten, doch zich bij wijze van protest aangesloten bij de Hospitalité de Notre Dame de Salut en kwam dit ieder jaar te Lourdes in het openbaar manifesteeren, overtuigd als hij was, dat die bedevaarten onaangenaam en schadelijk waren voor de republiek en dat de Heilige Maagd alleen het koningschap kon herstellen door een van de wonderen, die zij in de Grot in zoo grooten getale wrocht. Verder had hij een goed helder verstand, lachte graag en was steeds even vriendelijk en hartelijk voor de arme zieken, voor wier transport hij gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart zorgde.

“Dus dit jaar ga je trouwen, Gérard?” vroeg hij aan den jongen man, die naast hem zat.

“Zeker, als ik de vrouw vind, die ik noodig heb,” antwoordde deze. “Kom, neef, geef u mij eens een goeden raad.”

Gérard de Peyrelongue, een klein, mager, rosachtig mannetje met een sterk ontwikkelden neus en ingevallen wangen, kwam uit Tarbes en had kort geleden zijn ouders verloren, die hem een rente van. niet meer dan zeven of achtduizend francs hadden nagelaten. Zeer eerzuchtig, had hij in zijn provincie niet de vrouw, die hij wilde, kunnen vinden, een vrouw van goede familie, die door haar relaties in staat zou zijn hem hoogerop te brengen. Hij had zich dan ook bij de Hospitalité aangesloten en ging ieder jaar naar Lourdes met de vage hoop, dat hij daar onder de menigte geloovigen, onder den stroom van dames en jonge meisjes, de familie zou ontdekken, die hij noodig had, om zijn carrière in dit ondermaansche te maken. Maar tot nog toe had het hem niet mogen gelukken, want al had hij verschillende jonge meisjes op het oog, geen enkele viel geheel in zijn smaak.

“Ja werkelijk neef, u, die toch een man van ervaring bent, moest mij eens een raad geven… Daar is in de eerste plaats mademoiselle Lemercier, die hier met haar tante komt. Zij is schatrijk, meer dan een millioen beweert men. Maar zij behoort niet tot onze kringen en ik geloof, dat zij nog al excentriek is.”

Berthaud schudde zijn hoofd.

“Ik heb het je al meer gezegd, als ik jou was, nam ik de kleine Raymonde, mademoiselle de Jonquière.”

“Maar die bezit geen sou.”

“Dat is zoo, nauwelijks genoeg om te leven. Maar zij is vrij knap, uitstekend opgevoed en heeft geen neiging tot verkwisting; en dat laatste doet de deur toe, want waartoe dient het een rijk meisje te nemen, als zij toch alles wat zij meebrengt weer uitgeeft? En dan, ik ken de dames heel goed, ik ontmoet ze ’s winters in de invloedrijkste salons van Parijs. En bovendien vergeet haar oom niet, den diplomaat, die den treurigen moed gehad heeft in dienst der republiek te blijven en ongetwijfeld heel wat voor zijn neef zal kunnen doen.”

Gérard, die een oogenblik aan het wankelen gebracht was, zeide echter weer:

“Geen sou, geen sou, neen, het is onmogelijk… Ik wil er nog wel eens over nadenken, maar heusch, ik zie er te erg tegen op.”

Ditmaal begon Berthaud hartelijk te lachen.

“Kom, je bent eerzuchtig, dan moet je durven. Ik verzeker je, je wordt er gezantschapssecretaris door… De dames komen met den witten trein, die dadelijk binnen zal stoomen. Wees een kerel en maak haar het hof!”

“Neen, neen… later! Ik wil er eerst nog eens over nadenken!”

Op dit oogenblik werden zij gestoord. Baron de Suire, die reeds langs hen gekomen was zonder hen te zien, zoo donker was het in dit afgelegen hoekje, had het hartelijke lachje van den voormaligen officier van justitie herkend. En onmiddellijk gaf hij hem met een ongelooflijke radheid van tong verschillende bevelen betreffende de ambulancewagens, waarbij hij zich beklaagde, dat men wegens het werkelijk al te vroege uur de zieken niet onmiddellijk na hun aankomst naar de Grot brengen kon. Ze zouden nu gebracht worden naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, zoodat zij na hun zoo moeilijke reis wat rust konden nemen.

