Read the book: «Bogoriana: Roman uit Indië»

Font::

Annie Foore

Bogoriana: Roman uit Indië


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404994

Inhoudsopgave

I

EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL.

II

DE FEEËNTUIN.

III

DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET.

IV

EEN INDISCHE HUISHOUDING.

V

DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS.

VI

PEIGNOIR CONTRA SARONG.

VII

FRANS VAN BEEVELANT.

VIII

IN DE WITTEBROODSWEKEN.

IX

EEN DINER MET EEN GAPING.

X

INVITATIES TEN HOVE.

XI

JAMES EN NITA.

XII

DE ZIEKENVERPLEEGSTER.

XIII

AAN HET STATION.

XIV

IN DE LOOFHUT.

XV

HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT.

XVI

EEN JONGENSSTREEK.

XVII

EERZUCHT EN LIEFDE.

XVIII

EEN TROEP BENGELS.

XIX

SERENADE EN VUURWERK.

XX

DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE.

XXI

EEN VERLIES EN EEN TROOST.

XXII

FLIRTATION?

XXIII

INTRIGANTEN AAN ’T WERK.

XXIV

ZELFVERLOOCHENING.

XXV

JONGE LIEFDE.

XXVI

DE FAMILIE HAGEN.

XXVII

DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE.

XXVIII

NAAR DE BERGEN.

XXIX

DOLCE FAR NIENTE.

XXX

JAMES ALS JOBSBODE.

XXXI

GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH.

XXXII

TERUG OP BUITENZORG.

XXXIII

TEN DOODE GEWIJD.

XXXIV

DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE.

XXXV

DE LAATSTE DAGEN.

XXXVI

GEPASSEERD.

XXXVII

HET LEED VAN EEN STERK MAN.

XXXVIII

HEIMWEE EN LIEFDE.

XXXIX

DE OOGEN WORDEN GEOPEND.

XL

OP DE MAILBOOT.

XLI

BESLUIT.

[Inhoud]

I
EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL.

Inhoudsopgave

Droomerig suizelt de koelte door Insulindes lusthof, den plantentuin te Buitenzorg.

Onmerkbaar beroert ze de toppen der waringins, waaronder de herten zich te slapen legden; zachtjes doorademt ze de kanarielaan, die dubbele rij van woudreuzen, verwonnen door de omarming der orchydeeën; spelend heft ze de witte donsjes omhoog door de zwanen achtergelaten op de vijvers; plechtig zucht ze in het bamboebosch dat zich heenbuigt over graven… dan gaat ze fluisteren van minnevuur en zomerweelde in den bloemhof, waar de rozen gloeien en de nachtvlinders dartelen.

Uit het paleis, dat zich verheft te midden dier tropische heerlijkheid, stroomt een zee van licht.

De inlandsche jongelingen en meisjes sluipen naderbij, of ze ook iets mochten bespeuren van het schitterend tooneel daarbinnen. Ze zien slanke gestalten in witte kleedjes; ze hooren rijtuigen ratelen, zweepen klappen, orders geven; ze vernemen het geruisch van satijn, het getrippel van hooge hakjes in de marmeren vestibules; dan worden al die geruchten overstemd door de eerste tonen der dansmuziek.

Want het is bal ten paleize. Wat meer zegt, ’t is het groote, het veelbesproken bal dat Zijne Excellentie geeft ter eere van het eenig kind uit zijn eerste huwelijk gesproten, kortelings teruggekeerd uit Europa, waar ze achterbleef ter voltooiing harer opvoeding. Het gezelschap, dat aan de uitnoodiging gehoor gaf [2]is talrijk, de zaal waarin men antichambre maakt niet groot, de atmosfeer zoo drukkend als ze na een dag zonder regen wezen kan op Buitenzorg, de dames zoo geagiteerd als ze gewoonlijk zijn, wanneer ze op het punt staan een nieuw galatoilet te vertoonen; dit alles maakt het tot een ware verlossing, nu eindelijk een adjudant komt aankondigen, dat de gouverneur-generaal gereed is zijne gasten te ontvangen.

Het muziekkorps speelt een marsen en haastig zoekt iedere vogel zijn gaaike: arenden en gieren gaan voorop, dan volgen pauwen en faizanten, nu nachtegalen en leeuweriken, tot eindelijk roodborstjes en boomkruipers de achterhoede vormen; kraaien, huismusschen of spreeuwen zijn niet aanwezig.

De landvoogd, omringd door zijne logées, geflankeerd door zijn adjudanten, staat tusschen vrouw en dochter. Hij ontvangt zijn gasten hoffelijk; zijn echtgenoot doet het trots, deftig, maar zonder een zweem van de eenvoudige waardigheid, die men zoo gaarne vindt bij hooggeplaatste personen, terwijl freule Clotilde, blijkbaar niet gewoon zoo op den voorgrond te treden, verlegen blozend het bruingelokte hoofdje buigt.

Er volgen eenige minuten, waarin de gasten elkander onderling begroeten, de jongelui hunne dansen opschrijven, de jongemeisjes lachen en fluisteren en dan neemt de polonaise een aanvang.

Zijne Excellentie biedt den arm aan haar, die het voorrecht heeft een koningsarend echtgenoot te noemen, de andere vogelsoorten volgen.

Maar niet alle. Als op elk bal vormt zich ook hier aan den ingang der zaal de groep, die zoo nadeelig werkt op de luchtverversching.

’t Zijn echter niet, als meest in Europa, onverschilligen, oververzadigden, die ergernis der muurbloempjes; ’t zijn ongelukkigen.

Immers, geen ongelukkiger toestand dan niet te weten wat met zichzelven aan te vangen!

En in dien toestand verkeeren er velen.

Wat zal bijvoorbeeld de kapitein der Chineezen, wat moet de Pengghoeloe, wat kan het hoofd der vreemde oosterlingen, wat kunnen zij op een bal ten paleize doen?

Wat kunnen jeugdige thee- of kinaplanters, verwilderd door [3]het verblijf in de binnenlanden, wat jonge ambtenaren uit den omtrek,—wie niemand kent en die niemand kennen, anders doen dan zichzelf en anderen in den weg zijn?

Wat ook rest den onderwijzers? Ze zien het aan hoe hun vrouwelijke collega’s aan den arm harer cavaliers deel gaan uitmaken van de achterhoede van dien langen stoet, in wiens voorhoede ze niet weinig kans en nog veel meer lust hebben eenmaal te komen. En ze durven haar voorbeeld niet volgen.

Wat zullen de mannen doen, die bij een groot en algemeen feest als dit, nog juist in de termen vallen voor een uitnoodiging, maar van wier bescheidenheid men verwacht dat ze hun wederhelft thuis en zichzelf op den achtergrond zullen houden?

Zoo oppervlakkig gezien zou men meenen, dat al die ongelukkigen even goed hadden kunnen wegblijven, maar toch—ze hebben hun nut.

Voor degenen die een werkzaam aandeel nemen in de partij blijkt het niet onaardig, dat zich een publiek vormt, een publiek om toe te zien en te bewonderen.

Te bewonderen valt er genoeg.

’t Is een prachtig schouwspel, die lange reeks van dames, wier parijsche toiletten, zoo niet altijd in goeden smaak, dan toch zeker in rijkdom die harer hollandsche zusteren verre overtreffen, naast de losse indische uniformen; die statige figuren, die donkere hoofden met diamanten gekapt, die lieve meisjesgestalten daar henen zwevend in den tooi van jeugd en onschuld—geheel die stoet van meer dan honderd paren, die zich langzaam voortbeweegt in de vorstelijke balzaal, onder den glans van tallooze lichten, op de statige tonen der muziek.

Het spiegelglad parket moge ouderen van dagen herinneren aan het gevaar dat de straten in het moederland ’s winters aanbieden, voor de jeugd is dit geen bezwaar; de lenige figuurtjes bewegen zich licht op den fijnen enkel, en glijdt soms een netgeschoeid voetje uit, dadelijk is een krachtige arm gereed om voor vallen te behoeden.

Op de polonaise volgt een wals.

De danszaal in het paleis te Buitenzorg heeft op andere danszalen voor, dat zij, die den dienst van Terpsichore vaarwel zegden, [4]kunnen nederzitten zonder vrees voor de punten hunner voeten.

Rondom den ingelegden vloer loopt eene marmeren gaanderij door pilaren eenigszins afgesloten; in die gaanderij bestaat overvloedig gelegenheid om, achterover geleund in fauteuil of causeuse, een gezellig praatje te houden, een portie ijs te gebruiken of toilet en gedrag der dansenden te kritiseeren.

In die gaanderij beweegt zich de gouverneur-generaal.

Hij vordert slechts langzaam. Het is geen gemakkelijke taak, die hij zoo rondwandelend volbrengt: ieder zijner gasten—waaronder zeer vreemdsoortige—een woordje toe te voegen, niemand minder maar ook niemand meer te geven dan hem toekomt; belangstellend te zijn en toch niet hartelijk, vriendelijk en toch niet familiaar, beleefd en toch niet koel.

Maar, zoo iemand, dan is hem dit toevertrouwd.

Zooals hij daar staat voor eene der dames die, haastig overeind gerezen, op zijn hoffelijke toespraak antwoordt in een—om er het minste van te zeggen—zeer eigenaardig hollandsch, is de indruk, dien hij maakt, volkomen berekend voor de plaats die hij bekleedt. De hooge gestalte verheft zich boven de meeste der aanwezige heeren; toch is ze licht gebogen, niet zoozeer door ouderdom als door vermoeienis; voor wie hem van nabij ziet, getuigt de schaduw onder de diepliggende oogen, de breede rechte plooi in het hooge voorhoofd, dat hem, als zoovelen zijner voorgangers, Buitenzorgs bebloemde troon doornen bood bij de rozen.

Maar zijn gang is veerkrachtig, zijn blik helder en scherp, al moge de uitdrukking van het gelaat diep zwaarmoedig, al moge in de zachte welluidende stem een toon zijn, die spreekt van krachtig beheerschte, maar daarom wellicht des te dieper gevoelde smart.

De overlevering zegt, dat vroeger de vrouwen der landvoogden zich vriendelijk en gemeenzaam bewogen onder hare gasten, de Buitenzorgers zijn van oordeel dat die dames toonden haar positie te begrijpen—immers, niet zij zijn bekleed met de hoogste macht. Doch op dit punt, als trouwens op zeer veel andere punten, is mevrouw Van Waliënhove het volstrekt niet eens met de Buitenzorgers.

Aan het boveneinde der zaal, omringd van een doorzichtig [5]priëel van tropische planten, zetelt ze op haar roodfluweelen canapé, te midden harer »hofdames«, zooals zij ze in vertrouwelijke oogenblikken spottend noemt, de dames wier mannen lid zijn van den Raad van Indië, de echtgenooten van generaals, directeuren en wat Batavia meer oplevert in de hooge militaire of ambtenaarswereld. Dáár staat ze toe, dat men zijn eerbiedige hulde komt nederleggen aan hare voeten. Ze ontvangt die hulde, achteloos leunende in haar zetel, het gezicht half verborgen in bouquet of waaier, met een voorname aanmatiging, die sommige der groote dames tot machtelooze woede, anderen tot openlijk verzet vervoert.

Reeds hebben tal van bezoekers haar den vereischten hormat bewezen: er is gebogen, geglimlacht; er zijn beminnelijke woordjes gesproken; met het goed humeur, dat in den huiselijken kring onwaardeerbaar zijn zou, heeft men hatelijkheden geslikt en scherpe gezegden opgenomen als vriendelijkheden; waaier en bouquet hebben druk dienst gedaan, soms om een geeuw, soms om een spottend lachje te verbergen, een enkele maal om een ondeugende opmerking te fluisteren in het oor eener buurdame. Eindelijk spreekt de adjudant van dienst een naam uit, die haar opwekt uit haar voorgewende lusteloosheid.

»De heer en mevrouw Verschuere.«

Het jonge paar maakt zijn compliment. Mevrouw van Waliënhove begroet zeer vriendelijk mr. Verschuere, den knappen, geestigen ambtenaar van de secretarie, dien ze een jaar lang slechts noode miste op haar partijen. Dan, zonder zich in het minst te bekommeren ook om de eenvoudigste regelen der wellevendheid, zet ze haar lorgnet op en begint mevrouw Verschuere in oogenschouw te nemen.

Nu behoort mevrouw Verschuere niet tot de dames, die schitteren in de balzaal; daarvoor is ze te bescheiden, te tenger, te klein vooral. Daarenboven heeft ze bij deze gelegenheid haar eigen denkbeelden omtrent toilet moeten opgeven, om die van haar man te volgen en, in plaats van de lichte, zachtgetinte, wolkachtige stoffen, waarvan ze gewoon is kleedjes te tooveren, is ze gedost in zware witte zijde.

Een bataviasche modiste heeft het grootst mogelijk aantal meters stof gebruikt om het fijne popje te omgeven met zulke [6]zware plooien, dat ze geheel in het niet verzinkt, terwijl een lange sleep evenzeer haar vluggen gang belemmert als bevallige beweeglijkheid, die haar anders een zoo groote bekoring schenkt.

Ook heeft Verschuere gemeend dat ze zich niet kapte, zooals het voor een getrouwde vrouw past; de coiffeur heeft een stijve wrong gemaakt van de zijden krullen; alles met het ongelukkige gevolg, dat er van de blondlokkige sylphide, die aller oog had kunnen verkwikken, niets overbleef dan een kleine vrouw met een fijn, bleek gezichtje.

Als dan ook de landvoogdes het lorgnet, waarmee ze zoo onbeschaamd kan omgaan, eindelijk vallen laat, is het om den referendaris aan te staren met een blik, die duidelijker dan woorden doen kunnen, vraagt:

»Is dàt nu de moeite waard om een reis voor te maken naar Europa? Moesten dáárvoor de bataviasche en buitenzorgsche meisjes achterstaan?«

De heer Verschuere glimlacht met dat koele zekere lachje, ziet haar in de oogen met dien doordringenden blik, die vrouwen als de barones in toom houdt; ze kent den man tegenover haar en ze heeft geleerd hem te sparen; ze weet dat hij zich niet behandelen laat zooals ze sommige andere behandelt—dus richt ze zich met een poging om vriendelijk te zijn tot het kleine, bevende persoontje en ontslaat hen eindelijk door een groet, waaruit Verschuere lezen kan dat de gunst der barones nog altijd zijn deel is.

»Hindert je iets, Gustaaf?« vraagt, met een stem die enkel muziek is, de jonge vrouw eenige oogenblikken later, als ze met haar echtgenoot in de gaanderij is gezeten en een wolk meent te bespeuren op zijn gelaat.

»Neen, lieve, niets,« antwoordt Verschuere verstrooid, terwijl hij een jongen wenkt om nader te komen, met zijn blad vol dranken.

»Wil je een glas ijswater?«

»Heb ik me misschien een beetje kinderachtig gedragen?« fluistert ze, als beiden bediend zijn. »Maar ze maakte me ook zoo verlegen, Gustaaf! ze keek me zoo vinnig aan met die booze zwarte oogen.«

»Chut!… Kind, je moet wat voorzichtig zijn; de muren hebben hier ooren.« [7]

Hij ziet rondom zich, of ook iemand hen mocht hebben beluisterd, maar het teeken voor de quadrille is daar juist gegeven en men is druk bezig met vis à vis te zoeken.

De Verschuere’s dansen niet heden avond; zij blijft zwijgend zitten kijken naar den grooten kring, die zich langzamerhand formeert; hij ziet haar van terzijde aan met vorschenden blik.

»Ik kan toch niet zeggen dat die monsieur Paul slag heeft van kappen,« begint hij aarzelend.

Nu komt de wolk, die daareven zijn voorhoofd ontsierde, zich legeren op haar bleek gezichtje.

»O, ik weet wat het is dat je hindert,« roept ze met plotseling opkomenden pijnlijken blos. »Je vindt dat ik er niet goed uitzie van avond!«

»Wat een inval! Neen, Nita, werkelijk, je vergist je! Je ziet er even lief uit als altijd.«

»Het is heel vriendelijk van je.… maar denk je dat ik het zelve niet zie? En je hadt, geloof ik, juist zoo graag eens eer ingelegd met je keus? Als ik maar niet zoo’n hoofdpijn had gekregen van dat kappen.… en als die zware japon me niet zoo hinderde!«

»Arm kindje! Laat me je wat eau de cologne geven. En nu ga ik je eens voorstellen aan mevrouw Hagen.«

»Och neen, Gustaaf, liever niet!«

»O, zij zal een geheel anderen indruk op je maken dan mevrouw Van Waliënhove, en daar mijnheer zoo beleefd geweest is je dadelijk te komen aanspreken.…«

»Ik zou graag naar huis gaan.«

»Maar Nita, hoe kom je er bij?«

»Wezenlijk, ik kan het niet langer volhouden.«

»Je moet het volhouden.«

Ze ziet naar hem op, verschrikt over dien gebiedenden toon, maar zijn gezicht staat zoo streng, dat ze haar vraag niet meer herhalen durft en moedeloos achterover leunt in haar fauteuil, den met eau de cologne doorweekten zakdoek tegen het gloeiend voorhoofd gedrukt.

Daar buigt zich Verschuere haastig tot haar over en fluistert: »Ik bid je, Nita, ga rechtop zitten. Daar is Zijne Excellentie. Hij komt naar je toe.« [8]

’t Wordt elf uur; tijd voor het souper.

De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes; zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier?

De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken, waarin het souper wacht.

’t Is nu niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon, een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper zooals de gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten.

In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige buffetten, waarop in fonkelend kristal een dessert prijkt, zoo smaakvol gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan een begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen confiseur.

Het publiek, geheel vrijgelaten in de keuze der plaatsen, verspreidt zich en zoekt tafelgezelschap naar eigen smaak; de adjudanten voorkomen ieders wenschen; de intendant vergeet al zijn waardigheden en ridderorden, om op te gaan in de eene waardigheid van gastheer; de bedienden in hun livrei van wit laken met goud doen, onder het toezicht van den maître d’hôtel, hun plicht onhoorbaar en onopgemerkt, zooals slechts een goed gedresseerde inlander dat verstaat; de zalen vullen zich langzamerhand met feestelijke geluiden, vroolijk gepraat van jonge stemmen, blij gelach, knallen van champagnekurken, rinkelen van glazen en messen.

Door de wijdgeopende dubbele deur heeft de tweede der eetzalen gemeenschap met een kleiner salon; in dat salon trekken de heer en mevrouw Van Waliënhove zich terug. Met hen dit heilige der heiligen te betreden, is slechts vergund aan zeer enkelen, [9]aan de hooggeplaatsten in de verschillende regeeringslichamen, aan de eersten bij marine en leger.

’t Zijn meest oudere heeren. Toch wordt onder hen meer dan een gevonden, die, wat al te levenslustig, een langen blik werpt op het vele liefs dat hij achterlaat en talmt om binnen te gaan; toch zijn er enkele onder de dames die, wanneer ze aan den arm van haar strammen cavalier de vroolijke groepjes passeeren, een oogenblik van zwakheid hebben, waarin ze wenschen te mogen meedoen zooals het past aan haar jeugd, zij het dan ook niet aan de hooge betrekking van haar echtgenoot. Maar dit zijn uitzonderingen. Over het geheel stevenen de enkele bevoorrechten haar vriendinnen voorbij met een triumfeerend lachje; de echtgenooten, schoon iets minder gevoelig voor onderscheiding, kunnen toch niet nalaten de borst hoog op te zetten als ze daar binnen gaan, en dames en heeren worden gevolgd door de afgunstige blikken van velen; van velen, die het zich met droeve oprechtheid bekennen, dat hun de poorten van dit paradijs nooit zullen geopend worden; van enkelen ook die, vervuld van zoete illusie, fluisteren: »Nog één promotie, nog één sterfgeval!.… en dan!«

Alleen daarginds, in dien grooten, lustigen kring, waarvan freule Clotilde het middenpunt uitmaakt—niet door haar rang echter, maar door haar meesleepende vroolijkheid, haar tintelende scherts, haar helderen kinderlach—alleen daarginds, in dien kring van jongelingen en meisjes wordt niet gedacht aan den goudglanzenden tempel der eerzucht, die de gevreesde gouvernante tot priesteres heeft. Er zullen oogenblikken komen—vele uren wellicht—waarin ook die jongelingen en meisjes worden gekweld door de begeerte naar grootheid, naar rijkdom, naar roem! Maar nu, met het champagneglas in de hand, met den gloed der balzaal op de wangen, met de zorgeloosheid der jeugd in het hart, nu deert het hun weinig of ze aanzienlijk zijn of gering, of ze rijk genoemd worden of arm… ze zijn jong, de gelukkigen! [10]

[Inhoud]

II
DE FEEËNTUIN.

