Read the book: «Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven»

Font::

August Prell

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405465

Inhoudsopgave

IETS OVER INDISCHE SOLDATEN.

VRIJWILLIGERS.

EINDELIJK RECRUUT.

ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.

MIJN EERSTE RAPPORT.

KAPITEIN „EENOOG”.

MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER

„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”

ZINGENDE SOLDATEN.

PARADE.

DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.

DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN.

[Inhoud]

IETS OVER INDISCHE SOLDATEN.

Inhoudsopgave

Ieder, die de toestanden in het Indische leger kent, zal zich verwonderd hebben over al den onzin, die in den laatsten tijd daarover geschreven en gesproken werd. Voornamelijk enkele hoogmogende geestelijken en de middernacht-zendelingen, hebben in woord en geschrift den banvloek uitgesproken over de schurftige schapen onder hun zoo zorgvol geweide kudde. Zou dit wel de beste weg zijn, om verdoolden op het goede spoor terug te leiden? Tot nog toe heb ik in ’t practische leven nooit anders ondervonden, dan dat menschen in ’t kwade verharden, hoe meer men hun fouten en gebreken wereldkundig maakt en hen daarbij met verwijtingen en scheldwoorden overlaadt. Uit lang vervlogen dagen klinken mij nog altijd de woorden in het oor van een ouden geestelijke, die over naastenliefde sprak. [2]

„Bestaat er geen naastenliefde meer, of strekt zij zich niet uit tot den Indischen soldaat?” Als men mocht gelooven al hetgeen de heeren zeggen, dan bestaat het Indische leger voor het grootste gedeelte uit menschen, wier hoogste ideaal de jeneverflesch en de dienst van Venus is. Haast nooit heb ik in hun uitlatingen een lichtpunt kunnen ontdekken. Satan heeft het geheele leger in erfpacht. Hij beploegt, bezaait het en oogst er van.

Volgen wij die heeren eens op hun militaire uitstapjes. Eerst dan naar Harderwijk. De lieden, die WIJ er aantreffen, zijn geen soldaten van het Indische leger; het zijn verkleede burgers en eerst na hun inscheping kunnen zij gerekend worden deel uit te maken van het Indische leger. Deze verkleede burgers, tot verschillende nationaliteiten behoorende, zijn saamgepropt in een nest, waar de verveling ieder mensch op ’t gezicht en ieder huis op de deur te lezen staat. Hoe zullen deze verkleede burgers, die meest allen, ieder op zijne wijze, uit den levensbeker van vreugde en leed met volle teugen gedronken hebben, maanden achtereen, tot zij worden ingescheept, hun vrijen tijd klein krijgen? De verveling en alleen de verveling is het, die deze verkleede burgers zoo dikwijls met de jeneverflesch in aanraking brengt. Deze verkleede burgers zijn het, die men in de hoofdstad zoo dikwijls in gezelschap van liederlijke [3]vrouwspersonen langs de straat flaneeren ziet. Aan deze verkleede burgers is het te wijten, dat het Indische leger zoo ten onrechte bij de burgerij in slechten reuk is gekomen. Immers zij behooren nog niet tot het Indische leger. Wat zij misdoen komt voor rekening van de burgerij.

Hoe geheel anders doet zich dezelfde verkleede burger voor, als hij soldaat geworden is, als hij discipline geleerd heeft. Nu, een ieder, die slechts éénmaal zijn neus in een Indische provoost heeft gestoken of de verhalen heeft aangehoord van soldaten, die bij een hitte van 98° daar 8 tot 14 dagen hebben doorgebracht, met den rechtervoet aan de linkerhand geklonken en om den anderen dag gespijzigd met water en droge rijst—en dat alles omdat zij te veel gedronken hadden—in ’t kort een ieder, die tot bedoelde bevoorrechten behoort, zal beseffen dat de jeneverflesch het ideaal van den Indischen soldaat niet zijn kan. Het beste bewijs daarvoor zijn de strafregisters. Laat het nu gebeuren, dat werkelijk de eene of andere soldaat eenmaal in het geheele jaar wegens dronkenschap gestraft wordt; is hij dan een dronkaard? Daarbij moet ik op den voorgrond stellen, dat men in het Indische leger niet die talrijke fijne schakeeringen kent, waarvoor in het burgerlijk leven zoo dikwerf uitdrukkingen gebezigd worden als: goed geamuseerd, een [4]beetje aangeschoten, even boven zijn theewater, enz.

Neen! daar laat de wachthebbende onderofficier den verdachte eenvoudig „rechtsomkeert” maken en zoo hij bij die manoeuvre maar even zwaait, dan is hij „zuur” en marcheert de provoost in. Gerechte hemel! Hoeveel „rijksprovoosten” zou de minister van Justitie wel moeten laten bouwen, indien hij zoo’n ouden Indischen snorrebaard aan de deur van „de Groote Club”, „de Witte” en meer dergelijke inrichtingen posteerde, met de opdracht, om ieder, die buiten komt, rechtsomkeert te laten maken en wanneer hij waggelt, te doen inrekenen. Wie weet of er dan niet menigeen onder zou zijn, van degenen, die thans met huichelachtige verdraaiing der oogen bidden: „Heere! Heere! drijf toch den drankduivel uit het Indische leger!” Om terug te komen op de geestelijkheid, wie het werkelijk ernst schijnt te zijn, om in het Indische leger zedelijke verbeteringen tot stand te brengen,—ik veroorloof mij, haar nogmaals te wijzen op de verkeerde taktiek, sommige gebreken in het openbaar te gispen of op misstappen opmerkzaam te maken, die door enkelen begaan worden. Zoo las ik bijvoorbeeld onlangs in de Locomotief een artikel, onderteekend Roge, waarin een pastoor zich bitter beklaagde over soldaten, die hij tot kerkzangers had willen opleiden. In den beginne had hij hun jenever gegeven zooveel [5]zij wilden en toen hij bemerkte, dat zij zich te buiten gingen, had hij een proef genomen met ijswater en sigaren; maar toen waren de zangers weggebleven. Doch de pastoor moest dan toch in ieder geval weten, dat de goede God niet gediend kan zijn met den lofzang van menschen, wier plotseling opwellende godsdienstzin door de uitwerking van spiritualiën is teweeggebracht. Aan den anderen kant kan men het toch den soldaten niet euvel duiden, dat zij, in de meening dat hun diensten dezelfde bleven, bij verlaging van loon, het vrome werk staakten. Het is immers de oude geschiedenis van den hond, die geen brood meer lust, nadat men hem met biefstuk gevoed heeft. Had de pastoor op het eergevoel dier mannen gewerkt, had hij hen beschouwd als menschen „van gelijke beweging” als hij, dan zou hij geen jenever en ook geen ijswater met sigaren noodig hebben gehad. Deze Pastoor Roge moest zich eens door zijn collega Verbraak op Atjeh laten leeren hoe met Indische soldaten om te gaan; want die weet het! Ik geloof, dat niet één soldaat—Christen, Jood, Mohammedaan of heiden, om ’t even—van Atjeh is weggegaan, die niet met bewondering aan pastoor Verbraak terugdenkt. Een glimlach helderde als een zonnestraal de smartelijk verwrongen trekken der gewonden en zieken op, als de pastoor de ziekenzalen binnentrad en vroeg: „Jongens, [6]heb je ook wat op ’t hart?” Nooit kwam er een verwijt over zijn lippen. Een vriendelijke vermaning als: „Jongens, wat heb je nu aan dat vloeken over je pijn!” was het ergste wat men van hem te hooren kreeg. Menig stervende van een andere geloofsbelijdenis, die in zijn laatste oogenblikken berouw over zijn vroeger leven gevoelde en zich tot Verbraak, die aan zijn sponde bad, wendde met de woorden: „Pastoor, zal uw gebed wel voor een andersdenkende helpen?” gaf hij ten antwoord: „Voor God zijn wij allen gelijk en ook u zal Hij niet verstooten. Ge waart immers een braaf soldaat en sterft voor uw vaderland.”