Terwijl de baron en de leider van den brancarddienst de maatregelen, die genomen dienden te worden, bespraken, drukte Gérard een priester, die naast hem was komen zitten, de hand. De nauwlijks acht-en-dertigjarige abbé Des Hermoises had den knappen kop van een mondain geestelijke, friseerde en parfumeerde zich zorgvuldig en was de lieveling der dames. Hij kwam, zooals zoovele priesters voor hun genoegen gaan, uit eigen beweging naar Lourdes; uit zijn heldere oogen straalde een gezond verstand en om zijn lippen speelde het lachje van een scepticus, die zich boven alle afgodendienst verheven voelt. Zeker, hij geloofde en boog nog in aanbidding zijn knie; maar de Kerk had zich over de wonderen niet uitgesproken en hij scheen bereid ze te betwisten. Hij had in Tarbes gewoond en kende Gérard.

“Nu,” zeide hij, “is dat wachten op de aankomst der treinen midden in den nacht niet iets indrukwekkends?… Ik ben hier voor een dame, een van mijn vroegere biechtkinderen uit Parijs; ik weet niet precies met welken trein zij komt, doch ik blijf maar, ik vind het zoo interessant.”

En toen een andere priester, een oude plattelandspastoor, naast hem was komen zitten, begon hij met hem te praten over de schoonheid der omstreken van Lourdes, over het prachtige gezicht straks, wanneer de bergen in de opgaande zon zichtbaar zouden worden.

Opnieuw ontstond er plotseling een koortsachtige drukte. De chef liep heen en weer, schreeuwde bevelen. Pater Fourcade liet ondanks zijn jichtig been den schouder van dr. Bonamy los en ging naar voren.

“Die expres van Bayonne komt maar niet,” antwoordde de chef op de verschillende vragen… “Waarom melden ze ook niets? Ik ben er niets gerust op!”

Weer ging het signaal over, een witkiel ging, met een lantaarn zwaaiend, de donkerte in, terwijl in de verte met een seinlicht gemanoeuvreerd werd.

“Dat is de witte trein,” riep de chef. “Laten we hopen, dat we den tijd zullen hebben, om de zieken er uit te krijgen, voor de expres doorkomt.”

Hij liep weer verder en verdween. Berthaud riep Gérard, die leider van een brancard-afdeeling was; en beiden haastten zich naar hun menschen, aan wie baron Suire reeds orders gaf. De brancarddragers kwamen van alle kanten toeschieten, en begonnen kleine wagentjes over de lijn te brengen, naar de plaats, waar de witte trein zou stilstaan, een geheel onoverdekt gedeelte van het perron, dat in het donker lag. Er vormde zich ook daar weldra een opstapeling van kussens, matrassen en draagbaren, terwijl pater Fourcade, dr. Bonamy, de geestelijken, de heeren en de officier der dragonders ook de spoorbaan overstaken om bij het uitstappen der zieken behulpzaam te zijn. Heel in de verte, achter in de donkere vlakte zag men nog slechts de lantaarn der locomotief als een steeds grooter wordende ster. Schelle fluitsignalen verscheurden den nacht. Dan zwegen zij, hoorde men niets meer dan het snuiven van de machine, het doffe rollen der wielen. Allengs onderscheidde men duidelijk het gezang, de litanie van Bernadette, die door den geheelen trein gezongen werd met de obsessies gevende Ave’s van het refrein. Dan reed die trein van jammer en geloof, die kreunende en zingende trein Lourdes binnen en stond stil.

Onmiddellijk werden de portieren geopend en stapte de menigte gezonde pelgrims en de zieken, die loopen konden, uit, en overstroomde het perron. De enkele lantaarns verlichtten slechts zwak die arme schare in hun povere kleeding, beladen en bepakt met allerlei bagage, manden, valiezen, houten kisten; en te midden van het gedrang, het gestoot met ellebogen van die opgewonden troep, die niet wist in welke richting zij gaan moest, om bij den uitgang te komen, stegen uitroepen op, geschreeuw van families, die elkaar verloren hadden, werden enkelen begroet door familieleden of vrienden, die hen kwamen halen. Met een blik van zalige tevredenheid verklaarde een vrouw: “Ik heb lekker geslapen!” Een pastoor ging met zijn valies weg, terwijl hij een manke dame: “Veel geluk!” toewenschte. De meesten hadden de verschrikte, vermoeide en blijde uitdrukking van menschen, die een pleiziertrein op een onbekend station uitwerpt. Ten slotte werden het gedrang en de verwarring zóó groot, dat de reizigers niet eens de beambten hoorden, die met hun “Hierheen! Hierheen!” hun keel schor schreeuwden, om de ontruiming van het station te bespoedigen.