Inhoudsopgave

Den volgenden dag is er diner ten paleize.

De bewoners van Insulindes residentie zijn over ’t geheel vreedzame burgers: ze betalen willig schot en lot; men heeft ze bij de invoering der belastingen slechts zacht hooren klagen; kalm zitten ze boomen op te zetten in hun vóór-, nog kalmer liggen ze klimaat te schieten in hun achtergalerij; hun overigen vrijen tijd brengen ze door met het tellen der vallende regendruppels, een bezigheid, die nergens ter wereld zooveel te doen geeft als te Buitenzorg.

Er is echter één punt waarop die vreedzame burgers geen scherts verstaan: ’t zijn de diners ten paleize. Er worden daar veel soorten van diners gegeven: officieele diners, racediners, nieuwjaarsdiners, diners voor hooge logeergasten, diners voor notabelen, voor uitverkorenen, voor intiemen en—afdoeners! Alleen op den afdoener gevraagd te worden, staat gelijk met een beleediging; slechts op de officieele diners te mogen verschijnen is hinderlijk; op het diner der uitverkorenen te zijn genoodigd heet een onderscheiding; voor het intieme diner een invitatiekaart te hebben ontvangen, staat gelijk met te zijn de vurige bewonderaar, de warme aanhanger van den landvoogd, van des landvoogds echtgenoot, des landvoogds familie, ja zelfs van des landvoogds politiek!

Nu is er een tijd geweest—een tijd nog steeds met afschuw herdacht—waarin de goede residentiebewoners voortdurend gewond werden in hun gevoeligheid op dit punt.

’t Was in den tijd toen de vertegenwoordiger des konings in Indië meende dat hij, in wiens hand het wel of wee van millioenen berust, een nietigheid als het opmaken der lijst van genoodigden kon overlaten aan de vier vroede mannen, wier krachten land- en zeedienst ontroofd worden om de adjudantsbetrekking te vervullen.

Maar, te beginnen met hun aanvoerder, den heer d’Hannecour, ridder van de Militaire Willemsorde, van de Kroon van Italië, [11]van de Witte Valk, van de Hertogelijke Saksische Ernestinische Huisorde enz., kolonel der artillerie, adjudant van Z.E. den gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië en intendant der gouvernementshôtels, bleek dit onmogelijk. Voor hem was elk diner een gelegenheid tot machtsvertoon, en daar hij zoo kleingeestig, zoo lichtgeraakt was als iemand maar worden kan, die zich tien jaar lang met niet veel anders bezig houdt dan de étiquette aan een klein hof, had hij zich voortdurend te wreken over allerlei beleedigingen hem in zijn persoon, zijn betrekking of zijn familie aangedaan.

De intendante van haar kant scheen niets zoozeer te vreezen als dat men haar verdenken zou van geen stem te hebben in paleisaangelegenheden, terwijl zes dochters, fier op de ridderorden van papa, vonden dat de glans die van zijn borst uitging, niets minder zijn moest dan een stralenkrans om hare zes aschblonde hoofden; eene meening, die niet algemeen scheen te worden gedeeld op Buitenzorg.

Met deze gegevens was er niet veel toe noodig om zich het ongenoegen der Hannecour’s op den hals te halen, en men kon er zeker van wezen, dat hij die dit ongeluk had, het eene diner vóór, het andere na, zijn neus, of liever zijn mond voorbij zag gaan. Ontving hij eindelijk een uitnoodiging, dan was het op een afdoener!

De intendant beeldde zich bij veel anders in, dat hij het met zijn drukke werkzaamheden niet overeen kon brengen ook nog de plaatsen te schikken; zoo kwam dan de beurt aan zijn trawanten.

Gelukkig waren ze meest ongehuwd of hadden ze jonge vrouwen, die zich niet zoo gauw beleedigd gevoelen als dames wier eerste jeugd voorbij is. Ook werden ze gebonden door de étiquette, maar die sprak niet zoo duidelijk, of er was nog ruimschoots gelegenheid tot het uithalen van een grap, of het verkoopen van een hatelijkheid.

Zoo vond de kokette haar naamkaartje tusschen twee wegens ouderdom gepensioneerde leden der weeskamer; zoo kreeg de drukke praatster een stokdooven buur; zoo zag een echtgenoot, die zich verplicht had gevoeld den huisvriend de deur te wijzen, vrouwlief door dien zelfden huisvriend aan tafel brengen; [12]doodvijanden zaten altijd tegenover elkaar; heeren van wie het bekend was dat ze deze of gene dame gaarne ontmoetten, konden zeker zijn die dame aan het andere einde der tafel te zien.

Hadden zij het hier maar bij gelaten! Maar nu werden nog daarenboven de vriendjes zóó hoog, de anderen zóó laag geplaatst als dit maar eenigszins was overeen te brengen met hun rang.

Voorbijgegaan, als een bange droom voorbijgegaan, zijn die booze dagen voor de residentiebewoners.

Wel worden door de adjudanten nog overleveringen bewaard van hun invloed, wel beproeven enkelen soms den schijn aan te nemen alsof het nog was gelijk voorheen, maar hun machtsvertoon gelijkt het blaffen van den gemuilbanden hond, het jaagt niemand vrees aan.

Want—dit weet zelfs het groote publiek—waar mevrouw Van Waliënhove aan het bestuur is, daar kan geen sprake zijn van eenige macht buiten de hare.

Misschien is het een bewijs van het politiek doorzicht, waarvoor de heer Van Waliënhove bekend staat; misschien heeft hij in de betrekking, die hij vervulde aan vreemde hoven, de ervaring opgedaan, dat andere hartstochten blijven sluimeren in de borst eener heerschzuchtige vrouw, als ze maar kan toegeven aan dien éénen grooten hartstocht van te heerschen; zooveel is zeker: hij laat de barones de meest onbeperkte vrijheid in het bestuur der kleine hofhouding. En zij beschaamt het in haar gesteld vertrouwen niet. Dat blijkt bij elke gelegenheid, dat blijkt ook heden weer op de meest afdoende wijze.

Het is een klein diner ter eere van de logeergasten, die, voor het bal van gister overgekomen, nog op het paleis vertoeven; enkele Buitenzorgers slechts zijn genoodigd. Maar hoe klein—de adjudanten aan de beide uiteinden der tafel meegerekend, zijn er niet meer dan een twintigtal gasten—het is weer een diner, zooals alleen mevrouw Van Waliënhove ze geeft.

Wanneer men de zaal, in een tuin herschapen, betreedt, is de atmosfeer, die daar heerscht zoo frisch en geurig, dat ze niet alleen den eetlust, maar ook den geest moet opwekken; wat meer zegt, die atmosfeer, hoewel straks vermengd met de dampen van het gebraad, der aroma’s der piquante sauzen, het bouquet der [13]fijne wijnen, blijft, dank zij een uitmuntend systeem van luchtverversching, frisch en geurig tot het laatst.

De stafmuziek is geplaatst op zulk een wijze, het programma is zoo gekozen, dat mogelijke pauzes worden aangevuld, maar de gesprekken niet bemoeilijkt. Tallooze waskaarsen op zware kristallen kronen en in zilveren candelabres verspreiden een zacht licht, niet zoo helder als gas, maar ook niet zoo warm en veel geruststellender voor de aanwezige dames, die bijna alle de dertig gepasseerd zijn. De stoelen staan op den juisten afstand. En dit is een zaak van niet gering belang. Wat toch is onaangenamer dan den geheelen avond strijd te voeren met een tafelpoot of een voortdurende drukking te gevoelen op uw knieën? Wat kan belemmerender wezen voor het discours, dan wanneer er een afgrond gaapt tusschen den heer en zijne dame? Maar wat ook onpleizieriger dan de warmte op zich te voelen afstralen van een nabijzijnd lichaam, vooral wanneer dat lichaam in een zwarten rok steekt.

Evenals bij alle groote diners in het land der bloemen, schijnt de tafel een reusachtig bouquet, op sneeuw ontloken, in zilver en kristal gevat.

Mogen onder de bataviasche dames al enkelen mevrouw Van Waliënhove op zijde streven in pracht van damast, porselein en glaswerk,—bloemen gelijk ze pronken op haar disch, bloeien slechts in de serres van den botanischen tuin; een wenk aan den hortulanus gegeven is oorzaak, dat ze daar slechts bloeien voor de landvoogdes.

De wijnen, die op het paleis worden geschonken, mogen zeldzaam zijn in Nederlandsch-Indië, eenig zijn ze niet; een even volmaakte bediening wordt somtijds op de landgoederen of in den groothandel gevonden; voor de kookkunst zijn enkele hooggeplaatste dames even beroemd als de fransche kok, maar slechts mevrouw Van Waliënhove kan in lange en ernstige samenspreking met den maître d’hôtel een menu ontwerpen, dat schijnbaar eenvoudig, zoo uiterst fijn, dat zonder overlading zoo rijk aan afwisseling, dat in zijn smaakvolle regeling zoo verrassend is.

Voor iemand die weet dat de intendant bij deze gewichtige aangelegenheid altijd wordt voorgelicht door zijn hooge gebiedster, kan er geen twijfel bestaan of, wat de rangschikking der [14]gasten betreft, is aan al de eischen der étiquette voldaan. Wie nog twijfelen mocht, hij zie den kring rond. Zit niet al wat grijs is en gedecoreerd onder de heeren, al wat corpulent is en met juweelen behangen onder de dames, aan het midden der tafel? Werd niet al wat jong is en er goed uitziet verbannen naar het ondereinde?

De eerste dame aan mevrouw Van Waliënhove’s linkerhand is de gade van den algemeenen secretaris, een klein, doodmager schepseltje met lieve oogen en iets zeer fatsoenlijks in haar smal, zacht gezicht, maar anders uiterst karig bedeeld met vergankelijk schoon.

Blijkbaar is ze verlegen met de hoekige schouders en puntige ellebogen, die, als bakens op een onstuimige zee te voorschijn komen uit de massa ruches, kanten, plooisels, linten en strikken van haar verknoeide japon.

Ze houdt de oogen onafgewend op haar bord gericht.

Wat haar benauwt, meer nog dan het haar gewoonlijk benauwt om ten paleize te dineeren—’t is dat ze aan tafel werd gebracht door den heer Van Sonnefelt, vroeger gouverneur van Sumatra’s Westkust, nu lid in den raad van Indië, een man, evenzeer bekend om zijn scherp vernuft als om zijn onverholen afkeer van onbeduidende vrouwen.

Ze doet wat ze kan, maar dat is niet veel.

En het duurt niet lang of haar tafelgenoot geeft moeilijk bedwongen teekenen van verveling. Dit hindert haar, niet om den heer Van Sonnefelt echter—zij houdt nog veel minder van geestige heeren dan hij met mogelijkheid van onbeduidende vrouwen houden kan,—maar om haar man. Ze zou hem zoo gaarne eer aandoen in den hoogen rang, waartoe ze met en door hem is opgeklommen; meer dan ooit voelt ze, dat ze dit niet kan, en de soep is ter nauwernood rondgediend, als ze zich afvraagt, wat ze zich bij zulke gelegenheden altijd afvraagt: waarom toch haar man geen algemeen secretaris zijn kan, zonder dat zij daarom haar magerheid behoeft prijs te geven aan al die onbescheiden blikken, zonder dat zij daarom haar heer moet vervelen, terwijl ze zoo gezellig zitten kon, thuis in de achtergalerij bij de kinderen, die haar niet mager vinden en niet dom, neen, soms zelfs aardig, als ze goed met hen op dreef is. Op dreef [15]komen met dien Sonnefelt zal ze nooit; dat voelt ze! Hij schijnt ook iets van dien aard te vermoeden, ten minste hij keert zich ter linkerzijde.

Dáár vindt hij waardeering. Een paar tintelende oogen, een paar lachende lippen, die bij wat gewaagde scherts zich geenszins preutsch samentrekken. ’t Is een mooie brunette, mevrouw Heylerts, en wat aan een diner meer waard is, een aardige babbelaarster; niet jong meer, maar een van die weinige vrouwen, die de heeren op het denkbeeld brengen dat leeftijd eigenlijk maar idée is.

»Zegt u me eens,« vraagt ze iets zachter dan ze daareven sprak, want men weet dat de landvoogdes zeer scherp hoort, »begrijpt u dáár iets van?« en ze wijst met de punt van haar mes even naar den overkant, waar de heer Verschuere zit met de dochter des huizes aan zijn rechterhand.

»Zegt u me eens,« antwoordt Van Sonnefelt op denzelfden toon, »begrijpt u daar niet alles van?«

Dan zien ze elkander aan; beiden glimlachen en na een korte pauze herneemt mevrouw Heylerts: »’t Is waar, ’t was erg dom van me. Maar de ministers veranderen zoo dikwerf tegenwoordig, dat men hun namen haast vergeet.«

»Den naam van den minister van koloniën raad ik u aan altijd goed te onthouden. Dat bespaart menige verrassing, dat verklaart veel waarover men anders verbaasd zou kunnen staan; dat bereidt voor op onverwachte benoemingen.«

»Zoudt u denken dat…«

»Mevrouw, ik ben vijf-en-twintig jaar in deze verzengde gewesten… en u vraagt me of ik denk? Bittere ironie! Vertel me liever eens wat u denkt van mevrouw Verschuere? haar type is zoo geheel anders dan het uwe, dat ik wel op een rechtvaardige beoordeeling rekenen kan.«

Mevrouw Heylerts laat haar blik rusten op de jonge vrouw en er komt iets zachts in haar oogen, terwijl ze het doet.

»Lief vergeet-mij-nietje,« zegt ze eindelijk, »ze hadden haar aan den oever van haar beekje moeten laten; de indische zon zal haar verschroeien.«

Niet minder gelukkig dan de heer van Sonnefelt is met zijn vroolijke buurdame, niet minder gelukkig is haar cavalier, de [16]schout bij nacht, van de drukke praatster een oogenblik verlost te wezen. Als meer ongetrouwde heeren heeft hij zeer eigenaardige denkbeelden: zoo houdt hij vol dat men uit dineeren gaat om te eten en wijdt, die overtuiging getrouw, zijn aandacht aan de spijskaart met een hardnekkigheid, die zijn dame boos maakt en zijn lijfarts handen vol werks geeft.

Trouwens, toen mevrouw Heylerts zag hoe ze geplaatst was, wist ze reeds van welken kant haar amusement komen moest, als zij zich amuseeren zou heden avond; zij kende den heer Everwoude als een dubbele uitzondering op den regel; hoewel marine-officier, had hij geen aangename vormen; hoewel oud en kaalhoofdig, gevoelde hij niets voor knappe vrouwen.

De plaats aan de eene zijde van den landvoogd wordt ingenomen door eene dame, die er met haar bronskleurig fluweelen kleed en het parelsnoer om den prachtigen hals, ongewoon statig uitziet; door een vrouw, die zooals ze daar zit in haar vorstelijk toilet, fier en kalm alle aanwezigen overschaduwt, niet door schoonheid—haar volwassen dochter is tegelijk met freule Clotilde uitgekomen—maar door het edele van haar gelaat, door het hooge in haar blik en houding.

’t Is een feit, een feit meermalen door de dames met voldoening geconstateerd, dat de barones die vrouw ontziet, dat ze haar een weinig vreest, ja somtijds haar vleit; een minder bekend, maar daarom niet minder onbetwistbaar feit is het, dat de landvoogd in de moeielijke oogenblikken zijner regeering zich somwijlen tot haar echtgenoot wendt, in de hoop door den heer Hagen het oordeel van mevrouw Hagen te vernemen.

De heer Hagen is vice-president van den Raad van Indië. Hij heeft een veel minder gedistingeerd voorkomen dan zijn vrouw; integendeel, hij heeft iets van den pater goedleven in zijn rond, gladgeschoren gezicht met den breeden driedubbelen onderkin, en van het indrukwekkende in houding en gestalte, dat sommige menschen eenigszins bevreesd maakt voor mevrouw Hagen, heeft mijnheer zóó weinig, dat men wel eens zou wenschen hem iets van haar te kunnen overdoen.

Onder den schijn van te luisteren naar mevrouw Van Waliënhove, zijn buur, zit de heer Hagen te kijken naar mevrouw Verschuere, die er in haar licht blauw kleedje met een bouquet vergeet-mij-nietjes [17]in de goudblonde krullen zoo bekoorlijk uitziet dat hij een oogenblik geheel vergeet wat hij zichzelven voornam, toen hij, veertien dagen geleden, zijn vier volwassen dochters in de armen sloot: »dat het voor hem nu uit moest zijn met die gekheden.«

Mevrouw Verschuere heeft den franschen consul tot tafelgenoot en deze verheugt zich in het genot hem niet altijd te beurt gevallen als hij ten paleize dineerde, een dame te hebben, die hem in vloeiend fransch antwoord in plaats van met het »Oui monsieur«, dat hij reeds begon te beschouwen als den eenigen volzin, dien de hollandsche vrouwen leerden van zijn moedertaal.

Amuseert mevrouw De Bruining zich slecht, mijnheer De Bruining gaat het al niet veel beter. Hij zit met een armezondaarsgezicht. En geen wonder! De verzoeking was hem te groot geweest! Hij bedankte voor alle wijnen, tot de Chablis kwam; toen nam hij twee glazen en—nu moet hij zwijgen! Want had hij het ongeluk van te praten en zich ook maar één oogenblik te animeeren, dan zou zijn overspannen zenuwgestel in een staat van opgewondenheid geraken, niet ver verwijderd van dronkenschap.

Zijn dame maakt hem trouwens het zwijgen niet zwaar. Mevrouw Van Ramsberge is eene dier vrouwen, die in sarong en kabaia veel praats hebben, maar zoodra ze gekleed zijn het zoo benauwd krijgen dat ze maar liefst aan zich zelve worden overgelaten, om ten minste adem te kunnen scheppen.

Geruimen tijd na het gebruik van den Chablis heeft de algemeene secretaris als een idioot voor zich zitten kijken; nu neemt hij langzamerhand het uiterlijk aan van een wijsgeer, nadenkend over de dwaasheden van het menschdom.

In deze nieuwe houding wordt hij echter gestoord door mevrouw van Ramsberge, die schijnt te willen toonen dat ze nog juist genoeg adem heeft om een domheid te zeggen.

»Kassian mijn man!«

»Hoe dat, mevrouw? Is de generaal ongesteld?«

»Neen, dat niet. Maar kijk eens naar mevrouw Van Waliënhove! Nu, u zult niet zeggen dat hij het treft met zijn dame?«

Zeker niet. De generaal moet nog het eerste vriendelijke woord van hare lippen hooren. Zij geeft hem ternauwernood antwoord; [18]haar gedachten zoowel als haar blikken dwalen telkens weder naar de plaats, waarheen zoo veler blikken, zoo veler gedachten heden avond dwalen, naar dat jong, nog bijna kinderlijk gelaat, waaromheen de bruine lokjes zoo dartel krullen, waarin de groote grijze oogen zoo schitteren onder de zijden wimpers, waarop de blos der gezondheid en de ronding der eerste jeugd zoo verlokkend tronen. Maar—blijven andere oogen met vriendelijke bewondering rusten op al dat liefs—zij keert het gelaat toornig af van het schoon, dat niet van haar werd geërfd; van het kind, dat niet haar kind en toch—de laatste dagen hebben het bewezen—haar echtgenoot de liefste is.