Door zulke woorden heeft hij honderden het sterven gemakkelijk gemaakt.

Wanneer die man zich met het maken van proselieten had willen bezighouden, dan had hij waarschijnlijk op rijken oogst kunnen rekenen; doch zulke gedachten bleven den edelen man verre. In den waren zin des woords is hij „een man Gods”, iemand, die weet wat naastenliefde is en aan wien zijn collega’s zich kunnen spiegelen.

Wat is het nu, dat dezen geestelijke de harten opent dier schijnbaar ongevoelige soldaten? Juist deze liefde tot den naaste en daarbij een schat van menschenkennis. Weinig geestelijken in Indië kunnen op deze laatste eigenschap bogen. Ze begrijpen niet, dat door jarenlangen omgang tusschen [7]de verschillende geestelijke elementen der Indische soldatenwereld een zekere gelijkheid plaats heeft gegrepen. Onwillekeurig doet zich op den minder ontwikkelde in het Indische leger de invloed gevoelen der duizenden meer beschaafden, die gemeenlijk, na financieel schipbreuk te hebben geleden, in de haven van den militairen dienst in Indië zijn binnengeloopen.

In ’t algemeen kan men zeggen, dat het „gladde” of „gare” jongens zijn, zooals de volkstaal het noemt, die in Indië de uniform dragen; deze hoedanigheid hebben zij zich op de puinhoopen van hun burgerlijk bestaan eigen gemaakt. Is het nu niet dwaas, tot zulke mannen zendelingen af te vaardigen, die indertijd misschien als schoen- of kleermaker hun sporen verdiend hebben, maar wien het ten eenen male aan menschenkennis ontbreekt? Nog steeds moet ik aan een doodzieken soldaat denken, die in het hospitaal te Weltevreden in mijn nabijheid lag. Ook hem kwam zulk een zendeling bezoeken, die een zeer opwekkende voordracht hield over de pijnen der hel, de eeuwige verdoemenis en andere schoone vooruitzichten, die hem aan gene zijde van het graf wachtten, indien hij zich niet bekeerde. De man kwam daarbij zoo in vuur, dat hij letterlijk schreeuwde. Toen hij ten slotte een oogenblik ophield, merkte de kranke cynisch aan: „En daarvoor geven ze je ƒ300 in de maand? [8]Dat moesten ze mij eens geven: ik zou de menschen heel wat anders vertellen.” Het algemeene gelach, dat zich daarop door de geheele zaal deed hooren, bewees dat hier meer was bedorven dan tien zendelingen in jaren weder zouden kunnen goedmaken. Men zende daarom beschaafde, ontwikkelde zendelingen naar Indië, die niet alleen bijbelvast zijn en ijverige arbeiders in den „wijngaard des Heeren”, doch ook in staat eenigszins de personen te doorgronden, die zij troost willen brengen. Ze zullen daar een rijk arbeidsveld vinden, in samenwerking met officieren en burgerij. Deze samenwerking moet in de eerste plaats ten doel hebben, om de soldaten in hun vrije uren afleiding te bezorgen. Vooral is dat noodig bij de depôt-bataljons. Hier ontvangt de soldaat de eerste indrukken van het Indische militaire leven en die zijn meestal de blijvende.

Hoe diep gevoelde ik daar in den eersten tijd van mijn soldatenleven dat gemis aan bezigheid voor den geest. Niemand bood mij bij mijn zoeken naar geestesvoedsel de behulpzame hand, totdat eindelijk een weldenkende chef—kapitein Flier heette de wakkere man—mijn verzoek om te Meester-Cornelis een militaire zangvereeniging op te richten, krachtdadig ondersteunde. In minder dan geen tijd waren er ongeveer twintig, met een goede stem begaafde soldaten gevonden, die elken [9]avond, wanneer zij geen dienst hadden twee of drie uren lang, ondanks de groote hitte repeteerden en getrouwelijk alle vijf dagen van hun karige soldij nog een kleinigheid afzonderden, om zich daarvoor muziekpapier enz. aan te schaffen. Die mannen dachten niet meer aan de jeneverflesch. Hoe gelukkig waren zij, als bij een assaut of eenige andere gelegenheid, hun gezang met geklap van dameshandjes werd beloond of zich op de strenge gezichten hunner superieuren een welwillende glimlach vertoonde! Die menschen hadden ook eergevoel en op dat eergevoel, dat zooveel onverstandige beoordeelaars aan Indische soldaten willen ontzeggen, moet voortdurend gewerkt worden.

Moge nu de geestelijkheid haar machtigen invloed eendrachtig aanwenden, om, door te werken op het eergevoel, bij den soldaat het zedelijk evenwicht, dat door verschillende slagen van het noodlot aan het wankelen is gebracht, te herstellen en te bevestigen. Dit kan gemakkelijk geschieden door hem gelegenheid te geven zich persoonlijk te doen waardeeren. Men voere lichamelijke spelen in, als schermen, kolven, kegelen, kaatsen, worstelen, enz. En wanneer er dan wedstrijden werden uitgeschreven, waarvan officieren en burgers met hun dames getuigen wilden zijn, zouden honderden soldaten zich beijveren onder het oog van superieuren en schoone belangstellenden een goed figuur te maken. [10]