Vlug was zuster Hyacinthe, die de zorg voor den doode aan zuster Claire des Anges overgedragen had, uitgestapt en liep nu naar den kantinewagen met het denkbeeld, dat Ferrand haar helpen zou. Gelukkig vond zij voor dien wagen pater Fourcade, aan wien zij zachtjes het voorgevallene vertelde. Hij wist een gebaar van ongeduld te bedwingen en hield baron de Suire, die juist voorbijkwam, aan. Een paar seconden fluisterden de beide mannen. Dan spoedde de baron zich voort, baande zich een weg door de menigte met twee dragers, die een overdekte baar droegen. En de man werd weggedragen, als ware hij een zieke, die een flauwte gekregen had, zonder dat de groote schare pelgrims zich in de drukte van de aankomst verder om hem bekommerde; de beide dragers, voorafgegaan door den baron, legden hem voorloopig achter tonnen in een der loodsen neer. Een van hen, de zoon van een generaal, bleef bij het lijk waken.

Na zuster Saint-François gevraagd te hebben op het stationsplein bij het gereserveerde rijtuig, dat haar naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs zou brengen, op haar te wachten, haastte zuster Hyacinthe zich weer naar haar wagon terug. Toen zij zeide, dat zij eerst de zieken behulpzaam wilde zijn bij het uitstappen, weigerde Marie dat op vriendelijken toon.

“Maak u maar niet druk om mij, zuster. Ik zal tot het laatst wachten… Vader en abbé Froment zijn in den bagagewagen het onderstel gaan halen; ik wacht hier wel, ze weten hoe ze alles in elkaar moeten zetten en me dan wegrijden.”

Ook mijnheer Sabathier en broeder Isidore wilden niet weggebracht worden, voor de drukte wat voorbij was. Madame de Jonquière, die la Grivotte voor haar rekening genomen had, beloofde er ook voor te zullen zorgen, dat madame Vêtu in een ambulancewagen vervoerd zou worden.

Toen besloot zuster Hyacinthe onmiddellijk weg te gaan, om alles in het ziekenhuis in orde te maken. Zij nam de kleine Sophie Couteau en Elise Rouquet, wier gezicht zij zorgvuldig bedekte, mede. Madame Maze ging haar voor, terwijl madame Vincent zich een weg door de menigte baande, alleen nog maar bezield door de gedachte haar kind, dat zij bewusteloos in haar armen droeg, in de Grot aan de voeten van de Heilige Maagd neer te leggen. Nu verdrong de menigte zich naar den uitgang. Men moest de deuren van de bagagezaal open zetten om het wegvloeien van den menschenstroom te vergemakkelijken; de employé’s, die niet meer wisten, hoe zij de plaatsbewijzen moesten innemen, hielden hun petten maar op, die zich weldra met de kleine stukjes karton vulden.

Op het stationsplein, een groot vierkant plein, dat aan drie zijden door de lage stationsgebouwen ingesloten was, heerschte eveneens een buitengewone drukte, een verwarring van allerlei soorten voertuigen door elkaar heen. De hotel-omnibussen, die tegen den trottoirband stonden, hadden op hun impériales de heiligste namen, die van Maria en Jezus, van den H. Michael, van den Rozenkrans, van het Heilige Hart. Dan volgde ambulancewagens, landauers, cabrioletten, meubelwagens, kleine ezelkarretjes, waarvan de koetsiers schreeuwden en vloekten te midden van het lawaai, dat nog toenam door de duisternis, waarin de lantaarns enkele lichte gaten boorden.

Het onweer had een gedeelte van den nacht geduurd, nattige modder spatte op onder de hoeven der paarden; de voetgangers waadden er tot aan hun enkels in.

Mijnheer Vigneron, die door madame Chaise gevolgd werd, droeg zijn zoon met diens krukken in den omnibus van het Hôtel des Apparitions, waarin zijn dames en hij zelf dan ook plaats namen. Madame Maze wenkte angstig als een zindelijk poesje, dat bang is zijn pootjes vuil te maken, den koetsier van een oud vehikel, stapte in en verdween, terwijl zij als adres het klooster der Blauwe Zusters opgaf. Zuster Hyacinthe kon eindelijk met Elise Rouquet en Sophie Couteau plaats vinden in een ruimen char-à-bancs, waarin Ferrand en de zusters Saint-François en Claire des Agnes reeds zaten. De koetsiers legden de zweep over hun kleine, vurige paardjes en de rijtuigen schoten in groote vaart weg te midden van het geschreeuw der menschen en het opspatten van de modder.