»Zij moet maar gauw trouwen, vindt u niet?« hijgt mevrouw Van Ramsberge, terwijl ze haar dikken bruinen hals koelte toewuift met een kracht, die De Bruining’s steile kuif in beweging brengt.

»Wie?« vraagt De Bruining, bij wien de Chablis nog min of meer werkt.

»Wel, freule Clotilde!«

»Is daar zoo’n haast bij?«

»Haast is er altijd,« zegt mevrouw Ramsberge met het gedecideerde van domme menschen.

»Ja, dat is de indische meening; niet de hollandsche gelukkig!«

Nu kan men mevrouw Ramsberge niet meer grieven, dan door te toonen dat men haar of haar meeningen indisch vindt, en zeker zou haar cavalier zich voorzichtiger hebben uitgelaten, als zijn denkvermogen niet min of meer beneveld ware geweest.

»Ik zou haast durven beweren dat er hier nog meer haast is dan gewoonlijk, al vindt u het dan ook nog zoo indisch van me,« zegt ze en maakt zooveel wind dat nu niet alleen De Bruining’s haren te berge rijzen, maar ook zijn bakkebaarden aan de algemeene beweging beginnen deel te nemen.

Met de poging om de beide bakkebaarden in één hand te verzamelen, welke poging natuurlijk mislukt, werpt de heer De Bruining een langen blik op zeker bleek, vermoeid gezichtje, dat hem zachtjes toelacht; hij herinnert zich hoe rond en blozend dat gezichtje was, toen hij het voor het eerst tot zich ophief en kuste; hij herinnert zich hoe spoedig het verviel en verbleekte, en daar die droevige gedachten den laatsten damp van [19]den Chablis verdrijven, begint hij op ernstigen toon een gesprek:

»Ik ben van een geheel tegenovergestelde opinie, mevrouw Van Ramsberge. Zie die kinderen eens een pret hebben. Zou het niet zonde en jammer zijn, ze nu reeds de zorgen van een huishouding op de schouders te leggen? Neen, laat ze eerst wat genieten van het jonge meisjesleven.«

»Nu, dat doen ze wel. Hoor die Gertrude Hagen eens gichelen! En Clotilde schijnt ook niet van de stilsten.«

»Ja, zoo lachen ze niet meer als ze een kleintje thuis hebben.«

»’t Is toch een mensch zijn bestemming,« zegt mevrouw Van Ramsberge en wuift hem de punt van zijn das tegen de kin, »dàt zult u toch niet tegenspreken,« en ze kijkt hem boos aan, want ze stelt er een eer in, dat haar dochters alle zoo bijzonder gauw—zij het dan ook niet bijzonder goed—getrouwd zijn.

»Ja,« zegt De Bruining, zoo knorrig als het redeloos schermen met gemeenplaatsen iemand maken kan, »ja, als u daarin komt, wat een mensch zijn bestemming is. ’t Is, om eens iets te noemen, ons aller bestemming om gepensioneerd te worden, maar daarom gaan we nog niet dadelijk allen ons pensioen aanvragen.«

Dat is een hatelijkheid, denkt nu mevrouw Van Ramsberge; de generaal heeft vijf-en-dertig jaar dienst en volgens sommigen wordt het zijn tijd; de heer De Bruining bespeurt dat ze het als zoodanig opneemt, maar hij heeft geen lust haar tot andere gedachten te brengen en doet wat zijn vrouw reeds een uur doet—hij kijkt in zijn bord.

Behalve de vroolijkheid aan den hoek waar de jonge meisjes zitten, heerscht van het begin tot het einde de kalme toon, die de diners ten paleize kenmerkt. Zoo is men langzamerhand genaderd tot het einde: men heeft eenige moeite om de glacés, die daar straks zoo vlug van de vingers gleden, weer aan te krijgen, maar voor het overige staat men even kalm op als men is gaan aanzitten; men leert allengs ook om zich te vermaken op officieele wijze.

Het kwartier dat men na het eten staande doorbrengt in de voorgalerij, schijnt heden korter te zullen worden dan gewoonlijk. Nauwelijks is de koffie gebruikt, als reeds de adjudanten naderen met een beleefde uitnoodiging hen te volgen en de [20]gasten voorgaan naar het achtergedeelte van het paleis.

Er zijn stoelen geplaatst op het balkon, maar het is stikdonker buiten, en juist begint men zich af te vragen, wat toch de bedoeling zijn kan van het staren in deze egyptische duisternis, als in een diepe stilte—bewijs van de nieuwsgierige spanning waarin het gezelschap verkeert—de intendant met zijn zakdoek wuift.

Was de heer d’Hannecour gewapend geweest met het stafje eener fee, niet plotselinger had de verandering kunnen zijn, niet tooverachtiger had uit de duisternis het tooneel kunnen verrijzen, dat nu het oog der toeschouwers boeit. In een licht zoo zuiver wit als werd Bogor’s eeuwig bloeiende tuin te midden der gletschers gevonden, ligt daar de vijver, een reusachtige spiegel, gevat in groenfluweelen rand: rondom buigt zich zacht wuivend loover, de avondwind suizelt en bestrooit de glinsterende watervlakte met bloemen. Daar klinken de vriendelijke tonen eener barcarolle en, bloemguirlanden gewonden om de zilveren masten, veelverwige wimpels in top, met rooskleurige zeilen zwellend door de geurige koelte, glijden tal van bootjes over het meer.

Nu gaat het schitterend witte licht over in teeder smaragd: hier en daar tusschen het dicht geboomte dat den vijver omkranst, vertoonen zich nimfen: zweven naar den oeverrand, ze plukken met volle handen lotosbloemen en werpen ze den gondeliers toe.

De barcarolle verstomt, de lichte tonen eener wals dansen over den waterspiegel; daarboven klinkt de zilveren lach der spelende nimfen. Straks wordt het tooneel overgoten met helrooden gloed; een schetterende fanfare, wild geschreeuw, satyrs springen te voorschijn, gondeliers vluchten, nimfen verdwijnen; alles is weer in duisternis gehuld.

De toeschouwers vergeten waar ze zich bevinden; de verrukking barst los in luid gejubel, in handgeklap, in dank.

Zijne Excellentie bespeurt het niet. Hij hoort of ziet niets rondom zich; hij ziet slechts het stralend gezichtje dat naar hem wordt opgeheven; hij hoort slechts de stem, die bevend van verrukking fluistert: »O, papa! ik dank u! ik dank u!« [21]

[Inhoud]

III
DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET.

Inhoudsopgave

In een der ruime, hooge vertrekken aan de achterzijde van het paleis is de werkkamer van Zijne Excellentie en niettegenstaande de drukte, die de kleine hofhouding medebrengt, blijft het daar gedurende de morgenuren zoo stil, zoo rustig alsof het gebouw geen bewoners had. Voor heden echter maakt de heer Van Waliënhove niet het gewone nuttige gebruik van deze stilte: hij zit achterover geleund in zijn hooggerugden stoel; groote eikenhouten kisten vol stukken, gisteren door de mail uit Europa aangebracht, staan nog ongeopend rondom hem; de handen zijn werkeloos, de oogen half geloken.

Daar straks is hij een oogenblik gewekt uit zijn gepeinzen—niet daarin gestoord—er heeft een lichte tred weerklonken; als in een droom zag hij een tengere gestalte, ze droeg een tuiltje veldviooltjes, ze zweefde hem voorbij naar het portret daarginds aan den wand… ze drukte een kus op zijn voorhoofd…

Een uur is sedert voorbij gegaan. En nog ligt de dagtaak onaangeroerd, nog droomt hij, maar nu niet meer met gesloten oogen, nu met den blik gericht op dat gelaat, omkranst met veldviolen. Noch hij, noch zijn kind hadden in de drukte der feesten vergeten, dat het heden haar sterfdag was; hij en zijn kind, ze herdachten te zamen in een lange omhelzing haar, die voor een korte wijl hem verschenen was in dit leven; de goede engel, begaafd met de macht om den vloek, die op dat leven rustte, weg te nemen.

O, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek!

Hij had zijn kinderjaren verbitterd, zijn jeugd gemaakt tot een worsteling tegen knellende banden; banden, die hij met al zijn kracht niet had kunnen verbreken.

Een adellijken naam te dragen en arm zijn! Al de vooroordeelen van zijn stand als met de moedermelk te hebben ingezogen, al de begrippen van dien stand te zijn toegedaan, al den trots er van te voelen bruisen in zijn aderen—en dan dien trots te moeten vernederen, die begrippen verloochenen, die vooroordeelen boeten! [22]

Ja, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek!…, tot zij, zijn goede engel, hem verscheen.

Wat was toch haar geheim geweest?

Ze was arm als hij, en evenwel, toen ze hun beider armoe vereend hadden, toen waren ze rijk geweest, onmetelijk rijk.

Was het waar wat ze lachend beweerde, dat twee jonge menschen, om gelukkig te zijn, niet anders behoeven dan twee jonge harten?

Was het haar schoonheid, die geheel haar eenvoudig kluisje verlichtte met zoo bekoorlijken glans? Was het haar blik, die het verwarmde met zoo troostvollen gloed? Was het haar lach, die het vervulde met zoo kostbaren zilverklank? Of was het wellicht de liefde geweest, de wonderbaarlijke, die alles vermag? Was dat de tooverstaf, waarmee ze zijn ziel had aangeraakt en teederheid gebracht in plaats van verbittering; de wonderbalsem, waarmee ze de duisternis had weggenomen uit zijn oogen en het gemor van zijn lippen; het bezweringsformulier, waarmee ze alle sombere denkbeelden had verbannen, om hem te doen gelooven in het ongeloofelijke dat ze rijk waren, mateloos rijk, rijker dan de rijkste op aarde?

Helaas! dat de verschijning van toovergodinnen zoo kort moet zijn!

Ze scheidde, ach! zoo onwillig, terwijl ze hem het laatste offer harer liefde bracht: een kind met den blik, den lach en—hij weet het sinds kort—de toovermacht harer moeder.

Rijker dan de rijkste op aarde!

God, hoe schoon was de droom geweest, hoe vreeselijk het ontwaken! Ach, als ze dan heen moest gaan, waarom had ze al den glans en het licht en de muziek met zich genomen?

En als ze alles met zich nemen moest, waarom dan hem alleen achtergelaten in de nu onttooverde wereld?

Wanneer hij zich terugdenkt in den tijd, die volgde op haar dood, toen de lasten des levens hem zoo zwaar drukten, dat ze zijn rug kromden voor de jaren, toen een hulpeloos kind, onverzorgde zusters, zwakke ouders, allen zijn bijstand vroegen, toen hij werkte en zwoegde als de minste en toch niet vond wat de minste vinden kan, genoeg! als hij zich wegdenkt in dien nacht, dubbel zwart omdat hij volgde op zoo schitterend een lentedag, [23]dan vraagt hij zich af hoe hij dien heeft kunnen doorworstelen… Maar ook dan—en dan alleen begrijpt hij, hoe hij er toe gekomen is om zich te verkoopen!

Zich te verkoopen!

Honderde malen heeft hij het gefluisterd, dat vreeselijk woord, honderde malen! Al de hoon, al de schande er in vervat, is gegrift in de diepste diepten zijner ziel, maar nog terwijl hij het uitspreekt in de stilte van zijn binnenkamer, nog doet het hem pijnlijk blozen, alsof hij een slag kreeg in het aangezicht; nog krult zich zijn lip, zooals ze doen zou bij het vernemen eener laagheid, nog wendt hij het hoofd af van het gelaat omkranst met veldviolen…

Want—bloost hij voor zichzelf, hij doet het meer nog voor haar. Immers door zijn tweede huwelijk heeft hij zijn eerste verloochend.

De vrouw, die hem kocht, kan hem niets verwijten: zij wist dat hij geen hart te geven had en ze vroeg ook geen hart, ze zou niet geweten hebben wat er mee aan te vangen; maar Clotilde’s moeder!…

Ja, wèl heeft de vloek zijns levens zwaar op hem gerust!

Want, na jaren lang den aangebonden strijd te hebben volgehouden, buigt hij ten laatste het hoofd en onderwerpt zich aan het noodlot, dat hem dwingt zijn oud verveloos wapenschild te vergulden door een rijk huwelijk, en dan wordt hem, die zoo dikwerf en zoo dringend had gevraagd om een meer winstgevende betrekking, hem die gaarne al zijn krachten zou gewijd hebben aan zijn land, als hij daardoor zijn verarmde familie had kunnen steunen, hem wordt—o bittere spotternij der fortuin, nu op eens als het ware thuis gebracht wat hij zoo lang te vergeefs najaagde.

En al hooger en hooger stijgend, nu hij behalve door bekwaamheid ook door geld gesteund wordt, ziet hij zich eindelijk benoemd tot gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië!

Gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië! Ja… maar geketend aan eene vrouw, die hij haat.

Haat? Hij schrikt op van het woord, nu het hem daar als van zelf op de lippen komt; hij herhaalt het fluisterend, als woog hij de beteekenis er van, als wilde hij nog ontkennen wat daar zoo luide wordt uitgesproken in het diepst van zijn hart. [24]

Haten? Neen immers! Dat kan, dat mag niet!

Toen ze huwden, heeft hij toen niet geloofd in de mogelijkheid van haar te beminnen? Scheen die vorstelijke gestalte, die weelderig schoone vrouw hem niet begeerenswaard; bewonderde hij niet dat regelmatig fraai gelaat; meende hij geen liefde te lezen in de oogen, die toen nog niet zoo onheilspellend fonkelen, zoo toornig lichten konden?

En later, toen ze hem zijn zonen schonk, toen ze aan de wieg van haar kind meer tot teederheid geneigd scheen, waren er toen niet oogenblikken geweest, waarin ze te zamen genoten van de weelden die kinderen onbewust hun ouders verschaffen, oogenblikken, waarin hij de moeder zijner heerlijke jongens dankbaar was voor dien schat?

Haten? Neen! ’t Is waar, hij heeft een vrouw gehuwd om haar fortuin, maar hij deed het niet als een gewetenlooze. Hij gaf haar zijn naam, in het vast geloof dat ze waardig was dien te dragen, met het voornemen haar gelukkig te maken, de hoop bij haar datgene te vinden, wat hij nog vroeg van het leven: een kalm tevreden lot.

Ach, als ze hem maar een weinig had begrepen!

Als ze maar had kunnen beseffen hoe pijnlijk ze hem wondde met dien kouden blik, met dien wreeden lach; als ze maar had gevoeld hoe het blootleggen van een hart als het hare, een hart als het zijne voor altijd sluiten moest! Of anders, als ze maar had willen veinzen, hij zou niets liever gewenscht hebben dan te leven in een gelukkige dwaling.

Maar helaas, er zijn naturen zoo laag, dat ze zelfs het begrip niet hebben hun laagheid te verbergen: hoe weinig had ze hem kunnen geven, hoeveel had ze van hem gevraagd! Wanneer de man offers brengt op het altaar der liefde, wanneer hij eigen zin en wil onderdrukt, eigen wensch verloochent voor de vrouw die hij bemint, dan wordt ze hem dierbaarder naarmate de offers die hij bracht, zwaarder waren. Maar wee de vrouw die offers eischt waar ze niet bemind wordt, wee den man die ze brengt zonder liefde; haat, toornige, machtelooze haat komt zich legeren tusschen hem en haar.

Nu drie jaar geleden, toen hij geroepen werd tot zijn hoogen post, heeft ze van hem geëischt, wat hem moeielijk te volbrengen viel: de scheiding van Clotilde. [25]

Hij weigerde. Zij sprak over vaderlijk egoïsme, dat de toekomst der dochter bedierf, over een half voltooide opvoeding, over een nadeeligen invloed van het indisch klimaat… hij bleef weigeren: toen toonde zij zich zoozeer stiefmoeder, dat het kind zelve vroeg om te mogen achterblijven; immers de strengste kostschool was beter dan zulk een thuis… en hij weigerde niet langer.

En zoo beroofde ze hem van het genot, dat hij zich lang had gedroomd; de plant die hij kweekte, waarvan hij elk blaadje bespied, elk knopje welkom geheeten had, moest hij verlaten op het oogenblik dat ze zich ontplooide tot vollen, heerlijken bloei. En als hij nu, nu zijn ontloken roos is teruggekeerd, den zonneschijn zijner liefde slechts over haar had mogen uitstorten! Doch—treurig raadsel—de vrouw, die niet heeft kunnen beminnen, kan ijverzuchtig zijn, ijverzuchtig op de doode, voortlevend in haar kind.

Thans staat hij op het punt een ander offer te brengen.

Niet dat ze het vraagt, niet dat ze, nu het haar eigen kinderen geldt, een opvoeding in Holland noodzakelijk vindt! Och neen, ze roept ach en wee over zijn hardvochtigheid, ze noemt hem een vader zonder gevoel, ze toornt, ze dreigt, zoodra hij maar een woord durft spreken, doelend op de mogelijkheid eener naderende scheiding.

Toch kan hij het zich niet langer ontveinzen; die scheiding wordt noodzakelijk. Dagelijks is hij getuige van tooneelen, die hem de waarheid in het aangezicht slingeren: er moet een einde komen aan den bestaanden toestand; dagelijks ziet hij het, hoe de goede aanleg der beide jongens wordt bedorven door het onverstand der moeder, hoe hun trotsche aard, het erfdeel der Van Waliënhove’s, dreigt te ontaarden in den dommen hoogmoed, die de landvoogdes bezielde van het oogenblik af dat ze onder het bulderen der kanonnen voet aan wal zette te Batavia.

Ziet hij niet hoe alles samenwerkt om de kinderen een veel te hoog denkbeeld te geven van de grootheid huns vaders, die, alles welbeschouwd, toch slechts een tijdelijke grootheid is? Werkt die troep hovelingen niet nadeelig op het karakter, zijn die kruipende Javanen niet juist geschikt om den kleinen tiran, die in Felix sluimert, te doen ontwaken? Wordt de toomelooze drift van Oscar ooit naar behooren gestraft? Wordt niet met al [26]zijn luimen en nukken genoegen genomen? Ja, zijn insolenties en ruwe grappen, worden zij niet toegejuicht door de vleiers, wier eigen kinderen wellicht verbaasd zouden staan, als ze hier eens zagen hoeveel papa verdragen kan? Hij mag niet, als gelukkiger vaders uit nederiger stand, zich de weelde veroorloven zelf de opvoeder zijner zonen te zijn; hij behoort niet aan zijn huisgezin, maar aan den staat.

De dagen, die het land doorleeft, waarover hij gesteld is, zijn donker: de toekomst, die het tegengaat, is ver van rooskleurig; er wordt gevreesd voor steeds grooter achteruitgang, zoo niet ondergang dreigt; en hij spant al zijn krachten in om in dat donker licht te scheppen, om dien ondergang te voorkomen; hij strijdt tegen den afmattenden invloed van klimaat en omgeving, tegen de moeielijkheden aan de positie van landvoogd verbonden. De strijd is niet licht en legt zoodanig beslag op al zijn gedachten, al zijn vermogens, dat hij gaarne van de zorg voor de opvoeding zijner zonen zou ontheven zijn geworden.

Maar dit mocht niet zijn, en tusschen de regeeringszaken door, peinst hij op middelen om die opvoeding te doen slagen.

Hij heeft gewenscht—en tegen den bepaald uitgesproken wil zijner vrouw doorgezet—dat Felix en Oscar naar school gingen, dat ze daar leerden en speelden, stoeiden en vochten, overwinnaar bleven of onder lagen, juist als andere knapen; maar dat is onmogelijk gebleken.