Een prijs door een dameshand uitgereikt, een welwillend en aanmoedigend woord van schoone lippen, dat den soldaat zegt: „Ge zijt niet de paria, het uitvaagsel der maatschappij, waarvoor dwazen in Europa u houden, die allen omgang met u schuwen, als waart ge een melaatsche,” zou hem aansporen, zich dat gunstig oordeel waardig te maken. Dan zou de jeneverflesch geheel verdwijnen en de omgang met vuile deernen grootendeels ophouden. Met dit laatste wordt evenwel niet bedoeld, dat de Indische soldaat van zijn huishoudster afstand zou moeten doen. Neen! Natuur stelt haar wetten en daar kan niet straffeloos tegen worden gezondigd. Door het oprichten van liefhebberij-tooneelgezelschappen, het organiseeren van vaderlandsche spelen, zooals die reeds hier en daar beoefend worden, moet de soldaat moreel worden opgeheven, gelijk dit mede door het houden van voordrachten geschieden kan. Wat dit laatste betreft, heeft de geestelijkheid een goede gelegenheid om op den voorgrond te treden. Dorre predikatiën, doorspekt met bijbelteksten of diepzinnige philosophische beschouwingen, zijn hier niet op haar plaats, maar koddige, pakkende onderwerpen, waarbij drupsgewijze een ernstig, overtuigend woord wordt ingelascht, dat de toehoorders treft en tot nadenken stemt. Doch daartoe worden beschaafde, hoog-ontwikkelde menschen gevorderd. Men biede [11]ook den soldaten de gelegenheid, om over ’t gehoorde te debatteeren, ja, men wekke hen daartoe op. Hoe goed zou het zijn, als nu en dan ook eens een der oudere officieren zich onder de soldaten mengde en hun een blik gunde in zijn aan ervaring zoo rijk militair leven! Men weet toch met welke illusies zoo vele jonge mannen naar Indië gaan, hoezeer enkelen zich, juist in den eersten tijd, ontgoocheld gevoelen en dan in hun wanhoop naar de flesch grijpen. Velen, velen van hen zouden dankbaar zijn, indien zij bij superieuren en notable burgers de behoefte mochten waarnemen, om hun te toonen, dat men onder den ruwen bolster de goede kern op prijs stelt. Men late dus het eeuwigdurende schimpen op den armen soldaat, die dagelijks, ja, ieder uur, zijn leven veil moet hebben. Het leven wordt hem toch reeds zuur genoeg gemaakt, als hij in de burgermaatschappij terugkeert. Overal vindt hij deuren en harten gesloten. Heeft hij gelukkigerwijs het eerekruis voor „moed, beleid en trouw” op de borst, ja, dan vindt hij nog wel op voorspraak van invloedrijke mannen een schamel tehuis; zijn kameraad echter, niet zoo gelukkig om het eeremetaal te kunnen toonen, al heeft ook hij zich dapper geweerd, kan verder trekken en in den strijd om het bestaan soms ellendig ondergaan.

Vele brave soldaten zijn zoo het slachtoffer van [12]den blinden ijver eeniger geestelijken en van de door haar misleide menigte. Mochten daarom deze zoo veel vermogende heeren toch eens in boven aangeduide richting werken. Er worden hier te lande zoovele goede patriotten gevonden, die in openbare vergaderingen voor algemeenen dienstplicht ijveren en van den katheder het „Dulce est pro patria mori” verkondigen en dan naar huis gaan, en een paar bankjes van honderd uit de brandkast nemen en voor het lieve zoontje een remplaçant koopen. Wanneer deze zich met die geestelijken vereenigen en hun invloed in dien geest aanwenden, dat men den Indischen soldaat niet langer een stuk vee scheldt, dat voor 2 tot 300 gulden gekocht is, om naar de Atjehsche slachtbank geleid te worden, dan zal ook eens de tijd komen, waarin een Hollandsche moeder met trots zeggen kan: „Mijn jongen is Indisch soldaat geweest.” [13]

[Inhoud]

VRIJWILLIGERS.

Inhoudsopgave

Er zijn toch merkwaardige menschen onder de Hollandsche militaire artsen. Toen ik indertijd naar Arnhem was gegaan, om te laten onderzoeken, of mijn corpus ook waardig kon geacht worden om de Hollandsche driekleur tegen de Atjehers te verdedigen, zeide mij de dokter:

„Man, je hebt in je leven veel te veel spek gegeten; je bent te dik en zoudt onder de stralen der tropische zon wegsmelten als boter in den zomer.” De dokter in Den Haag daarentegen beweerde, toen ik hem de opinie van zijn Arnhemschen collega meedeelde: „Er komen nooit vette moffen naar Holland; dat worden ze eerst, als ze een tijd lang hier gewoond hebben.”

Beide heeren hebben zich nogtans in mijn persoon vergist. Ik heb evenmin vaak spek gegeten, als dat ik in den loop der jaren in Holland „vet” [14]ben geworden en toch ben ik trotsch van top tot teen een „mof” te zijn gebleven. Maar versta mij goed, ik bedoel niet van die soort, die tusschen vier muren, bij gesloten deuren fluisterend verklaren durven: „ik ben Duitscher” en buitenshuis de huik naar den wind hangen en doodsangsten uitstaan als deze of gene burger van het land, welks gastvrijheid zij genieten, hen toevallig op de nationale eksteroogen trapt; niet zoo een, wiens hart vandaag voor den Adelaar, morgen voor den Beer en overmorgen voor een ander beestje gloeit, dat hem met zilverkleurigen blik aanstaart. Vaderlandsliefde laat zich niet als een vuil hemd afleggen en tegen een ander verwisselen.

Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, ik was destijds blij, dat de tweede dokter gelijk kreeg, want in mijn verbeelding zag ik mij reeds over eenige jaren de luitenantssterren en de eene of andere Indische koningsdochter met een kruiwagen vol briljanten en eenige millioenen guldens speldegeld toebedeeld. Het zou werkelijk jammer zijn geweest, als zoo’n spek-vreezende aesculaap mijne luchtkasteelen omver had geworpen.

Nog meer voedsel kreeg mijn verbeeldingskracht, toen ik eene afdeeling „schutters” had zien exerceeren, die ik voor „echte” soldaten hield. Jongen, jongen, dacht ik, als de soldaten in Indië precies zoo zijn als deze „Krähwinkler”, dan, dan.… [15]krijg je al gauw de berenmuts op het hoofd en kaplaarzen aan de voeten.

Mijn illusies werden wel wat verzwakt, toen mij een oude snorrebaard van een korporaal werd toegevoegd, die mij naar het Dorado der „kolonialen” naar Harderwijk moest brengen. Om aan onze kennismaking een ietwat hartelijk karakter te verleenen, liet hij mij, bij den aanvang onzer reis, vijf blinkende patronen zien. „Die zijn allen voor jou, als je ’t in je hoofd mocht krijgen, om er van door te gaan”, zeide hij met een grimmig lachje. Ik bedankte voor de attentie, verklaarde zulke mooie patronen niet waard te zijn en betuigde levendig mijn spijt, hem niet in de gelegenheid te kunnen stellen, op mij de zekerheid van zijn schot te bewijzen, daar ik niet naar Holland was gekomen met de bedoeling om er van door te gaan, maar om te blijven.