Bij het zien van die geweldige menschenmassa durfde madame Vincent met haar dierbare last niet verder gaan. Om haar heen klonk hier en daar gelach. O, wat een modder! Allen hielden haar rokken op en gingen weg. Toen het plein wat leeger werd, waagde zij het eindelijk ook te gaan. Maar wat een angst, om in die modderplassen uit te glijden en in die pikdonkerte te vallen! Toen zij bij den weg, die naar beneden liep, kwam, zag zij groepjes vrouwen uit de omstreken staan, die op vreemdelingen loerden en hun kamers met of zonder pension, al naar hun beurzen, aanboden.

“Madame,” vroeg zij aan een oude vrouw, “zoudt u mij den weg naar de grot kunnen wijzen?”

Doch deze gaf geen antwoord op die vraag, bood haar een niet dure kamer aan.

“Alles is vol, u zult in de hotels niets meer vinden… Misschien nog wat te eten, maar zelfs het kleinste hoekje niet om te slapen.”

Eten, slapen, daar dacht madame Vincent nog al aan, die op reis gegaan was met dertig sous, alles wat zij na de uitgaven, die zij had moeten doen, nog bezat!

“Madame, hoe kom ik het makkelijkst bij de Grot?”

Onder de vrouwen, die daar stonden te loeren, bevond zich een flinke, groote meid in een helder dienstbodenpakje, met een frisch gewasschen gezicht en goed onderhouden handen. Zij haalde flauwtjes haar schouders op. En toen een priester met een breede borst en gezonde roode wangen voorbijkwam, vloog zij op hem af, bood hem een gemeubileerde kamer aan en bleef hem volgen, terwijl zij hem iets in het oor fluisterde.

“Kijk,” zeide eindelijk een ander meisje, dat medelijden kreeg, tegen madame Vincent, “loop dezen weg af, sla dan rechts om en u bent bij de Grot!”

Op het perron, waarvoor de trein stilgehouden had, heerschte nog een groot gedrang. Terwijl de gezonde pelgrims en de zieken, die nog loopen konden, weggingen, waren de ernstige zieken, wier uitstappen en vervoer moeilijker ging, nog in de wagons. De brancarddragers raakten hun hoofd kwijt, liepen met hun draagbaren en wagentjes als dollen heen en weer, wisten bij de overstelpende hoeveelheid werk niet, waar zij beginnen moesten.

Toen Berthaud met Gérard, druk gesticuleerend, voorbijkwam, zag hij bij een lantaarnpaal twee dames en een jong meisje, die blijkbaar stonden te wachten. Hij herkende Raymonde en hield zijn vriend met een gebaar terug.

“O, mademoiselle, het is me een waar genoegen u te zien. Maakt uw moeder het goed en hebt u een goede reis gehad?”

En zonder op een antwoord te wachten:

“Mijn neef Gérard de Peyrelongue.”

Raymonde keek met haar heldere, glimlachende oogen den jongen man even goed aan.

“O, ik heb het genoegen mijnheer te kennen. Wij hebben elkaar reeds te Lourdes ontmoet.”

Gérard echter vond, dat zijn neef Berthaud wat te hard van stal liep, en maakte, vastbesloten, zich niet op die manier te laten binden, een zeer beleefde buiging.

“Wij wachten op mama,” begon het jonge meisje weer. “Zij heeft het met al die ernstige zieken zeer druk.”

De kleine madame Désagneaux met haar knap, blond gezichtje en haar weerspannige lokken, kwam daartegen in verzet en zeide, dat het madame de Jonquière’s eigen schuld was, dan had zij haar hulp maar niet moeten weigeren; zij stampte van ongeduld met haar voeten en brandde van verlangen om zich nuttig te maken, terwijl madame Volmar zich stil en bescheiden op den achtergrond hield en niet de minste belangstelling toonde; zij trachtte met haar prachtige oogen, die gewoonlijk als met een sluier bedekt waren, doch als kolen konden gloeien, de duisternis te doorboren, als zocht zij iemand.

Op dat oogenblik ontstond er een groot gedrang. Madame Dieulafay werd uit haar compartiment eerste klasse gedragen, en madame Désagneaux kon een uitroep van medelijden niet bedwingen.

“Arme vrouw!”