Hij mocht nog zoo duidelijk verklaren, dat hij geen onderscheid wenschte, hij mocht zijn jongens naar school zenden, te voet, in weer en wind, in het traditioneele blauwe pak, de tasch op den rug gebonden, de onderwijzer kan toch niet vergeten dat het de kinderen van Zijne Excellentie zijn.

Als het ongeluk wil dat in een vechtpartij Felix een blauw oog heeft opgeloopen, komt het hoofd der school, bleek van schrik, zijn verontschuldiging aanbieden; kort daarna wordt hij om deze onhandigheid overgeplaatst; zijn opvolger houdt zich overtuigd dat die overplaatsing het natuurlijk gevolg is van het blauwe oog en straft den eersten den besten, die het waagt een Van Waliënhove aan te raken, zoo voorbeeldig, dat geen knaap zich meer schuldig maakt aan die majesteitsschennis.

Het schoolgaan op deze wijs moest nog veel nadeeliger werken [27]dan het leeren aan huis, en mevrouw Van Waliënhove—had ze misschien de hand gehad in de geheele zaak?—kreeg haar wensch: een gouverneur.

Het mocht geen gewone schoolmeester zijn, de gouverneur van mevrouws zonen! Dus werd een buitengewone gezocht, iemand die akten had voor alle mogelijke en onmogelijke vakken. Hij bleef drie maanden.

Och neen, ’t moest heel iets anders wezen, niet zoo’n pedant heer van het middelbaar, maar iemand van het lager onderwijs, zoo’n manneke dat men niet behoefde te ontzien. Hij hield het een half jaar uit. Er was een Franschman geprobeerd, een Duitscher, een candidaat in de letteren, een dokter in de wijsbegeerte… nu kort geleden is voor de zesde maal de gouverneur tot Zijne Excellentie gekomen, met beleefd maar dringend verzoek om ontslag—en Zijne Excellentie de onderkoning van Indië heeft beschaamd gestaan voor dien nederigen man: hij heeft niet durven vragen wat de reden was van zijn verzoek, hij wist het. En hij weet ook, dat degeen die in ’s mans plaats komt… ah ja, de mail ligt daar nog ongeopend vóór hem, misschien is er bericht; misschien dat de laatste poging door hem aangewend, alvorens tot het uiterste over te gaan, gelukt is.

Hij leest haastig de adressen zijner brieven, opent een daarvan, vliegt den inhoud door en op het gelaat, dat daar straks zoo somber stond, komt nu een trek van blijde verrassing.

Een paar malen loopt hij met den geopenden brief de kamer op en neer, dan schelt hij en beveelt den intendant te roepen.

»Herinnert u zich nog, kolonel,« vraagt hij, zoodra deze gezeten is, »herinnert u zich nog den kolonel Van Beevelant?«

»Die gewond werd op Atjeh, en kort daarna gepensioneerd? Zeker herinner ik mij dien, Excellentie! Hij is, meen ik, reeds als tweede luitenant ridder geworden, en…«

»Juist. U moet weten, kolonel Van Beevelant en ik zijn schoolkameraden geweest.«

»Ah zoo?« vraagt d’Hannecour, dadelijk op zijn qui vive.

»En we zijn altijd vrienden gebleven«.

Met de vlugheid van den hoveling heeft de intendant begrepen welk antwoord hier dienstig zijn kan.

»Ik ben zeker dat hij die onderscheiding waardig was. Toevallig [28]heb ik het voorrecht gehad onder hem te dienen. Onze dames vooral sympathiseerden erg; we zagen elkaar veel en zijn altijd min of meer gelieerd gebleven.«

»Wel zoo, dat doet me genoegen. U weet, hij had een zoon, zijn eenige.«

»Ja, Frans. Hij was de speelkameraad van mijn kinderen, een aardige, veelbelovende jongen. Weet Uwe Excellentie misschien wat er van hem geworden is?«

»We zullen het, denk ik, spoedig vernemen. De fransche mail is aan: welnu, dan is hij gisteravond afgestapt te Batavia en nu waarschijnlijk op reis naar hier.—A propos, zoudt u den adjudant van dienst willen vragen hem te gaan halen van ’t station?«

»Met genoegen. Hè, wat vind ik dat aardig, Frans Beevelant weer eens terug te zien! En wat een verrassing zullen ze het thuis vinden!«

»Ik hoop zeer dat uwe familie haar oude betrekking op hem niet zal vergeten. De dames geven in zulke zaken meest den toon aan, en het zou hem zeker veel waard zijn door mevrouw d’Hannecour te worden gepousseerd.«

De kolonel buigt, zichtbaar gevleid.

»Heb daarover geen zorg, Excellentie! Hij zal met open armen worden ontvangen. Zulk een aardig jongmensch en daarenboven de zoon van een goed, oud vriend.«

»En daarenboven de gouverneur mijner jongens.«

De intendant ziet den landvoogd aan alsof hij denkt aan een grap.

»U zegt?« vraagt hij met een pijnlijk glimlachje.

»De gouverneur mijner jongens,« antwoordt baron Van Waliënhove droog.

»De gouverneur?« herhaalt d’Hannecour, en op zijn daareven zoo glanzend gelaat is de grootste verlegenheid te lezen. »De gouverneur?«

»Wat ik u bidden mag, kolonel, blijf niet zoo stilstaan bij dat woord gouverneur. Het mocht u eens doen vergeten dat de gouverneur uw bijzondere gunsteling, de speelkameraad uwer dochters en de zoon van ons beider ouden vriend is.« [29]

[Inhoud]

IV
EEN INDISCHE HUISHOUDING.

Inhoudsopgave

»Mama, ik wil koek!«

»Ma, Wim knijpt me… Adoe! adoe!«1

»Maatje heef hort aan Jantje!«

»Mama, toetie minta boeboer.«2

Ziedaar de kreten, die, vergezeld van het geraas, dat lepels en vorken in kinderhanden maken, worden geslaakt door het zevental dat om de ontbijttafel der Bruinings gelegerd is in houdingen, welke slechts darwinistische denkbeelden vermogen te wekken.

Die ontbijttafel is bedekt met tal van gerechten.

»Want, niet waar,«—aldus mevrouw De Bruining—»wanneer men zooveel kinderen heeft, dan moet er van alles zijn? Daar hebt u Jantje, die wil altijd gort hebben en voor Non moet er koek wezen; dan eet Toetie boeboer en het kleintje«—er is altijd een kleintje!—»het kleintje kan nog niet veel anders verdragen dan nassie tim, terwijl Bruining op zijn kop chocolade gesteld is en juf graag kip of vleesch heeft bij de boterham.«

»Stil toch, kinderen,« spreekt mevrouw, met een stem, veel te zwak om het rumoer te overschreeuwen. »Ik zal je helpen, maar gil dan niet zoo! Wou je koek, Non? Hier poesje. En jij Wim… jongens, vecht nu niet langer… kom je boterham eten… Spen kassi roti… waar is Spen?«

Spen is aan het melk koken, bericht de baboe, die op den grond zit met een schotel rijstepap en de vijfjarige Toetie volpropt met den boeboer, alsof het een jonge kalkoen was die gepild moet worden.

Nu had Spen reeds een uur geleden de melk kunnen koken, maar met het overleg den inlander eigen, waar het geldt eenig werk te ontloopen, stelt hij dit altijd uit tot het oogenblik van aanval; de jeugdige Bruinings te bedienen is geen gemakkelijke taak en hij laat die liefst over aan hunne moeder. [30]

Zij vliegt dan nu ook links en rechts, om de wenschen harer lievelingen te vervullen; zoo gauw echter niet of jongeheer Jan vindt gelegenheid om de »hort«, waar hij daareven zoo dringend om riep, overal te brengen waar ze niet behoort.

Hij teekent zich met de stroop een paar snorren, die een sappeur hem zou kunnen benijden; nu gaat hij over tot het aanbrengen van groote dwarsstrepen op zijn voorhoofd, welke hem iets diepdenkends zouden geven zonder de beide gortkorrels aan de punt van zijn neus.

Misschien zou Lavater een studie gemaakt hebben van de tegenstrijdigheden in de uitdrukking op Jantje’s gelaat, maar mevrouw De Bruining heeft daarvoor geen tijd. Nauwelijks ontdekt ze het snood bedrijf, als ze een natten handdoek grijpt en daarmede op den teekenmeester toeschiet…

Juist op dit oogenblik weerklinkt een hartverscheurende kreet. De strijd tusschen Willem en Louis met ongewone hardnekkigheid voortgezet, was weldra ontaard in een buiteling en de buiteling beëindigd met een even treurig als verrassend voorval: Louis kwam met een weinig beschermd lichaamsdeel terecht in de heete rijstepap.

Met pas gekrulde kuif en wijd uitgespreiden bakkebaard, met zijn das in de hand en zijn jas op den arm, vliegt nu de heer De Bruining de achtergalerij binnen: hij heeft door het hartverscheurend gegil van Louis gemeend, dat er een vreeselijk ongeluk gebeurde, maar de houding die het ventje aanneemt, nu hij uit de heete pap opkrabbelt, is zóó dwaas, dat papa met de kinderen en bedienden instemt en het uitschatert van lachen.

De kus, dien hij zijn vrouw op de lippen drukt, het goeden morgen dat hij zijn jongens toeroept, zouden vriendelijker zijn, als hij niet zoo gejaagd was; immers hij is reeds gekleed voor zijn dagelijksch bezoek bij den gouverneur-generaal; binnen een half uur moeten hij en Zijne Excellentie een zaak bespreken, die alleen met behulp van zeker staatsblad te bespreken is. En nu werd hij in het bestudeeren van dat staatsblad gestoord door den noodkreet van zijn zoon. Mevrouw is neergeknield om de vuurroode plek, die Louis bij zijn evolutiën bloot geeft, te betten met den natten handdoek voor Jantje bestemd; Jantje vliegt paatje tegemoet, paatje geeft toe aan een opwelling van vaderlijk [31]gevoel en de lichtbruine vloeistof, waarin bij de tropische hitte Jantje’s teekeningen zich hebben opgelost, kleeft tusschen het ronde gezichtje en de mooie bakkebaarden.

Jantje vindt het aardig, maar papa laat zich een woord ontvallen, een woord dat… in ’t kort, dat hij hoogst waarschijnlijk niet gebruiken zal als hij straks in gezelschap is van Zijne Excellentie.

Doodelijk ontsteld rijst mevrouw De Bruining overeind en spant alle krachten in om nog meer zulke woorden te voorkomen.

De drie eitjes, die de algemeene secretaris moet gebruiken om bij zijn veelomvattende werkzaamheden staande te blijven, kunnen alleen door zijn Wies naar den eisch gekookt worden, en daar de juffrouw nog steeds niet verschijnt en de Spen volhardt bij het melk koken, terwijl Louis kermt en Jantje snikt, heeft ze de handen vol.

Daar komt een inlandsch naaistertje, een naaistertje zoo jong en mooi als slechts bij ongetrouwde dames een dienst vinden, binnentrippelen: ze brengt een boodschap van »nonna jupprou«; nonna jupprou heeft erge kiespijn; nonna jupprou kan onmogelijk opstaan en nonna jupprou vraagt haar ontbijt.

Terwijl ze daarvoor zorgt, ontsnapt een diepe zucht aan mevrouw De Bruining’s borst.

»’t Wordt toch wat erg,« meent Daniël, die den zucht hoort en met bezorgdheid opmerkt hoe bleek zijn vrouw er weer uitziet vandaag, »’t wordt toch wat erg! Jij hadt van morgen wel pijn in den rug…«

»Maar Daan! Alsof de meesteres zich zoo zou mogen toegeven als de juf!« zegt mevrouw De Bruining niet zonder eenige bitterheid. »Trouwens, ’t is al wat beter en straks, als ik mijn stortbad genomen heb, zal het wel heelemaal over zijn. Nog een boterhammetje?«

»Neen, dank je! Begin nu eerst zelf eens wat te eten.« En na een pauze, door de kinderen krachtig aangevuld:

»Wil ik je eens wat zeggen, Wies? Het gaat met deze juffrouw alweer net als met de beide vorigen, je hebt er meer last dan pleizier van.«

»Och lieve, dat is nu eenmaal niet anders in Indië.« [32]

»Maar het is toch niet bij iedereen zoo. Ik ken wel dames, die van haar bonne heel wat meer gedaan krijgen dan jij.«

»Ik geloof dat het aan mij ligt,« zegt de arme Wies beschaamd; »als je denkt dat dit de negende is. Ik ben te zwak.«

»Ja, dat is het, oudje. Je bent te goed!«

Ze glimlacht en legt een oogenblik haar hand in de zijne. Hij drukt die hand, ziet haar in het gelaat, dat met dien glimlach niet vermoeid meer schijnt, en de kinderen mogen leven maken zooveel ze willen, hij mag het teeder woordje nog zoo zacht fluisteren—zij verstaat het.

’t Is een korte vreugd. In dezelfde zenuwachtige haast, waarmede hij naar binnen kwam stormen, vliegt hij overeind. »Mijn hemel! ’t is half negen. Ik moet weg! Wordt er ingespannen? Kinderen, houdt je stil… Wies! zorg dat de rijsttafel precies half een op tafel staat, dan kan ik… hou je mond, schreeuwleelijk—dan kan ik nog een oogenblik rusten.«

Nauwelijks heeft papa zijn hielen gelicht of de wilde horde vliegt den tuin in; mama bedenkt dat ze geen hoeden op hebben en geen schoenen aan; maar in ’s hemelsnaam! De stilte is zoo verrukkelijk! En het is nu juist een geschikt oogenblik voor haar om te ontbijten.

Gauw een kop thee, de beste is afgeschonken, maar ze kan nog wel eens opgieten; een eitje, de eieren van eigen kippen zijn altijd voor Daan, maar och, men kan het met koopeieren ook wel eens treffen…

Dat smaakt. Ze zal zich een tweede kopje inschenken, een tweede broodje smeren… daar begint ze onrustig te worden, ze werpt schuchtere blikken naar beneden, naar de trap; weldra durft zij de oogen niet meer opheffen van haar bord. Immers, ze weet dat ze daar beneden aan de trap wordt opgewacht; wel niet met kwade bedoelingen, maar … met ongeduld, met steeds klimmend ongeduld.

Reeds stijgt een verward rumoer tot haar op; reeds onderscheidt ze het afschuwelijk neusgeluid, dat alleen een chineesche varkensslager kan voortbrengen; in de verte bengelt het klokje van den klontong; dichterbij kakelen kippen en kirren duiven die op voedsel wachten; boven alles uit weerklinkt de weinig [33]melodieuse stem van Spen, die quasi de verkoopers van groenten vruchten, hout, klappers en wat ze meer op hun krakende picolans komen aandragen, onderhoudt over hun schandelijk overvragen.

Mevrouw De Bruining neemt zich voor, hen te laten wachten; ze zal haar boterham rustig opeten, zich nergens aan storen … haar oog ontmoet den strakken blik van twee naaisters, die zich houden of het haar bepaald onmogelijk zijn zou één steek te doen vóór zij ze werk geeft; daar fluistert de waschmeid een dringende bede om zeep, de kokkin bewaart, voor de gesloten deur der goedang gezeten, een stilzwijgen, dat zegt: »mensch, maak die deur open of ik zal je op je rijsttafel laten wachten zoolang als je er nog nooit op gewacht hebt.«

De moed begeeft haar; een laatste verlangende blik op den trekpot en ze rijst langzaam overeind om aan de vervulling harer huishoudelijke plichten te beginnen.

Mevrouw De Bruining is de goedheid zelve.

Voor ieder, met het karakter van den inlander bekend, zal het na deze mededeeling duidelijk zijn, dat er op geheel Buitenzorg geen dame gevonden wordt, die een grooter aantal bedienden heeft en slechter bediend wordt, geene die meer passergeld gebruikt en minder eten op tafel krijgt, geene die uit haar tuin vol vruchtboomen zoo zelden een eetbare pisang of djamboe plukt als zij.

Door ervaring geleerd, bereidt ze er zich op voor om, als zij ’s morgens haar oogen opent, allerlei onaangename tijdingen te hooren. Zooals echter vandaag alles schijnt saam te spannen om haar tot wanhoop te brengen, daar is zelfs zij niet op voorbereid.

Het begint met de mededeeling van kokkie, dat een zeker geheimzinnig dier van nacht vier kippen heeft weggehaald; dan komt de tuinman vertellen dat een van de groote bloempotten met de juist bloeiende sering, in elkaar is gezakt; de huisjongen, haar steun en hulp, vraagt veertig gulden voorschot en twee dagen verlof om te gaan trouwen—voor de derde maal in den loop van dit jaar; onmiddellijk na hem nadert nog grooter onheilsbode in den persoon van den koetsier: hij meldt dat een der beide Sydneyers ziek is. [34]

Dit is te veel! Moedeloos zinkt ze neer op haar stoel voor den goedang; werkeloos laat ze het toe dat de kooplieden haar beetnemen; ze ziet kokkie boter stelen in meer dan gewone mate, ze verzet er zich niet tegen, ze merkt op hoe de lampenjongen met de petroleum omgaat of het water ware: ze zwijgt. Daar wordt ze plotseling uit haar sombere moedeloosheid gewekt; was dat niet een noodkreet, een gil in doodsangst geslaakt, die daar het moederoor trof?

Reeds is ze den stoet kinderen tegemoet gevlogen, die onder akelig gehuil uit den tuin komt aanloopen. Wat is er gebeurd? Een kleinigheid maar, vinden de baboes, te oordeelen naar haar kalmte; de kinderen hebben steentjes in hun ooren gestopt, anders niet!

Een flauwe herinnering aan steentjes, die met een haarspeld uit hun schuilplaats werden opgedolven, speelt de arme Wies door het hoofd. Maar neen, beter dadelijk ingespannen! den dokter halen!

Onmogelijk! De vossen zijn met de coupé naar het paleis, een van de Sydneyers is ziek.

Een haarspeld dàn!

Ha, hier komt er reeds een te voorschijn, een steentje namelijk! en hier nog een… ’t blijkt nu, dat er ook enkelen in den neus verdwaalden.

De Bruining rijdt het erf op.

»Man, laat niet uitspannen! De koetsier moet dadelijk naar den dokter.«

De gehoorzame echtgenoot brengt de orders aan den koetsier over, zonder ook maar te vragen wat er gebeurd is; hij is er aan gewoon bij zijn thuiskomst een gebroken arm, verstuikt been of plotseling opgekomen koorts te vinden.

»Daan, verbeeld je!« roept Wies, als hij terugkeert in de achtergalerij, meest het tooneel hunner huiselijke rampen; »Daan, verbeeld je, daar hebben de kinderen zich volgepropt met steenen!«

»Kom, Wies!« roept hij ontsteld, maar niet verbaasd, daar van die kinderen hem niets meer verbazen kan, »’t is waarachtig of het casuarissen zijn. Geef ze castor-olie!« [35]

»Neen lieve, dat is de kwestie niet. Ze zitten in hun neus, in hun ooren.«

»Groote God! En de baboes dan? En de juffrouw!«

»Die ligt in haar kamer te lezen.«

De algemeene secretaris grijpt met beide handen naar zijn achterhoofd en laat een zucht hooren, die veel op pijnlijk kermen gelijkt. Mevrouw ziet die beweging met bekommerd gelaat en zegt: »Als je weer wat ijs op je hoofd wilt leggen, ik heb reeds laten halen.«

»Straks graag. Dat moest er nog bij komen. De kinderen misschien voor hun leven ongelukkig!«

»Waar bij?« herhaalt de heer De Bruining opgewonden. »Wel… maar, ’t is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd…«

»Benoemd? Tot… tot eersten gouvernements-secretaris?«

»Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!«

»Mijn hemel, Daan! Verschuere…«

»Ja, je moogt wel schrikken.«

»Het verwondert me van den gouverneur.«

»Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest. Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de schoonzoon van den minister op moest klimmen?«

»Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo op, Daan, denk aan je hoofdpijn!«

»O Wies!« roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. »O Wies! eisch niet van me, dat ik me kalm houd…«

»Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel onverwacht?«

»Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie Verschuere is… hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker… hij kan meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets; hij ontziet niemand… wat hem [36]in den weg staat loopt hij omver… en ik sta hem in den weg, Wies.«

»Komaan,« spreekt ze vertroostend, »je moet zoo gauw den moed niet laten zinken. De gouverneur is je genegen.«

»Maar Verschuere is de neef van den minister.«

»Beste man! Denk om onze kinderen! We moeten den strijd volhouden zoolang we kunnen—dat heb je tot nu toe altijd gedaan.«

»Ja, als ik die zenuwhoofdpijnen niet had! Als ik niet zoo vreeselijk was afgebeuld, nu drie jaar lang… Goddank, daar is de dokter.«

1 O wee!↑

2 Toetie vraagt pap.↑

[Inhoud]

V
DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS.