Mijn Cerberus scheen met deze verklaring tevreden. Hij stak een pruimpje achter de kiezen en spuwde op Moeder Aarde. In Utrecht deed ik de ontdekking, dat zich ook in Holland de niet-militaire sterveling een ander begrip van een „vrijwilliger” vormt dan de militaire. De scherp-geladen korporaal volgde mij, zesjarig-vrijwilliger, op den voet. Hij dronk ook mijn cognac op, die ik aan het station had gekocht, waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat zich daarin geen [16]ingrediënten voor adspirant-zelfmoordenaars bevonden.

Voortdurend omringde ons een nieuwsgierig publiek, uit welks midden enkele gezegden mijn oor troffen, waaruit ik kon afleiden, dat men zich omtrent mij nog geen juiste voorstelling vormde. Een meende er, dat ik wel iemand moest hebben doodgeslagen; een ander verzekerde, mij nog onlangs in den Haag te hebben gezien op de bank der beschuldigden, gezeten tusschen een paar andere leden van het edele spitsboevengilde. In elk geval was ik een interessant iemand. Nogtans zou ik moeten liegen, als ik beweren wilde, dat de aandacht aan mijn persoon geschonken, mij aangenaam was.

In Harderwijk aangekomen, nam mij aan het station een patrouille tegen een menigte langneuzige menschen in bescherming, die allen naar den naam Mozes luisterden. Het waren „hoteliers (?)”, die mij in hun vertrekken het paradijs reeds op aarde voorspiegelden. Daar ik nooit een vriend van knoflook ben geweest, volgde ik den raad van een sergeant op en nam mijn intrek in een herberg, in de onmiddellijke nabijheid der kazerne, die eerst den volgenden morgen zich gastvrij voor mij zou openen. In de gelagkamer ging het vroolijk toe. Alles zag er blauw; de lucht van den rook der sigaren, de uniformen en [17]eveneens gezicht en handen der dragers. De champagne, waarvan kleur en mousseerende werking sterk herinnerden aan het product der appelboomen in den omtrek van Sachsenhausen, stroomde rijkelijk over de tafel.

De waard was een waar menschenvriend. Toen hij bemerkte, dat het edele nat zijn gasten naar het hoofd begon te stijgen, kwam hij telkens als er om champagne geroepen werd, met ledige flesschen aandragen, die hij op tafel zette. Minder menschlievend was het echter, dat hij die ook voor volle liet betalen.

De kazerne liet niet in het minst vermoeden, dat men zich in het schatrijke Holland bevond. Het is een oude, wormstekige kast, die aan de controle van een adjudant-onderofficier met den omineuzen naam van „Stier” toevertrouwd was. De man kon er op bogen geen enkelen vriend te bezitten. En waarom? Omdat hij steeds zijn plicht deed, wat men van de overige onderofficieren niet kon beweren.

Nadat ik hem mijn papieren had overhandigd, en het hem, uit mijn getuigschrift van goed, zedelijk gedrag duidelijk was geworden, dat ik nooit op gespannen voet had gestaan met de Duitsche politie, zond hij mij met nog een paar andere Europa-moede jongelingen naar den dokter. Ja, het zijn voorzichtige menschen, die Hollanders, zij [18]koopen voor 200 gulden geen kat in den zak. Doch ook deze dokter kon geen schoonheidsgebreken aan mij ontdekken en ik mocht hem verlaten in het geruststellend bewustzijn, eindelijk aan het begin van mijn militaire loopbaan te staan. Weinig genoegen bereidde mij de metamorphose, door welke ik, burgerlijk embryo, in een schitterenden militairen vlinder zou worden herschapen. O, die gemeene blauwe kleur der uniformen! Geen aasje schoonheidsgevoel kan de uitvinder er van hebben bezeten. De helft van mijn handgeld heb ik in zeep moeten omzetten, om gezicht, handen en mijn overige corpus van de indigo te reinigen. Eén voordeel evenwel bezorgt de frissche blauwe kleur den drager; zij maakt hem tallooze vrienden; zijn verschijning toovert op de tronies der herbergiers de zonnigste uitdrukking; zelfs korporaals en, nog sterker, sergeants vertrekken de plichtmatig grimmige gezichten tot een vriendelijk lachje, want hoe blauwer de vrijwilliger is, hoe meer guldens van zijn handgeld hem nog in den zak rammelen.

Tot deze ontdekking kwam ik toen ik de krijgsartikelen, waarvan ik geen woord verstond, aangehoord had en met den broekzak vol rijksdaalders in de kazernekamer terugkeerde. Daar ontvingen mij de kameraden met ongehoorde geestdrift. De één had mijn schoenen gepoetst; een ander toonde mij mijn kapotjas, in welker knoopen men zich kon [19]spiegelen; een derde verzekerde, dat ik de aardigste kerel was dien hij ooit had leeren kennen en dat hij mij vriendschap wilde schenken, waarmede hij anders zeer spaarzaam omging; kortom allen legden een zoo roerende blijdschap aan den dag, alsof een engel tot hen was neergedaald.

Arme, arme rijksdaalders! Hoe rolden ze mij uit den zak! Geruimen tijd verliep, eer ik mij onder de manschappen wat georiënteerd had. Er waren gewezen Duitsche corps-studenten onder, gemakkelijk te herkennen aan hun getatoeëerde gezichten; voormalige officieren, die zich door stem en loop onderscheidden; ex-leden van het Fransche vreemdenlegioen met hun magere door de zon verbrande gezichten stonden naast van gezondheid blozende polderjongens; alle volkslagen, van de bovenste tienduizend tot de onderste arme massa, hadden haar vertegenwoordigers in het Indische leger. Een alleraardigste kennismaking had ik op zekeren dag, toen mij bij het plaatscorvee de taak werd opgedragen, om met nog een paar manschappen, het gras tusschen de steenen vóór de kazerne uit te wieden. Het waren bijna allen Duitschers en ik dacht eerst, dat de menschen gekscheerden, toen zij elkander met Graaf V., Baron van A. en andere welbekende adellijke namen aanspraken. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat het werkelijk echte adellijke jongelui waren. Die [20]blonde kroeskop met zijn kranig kneveltje had nog geen vier weken geleden als een chique gardeluitenant „unter den Linden” geflaneerd. Volgens het vertellen van de faam, moet een zeker generaal het hem zeer kwalijk hebben genomen, dat hij, juist op het oogenblik, dat Zijne Excellentie zijn jeugdige en bevallige echtgenoote goedennacht wilde gaan zeggen, uit het venster van het boudoir dier schoone sprong. De dikke heer, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, terwijl hij met een afgebroken stuk sabel tusschen de steenen wroette, was luitenant bij de Uhlanen geweest en had met veel hartstocht de rijsport gehuldigd. Bij wedrennen had hij steeds op zich zelf gewed, doch daar hij even zwaar was als twee andere ruiters te zamen, was hij steeds verscheiden paardlengten achtergebleven. Terwijl hij voortdurend dikker werd, leed zijn porte-monnaie aan vliegende tering. Een man, genaamd Aäron, behandelde de zieke een tijd lang, doch daar zich geen verschijnselen van beterschap voordeden, zond hij ten slotte den regiments-commandant de zeer hooge dokters-rekening.