Het was ook werkelijk een hartverscheurend schouwspel, die jonge vrouw te midden van haar grooten luxe, met haar kanten als in een doodkist liggend, zoo vermagerd, dat zij nog slechts een lap scheen te zijn. Zoo lag zij daar te wachten om weggedragen te worden. Haar man en haar zuster bleven bij haar staan, beiden zeer elegant en bedroefd, terwijl een knecht met de bagage wegging om te kijken of het telegraphisch bestelde rijtuig op het plein stond. Ook abbé Judaine hielp de zieke; en toen twee mannen haar oplichtten, boog hij zich over haar heen en sprak haar enkele bemoedigende woorden toe, die zij echter niet scheen te hooren. En terwijl hij haar nakeek, zeide hij tegen Berthaud, dien hij kende:

“Die arme menschen! Als zij de genezing konden koopen! Ik heb hun gezegd, dat het kostbaarste goud voor de Heilige Maagd het gebed is; en ik hoop zelf genoeg gebeden te hebben, dat de hemel zich over haar zal ontfermen… Maar toch brengen zij een prachtig geschenk mede, een gouden lantaarn voor de Basilica, een prachtwerk, met edelgesteenten bezet… Moge de Onbevlekte Maria zich een glimlach verwaardigen!”

Veel geschenken werden medegebracht, reusachtig groote bloemruikers voorbijgedragen, onder meer een driedubbele kroon van rozen op een houten voetstuk. De oude priester zeide, dat hij, alvorens het station te verlaten, nog een vaandel wilde gaan halen, een geschenk van madame Jousseur, de zuster van madame Dieulafay.

Inmiddels kwam madame de Jonquière naar hen toe en zeide, toen zij Berthaud en Gérard herkend had:

“Ach als het u blieft, heeren, gaat u zoo gauw mogelijk naar dien wagon hier vlak bij. Er zijn daar mannen noodig, er moeten drie of vier zieken uitgedragen worden… Mijn hoofd loopt om, ik kan niet meer.”

Gérard liep er reeds heen, na Raymonde gegroet te hebben, terwijl Berthaud madame de Jonquière aanraadde niet langer op het perron te blijven; hij verzekerde haar stellig en zeker, dat men haar volstrekt niet noodig had, dat hij voor alles zou zorgen en dat zij binnen drie kwartier haar zieken in het hospitaal zou hebben. Eindelijk liet zij zich overhalen en nam met Raymonde en madame Désagneaux een rijtuig. Op het laatste oogenblik was madame Volmar, als gaf zij toe aan een plotseling opgekomen ongeduld, verdwenen. Men had haar naar een onbekend heer zien gaan, zeker om hem een inlichting te vragen. Enfin, ze zouden haar wel in het hospitaal terugvinden.

Berthaud voegde zich voor den wagon bij Gérard, juist toen deze met behulp van twee andere vrienden mijnheer Sabathier uit den coupé droeg. Het was een moeilijk werkje, want hij was dik en zwaar, en zij waren bang, dat zij hem niet door het portier zouden kunnen krijgen. Maar toch was hij erdoor binnengekomen ook. Twee andere dragers moesten nog door het andere portier naar binnen gaan, en op die wijze slaagde men er eindelijk in hem op het perron te krijgen. De dag begon aan te breken, een vaal, triest licht; het perron maakte met zijn uitstalling als van een geïmproviseerd lazaret een jammerlijken indruk. La Grivotte lag bewusteloos op een matras in afwachting van een draagbaar, terwijl men madame Vêtu, die zoo’n hevigen aanval had, dat zij bij den minsten schok gilde, tegen een lantaarnpaal had moeten neerzetten.

Heeren van de Hospitalité met handschoenen aan, reden in hun kleine wagentjes moeilijk arme, vuile vrouwen voort, die oude manden aan haar voeten hadden; weer anderen konden niet passeeren met hun draagbaren, waarop stijve lichamen lagen, jammerlijke, zwijgende lichamen met van angst uitpuilende oogen. Enkele zieken en kreupelen sleepten zich met moeite voort, zooals een jonge, hinkende priester en een kleine jongen met krukken, een bochel en een afgezet been, die zich als een aardmannetje door de menigte voortbewoog. Een groot gedrang was ontstaan om een man, die door een verlamming zóó krom gebogen was, dat men hem met zijn beenen en zijn hoofd naar beneden op een omgekeerden stoel vervoeren moest.

De verwarring bereikte echter zijn toppunt, toen de chef schreeuwend kwam aanstormen: “De expres van Bayonne is gemeld… Opschieten! Opschieten! Je hebt nog maar drie minuten!”

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
721 p. 3 illustrations
ISBN:
4064066403553
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books