Inhoudsopgave

De woning, waarin de nieuwbenoemde zijn vrouw binnenleidde, was niet zulk een bescheiden nestje als waarin jonge indische paartjes meestal de eerste huwelijksjaren doorbrengen en och, zoo naamloos gelukkig zijn kunnen dat ze later, in hun marmeren paleis, nog met zoet verlangen terugdenken aan dat nederig stulpje. Het was een ruim huis, vol licht en lucht, gelegen op den besten stand van Buitenzorg, met het uitzicht in den Plantentuin.

»Nu kind, ben je tevreden?« vraagt hij, als hij haar heeft rondgeleid.

»Of ik tevreden ben?… Ik heb dikwerf gedroomd van zoo’n huis en zoo’n uitzicht, maar dat het ooit werkelijkheid zou worden, neen, dat had ik niet durven denken.«

»Je zult mettertijd in een nog veel mooier, nog veel grooter huis wonen, dat beloof ik je!«

»Nog grooter? En ik vind dit al te groot voor twee menschen, voor twee menschen die elkaar liefhebben, ten minste.…«

»Dwaas kind! Een huis met vijf kamers!«

»En twee beneden. Dat maakt zeven.« [37]

»Ja, maar die moet je niet meêrekenen. Die hebben we noodig voor de logées.«

»Zouden we veel logées krijgen, denk je?«

»Natuurlijk. Als je op Buitenzorg woont, heb je altijd logées. In den oostmousson komen de kennissen van Batavia, omdat ze het er niet kunnen uithouden van de warmte; in den westmousson komen de kennissen uit de Preanger, omdat ze het er niet kunnen uithouden van verveling.«

»Niet zoo heel prettig altijd vreemden over den vloer te hebben, vind je wel?« vraagt mevrouw Verschuere.

»Och, daar merk je hier zoo weinig van, vooral als er een logeergebouw is. Maar om op die vijf kamers terug te komen. Een daarvan—deze rechts—is bestemd voor mijn bureau; deze had ik gekozen voor een boudoirtje.«

»Een boudoir? Voor mij?«

»Ja, je begrijpt, je moet zoo’n vertrekje hebben, waarin je je amuseeren kunt met je piano en je boeken, of je handwerkjes, terwijl ik in mijn bureau zit.«

»Moet je veel in je bureau zitten?«

»Ja.«

»Maar zouden we niet in dezelfde kamer kunnen werken? Ik zou je niet hinderen; ik kan zoo stil zijn als een muis, en het zou veel gezelliger wezen.«

»Onmogelijk, kind. Jullie vrouwen hebt altijd een zeker frou frou, en als ik werk kan ik niet het minste gerucht verdragen. Dan rest er een voor slaapsalet en verder deze voor de kleedkamer van mevrouw, en dit kleintje voor de kleedkamer van mijnheer.«

»Hoe deftig!«

»We moeten een beetje deftig zijn, dat behoort er zoo bij… Neen, lach me nu niet uit, Nita! Ik meen het.«

Ze wandelen het huis nog eens samen door, tot eensklaps mevrouw Verschuere stilstaat met de vraag: »Maar wat moeten we eigenlijk met die groote galerijen beginnen?«

»Wel, ze zijn niets te groot. Integendeel, bij de eerste de beste partij, die we geven, zul je zien dat de binnengalerij eigenlijk te klein is. Voor een dineetje van twaalf personen is de achtergalerij goed, maar meer zou je er ook niet kunnen plaatsen, terwijl vóór… ja, dat gaat. Laat zien: een dertig menschen…« [38]

»Dertig menschen? Waarom zoo veel? Zei je me laatst niet, dat je een hekel hadt aan groote partijen?«

»O ja, wat dat betreft… maar men moet nu eenmaal soms iets doen waaraan men een hekel heeft.«

»Je bent toch vrij?«

»Vrij? Op Buitenzorg vrij? Zie je daar het paleis en praat je dan nog van vrij? Ah zoo, daar komen de meubeltjes te voorschijn! Ik dacht dat ze die emballage nooit los zouden krijgen. Kijk eens, wat is dat keurig overgekomen. In ’t geheel niet beschadigd. Nu, Nita…«

»Wat? Waarom zeg je »nu Nita?««

»Omdat ik weg moet.«

»Weg? Ga je weg? En moet ik hier alleen blijven? Met al die menschen?«

»Mingo is hier en je meid en je naaister. Wat kijk je me verwijtend aan, kind? Dacht je dan dat ik tijd had om een geheelen dag te verknoeien met meubels uitpakken?«

»Noem je dat verknoeien? Ik had er me juist zooveel van voorgesteld het samen te doen; alles samen uit te pakken, te bewonderen, te schikken en te plaatsen.«

»O, wat een idée! Ik heb er niet het minste verstand van en ook geen geduld toe. Geloof me, al had ik niet zoo’n massa werk, dáár zou ik toch niet toe te vinden zijn. Kom, Nita, je moet je eens aangrijpen. We hebben hier nu eenmaal geen menschen die je huis voor je meubeleeren, anders had ik ze je lang bezorgd. Je weet, wat een vrouw in Indië noodig heeft, is flinkheid; ze moet ferm zijn, zelfstandig handelend optreden. Nu lieve, ’t wordt mijn tijd.«

»Hoe laat kom je terug?«

»Tegen twaalf uur, denk ik. Ik krijg daareven bericht dat De Bruining met zenuwhoofdpijn te bed ligt. Nu, dan is hij nog verwarder dan gewoonlijk en dus zal het wel etenstijd worden vóór we klaar zijn. Tot straks!« en hij kust haar hartelijk.

»Dag Gustaaf!«

Hij keert nog eens terug op zijn schreden en vraagt lachend: »Wat is het eerste vereischte voor een vrouw in Indië?«

»Flinkheid,« antwoordt ze met een stemmetje dat alles behalve flink klinkt. [39]

Nog een vluchtige groet en mevrouw Verschuere is alleen; alleen, met een veertigtal koelies, een dertigtal kisten en zulk een helsch leven als het wezen kan in een ledig huis, gevuld met werkvolk.

Ze ziet rondom zich dien chaos van touwen, breekijzers, hooi, stroo, pakpapier; ze ziet die halfnaakte mannen, de dierlijke bruine gezichten, nog misvormd door den pruim tabak, dien ze vóór in den mond houden; ze hoort de ruwe klanken, welke, vooral als men de taal niet verstaat, meer aan beestengeluiden dan aan menschenstemmen doet denken en—ze wordt bang!

»Mingo! Mingo!«

Maar Mingo is juist naar den trein om den nieuwen voorraad kisten, daareven van Batavia aangekomen, in ontvangst te nemen. »Jeit! Sarinah!«

Maar lijfmeid en naaister hadden een rustig oogenblikje aangegrepen om koffie te drinken.

Ze voelt een onweerstaanbaren lust om in een der ledige kamers te vluchten en zich daar op te sluiten, maar ze zegt tot zichzelf dat dit kinderachtig zijn zou, en ze weet reeds bij ervaring, dat Verschuere geen kinderachtigheid verdragen kan. Dus grijpt ze zich aan, loopt met een fermen stap naar voren en… staat tegenover mevrouw De Bruining.

Zooals deze verrijst van achter een berg kisten, met haar hoekige figuur gestoken in sarong en kabaia; met haar toch niet overdadige lokkenpracht, nog vochtig van het bad, in dunne pijpestelen afhangend op den rug; met haar bleek gezichtje haastig en daardoor niet zeer gelijkmatig gepoederd, is ze geenszins een bekoorlijke verschijning. Maar als mevrouw Verschuere haar aanziet, leest ze in de zachte oogen iets dat haar aan »mama in Holland« herinnert en ze valt haar in de armen met een kreet van vreugde, die in een snik eindigt.

»Dacht ik het niet?« roept mevrouw de Bruining, terwijl ze vol moederlijke teederheid het tengere figuurtje omsluit. »Dacht ik het niet? Zei ik ’t niet dadelijk aan uw man, toen hij me vertelde, dat u hier alleen in huis waart?« En dan, met de trotsche vreugde van een vrouw die gelijk krijgt: »dat kon hij op zijn vingers natellen! Om u de waarheid te zeggen, heb ik hem eens flink beknord.« [40]

»O mevrouw! Verschuere had zooveel…«

»Zooveel werk. Och ja, kindlief, dat is ook zoo, daar kunnen ze nu eenmaal niets aan veranderen. De stukken wachten niet. Ook is er me tegenwoordig zoo iets af te doen… En waart u daar nu een beetje zenuwachtig gaan worden? Wel, wel! Mijn lieve, wat ben ik blij dat ik maar zoo dadelijk in den wagen gesprongen ben! Vooral wanneer ik bedenk, dat ik, als ik er langer over had nagedacht, bepaald thuis zou zijn gebleven. U moet weten dat de juffrouw een weekje verlof heeft—naar Soekaboemie, daar woont haar zuster—dat kun je zoo’n mensch ook al moeilijk weigeren, niet waar? en dat het kleintje juist een hoektand doorkrijgt. Daarbij komt dat de min—maar daar hebt u nog zoo geen verstand van. Toch, als ik u een raad mag geven, begin daar nooit mee! Met minnen bedoel ik: hoektanden kunt u moeilijk buiten blijven… Komaan, wat is er te doen? Koffers en kisten uitpakken? Wel, dat is het prettigste werk van de wereld! Als er wat moois in zit ten minste. En als je maar weet hoe je het moet aanpakken… Waar is uw jongen? Ah zoo, ben jij dat? Hoe heet je? Mingo? Nu, Mingo, loop jij dan eens gauw hiernaast en vraag aan mevrouw een paar wipstoelen en wat ijswater.«

»Maar,« brengt Nita in het midden, »ik ken die mevrouw hiernaast niet.«

»Dan is dit een uitmuntend middel om kennis te maken. Zie zoo, nu beginnen we! Ajo koelies! Maakt open den boel! Gauw wat! Voorzichtig! Gauw, zeg ik je! Nu, wat voorzichtig, asjeblieft!« En zonder te bedenken dat het eene onmogelijkheid is die twee bevelen tegelijk uit te voeren, herhaalt zij ze onophoudelijk, terwijl de koelies er zich natuurlijk in het minst niet om bekommeren.

Nu komt Mingo terug met stoelen, glazen, een ijskan en de vriendelijke boodschap, dat mevrouw verzocht wordt, alles wat ze mocht noodig hebben gerust te laten halen. De eene kist na de andere wordt ontpakt; en als tal van voorwerpen, met smaak gekozen in de beste magazijnen van Parijs, te voorschijn komen, dan vergeet mevrouw Verschuere haar teleurstelling, mevrouw De Bruining minnen, hoektanden en juffrouwen.

Mingo blijkt een echte bataviasche jongen, vlug, net, handig[41]—misschien brutaal en verliefd en diefachtig van natuur, maar een jongen waarmee men vooruit kan komen.

Jeit en Sarinah, blijkbaar verfrischt door de koffie en het daarop volgende sirihpruimpje, maken zich zeer verdienstelijk; mevrouw De Bruining vliegt links en rechts; Nita doet wat ze kan—hetgeen zeer weinig is, daar niemand haar verstaat—tafels, ledikanten, kasten en divans komen op hun plaats; er verspreidt zich door het huis de eigenaardige lucht, die bewijst dat er flink gewerkt wordt door inlanders. De vriendelijke buurvrouw zendt tegen twaalf uur vruchten en portwijn. De dames hebben een verfrissching zoowel als een opwekking noodig, en met een zegenbede aan het adres van de geefster, zinken ze naast elkander op de eerste canapé de beste neer.

»Wit u gelooven, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan?« hijgt mevrouw De Bruining.

»O mevrouw, wat spijt me dat! U had u niet zoo moeten vermoeien… ik hoor, dat het niet goed is in dit klimaat.«

»Gekheid, kind! Laat je dat nooit wijs maken. Flinke beweging is hier even noodig als in Holland. Trouwens, uw bedienden zorgen wel dat—wáár u gebrek aan moogt hebben—het niet aan beweging is. Doen de baboes haar werk, dan moet men de naaisters weer narijden; is kokkie goed, dan laat de waschman… hemelsche goedheid! de waschman! hij zou om tien uur komen. Koetsier! Gauw! Vóór! Dag mevrouw! Neen, bedank me niet. Gauw, koetsier! Naar huis! Ik heb den waschman vergeten! ik moet nog voor de rijsttafel het goed ontvangen.«

[Inhoud]

VI
PEIGNOIR CONTRA SARONG.

Inhoudsopgave

Niets vriendelijker, niets stralender dan Buitenzorg in het ochtenduur; niets verrukkender dan de atmosfeer, die daar heerscht wanneer de regen, des nachts in stroomen neergevallen, tegen den morgen ophoudt.

’t Is hier niet, als in Europa’s groote steden, een ure somber en droef of de hemel den ganschen nacht had geweend over de [42]aarde; hier zijn de regendruppels als de tranen eener bruid: ze worden des avonds geweend, om des morgens te zijn weggekust.

Voor de in dauwdrup en bloesemgeur gedrenkte natuur is de eerste zonnestraal een groet, waarmede de moeder het slaapvertrek harer kleinen binnentreedt; glimlachend doet ze alles ontwaken. Het gebogen grassprietje verheft zich, het hangend kelkje tilt het hoofd omhoog, vochtige stammen tooien zich met vlammenden gloed, goudgevleugelde insecten stijgen opwaarts uit de bloem, die hen tot nachtverblijf diende. De morgenkoelte komt aangezweefd. En weldra ruischt het rondom van het eigenaardig geruisch, dat slechts in een tropische natuur vernomen wordt: in het dichte loofdak vallen met zacht geklater de regendruppels uiteen, en van zijn parelenlast bevrijd, nog getooid met vochtigen glans, nog geurend van nachtelijke frischheid, begint het gebladert dat suizelen en fluisteren, dat voor wie het verneemt zoo oneindig liefelijk zijn kan als de laatste toon van de symphonie van een tropischen nacht, maar ook als het teeder voorspel van het morgenconcert, dat straks een aanvang gaat nemen.

Die muziek der ontwakende natuur is in volle harmonie met de beelden, die Agnita’s geest vervullen, wanneer ze, nog min of meer vertoevend in de droomenwereld, aan den arm van haar echtgenoot de dreven doorwandelt.

Zij was al spoedig tot de ontdekking gekomen van het geheim—’t welk helaas voor tal van Europeanen in Indië een geheim blijft—dat het beste uur van den dag het morgenuurtje is, en weldra liet de zon, als zij verrees boven Bogor’s lanen, daar een van haar gouden stralen achter in de reine ziel, die, alsof het een bloem geweest ware, zich elken dag opende voor ochtenddauw en hemelglans.

Eerst als de vogelen losbarsten in hun jubelzang, begon ook zij het vroolijk gepraat, dat, mengeling van kinderlijken eenvoud en dichterlijke verheffing, een bekoring uitoefende, groot genoeg om Verschuere te doen vergeten wat anders al zijn denken innam.

Soms ontmoetten zij op hun wandeling freule Van Waliënhove. Voor haar was de morgen de vrijheid. Had eenmaal de bel voor het ontbijt geluid, dan was het gedaan met haar genoegen, dan [43]had ze recht tegenover zich de gevreesde zwarte oogen, die haar aanstaarden, niet met dat teedere, dat liefkoozende, waarmee moederoogen zouden gerust hebben op die heerlijke verschijning, tintelend van levenslust, maar met den kritischen blik der vreemde, die niets liever wenscht dan een fout te ontdekken, op een tekortkoming te wijzen.

En dat was niet moeielijk!

Heden droeg het kleedje, waarmee ze aan het dejeuner kwam, de onmiskenbare sporen van een wilden tocht door de bosschen; morgen verscheen ze met een hoofd dat er uitzag alsof het slechts de koelte tot kapper had; nu getuigde haar gelaat dat het met de indische zon had kennis gemaakt, dan weer was ze te opgewonden bij het verhaal harer avonturen; soms ook lachte ze zoo luid, zoo lang, zoo blij, dat niet slechts de hooge vertrekken er van weergalmden, maar allen die het hoorden er zacht of luid mee moesten instemmen. Wie echter van al de paleisbewoners het hartelijkst meêlachten, dat waren mevrouw Van Waliënhove’s beide zonen. De nieuwe zus, die ze niet zonder vooroordeel hadden ontvangen, was tot hun onuitsprekelijke verrassing een speelmakker gebleken.

Vóór dag en dauw, als alles nog in diepe rust lag, kwam reeds het gekrulde kopje bij hen om de deur kijken. Ze hield den vinger op den mond en kuchte; trouwens, meer was niet noodig om hen in één sprong uit het bed te krijgen: als ze daar zoo stond met het korte kleed, met den grooten stroohoed en de stevige hollandsche laarzen, dan wisten ze dat hun een pretje wachtte en ze volgden gewillig.

»Neen, kijk nu niet op dat vervelende horloge, Gustaaf! we zitten hier zoo heerlijk… zie eens die blauwe lucht…«

»Maar kind, het wordt mijn tijd; er is eene moeielijke kwestie aanhangig en de gouverneur schijnt haar zoo spoedig mogelijk te willen oplossen. Hij werkt hard; ik wil doen wat ik kan om hem te helpen…«

»Wel, mijnheer Verschuere, dat vind ik lief van u!« roept een heldere stem vlak bij hen.

Verbaasd zien beiden rondom zich en—van achter den reusachtigen stam eener waringin komt freule Clotilde te voorschijn, [44]in het rose kleedje, den grooten stroohoed vol pas geplukte bloemen, frisch en jong als de morgenstond.

»Gaat u maar gauw naar huis, mijnheer, en werk als het u belieft zoo hard als u kunt, want die arme papa heeft erge hoofdpijn. Ik zal mevrouw wel gezelschap houden. U moet weten, mevrouw Verschuere, ik verkeer in hetzelfde geval als u, ik word door mijn cavaliers verlaten, als ik dolgraag nog een uurtje in den tuin zou blijven. De arme jongens moeten om acht uur binnen zijn voor hun lessen. Heerlijk, vindt u niet, om, zooals wij, geen lessen meer te hebben? Bent u al lang van school?«

»Ja, al vier jaar,« antwoordt Nita lachend.

»Al vier jaar? Dan zult u niet meer, zooals ik, altijd hongerig zijn. Mama zegt dat het een gevolg is van ’t kostschoolleven. Maar—wilt u een stukje? Kijk, heerlijk bruin brood met kaas! We nemen dit mandje altijd mee, propvol; en het komt nooit anders dan leeg terug. U moet weten, dit is voor ons het lekkerste maal van den dag, wij houden niet van die getruffeerde kostjes en fransche sauzen. Wilt u nog een sneêtje? Niet? Wel, wat dunkt u er van, als we dan nog eens een eindje opliepen? We kunnen toch niet als twee verlaten Genoveva’s in het bosch blijven zitten treuren!«

Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters.

Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand van haar geur genoot; orchydeeën lieten haar bloesems nederhangen in wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in haar teere lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de groene aarde en den blauwen hemel—geen wandelaar scheen te wenschen onder dien eereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen,—ze keerde ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar hooger… de tuin bleef ledig!

En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een indécente kleeding vond!

De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de nationale dracht nooit anders dan »het indisch nachtkostuum«; eens zelfs, boos geworden door het beweren van den [45]heer Hagen, dat hij ’s morgens ging wandelen om de nonnaatjes te zien in wat hij »de mooiste kleeding voor een mooie vrouw« noemde, verklaarde ze, dat het haar onaangenaam was op hare ochtendwandeling dames te ontmoeten in dit »even smakeloos als ongepast toilet«, ja, ze was verder gegaan; ze had, toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou zenden, daar het haar, als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam zich reeds ’s morgens te kleeden.

Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten—waartoe ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg!

Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke onsteltenis der beide oudjes dezen den toegang weigerden.

Ook dit werd bekend en de mannen onder de Buitenzorgers vroegen zich knorrig af, of niet de adjudanten hun boekje waren te buiten gegaan, toen zij de rol van den engel met het vlammend zwaard op zich namen; immers voor den gouverneur-generaal was wel een gedeelte van het park gereserveerd, maar het overige was publieke wandelplaats. Doch terwijl zij zich nog in die vraag verdiepten, hadden reeds hunne egâs het hoofd in den schoot gelegd, en kort nadat de beide zondaressen uit het paradijs waren verdreven, zag men het slechts door »gekleede« Eva’s betreden. Het getal dier Eva’s werd echter steeds geringer, want niet iedere huisvrouw kan het volhouden, om zich des morgens nog voor het ontbijt te kleeden; met haar verging ook den Adams de lust, en menige verrukkelijke ochtend werd nu doorgeschommeld in den luierstoel, een kop koffie in de hand. Dan werd er gezucht: »Wat zou ik graag een eindje wandelen! Wat zal het nu heerlijk zijn in den tuin! Maar als ik vóór half acht [46]de kinderen naar school expedieeren en me dan nog kleeden zal, dan wordt het te laat, te zonnig, te warm…«

Het duurde niet lang of men begon zich in Indië’s residentie zoo te schamen over de dracht, die toch door het klimaat als het ware wordt noodzakelijk gemaakt, dat niemand er zich meer in durfde vertoonen, en dit had ten gevolge dat de gouverneur-generaal op den dagelijkschen morgenrit het grappig schouwspel genoot van een burgerij, die verstoppertje speelde.

Geen indisch echtpaar dat des morgens vóór het aan den arbeid gaat—en die arbeid is dikwerf zwaarder dan menig hollandsch echtpaar droomt—niet een oogenblik genieten wil van de frissche lucht; ja, voor de meesten is dit oogenblik het beste van den ganschen dag.

Dit genieten in gezelschap van vrouw en kinderen was onmogelijk, sinds het vonnis werd geveld over de morgendracht; immers, ’t is meest bij de bloemen dat het kalm, vredig uurtje gesleten wordt, en de tuin ligt vóór het huis aan den grooten weg.

Het gevaar dreigde van alle kanten; Zijne Excellentie reed te paard, mevrouw toerde, de freule wandelde met haar broers. Men kon elk oogenblik betrapt worden. Sommigen zetten wachten uit; anderen staken zich in ’s hemelsnaam maar dadelijk in de kleeren; weer anderen bleven, den strijd moede, in hun achtergalerij zitten koffie slurpen; verreweg de meesten echter volgden de struisvogel-politiek.

Nauwelijks kregen ze een der gevreesde kabaienhaters in het gezicht, of ze zetten het op een loopen; op hun eigen erf drong de man zijn vrouw, de vader zijn dochter ter zijde, struikelden de groote broers over de kleinen in den wedren naar binnen, die de nadering van een Waliënhove noodzakelijk scheen te maken, en menigmaal beklaagde Zijne Excellentie zich, dat hij de goede Buitenzorgers nooit anders dan op den rug zag.

Nog erger was het, als ze het gewaagd hadden den grooten weg een eindje op te wandelen en op heeter daad betrapt werden; de heer Van Waliënhove, die de kabaienhaat zijner vrouw volstrekt niet deelde, mocht groeten zoo vriendelijk als hij wilde, de dames bloosden, de heeren gedroegen zich als schooljongens bij wie knikkers gevonden worden.

Soms ook, als ze hopen durfden zich nog te kunnen verschuilen, [47]stelden ze zich op achter een boom. Maar hoe dik ook, indische boomen zijn zelden dikker dan indische menschen, en verraderlijk vertoonde zich de rand van een sarong of de punt van een kabaai, attributen, die Zijne Excellentie nooit naliet te groeten met hoogst hoffelijken groet. Mevrouw Van Waliënhove echter, achterovergeleund in haar landauer, zag het van onder haar rood zijden parasol met welgevallen aan, hoe de residentiebewoners zich door één woord van hare allesbeheerschende lippen hunne vrijheid ontnemen, hun morgenuurtje vergallen lieten.

[Inhoud]

VII
FRANS VAN BEEVELANT.

Inhoudsopgave

Genietend van een ananas, zooals slechts Buitenzorg ze oplevert, zitten de heer en mevrouw Verschuere tegenover elkaar aan het dessert, als Mingo een leitje binnenbrengt.

»Een verrassing, Nita!« zegt Verschuere na lezing, »we krijgen nog bezoek van avond, als het je ten minste gelegen komt?«

»Zeker,« en ze begint haar servet op te vouwen, een gewoonte waaraan de bedienden de totoh herkennen.

»Van wien?«

»Van iemand op wien ik in onzen engagementstijd haast jaloersch was geworden, zoo had hij je ingepakt.«

»Jaloersch?« en zij ziet hem aan met een blik die, ook al ware zijn plagen niet geheel scherts geweest, hem volkomen zou hebben gerustgesteld. »Maar wie is het?«

»Frans van Beevelant.«

»O, dat doet me pleizier! ’t Speet me zoo, dat hij ons reeds tweemaal niet thuis vond. Dat is toch werkelijk een tref, dat de nieuwe gouverneur juist een oude vriend moest zijn!… Vin je niet.«

»Ja… betrekkelijk… Ik wil je wel bekennen, Nita, toen hij me schreef dat hij uit zou komen voor dat baantje, toen vond ik het ver van pleizierig.«

»Hoe dan?«

»Och, wat zal ik je zeggen? Zie je, je begrijpt die dingen nog [48]zoo niet, maar oude kennissen in nieuwe omstandigheden, dat kan soms lastig worden.«

Nita ziet hem een oogenblik peinzend aan, als zocht ze de verklaring zijner woorden, dan—met de naïveteit, die zoo nadeelig werkt op Gustaaf’s humeur: »’t Is zoo, ik begrijp die dingen niet, maar misschien wil je het mij uitleggen?«

»Neen, dat kan ik niet!« roept hij ongeduldig. Maar straks, als ze hem vragend blijft aanzien: »Kom, Nita, dat begrijp je nu toch ook! Stel je voor, dat hij hier de positie had ingenomen van vroegere heeren onderwijzers!«

Nu heeft ze begrepen. Dat bewijst de plotselinge schrik waarmee zij de oogen tot hem opheft.

»Je zoudt hem toch niet verloochend hebben, niet waar? De vriend van je jeugd! Zeg, Gustaaf?«

Ze is haastig overeind gerezen en op hem toegetreden; ze heeft zijn hand gevat en ziet hem in ’t gelaat. Hij laat haar die hand, maar wendt het hoofd af; ’t is of ze met haar ernstige diepe oogen op de bodem zijner ziel wil lezen.

»Natuurlijk niet,« zegt hij eindelijk; »dwaas kindje! Om je zoo iets in ’t hoofd te halen!« En na een kleine pauze: »Weet je wel dat mevrouw Van Waliënhove het niet zeer vriendelijk opneemt, als men beleefdheden bewijst aan de gouverneurs?«

»Maar daar storen wij ons niet aan! Mevrouw Van Waliënhove kan véél, maar, niet waar? mijn man overhalen tot iets onedels, dát kan ze niet!«

»Iets onedels… je gebruikt ook dadelijk zulke groote woorden. Dat moet je niet doen, kindlief, aan een hof. We hebben hier, onder ons, voor zulke zaken veel zachter termen. Enfin, ik ben blij—om zijnentwil vooral,—dat Van Beevelant dadelijk op zoo’n piedestal gezet is… ’t is grappig om te zien wat één woord in zoo’n toestand een verandering brengen kan, als dat woord maar rolt van machtige lippen. De laatste gouverneur was ook een aangenaam mensch, een man van studie, van meer dan gewone kennis; niemand nam eenige notie van hem. Hij is weggegaan, zooals een knecht weggaat, onopgemerkt: zijn opvolger komt, mijnheer Van Waliënhove spreekt,—en heel Buitenzorg schijnt nog maar één wensch te kennen en die is, beleefdheden te bewijzen aan mijnheer Van Beevelant.« [49]

»Vind je dat grappig, Gustaaf? Ik vind het treurig.«

Hij ziet haar aan met zijn cynisch lachje. »Nita, Nita, wat moet ik hooren? Onthoud je mijn lessen in de levensphilosophie zoo slecht? Heb ik je niet gezegd dat, als men in deze kringen wil verkeeren, men de dingen van de belachelijke zijde moet beschouwen, om niet te bezwijken van ergernis?«

»Ik vrees dat ik niet erg vatbaar ben voor wereldwijsheid,« zegt ze met een zucht.

Hij strijkt haar de blonde lokken van het voorhoofd. »En ik doe eigenlijk dwaas met er je vatbaar voor te willen maken.… Kom, denk er niet meer over en zorg dat onze vriend een lekker kop thee vindt. Dan ga ik een fijne flesch halen.… Waar zijn de sleutels?«

»Laat het een erge fijne zijn,« fluistert Nita, terwijl ze hem haar mandje toereikt.

»En dat waarom? Om het voorbeeld van de Buitenzorgers te volgen?«

»Neen. Om het weer goed te maken, als er soms een oogenblik minder vriendelijke gevoelens in je hart zijn geweest.«

Straks, als ze met haar toebereidselen gereed is, steekt mevrouw Verschuere den arm door dien van haar echtgenoot.

»Kom, willen we hem tegemoet gaan? Het is zoo’n heerlijke maneschijn en zoo stil.«

Ja, het maanlicht op de groote gazons aan weerszijden van den weg, die naar het paleis voert, is heerlijk en in de bosschages, de ze omzoomen, is het stil, maar niet van de groote stilte die straks zal dalen.

Nog dringt het verwijderd gewoel der stad door tot in den Plantentuin, nog zijn de spelende hagedissen niet tot rust, nog weerklinkt de kreet der nachtvogels, nog komt uit de open woonhuizen in den omtrek muziek en zang, kinderlach en vriendengepraat.

Als ze Frans van Beevelant tegemoet treden, arm in arm, roept hij hun reeds van verre toe: »Gelukkige luidjes, op een avond als dezen niet alleen te zijn!«

»Tot die gelukkige luidjes behoort u van dit oogenblik af aan ook!« zegt mevrouw Verschuere en reikt hem de hand met die kinderlijke goedhartigheid, die haar zoo onweerstaanbaar maakt, [50]»en zult u kunnen behooren zoo dikwerf u ons komt opzoeken.«

»Laat dat heel dikwerf zijn, Frans,« zegt Verschuere.

Weldra zitten ze rondom de theetafel.

»Ik kom u de groeten brengen van Bloemduin,« spreekt de bezoeker.

»Van Bloemduin?« herhalen beiden.

»Ja, ik ben er even heen geweest vóór mijn vertrek. Ik dacht dat jullie het prettig zoudt vinden, als ik de familie pas van aangezicht tot aangezicht had gezien.«

»Dat is… daar herken ik je aan, Frans. Weet je wel, dat je mijn vrouw daar een enorm plezier mee hebt gedaan? Niet waar, Nita?«

Mevrouw Verschuere zegt niet veel; ze heeft alleen haar gelaat gekeerd naar den vriend, en ofschoon het een lastige reis geweest is, die reis naar Bloemduin, vindt hij zich ruim beloond voor zijn moeite. Maar nu heft ze de oogen op naar haar echtgenoot en hij weet dat ze denkt aan het gesprek daar straks gevoerd; en meer dan daar straks haar naïeve vragen hem in verlegenheid brachten, doet het nu haar ernstige, zacht verwijtende blik.

»En hoe maakten ze het?« vraagt hij haastig. »Was alles wel? De tantes? En de oude lui?«

»Uitstekend. De tantes schenen me nog iets ouder geworden ofschoon ik niet had gedacht dat dit mogelijk was. De oude lui zagen er best uit. Alleen, ze misten hun kleintje erg! Ja… ’k begrijp wel, Verschuere; ik zou het ook niet hebben overgebracht, maar ik kreeg de boodschap mee:

»»Zeg haar, dat we ons kleintje erg missen; zeg haar, dat er geen dag voorbijgaat, waarop we haar niet terugwenschen in ons midden.««

»Och, ik wist het zonder dàt wel,« fluistert Nita nauw hoorbaar.

»En waar vond je hen?« roept Verschuere haastig. »In de tuinkamer zeker? En hoe maakt onze lieve zus Corrie het? En was Jan niet gelukkig met zijn doctorstitel? En is het al bepaald wanneer ze gaan trouwen?«

Maar vóór Van Beevelant op dien stroom van vragen kan antwoorden, spreekt Nita weer: »Wie zei het? Papa?«…

»Ja, maar mevrouw, ik bid u…« [51]

»Dat dacht ik wel…« fluistert ze, »arme lieve pa!… En was hij erg bedroefd, toen hij dat zei… van zijn kleintje?«

De heer van Beevelant is opgestaan; hij zag in den anderen hoek der galerij een hangplant, die bijzonder zijn aandacht trok.

»Nita, kom, wees verstandig!« en Gustaaf slaat zacht den arm om de bevende gestalte. »Is dit nu niet wat overdreven, lieve?« gaat hij zacht verwijtend voort. »Te schreien, omdat je toevallig hoort uitspreken wat je toch vermoedde, ja wist? Kom, troost je: papa en mama hebben hun andere kinderen.«

»Maar ze missen me toch; ze missen hun kleintje,« snikt ze.

»Niet zoo erg als ik mijn kleintje missen zou,« fluistert hij.

Van uit den hoek, waar hij nog steeds nieuwe wonderen ontdekt aan de belangwekkende plant, bespeurt Van Beevelant hoe een plotselinge glans over het beschreid gezichtje komt, hoe de blos terugkeert, hoe de tranen als door een tooverslag zijn weggewischt;—als hij ziet hoe ze glimlacht, terwijl Gustaaf haar iets in het oor fluistert, acht hij het bestudeeren der plant verder onnoodig.

Nauwelijks is hij gezeten, of hij wordt bestormd met vragen, waarop hij volstrekt niet bedacht was en waarvan hij enkele maar op goed geluk beantwoordt; vragen, zooals een kind ze doet aan wie pas het ouderlijk huis betrad, over kleinigheden, maar kleinigheden welke tot dusver voor haar het leven uitmaakten.

De bloeiende slingerplanten zich windend om de pilaren en in guirlandes afhangend van het lage dak, vormen een doorzichtig gordijn voor Agnita’s woning, maar als dat doorzichtig gordijn een chineesche muur geweest ware, dan had ze niet meer volkomen de wereld rondom zich kunnen vergeten, dan nu het geval was, terwijl Van Beevelant vertelde van die andere wereld, haar thuis.

De thee is weggenomen, de oude wijn fonkelt in de glazen, en nu eerst vindt Verschuere gelegenheid zijn vriend te vragen naar de betrekkingen welke hij zelf achterliet.

Zijn antwoord is een onderdrukte zucht. Dan luidt zijn wedervraag: »Hoe zou het gaan? Wat kan de toestand zijn van een familie, die op één dag de plannen en illusies van vijf-en-twintig jaar den bodem ziet inslaan? ’t Is geen kleinigheid gepensioneerd te worden! Vraag dat de oud-officieren en oud-ambtenaren in Holland maar eens!« [52]

»Geen kleinigheid vooral, om van het mager pensioentje te gaan leven, juist op het oogenblik dat het volle traktement zoo noodig zou zijn om de opvoeding, begonnen in de verwachting van dat traktement en daarnaar geregeld, te voltooien. Toch, mama is moedig genoeg; de meisjes doen haar best… Werkelijk, het zou niet zoo treurig behoeven te zijn als het in den laatsten tijd was, wanneer papa er maar toe komen kon, zijn lot wat geduldiger te dragen.«

»Zulk een lot geduldig dragen! geen wonder waarachtig dat hij het niet kan!« roept Verschuere. »De kranigste officier van de armée te zijn, op het punt te staan gouverneur van Atjeh te worden, genoemd te worden als de aanstaande legerkommandant, en dan te worden getroffen door zoo’n ellendigen kogel, die even goed wat hooger of lager had kunnen komen, en nu het te moeten aanzien hoe anderen je plaats innemen… Geen wonder dat hij zulk een lot niet geduldig dragen kan!«

»Je hebt gelijk, ’t is hard. Ik, die het alles zoo van nabij gezien heb, zal de laatste zijn om het tegen te spreken. Maar hij behield nog zooveel; de herinnering aan een eervolle militaire loopbaan, belangstelling in alles wat het leger betreft, het talent om zijn denkbeelden kenbaar te maken in zijn geschriften.«

»Dit neemt niet weg dat zijn carrière gebroken is. En wat troost een man dáárover?«

»De liefde van vrouw en kind!« spreekt een stem, die nu méér dan ooit als muziek klinkt.

»Denk je dat, Nita?« vraagt Verschuere zacht. Dan knikt hij haar toe, alsof ze een kind ware, nog niet in staat om de treurige waarheden des levens te bevatten, en keert zich tot Van Beevelant.

Er is maar een enkel woord noodig om den schat van herinneringen, in beider hart bewaard, aan het licht te brengen. Ze hebben naast elkaar gewoond in het kampement te Magelang, toen hun beider vaders nog jonge kapiteins bij het indische leger waren, en nooit is eenig kampement meer geplaagd door twee ondeugende jongens. Ze zijn toevallig terecht gekomen op dezelfde school in Haarlem, en nooit heeft men op een school zoo goed geleerd, niets te zeggen ten nadeele van Indië, dan toen zij daar de eer van Indië ophielden en desnoods met de [53]vuisten verdedigden. Zij kwamen te zamen aan de akademie, en wie hen daar kenden, ’t zij professoren of studenten, die spraken zelden meer over de »achterlijkheid« van indische jongelui.

Eindelijk breekt Nita den stroom van grappige verhalen en jolige herinneringen af.

»Vertel me eens, hoe gaat het met uw zuster Louise? Is ze weer geheel hersteld?«

»Ze is beter, veel beter dan toen u haar ontmoette, maar ze kan maar niet weer op krachten komen. De doctoren rekenden op den zomer; ze zou dan eens een reisje gaan maken, een zachter klimaat opzoeken… ik hoop er het beste van. Maar Verschuere zal u wel eens gezegd hebben welk een vroolijk, prettig gezin het onze vroeger was… Mijn arme zuster moet zich van jongs af de toekomst gedroomd hebben als vrouw en moeder… soms vraag ik me af, of het haar niet te zwaar valt afstand te doen van al datgene wat ze thuis heeft leeren beschouwen als het beste wat de wereld geeft.«

»Arm kind!« fluistert Nita.