Overmatig geldgebrek was bij de meesten de oorzaak van de verandering van lucht. Het was interessant het dozijn blauw-bloedige heeren te zien concurreeren met een stuk of wat oude vrouwen, die vóor het hotel Ducroix aan de overzijde [21]der straat denzelfden arbeid verrichtten. Maar het is in Harderwijk: gelijke monniken, gelijke kappen. Voor niemand wordt daar brood apart gebakken. Een andere, niet minder typische kennis maakte ik eens op een dag, toen ik bevel kreeg tot het reinigen van „zekere plaatsen.” Ik ontmoette er een heer, die door den geur der kazerne-viooltjes omgeven, zich aan mij voorstelde als een gewezen luitenant v. K. Zooals ik van hem vernam en mij later ook bevestigd werd, had zich de man met de borst toegelegd op het verzamelen van antiquiteiten, welke hem door een antiquaar zeer bereidwillig werden geleverd.

Toen hij nu bij dezen zeer diep in het krijt stond, deed hem de edele man het voorstel een overoude antiquiteit van hem over te nemen; op die conditie zou hij de schuld als vereffend beschouwen. De antiquiteit was juffrouw Bertha, eenige en oudste dochter van den antiquaar.

„Dan nog liever kazerne-viooltjes plukken,” dacht de luitenant en ik gaf hem gelijk.

Doch niet alleen Duitsch blauw bloed stroomde naar Harderwijk; ook trotsch klinkende Hollandsche namen, waarboven veeltakkige kroontjes prijkten, werden op het rapport afgelezen.

Men kan zich voorstellen, dat menige boeren- en andere jongens er een duivelsch behagen in schepten, zoo’n „monsieur le baron” het leven zuur [22]te maken. Gebeurde het, dat de een of andere havelooze vagebond, wien de zon door talrijke luchtgaten op de huid kon schijnen, zich als vrijwilliger kwam aanmelden, dan hoorde men dadelijk: zeker een verloopen baron uit Den Haag of een Duitsch officier. Vooral deze laatsten waren stiefkinderen der publieke opinie. Zelfs de pers bemoeide zich met hen.

Op zekeren dag kon men in een te Amsterdam verschijnend blad lezen: „Naar wij uit goede bron vernemen, bevinden zich te Harderwijk een aantal Duitsche stafofficieren, waaronder zelfs een majoor, die zich als vrijwilligers hebben in laten schrijven, natuurlijk alleen om te spionneeren.” Lieve hemel, hoe naïef! Wat hadden zij door spionneeren te weten kunnen komen? Bijvoorbeeld de inrichting der faecaliën-kuilen of hoe men daar de straat wiedt? Dat zou Moltke toch om ’t even kunnen zijn! Menigeen trok zich dergelijke uitvallen aan en zoo zich de goede luim van sommigen niet had doen gelden, of indien men niet op zijn illusies had kunnen teren, dan zou misschien deze of gene met een knal-effect geëindigd zijn.

Een der vroolijkste kameraden was de reeds genoemde uhlanen-luitenant v. A. Die had zoowat door de geheele wereld rondgeboemeld. Vóór hij naar Harderwijk kwam had hij nog een kort bezoek aan Amerika gebracht. Daar wilde hij squatter worden en [23]had met een verloopen huzaren-luitenant tot dat doel voor weinige dollars een groot stuk van een oerwoud gekocht. Den huzaar echter stonden de handen altoos verkeerd, als zij een boom wilde omhakken en de uhlaan zat steeds in angst, dat de huzaar hem bij het boomen-vellen nog eens in de beenen zou houwen. Beiden lieten daarom de boomen hemelwaarts groeien en jaagden op buffels en beren, tot de Groschen gevlogen waren. Toen zetten zij koers naar Harderwijk. V.A. moet inderdaad een weergaloos genie in het geld-maken geweest zijn. Ontelbaar waren de brieven, die hij ontving van geldschieters, die hem tegen de kleinigheid van 100 tot 200 % vriendendiensten hadden bewezen. Bij gebrek aan andere lectuur, moest men zich met de voorlezing van dergelijke epistels vergenoegen, waarmede vaak een halven avond heen ging. Men zou het nauwelijks kunnen gelooven hoeveel geld een dozijn officieren bij elkaar kan leenen. Onder de hier aanwezigen waren er die bijna evenveel brieven ontvingen als onze v. A. Enkele schuldeischers schenen van de groote bekwaamheden hunner luitenants zoo doordrongen te zijn, dat zij dezen als staf-officieren in het Indische leger waanden en hun titels toedichtten, waarvan men het water in den mond zou krijgen. Anderen dreigden weer den Hollandschen minister van oorlog voor de verschuldigde sommen aansprakelijk [24]te zullen stellen. Noch dezen, noch genen konden geholpen worden. De gemeenschappelijke menage, welke voor dertien man—zoo groot was onze club—dagelijks uit voor 10 cent groene kaas bestond, verslond namelijk het grootste deel der voorhanden zijnde geldmiddelen. Waar zijn ze thans, al de vroolijke broeders van destijds? Twee zijn officier geworden, drie vielen als sergeant in Atjeh, één erfde veel geld en boemelt nu als Pruisisch ritmeester ergens aan de Russische grens rond. Waar bleven de anderen? [25]

[Inhoud]

EINDELIJK RECRUUT.

Inhoudsopgave

Op het voordek der Celebes stond eene groep van ongeveer 30 soldaten, die allen met schitterende oogen in de verte zagen naar kleine groene stippen, die zich scherp tegen den gezichteinder afteekenden. Geen enkele was er onder hen, die niet bij den aanblik der Duizend Eilanden—want zoo heetten de groene stippen—eene onbeschrijfelijke vreugde had gesmaakt. Het moest een bijzonder genot zijn, na eene reis van twee en veertig dagen weer eens vasten grond onder de voeten te voelen. Zoo velen hunner hadden in Napels, Port Said en Aden de gelukkige passagiers met jaloersche blikken nageoogd als zij lachend en schertsend de vreemde kusten betraden. Zoo velen hunner zouden gaarne zijn meegegaan. Doch dat was niet geoorloofd, [26]want de commandant ging van de juiste zienswijze uit, dat velen alsdan niet zouden terugkeeren. Thans echter naderde het oogenblik, waarop allen Insulinde’s bekoring zouden ondergaan. Reeds kon men aan den „Kleinen Boom” een woud van masten zien opduiken; reeds suisden kleine met vruchten beladen zeilscheepjes ons vaartuig op zijde; voer een stoombootje de Celebes tegemoet om de ongeduldige passagiers af te halen. Met een helsch spektakel ratelde het zware anker in de leverkleurige golven. Met de commando’s der scheeps-officieren, het regelmatige gejoel der matrozen en het geschreeuw der passagiers, bezorgd over hun bagage, vermengden zich de krijschende stemmen der geelhuidige vruchtenhandelaars. Gelukkig de weinigen, die nog eenige zilverlingen uit de klauwen der Harderwijker harpijen gered hadden.