»Ja, wel arm kind! Om u de waarheid te zeggen heb ik met haar meer medelijden dan met papa; zij is nog zoo jong! En voor haar is de carrière—om het zoo eens te noemen—niet minder gebroken dan voor hem. Was ze in Indië gebleven, dan had ze een keus kunnen doen uit de beste partijen; daar op ons dorpje zal ze geen echtgenoot vinden naar haar smaak. Ze weet dat en ik vermoed dat het haar een teleurstelling is. Dit moet ik tot haar eer zeggen, ze houdt zich goed. Zij is wel niet zóó vroolijk meer als vroeger, maar altijd blijmoedig, opgewekt; de steun van moeder, de vraagbaak voor de jongeren…«

»En de lievelingszuster van haar broer.«

»Ja… ofschoon in den laatsten tijd… je moet weten, ze keurde mijn plan om deze betrekking te gaan vervullen niet goed. Ze vond dat ik mijn positie niet mocht opofferen.«

»Misschien had ze daarin niet geheel ongelijk.«

»Dunkt je dat? De positie van een doctor in de letteren?«

»En meester in de rechten.«

»Nu, ja, wat hielp me dat? Wat kon ik doen in Holland. Dat vraag ik je! Me neerzetten als advokaat en wachten of ik praktijk zou krijgen—wat ik het liefst gedaan had—daar had ik [54]geen geld voor. Een postje als rechterlijk ambtenaar in een provinciestadje vragen en jaren rondloopen op zes- zevenhonderd gulden? Levenslang docent blijven, wat me nu al zoo verveelde?«

»Ik beken,« zegt Verschuere, »de vooruitzichten, die je daar noemt, zijn niet schitterend, maar is het niet wel eens in je opgekomen, dat, waar je je nu mee bezighoudt, beneden de waardigheid is van iemand, die door bekwaamheid en talenten recht had op elke betrekking?«

»Integendeel. Ik vind deze bezigheid in het geheel niet zoo min. Van twee jongens, door geboorte en fortuin geroepen om eenmaal in ons land een rol te spelen, bruikbare mannen te maken, dit zou in mijn oog geenszins beneden mijn waardigheid zijn, ook al had ik de bekwaamheden die je me toedicht. Goed begrepen, breeder opgevat dan de gewone onderwijzer dat misschien doen zou, is het een grootsche taak. En ik wil je wel bekennen dat ik, in plaats van te vinden dat ik er te goed voor ben, me dikwerf afvraag of ik er wel voor berekend ben.«

»’t Is zeker dat de manier waarop mijnheer Van Waliënhove je heeft ontvangen en de plaats, die hij je heeft aangewezen, veel doet om je positie te releveeren.«

»O, ik weet, Verschuere, dat gouverneur te zijn bij de zonen van mevrouw Van Waliënhove geen sinecure is; ik heb dat in deze weinige dagen reeds ondervonden.«

»Ik vrees dat u van dien kant weinig steun kunt verwachten,« zegt Agnita, »maar ofschoon men het, zoo oppervlakkig gezien, niet bemerkt, après tout is de gouverneur-generaal het hoofd en zult u met hem te rekenen hebben; hij geeft zijn vrouw veel toe in kleinigheden, maar in groote kwesties handelt hij geheel volgens eigen inzicht.«

»Ik ben blij dat te hooren, te meer daar ik een anderen indruk gekregen had en dacht dat mijn werk zoo goed als nutteloos zou zijn. En ik zou zoo graag willen slagen! Ik zou zoo graag het vertrouwen, dat me geschonken werd, mij willen waardig maken. Het was hoog tijd dat er een verandering kwam in den bestaanden toestand, maar ik heb goede verwachtingen van mijn leerlingen, en als het me gelukken mag die vlugge, heerlijke jongens in het goede spoor te brengen, dan zal ik de overtuiging hebben, dat [55]ik niet alleen geen min baantje bekleed, maar even nuttig ben als de hoogstgeplaatste ambtenaar in Indië.«

»Nu, dat is wat sterk, dunkt me.«

»Dat schijnt het, ja. Maar heeft Zijn Excellentie niet vóór alles kalmte noodig en gemoedsrust? En zou ook de beste van zijn ambtenaren hem die kunnen schenken, zooals ik dat kan door hem de zorg over zijn jongens te ontnemen, de zorg die hem zoo zwaar gedrukt heeft in den laatsten tijd?«

»Waarlijk,« roept Verschuere, half spottend, half meegesleept door den ernst waarmee zijn vriend spreekt, »als ik niet eerste gouvernements-secretaris was zou ik wenschen mijnheer van Waliënhove’s gouverneur te wezen!«

Maar al kan hij Van Beevelant’s geestdrift niet deelen, het is hem goed weer samen te zijn met den vriend zijner jeugd. Weldra komen ze op andere onderwerpen. Agnita geniet; want uitgelokt en opgewekt door het helder oordeel en den logischen zin van den bezoeker, viert ook Gustaaf zijn vernuft bot. Het is lang na middernacht als ze hun gast uitgeleide doen; tot tweemaal toe keert deze in het helder maanlicht met hen terug naar het hek hunner woning, en tot tweemaal toe loopen ze langzaam met hem tot aan den ingang van het paleis.

[Inhoud]

VIII
IN DE WITTEBROODSWEKEN.

Inhoudsopgave

»Zoo vroeg terug? Dat is een meevallertje. Kom binnen.«

Maar de heer Verschuere schijnt den vriendelijken welkomstgroet zijner vrouw niet te hooren, zoo min als haar uitnoodiging om het boudoir te betreden, dat ze daareven, verheugd over zijn onverwachte thuiskomst, zoo haastig verliet. Werktuigelijk stapt hij door naar de achtergalerij, werpt zijn hoed op tafel en begint staande:

»Ik ben even uit mijn werk geloopen, maar ik moet dadelijk terug. ’t Was maar om je iets te zeggen dat geen uitstel lijden [56]kan. De familie Hagen logeert hier tot aanstaanden Donderdag; ze zijn op reis naar Sindanglaya, waar ze een maand denken te blijven.«

»Zoo? Maar waarom moet ik dat weten?«

»Wel, omdat wij ze bij deze gelegenheid een beleefdheid moeten bewijzen. Van avond zal er muziek gemaakt worden op het paleis; je weet, Gertrude Hagen zingt en de oude heer is een groot liefhebber van viool… Ze hadden alleen nog morgenavond vrij en ik heb hen gevraagd dan bij ons te komen dineeren.«

»Bij ons te komen dineeren? Morgen avond! ’t is toch niet waar?«

»Hemel, kind, daar behoef je niet zoo van te ontstellen! Hij is een alleraangenaamst mensch en mevrouw de liefste, de meest gedistingeerde…«

»Maar een diner! Morgen avond!«

»Wel neen, geen diner! Op zijn hoogst tien of twaalf menschen. Laat zien: drie Hagens, twee…«

»Tien of twaalf menschen! Je praat er maar over of het niets is! Gustaaf… ik zal nooit durven!«

»Je moet durven,« spreekt hij streng.

»Alles zal mislukken,« fluistert ze, meer in zich zelve dan tot hem. Maar hij heeft haar gehoord.

»Integendeel, alles zal in de uiterste puntjes zijn,« zegt hij op een toon die geen tegenspraak duldt.

»Morgen avond, zeg je? Morgen avond! Onmogelijk!«

»Onmogelijk!« herhaalt hij. En dan klinkt toornig de vraag: »Agnita, wat beteekent dàt nu?«

»Je moet niet boos worden,« brengt ze snikkend uit, »maar wezenlijk…«

»Ja, ik word wèl boos. Wat! Ik kies me een vrouw, wier moeder en getrouwde zusters perfekte huishoudsters zijn; een meisje, dat gewoon is thuis de keurigste dineetjes te helpen aanrichten; ik geef schatten uit voor mijn inboedel, ik houd er goedangs vol blikken en wijnen op na; ik heb een groot huis, een stoet van bedienden; zou men nu niet meenen, dat als iemand er op was ingericht om menschen te kunnen zien, ik dat zijn moest? Jawel! de eerste keer de beste dat ik een paar lui ten eten wil vragen, roept men mij toe: »Onmogelijk.«« [57]

Berouwvol is reeds zijn vrouw hem ter zijde getreden.

»Je bent in je recht, Gustaaf. Ik had niet van onmogelijk moeten spreken. En ik zou het ook zeker nooit gedaan hebben, als het wat minder onverwachts gekomen was. Je hebt gelijk, daarvoor heeft mama zich niet zooveel moeite gegeven, opdat haar dochter bang zou zijn om een paar gasten te ontvangen.«

»Zoo mag ik het hooren.«

»Ik beloof je, ik zal mijn best doen. Je weet dat het geen onwil was… niet waar, daarvan ben je overtuigd?«

Weinige oogenblikken later zitten ze samen op de causeuze in haar boudoir.

»Komaan, kindlief, kijk nu niet zoo angstig. Ik ben te driftig geweest, dat beken ik, maar daarom behoef je me nu niet een gevoel te geven alsof ik een tiran was, een vrouwenbeul!«

Straks, als weer een glimlach het ontstelde gezichtje komt verhelderen, gaat hij voort op dien ernstigen toon vol overredende kracht, waarmee hij zijn betoogen ingang doet vinden ook bij minder gewillige hoorders dan Agnita.

»Kind, waarvoor denk je toch dat ik de beste jaren van mijn leven hier in Indië doorbreng? Je weet dat ik het niet bepaald noodig heb, zelfs op het oogenblik niet, terwijl de tantes ieder voor zich me tot erfgenaam maken, zoodat ik ook niet voor een pensioen behoef te zorgen; je weet, dat ik ook in Holland een bestaan zou kunnen vinden. Waarvoor denk je dan dat ik hier ben?«

Ze ziet op naar zijn gelaat. Dan, als had ze het antwoord daar gelezen, spreekt ze: »Om het ver te brengen in de wereld!«

»Juist! Om het ver te brengen in de wereld! Daar streef ik naar! Daarvoor heb ik nu tien jaar gewerkt en zal ik misschien nog twintig jaar werken. Daarheen zijn al mijn gedachten gericht; daarheen keeren zich al mijn wenschen, al mijn verlangens; daarvoor leef ik.«

»Daarvoor toch niet alleen, is ’t wel, lieveling? Neen, dat weet ik beter. Maar denk je dat het mogelijk zijn zou…?«

»Waarom niet? Ben ik minder dan het meerendeel van hen die me zijn voorgegaan? Heb ik geen goede hersens, geen sterk gestel, geen kolossaal werkvermogen, geen ijzeren wilskracht en—wat misschien meer is dan dit alles—geen machtige protectie?«

Zooals hij daar tegenover haar staat, met dien vastberaden [58]trek op het mannelijk gelaat, met dat ernstig voorhoofd, die oogen, fonkelend van geestdrift, schijnt hij haar een reus, sterk genoeg om al de draken, die het betooverd kasteel der fortuin tegen hem mochten willen verdedigen, te verslaan.

»O, je begrijpt, ik zou de laatste zijn die er aan twijfelde. Maar je moet niet vergeten hoeveel er noodig is.«

»Ja, heel veel! Onder meer een vrouw, bezield met dezelfde gevoelens als ik, een vrouw ten allen tijde bereid mij bij te staan in het streven naar het groote doel, een vrouw, die wat durft, wat kan, een vrouw voor wie het woord onmogelijk niet bestaat, als aan den vice-president van den Raad van Indië een diner moet worden aangeboden…«

»Laten we het menu opmaken, Gustaaf,« roept ze half beschaamd, half lachend.

»Zoo mag ik het hooren. En, Nita, van dit oogenblik af aan beschouw ik je als een ingewijde. Antwoord me, lieve, wil je niet beproeven om iets meer voor me te zijn dan een lief, bekoorlijk kind? Wil je mijn trouwe reisgezellin wezen, die met me afgaat op hetzelfde doel?«

Er is groote bekommernis in de oogen, die ze vol ernst naar hem opslaat. »O Gustaaf, ik vrees dat je je in mij vergist hebt… ik vrees dat je een andere vrouw hadt moeten kiezen; ik ben zoo weinig eerzuchtig!«

»Als je me lief hebt, zul je het worden om mijnentwil!«

»Als ik je lief heb!… Maar het is juist omdat ik je liefheb, dat al die grootsche plannen, die stoute wenschen me beangstigen, Gustaaf; het voornaamste is toch gelukkig te zijn, niet waar? Nu, ik kan niet gelooven dat grootheid of eer geluk aanbrengt.«

»Dat komt omdat je nog zoo jong bent. Met elk jaar dat je ouder wordt, zul je leeren inzien hoe het bezit van macht… Maar ons menu! We hebben geen tijd te verliezen. Geef mij je potlood… of zal ik het maar geheel aan Cavadino overlaten?«

»Cavadino?«

»Ja, ik wilde hem telegrafeeren dat hij morgen met den laatsten trein een diner voor twaalf personen zendt. Hij heeft dat dikwerf voor me gedaan toen ik nog célibatair was—en altijd uitstekend. Maar toen kwam hij met zijn staf mee en zorgde voor alles. Dat is nu onnoodig, niet waar? Je zult zeker liefst [59]zelve het arrangeeren van de bloemen en het dekken der tafel op je nemen? Ook moeten de bedienden—dat spreekt van zelf—de gerechten warm maken, de aardappelen koken en…«

»O man!« roept ze verrukt, »hoe gemakkelijk! Had je me dat dadelijk gezegd! Ik dacht dat ik alles zelve moest klaar maken!«

»Wat een idée! Je zoudt doodaf zijn. Neen, er is niets onaangenamer dan lekker te eten terwijl de gastvrouw, rood van overspanning, naar adem hijgt; ik wil dat je het hart van den vice-president morgen steelt, en je zoudt niet op je dreef zijn, als je er voortdurend over moest denken of dit of dat gerecht wel gelukt was…«

»Vergeef me, Verschuere! Nu begrijp ik pas hoe mijn tegenspraak je moest hinderen… terwijl je alles doen wilde om het me gemakkelijk te maken!«

»Goed, goed, kindlief! Neen, nu niet… Straks, als ik thuis kom, zal ik met mijn kleine rebel afrekenen. Ik verzend dus het telegram. Jij zorgt voor de invitaties en de rest? Tot straks!«

»Tot straks! Ik zal mijn best doen, hoor! Je zult over me tevreden wezen.«

»Als mijnheer en mevrouw Hagen het maar zijn; dat is van meer belang!«

[Inhoud]

IX
EEN DINER MET EEN GAPING.

Inhoudsopgave

De gevreesde avond brak aan. En als iets mevrouw Verschuere had kunnen doen vergeten, dat er over weinige minuten gedineerd moest worden in haar huis, aan haar tafel, dan zouden het de genoodigden geweest zijn; immers het was een uitgelezen gezelschap, volkomen geschikt om een eerstbeginnende in de kunst van recepieeren op haar gemak te zetten.

Voelde de heer Hagen, toen hij zijn gastvrouw den arm bood hoe het handje, dat ze op dien arm legde, beefde? Zag mevrouw Hagen hoe angstig het gezichtje stond, toen ze tegenover elkander plaats namen? Zooveel is zeker, dat de eerste zich haastte haar mee te deelen, hoe hij altijd gaarne de uitnoodiging voor een [60]dineetje aannam—al was het eten voor hem geheel bijzaak—omdat men nergens zoo gezellig praten kon als aan tafel; dat de tweede haar toeknikte met een bemoedigend knikje, alsof ze reeds vooraf de verzekering wilde geven dat—mocht het een of ander in de war loopen—zij de laatste zijn zou om het kwalijk te nemen.

Maar het scheen dat er niets in de war zou loopen. De jonge vrouw met haar kindergezichtje had wel weinig ervaring, maar zij bezat den kieschen takt, dien men van eene beschaafde moeder overneemt; daarbij gaf zekere schroom, zoowel in haar manieren als in haar wijze van spreken, haar een eigenaardige bekoorlijkheid.

De eetzaal, de tafel, de bloemen, het toilet der gastvrouw, waren elk op zich zelf een bewijs van haar goeden smaak en de heer Hagen, een kenner, keek met innig welgevallen rondom zich. De bediening was vlug zonder druk te wezen, de soep bleek overheerlijk, de pasteitjes, die op de soep volgden, waren kunstgewrochten.

Verschuere, niet zoo kalm als hij wel wilde schijnen, zag de tevredenheid van zijn gasten en voelde zich beter, at zijn soep en werd rustiger, proefde zijn pasteitje en zegende Cavadino, hoorde hoe aardig Nita zich met den heer Hagen onderhield, en lachte haar toe met een blik zoo vol waardeering, dat de hartklopping, die haar plaagde, onmiddellijk bedaarde.

Van nu af begon hij meer aandacht te schenken aan zijn buurdames. Aan de eene zijde had hij mevrouw Paerel, een vroolijk dikkertje van even dertig. De directeur van ’s lands plantentuin bezat het voorrecht haar zijn gade, zeven alleraardigste dikke jongentjes het nog grooter voorrecht haar hun moeder te noemen. Ze zou even beminnelijk en zeker amusanter zijn, wanneer ze niet altijd zoo overstroomende was van teederheid voor haar achtdubbelen schat; immers ook de aardigste vrouw schijnt langdradig als ze over haar kroost spreekt, voor ongehuwden omdat ze oningewijden zijn, voor getrouwden omdat ze popelen van begeerte om over hun eigen wonderkinderen te beginnen.

De gastheer kende haar zwak en bracht haar zonder dralen op het geliefkoosd onderwerp, in de hoop dat, als ze het met hem [61]in het breede behandeld had, het zijnen gasten bespaard zou blijven. Reeds was de groote parel verklaard te zijn van het zuiverste water, reeds waren de kleinere parels aangeduid als kostbare sieraden in de kroon hunner moeder, van twee nog kleinere met vochtigen blik getuigd dat ze onschatbare schatten waren, toen de geduldige toehoorder een blik opving van Mingo.

Die blik boeit Verschuere met toovermacht, ook terwijl mevrouw Paerel het pareltje bespreekt, dat frappant op het portret van Victor Hugo gelijkt.

»’t Is te hopen,« zegt de gastheer vaag en staart naar Mingo, die zich nu niet meer bepaalt tot kommervolle blikken, maar ze vergezeld doet gaan van mondverdraaiingen, het uitspreken voorstellend van een woord—zeker van vreeselijke beteekenis.

Eindelijk is ook de Victor Hugo in spé afgehandeld en Verschuere, die zich hersteld heeft, slaakt een zucht van verlichting bij de gedachte dat het de laatste was.

Maar een moeder vertelt zich niet.

»Wat nu mijn allerjongste betreft…«

»O mevrouw, dat is nog een pareltje in de schelp.«

»Neen, zeg dat niet. Hoewel pas zeven maanden…«

Maar Verschuere vindt dat het tijdsverloop tusschen croquetjes en visch reusachtige afmetingen begint aan te nemen en met een: »Neem me niet kwalijk, mevrouw! een oogenblikje,« wenkt hij Mingo.

Nauwelijks is deze genaderd, of hij bijt hem toe: »Di mana ikan?«1

Mingo fluistert zijn meester iets toe. Het gelaat van den meester wordt eerst rood, dan bleek; radeloos slaat hij den blik rondom zich; dan laat hij hem vol verwijt op zijn vrouw rusten.

Maar mevrouw Verschuere merkt dat niet op.

Geheel gerustgesteld door het waardeerend knikje van zooeven, heeft zij zich met de zorgloosheid der jeugd overgegeven aan het genoegen van te luisteren naar haar beide buren en op dit oogenblik meer bijzonder naar den heer De Bruining, die één glas wijn gebruikt heeft en in de periode van den vogel verkeert.

»Wat is er gaande, Verschuere?« vraagt de heer Hagen, aan [62]wiens scherpen blik niets ontgaat. »De visch niet pluis? Nu, kom er maar voor uit. Dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.«

»Neen,« stamelt Verschuere, »dat is het niet.«

Het benauwde stemgeluid waarmede dit gezegd wordt, wekt de huisvrouw uit haar droom: ze ziet op naar het gelaat van haar man en weet dat alles verloren is.

De gasten beginnen nu de een na den ander te bemerken dat er onraad broeit; het wordt stil.