Zij hadden zich afgezonderd en gaven voor hunne kameraden een kauwconcert. Dezen liep het water uit den mond, wanneer de eters sappige, dikke schijven ananas tusschen hunne kaken verdwijnen lieten. Een Vlaming liet zich zelfs tot eene poging tot landverraad verleiden en bood het geheele koninkrijk België te koop voor een dubbeltje, waarmede hij zich een bos pisangs wilde aanschaffen. De aanwezige Hollanders maakten echter van het aanbod geen gebruik, ofschoon zij zoo doende [27]weer doodgemoedelijk in het bezit der verloren provincies hadden kunnen geraken. Zoo behield koning Leopold zijn land en de Maleische vruchtenkoopman zijn pisangs.

Nadat de storm onder de passagiers een weinig bedaard was en allen in de kleine stoomboot waren overgeladen, kwamen ook de soldaten aan de beurt. Zij hadden zich niet over veel bagage bezorgd te maken. Eene zwart-lederen kist verborg al de gaven van het goedhartige gouvernement, van het „jachtgeweer” alias haarkam af, tot den schoenborstel. Zij hingen de kist over den schouder en zetten zich op commando in beweging. Het afscheid van de matrozen viel niet zwaar. Deze geven zich niet gemakkelijk met den koloniaal af.

Aan wal komende, werden de dertig blauwjurken door den plaatselijken adjudant van Batavia ontvangen, een kranig officier, wiens borst met de Militaire Willemsorde versierd was. Hij geleidde het gezelschap naar een huisje, waar elk een broodje—het eerste wittebrood sedert 42 dagen—en een glas wijn kreeg. Nadat op deze wijze het lichamelijk evenwicht hersteld was, werden ook aan den geest eenige indrukken te verwerken gegeven door voorlezing der krijgsartikelen. Deze kenden allen bijna van buiten. Tegen ongeveer tien militaire vergrijpen werd met de galg en tegen een half dozijn andere met den kogel gedreigd. Dit prettige [28]vooruitzicht had waarlijk niemand bewogen de verre reis te ondernemen. Onder de dertig soldaten was er niet één, die, ieder op zijne wijze, het hoofd niet met illusies had volgepropt; kogel en galg vonden er geen plaats meer. Helaas echter werden de schoone Hindoesche meisjes, die hier bij zwermen rond moesten loopen en den lezers van Multatuli en Heine in het hoofd spookten, aan de landingsplaats met smart gemist. Het eerste exemplaar generis feminini werd in een hoek van het spoorwegstation ontdekt. Daar ik zelf de gelukkige vinder was, is het mij ook mogelijk de vondst naar waarheid te beschrijven.

De dame zat in een donkeren hoek, zoodat ik haar eerst voor een stuk bagage hield, tot zij plotseling begon te lachen en daarmede mijne opmerkzaamheid gaande maakte. Bij nauwkeuriger toezien ontdekte ik een paar geelbruine beenen, die gedeeltelijk met een stuk gekleurde stof bedekt waren. Uit het gelaat kon ik vijf minuten lang niet wijs worden. Waar andere menschen den mond hadden, was hier een uitwas van de grootte van een vuist. Het raadsel werd opgelost, toen de dame den uitwas wegnam en eene roode vloeistof in een boogvormigen straal naar mij uitspuwde.

Nu bemerkte ik eerst, dat zij zich den tijd had gekort met het kauwen van tabak. Gerechte hemel, welk een monster! Had Heine haar gezicht kunnen [29]zien, dan zou hij zeker geen rust in zijn graf hebben gehad, maar onverwijld al zijne gedichten op Hindoemeisjes en Lotosbloemen vernietigd hebben. Zoo groot kan toch het onderscheid niet zijn tusschen de Indische meisjes aan den Ganges en die aan de Tjilewong. Alhoewel ik nu juist geen Lotosbloembedden, gelijk aan de Haarlemmer tulpenvelden, verwacht had, met in iedere bloemkelk een sluimerend, naar liefde smachtend Hindoemeisje—het contrast was toch al te sterk. In den geest legde ik eene gelofte van eeuwige kuischheid af. Zooals ik later vernam, was het schepsel eene soldatenvrouw, wier sterkere helft naar Europa was teruggekeerd.

Bij iedere gelegenheid monsterde zij de nieuw-aangekomenen, doch de vurig verbeide kwam niet. Dat kon men hem waarachtig niet kwalijk nemen. Zoo’n gezicht! Ze wacht zeker nog tot op den huidigen dag.

Intusschen scheen zij wel eenig voorgevoel te hebben van haar eeuwigdurend onbestorven weduwschap, want ze schold ons na, toen wij reeds op weg naar Meester-Cornelis waren. Daar werden wij in de bamboekazerne aan den adjudant van het Suppletie-depot overgeleverd, een 1sten luitenant met een Hunnengestalte, bij wien vergeleken de lange plaatselijke adjudant in Batavia nog maar een dwerg was. In zijn gevolg bevond zich een [30]sergeant, het zuiverste wandelende lexicon voor gepeperde Kasernhofblüthen. Een proeve van zijn talent genoten wij den tweeden dag.

Op den eersten dag mochten wij nog ongestraft onder palmen wandelen. O, hoe heerlijk was het toch onder de palmen! Daar zaten bruine mannen, die ons voor twee cent een geheele cocosnoot verkochten, voor drie cent een ananas en voor 5 cent de geheele muts vol smeerproppen. Men zou gewenscht hebben een olifantsmaag te bezitten, om al die bekende en onbekende lekkernijen te gelijk te genieten. Hoofd en maag dreigden mij bijna te bersten van al de nieuwigheden, die ik er in had opgestapeld. Ronggengs (danseressen), Chineezen, karbouwen, kokosnoten, ananas, een biefstuk van een vliegenden hond, versch toebereid „door den landsman van den Moezel”, een sluwe Chinees, alles en alles danste in dolle vaart voorbij mijn geestesoog, toen ik doodmoede van het zien, op mijn stroozak lag uitgestrekt, en de muskieten maakten er de muziek bij.

Hu! wat liep daar voor een beest over den balk boven mij? Zeker een schorpioen, een duizendpoot, een vergiftige slang, een …! Nu bleef het stil zitten en sperde den muil open. De tong schoot als een pijl tusschen de kaken te voorschijn en trok een langbeenige, niets kwaads vermoedende vlieg in den afzichtelijken strot. [31]

Bah! welk een afschuwelijk dier! Het slokte nog een vlieg op, nog één, nog een half dozijn.