»Kom, mijnheer Verschuere, wat het zijn moge, laten we er ons niets van aantrekken,« stelt mevrouw Paerel voor. »Ik zal u zeggen, mevrouwtje, wat we bij ons doen, als een gerecht mislukt: we gaan over tot het volgende.«

»Maar… dat kunnen wij niet!« roept Verschuere.

»Kunnen we dat niet?« vraagt Agnita ontsteld. »Mijn hemel, Gustaaf, wat is er dan?«

En in de stilte, die nu volgt, klinkt het als een doodsmaar van Verschuere’s lippen:

»Je hebt de aardappelen vergeten!«

De tijding is zoo onverwacht, het geval zoo ongewoon, dat niemand weet wat te zeggen. Alleen mevrouw De Bruining behoudt haar tegenwoordigheid van geest. Ze grijpt Mingo bij den arm, bijt hem in het oor: »koken! dadelijk! uilskuiken!« En op haar wenk vliegen al de dienende geesten Mingo achterna, de keuken in.

Daar men elkaar niet durft aankijken, staart men in de ledige borden; daarop heeft er eene algemeene broodverkruimeling plaats.

Er is een lach, gul en welgemeend, een lach waarin geen zweem van spotternij ligt, niets dan goedhartige pret over de dwaasheid dezer wereld. In dien lach barstte de heer Hagen los; en het was niet omdat de Raad van Indië het deed, maar omdat hij het zoo aanstekelijk deed, dat allen met hem instemden.

Te midden dier vroolijkheid kwam freule van Waliënhove op een inval, zooals lieve meisjes soms invallen hebben kunnen.

»Gertrude!« roept ze juffrouw Hagen toe, »is dit niet een wenk van de Voorzienigheid? We waren straks zoo en peine over [63]het duet, dat we morgenavond zingen moeten zonder het nog een enkele maal samen te hebben doorgezien. Zou mevrouw Verschuere ons willen veroorloven… ik vrees dat we na den eten niet meer zoo gedisponeerd zullen zijn.«

Als het bericht had weerklonken dat er een goudmijn ontdekt was in de binnengalerij, hadden de gasten niet vlugger kunnen opspringen om er zich heen te begeven.

De vleugel staat opengeslagen; men schaart zich in het rond; de beide frissche meisjesstemmen heffen het duet aan; niemand schijnt meer aan dineeren te denken, niemand dan de Verschuere’s, wie de oogenblikken minuten, de minuten uren schijnen, niemand dan mevrouw De Bruining, die, zoodra ze het onbemerkt meent te kunnen doen, wegrent, om weldra met haar zijden japon door de keuken te slieren, rechts, links, overal! nu eens een aardappel grijpend, dan weer een mes, om eindelijk, als ze de onmogelijkheid heeft ingezien van beiden tegelijk in handen te houden, zich te bepalen tot het beurtelings uitschelden, vermanen en prijzen der acht schillers en schilsters. Zij belooft ze ongehoord groote geldsommen voor het ondenkbaar geval dat ze de aardappelen binnen twee minuten op tafel brengen. En wel niet binnen twee minuten, maar toch vrij spoedig, namelijk juist als de jonge dames in edele zelfopoffering ten derde male het duet willen beginnen, komt Mingo met het zoo vurig begeerde »soedah«.

In vroolijken optocht trekt men weer naar de achtergalerij. De visch is als door een wonder goed gebleven; de aardappelen blijken er niet minder om, dat ze zoo haastig gekookt werden; daarbij zijn al de volgende gerechten keurig voorgediend en smakelijk toebereid; de wijnen volkomen waardig zulke edele gerechten te besproeien, en het dessert alles overtreffende wat Cavadino tot dusverre leverde op dit gebied.

Een fijn diner is geen bijzonderheid op Buitenzorg, maar een diner, waar zoo geestig verteld, zoo vermakelijk geschertst, zoo hartelijk gelachen wordt als hier, blijft een uitzondering. ’t Is dan ook na middernacht, lang over den gewonen tijd, als men uit elkaar gaat, en nog is dit niet met volle toestemming van den heer Hagen, die, na een laatst welgemeend compliment aan zijn bekoorlijke gastvrouw, slechts noode achter de statige gestalte aanloopt, die hem reeds is voorgezweefd naar het rijtuig. [64]

De anderen volgen nu spoedig hun voorbeeld, en als Verschuere de laatste dame naar den wagen brengt, gaat mevrouw, die boven aan de trap staan bleef, hem een paar treden tegemoet, den blijden glimlach, waarmee ze hare vrienden groette, nog om de lippen.

Maar is dit de joviale gastheer van daareven? Is dit Gustaaf, die den geheelen avond zoo opgewekt, zoo hoffelijk was? die toornige man met bewolkt voorhoofd, met saamgenepen lippen?

Eenigszins ontsteld treedt ze achteruit. Hij gaat haar voorbij alsof ze daar niet stond; regelrecht naar zijn kleedkamer, en het duurt een poos voor ze den moed heeft hem daar te volgen.

»Kleed je je nu reeds uit?« vraagt ze en legt een bevend handje op zijn arm. »Willen we niet een oogenblik napraten?«

Reeds heeft hij haar hand afgeschud.

»Napraten?« barst hij los. »Napraten? Waarover? Over ons mislukt diner?« en hij gooit zijn jas op een stoel en rukt zijn das los, alsof elke band hem benauwde.

»Mislukt? Maar Gustaaf! de menschen hebben zich uitstekend geamuseerd.«

»Geamuseerd!« herhaalt hij met schamperen lach. »Geamuseerd! ja, dat hebben ze zich! Daar kun je zeker van zijn. Het is een aardigheid die ze niet elken dag zien vertoonen… een diner zonder aardappelen!«

»Ze hebben het immers allen even goed opgenomen.«

»Natuurlijk! Je hadt hun geen grooter pleizier kunnen doen. En niet hun alleen. Wees overtuigd dat mevrouw Van Waliënhove morgen een pret heeft van belang; wees overtuigd dat het binnen een paar dagen op Buitenzorg en Batavia, op al de soirées, in al de societeiten, op al de dames-ochtendvisites het praatje van den dag is. Neen, dáár kun je zeker van zijn, dat het eerste diner van mevrouw Verschuere, het diner zonder aardappelen, legendarisch zal worden in Indië!«

»Hemel, Gustaaf, was het dan wezenlijk zóó erg?«

»Ik weet niet of jij het erg vindt om belachelijk te zijn. Ik vind het verschrikkelijk, ondragelijk, het ergste van alles!«

»’t Was onhandig van me, maar… ik had toch mijn best gedaan… Zou je ’t me niet kunnen vergeven? Nu nog niet, [65]dat begrijp ik wel, maar morgen misschien, als je wat kalmer bent?«

»Dwaasheid! ik heb niets te vergeven. We zullen beiden in ons huwelijk wel eens fouten begaan. Als het maar niet dikwerf zulke fouten zijn, Nita; want die zouden op den duur in staat zijn me razend te maken—begrijp je dat niet?«

Neen, ze begreep het niet. Ze begreep niet hoe het oordeel van vreemden hem zoo aan het hart ging dat hij haar, die hij liefhad, er voor kon grieven.

Met klokslag vijf wordt Verschuere gewekt. Hij springt op als iemand, die weet dat een taak hem wacht; den vorigen dag liet hij alles liggen om zich geheel te wijden aan de ontvangst zijner gasten; nu moet de achterstand worden bijgewerkt nog vóór het bureau-uur slaat.

Het is bijna donker in het slaapvertrek, een enkele flauwe lichtstraal slechts dringt door de jalouzieën, maar die lichtstraal valt op Agnita: ze ligt naar hem gekeerd, het hoofd gesteund op de gevouwen handen, de haren los gewoeld rondom het gezichtje, dat in die matgouden lijst nog teerder, nog fijner schijnt dan gewoonlijk. Bij haar aanblik komt hem de vorige avond voor den geest, hij hoort weer de bevende stem, die zoo nederig smeekte om vergiffenis; hij voelt weer de kleine hand te vergeefs de zijne zoeken; hij ziet weer die oogen naar hem opgeheven met den angst van een kind, dat iets misdaan heeft, en hij vraagt zich af, of hij het is geweest, die zich zoo wreed van haar afwendde. Hij buigt zich tot haar, hij bespiedt op hare lippen den zoeten lach, waarmede ze gewoon is hem te begroeten, hij vraagt een blik dier oogen, waaruit een liefkoozing tot hem komt zoo vaak zij ze naar hem opslaat. Als ze in dit oogenblik ontwaakt was, had hij haar op zijn knieën kunnen smeeken om vergeving—maar ze ontwaakte niet, ze was zoo vermoeid van het schreien—en hij kon niet wachten, de schrijftafel riep hem.

Het was een ingewikkelde zaak waarover hij rapport moest uitbrengen, kort en zakelijk zooals de gouverneur-generaal alle rapporten eischte—een zaak, die van het oogenblik af dat ze aanhangig werd gemaakt, hem veel belang inboezemde. Maar juist omdat hij er zich zoo geheel had ingewerkt, juist omdat [66]hij het vóór en tegen zoo nauwkeurig gewikt en gewogen had, viel het moeilijk om al wat hij zeggen wilde te besluiten in het kort bestek hem toegestaan.

Echter, het gelukt—zooals trouwens zulke werkzaamheden hem altijd gelukken. Als hij oprijst van de schrijftafel is het met de streelende gewaarwording van een overwinnaar. Hij herleest de bladzijden, waarop het ingewikkelde vraagstuk is opgelost op eene wijze, die het de eenvoudigste zaak der wereld doet schijnen; hij geniet het glashelder betoog, den gespierden stijl, de juiste woordenkeus of ze van een ander geweest waren. Er zijn drie uren verloopen sinds hij voor de sponde zijner gade stond, en in die drie uren heeft ze niet voor hem bestaan. Hij bergt nu de dichtbeschreven pagina’s in zijn portefeuille, en het hoofd vervuld van zijn werk, gaat hij naar de achtergalerij om haastig zijn ontbijt te gebruiken. Als ze op het oogenblik dat hij uit Mingo’s handen zijn hoed aanneemt te voorschijn komt, drukt hij haar een vluchtigen kus op de lippen en gaat heen, zonder haar ook maar één gedachte te wijden.

1 Waar blijft de visch?↑

[Inhoud]

X
INVITATIES TEN HOVE.

Inhoudsopgave

Op de invitatielijsten, die de heer d’Hannecour zijn gebiedster aanbood, werd achter sommige namen een kruisje geplaatst; dit kruisje beteekende in de taal der barones: »alleen geschikt om te laten eten.« De aldus geteekenden zou de kolonel niet gewaagd hebben ook maar te noemen als er sprake was van een soirée, een soirée musicale, littéraire, dramatique, amusante of hoe de veertiendaagsche avondjes ten paleize heeten mochten; maar daar mevrouw Van Waliënhove niet zuinig was met hare kruisjes en de intendant min of meer verantwoordelijk werd gesteld voor het welslagen der soirées, werden deze voor den armen man dikwerf kruizen in den waren zin van het woord.

Wat de toehoorders betrof, die kwamen van zelf bijeen. De mijnheer die zoo mooi viool speelde, bracht zijn drie bruine gansjes mee; de geestige vrouw, onmisbaar voor de jeux d’esprit, [67]haar goeden sukkel van een man; de uitstekende pianiste had haar dooven papa bij zich; het meisje dat zoo lief reciteerde, haar ongetrouwde tante… maar het was niet genoeg dat er menschen verschenen, die geamuseerd wilden worden, er moesten er ook zijn die amuseerden. En zij waren—als overal elders—schaarsch te Buitenzorg.

Bij de troepen, die te Batavia mooie opera’s komen bederven, zijn nu en dan wel eens goede artisten; ook verdwaalt er soms een violist, pianist, ja zelfs een enkele chanteuse, die jaren geleden in Europa wat naam maakte, naar Indië: met hen was de intendant den koning te rijk. Ze werden ten paleize ontboden en op zulk een avond had hij rust, behoefde hij geen dilettanten te smeeken om hun medewerking; de artisten deden al het werk, want daar de heer Van Waliënhove er op gesteld was dat ze ruim gehonoreerd werden, eischte mevrouw waar voor haar geld.

Ze waren er echter slechts zelden. En dus bleef de kolonel steeds zoekende naar nieuwe krachten; ja, hij hield er jonge luitenants op na, die hem waarschuwden zoodra er iets van zijn gading was ontdekt. Dan werd de barones onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en het duurde niet lang of de naam van de talentvolle persoon werd genoemd; onder vele mindere bevoorrechten merkte men hem op; weldra kwam er zeer toevallig een plaats open in Buitenzorg en hij werd aangewezen om die plaats te vervullen.

Wèl hem, zoo hij op de eerstvolgende soirée beantwoordde aan den roep, van hem uitgegaan! Voor hem geen reizen of trekken meer, geen nadeelige venduties of dure verhuispartijen: Buitenzorg was en bleef zijn standplaats. Ongelukkig konden de dames d’Hannecour hun echtgenoot en vader weinig tot steun zijn. ’t Is waar, mevrouw d’Hannecour had indertijd wel aan voordrachten gedaan, maar zekere oude hoedendoos, waarin een lauwerkrans bewaard werd, was het eenige wat van deze gave restte; Victoire bespeelde de cither, doch toen ze eens een feest had willen opluisteren, werd haar spel niet gewaardeerd, terwijl een poging van Elmire, om zich in het lierdicht te onderscheiden, met niet bepaald gunstigen uitslag bekroond was. Het eenige wat haar dus restte, was dienst te doen als speurhond [68]en dit deden ze met een ijver, die wel eens wat benauwend worden kon voor de bewoners der residentie.

Van dien ijver werd te haren tijd mevrouw Verschuere het slachtoffer.

Op zekeren vóóravond overvielen haar drie van de jonge dames; haar optreden was zoo onschuldig mogelijk en ze was er verre van daan, eenige bedoeling te zoeken achter haar komst, toen ze op de vraag of het dan nooit zou ophouden met regenen—de vraag, die in Buitenzorg meest gedaan wordt ter opening van het discours—ten antwoord kreeg: »Doet u ook aan de schoone kunsten, mevrouw?«

Eenigszins verbaasd begon Agnita: »Als u wat bloemen maken en teekenen zoo noemen wilt…«

»O, teekenen!« riep nu Elmire minachtend, »daar heeft men niets aan.«

»Hé, vindt u?« vroeg mevrouw Verschuere, weinig vermoedend waarin Elmire’s minachting voor de teekenkunst haar oorsprong vond; »mij dunkt juist, dat men er zooveel aan heeft.«

»Toch veel meer aan muziek,« viel Julia in, »daar houdt de gouverneur zoo van.«

Nog begreep Agnita geenszins, waarom ze veel aan muziek zou hebben omdat de gouverneur er zoo van hield.

»U doet toch aan de piano?« vroeg nu Marianne.

»Ja, zoo nu en dan,« stemde Agnita toe en ze had moeilijk anders kunnen doen, daar men het gezicht had in de binnengalerij, waar de piano open stond.

»Wat een heerlijke aanwinst!« riep nu Victoire.

»Wat zal mevrouw Van Waliënhove blij zijn!« juichte Elmire.

»Nu, maar papa dan, papa zal opgewonden wezen!« lachte Marianne.

»Ik begrijp niet recht…«

»O mevrouw, wat treft dat goed… En mijnheer? Mijnheer doet zeker ook wel aan…«

»Aan muziek? Neen, hij kent geen noot.«

»Maar hij doet aan bellettrie, niet waar? Ik vond dadelijk dat hij iets over zich had of hij aan bellettrie deed. Is het niet zoo, Elmire? Heb ik je niet gezegd: dat is een man voor bellettrie?« [69]

»Om je de waarheid te zeggen, dacht ik dat je hem voor het drama bestemd hadt.«

»Neen, dat was een idée van Marianne.«

»Dat moet ik je tegenspreken, Victoire; mijn overtuiging was en blijft tragedie.«

Ten derden male beproeft Nita tusschenbeide te komen.

»Tragedie? Verschuere voor tragedie? Lieve dames, ik begrijp hoe wij u moeten tegenvallen en het spijt me verschrikkelijk, maar geloof me, mijn man heeft geen tijd en ik… de geringe talenten, die ik heb, zijn alleen geschikt om er mij zelve wat mede bezig te houden, niet om er de soirées van mevrouw Van Waliënhove mee op te luisteren.«

De meisjes waren diep teleurgesteld. Niet minder de vader. En toen hij eenigen tijd daarna de lijst ontving voor het muziekavondje dat zou gegeven worden, zette hij achter den naam Verschuere een kruis zóó vet, alsof hij er al die teleurstelling in wilde uitdrukken. Groot was echter den volgenden morgen zijn schrik: de barones stond vóór hem, de booze zwarte oogen op hem gericht, den vinger uitgestrekt naar het vette kruis, en vroeg op den haar eigen snijdenden toon wat dat beteekende?

»Alleen geschikt om te laten dineeren,« zei hij met een poging om zich goed te houden.

»Ik geloof dat dit aan mij te beoordeelen staat, kolonel.«

»O zeker, mevrouw. Maar mijn meisjes hebben informaties genomen en…«

»U zult wel zoo goed willen zijn den heer en mevrouw Verschuere een uitnoodiging te zenden?«

»Nog iets van uwe orders, mevrouw?«

Wel krijgt de heer d’Hannecour van vrouwlief telkens de opdracht zich toch maar niet boos te maken, wel herinnert hij zichzelven telkens dat mevrouw Van Waliënhove’s ongenade in zijn geval gelijk staat met pensionneering, maar niettegenstaande dit alles heeft hij oogenblikken, waarin hij vindt dat het een »onaangenaam baantje« is dat baantje van intendant—en dan kan hij zijn drift niet altijd meester blijven.

»Dank u, op het oogenblik niet,« antwoordt mevrouw Van Waliënhove met een kalmte, die bewijst dat zoo hij satire bedoeld heeft met zijn vraag, dit voor haar verloren ging. [70]

Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een tweede-luitenant van administratie.

Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost.

Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen.

Natuurlijk luisterde niemand.

Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat die begeerte niet vervuld mocht worden.

Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze in andere zaken eenstemmiger mochten wezen.

En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend, maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren. Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan hare zijde te mogen nederzetten.

»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds uitgerust van de vermoeienis der reis?«

»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit heerlijke Buitenzorg.« [71]

»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?«

»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?«

»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets op ander gebied worden geleverd?«

»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.«

»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet. Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?«

»Ik mevrouw?«

»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het u immers gevraagd?«

»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met hooger blos en op vrij beslisten toon.

Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik.

»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik.

»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten kwade zou mogen duiden…«

»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid beging…«

»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.«

»Dat mag ik niet.«

»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek geschonken—van uwe gaven te bewonderen.«

»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen omtrent mij op de hoogte zou wezen.«

»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen waarin wij leven is zoo klein.« [72]

»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te treden.«

»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt mevrouw Van Waliënhove koeltjes.

»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat voornemen willen afbrengen?«

»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.«

»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.«

»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige standplaats? U komt van Solo, meen ik?«

»Ja, mevrouw.«

»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?«

»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.«

»En de conversatie?«

»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden geboren moet zijn om er smaak in te vinden.«

»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?«

»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse… »Op Atjeh?«

»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?«

»Binnenkort? Ik dacht…«

»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?«

»Niet altijd, maar toch…«

»Nog heel lang. Ja.. ziet u… dat zou ook niet geheel onmogelijk geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met uw talent… u een aanwinst zijn zoudt… Maar mevrouwlief, u is heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik [73]uw man. Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en neer.«

Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht, die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt… en de landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil.

De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond: er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s en aardigheden.

Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest zou zijn om de stemming te verhoogen. [74]

The free sample has ended.

Age restriction:
0+
Release date on Litres:
11 October 2024
Volume:
400 p. 1 illustration
ISBN:
4064066404994
Publishers:
Copyright Holder::
Bookwire
Download format:

Similar books