Nu moest het monster bersten; het zwol op als een ballon. Neen! het berstte niet, maar het viel naar beneden, op mijn gezicht, midden op den mond, waaraan een pijnlijke kreet ontsnapte. „Domkop”, bromde mijn slaapkameraad „het is maar een „tjitjak”.”

Maar een „tjitjak”! En dat tegen een hagedis met ijskouden, opgezwollen buik! Brr! Het ondier vervolgde mij in mijn diepsten droom. Het verscheen mij als een draak met meters lange tong, die het schuimend naar mij uitstak. Nu lekte het mij de beenen, nu het lijf, telkens verder zoog het mij op. Alleen het hoofd staarde nog bevend de vingerlange tanden aan en de vuisten sloegen in doodsangst tegen de bloedroode, bliksemende oogen. Daar klonk mij als een bazuin van het jongste gericht de krachtige stem van den reeds genoemden sergeant in het oor: „Nu uit de wol; het is vijf uur!” Hij was het, die mij aan de beenen getrokken had en daardoor mij het gevoel had gegeven, alsof ik bij stukken in den drakenmuil verdween.

O, heerlijk, onvergetelijk was deze eerste morgen in Indië! Nog steeg de damp uit het dal van de Tjilewong. Reusachtige pisangstammen, en nog hoogere slanke palmen doemden uit de nevelen op, die onder de stralen der opgaande zon [32]langzaam in de oneindige ruimte vervloeiden.

Heerlijk geurden de met bloesems beladen twijgen van de „tjampakka”, maar nog heerlijker geurde de koffie, die ik in den menageketel huiswaarts droeg. „O, wat een lust, soldaat te zijn”, zongen eenige kameraden, onder het poetsen hunner knoopen. De illusionisten; zij waren nog lang geen soldaten! Eerst een half uur later zouden zij tot den doop worden voorbereid door eene predicatie, welke de reeds meermalen vermelde sergeant afstak. Zij luidde: „Geeft acht!—Stommerikken! Je moet niet denken, dat je nog in dat voddige Harderwijk bent. Daar kon je, als je bezopen waart, ongestraft in de straatgoot gaan liggen; daar is hier geen denken aan. Hier verlangt men van ieder die uit de kantine komt, dat hij driemaal achter elkaar rechtsomkeert maakt en kan hij het niet, dan gaat hij in Zijner Majesteits snuifdoos. Dat kan vandaag misschien een half dozijn van jelui gebeuren, die gisteren toen ze thuis kwamen, niet meer wisten, wat rechts- of linksom was.—Op de plaats rust!” Diepe, eerbiedige stilte heerschte er na deze geharnaste woorden. Maar lang duurde zij niet, want de luitenant kwam, om de nieuwe uniformen van den troep in oogenschouw te nemen. Nooit heb ik later zulk een angst uitgestaan als bij deze eerste inspectie. Zij begon bij den linkervleugelman. Die kromp letterlijk ineen onder [33]den handgreep van den luitenant, wiens bruine vingers zich als vijf cervelaatworsten om hoofd en hals van den ongelukkigen recruut kromden. „Dat noemt zich soldaat,” riep hij met dreunende stem en hief den kerel als een veer in de lucht. „Sergeant, haal een min! Wat moeten we met dat dwergengebroed aanvangen, dat niet eens de uniform past?” Daarbij stak hij den armen vent twee zijner cervelaatworsten—vingers wilde ik zeggen—tusschen rokskraag en hals, zoodat den delinquent de oogen uitpuilden en de tong uit den mond hing. Op die manier inspecteerde hij den geheelen troep. Hier tilde hij er een van den grond, terwijl hij ’s mans hoofd tusschen de palmen zijner handen nam, „om den langen hals nog langer te maken”, zooals hij zich uitdrukte. Ginds drukte hij een ander de schouders naar achteren, zoodat het slachtoffer de knoopen van de uniform sprongen. Kortom, allen ondervonden de reuzenkrachten van den luitenant.

Nu ja, ieder die wat lang in Indië geweest is, heeft van luitenant D. gehoord, die eens een Javaansch koetsiertje, dat ongelukkig in volle vaart tegen hem aanreed, met paard en wagen in de straatgoot wierp.

Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de manschappen werden ondervraagd naar de wenschen, die zij voor de toekomst koesterden. De luitenant [34]begon daarmee bij den linkervleugel. „Wat wil je worden?” vroeg hij den kleinen kerel, wien de uniform niet paste.

„Officier, luitenant,” was het antwoord.

„Zoo-o-o! En jij?” vroeg hij een ander.

„Ook officier, luitenant.”

„En jij?”

„Stafmuzikant, luitenant.”

„Wat speel je voor instrument?”

„Ocarina, luitenant.”

Ik dacht, dat het op dat oogenblik met den armen kerel gedaan was; geen duit gaf ik meer voor hem, toen de luitenant hem bij den kraag pakte en hem toebulderde: „Jij, lummel, zou je me misschien voor den gek willen houden? In de provoost kun je ocarina blazen, brutale kerel. Dan kon-je iederen orgeldraaier wel stafmuzikant maken!”

Het arme kereltje werd bij de bedreiging doodsbleek. Hij had op de lange reis van passagiers en kameraden zooveel lof ingeoogst voor zijn schoon spel, en in de vaste meening verkeerd, dat hij er bij de stafmuziek wel de andere instrumenten zou bijleeren. Nu was de illusie vervlogen.

De luitenant ging verder.

„Wat wil je worden?” was het tot een mageren ex-candidaat in de theologie.

„Ook officier, luitenant.”

„En jij, en jij, en jij.…?” [35]

„Officier, officier, officier.…!”

Nu barstte hij in bulderend gelach uit: „Ha, ha, ha, maar dat is een bescheidenheid, die roerend is. Daar hebben we dus onder de dertig kerels 21 adspirant-officiers, twee sergeants-candidaten, een blazer en zes soldaten. Jelui kunt allemaal… ha, ha, ha! Rechtsomkeert, marsch!”

Goddank, ook deze kelk was aan mij voorbijgegaan. Nu kwam echter nog een moeilijk oogenblik. Allen, die zich als toekomstige officieren hadden opgegeven, hadden voor den luitenant een soort examen af te leggen, waarmee ze het bewijs moesten leveren, dat ze werkelijk iets geleerd hadden, om later eens op de kaderschool te komen en misschien, na jaren, op de militaire school.

Een paar candidaten hadden reeds met hoogroode gezichten het primitieve examenlokaal in de bamboekazerne verlaten. Thans kwam de beurt aan mij.

„Zitten,” klonk het kortaf. „Ken je Fransch?”

„Jawel, mijnheer de luitenant.”

„Dat „mijnheer” schenk ik je. Voortmaken.”

Het was eene fabel van Lafontaine, die ik lezen moest; ik deed het tot tevredenheid van Zijnedelgestrenge.

„Ken je Latijn,” vroeg hij verder. „Jawel luitenant.” Ik wist reeds, wat er nu kwam. Mijn vriend Sch., die een jaar geleden hetzelfde examen [36]had doorstaan, had het mij verraden. De luitenant kende geen Latijn, maar had, aangezien eenige vermetelen hem reeds een paar maal met hun keukenlatijn wat hadden voorgelogen, een kapittel uit een Latijnsch boekje uit het hoofd geleerd. Precies, hij sloeg het zooveelste hoofdstuk op en ik begon vloeiend te vertalen: Hannibal, postquam Alpes transiisset, in Italiam incidit, enz.

„Goed,” zeide hij.

Nu kwamen wij aan de geographie.

„Noem mij eens een paar zeeën op,” beval hij.

Ik begon natuurlijk het eerst met de „Seeën” van mijn vaderland, waarop ik zoo vaak aan het spelevaren was geweest, de Königssee, Chiemsee, Kochelsee, Starenbergersee, enz.

De luitenant zag mij wantrouwend aan en schudde het hoofd. „Wacht,” dacht ik, „hij wil grootere hebben en ik ging voort: Baikalsee, Ladogasee.….”

„Zwijg,” donderde hij, „dat zijn geen zeeën.”

Nu brak mij het angstzweet uit. Zouden de genoemde seeën hem alle onbekend zijn?

„De Müggelsee” riep ik in wanhoop; die moest hij toch kennen.

„Wat,” barstte hij uit, „de muggenzee? Ben je wel goed, of wil je mij voor den gek houden? Waar ligt die zee dan?”

„Bij Berlijn, luitenant,” kreunde ik in mijn angst.

„Wat wil je voor den donder met al die plasjes?” [37]schreeuwde hij. „Heb je dan nog nooit van de Middellandsche Zee gehoord, of van de Roode Zee?”

„Maar luitenant, dat zijn immers „Meere” en geen „Seeën”?” stotterde ik.

„En nu houd je den mond!” donderde hij. „Van de geographie heb je geen flauw begrip.”

Nog moest ik de stelling van Pythagoras bewijzen; daarop kon ik gaan.

„Je behoeft nu niet te denken, dat je morgen al de luitenantssterren op je kraag krijgt,” riep hij mij nog na. Wat wonder!

Tien minuten later stond ik voor mijn gapenden, ledigen stroozak en verwondde mij den vinger aan de stoppelige rijsthalmen, waarmee ik hem vullen moest. Welk een onderscheid! Voor weinige oogenblikken nog was ik met Hannibal over de Alpen getrokken en had Italië doen sidderen en thans.…. Daarbij kwam nog het afschuwelijke stof, dat zich uit het stroo, waaraan groote aardkluiten zaten, losmaakte. „Dat gebeurt opzettelijk,” zei de sergeant, die goed gemutst scheen te zijn. „Als je ’s nachts op den stroozak klopt, dan komt er stof uit. De muskieten denken dan: „de kerel rookt” en bijten je niet.”

Maar niettegenstaande dat beten ze mij toch.

Wat was ik in mijn schik, toen ik den volgenden morgen bij de 1ste compagnie van het 1ste depot-bataljon [38]werd ingedeeld! Eindelijk recruut! Wat had dat lang geduurd!

Welk een kranige compagnies-commandant was de kapitein v. V.…n!

Welke illusies wekte de aanblik van den held op, wiens borst gesierd was met de Willemsorde en twee eervolle vermeldingen en aan wiens zijde de eeresabel kletterde!

Den een na den ander der recruten riep hij vóór zich, om hem naar één der verschillende afdeelingen te verwijzen. Er waren er vier. In de eerste kwamen zij, die nog nooit soldaat geweest waren.

„Wat was je vroeger?” vroeg hij een Duitscher.

„Luitenant bij de dragonders!”

„Tweede afdeeling!”

„En jij?”

„Onderofficier in het Keizerin Augusta-regiment.”

„Derde afdeeling!”

„En jij?”

„Korporaal bij het 7e.”

„Vierde afdeeling!”

Nu naderde een ventje met een zeer gewichtig gezicht.

„En jij?” vroeg de kapitein weer, zonder op te zien.

„Eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij,” klonk het in het volle bewustzijn eener groote waardigheid. [39]

Het mannetje zette een gezicht, of het zijn onmiddellijke indeeling bij den generalen staf uit den mond van den kapitein dacht te vernemen.

Hoe verschrok de arme stakkert, toen de kapitein met een medelijdend lachje, kalmpjes antwoordde: „Eerste klasse.”

In deze klasse kreeg het kereltje niet eens een geweer in handen. En „schutter” komt toch van „schieten”?

Ja, het is toch merkwaardig, hoe weinig de verdiensten der schutterij in het leger gewaardeerd worden!

Een uur later hielden wij exercitie in de „Berenlaan.” Eene aardige bezigheid bij 95° warmte. Daarbij voelt men het Europeesche vet gram voor gram wegslinken. Maar wat maakt het uit? Daar ginder, heel, heel in de verte, blinken immers de korporaalsstrepen! [40]

[Inhoud]

ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.

Inhoudsopgave

Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne pantoffels schudden.

Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit geval slechts sprake van een afstand van eenige [41]honderden meters, welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van den „dubbele”1 der derde compagnie was.

Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.

In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij af door den [42]„dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.

Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de spanning te ontladen.

Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.

„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig gehaald zoudt worden!”

„Neem me niet kwalijk, majoor…!”

„Houd je mond, voor den donder, of ik…!”

De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan [43]den in rang hooger geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te korten tijd in Indië was.

Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.

„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.

„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de „moeder” op den onderdanigsten toon.

„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik van Batavia aankomen.”

Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.

In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de „meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche [44]korporaals achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er ook bijgelapt.

„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een eenvoudig en zeer practisch leger.

Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij [45]in, den „dubbele” zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet „kloppen” wilde.

Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, buiten de hoofdwoorden: makan: eten; minoem: drinken, en pisang-goreng:2 smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen recruten afexerceeren.

„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken [46]zijne sectie binnenstroomde. Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de onze-lieve-Heer der compagnie.

Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij zijn geestelijk evenwicht.

„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z. zich baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.

Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld zijn, eene ware kwelling.

„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” veroorloofde ik mij in het midden te brengen.

„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,” [47]riep de sergeant wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar speelt, is me glad onverschillig!”

Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: „Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in [48]beweging. Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.

„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die de vrouwen begrijpen deed, dat bains mixtes in Indische kazernes niet thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de mannen, het andere deel [49]voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
16 January 2025
Volume:
150 p. 1 illustration
ISBN:
4064066405465
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books